Lezen

Tip

Het is zo zinloos

Soms lijkt het alsof plaatsen ons onthouden. Gisteren was ik op de militaire begraafplaats in Vladslo. Daar was ik al eerder, twaalf jaar geleden. Toen nam een vriend me er mee naartoe, en was ik getuige van een magisch moment. Even ervoor had het geregend, en toen wij die stille plaats betraden, brak de zon door de hoge, volle eiken. Damp begon op te stijgen van de talrijke stenen. Het was zo mooi dat het me diep ontroerde. Wat me ook aangreep, waren de twee beelden van Käthe Kollwitz, die haarzelf en haar man voorstellen als treurende ouders, voor het graf van hun zeventienjarige zoon, die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog overleed als soldaat.   Käthe buigt het hoofd diep, houdt met een hand haar mantel beschermend rond haar hals. Haar man kijkt stug, de armen over elkaar, naar de plaats waar zijn zoon rust, tussen duizenden andere soldaten. Op verzoek van de beeldhouwster werden de beelden zo geplaatst, dat ze ook rouwen om al die anderen.   Die beelden staan er nu zesentachtig jaar, onder zon, sneeuw, regen, hagel. Hun enige bescherming is een dunne moslaag. Je betreedt de begraafplaats, die verscholen ligt in het groen, door een smalle deur. Al vanuit de deuropening, omringd door zware witte stenen die het gevoel geven je te zullen verpletteren, kan je de grote, open grasvlakte zien, die je naar zich toe zuigt. In de verte het treurende ouderpaar.   Ik plaatste me tussen de dode ogen van de vader en het graf van zijn zoon. Zijn verdriet stroomde over me heen, werd me te veel. Over zijn wang kroop een lieveheersbeestje. Over het lange pad dat tussen de stenen loopt, kwam een gebogen oude vrouw naar ons en de beelden toegeschuifeld achter een rollator. Ze had duidelijk behoefte aan praten, herhaalde steeds haar woorden. We konden haar soms moeilijk verstaan, maar wat telkens terugkwam waren: 'een andere generatie', 'we moeten met elkaar overeenkomen', 'het is zo zinloos', 'Peter Kollwitz'. En dan wees ze naar de naam van de jonge soldaat op de steen vòòr haar huissloffen. Die naam lichtte op tussen de andere, viel me op. Alsof iemand hem regelmatig komt oppoetsen. Alleen rond deze steen was het gras vertrappeld; de andere graven waren verzonken in anonimiteit. Er was geen geluid hier, op af en toe een plof van een neervallende eikel na. Ik ging weg met het gevoel dat ik hier nog zal terugkomen.

Katrin Van de Velde
107 0

Een bocht naar rechts, een bocht naar links

Als je door mijn raam kijkt, zie je een baan die donker kleurt onder windwolken. Regenvlagen spoelen dagen weg, maar de straat geeft niet op. Die zal er altijd blijven. Naast de klaprozen die zich verspreiden over de velden rondom. Vanuit mijn raam, zie je de weg twee bochten nemen. De eerste is naar rechts, de tweede naar links. Alsof het weet dat het fout zit, maar er niets aan kan doen. Het moet die mogelijkheden nemen, die ervaringen van beweging opzoeken. De wandelaars moeten proeven van het leven, maar ook niet al te veel. Te links of te rechts en je komt uiteindelijk op hetzelfde punt terug terecht. En een straat weet dat het leven zo niet in elkaar zit.   Na de eerste bocht naar rechts, herinneren kleurrijke paaltjes dat er een gasleiding onder de grond zit. Je kan maar beter op de baan blijven, ook al spoort de straat je aan om af en toe de zachte grond op te zoeken. Aan beide zijden van de baan is er geen voet- of fietspad. Het asfalt helt wat naar beneden en groet daar het gras. Wandelaars kunnen gerust zijn, ook al komt er een wagen aan, ze hebben steeds een plek om veilig te staan.   Tijdens mijn jeugd werd de straat ooit opengebroken. Een geraamte slingerde maar wat voort. Het gezicht verdwijnt onder voortdurend gestamp van gemeentewerkers. Na verloop van tijd komt het terug. Het slingert niet meer, het waadt door het landschap. Terug de bocht naar rechts, daarna de bocht naar links en hup, verder naar het volgende dorp. Over het kruispunt, maar daar eindigt een kleine wereld.

Simon Sileghem
0 0

De buil

Wellicht moet ik me bij de jongeman van de supermarkt verontschuldigen over wat er op carnavalszondag aan de kassa gebeurde. Het begon al met het slechte weer. Terwijl het de week voordien nog ‘kortebroekenweer’ was, stonden met carnaval de hemelsluizen open. Ondanks de regen stapten we net voor de middag naar de supermarkt. We waren er de dag voordien al geweest, maar je kent dat, er is altijd iets dat je vergeet. Ik zeg wel eens dat ze me daar missen als ik er een dag niet geweest bent. "We hebben de Rudi vandaag nog niet gezien. Hij zal toch niet ziek zijn?"   We stapten naar de supermarkt met een paraplu en een tasje om de boodschappen in te doen. "Met deze ‘buil’ denken de mensen dat we al karamellen gaan rapen met carnaval", zei ik lachend. Een 'buil' betekent in ons dorp zoveel als een draagtasje. Het is kort voor een ‘buidel’. Met het hondenweer waren we blij dat we in de supermarkt arriveerden. Daar hadden we snel meer winkelspullen ingeladen dan voorzien en bleek ons tasje bij het afrekenen niet groot genoeg te zijn. "Heb je misschien nog een buil?" vroeg ik de jongeman aan de kassa. Hij wreef over zijn hoofd om te voelen of er daadwerkelijk een buil op zijn voorhoofd stond. “Of ik wat heb?” vroeg hij. Ik meende aan te vullen met “een zak”, maar mijn vrouw gaf me een stomp op mijn arm en antwoordde gelukkig met: “Of u nog een tasje voor ons hebt?”    Na ons bezoek aan de supermarkt gingen we een koffie drinken. Terwijl ik van de koffie nipte, arriveerden de eerste carnavalisten. Een man in een astronautenpak verzette aardig wat pintjes. "Van dat drinken moet je toch veel naar het toilet”, zei ik tegen de cafébaas. “Dat zal niet gemakkelijk zijn met zo’n kostuum.” “Nee”, antwoordde hij. “En Neil Armstrong heeft precies geen ritssluiting.” “Och”, zei ik. “Misschien hebben ze daarvoor in hun kostuum wel een buil hangen.”  

Rudi Lavreysen
0 0

Vriendschap

Vrolijk stapt ze mijn kamer binnen. Een brede glimlach, zwaaien met de armen en direct een zoen geven.             Vreemd, waarom word ik zo overvallen? Leuker natuurlijk dat het op deze manier gebeurt dan met een onnoemelijk zuur gezicht en een kwade stem. Direct zou ik dan in mijn schulp kruipen vooraleer het onweer helemaal losbarst. Nu blijf ik echter met vragen zitten over de reden. Vragen die mogelijk onnodig zijn. Mogelijk? Waarom mag iemand niet goed gezind zijn? Moet daar een reden voor zijn? Verwacht ik dan, zoals een hond bij een appreciatie, een zoethoudertje of een koekje, of ja, toch nog iets leuker? Mannelijk plezier komt dan in mijn hersenpan opborrelen. Het eerste waar een man aan denkt. Niet alleen het eerste, verschillende keren per uur wordt daar aan gedacht. Was het wel een uur waarover in het onderzoek werd gesproken, of was het tempo nog helser? Snel vergeten is dan ook een probleem van mij. Heeft het wel belang om te onthouden wat een zoveelste wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen? Was dat wel zo wetenschappelijk? Verschillende studies kunnen elkaar zo snel tegenspreken. Hangt ervan af vanwaar de wind waait, wordt dan gezegd. De wind heeft dan een verachtelijke menselijke geur. Een eigenschap die boven alles primeert. Nochtans maakt geld niet gelukkig. Maar ja, dat is ook weer een wetenschappelijke stelling. Boven deze wetenschappelijke stellingen verkies ik een uitdrukking uit menselijke ervaring: ‘Ik voel me rijker door de vriendschappen dan door het materiële dat ik heb.’ Waar blijft hierover wetenschappelijk onderzoek? Pas op: ik betaal het niet.  

Luc Van Roosbroeck
0 0

Tienduizend stappen

"Dat geven ze in Nederland altijd bij de erwtensoep", zei mijn vrouw. We hadden er in een Belgisch-Nederlands grensdorp net een fikse wandeling op zitten. "Nu toch iets om te knabbelen." We zeiden het bijna tegelijkertijd.  Vooral omdat we net voor het einde van de tien kilometer lange wandeltocht een kasteel annex deftig restaurant doorkruist hadden. De geur die uit de keuken kwam, geen erwtensoep wellicht, scherpte onze honger nog wat aan. "We zijn niet meteen gekleed voor de gelegenheid", zei ik terwijl we over het binnenhof banjerden. “Er hangt wellicht meer klei aan onze schoenen dan er in het hele grensgebied te vinden is.” Twee uur lang hadden we de wandelpalen met een kruisje gevolgd. Een landbouwer had één van de paaltjes na het ploegen van zijn veld plat op de aarde gelegd. "Nu weten we van geen hout pijlen maken", kwam in me op. Het dorp was nog niet in zicht. Gelukkig kozen we de juiste richting. In het dorp stapten we de eerste beste taverne binnen. Al bleek het ook een hotel en restaurant te zijn. De uitbaatster gebruikte meer dan één woord om ons welkom te heten. “Hoi hoi hoi. Goedemiddag”, zei ze vriendelijk. Vier woorden maar liefst. Wij hadden er tienduizend stappen op zitten. Zij telt op het einde van de dag wellicht tienduizend woorden. Mijn vrouw ging voor de erwtensoep. Of snert. Naast het bord soep lag een bruine boterham met een lapje spek. Een traditie over de grens, zo blijkt. Ik had tomatensoep, maar bij het zien van de snert - de soep is beter dan het woord - toch ook spijt dat ik die keuze niet had gemaakt. Op mijn telefoon zag ik dat de foto’s omwille van de ochtendmist grotendeels mislukt waren. Maar het was geen snertdag. Nee, dat zeker niet.  

Rudi Lavreysen
15 0

Visuele cultuur, en mijn rechten

Passeren, bestrelen, dan pas domineren, kattenkwaad zal het écht niet overleven. Achteraf weer alles afleren en herbeginnen.   Tempo-tempo. Kies zorgvuldig, voor je weet maar nooit: pas neergelegde woorden en hoe die bijten, het aartsmoeilijke ambiëren. Ik leg mijn versnelde pas neer,   op de binnenkant van buiken - er groeien zelfs verkneukelde koppeltjes: je weet wel, zo’n zondagmiddag op voorschrift - uitstapjes of kuieren   en op je ene hand tel je je passen en op het andere graaft zich het uiteindelijke besef: “ik, die hier absoluut niets te zoeken heb.”   Dat rondegesluip is per slot van rekening toch ook voor de vraatzuchtigen onder ons. Passief, vooral dat. Het werkt zichzelf niet echt in de hand natuurlijk.   Vooral voor de momenten waarop we (we hebben het elkaar net aangeleerd) buik aan buik het vlezige vallen bestempelen, ik schreef een lus op die geboorte van je, het zegt nu ook niets meer - maar dat is net het punt! Het aanraken baart geen vallen en opstaan, maar ingebouwde zekerheid, en slechts een fractie ervan geloven we elkaar niet, gewoon om zeker te zijn dan, dan toch even die twijfel, zie ik ze? Nee we verstijven beiden, voor kanttekeningen van een paviljoen aan de weerskanten van ons gefriemel, ons heus wel gekreukt volmaakt passeren. U ook hier?   Denk je dat iets me nog kan schelen nu? Steel maar, ik ben alleen maar verveeld bij het bedenken van uw ingebeelde aandacht en voor wat bestaat dat eigenlijk?   Voor de saaie (maar ze zijn al dood - morsdood) types.

Dries Verhaegen
0 0