Lezen

De woorden (Opdracht 4 -Adinda)

Ze wil niet. ‘Laat haar nog even’, zeg ik, ‘geef haar nog wat tijd om zich voor te bereiden’. ‘Nee’ , antwoord je, ‘je moet haar een duwtje geven, het zal haar anders niet lukken en we hebben niet eindeloos de tijd, er zijn er nog die klaar staan om geboren te worden’. Ik zucht, het doet pijn aan m’n hart haar te laten gaan. Geruisloos leg ik m’n hand op haar schouder. Ze sputtert niet tegen, haar gezicht ontspant in een glimlach, alsof ze erop aan het wachten was. Ik weet nu al dat ze me nodig zal hebben daar beneden, ze zal zich pijn doen, zo gaat dat met dit soort. En ik zal machteloos toekijken, dat is nu eenmaal het lot van ons engelen. ‘Zo meteen ga je, meisje’, ik zucht diep en bereid me voor op het duwtje, ze glimlacht nog steeds, ‘insj’allah’, prevel ik en jij knipoogt naar me. Ik geef haar een duw, zij volgt, gewillig, het hoofd opgeheven. Jij houdt haar nog even tegen, kijkt haar zacht maar doordringend aan en drukt je vinger op haar lippen. Ze begrijpt het. Net voor een mens geboren wordt, leggen we hem het zwijgen op, hij moet alles vergeten voor hij op de aarde komt, hoe kan hij anders ooit geloven.   Ze is een tikje roekeloos in de keuze van haar ouders, lang denkt ze niet na, alsof ze al haar getalm van daarnet wil goedmaken. Het is een jong koppel, nog niet zolang geleden getrouwd in ribfluweel, niet eens een kleedje, niet eens een ruiker, de vader van de vrouw die haar moeder zou worden had die dag voor het eten gezorgd, ze kwam uit een arm beenhouwersgezin. Haar moeder was zelf vegetariër, niet omdat ze daar veel over had nagedacht, ze was als klein meisje gedegouteerd van het vlees dat ze te zien en te eten kreeg. Er was daar nooit veel over gesproken bij haar thuis, de dingen werden in stilte en tussen de regels gezegd, met af en toe een extra bord karnemelkpap. Dat was anders bij haar vader thuis, daar waren woorden het middel bij uitstek om de wereld te veranderen. Men sprak er algemeen beschaafd Nederlands, haar oma emancipeerde de vrouwen van het dorp en de omliggende dorpen, haar grootvader inspireerde velen, maar terroriseerde zijn kinderen met zijn fanatieke denkbeelden. En dat deed hij niet alleen met woorden.   Op een koude en grijze winterdag worden deze twee mensen de ouders van een klein zwartharig meisje. ‘We zeggen JA tegen het leven’ stempelen ze met de letters van een stempeldoos, alsof ze haar er nog van willen overtuigen dat ze de wereld in moet. Vergeefse moeite. Op de voorkant van het geboortekaartje komt een bloem. Van bloemen zal ze haar hele leven lang blij worden. Wanneer haar moeder stopt met borstvoeding organiseert ze haar eerste protestactie: ze staat vol met rode vlekken, het is geen zicht. ‘Eczema’ is de naam van één van haar verzetsvormen tegen de vele indrukken van de wereld. Maar ze koos een lieve moeke, met een mooie stem. In het begin hebben woorden geen betekenis, het zijn louter klanken. Haar moeke omringt haar met zachte klanken, zij zuigt die allemaal gretig in zich op. Haar moeke houdt van voorlezen. Ik luister vaak als ik in de buurt ben en kijk soms zelfs over hun schouders mee. Ze lezen ‘Kleine Koen in de tuin’, even vergeet ik dat ik aan het werk ben. Het kleine meisje vindt het prachtig, alsmaar opnieuw wil ze het horen. In de tuin van kleine Koen dragen de erwtenmeisjes hun kindertjes in een peul op hun rug, vrouw Appel speelt op haar luit zittend op een tak in de appelboom, op een heuvel woont de wilde aardbeifamilie, September zingt er zijn lied voor vrouw Aster en vrouw Dahlia en alle andere bloemen.   Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er dan nog gerust in.   Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze op. Woorden kan je proeven, ontdekt ze, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is.   Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’, maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit.  Op school zegt ze niet veel, ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen.   De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze vast met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Ik zie haar zitten in de klas, ze hoort de juf een vraag stellen, de vingers van de kinderen gaan omhoog, ‘juf, juf, juf’ hoort ze hen smeken, zij bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes. Dan hoefde ik niet de aandacht te trekken. Als je schrijft, heb je tijd om na te denken en als de mensen lezen, nemen ze tenminste de tijd om te luisteren.   ‘Ach wat, wie zou haar nu willen lezen?’ je stem klinkt vol ongeduld, ‘stop nu toch eens met haar zo te blijven volgen, dat kind moet leren wat belangrijk is in de wereld, anders haalt ze het niet, hoe kan ze ooit enige vechtlust ontwikkelen, en geloof me, die is nodig daar beneden, al weet ik dat jij daartegen bent’. Je hebt gelijk, ik blijf maar vasthouden aan de gedachte dat de mensen beter wat meer zonnebloemen zouden zaaien en gedichten lezen, in plaats van elkaar en zichzelf altijd maar voorbij te hollen, die druktemakers. Moet ik dan ophouden mijn hoop in haar te stellen?    Er is alleen nog maar grijs, de dagen klitten aan elkaar. Diep vanbinnen klinkt nog wat muziek, er is nauwelijks iemand die het hoort. Ze staat in een kring met meisjes van haar klas, ze praten over kleren en jongens. De speelplaats is een vlakte van vierkante stoeptegels, daarop zijn met witte verf twee voetbalvelden geschilderd, daarbinnen spelen de jongens. Er zijn een drietal banken, die zijn altijd bezet. Lezen mag niet op speelplaats. Ze is al blij dat ze bij dat groepje mag staan, ze heeft nooit iets te zeggen. Stomverbaasd is ze als ze op haar verjaardag kaartjes voor haar schrijven en samenleggen voor een cadeautje, het is een ring met een blauw steen en een zeemonster zoals die rondzwommen in de verre zeeën toen de cartografen nog maar net begonnen waren de wereld te tekenen. Ze begrijpt er niets van.   Ze vergeet op het blaadje van een overhoring haar naam te schrijven, in vele gevallen verschijnt er dan een groot rood vraagteken en als je pech hebt wordt er ook nog een punt afgetrokken. Maar de leerkracht Grieks, een vriendelijke man met een bril, schrijft met inkt in zijn regelmatige handschrift op het daartoe voorziene lijntje: ‘First female member of the Dead Poets Society’. Haar vader ziet niets, hij zit achter zijn bureau verdiept in een van zijn grote engagementen, haar moeder is bang, maar zegt niets. Daar in dat huis langs de steenweg is alles vanzelfsprekend. Goede punten hebben, helpen in het huishouden, elke maand op familiebezoek gaan, de wereld proberen redden. Vanbuiten is ze gewoon een verlegen meisje, vanbinnen groeit een zwart en bodemloos gat. Ze luistert liever naar Bach dan naar Studio Brussel, gaat liever op haar eentje wandelen dan naar een fuif. Ze doet allerlei verwoede pogingen: op zondagochtend naar de Afrekening luisteren, zich inschrijven in een groep meisjesscouts, maar ze hoort er niet echt bij. De dagen in haar schoolagenda staan vol lessen en huiswerk, tussendoor komt ze naar beneden, ze kijkt naar het nieuws, vlucht naar boven zodat niemand haar tranen kan zien. Ze wil graag iets zeggen, vindt geen woorden, en er is toch niemand die luistert. Als er dan al eens even iets mag, krijgt ze als commentaar ‘te poëtisch en te vaag, niet 100% wat ik vraag’. Want het moest een verhandeling zijn, geen verhaal.   Jij grinnikt. Ik durf niet meer te kijken.   De brug bestaat uit lange lijnen die reiken tot boven, naarmate je boven komt, zie je dat ze verder reiken, ze krommen zich tot de andere kant, waar de straat in een straatdorp verandert. Dat weet ik, want je ziet het niet, daarvoor is er teveel mist. Naast het fietspad is een pechstrook, daarnaast twee brede rijstroken. Aan de andere kant een smal verhoogd voetpad en de reling. Daar beneden ligt de vaart. Er vaart geen boot op de vaart en er dobberen ook geen eenden. De ochtend dempt alle geluid, je ziet niet waar de lucht eindigt, niet waar het water begint. Alles gaat in alles over. Een meisjessilhouet op een donkergrijze damesfiets beweegt de brug op, ze gebruikt de versnellingen niet want die trappen door. Boven staat ze stil. Haar wimpers zijn nat van de vochtige lucht, ze spert haar ogen wijd open en kijkt naar beneden. Nu beweegt niets meer. Ze houdt haar adem in. De lucht zal bewegen, er zal een rimpeling zijn en die zal uitdeinen tot ook haar silhouet zal zijn opgelost, en zij zal zijn veranderd in zachte stilte.   Maar het zonlicht breekt door de mist, de mist wordt van goud, het goud raakt haar huid. Ze ademt diep in, schudt haar hoofd en stapt terug op de fiets. Als ze even later terug de brug op rijdt, is de mist verdwenen.   Er zijn nog van die scènes in haar leven. Zoals die zomer toen ze afstudeerde en zuidwaarts vertrok om met haar Franse lief een leven te beginnen. Ze staan er op de markt in een badplaatsje aan de oceaan. Hun kraampje is opgesteld, de spullen zijn uitgestald, die ochtend hebben ze een goede plaats kunnen krijgen in een van de centrale gangen. Ze verkopen handgeschilderde doosjes, haar vriendje heeft die gekocht in India en naar Frankrijk verstuurd. Door een staking van de post waren ze te laat aangekomen voor de eindejaarsperiode, het zouden mooie kerstcadeautjes geweest zijn. Maar als ze die nu verkopen hebben ze een klein beetje startkapitaal, kunnen ze misschien daarna ergens een huisje huren. Wat zijn ze naïef. ‘Ik ben even weg’, zegt ze. Hij is opgelucht, nu kan hij rustig met de vrienden een sigaretje rollen. Het strand is groot en leeg, het is te vroeg voor de mensen. De lucht is nog puur, alleen de marktkramers zijn al wakker, ze drinken koffie, gaan in elkaars kraam rondhangen, roken en wachten. Het zal nog enkele uren duren voor de toeristen komen. Een straat leidt naar het strand, aan weerskanten van de straat zijn bars, restaurants en winkels waar je vliegers, hoeden en postkaartjes kan kopen. Hier en daar ruikt het naar bier en urine. Alles is nog toe. Waar de straat stopt dalen enkele brede betonnen treden af naar het strand, de eerste honderd meters is het zand mul, warm en omgewoeld. Er liggen sigarettenpeuken. Verderop wordt het zand langzaam vochtiger en koeler. De oceaan heeft de sporen van gisteren weggewist, het strand is met een schone lei begonnen. Een voetspoor tekent zich af en leidt naar het silhouet van een vrouw in de verte. Ze draagt haar sandalen in een hand en loopt recht de oceaan in. De oceaan is rustig voor haar doen, de surfers slapen nog. Ze loopt een heel eind het water in, de golven spelen met de zoom van haar kleedje, ze staat stil. Lichtblauw is de lucht, grijsblauw het water, de zon is overal, later op de dag zal die opdringerig warm worden, nu werpt ze haar licht nog helder en vriendelijk op het water. Alles lijkt doorschijnend. De jonge vrouw houdt haar adem in, sluit haar ogen. Haar tranen kunnen nog net door de ooghoeken naar buiten. Ze wil niet. Ze wil niet meer terug daarheen, het is zo moeilijk allemaal. Ze zal verdwijnen, zich overgeven aan de armen van een vriendelijke golf die haar meeneemt, opgaan in de oceaan van licht.   Deze keer is het een spelletje dat haar aan deze kant houdt, geleerd op de animatorcursus die ze volgde toen ze 16 was.  Ik zal het je uitleggen. Je richt je blik zo dat je de zee ziet -of een wei vol pinksterbloemen, of een heuvellandschap, een wolkenveld- Dan doe je je ogen toe, je beeldt je in dat je heel lang slaapt en je vergeet alles wat je ooit zag. Als je zover bent, doe je je ogen terug open alsof het de allereerste keer is. Je kan het ook met twee spelen, dan druk je op de knop door te tikken op de schouder van de persoon die zijn ogen heeft gesloten. Die is de camera en maakt met zijn blik een foto.   Ze moet het gevoeld hebben. Heel even raak ik haar schouder aan. Ze opent haar ogen. Het licht schittert, in de verte hoort ze een kind iets roepen. Heel diep ademt ze in, daarna keert ze zich om. De eerste toeristen zullen zo meteen langzaam beginnen rondslenteren op de markt.   Elke dag is het markt in Montalivet, je kan er proeven en slenteren, een hangmat testen, een kleedje uitproberen van een stof die met indigo werd geverfd door een Chinese minderheid. Je kan er mooie handgemaakte spullen kopen van over de hele wereld. Je ruikt er paëlla, verse focaccia, Baskische worst, wierook, leder, olijven, lavendelzeep, zweet en zonnecrème. Je ziet er kleurrijke figuren, reizigers, artiesten, alternatievelingen.  Maar een vreedzame gemeenschap is dit niet. Er zijn clans van mensen die elkaar elke ochtend groeten, maar evengoed mensen waartegen niets gezegd wordt, omdat ze concurrenten zijn, omdat er veten zijn die al vele zomers meegaan. Er zijn er die een goede plaats hebben gekregen in een van de brede middengangen. Het gerucht gaat de ronde dat ze daartoe de ‘placier’ omkochten, er zijn de vele kleintjes die bang zijn betrapt te worden omdat ze niet ingeschreven staan. Het opzetten en afbreken van zo’n markt is een dagelijks huzarenstukje: eerst moeten de kramen aan de binnenkant zich installeren, pas daarna daarbuiten. Bij het inpakken is de volgorde omgekeerd. Op een ochtend hoort ze de man van de hangmatten vloeken en tieren, hij slaat woest de deur van zijn bestelwagen toe, hij kijkt altijd stuurs, zijn vrouw draagt altijd rood, ze staan bekend als licht ontvlambaar en ze hebben de beste plaats van heel de markt. Tegenover hen staat Madame Tabouleh in haar blauwe kraampje, als mama van de markt ziet zij alles, levert onophoudelijk commentaar terwijl ze zoete muntthee schenkt in kleine glaasjes met een gouden rand. Haar man heeft mooie droeve ogen. En dan heb je Hartmut, die maakt en verkoopt Romeinse sandalen uit één stuk en beurzen uit leer. Als er geen klanten zijn, snijdt hij het leer en naait hij, hij vloekt in het Duits, drinkt niet, dwaalt niet rond bij de andere kramen. Hij spaart om naar Canada te kunnen emigreren. Patrick en Alice verkopen juwelen en panfluiten, daarna keren ze terug naar de sloppenwijken in Brazilië, het zijn clowns, ze maken straattheater, maar ze worden door iedereen als zeer serieus beschouwd, ze feesten niet en staan op een rustige camping in het binnenland. Verderop zijn er Titi en Roland en de hele kliek. Niet zo’n goede verkopers, eigenlijk zijn ze nogal verlegen, maar na de eerste joint lukt het wel. Ze verkopen kledij, sieraden en artisanaat uit India, Nepal, Guatemala. Ze hebben het leven naar hun hand gezet: in de zomer staan ze elke dag op de markt, de rest van het jaar brengen ze door in verre landen waar het warm is en het leven niet veel kost. In afwachting van de toeristen spelen ze schaak. Rond 10 uur beginnen ze te aperitieven. In de Médoc mag op de markten wel alcohol geschonken worden, bij wijze van degustatie.   Van alle smaken zal ze zich vooral de braambessen herinneren in de duinen toen de zomer ten einde liep, de toeristen naar huis waren en de bramen op hun eentje in de volle zon rijpten. Zoeter dan toen waren ze nooit meer. Ik probeer me die smaak in te beelden. Heb jij wel eens het verlangen gevoeld om een braambes te proeven? Geen antwoord, je kijkt me aan met een vernietigende blik en vertrekt zonder iets te zeggen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag te weten zou komen hoe de liefde voelt.        

Adinda
0 0

opdracht 4 Elisabeth Leysen

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst plichtsbewust naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze wilde een kleed dat haar deed denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw.   Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Op zondag gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.   In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   En dan kwam Alfie. Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Alfie was een rashond. Het moest een rashond zijn met een boekje erbij, zei haar vader, want anders was je niet zeker dat de hond niet meteen ziek zou worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt in Mol, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Ze mochten Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag zou hij komen kijken of ze wel goed voor Alfie zorgden. Als bleek dat ze niet goed voor Alfie hadden gezorgd, dan zou de meneer haar gewoon weer meenemen. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft ze gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie was wel groot, maar toch was ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. De dierenarts kon Alfie niet meer genezen. Toen haar vader terug was van de dierenarts, zonder Alfie, heeft hij heel lang bij het hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd alles anders. Je kon haar in het hele huis horen lachen. Als tante Martha er was, hoefde ze niet vroeg te gaan slapen en mocht ze opblijven en mee televisie kijken. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven een supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die  van tante Martha. Het was de auto nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je de everzwijnen horen. Je kon de everzwijnen niet zien, maar je kon ze wel horen ritselen.   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten. Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk, maar het werd een dag vol lichtjes. Na de plechtigheden trakteerde haar man het hele gezelschap in het café vlakbij het stadhuis en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een hele grote voor haar huis met haar man en een kleine voor het huis van de ouders van haar man. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders vonden het toch wel veel gedoe voor niets, maar als de lichtjes werden aangestoken, gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. En over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. En over hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg had durven gaan uit het grauwe huis zonder lichtjes en weg van de verwijten.   Wat hield ze van het verhaal van Assepoester. Assepoes kon niet mee naar het bal van de prins, maar dan kwam de toverfee en die toverde een mooie jurk en een gouden koets en glazen muiltjes. Ze hadden thuis het verhaal op een plaatje. Het plaatje zat in een boekje. Ze keek graag naar de tekeningen in het boekje. Als je een blad moest omdraaien, dan klonk er een belletje.

Elisabeth Leysen
0 0

Paasmaandag. Opdracht vier. Hendrik Van Moorter

Opdracht vier. Hendrik Van Moorter Paasmaandag De Bureaulamp gaat uit. September 1970 Als je wil, blijf ik de hele nacht samen met jou wakker, liefste,” had ze in het begin van de avond gezegd. Ze had zijn hoofd in haar handen genomen en had hem diep in de ogen gekeken terwijl ze het zei. “Neen, liefke dat wil ik niet. Je hebt je rust ook nodig. Ik haal het wel,” had hij zijn Marleentje gerust gesteld. Een fles water, een thermos koffie, een tas, zijn sigaretten en een asbak staan tussen de vele samenvattingen en nota’s van de cursus die hij moet blokken. Een eenvoudige bureaulamp met een groene blikken kap op een plooibare stang maakt het stilleven compleet. Op een schema heeft hij de uren en de bladzijden genoteerd die hij per uur moet doen. Een trainingsschema voor een atleet. Een klein jaar voordien. Het moet een klein jaar voordien geweest zijn dat hij een brief van zijn moeder ontving. “Je moet er met je vader over praten, jongen, ik hou dit niet meer vol. Ik krijg altijd de schuld.” “Zij kan ook niet tegen hem op,” fluisterde hij, terwijl hij verder las. Op zaterdagavond is het zo ver. “Va, ik heb verkering met Marleen. Je kent haar vader. Hij zat ook in Lokeren.” Er hing altijd een sfeer van verbondenheid tussen zij die zich slachtoffer van de repressie voelden na de oorlog. Hij dacht dat dit een goede introductie was, een captatio benevolentiae, zoals hij dat in de lessen Latijn had geleerd. “Ja, natuurlijk ken ik hem,” veel meer woorden wilde zijn vader er deze keer niet aan wijden. In andere omstandigheden zou hij met veel enthousiasme vertellen over wat hij de Vlaamse idealisten noemde. “Maar ik ben daar niet mee akkoord,” gaat het kort afgemeten verder. Er is weinig plaats voor voorspel in zijn theater. “Gij moet nog veel te lang studeren en het is mijn plicht ervoor te zorgen dat ge daar in slaagt.” Zijn hart bonsde in zijn borst. Zijn benen werden slap, zo slap als toen vader hem sloeg. Slap als een marionet waarvan zijn vader aan de draden trok. Deze marionet probeerde nu uit zichzelf tot leven te komen. “Er zijn toch veel studenten die een lief hebben en goede punten behalen. Guy heeft ook een lief.” Aai. Terwijl hij het uitsprak, besefte hij al dat dit een slechte zet was. En zijn vader was een goede schaker. “Uw vriend is het beste bewijs. Hij was vroeger altijd de eerste in uw klas en was twee jaar geleden gebuisd. Neem het van uw vader aan jongen, ik heb veel meer levenswijsheid dan uw vrienden. Er zijn drie grote gevaren voor een jongeman: de sigaretten, de drank en de vrouwen. En als ge een goed diploma hebt, hangt er aan elke vinger een vrouw die u wil.” De vader besefte niet dat de tijd voorbij was dat er slechts een paar draden waren om aan te trekken. De tijd dat hij enkel met het speelkruis moest bewegen om zijn zoon te doen bewegen of te doen knikken, was voorbij. Er zijn meer draden en latten gekomen die de marionet tot leven brengen. “Ik geef u twee keuzes: of ge maakt het uit of ge trouwt zo snel mogelijk.” Een krachtige ruk aan het kruis. “Want dan ben ik van mijn verantwoordelijkheid over u ontheven.” Zijn tanden klemden en knarsten. De gespannen spieren rolden op zijn kaken. Zelfs een marionet moest van zo een slag bekomen. Ze krabbelde recht. “Dat begrijp ik niet goed dat we mogen trouwen, va.” “Ge hebt gehoord wat ik heb gezegd en als ge daar niet mee akkoord gaat, onttrekt ge u aan mijn gezag en sta ik niet langer voor u in. Dan kunt ge uw studies zelf betalen.” Op dat moment verandert er iets in de marionet. De opstand van de zonen tegen hun vader wordt weer opgevoerd. Kronos, een titaan castreert zijn vader Uranus en wordt zelf door zijn zoon Zeus vermoord. Maar hij wilde zijn vader geen kwaad doen. Hij was geen reus en geen oppergod. September 2017 Hij loopt door de straten van zijn studententijd. Waar is hij naar op zoek? Het was vijftig jaar geleden een tijd van breken, uitbreken, gebroken worden en weer samenrapen. De charme van oeroude, gelijmde vazen. Ze winnen aan waarde omdat men iets oud heeft gered. Maar oeroude breuken in een familie worden gelijmd herontdekt en moeten soms weer worden gebroken voor een betere restauratie. There is a crack in everything, that’s how the light gets in, zingt Leonard Cohen. Is date en variante van God die spreekt als licht in de duisternis. Hij wil ontdekken hoe God tot hem heeft gesproken door de breuken in zijn leven. Hij loopt langs zijn kot aan de vismarkt. Daar ontving hij voor het eerst zijn liefste op zijn kamer. In die bewuste confrontatie met zijn vader repliceerde hij met een duidelijke stem: “Ik kan daar niet mee akkoord gaan va, ik hoop dat er nog iets anders mogelijk is.” Hij nam het speelkruis van de marionet in eigen handen, ze viel niet langer slap in een rechtstreekse confrontatie. Het was niet langer zijn vader die aan de touwtjes trok en het bracht tot zijn verrassing enige rust van binnen. Was hier een spreken van God te horen? Iets van binnen dat hem een eigen weg beloofde? Via bemiddeling van een priester kwam er een derde oplossing: hij mocht zijn lief één keer per maand zien op zondagmorgen na de hoogmis van de Bond van het Heilig Hart. Alle bemiddelaars waren tevreden met iets dat voor hem onaanvaardbaar was. Eens de mens het vuur had ontdekt, bewaakte hij het met de meeste zorg, zodat het nooit nog doofde. Sprak God nu via die priester of via zijn gevoel? Die priester zal beslist wel hebben gedacht van iets goed te doen. Maar is dat denken een garantie dat het goed is? Het was in elk geval het begin van het einde van de relatie met die man. Een maand na de bemiddeling. Vader riep hem bij zich. Hij kon vermoeden waarover het zou gaan. ”Ge hebt u niet aan onze afspraken gehouden. Ge zijt ongehoorzaam en zondigt tegen het vierde gebod. Als oudste zoudt gij het voorbeeld moeten zijn voor uw broers en zusters. Daarom is het mijn plicht om op te treden. Ik wil u hier niet meer zien in mijn huis als ik morgen na de mis thuis kom.” Hij stond op en ging naar bed. In zijn dagboek schreef hij: “Mijn God, ik wil niet dat mijn vader ongelukkig is door mij, maar ik kan daar niets aan doen.” En wat verder ”Heeft Uw Zoon niet gezegd dat wie zijn vader en moeder niet haat en niet met hen breekt, zijn volgeling niet kan zijn? Ik weet niet hoe letterlijk hij dit heeft bedoeld, maar ik begrijp dat een jonge mens de plicht heeft om naar Uw stem te luisteren, om zijn eigen levensweg te vinden. Mijn God, help ook mijn vader en moeder in deze moeilijke tijd.” Een beetje later schreef hij een brief aan zijn vader waarin hij naar deze evangelietekst verwijst. Een week later reeds, kreeg hij een brief terug. “Als ge uw plaats in het gezin weer inneemt onder mijn vaderlijk gezag, zal ik u met open armen ontvangen, als een zoon die verloren was en is teruggekeerd, zoals in de parabel van de Verloren Zoon.” Hij las de brief aan Marleen voor en hij concludeerde:“met die brief bewijst mijn vader dat hij er niets van heeft begrepen.” “Misschien heeft uw vader het ervaren dat ge hem de les wou lezen en pikt hij dat niet,” nuanceerde ze. Hij perste zijn lippen op elkaar en knikt. “Ik heb hem met de bijbel om de oren geslagen. Stom van mij.” Het begin van dit alles lag twee jaar eerder, in oktober 1967. Onder invloed van een tante in het klooster was zijn vader akkoord gegaan dat zijn oudste drie kinderen een danscursus volgden. Er ging een nieuwe wereld voor hem open. Hij vergelijkt het nu met Prins Siddartha die lang was opgesloten in het paleis van zijn ouders. Ze wilden hem weghouden van de ellende buiten, die als een bedreiging voor zijn toekomst werd gezien. Op de danscursus ging de tot dan toe verboden wereld open. De meisjes, die bloeiende bloemen, die dansende libellen, die zingende sirenen… Hij glimlacht bij de woorden die deze herinnering wakker schudden. Maar hij bond zich niet vast aan de mast van zijn schip zoals Odysseus maar maakte zich los van de mast waaraan zijn vader hem had gebonden. Hij stopte zijn oren niet dicht en luisterde naar wat zijn vader had verboden. Zijn ogen en zijn hart gingen open en hij ontdekte iets mooiers dan de mythe, die zijn vader scheen gelijk te geven: als je toegeeft aan het verlokkende lied van de sirenen, is dat je ondergang. Hij ontdekte de liefde. Hij danste en zong ze uit. “Ik zal het hem bewijzen,” klonk het stoer. Hij keek naar zijn liefste en glimlachte. Ze stuurde hem van in bed nog een kusje en sloot haar ogen, de lieve schat. “En nu, vooruit!” Hij drukte op de knop van zijn bureaulamp en deed de verlichting van de kamer uit, zodat ze haar niet stoorde. Met zijn vinger gleed hij over de regels op zijn blad. Als een rups verslond hij de woorden en zinnen. Hij beet zich een weg tot op de nerven. Een uurlang onderstreepte hij en krabbelde neer wat hij begrepen had. Zijn lippen bewogen terwijl hij zacht de inzichten verwoordde. Twee uur later. “Zo kom ik er nooit,” dreigde een stem die hem moet aanvuren. Wanhoop stak als een sluipwesp in de rups. Er moest nog zoveel gebeuren. Hij trok zich aan de haren en sloeg zich in het gezicht. Hij trok nu zelf aan de touwen van de marionet: “Vooruit. Doe voort.” Hij speelde hetzelfde marionettenspel als zijn vader. Komt hij hier niet op één van de gelijmde familiebreuken? Zijn ambitieuze vader was tweemaal in zijn studies mislukt en de derde had hij omwille van de oorlog niet kunnen afwerken. Hij laat de film verder rollen. De marionet vloog heen en weer en geraakte helemaal verstrikt. Het werkte niet meer. De touwen en draden werden een knoop, niet te ontwarren. Helemaal verward, ging hij languit op de grond liggen, op zijn buik, de armen wijd uitgespreid. “Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten,” zuchtte hij. Hoopte hij dat God het speelkruis in handen zou nemen en de marionet weer in beweging zou brengen? Hij krabbelde recht en zette zich met de rug tegen het bed en omarmde zijn opgetrokken knieën en legde er zijn hoofd op. Het is genoeg geweest. De rups had haar plek gevonden en begon te spinnen. “Mijn God, Mijn God, sta me bij.” De rups spon zich helemaal in een cocon. Er kwam enige rust. Nam God het nu echt over? Zelf wist hij niet hoe het nu verder moest? Op dat moment werd zijn liefste wakker en streelde hem. Een kleine lichtstraal door de crack. Hij deed de bureaulamp uit.   Naar de pastoor Het is een zonnige zaterdag. Een jongen in zijn korte ribfluwelen broek. Zijn vader heeft een hele rol van zwart ribfluweel in stock. “Onverslijtbaar” noemt hij ze. Hij laat er alle broeken voor zijn zonen van maken, door een kleermaker die een klant is. Hij kocht de stof tijdens de Suez crisis, de schaarste van de wereldoorlog nog vers in het geheugen. Zo staan er in de kelder nog een hele voorraad cornedbeef in blik en dozen van grote blokken Sunlight zeep. Hij springt op zijn fiets. Het is zijn eerste herenfiets met een baar die hij voor zijn twaalfde verjaardag heeft gekregen. Hij rijdt in de richting van de kerk. Hij doet dit geregeld want zijn grootouders wonen vlakbij de kerk. Elke eerste vrijdag van de maand gaat hij naar de mis van 6u30. Hij zet dan zijn velo in de poort van zijn metje en gaat samen met haar naar de kerk. De eerste vier jaar woonde hij samen met zijn ouders in een twee kamer huisje, een vroegere stal aangebouwd aan het woonhuis van zijn grootouders. Er lagen nog geen tegels op de vloer. Elk jaar kwam er een broer of zus bij. En toen zijn moeder zwanger was van het vierde, zei ze geregeld: “Ga jij maar bij metj spelen.” Dat deed hij met plezier want hij kreeg er altijd wel een snoepje en zijn jongste tante knuffelde hem. Hij bleef er vaak ook slapen. Metj leerde hem zijn eerste schietgebedje: Heer Jezus, kom in mijn hart, doe erin al wat u behaagt en doe eruit al wat u mishaagt.” Het leek alsof ze hem een geheim verklapte, een gebed voor ingewijden. Er ontsnapte geen enkele beweging van haar lippen. En na twee keer kon hij het zelf opzeggen. Hij glunderde. “Ik ben blij dat ik drie dochters in het klooster heb,” vertrouwde ze hem toe, “maar ik vind het spijtig ik geen priester heb. Uw vader als oudste moest het normaal worden, maar hij was daar niet voor geschikt.” Als een honingbij wordt hij opgenomen in het hart van een bloem. Aangezogen door de zoete nectar van haar liefde, kijkt hij haar met grote, open ogen aan. “Metj, als ik groot ben, wil ik wel priester worden.” Vandaag is het om een heel andere reden dat hij die richting uitrijdt. Schichtig kijkt hij op zij naar het huis van Godfried, om zich dan snel weer over zijn stuur te buigen. Hij hoopt dat niemand hem ziet. Er komt iemand uit het postkantoor, maar hij kijkt strak voor zich uit. Hij wil niet zien of iemand hem opmerkt en hem herkent. Hij komt voorbij het klooster met daar tegenover de jongensschool waar hij tot voor een paar jaar naar de school ging. Hier begint de dorpstraat met haar kasseien. Zijn fiets rammelt. “Wat een lawaai,” dreunt het van binnen. Met de blik op de weg gefixeerd, probeert hij de meest hobbelige stenen te vermijden. Op een trektocht met KSA bleven Godfried en hij in een pas gemaaid korenveld achter. Het is een warme, zonnige dag. Het ruikt naar het verse stro. Ze liggen naast elkaar en met hun blote benen stoten ze elkaar aan. Ze spelen met het stro en met een strootje zoeken ze een weg in elkaars broek. Later ook met hun handen. Hij rijdt net voorbij één van de dorpscafés. Hij hoort het liedje “Brigitte Bardot, Bardot”. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en bijt op zijn tanden in een grimas om zijn oren en ogen af te sluiten. Zijn lichaam reageert zo gevoelig op dit soort zaken. Op school zinspeelt de leraar geregeld op dit soort dingen. Ze lachen dan allemaal. “Zouden andere kinderen van de klas ook vuile manieren doen?” vraagt hij zich dan af. Er wordt altijd wat lacherig over gedaan. In de godsdienstles heeft hij geleerd dat het de zonde van onkuisheid is, een doodzonde. En wie in doodzonde sterft, gaat naar de hel. Hij leerde ook dat in doodzonde te communie gaan heiligschennis is en op zijn beurt een doodzonde. Te biechten gaan zonder uw doodzonden te biechten ook. Het wordt een karrenvracht die niet meer te overzien is. In het begin voelde hij zich onnozel dat hij nog niet wist wie Sint Maarten was, toen vader het hem vertelde. Nadien glunderde hij omdat hij het niet aan de kleinere kinderen mocht verklappen. Een geheim onder grote mensen. Maar zijn nieuwe kennis is een vat vol gevaar. Beschaamd houdt hij het verborgen en hij sprak er nog met niemand over. In bed ligt hij al een tijd te woelen. Het beeld van het hellevuur verontrust hem. Het sublieme idee is gekomen toen hij tijdens de communie Gods hulp vroeg. Het was in een mis die de pastoor opdroeg en waarin hij preekte over Jezus die samen met zondaars ging eten. “Jezus is gekomen om de zondaars te redden.” Bij die woorden besluit hij ineens om naar de pastoor te gaan en alles gewoon op te biechten. Alles ineens. Daar is de pastorij. Hij zet zijn velo tegen de hoge bakstenen muur die het domein omgeeft. Hij kijkt niet meer rond en stapt naar het hoge wit geschilderde metalen hek. De spijlen eindigen bovenaan in puntige uitsteeksels. Voorzichtig duwt hij de klink naar beneden. Hij ademt diep in, werpt een vluchtige blik op de straat en sluit voorzichtig het hek om geen lawaai te maken. Hij struikelt bijna over zijn voeten. Met trillende benen begeeft hij zich op het geplaveide pad naar de imposante pastorij. Hij trekt aan de hendel van de bel. Een klokje klingelt. Het is een vrouw die opendoet. Hij deinst achteruit. De woorden in zijn hoofd waren naar de pastoor gericht. “Het is wel voor meneer pastoor, mevrouw.” Ze knikt vriendelijk. “Ja, die woont hier ook. Ik zal hem eens roepen,” zegt ze lachend. Hij wordt rood. Hij staart naar beneden. “Kom toch binnen,” maant de vrouw hem aan. In de hoge gang, met grote witte en zwarte tegels staat hij te wachten, vlakbij een groot kruisbeeld. Er hangt een geur die hij niet kent. “Dag beste vriend.” Een zware mannenstem. De oude pastoor lijkt van dichtbij nog ouder dan in de kerk. Hij loopt gekromd, met wit grijs haar en een klein brilletje op zijn gerimpeld gezicht. Dat lange zwarte kleed en die witte boord. Het maakt de jongen heel klein. De pastoor schuift een stoel wat van de tafel. “Ga maar zitten en vertel het eens.” Hij duwt dadelijk op de pijnlijke plek, een rood gezwollen puist. “Meneer pastoor, ik ben…” De woorden blijven steken in zijn droge keel en hij slikt. “Ik ben in doodzonde.” Het floept er ineens uit, als de etter die er wordt uitgeduwd. De zweer was rijp. Nu nog de zalf om te genezen. “En ik wil alles biechten.” Het grijze hoofd kijkt ernstig. “Dan gaan we naar de biechtstoel.” De jongen heeft nog geen biechtstoel gezien. Een beeld met de pastoor, met hun twee te voet op weg naar de kerk, dringt zich op. Mensen die naar hun kijken. Hij verkrampt en zijn hoofd trilt “neen, dat niet.” “Kom maar naar hier,” de pastoor wijst hem een speciale stoel. Een diepe zucht. De pastoor zet zich op een stoel voor de bidstoel. “Ik luister.” “Eerwaarde vader, zegen mij, want ik heb gezondigd.” Het rolt er zo uit als het refrein van een lied, een somber lied. Nu begint het moeilijkste deel. Hij weet bij benadering niet hoe vaak hij al die doodzonden heeft bedreven, en dat moet je er normaal bij zeggen. Hij had zijn kar vol zonden tot hier getrokken en hij zou ze leeg maken. Hij haalt diep adem, de ogen gefixeerd op het plankje waar zijn handen op rusten. “Ik heb de zonde van onkuisheid bedreven, ik weet niet meer hoeveel keer,” hij gaat nu door, het moet er allemaal uit, “en ik heb dat nooit gebiecht als ik te biechten ging en ging zonder te biechten te communie en ik weet niet hoeveel keer dat allemaal is gebeurd.” In één ruk braakt hij alles uit. Een zieke die overgeeft en zijn zieke maag ontlast. “Heb je die zonde tegen het zesde gebod alleen of met anderen gedaan?” Daar was hij niet op voorbereid, om details te moeten vertellen. “Allebei, meneer pastoor. Soms doe ik het alleen, soms met een kameraad.” Hij aarzelt. Kan hij de naam van Godfried wel verklappen? De pastoor kent Godfried goed, want hij is misdienaar. “En wie is die kameraad? Die moet ook geholpen worden, nietwaar.” Zo had hij het nog niet bekeken. Dat is waar. Godfried moest ook worden geholpen. Daar had hij nu de kans voor. Misschien kan de pastoor een steun zijn om Godfried van het lijf te houden. Die dringt altijd aan en hij kan zijn handen niet afweren. Nog niet. “Het is Godfried, meneer pastoor.” “Het is goed dat ge alles hebt gebiecht. Ik ga u nu een goede raad geven. Als de drang om te zondigen opkomt, dan moet ge u geselen. Dan zal dat overgaan. Op het einde maakt de pastoor het verlossende gebaar en zegent hem ”in naam van God vergeef ik u uw zonden. Ego te absolvo….”. De priester staat op en wenst hem proficiat. Hij glundert. “Bedankt, meneer pastoor.” Hij springt op zijn fiets. Hij vliegt vooruit, zoveel lichter. Recht naar het huis van zijn grootouders. Ze wist zijn zweet April 1968 “Ik voel me rot vandaag, Hendrik, heel rot,” het komt er uit met veel nadruk op rot. Haar gezicht is gespannen. In haar ogen hangen donkere wolken die elk moment kunnen breken. Ze draait zich om en wast enkele glazen uit.   Hij kijkt op haar rug, zijn gezicht in een frons vol vraagtekens. Wat is het dat haar zo belast? Hij had er zo naar uit gekeken om haar terug te zien, sinds hij haar enkele weken geleden zijn liefde bekende. De voorbije weken komen als een sneltrein voorbij. “4 april. De moord op Maarten Luther King? Allebei, schreven ze elkaar onmiddellijk hun woede uit. . “Dat iemand die zo opkomt tegen onrecht, wordt vermoord, godverdomme!” Hij had Kings verhaal over de Rijke Dwaas nog gebruikt in een misviering voor zijn jonghernieuwers van KSA. Een oproep om het materiële niet tot levensdoel te maken Gerolf of Gerard? Mijn liefdesverklaring? Ligt het aan mij?” Zijn maag knijpt samen. “Wilt ge erover spreken, Marleen?” De toon verraadt niets van de laatste gedachte. “Met wie anders kan ik daarover spreken, Hendrik?” “Oef!” Nu staat zijn hart helemaal open. Hier mag ze haar ellende in woorden uitstorten. “Gerolf, heeft me gedwongen om het weer aan te maken. Ik heb volgens hem het recht niet om hem te dumpen. Ik ben bang van hem.” Het raakt hem. Hij ziet gelijkenis tussen Gerolf en zijn vader. De vrouw moet haar man volgen. Er is zo weinig genegenheid. Enkele weken geleden liep hij Gerolf onverwachts tegen het lijf. “Ge kunt van geluk spreken dat gij haar niet van mij probeert af te pakken,” had hij nors gezegd, langs zijn neus weg. “Ik begrijp dat ge bang zijt van hem, maar liefde kan toch niet gedwongen worden, Marleen. God heeft de mens vrij geschapen en het is de liefde die een mens vrijmaakt.” Ze hebben vaak over God gesproken. Voor hem is het leven een leven in dienst van God om bij te dragen tot een betere wereld. Ieder met zijn talenten. “Gij hebt mij geholpen om God opnieuw te ontdekken,” zei ze eens. “Een liefdesrelatie is geen boksmatch waar de sterkste de andere dwingt tot overgave door de nodige klappen.” Ze knikt en het moedigt hem aan om nog even in dat beeld te blijven. “Ge klinkt alsof ge in de touwen hangt.” “Liefde moet gedragen zijn door wederzijds respect, Marleen.” Een tijd geleden beklaagde hij zich nog dat hij in zijn ontwikkeling achterop liep omdat hij nog nooit een lief had gehad. Misschien helpt het hem nu om vol liefdesvuur woorden uit boeken tot de zijne te maken. “Gerard, is nog een groter probleem. Hij heeft me een brief geschreven dat hij zelfmoord pleegt als ik hem afwijs.” Ze trekt haar schouders omhoog en steekt haar open en lege handen voor zich uit. “Maar ik ben niet verliefd op hem.” Ze laat de handen zakken en krijgt vochtige ogen. “Ik kan er niet tegen dat iemand door mij ongelukkig is. Wat moet ik doen?” “Het is uw goed hart dat spreekt, Marleen, maar in de liefde moet een mens in een zekere zin...hoe moet ik het zeggen…wat egoïstisch zijn. Het is misschien raar om dat te zeggen. Enfin, ge hebt medelijden met hem maar dat is geen liefde. En wat hij doet dat is volgens mij, sorry hé, emotionele chantage, en ook geen liefde.” Emoties, woorden en beelden schieten als bliksems in de oersoep van zijn diepste zijn. “Hij plakt op haar. Een parasiet die haar leegzuigt. Ze moet hem van zich aftrekken. Of iemand anders moet het doen.” “Kent ge niemand die hem zou kunnen helpen?” Ineens komt het eruit. “Dat is het. Ik ga Miel en Marie-Rose inschakelen. Dat is een pracht koppel, Hendrik. Ge zoudt ze moeten leren kennen. En zij kennen Gerard goed.” Het is de sleutel voor de deur die volledig op slot leek. Er daalt een rust over de wereld. De bliksems hebben hun werk gedaan. De zon schittert weer in haar ogen. Het land vruchtbaarder dan voordien. In zijn dagboek. Mijn lieve God, ik weet niet hoe het met Marleen zal verder gaan. Misschien moet ze zich eerst van Gerolf en Gerard bevrijden. Heb ik ook niet een omweg gemaakt voor ik ontdekte dat ik in het diepst van mezelf op haar verliefd ben. Kan het zijn dat zij ontdekt dat ze op mij verliefd is, nadat ik haar hielp met die twee? Worden we niet vaak van ons diepste zijn afgesneden door oppervlakkige zaken. Waren die snelle verliefdheden niet heel oppervlakkig als ik ze vergelijk met de diepe vriendschap die er tussen Marleen en mij bestaat? Een week later. Het is dansavond. Er wordt wat afgedanst. Hij staat helemaal in het zweet. Zijn hemd is doordrenkt. “Mijn winterroosje, verlaat me niet meer.” De wals die hij met Marleen draait, mag blijven duren. Van waar het komt weet hij niet, maar hij heeft er zelf plezier in als hij zingt “mijn wilde roosje, verlaat me niet meer.” Het zingt en swingt doorheen zijn hele lijf. De hele wereld draait rond hun. Er is geen plaats voor andere gedachten of gevoelens dan euforie. Een kwartier geleden fluisterde ze in zijn oor “het is definitief gedaan met Gerolf en Miel zal Gerard aanspreken. Bedankt voor uw hulp, Hendrik.” Ze rusten niet. De ene dans volgt op de andere. Ze laten elkaar niet meer los. Een korte pauze om iets te drinken. Tijd om met een zakdoek zijn zweet weg te nemen. Een rustige slow lokt hen weer op de dansvloer. “Ik droom voor jou in groen en blauw een eiland in de zon.” Tot nu toe dansten ze met een zijwaarts gestrekte arm en met de nodige afstand. Maar nu legt ze dadelijk haar handen rond zijn nek. Het voelt even onwennig. Een heel kort moment. Hij legt zijn handen om haar middel en beseft dat er iets is veranderd. Ze neemt een zakdoekje en wist zijn zweet. Hun lichamen vleien zich tegen elkaar aan en ze legt haar hoofd tegen zijn borst. Ze zingen zacht mee:“ waar iedereen nog weet waarom de liefde liefde heet. En waar ik jou in groen en blauw steeds in mijn armen hou.” En de fluite gaat 4 april 1971 “Klein soldaatje, groot soldaatje, laat ons flink marcheren en de trommel slaat en de fluite gaat…”Als een onvoltooid lied verspreidt zich de melodie door de hemelsferen. Hun gebaren verstijven. Marleen en Hendrik zijn op huwelijksreis vertrokken met haar broer en zijn vrouw en hun kleine Pietje. Het gaat richting Spanje, waar Hendriks vader een appartement heeft. Ze zingen heel hun Vlaamse liederen repertorium. Pietje zingt mee. ” In een bosje staat een huisje, keek eens door het vensterraam.” Het kind zet zijn handen als een verrekijker voor zijn ogen en kijkt door het raam naar buiten. En als het gedaan, stelt hij zich recht achter de zetel van zijn mama en zegt ferm:” nog een liedje.” Het wordt klein soldaatje, groot soldaatje. Wat er toen gebeurd is, weet hij niet. Als hij de ogen opent, komt hij uit een rondtuimelende droom en herkent niets van de omgeving waarin hij ontwaakt. Hij is opgesloten in een kooi en zoekt hoe hij er kan uit klauteren. Iemand van buiten helpt om de kooi te openen. En als een dier kruipt hij op handen en voeten naar buiten. “Waar ben ik?” stamelt hij. De mensen verstaan hem niet. Ze spreken Frans. Iemand brengt hem een stoel. Steeds meer wijkt de droom en herkent hij hun auto die op zijn dak ligt. “Ma femme,” fluistert hij en smeekt dat ze haar uit het wrak halen. “We zijn pas getrouwd.” In de ambulance zit hij naast de chauffeur en achterin ligt nog iemand. Hij draait zich om en herkent zijn Marleen aan haar groene pull. “Dag liefke.” Ze kreunt iets terug. “We mogen van geluk spreken, liefste dat we nog leven. Het had veel erger kunnen zijn. We hebben elkaar nog.” Toen ze haar in het ziekenhuis onderzochten, herkende hij haar aan het litteken op haar buik. 3 april Ze slapen bij haar ouders gaan slapen, in haar vroegere kinderkamer. De eerste keer sinds ze getrouwd zijn. Er wordt nog nagekaart over de vreugde waarmee die hele dag is verlopen. “Uw vader was ook in een goeie bui, Hendrik,” zegt vake, zijn schoonvader. “Vanaf nu mag je ons vake en moeke noemen net als onze dochter,” zegden ze hem de dag na de bruiloft. “De hele familie is gelukkig dat alles is bijgelegd tussen ons. Mijn twee tante nonnen zijn er mij voor komen bedanken.” Er is gezongen en gedanst. De openingsdans hebben ze gewalst op hun eerste lijflied “oh winterroosje verlaat me niet meer.” Ze zwierden over de dansvloer. Ze genoten van de vele blikken. Ze wilden iedereen laten genieten van hun liefde. “O wilde roosje…” Iedereen kon hen bewonderen. In haar witte bruidsjurk was ze de mooiste van alle Griekse nimfen. Het begin van een sprookjeshuwelijk. De verloren gewaande zoon die terugkomt in het land van zijn vader. Als een prins in een gouden koets, getrokken door vier witte paarden en naast hem de mooiste prinses. Het bed waarin ze haar hele jeugd heeft geslapen, is nu hun bed. Morgen is het Palmzondag en begint hun huwelijksreis naar Spanje. In de sterkst mogelijke woorden spreken ze hun liefde en hun geluk uit. Hij neemt haar hand in de zijne. “Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog een andere vrouw kan lief hebben. Als ik alleen val, moet ik nooit nog een andere vrouw hebben. Ik zou ze altijd met u vergelijken en dat zou haar te veel pijn doen.” “Ik bid God dat ik voor jou mag sterven, lieveke. Ik zou niet verder kunnen leven zonder jou. Willen we samen God danken dat Hij ons aan elkaar heeft gegeven?” “Lieve God en lieve Marleentje, ik dank jullie allebei voor het geluk dat ik mag ervaren. God, ik vraag u om ons te helpen dat we onze liefde, die ook Uw liefde is, kunnen uitdragen naar alle mensen waarmee we in contact zullen komen.” “Lieve God en lieve Hendrik, mijn man. Ik heb er geen woorden voor om jullie te danken voor wat jullie voor mij betekenen. Ook ik wil mij levenslang inspannen om andere mensen de liefde te leren kennen die mij te beurt valt.” 4 april 1971. Pamlzondag. Ze zijn al heel vroeg op. Ze maken hun picknick klaar. Ze gaat hem voor door de donkere gang naar de winkel en doet het licht aan. Zij snijdt als volleerde winkeljuf de plakken kaas. Hoe vaak heeft ze haar Hendrik hier kaas en salami meegegeven in de periode van de problemen met zijn vader. Buiten lopen enkele mensen naar de kerk. Twee aan twee. In hun beste pak, een hoedje op, met in hun handen palmtakjes. “Hé, liefke, ’t Is Palmzondag. Groot feest voor Jezus.” En op zijn typisch kritische toon:” maar over enkele dagen zal hij sterven.” “Laten we het vandaag bij het feest houden, Hendrik.” Eurydice, de schoonste van de waternimfen was verliefd op het mooie gezang van Orpheus. Kort na hun huwelijk sterft ze. De zanger die nog maar pas de bruiloft had opgeluisterd door zijn muziek, zingt nu zijn onnoemelijk verdriet uit. De hele wereld wordt er door geroerd. Alle andere kwellingen en obsessies vallen weg en ruimen plaats voor het oeverloze verdriet. De bomen komen in een kring rond hem staan en buigen zich naar hem toe. Zelfs de onderwereld opent zich. Hij vangt een glimp van zijn geliefde op en hij smeekt de goden “geef me mijn geliefde terug.” Hij is overtuigd dat ze dit niet kunnen weigeren als ze zien en horen hoe groot hun liefde is. Hij zingt en roept de god van de onderwereld toe: “heeft niet de god van de liefde ook macht over het dodenrijk?” 12 april 1071. Paasmaandag. Hij ziet haar liggen op een draagbaar. In een wit kleed, haar bruidskleed. Ze ligt op een bed van bloemen. Vier engelen dragen haar naar het midden van de hemel. Er wordt gezongen en muziek gemaakt. De hemel is in feest. Ze komen vlakbij God. Hij reikt haar de hand en ze staat recht. “ God, Gij hebt mij deze vrouw geschonken als een geschenk van uw liefde. Ik geef ze U nu terug. Er zal veel vreugde in de hemel zijn, want ze is een fantastische mens. Bedankt dat ik haar drie jaar heb mogen hebben.” Hij straalt terwijl de film zich ontrolt. Naast hem zit zijn oudste tante non. Volkomen stil. Orpheus zingt zo mooi dat hij zijn geliefde te zien krijgt en haar mag meenemen naar de aarde. De god verwittigt hem dat hij haar moet voorgaan doorheen de donkere weg en pas naar haar mag omkijken als zij volledig in het daglicht is aangekomen. Dan volgt een lange weg, door stille duisternis. Eurydice volgt geruisloos haar geliefde. Hij vraagt zich geregeld af of ze er nog is. Als hijzelf het zonlicht bereikt, kan hij het niet langer houden en kijkt om. Hij ziet ze nog even, om haar dan onherroepelijk te zien wegzweven, met een onherkenbaar geruis. De eeuwige duisternis in. Als het uitstervend geluid van het lied van een fluit verliest hij zijn geliefde een tweede keer.      

Hendrik Van Moorter
41 0

Kunt u dat volhouden? opdracht 4, Jan Loogman

20 juli 2012 Te vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht. Maar ach, het was louter in zichzelf, hij heeft zijn pokerface bewaard. Hij kijkt om zich heen: een portret van de koning, rechters in hun toga’s met de witte beffen, een zittingszaal zoals zovelen. Links van hem de advocaat van de tegenpartij, eerder die ochtend nog volledig overtuigd van het gelijk van zijn cliënt. Nu twijfelt hij, dat is zeker. En ook de rechters zullen achter hun oren krabben, of toch niet? Heeft hij zijn hand overspeeld? In de dagen hiervoor heeft hij moeite gehad zijn betoog te formuleren. Wat is dit voor een standpunt, heeft hij zijn collega’s gevraagd toen hij het dossier had doorgenomen. Sinds hun senior- juristen zijn uitgevallen, neemt hij op dit kantoor tijdelijk de honneurs waar. Hij reist naar Utrecht, voor de zittingen van de Centrale Raad, en verdedigt daar met regelmaat standpunten die hij zelf niet zou hebben bedacht. Ook nu had het dossier hem verrast. Hoe zijn jullie hierbij gekomen, heeft hij gezegd, je kent toch de jurisprudentie? Dat was niet zo, heeft hij in de daarna volgende discussie moeten constateren. En toch hebben de collega’s van geen wijken geweten, ze bleven overtuigd van het ingenomen standpunt. Hij ging bewondering voelen voor hun vasthoudendheid, juristen van het jaar nul zijn zij, maar kan hij hen dat verwijten? Harde werkers, hun inzet is een goed betoog waard. Nu ze de verdediging van dit vreemde standpunt aan hem hebben toevertrouwd, gaat hij de uitdaging aan, hij laat zichzelf tenslotte graag voorstaan op zijn flexibele geest. Als de tegenpartij hier vanochtend een walk-over dacht te krijgen, heeft die buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, graag speelt hij de rol en zojuist heeft hij hem weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij de Raad wel overtuigd. Een heel goed betoog, vond hij tenslotte. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren. Misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet opnieuw het woord te nemen, op zijn betoog terug te komen, zijn excuses aan te bieden, toch het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen. Hij komt uit bij de witgeschilderde frituurkraam die vroeger in het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk. Wanneer Duuk en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Duuk bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had Johan geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Duuk. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch. Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn betoog, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit onze tussenuitspraak eens voorlezen?” zegt hij. Natuurlijk wil hij dat, al brengt de dwingende toon hem terug naar zijn middelbare school. Op wonderbaarlijke wijze ontkwam hij in de eerste klas aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die hem alleen voor de klas kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem. Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond. Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen werd de spreekbeurt onvermijdelijk. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.” Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen, Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp. Nu herinnert hij zich hoe hij de vragen van zijn klasgenoten beantwoordde, een vogel die voor het eerst vloog en niet kon worden gevangen. Hij herhaalt wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” zegt hij, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.”  Nog kan hij zwichten, beseft Johan opnieuw, dit is het moment om plat te gaan liggen, afstand te nemen van het standpunt dat hij heeft verdedigd. Als hij dit doet, kan hij zijn kennis van de jurisprudentie ten toon spreiden, zijn intellect tonen door zijn eerdere overwegingen te ironiseren. Het is het moment waarop de toreador wijkt voor de stier. Hij zal zijn eigen gezicht redden, afstand nemen van de organisatie die hij vertegenwoordigt, hij kan deze te kakken zetten. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt leek het hem. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd. En bovendien, heeft die Leidse Corpsbal niet naar zijn betoog geluisterd? Hij verdomt het zich door die man te laten koeioneren. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken.   Engelse, Amerikaanse, 1960 “U kunt dit niet volhouden,” hij blijft Lagendijk horen, in de treincoupé op de terugweg naar Amsterdam, boven het geroezemoes van de andere reizigers uit. Hoe bekakt de stem ook klinkt, hij herkent de woede erin. Ook het rood aangelopen gezicht en de verwrongen trekken zijn hem vertrouwd. Of is dit allemaal verbeelding? Komt het doordat de man hem zijn zin wilde opleggen. De mores van de rechtszaal zijn zijn bescherming geweest. Is het daarom dat hij dit werk is gaan doen? Op verjaardagsfeestjes bij hen thuis stelden zijn zussen meteen na het avondeten de stoelen en tafeltjes op, in de voor- en achterkamer. Hij mocht hen helpen de bekers met sigaretten uit te stallen. “Nee, die moeten niet bij elkaar,” had Geertje hem gecorrigeerd, toen hij de Chief Whip bij de North State wilde zetten. Engelse – en Amerikaanse sigaretten mochten niet in dezelfde beker terecht komen, maar Chief Whip, waren die nou Engels of Amerikaans? En North State? Later op de avond kwamen alle broers en zussen van mama, behalve natuurlijk Heeroom en Zuster Edwarda. En Ome Piet Sol kwam vanzelfsprekend ook niet, die chagrijn. Zijn peetoom is er ook, oom Piet Loogman, de broer van papa met zijn zachte stem, even rustig als mama’s broers en zussen. Zijn zussen schenken borreltjes voor de mannen, een advocaatje voor de vrouwen. Het praten wordt wat luider. Boven iedereen uit zijn er twee te horen, tante Cor, papa’s zus, en papa zelf. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij nu. Johan kijkt op de klok, misschien is het zijn bedtijd. Hij kent mijnheer Spanjaard wel, vorige week op de voetbaltraining heeft hij nog uitgelegd dat ze de bal het beste met links kunnen aannemen. Dan ligt hij in een keer goed voor de rechtervoet om te schieten of te passen. Een goede tip, maar nu hoort hij zijn vader over mijnheer Spanjaard praten. “Hij heeft niets te vertellen bij dat wijf van hem,” zegt hij. Nog eens kijkt Johan op de klok, ja, het is echt bedtijd. Hij staat op en wurmt zich tussen de stoelen, de knieën, de glazen, de handen door, in de richting van de deur naar de trap die naar de stille bovenverdieping voert. “Kom eens hier, Billy,” hoort hij in zijn linkeroor en zijn vader omvat hem met twee handen, trekt hem naar zich toe. “Vertel eens aan je ooms en tantes wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?” Johan kijkt voorzichtig rond, hij ziet hoe oom Wim naar hem knipoogt. “Kom op, jongen, laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Johan houdt zijn mond, iedereen weet dat toch? “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort hoe zijn vaders stem van klank verandert, duwt zichzelf weg, weg van die schoot. Een glas valt om. “Ik ga naar bed,” zegt hij, probeert hij te zeggen. In zijn rug krijgt hij een duw, een harde por, hij hoort zijn vader snuiven. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Nu is het stil in de kamer. Kijkt iedereen hoe hij langs oom Wim glipt, opnieuw op weg naar de trapdeur? Hij voelt een aai over zijn hoofd, vindt de klink van de deur, tante Rie geeft hem de ruimte om de deur te openen, hij sluit hem achter zich en staat in het trapportaal. Even gaat hij op de onderste trede zitten, meteen gaat de deur open, hij had beter naar boven door kunnen lopen. Nu staat mama voor hem. “Kun je papa nou niet even zijn zin geven?” vraagt ze. Het liefst zou hij nu in de trein blijven zitten en doorgaan naar huis, kijken hoe zijn kinderen op het pleintje spelen, misschien een pizza voor hen rollen, maar hij moet nog langs kantoor, de collega’s zullen benieuwd zijn hoe de zitting is verlopen. Hij wil ze niet teleurstellen. Als de trein het Amstel Station binnenrolt, staat hij op.   Pax Christi, 1968 Op het perron haalt hij zijn pasje langs de gele paal om uit te checken en checkt onmiddellijk in bij de blauwe metropaal. Een goed geklede buitenlander, zo te zien op weg naar de Zuid-as, laat zijn ticket aan hem zien. Hij wijst hem de weg, als een goed functionerend lid van de samenleving, een man aan wie anderen vragen wat ze moeten doen, een man die er niet voor terugschrikt zijn positie te bepalen. Er staan er genoeg om hem heen die snel hun blik hebben afgewend toen ze de hulpeloze reiziger rond zagen kijken. Om uit de drukte te raken loopt hij een stuk over het perron totdat hij onder de overkapping van het station uit is.  Tussen de kantoortorens door ziet hij in de verte een glimp van de Amstel. Toen de kolossen er nog niet stonden, was het uitzicht op de rivier beter. Hij is hier op zijn breedst. Aanlokkelijk had hij het water gevonden, de eerste keer dat hij hier stond. Hij wachtte op de trein naar Den Bosch. Even later had hij zich door de om hem heen dringende jongens en meisjes naar binnen laten stuwen.  Daar duurde de drukte voort, iedereen leek opgewekt, er werd gelachen, maar hij was stil, op zijn plek bij het raam. Zijn klasgenoot Wim zat naast hem en zei ook niets. Buikpijn had hij gevoeld, waarom hadden de paters niet zoals alle eerdere jaren de eindexamenklas naar een klooster gestuurd, voor een stilteretraite?  De tijden veranderden, hun leraar Nederlands, pater Lockefeer, was vorig jaar uit het klooster naast de school vertrokken en droeg geen priesterboordje meer, de langharigen op school werden door pater-prefect niet meer naar de kapper gestuurd, laatst was het schoolfeest door de schoolleiding onderbroken omdat er te intiem geschuifeld werd. Maar hielp het daartegen om de eindexamenleerlingen voor drie dagen naar Den Bosch te sturen? “Wat een vooruitzicht,” had Wim gisteren gezegd. “Drie dagen en nachten in een groep waarin je niemand kent.” Als hij terugkijkt naar het perron, ziet hij de metro staan. Hij heeft het binnenrijden ervan niet opgemerkt. Snel rent hij naar de geopende deuren en stapt de coupé binnen, juist voordat de deuren zich sluiten. Hij lacht naar de mensen die bij de deur staan te wachten. Tevergeefs natuurlijk, ze kijken voor zich uit. Nee, er is toch één jongen die teruglacht: “Op het nippertje,” zegt hij. Wat een communicatie, zomaar in de Amsterdamse metro. De jongen draait zich om en Johan kijkt naar buiten. De Spaklerweg raast voorbij, de Weespertrekvaart, het lijkt alsof ze door zullen suizen naar Den Bosch. Na de drukte van de trein was het in de Veemarkthallen in Den Bosch een nog verschrikkelijker gewoel geweest. Overal werden bordjes omhoog gehouden: “Kapittel 51”, “Kapittel 34”enzovoorts. Mensen om hem heen, rugzakken in zijn gezicht, een stap opzij en ineens was daar het bordje dat hij zocht: “Kapittel 33”.  Wat jongens en meisjes in een kring, niemand die een mond opendoet, nu is iedereen tussen onbekenden, realiseert hij zich. Een jongeman tikt hem op de schouder en vraagt zijn naam. Hij vinkt hem af op een namenlijst en stelt zich daarna aan Johan voor. Vincent, de leider van het kapittel. De groep is compleet, zegt hij, ze kunnen de bus in. De bus rijdt hen veertig kilometer weg van de stad. In de komende dagen zullen zij er weer naar toe lopen, pelgrims op weg naar de kathedraal. Ergens in de buurt van Oirschot stappen ze uit. Onder wat eikenbomen gaan ze in een kring zitten voor een voorstelrondje. Sommige stemmen zijn nog zachter dan die van Johan. “Wat wil jij het liefst veranderen, in de wereld, in je eigen omgeving, in jezelf?” vraagt Vincent, als iedereen zich heeft voorgesteld. Geen idee, denkt Johan, misschien dat ik eindelijk stop met knikkers te spelen. Wanneer ze even later in tweetallen samen oplopen, is hij blij met het meisje dat hij heeft getroffen. Lies heet ze, ze komt uit Goirle, bij Tilburg, en ze weet heel goed wat ze anders wil. Vrouwen moeten voortaan gelijk zijn aan mannen. Is dat dan niet zo, verbaast Johan zich. Bij zijn zussen heeft hij niets te vertellen. Voordat hij het zich realiseert, zijn Lies en hij in gesprek. Haar lange, zwarte haar waait in haar gezicht. Ze praten door en komen gelukkig niet toe aan zijn veranderingswens. Als hij even later naast Anne uit Heemstede loopt, vraagt zij hem wat hij het liefste anders heeft in de wereld. “Ik wil dat mannen en vrouwen gelijk zijn”, verklaart hij. Hij verbeeldt zich een haan te horen kraaien, maar het deert hem niet. “Emancipatie vind ik belangrijk,” zegt hij nog eens voor de zekerheid. Hij ontdekt meer dingen die hij wil veranderen: Nederland moet uit de Nato, ouders moeten hun kinderen geen geloof opleggen, jongeren moeten stemrecht krijgen. Het Talenonderwijs op school moet meer gericht zijn op het leren spreken van een taal, “Vind jij het niet gek dat je in het buitenland niets durft te zeggen?” vraagt hij Anne op de tweede dag. Alsof hij ooit in het buitenland is geweest. Alsof hij ooit in Nederland iets heeft durven zeggen. Ergens onderweg leest Vincent een gedicht voor. “Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit/ het zacht maken van stenen/ het vuur maken uit water/ het regen maken uit dorst…”.  - Gerrit Kouwenaar, zegt Anne. Het is een credo, legt Vincent uit, wat is jouw credo? Even later stelt Lies Johan die vraag, ze moet lachen om zijn reactie. “Praten en luisteren”, antwoordt geantwoord, “ik heb nooit naar iets anders getracht.” Anderen horen zijn toevoeging ook en lachen mee. Op zaterdagmiddag stromen ze de Bossche binnenstad in, op weg naar de Sint Jan. Duizenden jongeren reiken elkaar de hand en zingen: “Geef mij je hand / geef mij ze allebei…”. In het gewoel moet Johan loslaten, maar Anne rekt zich uit en steekt hem haar hand toe. Zonder te aarzelen strekt ook hij zich en grijpt haar hand. Toen hij de maandag daarop op school was aangekomen, had hij zich een ander mens gevoeld. Toch droeg hij dezelfde kleren als vorige week. Alleen het bruine sjaaltje was anders. Hij had het thuis tussen zijn vaders kleren uitgerist, toen hij donderdag naar de voettocht vertrok. Drie dagen lang is hij het blijven dragen en nu trotseert hij de blik van pater-prefect. Jazeker, hij draagt een sjaaltje, hij overtreedt de kledingvoorschriften binnen de school, maar wat zou het? Hij is zeventien jaar en the times, they are a‘changing.   Aquarium, 1978 Na het Nieuwe Meer rijdt de metro op de oude spoordijk, dwars door Nieuw West. Links ziet hij het flatgebouw waar Sacha en hij woonden toen ze Mickey kregen. Nu naar rechts kijken, het vroegere VVA-terrein is volgebouwd, maar daarachter gloeit – groen als altijd – het Aquarium. “Hoe kun je daar gaan werken? “ vragen zijn vrienden. “Je laat je inkapselen.” Misschien zijn zij geen vrienden meer, denkt hij. Hij heeft ervan genoten met hen actie te voeren. In de demonstraties schreeuwde hij als een Amsterdamse schillenboer, verdwaald tussen deze jongens en meisjes uit de betere standen. Er liepen er trouwens genoeg tussen die uit het gewone volk kwamen. Misschien hoorde hij daar ook bij. Aan het einde van de actiedag troffen ze elkaar bij Tante Marie in de Westerstraat. Langzamerhand heeft hij genoeg gekregen van hun aanpak van de studie. Wat is het meer dan het telkens weer herlezen van Marx-citaten? Ook het zwoegen op zinnen van Duitse intellectuelen gaat hem tegenstaan.  “Zijn we nu iets wijzer geworden,” begint hij steeds vaker te vragen. “Misschien moeten we eens boeken lezen die we begrijpen.” In de werkgroep Psychoanalyse en Marxisme leest hij op een ochtend een zin van Lorenzer voor en daagt de anderen uit er chocola van te maken. “Zo komen we nergens,” zegt Tineke Zuiderhout. “Wil je dit soort interventies voortaan achterwege laten?” Johan wil haar aankijken, maar ze heeft zich al van hem afgedraaid, Stalin die Boecharin negeert op het partijcongres, een doodvonnis. Hij staat op, pakt het fraaie, koningsblauw Lorenzer-boekje van tafel en gooit het in de prullenmand. Een theatraal gebaar, maar wat kan hem gebeuren. Dit is Moskou niet, dit is Amsterdam. Later die maand heeft hij een idee voor zijn scriptie, met een voorstel gaat hij naar Marian, de doorgewinterde docente die verantwoordelijk is voor het vak Theoretische Opvoedkunde. Haar vriend is vorig jaar gestopt met zijn studie en in de fabriek gaan werken, bij Hoogovens. “Nee,” zegt zij, “dit ga ik niet begeleiden. Misschien kun je bij de buren terecht.” Een kamer verder op de gang zitten Piet en Hugo, de docenten Historische Opvoedkunde, op het instituut bekend als de twee rechtse klootzakken. Aan Piet zie je dit gemakkelijk af, hij draagt een colbertje en daaronder een gestreken overhemd, maar Hugo is minder gemakkelijk te categoriseren. Hij draagt zijn haren lang, zijn snor is flink en hij kleedt zich in een corduroy werkmansjasje. Ze geven Johan een flinke boekenlijst mee, titels die hij niet eerder heeft gelezen. Een ervan verbaast hem, “Politics and the English Language” van George Orwell, wat heeft die tekst met Pedagogiek te maken? “Niets,” zegt Piet, “maar je moet ook goed leren schrijven. En trouwens, om behoorlijk te denken heb je hier ook wat aan.” De schrijfregels van Orwell hangen boven zijn bureau als hij later zijn scriptie schrijft. Voor het eerst is hij trots op zijn eigen werk. Hij heeft geen gedachten van anderen verwoord, hij heeft niet meer opgeschreven dan wat hij zelf denkt en begrijpt. De regels geven hem zelfvertrouwen, ook als hij later in het aquarium werkt, bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waar de werkloosheidswet en de andere sociale verzekeringswetten worden uitgevoerd. “Dat is de gevestigde orde bij uitstek,” zeggen zijn vrienden. “Je dwaalt wel heel ver af.”   Maak je geen zorgen, 1987 “Waar blijft Johan?” Vanaf de gang hoort hij de vraag van Brakel, neuroot dat hij is. Nou, hier is hij toch? En op tijd ook, ondanks de trein en de bus, en op het laatst werkte ook de lift niet mee door te stoppen op de achtste verdieping. Van daar af heeft hij zich op eigen kracht omhoog moeten werken, naar de hoogste verdieping van het aquarium. Nog nahijgend gooit hij de deur open: “Tadaà!” Alle gezichten keren zich naar hem. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar hoe graag lopen ze in het gareel. Nadat Brakel van de week het overleg met het ministerie had aangekondigd, heeft hij ze de een na de ander bij hem zien binnenstappen. Allemaal een wit voetje halen, de baas helpen die het zo moeilijk zegt te hebben met dat overleg. Verlaan ging als eerste. Hij dacht onopvallend weg te sluipen van zijn bureau, maar zijn luide ademhaling verraadde hem. Bovendien struikelde hij over de slippers die hij op kantoor altijd draagt. Een ideetje, zal hij tegen Brakel gezegd hebben, een ideetje voor het overleg met het ministerie. De anderen maken zich er nijdig om, omdat Verlaan zijn ideetjes nooit van zichzelf heeft, hij gaat altijd met andermans denkwerk aan de haal. Johan kan het niets schelen. “Hij kan nu eenmaal beter verkopen dan wij,” zegt hij, “dat is ook een kwaliteit.” Later zag hij ook Van Tuyll en Van den Hoop bij Brakel op de kamer, ongetwijfeld met een ingewikkeld verhaal over wetswijzigingen en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof Brakel daarmee kan aankomen bij het ministerie. Zelf heeft hij Brakel niet opgezocht, hij heeft zelfs de boot afgehouden, toen deze hem op de gang polste. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Hem bijpraten, hij hoorde het zichzelf zeggen en wist hoe nijdig Brakel daarom zou zijn. Wie is hier de baas, zou Brakel denken? Maar moet hij rekening houden met Brakels hang-ups? Hij verdomt het. Daarom komt hij nu, op de dag van het overleg, ook niet eerder dan negen uur binnenstappen. Dat zijn collega’s zich eerder hebben gemeld en dat zij zich stuk voor stuk in het pak hebben gestoken, zichtbaar klaar om als assistent van Brakel mee te gaan naar het overleg, het laat hem koud. Ze wachten toch op hem. Gelukkig voor hen is het helder weer vandaag, ze hebben kunnen genieten van het uitzicht over de Westelijke Tuinsteden en de rookpluimen van de Hoogovens in de verte. Arno Legwaard zit er ook, ongetwijfeld tot ergernis van Brakel die hem toch zelf aan heeft genomen. In het werk is hij een kruk gebleken en hij voelt dat zelf ook wel aan. Hij probeert zijn gezicht te redden met verhalen over vroeger. Hoe hij vooraan heeft gestaan, in 1966, bij de happenings van Provo op het Spui. Praten kan hij, maar er zit geen lijn in, hij is een kip zonder kop, en zo doet hij ook zijn werk. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt. Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruit schuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder. Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, het is voldoende om de aandacht te trekken. Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten. “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. “Interessant,” zegt Verlaan dan toch, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij keert zich naar Brakel: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.” Brakel knikt, misschien is hij teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn? Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Een of twee van ons moeten erheen, zich slagvaardig opstellen, met een alternatief komen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. “ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”   Het overwicht van het grote, 1994 Als hij de muntjes werpt en de daardoor voorgeschreven lijnen tekent, ziet hij Ta Kwo ontstaan, vier sterke lijnen in het midden, twee zwakke lijnen aan de buitenkant. De figuur geeft het antwoord op de enige vraag die er voor hem toe doet: “Wat is er met mij aan de hand?” Hoe kan het dat hij zich zomaar ziek heeft gemeld, vanochtend, de eerste werkdag van het nieuwe jaar? Hij mankeert toch niets? En toch heeft hij niet getwijfeld, hij moest zich ziek melden. Ta Kwo betekent het overwicht van het grote, leest hij in De Kleine I Tjing, het boekje dat hij vanmiddag heeft aangeschaft. Het is een toestand die niet kan voortduren. “Daarvoor is het overwicht van het grote te excessief. De dragende balken kunnen de belasting niet aan. De edele moet zich uit de voeten maken. Het is bevorderlijk een plaats te hebben waar men heen kan gaan.”  Even heeft hij moeite met de tekst, dan dringt tot hem door dat hij de edele in het verhaal is. “De edele treft geen blaam,” leest hij, hij doet er verstandig aan afstand te doen van de wereld en hoeft zich daarvoor niet te schamen. Ze zullen gedacht hebben aan een griepaanval. Of een kater van een stevig gevierde jaarwisseling, misschien aan een heftige maandagochtendblues die hem de zin in de treinreis ontnam. Ze zullen hem morgen, of uiterlijk woensdag weer op het werk verwachten. “Je bent echt goed bezig, man,” heeft Dorien hem tijdens de kerstborrel nog toegevoegd. Om hen heen werd gepraat, geflirt, een enkeling wilde een dansje wagen. De stemming was ontspannen. “Dat heb jij voor elkaar gekregen, moet je ze eens zien,” had zij gezegd. Iedereen zal verwachten dat hij zijn goede werken voortzet, de ontspoorde afdeling weer in het gareel brengt, het werkplezier blijvend terugbrengt bij de medewerkers. “Maar de rotte appels moeten eruit, Johan, “ heeft Dorien gezegd, “geen halve maatregelen.” Hij begrijpt het wel. Was het een ander die deed wat hij heeft gedaan, dan zou hij ook vinden dat hij goed bezig is. Eindelijk een man die niet terugdeinst, iemand die door durft te pakken. Na zijn telefoontje vanochtend is hij naar buiten gegaan. Hij voelt geen schaamte over zijn ziekmelding, geen drang om zich binnen verborgen te houden. Mensen fietsen op weg naar hun werk, vuilnisauto’s rijden door de binnenstad om de troep van de oud- en nieuwviering op te ruimen. Winkels houden hun rolluiken omlaag of hun deuren gesloten. De lucht is blauw, de meeuwen en kraaien volgen de vuilnismannen, een vlucht ganzen trekt over. In de etalage bij Kühne valt hem een rood boekje op, de titel kan hij net lezen. Omdat de winkel nog gesloten is , gaat hij weer naar huis. Misschien is hij juist niet de man die door durft te pakken. Voor het eerst in zijn loopbaan is hij een half jaar geleden uit zijn vaste rol gestapt, de acteur die zijn eigen momenten koos om te schitteren, de wijsneus die altijd zo scherp uit de hoek kwam om er daarna weer gauw in terug te keren. Hij heeft begrepen hoe hij zijn nieuwe baan aan moest pakken, hij is blijven denken als adviseur, maar heeft gehandeld als de manager die hij nu is. Die rationele benadering heeft het hem mogelijk gemaakt te blijven zien waar hij mee bezig is. Het enige waar hij geen rekening mee heeft gehouden, is de kou die hem ’s nachts in bed overvalt. Denkt hij aan de tranen van Charlotte, die hij ’s middags de wacht heeft aangezet? Ligt hij wakker om de angst van Dick die zegt dat hij zonder zijn baan zijn hypotheek niet kan betalen? “Ik zet jullie niet zomaar op straat,” heeft hij gezegd, “ jullie krijgen een goed traject aangeboden. Grijp je kans, zou ik zeggen.” Het klopt als een bus, en toch loopt hij steeds vaker naar de lege zolderkamers van zijn dochters om de dekbedden te halen die hij op zijn eigen bed opstapelt om er daarna onder te kruipen. Iets moet hem verwarmen.  Nu geeft De Kleine I Tjing dit antwoord op zijn vraag. Het overwicht van het grote. Komt daar die kou vandaan, in de nacht? De pijn in zijn schouders? Is het de overmacht van het grote, en wat is dat grote dan? Hij beseft dat het nu geen tijd voor analyse is. De edele dient zich uit de voeten te maken, staat er, hij moet zichzelf veilig stellen. Hij pakt de telefoon en belt Dorien. “Ik blijf voorlopig ziek,” zegt hij, “ik denk dat ik niet terug wil naar mijn functie. We moeten praten.”   Theatercafé, 1997 “Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Uit een van haar verhalen kent hij haar eigen leeftijd, ze schelen bijna achttien jaar. Veel te jong is zij, nou vooruit, dan kan hij haar gerust vertellen dat hij al 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”

Jan Loogman
0 0
Tip

Il bimbo d’Oro

  Oostakker. Godvergeten gat tussen haven en Gent. Twee hoeren werden zwanger zagen de vlucht over het kanaal niet meer zitten, bleven plakken aan de oever en Oostakker werd gebeuren. Onheuse figuren, het geluid van kloppende heipalen die de grond inboren als de pik van een dronken lor die in eender welk gat verdwijnt desnoods dat van zijn eigen zus. Alles stinkt naar gist van de gistfabriek en papier van de papierfabriek, een murwe geur die door alles heen dringt. “Oostakker is een tijdbom”, wordt gefluisterd, “’s nachts passeren hier treinen uit het Ruhrgebied met vuiligheid, als daar ooit een ongeluk mee gebeurt is ’t hier gedaan”. Midden jaren negentig viel er voor een puber weinig te beleven in dit rovershol. De bende van de Spin terroriseerde de twee parkjes die er waren zodat iedereen daar wegbleef en zij in alle rust een drugsdeal konden sluiten. In het blikje cola van de zoon van De Witte werd olie gegoten zodat zijn slokdarm wegbrandde, dit als een vergelding omdat hij met de politie had gebabbeld. Voor de rest was iedereen Johnny en nam xtc, ging in het weekend naar dancings ‘The Cherry moon’ of ‘The Boccaccio’ en reed op camino’s, op het voetpad. Niets was er, behalve ‘worst case scenario’ de prachtige debuutplaat van dEUS. ‘Right as rain’ mag de soundtrack van mijn jeugd worden genoemd. De gitaar van Barman die klinkt als een wegrijdende goederentrein. De einder vervulde zich met dromen, waar wij niet konden komen, simpelweg omdat er hier geen andere trein stopte dan die naar het Ruhrgebied. dEUS dus en twee keer per jaar een kermiskoers voor professionele coureurs. Ook dat bood troost. De kermiskoersen gingen gepaard met –uiteraard- kermis in het dorp. Ik was te oud voor de molentjes en het viskraam. Doch dat kon de pret niet drukken. De woensdag voor de kermis was er koers. Mijn grootvader, mijn vader en ik stonden aan de oprit van ons huis reikhalzend uit te kijken naar de wielrenners die ongeveer vijftien keer zouden passeren. Ieder jaar was er een pleyade aan renners te bewonderen en als het even meezat gingen we op handtekeningenjacht. Ik herinner me de handtekening van Jelle Nijdam en Sean Kelly. Ik bewaarde ze in een schriftje. Mijn grootvader had verstand van de koers en kon voorspellen wie er zou winnen, mijn grootvader had het bijna altijd mis. Waarom al die renners net naar Oostakker afzakten is mij tot op heden een raadsel. Oostakker heeft bergen noch kasseien. Wel twee bruggen (de lourdesbrug en de brug naar Gent) en een wegel (de mostwegel) maar daar kan je bezwaarlijk een moeilijk parcours van maken. In 1994 was er in maart de eerste koers van het jaar. Het regende licht (maartse buien, aprilse grillen, u kent dat, de winter is nog niet goed en wel over of hij laat weten bij monde van een kille wind dat hij nog wel eens terugkomt). Mijn grootvader was toch met zijn fiets (een oude oma’s fiets) tot bij ons gereden. Mijn vader had het deelnemersblad bij. The usual suspects reden mee. Toen kwamen we bij de lotto ploeg en hoorde ik voor het eerst zijn naam: Vandenbroucke. Blijkbaar was hij een groot talent. Iedereen die toen de koers volgde wist dat hij vroeg of laat zou ontploffen en de ene klassieker na de andere winnen. Hij kon immers alles aan. Van Milaan-San Remo tot Luik Bastenaken Luik, hij kon het allemaal zo luidde de prognose van de kenners waaronder mijn opa. En die VDB zou vandaag starten hier in Oostakker. “Een paar rondjes natuurlijk en hij geeft op”, ik hoor het mijn pa nog zo zeggen. Vlak voor de koers reden de coureurs zich een beetje los op het parcours. Hij passeerde, een kuif en een zonnebril, dat herinner ik mij van die eerste ontmoeting. “Een paar rondjes en hij geeft op”. De waarheid was lichtjes anders. Voorafgaand had zijn nonkel en ploegleider Jean Luc geëist dat Frank die dag in functie van de ploeg in Oostakker zou starten. VDB zelf had blijkbaar weinig zin, het was een gure dag en hij geloofde meer in een doorgedreven training in de Moeren of in de Vlaamse Ardennen. Maar Jean Luc was onwrikbaar, hij moest en zou starten, hij was een neoprof en moest niet te hoog van de toren blazen. Hij moest koersen en leren en zo een koers was ideaal. Maar VDB was niet overtuigd. In weerwil van zichzelf werd hij opgehaald door zijn nonkel. In de auto was het ijzig stil. Althans dat stel ik mij zo voor. VDB zat zichzelf op te naaien. Het werd steeds gekker in zijn kop. Moest hij naar dat stomme Oostakker, daar word je toch helemaal geen prof voor. Welke eer valt daar te halen, de bloemenmeisjes zijn daar vervangen door dronken krantenboeren. VDB kleedde zich om in de garage van iemand uit de buurt. Dat was toen zoals het ging, renners belden aan een willekeurige deur aan en vroegen of ze een teil water mochten gebruiken en zich in de garage omkleden. Hij verkende het parcours. Fietste met tegenzin naar de start. En knal: hij startte. Het was koud, wij stonden te kijken, mijn opa stond te vezelen mijn vader stond te roken ik was aan het dromen van een eigen wielercarrière mijn moeder deed de was en mijn zus luisterde op haar kamer naar the spice girls. In de eerste ronde reed één renner voor een jagend peloton uit: VDB. Het waaide. In de tweede ronde had hij al een halve minuut voorsprong. Mijn opa paste snel zijn tiercé aan. In de derde ronde reed hij het peloton op een minuut. Ik zag een god die neergedaald was op aarde, hier in Oostakker, uitgerekend hier, zo vlak bij Lourdes waar een replica van de echte grot van Lourdes de pretentie heeft een bedevaartsoord te zijn! In de vierde ronde was er van een peloton geen sprake meer. Eigenlijk had de koers toen geneutraliseerd moeten worden want hij had te veel voorsprong op de rest. Maar niemand durfde dat te doen. Ik denk dat hij won met vijf minuten voorsprong. Hij was zo kwaad dat hij alles en iedereen op een hoop fietste. Hij kwam zijn bloemen niet halen en zat na de koers boos te mokken in de auto. Laat u niets anders wijsmaken: de eerste professionele zege van Vandenbroucke was in Oostakker. Toen werd het later en alles werd anders. Datzelfde jaar ’94 stierf mijn grootvader een paar dagen na zijn verjaardag en op de start van de wereldkampioenschappen voetbal in Amerika. Ik bleef over met mijn pa. Ik kreeg een koersfiets en fietste bij de nieuwelingen. Niet goed, maar toch met goesting. VDB’s carrière nam een vliegende start. Hij won meer en meer, maar er kwamen roddels en er was misérie met vrouwen met doping met contracten. Het werd ook toen steeds gekker in zijn kop. Uiteindelijk stierf hij. Alleen, in Senegal. Ik werd geen coureur, er was zelfs een tijd dat ik amper een paar kilometer achter elkaar kon fietsen zonder krampen. Ik bleef geloven in een come back, niet alleen van mezelf maar ook van VDB. Zelfs nu hoop ik nog op een wederopstanding. Want met een vingerknip denk ik terug aan dat magische jaar: dEUS op de radio en god op de fiets.

Thomas De Mulder
86 1