Lezen

Dat land met die mensen.

Toen ze aankwam hing de kip er al. Aan het spit boven een vuur in de buitenkeuken die niets meer was dan een hoop stenen, een verwijzing naar. Het weer was mild genoeg voor haar blote armen en te warm voor de sjaal die ze omhad. Toen het gezin in de ochtend had voorgesteld een dagje in het zomerhuis te spenderen, wist ze niet goed waar ze zich aan moest verwachten. Nu zaten de moeder en dochter naast haar, tegenover het vuur, terwijl de vader het spit draaiende hield. Er werd weinig gezegd. Of eerder weinig gesproken. Want iedere blik verhaalde van overweldigende dankbaarheid. Voor het eten, het gezelschap, de rust. Ze peuzelden samen van de kip. Vette vingers en smakkende geluiden. Het familierecept smaakte even verrukkelijk als beloofd, zelfs met haar licht verbrande tong. Slechts twee dagen eerder leerde ze de ouders kennen. De dochter beschouwde ondertussen, een maand na de eerste ontmoeting, als goede vriendin. Hoe komt het, vroeg ze zich af, dat ze zich hier onmiddellijk thuis had gevoeld? Dat het vreemde bed waarin ze deze ochtend ontwaakte al zo vertrouwd leek?  Dat ze woorden meenden te begrijpen uit hun harde onverstaanbare taal? Ze wist nu al dat het afscheid haar zwaar zou vallen.   Of ze zin had om naar het meer te wandelen? De dochter stelde de vraag heel stil, nog steeds onzeker over haar accent. Ze stemde onmiddellijk in. Het meer bleek een kleine vijver, een vertalingsfout. Ze namen plaats in het gras en praatten over de eenden die voor hen op het water dreven. Over hoe die er in België anders uitzien. Over die week samen, daar in België en nu hier. Over de toekomst, het verleden en hun dromen. Over alles en niets.   Toen ze, eergisteren net na haar aankomst, een flesje Duvel uit haar koffer tevoorschijn haalde, vertelde de vader dat er in dit deel van het land meer wijn dan bier gedronken wordt. Had ze hun wijngaard al gezien? Ze werd rondgeleid in de tuin die, verspreid over verschillende niveaus, groter bleek dan verwacht. De hond, nog heel klein, dartelde hen vrolijk achterna terwijl de vader met enorme trots iedere bloem en plant uitlichtte. De wijngaard bevond zich op het laagste punt van de tuin. Zonder woorden maar met dezelfde fierheid als haar man lichte de moeder haar het bereidingsproces van hun wijn toe. Ze openden een fles. Toost op het gezelschap.   De hangmat hing in een streepje licht. Vanaf dit punt keek ze uit over het volledige stuk grond. De hond genoot iets verderop van de zon die ook daar het gebladerte wist te doorbreken. Ze nam een slok van haar water en keek geïntrigeerd naar een kolonie mieren die ijverig te werk was. Met haar ogen dicht en armen lam naast haar luisterde ze naar de complete stilte. Niet veel later werd ze zacht gewekt. De moeder, warm gezicht, probeerde haar gebarend iets duidelijk te maken. Ze lachten beiden zachtjes om hun gedeelde onbeholpenheid.   Mens erger je niet op de te kleine tuintafel. Het was laat in de namiddag, op het mooiste uur van de dag. Het spel ging rustig vooruit en pretlichtjes waren goed vertegenwoordigd. Wachtend op haar beurt keek ze naar het huis, opgebouwd uit brede houten balken. Dit land, deze mensen. Volledig onbewust besloot ze zich nooit meer zo gelukkig als hier te voelen.  

parallellepipedum
0 0

Schrijftaal ? spreektaal ? dialect ? ( ge meugt gerust zen )

Hedde tal gehoord? Verleden dinsdag zat ik bij Chantal int café. Ineens loept daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Dat was daar een gekweek en gedoe. Een geroep en een getier. De Laenen zat er me nen borstel achteraan. Chantal die wier zot. Ze dacht da speelt dieje nooit kleer. Het succes was novenant. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar niet tegen. Zuiver voor de commerce. In café ‘in de Volksvriend’ daar worden ze opgedaan. Da was geen aardigheid in diejen tijd.             Ge meugt gerust zijn. Lachen dat die dee. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. Dieje is er afgevallen. Da was t’een en t’ander. Just op tijd. Gustje was ze weer aant plagen. Da gezaag zal sebiet wel gedaan zen, zei ze. Toen wast vat af. Genne De Keuninck nie meer. Chantal belde naar Louis van café ‘ De Pelikaan’ Wulle met dat leeg vat naar den overkant. Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben zei Louis. Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken Veul te zwaar. Dieje is dan ook geboren op 1 april. Alleman zat. Den dag van heden mag da allemaal. Op ne werkdag lopen ze al van t’een café naar tander, oep ne werkdag hè. Goe gelachen wel.             Iet anders. Ik heb ne nieve caravan. Als k het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te lopen.. Da darmpke zal verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge weet wel, helemaal vol water. Vloeken jongen, vloeken. Na zat er een ander darmpke los. Veel gezever mee gehad. Dieje verkoper stamp ik onder zenne put da de ballen in’t rond vliegen. Da’s veel beter dan een Rapido plooicaravanneke. Na moet ik wel naar de keuring want de nieve is meer dan 700 kilogram. Chance da we in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Kelly had voor niks greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde zen? Veurige keer hadde we regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter. Da darmpke zat geplooid. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon, hè da zeil. Nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konden allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Den Opel Vectra is wel aant verslijten. Di van ons zegt dat geld op is.             Ik hem gehoord dat de Léon bekan met visbak en al de vort ingeduikelt is. Voorover, recht erin, bekan. Die kan nie vissen met den haak. Neen, neen ne meerval. Genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen. De miserie van een ander daar zijn we nie mee gediend. Da maakte mij nie wijs. Ja, ja, café Arizona was om drei uur nog open. Ge meugt gerust zijn.

Hubert Grimmelt
0 0

Bestaansverdriet

‘Een mens zou een voor een zijn eigen vingers moeten kunnen afbijten, en dan langzaam doodbloeden.’ Ze knikt zonder van haar boek op te kijken. Baudelaire. Het is alsof ze zeggen wil: dat weet ik allang. Heb ik het al eens gezegd? Wij hebben elkaar niets meer te vertellen, niets dan dit soort flauwigheden waarmee we om elkaar heen draaien als in een obscene paringsdans. Te lang volgehouden liefde leidt tot onverschilligheid.   Ik zoek mijn sigaretten, vind ze tussen haar benen en stap zonder jas naar buiten. Het maanlicht is goor en troosteloos. Elke sigaret is in zekere zin een herhaling van de eerste die we ooit rookten: waar de belofte aan genot toen al snel verdween in een onvermijdelijke hoestbui, doet zij dat nu opnieuw dankzij onze te hoge verwachtingen, waardoor wij ons tijdens het roken voelen als een hongerige gast die erachter komt dat dat zijn gastheer vegetariër is. Een tweede sigaret zal straks noodzakelijk zijn. Ik denk aan haar. Wie zegt dat mensen elkaar nooit werkelijk kunnen kennen, overschat zijn eigen diepte en is bovendien nooit getrouwd geweest. Het wezen daarbinnen kent me door en door, en haalt bij die kennis haar innerlijke schouders op. Zij ziet niet alleen dat al mijn handelen een pose is, maar meer nog, zij weet dat er onder die poses niets schuilgaat: ik ben de rol die ik speel.   Het is koud buiten. De avondhemel overspant een wereld die het ontcijferen misschien wel of misschien niet waard is, maar die in ieder geval onontcijferbaar is. In de verte verstomt de schreeuw van een nachtvogel. En plots is mijn ziel vol jammer, vol zwaarte om een mislukt leven dat ooit de moeite waard leek, als een opgroeiend kind dat een diep verdriet voelt omdat het zich op een dag realiseert dat zijn ouders niet van elkaar houden. Op dat soort momenten zou men eigenlijk zijn bestaan moeten bouwen, maar de mensenziel is sluw en optimistisch: een paar keer goed huilen en het levensvertrouwen en de daarbij horende hoop zijn terug. Wie zich de vraag stelt waar het eigenlijk is misgegaan, kan niet anders dan concluderen dat de mislukking in de onderneming besloten lag, zoals de eik noodzakelijkerwijs voortkomt uit de eikel, en de schipbreuk uit het varen bij hevige storm. Is het een troost dat wij lotgenoten zijn?   Ik doof mijn sigaret en denk aan de dingen die voorbijgaan. Waar gaan zij heen? Waar zijn haar jurken, haar plotselinge liefkozingen gebleven? En ik zie haar voor me zoals ze nu is, vermoeider en strenger, maar met dezelfde knoop in haar haren, dezelfde blik als zij zich concentreert, het hoofd scheef als ze naar muziek luistert. Zij vloekt als de soep te heet is, is onhandig met messen en danst door de kamer als zij zich onbespied waant. Ze is allergisch voor wortels. En ik voel het soort liefde opborrelen dat we voor de werkelijk speciale personen in ons leven bewaren, het soort liefde dat vraag en antwoord tegelijk is en dat zijn gelijke in deze wereld niet kent. Wat zou het als zij de liefde is vergeten!.. Ik heb genoeg liefde voor ons beiden, genoeg tot aan het einde, genoeg om een universum van liefde te bouwen dat pas stopt met uitdijen als de laatste atoom uiteen is gereten!.. En mijn bestemming flitst door me heen: ik ga naar binnen en vertel haar alles, zeg dat ik van haar houd, neem haar vast, kijk haar aan, kus haar op-   Ik schrik, achter mij wordt de deur geopend. ‘Zeg, zullen wij elkaars vingers nog eens afbijten?’ En gedwee, gehoorzaam en een tikje beschaamd volg ik haar naar binnen.  

Bardamu
0 1

Bondgenoten

Mijn hoofd zit vol. Chaos.  Ik ben ondertussen begonnen aan mijn tweede bachelor psychologie. Geweldig interessante studie, maar dit semester vraagt het te veel. Ik ben helemaal overweldigd door de onduidelijkheid van al die verwachtingen die naar mijn hoofd gesmeten worden. Ik verdwaal in artikels en teksten en sylabussen.    Daarnaast is alles eigenlijk best oke. Maar ik vind altijd wel iets om me zorgen over te maken of om over te zagen. Ik heb al zo vaak gezegd dat ik het moeilijk heb met Nick. Al zo vaak dat het me zelf begon te storen. Waarom heb ik het altijd zo moeilijk en waarom verandert daar niets aan? Op de eerste vraag vind ik moeilijk een antwoord, maar ik weet wel waarom er niets verandert: omdat ik er niets aan doe. Ik praat niet, ik discussieer niet, ik maak geen ruzie. Nee, ik zwijg, en dat past helemaal niet bij mij. Al mijn hele leven wordt er mij verteld dat ik het zo goed kan uitleggen en nu klap ik helemaal dicht.    Ook daar heb ik een verklaring voor gezocht. Ik ben bang dat ik Nick ga overweldigen met mijn gepieker en zorgen, en dat hij het gevoel gaat krijgen dat ik hem niet accepteer zoals hij is. Als dat gebeurt, vrees ik dat hij het te moeilijk gaat krijgen en af gaat haken, het gedaan gaat maken. Ik heb lang gedacht dat dat het allemaal niet waard is, dus ik heb gezwegen. Maar de laatste tijd voel ik hoe dat op me weegt, hoeveel kleine zorgen ik met me meedraag. Ik heb dus besloten één van de meest belastende dingen voor mij met hem te delen, en dat heb ik gisteren ook gedaan. Hij reageerde anders dan ik verwacht had. Hij viel uit de lucht en wist niet wat te zeggen, maar het raakte hem duidelijk wel. Ik had gedacht dat hij het moeilijk ging hebben om naar zijn rol in de moeilijkheden te kijken. Ik had gedacht dat hij zich zou afschermen en verdedigen en alles op mij zou afschuiven. Maar ik merkte dat hij er echt mee bezig was, ondanks dat hij toch niet wist wat hij er aan kon doen. We zullen wel zien. Ik ben alleszins blij dat ik het hem heb verteld en dat hij dat aanvaardde. We willen er dus allebei wel aan werken, en dat stelt me echt gerust.

Layla Clarke
0 1

Iedereen zijn geluk

“Je krijgt nooit de regel te zien, altijd de uitzondering.” Het was Rob Wijnberg, een fijne Nederlandse journalist die het ons in de krant vertelde. “Als het bloedt, haalt het de voorpagina”, voegde hij er aan toe. “Terwijl je nooit iets ziet over wat goed gaat. Op die manier maakt nieuws de mensen pessimistischer.” Hij haalde me de woorden uit de mond. Geen wonder dat de angst regeert. Gelukkig ontdek je in de kleine artikels af en toe nog een “man bijt hond” verhaal. Zo las ik het artikel over de Boeddha die ze in Hasselt over de daken zagen zweven. De Limburgse provinciehoofdstad was bijna het Banneux of Lourdes voor de boeddhisten.   Achteraf bleek het geen verschijning te zijn. Een Chinees restaurant had een 4 meter grote en 250 kilogram zware Boeddha besteld en die kregen ze met de aanhangwagen niet op het terras. Er moest een kraan aan te pas komen. Maar goed dat ze op bol.com geen lachende Boeddha besteld hadden. Dat zijn immers de dikbuikige Boeddha’s en dubbel zo zwaar.   Ik ga u het verschil tussen de Boeddha’s besparen, maar het was zowaar op een feestje dat ik met ze in aanraking kwam. Afijn, niet met de dikbuikige Boeddha’s op zich. Laat me u gewoon het verhaal vertellen. Ik vond dat één van de aanwezigen op het feest me een beetje aanstaarde en vertelde dat later ook tegen mijn vrouw. “Ge weet toch uit welk land die mevrouw komt”, antwoordde ze me. Het bleek dat ze in een land woont waar het boeddhisme de belangrijkste religie is. “Als ze over de buik van Boeddha wrijven, brengt dat geluk. Ze had wellicht een keer graag over uw buik gewreven”, plaagde ze me. Enig zoekwerk leerde me dat een ronde buik voor de boeddhisten inderdaad symbool staat voor geluk en rijkdom. “Aai hem één keer per dag over zijn buik en je kansen op fortuin worden groter”, las ik. Mijn antwoord was dat mijn buik helemaal niet zo dik is. Wel had de mevrouw een keer mogen wrijven, op die buik die helemaal niet zo dik is, want ik gun iedereen zijn geluk.   

Rudi Lavreysen
0 0

Geen kans op verveling

Ik sta te wachten. Op een parking in Neder-Over-Heembeek bij Brussel. Een boek van Murakami houdt me aangenaam gezelschap. Het moet meer dan 25 jaar geleden zijn, dat ik iets verderop in het Militair Hospitaal binnenstapte. Ongeveer zo oud als onze mannen nu zijn. Waar zijn ze inderdaad naartoe, al die jaren. Aan de receptie van het hospitaal zaten een vijftal miliciens. Ik zie ze nog zitten. Ik vroeg hun de weg naar de een of andere afdeling waar ik moest zijn. Ze maakten het onnodig ingewikkeld en ik liep hopeloos verloren. Toen ik terug aan de balie kwam proesten ze het uit. Het was wellicht hun ontspanning tijdens de vervelende uren aan de balie. Het doet iets met een mens. Verveling.   Op de parking waar ik nog altijd wacht, amuseert een juf haar leerlingen. Ook zijn moeten wachten. Op een bus die even later verschijnt. Ze laat de kinderen zingen, springen en dansen. De jongens en meisjes amuseren zich geweldig. Wat natuurlijk beter is dan aan elkaars jassen trekken. Ze heeft dat goed bekeken, de juf.  Ze geeft de verveling geen kans. Ik betrap mezelf ondertussen dat ik op het autostuur op de maat van het liedje tokkel, dat de kinderen aan het zingen zijn.   Iets later leg ik mijn boek toch aan de kant om de benen te strekken. Een man passeert me en zegt vriendelijk ‘bonjour’. Ik wens hem ook een goede dag. Wat klinkt dat toch altijd goed. Beter dan ‘hoi’, ‘hey’ of ‘hallo’. Goeiendag, goedemorgen. Ik neem me voor om het daar voortaan bij te houden. Even later is het wachten voorbij en rijden we huiswaarts. Daar aangekomen roep ik blij ‘bonjour’, maar niemand antwoordt. Ze zijn allemaal het huis uit. Och, ook geen probleem. Dan kan ik straks nog eens roepen, als ze thuiskomen.   

Rudi Lavreysen
0 0