Lezen

Huiswerk

‘Come on let it go-oooo, just let it be-eeee, why don’t you be you-uuuu and I’ll be me …’ Hardop zing ik de woorden mee. Ik staar naar het scherm van mijn laptop. Het Word-bestand is één grote grijze massa en als zelfs de oude Griekse beschaving om elf uur ’s avonds niet meer inspireert …Ik kijk op bij de tik op mijn schouder en trek de koptelefoon van mijn hoofd.‘Hé idioot, wat zit jij depri mee te jengelen.’‘Hou je kop, Daan!’‘Ga je mee naar Lucia’s? Rik en Tony zijn er al.’Ik schud mijn hoofd en kijk opnieuw naar mijn beeldscherm. ‘Dit moet voor twaalf uur naar Starings Postvak IN. Je weet hoe hij is.’Ik grinnik als Daans gezicht betrekt. Een zware hand valt op mijn schouder en vol medelijden zegt hij: ‘Man, succes. Maar je komt na de tijd nog wel een biertje doen?’‘Ja misschien, ik heb wat hoofdpijn. Ik laat het nog wel weten.’Daan haalt zijn schouders op. ‘Later, man!’ De deur valt achter hem dicht.Ik zet Shape Of You van Ed Sheeran op minimaal volume en lees wat ik tot nu toe heb geschreven.Als historisch figuur heb ik koning Leonidas I van Sparta gekozen, maar verder dan zijn connectie met de Slag bij Thermopylae en de film 300, ben ik nog niet gekomen. Wie was deze koning? Hoe leefde hij in Sparta? Leefde hij anders dan zijn onderdanen? Wat is de voorgeschiedenis van de slag? Ja, ik heb nog wat werk te doen en ondertussen nog drie kwartier de tijd.   Het is drie minuten voor twaalf als ik mijn bestand upload en naar Staring verzend. Opgelucht droog ik de binnenkant van mijn handen aan mijn spijkerbroek. Niet mijn beste werk, maar ik heb het toch maar weer gered. Om van mijn opgejaagde gevoel af te komen scrol ik wat door Facebook. Er staan verschillende foto’s op van mijn vrienden bij Lucia’s. Ik besluit gauw een douche te nemen en dan ook te gaan.Het warme water is heerlijk. Mijn ledematen worden zwaar en ik gaap. Ik poets mijn tanden en droog mij af. In de spiegel zie ik de wallen onder mijn ogen. Snel stuur ik Daan een berichtje en dan trek ik een schone pyjamabroek en T-shirt aan. Een avondje Netflixen is ook helemaal niet verkeerd, denk ik bij mijzelf. Ik installeer mij met een glas Cola op de bank en start de eerste aflevering van de American Horror Story.   Na een tijdje hoor ik de deur open- en dichtgaan. Ik steek mijn arm in een zwaai boven de bank uit en zeg, ‘Deze serie is echt geweldig Daan, heb jij ‘m al gezien?’Daan geeft geen antwoord.Ik duw mijzelf overeind en reik naar de afstandsbediening voor de pauzeknop. Ruw wordt er iets over mijn hoofd geschoven. Het is pikkedonker. Het materiaal ruikt muf. Hardhandig word ik op mijn buik op de bank gedraaid. Voor ik kan reageren zijn mijn handen bij elkaar gebonden en hoe ik ook mijn best doe, mijn enkels zijn daarna aan de beurt.‘Daan, ben jij dat? Hou op man, dit is echt niet grappig!’Ik hoor schoenen op de houten vloer, maar verder is er geen enkel geluid.Handen grijpen me onder mijn oksels en bij de enkels. Ze tillen mij op. Wild kronkel ik heen en weer, maar het helpt niets. De deur gaat open en dicht achter mij.‘Help! Help, ik word ontvoerd!’ schreeuw ik.Het duurt maar even voordat ik wind op mijn blote armen voel. Opnieuw gaat er een deur open. Onzacht beland ik op een metalen ondergrond, de deur sluit achter mij. Even later start een motor en komt het voertuig, een busje denk ik, in beweging.Wie zijn dit? Wat willen ze van me? Het is niet alsof ik geld heb. Of mijn ouders. En waarom hebben ze mij? Wat heb ik gedaan? Ik doe niet aan drugs, ik drink bijna nooit, ik steel niet, doe niet aan internetcriminaliteit, heb nog nooit iemand vermoord; zelfs nog nooit publiekelijk ruzie gemaakt! Mijn gedachten schieten van hot naar her en ineens denk ik aan Daan.Hij gebruikt wel eens drugs. En hij heeft ook wel eens wiet verkocht. Is hij geld schuldig? Denken ze dat ik Daan ben? Of ben ik onderpand? O, God, waar ben ik in terecht gekomen …Ik haal met diepe teugen adem; in door mijn neus, uit door mijn mond.Ik leef en ondanks dat we al een poosje rijden zijn we volgens mij nog in de bewoonde wereld. De bossen rondom de stad zullen we niet komen. Toch?‘Gaan jullie me vermoorden?’ vraag ik met een onherkenbare piepstem.Na een paar minuten komt het busje tot stilstand. De achterdeuren gaan open.‘Help! Help me dan toch! Ik word ontvoerd! Hoort iemand mij?’Er opent een deur. Een tel later voel ik de hitte op mijn armen. Ik hoor muziek en mensen lachen.Onzacht val ik op mijn kont. De blinddoek verdwijnt en ik sluit mijn ogen tegen het plotselinge felle licht.‘Je zei dat je niet meer kwam.’ Ik open mijn ogen en kijk naar Rik.‘En daar waren wij het niet mee eens,’ zegt Tony naast hem.‘Dus besloten we je maar op te halen,’ sluit Daan af.‘Biertje?’ vragen ze tegelijk.

schaapschrijft
0 0

Frida (ABBA).

Frida is een vrouw met pure klasse. Een afwezige blik in de ogen, ogen met weemoed uit het Noorden, een verlegen glimlach en ze is eerder gereserveerd; wanneer ze spreekt, draagt zij die eenzaamheid die de miljoenen gezichten van Scandinaviërs tekenen. Als een gravure van voortdurend lijden die zelfbeheersing kenmerkt. Was Frida een kleur, zou zij absoluut de kleur rood zijn. Rood van vurigheid, passie en bloed. Kleur van de pijn van tranen en de wijsheid in het leven. Rood zoals in vrouwelijkheid en kracht, rood zoals in moed en intelligentie. Frida incarneert deze bron van kracht die uit het innerlijke niets met stille kracht uitbarst en waaraan je je graag verbrandt, jezelf toevertrouwt en jezelf uiteindelijk berust vindt.   Ze zegt van zichzelf dat ze niet zozeer dezelfde persoon is die mensen zien in allerlei videoclips en televisie optredens. Ze is een gevoelig persoon en die gevoeligheid wil ze ook beschermen. Dat komt ook door haar levensparcours. Op die weg ligt veel muziek en ook tegenslag en verdriet heeft haar pad gekruist. Er ligt muziek, liefde, huwelijken, pijnen en dood. Een leven met kinderen, verlies en eenzaamheid. Alles gaat in etappes. En na ieder ongeluk weet zij als geen ander hoe te herboren worden en het ongelukkige te laten rusten daar waar het moet rusten. Frida zegt van zichzelf dat ze alleen maar sterker kon worden door tegenslag. Om uiteindelijk rust te vinden.   Frida is een eenzaam iemand. Ze vindt er haar toevlucht in. Eenzaamheid is als een beschermend huis voor haar waarin ze kan zich herbronnen. Frida heeft eenzaamheid aanvaard als vriend en bondgenoot, niemand ontsnapt aan eenzaamheid. Je leert er ook positief mee om te gaan. Wanneer je even bij jezelf stilstaat is eenzaamheid je beste meester.   Frida heeft een eenzame stem, iets jazzy, haast fluweel, eenzaam en nostalgisch naar vroegere tijden. Binnenin ABBA neemt Frida de meeste nummers die niet als single worden uitgebracht voor haar rekening. Ze speelt de vrouw die getekend is door de gebeurtenissen van het leven. Ze is niet ongevoelig, ze is sterk. Ik denk aan “Knowing Me Knowing You” en evenzeer aan “I wonder” en “Should I Laugh Or Cry”. Nostalgie op zijn felst vind je terug in “Our Last Summer”. Angst in “The Visitors”, de lichtheid van musicals in “I Let The Music Speak” en een afscheid van het leven in “Like An Angel Passing Through My Room”. In “When All Is Said And Done” slaat Frida uiteindelijk opnieuw een bladzijde om. En ook al benijdde ze soms de keuze van leadvocal voor Agnetha in de meeste ABBA-nummers, vervult Frida haar rol als zangeres met elegantie, vastberadenheid en vreugde. Ze is, net als Agnetha, de briljante achtergrond zangeres net zoals Agnetha dat doet voor Frida. Twee zangeressen, twee stemmen, twee persoonlijkheden ook.   Frida is de afwezigheid van een moeder, een zus, een vriendin, een vrouw in het  leven. In “Summer night city” incarneert ze het avontuurlijke en wilde leven dat de nacht zo kenmerkt. Frida is er disco. Frida is disco. Frida speelt de kaart van sensualiteit en verleiding. Frida is een vrije vrouw. Frida mysterious disco queen. Cézanne zei ooit : “Als de kleur haar hoogste rijkdom bereikt, heeft de vorm zijn hoogste volheid”.   Frida beheerst deze volheid die de kleur rood zo kenmerkt, Frida is vol, sensueel en seksueel, Frida spuit lava. Rood van wat verboden is, rood van wat onbereikbaar is, rood van wat in verleiding brengt, rood om zich eraan te verbranden, rood van de intensiteit. Het mysterie en de onthulling ervan. Lichaam en ziel. In “Summer Night City” biedt de nacht alle mogelijkheden, waar ontmoetingen intens en vluchtig zijn en waar ’s ochtends “nothing’s worth remembering” is.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/article-frida-37721233.html  

Erwin Abbeloos
282 0

Bank

‘A zo ne joekel Frans, da kunde gij nie geloven…’ ‘Meent ge dat Gerard?’ ‘Ja, ze zeiden dat ze zoiets nog nooit hadden gezien.’ ‘Echt?’ ‘Echtig en echtig.’Gerard overdreef meestal royaal en zonder verpinken, en bracht alles op zo’n manier dat je niet anders kon dan het geloven. En zeker Frans, die was er altijd mee weg, een simpele goedzak die van al die sappige verhalen hield. Het deed er niet toe of het waar was of niet, verhalen uit de mond van Gerard waren een feest. ‘Normaal geven ze het mee in een plastic potteke om thuis op de kast te zetten.’ ‘Ja da’s juist’ zei Frans. ‘Wij hebben van ons Germaine ook ergens nog zoiets staan.’ ‘En Frans, ge gaat het misschien nie geloven’ en hij stak zijn vinger als een uitroepteken omhoog, ‘maar die van mij hebben ze in een curverbox moeten steken.’ ‘Ga weg Gerard, dat kan toch niet!’ ‘Nee, echt ! Op het hoofd van mijn kinderen.’ ‘Gij zijt toch niet te schatten gij hé.’ ‘Ze dachten daar dat ik schedels of zoiets verzamelde als ze mij met die doos zagen.’ ‘Serieus? Dachten ze da van die galsteen?’ ‘Ik was wel opgelucht dat die smeerlap d’r uit was. Ik was gelijk zeven maand ver.’  zei Gerard, en leidde ondertussen zijn volgende triomftocht in. ‘En afgezien!’ deed hij er met schepje bovenop. ‘De dokter zei dat hij nog nooit zo ne moedigen mens gezien had.’ ‘Ja Gerard, gij zij wel ne sterke mens hé’  zei Frans bewonderend. ‘En Frans, echt, zeker acht man rond mij in die operatiezaal, en alleen voor mij. Die annestiest zat naast mij maar de rest liep gedurig rond.’ ‘En wat deden die allemaal dan?’ vroeg Frans. Gerard ging er niet op in. ‘Ik wou eerst geen verdoving, het zal wel gaan zei ik, geen probleem, maar ze wilden dan toch iets geven, omdat ze zo met mij inzaten. Sympathiek hé?’ ‘Ja, die mannen zijn da gewoon hé Gerard, die doen nie anders.’ zei Frans een beetje naast de kwestie. ‘Maar wat is, Frans, ik zal nu wel een andere manier moeten zoeken om mijn gal te spuwen’ zei Gerard, en hij lachte om zijn eigen grap die hij al voor de vierde keer die week had rondverteld. Zijn vriend glimlachte dunnetjes mee, maar hij begreep het niet echt. Frans was niet zo’n groot licht, eerder een lampje van tien watt. ‘Hoe bedoelt ge Gerard?’ ‘Wel ja hé Frans. Gal, galstenen, de gal is er nu uit, verstaat ge?’ Gerard helde plots over naar links en liet een kanjer van een scheet. ‘Né, die moest er uit’ zei hij voldaan. Frans lette nauwelijks nog op die vettigheden, hij was het ondertussen gewoon. Rochelen, vlak naast naast hem op de grond spuwen waarbij soms iets op Frans’ schoenen terechtkwam, neuspeuteren, gatkrabben, kruisnijpen, hij zag het al niet meer. Frans stond op het punt nog iets te zeggen, maar alweer kapseisde Gerard en liet een tweede harde scheet. ‘Vlieg maar uit schatje, ’t zal je deugd doen. Mij alleszins wel.’ zei hij. Frans zag de ruïnes van Gerards’ voorste tanden terwijl hij zichzelf weer grappig vond, en hij dacht aan wat Germaine als avondeten ging klaarmaken.  

Lode Van Wabeke
39 0

Perfectie.

Het perfecte huis met de perfecte man, de perfecte baan, de perfecte vrienden, de perfecte avond uit. Allemaal in de perfecte stad. Het perfect dagje uit. De perfecte vakantie. Het perfecte popje. A sorta fairytale.   The perfect ABBA-song. De perfecte maaltijd. De perfecte stilte. De perfecte aankoop. De perfecte vrouw. That perfect dress. The perfect perfume. De perfecte kleur. De perfecte vriend. De perfecte snijboon. De perfecte pint. De perfecte lijn. De perfecte jeans. De perfecte huid. The perfect deal. De perfecte kandidaat. Het perfecte kapsel. The perfect lover. Un plan parfait. Un amour parfait. The perfect dream. Une taille parfaite. L’âge parfait. De perfecte prefect. De perfecte perverse prefect. Het puntje op de “i”. When push comes to shove. Al bij al. « Et alors ? » Het perfecte boek. De perfecte toon. Het perfecte licht. Het perfecte uur. Parfaitement à l’heure. Le moment parfait. Het perfecte misverstand. Een perfect alibi.   De perfide minnaar.   “Tu m’as parfaitement compris”, dit-elle les yeux enragés, « tu sais parfaitement ce que je veux dire ». D’un seul mouvement de la main, elle brisa la fenêtre qui donne sur le boulevard. L’air frais de Paris remplissa ses poumons. Elle ressentait que la maison se libérait de ses angoisses, comme l’air qui s’échappe d’un ballon. Devant une telle rage, il ne pouvait que l’aimer. Elle avait retrouvé sa liberté. Elle avait tué son âme. Elle était belle. Elle était libre.                                                            Rien n’est parfait. La réponse serait-elle dans le passé, le plus que parfait ? A Paris on a la réponse parfaite pour tout.                                                                                        « Viens… on rentre ». Il mit ses bras protecteurs et musclés autour de lui. Il commença à pleuvoir. Il commença à pleurer. Dans cet instant parfait, il l’aimait. Il se sentit protégé et réconforté. Cette nuit-là, pour la première fois depuis longtemps, dans les pleurs de ses yeux, il retrouva le repos tant recherché.

Erwin Abbeloos
0 0

Vandaag is het feest

Ik land voor het computerscherm en voel hoeveel slaap er ankert. Zijn. Bewust zijn. Geduldig meevaren op het ritme dat mijn lichaam aangeeft. Mijn verhaal, een eigen tempo. Luisteren naar de verschillende klanken die hierin schuilgaan.   Doel: een overtuigende motivatiebrief schrijven in het kader van een sollicitatie. Ik rek, strek en geeuw. Twee opties: Plan A: ochtenduren kan ik maar beter optimaal benutten. Van meet af aan 100% focussen is de boodschap. Het maakt niet uit hoe ik me voel. Komaan Joke, kruip in je pen! NU! Plan B: ik kijk naar m’n dampende tas thee, omarm ze en sluit mijn ogen. Ik voel hoe het ochtendzonnetje mijn gezicht verwarmt.   Mensen die mij goed kennen, zien in A én B waarschijnlijk een stukje van wie ik ben. Naast me hoor ik het woord genietertje vallen. Uit de mond van Hannes, m’n lief. Onbewust, bijna automatisch zo lijkt het, heb ik voor plan B gekozen.   Ik kan goed luisteren. Naar anderen. Dat hebben mensen met een fijngevoelige persoonlijkheid (Highly Sensitive Person) met elkaar gemeen. Fijn. Gevoelig. Weloverwogen benader ik het positief, want voor mij is het - pas sinds kort -  een krachtbron. Niet uit te putten. “Mag ik nu écht geen paar minuutjes van je aandacht?” M’n eigen lichaam schreeuwt. Brult, omdat ik niet luister.   Tandje bij. Zo dacht ik de slimste te zijn van ons twee. Net dat ietsje harder lopen, dat wilde ik òòk kunnen. Ik wilde de race uitlopen. Mezelf op-offeren was mijn sport, want ik wilde geen op-gever zijn. Als het hen lukt, mij toch ook?   Remmen én op de gaspedaal duwen. In één beweging, zo hard ik kon. “Amai, sleetig voor den otto”, hoor ik je denken. Hier en nu besef ik dat ik toen eigenlijk de doelen van iemand anders leefde. Met ‘boempatat’ een burn-out tot gevolg. “Mensen die hooggevoelig zijn, zijn daar nu eenmaal gevoeliger voor” weet ik van Ine, loopbaancoach bij The Wellbeing Company.   In de verte m’n doel zien. Datzelfde ogenblik op pauze drukken. Twee wegen, kilometers uit elkaar. Wendi, de psychotherapeut die naast me staat op mijn pad, ziet in deze twee wegen twee verschillende systemen: het jaagsysteem en het zorgsysteem. Het jaagsysteem zorgt ervoor dat we ‘s ochtends ‘ons bed uit komen.’ Het geeft een bepaald doel aan onze dag. Jagen verliest echter zijn positieve kracht wanneer we geen of onvoldoende herstelmomenten inbouwen.   Drive wordt over-drive. Een pauze nemen daarentegen, geeft je toegang tot je eigen zorgsysteem. Het is een systeem dat doet relativeren, eerdere succeservaringen opgraaft enzovoort. Blijf jij in het jaagsysteem hangen? Dan word je een kip. Wel eentje met de kop eraf. Je hoofd staat niet langer in verbinding met je voeten, dus helder denken lukt niet meer. Een gevaarlijk beestje. Ik, voelen en luisteren naar mezelf niet binnen handbereik.   Rust en herstel voeden onze innerlijke batterij. Cruciaal voor zo’n fijngevoelig mevrouwtje als ik. Bij fijngevoelige mensen lekt die batterij wat vaker. Dankzij psychotherapie weet ik nu dat dit te maken heeft met de neurologie van ons brein. Hoe zit het bij jou? Op welke grond staat jouw boom? Eén van de eerste vragen die Wendi op m’n bord smeet. En of ik haar daar dankbaar voor ben.    Doelen stellen. Voor mezelf zorgen. Het één staat het ander niet in de weg. Dat hoeft ook niet, leert psychotherapie me. Een doorbraak. “Ik heb van de natuur te véél doelgerichtheid meegekregen, waardoor ik moeilijker kan doseren.” Daar was ik nu eens écht van overtuigd, zie! Nu, terwijl ik vol goeie moed herstel van mijn burn-out, mag ik daarin groeien.   Als een wonder is het, merken hoe ik doseren de laatste tijd ervaar als een keuze. Ik selecteer activiteiten met mijn energieniveau als leidraad. “Het lukt me niet, ik voel dat ik vandaag te moe ben, maar ik spreek heel graag een andere keer af.” Heb ik een drukke week voor de boeg? Als voorloper zorg ik voor vééééél momenten die mijn ogen doen blinken. Yin en Yang. Balanceren, zoals m’n goede vriendin Katleen alles mooi samenvat. Een oefening, ook voor haar. Maar wij kunnen dat, samen. Onze innerlijke batterij opladen. Niet enkel na maar vooral ook vóór de drukte.   Van mijn huisarts krijg ik de ruimte om me dit patroon eigen te maken alvorens ze me arbeidsgeschikt verklaart. Het was ijzersterk, mijn sociaal vangnet. Ikzelf voelde me allerminst zo. Klein. Bang. En dat notabene van mijn eigen hoofd. Dus ga maar. Maak van de consultatieruimte van je huisarts een veilige plek waar je met je zwarte gedachten altijd heen kan. Moed, niet langer over-moed. Dat vier ik vandaag. Kleuren, lezen, wandelen, theetjes slurpen, yoga, koken, wolken kijken. Ondergesneeuwd en diep bevroren, zo voelde dit alles al lange tijd aan. Stuk voor stuk heb mezelf àl die dingen opnieuw aangeleerd de afgelopen maanden. Ze voeden mij vanbinnen, weet ik nu. Belangrijk, want zo loopt mijn batterij minder snel leeg. Een plekje in onze living doopte ik om tot de zelfzorghoek. Omdat je mag zijn wie je bent. Slaperig? Vol energie? Alles is oké. Welkom.   Geen feest zonder muziek, toch? De fijngevoelige ik geniet daar intens van. “It makes my heart sing” zo beschreef Eva mij dit gevoel onlangs. Ik pluk er het ingetogen ‘Indigo Night’ uit van Tamino. Het is één van de fundamenten van theaterstuk ‘Sue me modderfokker’, waarin Mathijs Scheepers een eigen versie zingt. Een aangrijpend stuk over een véél te vroeg geboren jongetje.   Kort na het zien, voelen of horen van iets wat me raakt, komt een gruwelijk monster uit zijn kooi. Een hamer op mijn hoofd en schouders. Een verdovende prik. Mijn hele lijf lam. Pijn. Bijna niet te dragen. Niet één, maar twee dagen lang. Elke keer wanneer ik me over-prikkeld voel, voelt het zo. Dit keer loopt het anders. Ik merk hoe mijn volledige gestel rustig achterover leunt, als observator. Zijn verhaal, niet langer automatisch ook het mijne. Niet vanzelf overnemen, wel toekijken. Afstand. Wonderlijk. Iets om te vieren.   En jij, wat vier jij vandaag?   Waarom ik je schrijf en waar de naam âtma precies vandaan komt, lees je binnenkort.   Heel veel liefs Namasté (een groet uit het Sanskriet: ‘ik buig voor jou’)

âtma
0 0
Tip

Het interview

Zij mocht als eerste naar binnen, een ongewone toegeving op vaders trots en moeders bemoeizuchtigheid. Of ze blij moest zijn met die plotse aanvaarding van haar meerderjarigheid wist ze niet. Ze probeerde een vaste tred aan te houden terwijl ze door de gang liep. De naaldhakken waarop ze zich voortbewoog maakten het er niet bepaald gemakkelijk op. Had ze toch voor die zwarte bottines moeten kiezen? Nee, die hadden iets militairs, dat kon een verkeerde indruk wekken. Hakken waren de juiste keuze geweest. Toen het tweedehandswinkeltje van het opvangcentrum het rode paar etaleerde, had ze zich de schoenen zonder aarzelen toegeëigend. Ze hadden haar doen denken aan een paar dat ze een blanke vrouw had zien dragen op een filmposter vlakbij het centrum. De assistent die haar begeleidde had breed gegrijnsd toen hij haar ernaar zag staren. In het rode schoeisel zag ze de bevestiging van haar integratie, van de mogelijke rol die ze zou kunnen opnemen in deze samenleving.   Klikklak, klikklak, klikklak.   De geur van oud gebouw had zich vermengd met die van het okselzweet van haar voorganger. Aan de andere kant van een grijsgroen bureau dat zijn gloriedagen vermoedelijk omstreeks de jaren zeventig had gekend, nam de dossierbehandelaar plaats. Rechts van hem zat een vrouw die vriendelijk glimlachte. Zij droeg geen hakken. Had ze zelf toch ook niet voor onopvallender schoeisel moeten gaan? De idee dat die rode stiletto’s haar zouden neerzetten als een te zelfzeker, ja zelfs obsceen schepsel, deed haar opeens toch in angstzweet uitbreken. In haar zomerjurk, daar op die plastieken stoel tegenover haar blauw  gekostumeerde ondervrager, voelde ze zich een overdaad aan kwetsbaar, zwetend vlees: te veel been, te veel borst, te veel voet gemurwd in felrode schoen.    “Wat is uw naam, juffrouw?”   Zei hij nu iets?    “Uw naam, alstublieft.” zei de man opnieuw, het eenlettergrepige substantief overdreven articulerend.   Sherine schrok op.   “Sherine Abd el-Tawfiq Habbal”   “Nationaliteit?”   “Van Syrië, meneer.”    “Waar in Syrië woonden jij en je familie precies?”   “In Damascus, meneer, de hoofdstad van mijn land.”   “In Damascus? En wat denkt u dat er zal gebeuren als u zou moeten terugkeren naar uw thuisstad?”   Een druppel zweet gleed nu uit haar knieholte langs haar kuit naar beneden. Haar keel voelde droog aan. De man in het pak scheen niet te zweten. Hij leek wel een sprekend uniform, standvastig en kalm. Sherine sloeg haar klamme armen over elkaar.     De man herhaalde de vraag    “Ik weet het niet, meneer. Elke dag hoorden wij bommen in de buurt. Wij zouden in gevaar zijn, meneer.”   “Vertel me eens hoe jullie naar België zijn gekomen, Sherine.”   “Mijn ouders, mijn broer en ik namen samen de bus naar Beiroet. Beiroet is in Libanon, niet ver van onze stad. Daar namen wij de bus naar Turkije. We kwamen in een dorp, het was aan zee. Daar moesten we een kleine boot op. Mijn broer wou niet...” Haar stem stokte.   “Hebben jullie nog enig bewijs van die busritten, een ticket bijvoorbeeld?”   “Nee, meneer. De bus in Syrië heeft geen tickets. Mijn vader betaalde gewoon bij de chauffeur vooraan toen wij opstapten.”   “Ok, dus jullie namen die boot?”   Ze knikte kort. Haar oren suisden, iets wat de laatste tijd wel vaker gebeurde. In een poging zich erover te zetten focuste ze haar blik op een schroeivlek in de balatum vloerbedekking.   “Naar de Griekse eilanden, neem ik aan?”   “Naar Kos, meneer.”   Het ruisen zwol aan. Ze werd misselijk bij het vooruitzicht op de rest van het verhaal.   “En wat gebeurde er daar?”   “Daar stierf mijn broer meneer.”   “Wat was de naam van je broer?”   “…” Ze slikte moeizaam.   “Hoe lang bleven jullie in Kos?”   “Een  maand, misschien twee. Ik weet het niet goed, ik had koorts.”   “En daarna?”   “We namen een boot, een grotere deze keer, opnieuw was het donker. Ik was bang, meneer. We waren met veel. We waren met heel veel en we reisden naar Athene. Daar ontmoette mijn vader Jamaal. Hij kende veel mensen. Hij heeft ons geholpen.”   Het suizen was intussen zo luid geworden dat ze moeite had om de dossierbehandelaar te horen. Ze had erop aangestuurd dat een tolk niet nodig was om te tonen dat haar Nederlands al een behoorlijk niveau had bereikt. Nu wou ze dat ze de vragen op zijn minst een tweede keer had kunnen horen, in welke taal dan ook.   “En daarvoor vroeg hij geld in de plaats neem ik aan?”   “Mijn moeder betaalde, meneer. Hij was een goede man.”   “En waar bracht hij jullie?”   “...”    “Jullie kwamen niet in een keer naar België, neem ik aan? Via welke landen zijn jullie gereisd?”   Zwarte cirkels dansten voor haar ogen terwijl er in haar hersenen nerveus naar de schakels voor haar spraak werd gezocht. Alle bloed dat daarvoor nodig was liet haar gezicht bleek en bezweet achter.   “Mijn broer is in Griekenland.”   “Sherine, kan je me vertellen via welke landen jullie zijn gevlucht?”   “Nee, meneer.”   Haar bewustzijn capituleerde en het plakkerige, zwetende lijf dat haar net nog zo in de weg had gezeten zeeg neer bij de schroeiplek op de grijsgroene vloer.

Fien
71 1