Lezen

Werken met klei

Mijn moeder zei “kyrie eleison”, en ze sprak het onhandig uit. Het waren haar laatste woorden, want ze wilde ze niet verbeteren. De halfvolle injectiespuit met gele vloeistof overweldigde haar enkele seconden later. Haar mond zakte open terwijl ik nog naar de naald in haar arm keek. Het slaapmiddel had haar waarschijnlijk onmiddellijk gedood, nog voor de tweede definitieve injectie zijn werk had kunnen doen, zei de arts na afloop.   Dat onhandige kyrie eleison, dat leek op het gemompel van een dronkaard, was een verrassing. Onze moeder had mijn zus en ik, beiden aan een kant van het bed een hand vasthoudend, ondergedompeld in woede over haar streng gereformeerde opvoeding. Vandaar misschien dat die woorden zo slecht gearticuleerd waren, want ze had ze sinds haar jeugd niet meer uitgesproken, en misschien wel helemaal nooit. Met dat kyrie eleison wilde ze iemand, op aarde of hierboven, nog iets vertellen. Het was een eigen toneelstuk, en ze voerde dat uit voor mijn zus, mij en de arts als publiek zodat haar sterven betekenis zou krijgen. De wereld moest weten dat ze weer geloofde en dat ze nu naar God ging. Vlak voor haar dood verdampte haar atheïsme.   Als vijfjarige overwoog ik de mogelijkheid dat mijn moeder een heks was. Ik had bij haar gestaan toen ze op handen en voeten de keukenvloer boende en woedend was. “Bah, ik moet dit allemaal doen. Ik heb er schoon genoeg van!” dat soort kreten slakend zwoegde ze voort met een emmer sop naast zich. Ik dacht dat ze tegen mij uitvoer. Eerder had ik in een wachtkamer mijn moeder gevraagd of ‘die mevrouw met die grote neus’ een heks was. Mijn moeder schaamde zich, maar diste dit later weer vrolijk op. Want die vrouw was wel erg lelijk geweest. Als ze iets inferieurs aan een andere vrouw ontdekte, gaf dat reden tot giechelig vermaak. Na de boze schrobscène zocht ik naar tekens die haar zouden verraden. Maar behalve haar flinke neus vond ik geen bewijs. Een jaar of wat later volgde de hypothese dat mijn ouders inbrekers waren. Ze deden alsof ze van me hielden, maar in werkelijkheid waren ze gemeen en gingen ze als ik sliep met snode plannen op pad. Deze spookgedachtes waren de concretisering van een verborgen werkelijkheid die ik niet begreep maar wel vermoedde. Mijn moeder had geen liefde gekend en kon die niet geven. Het enige moment dat ze genegenheid bij haar vader merkte was na een bombardement. Vlak voor de bevrijding lieten Engelse vliegtuigen per vergissing kettingbommen los boven Den Haag die voor de V2 lanceerinstallaties naast de stad waren bedoeld, wat vijfhonderd doden veroorzaakte. Mijn moeder lag op zolder in bed. Een serie ontploffingen ontzette de voorgevel. Op straat klonk gegil en in de kamer hing een wolk van verpulverde kalk. Ze bleef liggen, verlamd van schrik. Na verloop van tijd verscheen uit de witte wolk haar vader. Beverig vroeg hij: “Jenny, leef je nog?” Zijn bezorgdheid bewees dat hij om haar gaf, concludeerde ze. Meer interesse had hij nooit voor haar getoond. In plaats van liefde, heerste in het gezin de angst voor het kwaad. Bioscoop en theater waren ‘van de duivel’, bedoeld om zondige mensen te vermaken. Tijdens de hongerwinter, toen men aan tafel zat, en vader, na gebed en Bijbellezing bij het armzalige voedsel verkondigde dat het gezin ondanks alles ‘het goed had’, stond zus Jopie op. “We zijn verdoemd, we gaan allemaal naar de duivel!,” schreeuwde ze. Daarop sleurde ze het tafelkleed van tafel, zodat borden, bestek en soepterrine op de vloer kletterden. Ze werd met de diagnose godsdienstwaanzin opgenomen in een inrichting. Eerder was een van haar broers opgepakt als communist en afgevoerd naar een concentratiekamp. Hij liep er TBC op, overleefde het kamp, maar stierf enkele jaren na de oorlog omdat de ziekte in zijn botten was gedrongen. Als kind kreeg ik meer dan eens het verhaal te horen dat deze broer in de dakgoot van een barak een beschimmelde kaaskorst had ontdekt, op het dak was geklommen, en die korst had opgegeten. Mijn moeders leven stond in het teken van de oorlog, die zich tijdens haar puberjaren had afgespeeld en als een zware klok in haar nagalmde. Haar verhalen vertelde ze voor het slapengaan, mogelijk omdat ze dat nodig vond voor mijn opvoeding. Als negenjarige verbeterde ik de meester toen hij vertelde dat Hitler een huisschilder was geweest. Ik koesterde de boosheid op de Duitsers; hoe ze met hun lompe laarzen door de straten hadden gestampt, wat ze de Joden hadden aangedaan, dat mijn moeder tulpenbollen had gegeten, een bombardement had meegemaakt en concentratiekampslachtoffers in hun gestreepte kleren had gezien. Ik ontdekte in onze boekenkast de bezettingsreeks van professor Lou de Jong, en las die alsof het een spannend kinderboek was. Jaarlijks keken we naar de dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte, waar we als kinderen nadrukkelijk bij werden betrokken. De enorme klok met het grote rad slingerde in de duinen onder een grijze hemel. De camera toonde een eenzaam kruis. Er klonk een rafelig trompetje. Mijn moeder hield een zakdoek gereed. De sfeer in huis was even kil als het winderige duinlandschap met het kale klokgelui, waar de motregen op de helmen van de in overalls gehulde mannen van de erewacht tikte. Eenzelfde loden stemming koesterden we bij de jaarwisseling. Op verzoek van mijn moeder las mijn vader, die ouderling was in de hervormde kerk, voor uit de Psalmen. Hij vermeldde nadrukkelijk dat dit gebeurde naar moeders wens, omdat haar vader dit ook tijdens de oorlog had gedaan. Terwijl Nederland feestte, reisde ons gezin terug in de tijd en kreeg ik het te kwaad omdat mijn vader, die mooi kon voorlezen, het woord ‘goedertierenheid’ zo doordesemd van diep gevoel uitsprak. “Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van waarheid en goedertierenheid,” las mijn vader met de tremulerende stem van een toneelacteur, terwijl buiten de eerste kanonslagen knalden. Ik vocht tegen de tranen, die gepast leken in deze situatie. Daarna schakelde hij de radio in en klonk om twaalf uur het plechtige Wilhelmus, een oudejaarsgewoonte die uit mijn vaders familie stamde. We toostten met de inmiddels afgekoelde bisschopswijn, maar van een vrolijk vooruitzicht op een nieuw begin was geen sprake. Het zakdoekje van mijn moeder was niet ongebruikt gebleven. Toen twee Duitse collega’s van mijn vader bij ons kwamen eten, begreep ik niet waarom mijn ouders zo vriendelijk tegen ze waren. Ze zagen er tamelijk onschuldig uit met hun bakkebaarden, felle overhemden en brede jaren zeventig stropdassen. Mijn moeder serveerde nasi uit een Conimex pakje. De volgende dag vroeg ik of die Duitsers zich wel geëxcuseerd hadden voor ‘de oorlog’. Het antwoord, dat dat al zo lang geleden was dat déze mensen er niks aan konden doen, bevredigde me niet, want ik kende mijn moeder niet anders dan dat ze over Duitsers als ‘die rotmoffen’ sprak. Ze was me toen al aan het leren het slachtofferschap in praktijk te brengen. Eerder had ze een schoolgenoot uit een hogere klas ontboden om me met lezen te helpen. Het was een blonde dikzak, Harm-Jan genaamd, een typisch exemplaar van wat de Engelsen een bully noemen. Hij was mij niet al te best gezind, wat mijn moeder niet wist. Harm-Jan nam een boek mee over ridder Floris en probeerde me de onderschriften bij de foto’s te laten lezen. Vervolgens speelden we in de achtertuin riddertje, en raakten we werkelijk slaags. We vochten op het gras voor de ogen van mijn moeder en haar nieuwe hulpmeisje, die achter het raam thee dronken. Het overgewicht van mijn tegenstander hielp hem aan de overwinning. Die werd gevierd door zittend bovenop de overwonnene te juichen en kreten te slaken. Na dit ritueel vertrok hij via het laantje achterom en ik voegde me vernederd en hijgend bij de vrouwen. Ik rekende op medeleven, maar werd opgewacht met de mededeling dat vechten niet aardig was voor Harm-Jan. De aanwezigheid van haar ‘hulp in de huishouding’ zoals mijn moeder haar meisjes altijd noemde, maakte het er niet beter op. Wat moest dat meisje van haar zoon denken? Die schoolmeisjes rekruteerde ze om een middag per week te helpen. Het huishoudelijk werk dat een gezin met twee kinderen opleverde was voor haar een nauwelijks te dragen last. Ze liet dat blijken als ze zuchtend de aardappelen en sperziebonen opdiende. Als slachtoffer was je moreel gezien de winnende partij, zonder iets ervoor te hoeven doen. Na de verloren vechtpartij met Harm-Jan hoorde ik andere jongens als de verstandigste de linkerwang toe te keren. Ik was de grootste van de klas, zodat ik aanvallende jongetjes van me af kon slingeren. Ook mijn beste vriendje Lodewijk hield ik met die techniek op afstand. We woonden in dezelfde straat en liepen altijd samen naar school. Na schooltijd vloog Lodewijk me soms aan. Hij was klein en had een ‘roffeltechniek’, waarbij hij zijn vuisten als een ongerichte mitrailleur gebruikte. Op een keer smeet ik hem zo hard op een geteerde stoep met ingezaaid grind, dat hij met vertrokken gezicht en schaafwonden op handen en gezicht huilend bleef liggen. Ik liep naar huis met een triomfantelijk gevoel van moreel gelijk. Mijn moeder zag wat er was gebeurd omdat ik bij het Lodewijk-slingeren mijn jas had gescheurd. Nu was haar dus ook onrecht aangedaan, wat ze niet zomaar liet passeren. Ze belde het huis van Lodewijk en sommeerde hem de scheur te komen herstellen. Vroeg in de jaren zeventig was ze bekeerd tot het feminisme, en jongens moesten ook leren naaien. Met dit educatieve element vermomde ze haar wraak. De schaamte verwarde me zo dat ik niet aanbood zelf die scheur te dichten, want ik begreep niet dat ik in opstand kon komen. Toen ik de kleine Lodewijk, met een verse schram op zijn gezicht, gedwee mijn jas zag naaien, voelde ik me een verrader. Mijn moeder had hem in de grote fauteuil gezet waar mijn vader doorgaans zat, waardoor hij nog kleiner leek. Ze keek achter de stoel bits toe of haar instructies goed werden uitgevoerd. Het resultaat was erbarmelijk, maar daar ging het niet om. Ze zal later wel opnieuw naald en draad ter hand hebben genomen. Met tegenzin, want ze had meer in haar mars dan het huisvrouwenbestaan, en ze was inmiddels secretaris van de ‘aksiegroep Man Vrouw Maatschappij’, afdeling Haarlem. Ook door ons huis woei de bevrijdende geest van de emancipatie. In bed luisterde ik maandelijks naar het gezoem van vrouwenstemmen. Na zo’n vergadering hing in de woonkamer een waas van vrouwengeur en sigaretten, en er stonden leeggedronken wijnglazen. In de keuken sloeg ik de bodempjes achterover. Ik lette een keer niet op en kreeg het aftreksel binnen van as met een sigarettenpeuk. De volgende dag typte mijn moeder woest ratelend notulen met carbondoorslagen, die ze ondertekende met haar meisjesnaam. Ze bevatten zinnen als: “Joke stelt dat persoonlijke bewustwording onderdeel moet zijn van het lesprogramma op de lagere scholen. Dit kan via ouderparticipatie bereikt worden. Els merkt op dat we eerst de psychologische mechanismen van de onderdrukking moeten leren kennen.” Ongeveer tegelijk met haar feministische bekering veranderde ze haar kapsel, van krullend watergolf permanent naar strakke knot. Haar mondhoeken trokken verder omlaag, de verticale rimpel boven haar neus verdiepte. Het duurde niet lang of ze verscheen op school. Ze had werk gemaakt van de ouderparticipatie en zich een rol toegemeten als bibliothecaresse. Plotseling riep dan een klasgenoot ‘Vincent, je moeder!’ en ontstond hilariteit. Achter de gangruitjes beende ze voorbij, het hoofd met wapperend hoofddoekje opgeheven alsof ze iets verdachts rook. In mijn geheugen staat als een soort paaltje in een snelstromende rivier één gebeurtenis overeind. Onbeduidend en ver weg, maar onveranderlijk; onze visite aan een bejaarde halfbroer van mijn moeder in Stadskanaal. Het was een hete zomerdag. Het bruine kunstleer van onze Simca 1100 brandde na het instappen tegen mijn blote benen. Mijn ouders voorzagen me van een stapel Donald Ducks, en lezend vergat ik dat we ergens naartoe gingen. Ter hoogte van Meppel draaide de auto de snelweg af een klaverblad op. Ik keek op uit een avontuur van Donald, oom Dagobert, Kwik, Kwek en Kwak, en werd misselijk. Mijn moeder zwengelde haar raam open. De bocht duwde me tegen de kunstleren bekleding, de lauwe flakkerende wind blies in mijn gezicht. Op een nieuwe snelweg kwam de auto plotseling weer recht en verhevigde de misselijkheid. Uit mijn moeders handtas kwam de fles 4711 Eau de Cologne. Het interieur vulde zich met een bitterzoet zweem. Ik drukte de koude zakdoek met verdampend reukwater tegen mijn bovenlip. De misselijkheid bleef, werd zelfs versterkt door het 19e-eeuwse mengsel van sinaasappel en grapefruitoliën. In Stadskanaal schroeide de zon de verlaten straten. De schaduwen waren kort en scherp, de helle stoepen smeten de hitte terug tegen de huizen met hun potdichte deuren. Ik stapte uit met slappe benen. In de deur van een rijtjeswoning wachtte een bejaard echtpaar. Ik volgde mijn ouders naar binnen. Direct over de drempel braakte ik. Op de sisal vloerbedekking produceerde ik een roodbruin plakkaat ter grootte van een 45-toeren singeltje. Die dag was ik voor het eerst eenzaam. Voor het eerst ervoer ik datgene dat je met het woord ‘desolaat’ aanduidt.   Hoewel de spanning tussen mijn ouders opliep als opgestuwd door de glazen schijven van de elektriseermachine in het Teylers museum, maakten ze nooit ruzie. Het oplopende voltage bleef in de bak met Leidse flessen opgeslagen. Het gevolg was een eindeloze stilte voor de storm. Uit de houding van mijn moeder sprak verwijt, terwijl onduidelijk bleef wát ze mijn vader precies aanwreef. Ze was het tiende en laatste kind uit een arm gezin van een melkboer, en was als in een nest honden de onbelangrijkste geweest, de underdog. Mijn vader groeide op in een gezin van bourgeoise kolonialen. Tijdens de crisisjaren werd hij opgevoed door Duitse kindermeisjes, in de grootste villa van Laren. Hun verleden, dat van heer en meid, zette zich in hun huwelijk voort. Aan tafel vroeg mijn moeder soms: “Mag ik vijfhonderd gulden opnemen?” Het was de enige wens die ze te berde bracht. Het mocht altijd, want financieel ging alles voor de wind. Waarom ik steeds sneller van tafel wilde, begreep ik niet. Ik zat half naar de kamerdeur gedraaid, en zei niets, hopend op spoedige opheffing. Ook mijn moeder zweeg mokkend, nadat ze stuurs het eten had opgediend. Mijn vader, in geruit colbert en stropdas, zei zoetsappig dat het lekker was. “Het is weer heerlijk, moes. Ik neem nog wat appelepoes.” Eerder nog kwam hij tijdens het lunchuur thuis, zoals men in de jaren zestig gewoonlijk deed. De radio stond vaak aan. Een opgewonden man met afgeknepen stem riep door een telefoon: “Hier Tel Aviv.” Ik dacht dat hij de telefoon van Aviv bedoelde. Het drong tot me door dat er iets belangrijks in Aviv gebeurde. Ik begreep niks van de gesprekken van mijn ouders. Ik zag hun monden bewegen maar vatte de woorden niet. Toen spraken ze nog met elkaar. Later luisterden we naar mijn zus. De gezamenlijke lunch was verleden tijd en mijn zus nam tijdens het avondmaal de functie over van radio. Ze kakelde aan een stuk alsof ze dysenterie had. Nog veel later vertrouwde ze me toe dit uit wanhoop te hebben gedaan, omdat de spanning haar te veel werd en ze het gevoel had dat mijn ouders elkaar iets zouden aandoen. Dat gevoel was niet geheel onterecht. Tijdens een vakantie in Frankrijk huilde mijn moeder geluidloos in haar zakdoekje en scheurde mijn vader met zo’n geweld omlaag door de haarspeldbochten dat ik zeker wist dat we in het decimeters van mijn zitplaats verwijderde ravijn zouden verongelukken. Ik had geen idee wat er tussen hen was voorgevallen Onaangekondigd sloeg de bliksem over. Tijdens een beklemmende maaltijd maakte mijn vader een schijnbaar onschuldige opmerking. Mijn moeder vloog overeind, smeet haar bestek kletterend neer en zei: “Ik laat me door jou niet intimideren!” Ze siste het als een blazende kat, en de opgebrachte zelfbeheersing maakte die woorden juist extra giftig. Mijn zus en ik vlogen huilend naar onze kamers. Voor het eerst duidelijk aanwijsbaar was er iets ergs gebeurd, de onderhuidse etter was doorgebroken, en de schaamte daarover besmette ons gezin als een smerige olievlek. Hier diende nooit meer over gesproken te worden. Mijn moeders afkeer van dominante mannen, hetgeen ze ook mijn vader verweet, gold vrijwel iedere man. Vanuit haar africhting als underdog waren normale mannen, die wisten wat ze wilden, verdacht. Haar voorkeur gold het neurasthene Wertherachtige kunstenaarstype, een man die ‘ook niet wist wat hij met het leven aanmoest.’ Acteurs waren favoriet, vooral toneelacteurs, waarbij ze de juist geziene rol verwarde met de persoon. “Zo’n leuke, gevoelige man.” Las ze ergens dat een acteur depressief was, dan kreeg dat haar bijzondere aandacht. Ze vond dat ik als 11-jarige toe was aan ernstig theater. Op de rand van het lijsttoneel brulden acteurs in toga’s hun verheven Oedipusregels. Hun speeksel spatte glinsterend in het voetlicht. Na afloop wurmden we ons langs hippies die met gitaren opdringerig en luid de overdekte passage bij de schouwburg in bezit hadden genomen. Ik vond ze eng, en mijn ouders ook. Een van de vrouwen droeg een lammy coat en had een bloedrode mond die een merkwaardig effect op me uitoefende; iets in mijn binnenste rekte zich naar haar toe, als een mot naar een vlam. Tijdens een volgende Franse vakantie kregen we twee ‘nozems’ als buren. Ze verbleven in een groen uitgeslagen caravan die aan het eind van het veldje scheef gezakt in een poel stond van rottende modder. Bij tijd en wijle verschenen deze ‘opgeschoten knullen’, – mijn moeder had voor dit fenomeen verschillende uitdrukkingen beschikbaar -, in een Deux-chevaux die er nog erger aan toe was dan hun vakantieverblijf. Deze schepsels uit een duistere wereld, in spijkerpakken, hielden zich vervolgens onledig met uit een fles drinken en fluiten naar het zestienjarige meisje dat bij de tent van onze overburen hoorde. Als een kuikentje dat broodkruimels oppikt, schuifelde het meisje blootsvoets in haar hotpants, voetje voor voetje als gehypnotiseerd, bij ieder fluitsignaal dichter naar de bemoste caravan. Mijn moeder observeerde dit openlijke staaltje van succesvol baltsgedrag met minachting. “Bah, wat een opdringerige melkmuilen,” vond ze. Haar eigen zoon zou een nette jongen worden en zou zich nooit zo ongepast gedragen. Mannen maakten slachtoffers, vrouwen wàren het. Die angst voor een eventueel nozemschap omspoelde me vaker. “Hij is lang en hij is smal,” beet ze de verkoopster toe in het warenhuis, alsof deze niet haar eigen waarneming kon vertrouwen. Een jas met bontkraag werd afgewezen, omdat die breed was en een nozem van me maakte. De punk had inmiddels zijn intrede gedaan, wat haar ontging. Maar ik peinsde er niet over een speld door mijn wang te duwen en mijn haren in een hanenkam overeind te zetten. Ik had me al overgegeven. Ik nam de identiteit op die als een rode loper voor me was uitgelegd, die van krachteloze intellectueel. Ik werd een ‘gevoelige jongen’. Dat ik eigenlijk mijn moeder als een kleverige bromvlieg van me af wilde meppen, werd door zowel haar als mezelf niet begrepen. Het besef had in mij postgevat dat mijn opvoeding bedoeld was als aanloop naar een sprong die enorm moest zijn, en ook dat ik die sprong nooit zou kunnen maken. Ik zou steeds harder rennen, maar niet weten wanneer en hoe ik moest afzetten, tot de uitputting volgde en ik enkel kon terugkijken op die onzinnige aanloop die niets anders dan een valse start was geweest. Mijn leven was leeg; alles was bedoeld voor ‘later’. Ik was dermate afgericht in verstandig zijn, dat ik in de eerste klas van de middelbare school verdrietig werd. Mijn nieuwe klasgenoten waren ‘ordinair’. Ik leek te zijn ontwaakt in aan ander werelddeel. In de fietsenkelder had ik een klasgenoot, die alle trekken van het nozemtype vertoonde, – hij had lang haar en droeg onveranderlijk hetzelfde spijkerpak -, met een meisje zien zoenen. Een andere klasgenoot was verslaafd aan shag, wat hem het voorkomen bezorgde van een witte teringlijder, en ik was met mijn sjaal onder luid gelach door een paar hogere klassers aan een boompje vastgebonden. Mijn moeder nam me mee naar de schoolpsycholoog. Op haar gebruikelijk hoge toon vertelde ze wat er met mij aan de hand was. Voor een tweede sessie moest ik zelfstandig naar een apart kantoor. Ik nam plaats in de wachtkamer, tot een uur later een bezorgde assistente vroeg waar ik eigenlijk op wachtte. Mijn moeder vond het achteraf vreemd dat ik niet had geweten dat ik me bij de balie moest melden. Was dit een teken van Freudiaanse weerstand? Toen de psycholoog me alsnog ontving, meldde ik dat ik helemaal geen probleem had. Ik voelde me opgewekt en zelfs blij. Met bruine schapenogen en een weeë glimlach keek hij me onderzoekend aan. “Heeft het soms met je moeder te maken dat je de vorige keer je niet zo prettig voelde?,” vroeg hij zalverig half fluisterend. Het woord ‘prettig’ was typisch zo’n jaren zeventig woord, maar klopte, want ik voelde me die eerste keer allerminst prettig. Hij had het begrepen. Ik ontkende heftig. Dat ik een hekel had aan mijn moeder was te erg om te denken, laat staan uit te spreken.   Uiteindelijk kwam het allemaal goed. Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik het huis uit was. Mijn vader had een Duitse vriendin genomen en daarmee een openlijk conflict geforceerd, zodat ze zich eindelijk van elkaar konden bevrijden. Mijn moeder begon met schilderen en beeldjes maken. Er verschenen boekjes van uitgeverij De Cantecleer in haar huis met titels als ‘Werken met klei’ en ‘Werken met gouache’. Ze putte haar inspiratie uit lijden en ellende. Na haar dood erfde ik een door zijn hoeven gezakt stervend paard, waarvan de nek grotesk achterover is gedraaid. Op een tegel tekende ze een dood vogeltje dat met uitgespreide vleugeltjes en pootjes op zijn rug ligt. Hoewel ze het geloof had afgezworen, bleef haar bestaan beheerst door schuld en boete. In brons liet ze een langwerpig figuur van zo’n twintig centimeter gieten, dat plat voorover met de armen uitgespreid ligt als een biddende moslim. Het is een zelfportret. De eerst negentien jaar van haar leven was ze onderworpen geweest aan hel en verdoemenis. Pas onlangs begreep ik dat ikzelf haar eerste werkje was.

Vincent Baumgart
76 1

De hitte

Een koppel zat op een terras aan de dijk. Voor hen stromend water, achter hen verdord bos.  Hij beklaagde zich in stilte over haar gebrek aan fierheid, haar gebrek aan stijl, haar gebrek aan alles. Zij dacht aan de buurjongen die af en toe langskwam wanneer haar man voor de zoveelste keer moest overwerken.Ze keken naar het stromende water, nipten van hun cocktail waarin een plastic parasolletje vrolijkheid insinueerde. Ze zwegen. Hij stak een sigaret op. Zij vervloekte zijn vunzige gewoontes.'Wat?' Hij klonk nors.Zij, even nors: 'Wat "wat"'?'Ik zie je wel kijken hoor.''Goed voor jou.'Een plezierjacht vaarde voorbij. Dreunende technomuziek, half naakte jongeren, gejoel en gegil. Hij trok nog eens van zijn sigaret, starend naar de jeugdige billen. Zij vroeg zich af hoeveel van die afgetrainde lichamen nog op haar zouden vallen.'Nog iets drinken?''Waarom niet?'De ober nam hun bestelling op. 'Wenst u verder nog iets?'Ja, jou, dacht ze bij zichzelf.Ja, één van die wijven op de boot, dacht hij bij zichzelf.Hij trok nog eens van zijn sigaret en smeet die achter zich.'Meen je dat nu?' 'Wat meen ik nu?' Hij begon het op zijn heupen te krijgen.'Kun je dit vuile sigaret niet in de asbak doen?''Vuile sigaret?''Ja, vuile sigaret! Straks brandt de boel hier nog af.''De boel gaat niet afbranden, oké?''Ga die sigaret oprapen en doe die in de asbak.''Nee.''Waarom ben ik met jou getrouwd?''Goede vraag.'Het plezierjacht passeerde opnieuw, nu in de andere richting. Er werd flink gekust.Waar eindigt dat? vroeg ze zich af.Hij vroeg zich niets af.Plots ontstond er paniek. Vanuit het café kwamen er mensen aangestormd, er werd getelefoneerd.'Ruik jij dat ook?' Ze keek hem angstig aan.'Ja.''Verdomme, dat was jouw sigaret, onnozelaar! Kom, we maken dat we hier weg zijn, of ze komen het nog te weten.''Ik heb mijn sigaret daar gesmeten! Zie jij vuur?' Hij wees naar de plek waar hij zijn sigaret had gesmeten.'Doet er niet toe. We zijn weg.'Zwijgend fietsten ze naar huis. Hij vervloekte haar. Zij lachte diep vanbinnen. 's Anderendaags stond de politie aan hun deur. Hij werd meegenomen voor verhoor. De dag erna berichtte het journaal over een bosbrand die aangestoken was door een achteloos weggesmeten sigaret. En dat de verantwoordelijke gevat was. Een puber, die het bulletin zag, zuchtte van opluchting.

Michaël Verest
60 1

Wie is Mirthe?

Mirthe lag thuis in bed. Haar leven was niet echt opwindend te noemen. Tien jaar geleden is ze naar dit Vlaams boerendorp gekomen om weg te zijn van het platvloers achterland waar het leven bestond uit bidden en op de boerderij werken. Ze had geprobeerd rechten te studeren maar ze was niet verder gekomen dan een cursus Snit en Naad via een advertentie dat ze in een of ander vrouwenblad had gevonden. Zo maakte ze als geen ander dekbedjes voor nieuw geborenen, sierde ze het hele huis met kanten prularia en stopte ze de kousen voor het hele gezin. Dat was goedkoper, geen cent teveel dat in haar huishouden werd uitgegeven.   Mirthe deed het allemaal zonder erbij stil te staan en algauw werd ze geprezen om haar door God ingegeven natuurtalent. Haar bedeesdheid breide ze weg en haar kijk op de wereld vormde ze met de roddelblaadjes die ze kreeg van de buren. Het fascineerde haar te lezen hoe haar tv-helden met glans en glitter door het leven gingen, her en der op feestjes verschenen, vechtscheidingen aangingen en miljoenen dollars opstreken door gewoon te zijn. De saaiheid en de verveling in haar leven woog zwaar, ze voelde zich voortdurend depressief en wist geeneens waar het vandaan kwam. Ze wou graag een andere uitdaging aangaan, iets doen voor zichzelf, iets waarmee ze zich verbonden kon voelen. Een werk, een nieuw geloof, een nieuwe God, maakte niet uit.                                     Een rare vrouw die Mirthe. Ze keurde mijn levensstijl af. Niet dat ze zichzelf preuts of ouderwets vond, ze noemde zichzelf eerder vooruitstrevend conservatief. Dat zei ze wanneer iemand naar haar levensstijl vroeg. Ze vond dat er in het leven dingen zijn die niet strookten met een waardig en voorbeeldig leven te leiden. Ze wist van mijn duizenden sekspartners, mijn cocaïne-feestjes en hoe ik mijn visie op de liefde niet al te nauw nam. Dat wist ze. Dat leerde ze uit al die verhalen in de boekjes. Mannen die van de lusten van andere mannen hielden, homofielen, deugden niet. Zo wist ze het zeker van mij. Trouwens, voor haar deugde onze hele familie niet. Die moeder die altijd op haar kap zat, ’t is maar goed dat ze gestorven is. En dan die zus met haar zingen. Wat een gekweel! En maar miljoenen verdienen. Van mijn broer Ronald vond ze dat de glans er na twintig jaar samen leven, af was. Hij was net ontslagen en nu zaten ze allebei zonder werk. Ze wist dat die oude moeder geld op de bank staan had. Dat plan liet ze aan Ronald over. Ze had andere dingen te regelen. Ze had haar eigen leven te regelen.                    Een hele tijd al dacht ze er sterk aan een ander geloof aan te nemen. Al had ze goede herinneringen aan het zingen en het bidden in de kerk van het dorp. Iedere zondag en als het even kon ook op zaterdagavond, ging ze naar de misviering terwijl haar vriendinnen bezopen onder cafétafels lagen. Dat hoorde toch niet voor een zichzelf respecterende vrouw? Neen, het samen zijn in de kerk met enkele dorpsgenoten gaf haar voldoening, maakte haar sterk en zo begreep ze wat vrouwen écht moesten betekenen eens het gebedsuurtje voorbij was en zij haar nieuwe energie buiten de deuren van de kerk kon laten gelden. Een mens moet zijn waarden kennen, vrouwen moeten hun plaats kennen.                         De laatste maanden waren er barsten in haar geloof gekomen. Wat moest ze met die kerk waar niemand nog naartoe ging? En hoe ver stond de priester niet van de gelovigen? En dan al die schandalen en al dat geld waarvan zij nooit een euro zag. Mooi is dat, dacht ze! Nu ze zelf in geldnood dreigde te geraken. Van een aalmoes was ze niet gediend. En ze heeft altijd gevonden dat ze recht had op meer. De islam zou me nog kunnen bekoren, heeft ze me ooit een toevertrouwd ze. Daar geven mensen nog, eten, drinken, het is allemaal gegeven.   Ik heb haar sindsdien nooit meer gesproken, ze heeft de rug naar me toe gekeerd. Zoals het de islam belieft.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Rede van de Nacht

    Ik drink met volle teugen, grote slokken wringen zich door mijn tanden naar binnen, brandend en kolkend in de maag om door te stromen in wilde rivieren naar de gaten in mijn gezapige gedachten; de opgezwollen onderbuik waar mijn navel als een hol oord in onrust verkeerd, wachtend op dat heerlijke moment van verkoeling dat water en lippen schenkt. Hongerig waad ik me doorheen de straten als een tastende zwever, zoekend naar verloren paden die zich langs de sloten en in de kieren van de gestorven gebouwen, weven tot webben waar mensen zich laven. Ik ben mijn eigen bezit, verklaar ik me dan met leeggelopen ogen, want zowel rood als blauw is uit het lichaam gedruppeld met elke stap die ik zonder nadenken heb genomen. De dorst is gestild met de bruine flesjes in de riolen, enkel brood wil de stad mij niet schenken, enkel haar verwijtende blikken en herinneringen die als lonkende prostituees me achter onverschillige ramen staan op te wachten, het haar gekruld in vette gordijnen die langs de donkere ogen waden van figuren die ik ooit ‘mezelf’ heb genoemd. Ik steek de straat over, negeer de kreten van de voorbijgangers die me eens hebben gekend en concentreer me met de laatste krachten van de gedachten op de schemerige duisternis voor me, de nacht begroet me zoals altijd als een kameraad terwijl zijn vrouw, dat bleke meisje aan de hemel met haar volle heupen en parels in de haren, me blozend tegemoet komt. De nacht weet het niet, dat wij stilletjes vrijen, neergedrukt tussen de wortels van de fruitboom waar ze is opgegroeid tot de vrouw van de nacht. De nacht is mijn vriend en ik de zijne, geheimen moeten gesloten herinneringen worden om deze vriendschap tot broederband te kneden, dus wuif ik zijn vrouw beleefd gedacht en onderdruk de neiging om mijn handen over haar krachtige borsten te doen dwalen. Hij trakteert me op een biertje, de goede man dat hij is, en begint genadeloos te zeuren over zijn zuster die zijn vrouw soms weet te verleiden in geniepige daagjes van verwennerij met al zijn rijkdom in de buidel. Ik luister niet meer, maar leg mezelf te ruste op de koude stoep waar de ijzel van vandaag begint te ontdooien in het sterven van de dag. Sommige mannen, waaronder ik twintig jaar geleden, beginnen te denken aan vroeger en aan het rijke leven dat genesteld lag in de horizon, maar dat clichématig web van eeuwig durend piekeren is me niet meer smakelijk. Gedachten zijn nu eenmaal als water, hou het vloeiend en kalm en je zult nooit verdrinken, laat het te lang stil staan en het begint onverhard te stinken. Ook de nacht weet dit, maar hij is te oud om nog te luisteren naar wezens waarvan hij er al zo veel heeft gezien, tijdloos is de man omdat hij de helft van de tijd beheert met daadkrachtige vingers. Ooit een gevreesde koning, dan de zwarte pooier van jonge geliefden, dan weer zwager van nachtmerries en nu een klein ventje met een flets oranje pak zonder het verlangen om ooit weer tiran te zijn. De nacht is mijn vriend en ik de zijne, dromen moeten nu eenmaal geheimen blijven om deze vriendschap tot broederband te kneden. Een fietser vlamt voorbij op zijn stalen ros dat piept en kermt als een verlegen schoolmeisje tussen zijn benen waarvan het rode oog nagloeit tussen de zwepende bomen die krakend wachten in de wind. Ik sluit mijn ogen om de vrouw van de nacht te vergeten in de met aders getooide duisternis die aan mijn oogleden kleeft, en durf dan eens diep adem te halen. Mensen met problemen, de gehele mensheid dus, ademen enkel oppervlakkig alsof hun longen balanceren op het puntje van hun tong, maar uw longen zitten diep in uw lichaam verborgen als ratelende machines van teer en roest. Je moet ze onderhouden met vloeden van zuurstof want dan springen ze als hitsige paarden tot leven, bonkend met de zilveren hoeven op het hart, dat krocht vol tocht en kolkend bloed dat ons wakker houdt. Geloof me waar, dat het hart het werkelijke huis is van de emoties want het breekt en buigt bij elke rimpel in het gelaat, bij elk detail dat zich ontluikt op de huid als een bloem als je toegeeft aan het gewone menszijn. Het gewone menszijn, dat is de rede van de nacht.   Ilias Dherdt

Ilias Dherdt
13 0