Lezen

Pallieter

“En de prins doodde de boze draak. Hij mocht met de prinses trouwen en ze leefden nog lang en gelukkig.” Pallieter zucht. Hij vindt verhaaltjestijd het leukste deel van de dag, maar wat daarna komt vindt hij verschrikkelijk. “Neem allemaal jullie rekenboek.” De juf draait zich om en begint sommen op het bord te schrijven. Als Pallieter zijn ogen bijna helemaal toeknijpt, tot hij bijna niets meer kan zien lijkt het of de cijfers dansen. Hij moet lachen. “Pallieter, neem je rekenboek, je bent alweer als laatste klaar!” “Juf weet vast niet hoe dat moet, cijfers laten dansen” denkt de treuzelaar, “anders zou ze vast niet altijd zo boos zijn.”   Hij duikt snel in zijn boekentas en zoekt zijn rekenboek. Het zit helemaal onderin, onder zijn tekenblaadjes, zijn mondharmonica en de brief die hij daarstraks van Marieke kreeg. Hij heeft de brief nog niet gelezen, dat doet hij straks tijdens de speeltijd. Dan kan hij zich verstoppen onder de boom, zodat niemand ziet dat hij een brief heeft. De brief is van hem, en van hem alleen.  Pallieter grijpt zijn rekenboek en gooit hem op tafel. Op de kaft staan allemaal saaie sommen, maar over die sommen staat een groot, donkerbruin paard. Dat heeft hij gisteren zelf getekend. Het is hetzelfde paard als dat op de poster naast het bord.   De poster is eigenlijk een foto van hoe Lier, het stadje waar Pallieter woont, er heel erg lang geleden uitzag. Dat heeft de juf hen vorige week nog verteld. Er stonden nog niet zoveel huizen, maar de Nete, de rivier die ook langs hun school stroomt, die was er al wel. Op de poster staat ook een windmolen. Die gebruikten ze om graan te malen, en daar maakten ze dan weer brood mee. En onder de windmolen, in het gras staat een paard. Het paard dat Pallieter op zijn rekenboek getekend heeft. Hij heeft het een naam gegeven en die in grote, rode letters onder zijn tekening geschreven. Beiaard. Dat heeft hij opa ooit eens horen zeggen, en hij vond het zo’n mooi woord, dat hij besloot het paard op de poster zo te noemen.   Pallieter staart naar de rest van de poster. Hij vindt het een mooie foto. De zon staat hoog aan de hemel, de blaadjes van de bomen zijn felgroen en de wieken van de molen lijken zelfs bijna te draaien. Maar dat kan natuurlijk niet, want het is maar een foto. Pallieter knijpt zijn ogen een beetje verder dicht. Bewegen die wieken nu toch? Hij knijpt ze nog wat verder dicht, zodat hij alleen nog maar door een klein spleetje kan kijken. Ja hoor! De wieken van de molen draaien echt. Ze begonnen traag, maar gaan steeds sneller en sneller. Pallieter hoort nu ook de wind in zijn oren ruisen. Woeeessjjjjjj! Hij kan de wind zelfs voelen. Wat gaat die hard! Pallieter wil zich nog vasthouden aan zijn bank, maar het is te laat. De wind heeft hem meegenomen, en voor hij het weet zweeft hij de lucht in, recht naar de poster aan de muur.   Hij draait en tolt, ondersteboven, heen en weer, tot… de wind hem neer laat ploffen in het zachte gras. Waar is hij? Pallieter kijkt rond. Daar is een rivier, daarnaast staat een rij bomen, en ginder, ginder in de verte staat een windmolen! Is hij nu echt in die poster terecht gekomen? “Brrrr…” Pallieter voelt warme lucht in zijn nek. Hij schrikt. Achter hem staat een groot boerenpaard in zijn nek te ademen. “Beiaard?” Het paard duwt zijn natte neus tegen Pallieters gezicht.   “Wauw!” Pallieter kan het niet geloven. Hij is écht in het oude Lier van op die foto in de klas terecht gekomen, en het paard heet écht Beiaard. Die staat trouwens nog steeds tegen zijn schouders te duwen, alsof hij wat wil zeggen. Pallieter aait het dier over zijn hoofd, maar Beiaard blijft maar duwen. Tot Pallieter het begrijpt: het paard wil dat hij op zijn rug komt zitten! Hij heeft nog nooit paard gereden, maar als het paard zo lief is als het eruit ziet, dan zou hij dat wel kunnen. Pallieter klautert op het hek naast de wei. Beiaard blijft geduldig wachten, vlak bij het hek. Zo kan Pallieter makkelijk zijn manen vastgrijpen en op zijn rug klimmen. Hij heeft nog maar net zijn been naar de andere kant van de brede paardenrug gezwierd of Beiaard is al vertrokken.   En zo loopt het grote paard met de kleine jongen op zijn rug door de frisse, groene velden van Lier. Hier en daar komen ze voorbij een huisje. Een keer zien ze een meneertje dat een pijp staat te roken in de deuropening. “Dag Pallieter, dag Beiaard!” “Hoe kent die man mijn naam?” denkt Pallieter, maar dan wuift hij die gedachte weg en zwaait hij gewoon vrolijk terug. Na een tijdje rijden voelt de avonturier zijn buik rommelen. Beiaard blijft maar lopen, maar het is ondertussen al lang middag geworden.   Onder een grote appelboom probeert Pallieter het grote paard halt toe te roepen. Het dier luistert meteen als hij het kleine jongetje op zijn rug luid “Hooo!” hoort roepen. Het lijkt wel alsof het niet de eerste keer is dat die twee samen op pad zijn. Heel voorzichtig gaat Pallieter rechtstaan op de brede rug van het paard. Zo kan hij net bij de onderste appels van de boom. Hij kiest er een grote, rode uit voor zichzelf, en een andere voor het paard, en laat zich terug op de grond glijden.   En zo blijven ze daar een tijdje zitten. Het paard en de jongen, alletwee aan het genieten van een sappige appel in de zon. Tot Beiaard plots zijn oren spitst. Een paar seconden later hoort Pallieter het ook. Het lijkt wel alsof er een meisje aan het zingen is. Nu hoort hij het luid en duidelijk. Er komt iemand aan. Pallieter kijkt nieuwsgierig in het rond. Ja! Kijk daar, ginder, naast het water loopt een klein meisje in een witte jurk. Ze zingt luidkeels over de zon en de bloemen en in haar hand heeft ze een mandje vol felrode aardbeien. Pallieter springt recht en zwaait. “Hallo Pallieter!” Hé, ook het meisje kent zijn naam. Wat gek. Pallieter loopt naar haar toe. “Wie ben jij?” vraagt hij. “Herken je me niet dan? Ik ben het toch, Marieke!”. Nu ziet Pallieter het pas. Marieke lijkt als 2 druppels water op Marieke uit zijn klas, die Marieke die hem vanochtend nog een brief stuurde!   Hij wil vragen wat zij hier doet, maar dan bedenkt hij dat zij waarschijnlijk ook is meegenomen door de wind. Wat leuk, dat hij dit avontuur niet alleen meemaakt! “Marieke, dit is Beiaard, Beiaard, dit is Marieke. Mag ze nog mee op je rug?” Het boerenpaard gooit zijn hoofd in de lucht. Hij heeft lang genoeg stil gestaan. Pallieter hijst zich met behulp van wat laaghangende boomtakken terug op de paardenrug en reikt Marieke de hand. Even later draaft het drietal langs het water, verder het Lierse landschap in. Ze passeren bossen, velden en huisjes, en heel af en toe nog een windmolen. In de verte zien de twee kinderen een kerk opdoemen. “Zullen we daar een kijkje gaan nemen?” Beiaard versnelt zijn pas en nog geen tien minuten later glijden de twee kinderen van de paardenrug en kloppen ze uit alle macht op de grote, houten kerkdeur.   Het blijft even stil in het grote gebouw en Pallieter en Marieke willen al bijna weer vertrekken. Maar dan horen ze voetstappen galmen. Een paar seconden later gaat de grote houten deur piepend open. Meneer pastoor steekt nieuwsgierig zijn hoofd naar buiten. “Wie is daar?”, vraagt hij. Pas dan kijkt hij naar beneden, en ziet hij de twee kinderen staan. “Oh, kijk eens aan, Pallieter en Marieke, da’s lang geleden! Kom binnen, kom binnen.” Pallieter kijkt er al lang niet meer van op dat iedereen hem hier bij zijn naam kent.   Ze volgen meneer Pastoor, die op zijn korte dikke beentjes door het lange gangpad naar voren in de kerk waggelt. Pallieter doet zijn kleine, onhandige pasjes zo goed na dat Marieke het bijna uitproest, maar ze kan zich nog net inhouden. Lachen met een pastoor, stel je voor!   Langs een zijdeurtje laat meneer Pastoor hen binnen in de pastorie, waar hij woont. De twee kinderen kijken hun ogen uit. Elk vrij plekje staat vol met kleine beeldjes, lege flessen wijn en half volgeschreven papieren. Om Marieke nog eens aan het lachen te brengen neemt Pallieter een klein houten beeldje van een varken en zet het zo tegen een klein beeldje van Maria aan dat het lijkt of het beest Maria een kus geeft, recht op haar mond. Het werkt. Marieke moet snel haar zakdoek bovenhalen om niet luidop te lachen. Pallieter lacht ook. Hij vindt Marieke een mooi meisje, en als ze lacht krijgt ze kuiltjes in haar wangen die haar nog mooier maken.   Meneer Pastoor komt de keuken uit met een bord vol koek en twee glazen koude melk. “Hier kinders, laat het smaken, maar daarna terug naar buiten hoor, het is veel te mooi weer!” Dat laat het duo zich geen twee keer zeggen. Nog voor de pastoor zijn zin heeft afgemaakt is een bord vol kruimels, twee lege glazen en een liefdestafereel tussen onze lieve vrouw en een varken het enige dat nog overblijft van hun bezoekje.   Eenmaal buiten kunnen de twee grapjassen hun lach echt niet meer inhouden. Ze schateren en schateren, en nog lang nadat ze op de rug van Beiaard uit het zicht van de kerk en de pastoor zijn verdwenen klinkt hun lachbui na over de Lierse velden.   In de verte horen ze de klokkentoren nog rammelen. Ding. Ding. Ding. Ding. Ding. Ding. Marieke schrikt. 6 uur al, dan staat het eten thuis op tafel! “Wat scheelt er, Marieke?” Pallieter heeft de schrik op het gezicht van zijn vriendinnetje zien verschijnen. “Moet jij ook niet naar huis?” vraagt ze, “Het is toch al lang etenstijd?” Pallieter haalt zijn schouders op. Hij heeft geen honger, en dus ook geen haast. Maar voor Marieke wil hij wel wat moeite doen. Hij pakt Mariekes armen en slaat ze stevig rond zijn middel. Dan geeft hij Beiaard de sporen en hop, daar gaan ze! Het lijkt wel of ze vliegen! Het paard springt over een omgevallen boomstronk, loopt recht door een laagstaande beek en slalomt door een wei vol koeien, terwijl de twee kinderen op zijn rug dicht bij elkaar genieten van de wind in hun haren en de zon op hun gezicht.   Nog geen vijf minuten later houdt Beiaard halt voor een kleine witte boerderij met schattige rode luikjes. Voor Marieke zich op de grond laat glijden geeft ze Pallieter een kus op zijn wang. “Bedankt voor de leuke middag, Pallieter! Gaan we morgen opnieuw op pad?” De kleine avonturier wordt op slag zo rood als de luikjes van het huis. “Ja…” kan hij nog net uitbrengen. Marieke staat ondertussen alweer met twee benen op de grond. Ze plukt een prachtige witte roos uit de voortuin en gaat op haar tenen staan om ze in het knoopsgat van Pallieters jasje te stoppen. “Tot morgen Pallieter!”. “Ja…” stottert Pallieter weer. Hij staart naar de bloem. Ze ruikt heerlijk. Nog lang nadat de deur achter Marieke in het slot is gevallen hoort hij haar stem. “Tot morgen Pallieter!” “…Pallieter!” “…Pallieter!”   “Pallieter!” Hij springt van het verschieten recht omhoog uit zijn stoel. Zijn knieën stoten tegen de tafel en zijn rekenboek, met daarop het paard valt met een klap op de grond. Wat? Waar is hij? Waar is Beiaard? Rondom hem hoort hij gelach. Als hij omkijkt kijkt hij recht in de blauwe ogen van Marieke. Marieke met de kuiltjes in haar wangen. Vlak naast hem staat de juf. Zij is de enige die niet lacht. “Pallieter, hoe vaak moet ik het je nog zeggen! Als je altijd zo zit te dromen geraken je sommen nooit af.” Ze wil nog verdergaan, maar de bel onderbreekt haar. Pallieter graait zijn boeken bij elkaar, mikt ze in zijn boekentas en glipt langs de juf de speelplaats op. Daar is hij maar op het nippertje aan ontsnapt. Maar wat een gekke droom was dat!   Als hij op de speelplaats bij zijn lievelingsboom aankomt laat hij zich tegen de stam zakken. Uit zijn boekentas haalt hij de brief van Marieke tevoorschijn.   “Pallieter,   Heb je zin om morgenmiddag mee aardbeien te gaan plukken? We spreken af aan het water achter de school, daar bij die wei waar dat boerenpaard staat.   Tot morgen! Marieke”   Pallieter is weer rood geworden. Hij kijkt naar zijn vest, waar een witte roos zit te blinken in het knoopsgat. Morgen kan hij terug de velden in. Met Marieke. “Ik kan niet wachten.” .

Lotte
0 0

DE HEMELSBLAUWE REGENJAS

Mevrouw Scales zat achter haar raam te kijken naar de overkant, zoals ze vaak deed sinds haar man bijna 2 jaar geleden overleden was,  en omdat haar oude benen andere activiteiten moeilijk maakten. Ze keek naar die ene woning die haar nieuwsgierigheid het meest prikkelde: de villa van de heer en mevrouw Bakelants. Het was vrijdagavond en mevrouw Scales wist precies wat er dan ging gebeuren. En inderdaad: stipt om zes uur kwam meneer Bakelants naar buiten, trok de deur dicht met een kordate ruk, stapte in zijn Jaguar en scheurde weg. Als de normale routine zou gevolgd worden – iets waar mevrouw Scales geen moment aan twijfelde - zou hij slechts op zondagavond terugkomen. ‘’In de weekends moet mijn man altijd klanten ontvangen of op recepties aanwezig zijn”  Deze verklaring had mevrouw Bakelants eens gegeven bij een kopje koffie, in de zetel bij haar overbuurvrouw, terwijl deze laatste hier niet eens naar gevraagd had. Maar iedereen in de straat – en zeker die overbuurvrouw  - was ervan overtuigd dat meneer Bakelants niet naar zijn bureel ging, noch naar enige receptie, maar wel naar zijn minnares in Brussel, om ongetwijfeld het zoveelste passionele weekend door te brengen en zijn arme echtgenote alleen en verweesd achter te laten. Mevrouw Scales kon precies de pijn en de frustratie voelen, die zich telkens van mevrouw Bakelants moest meester maken. Haar echtgenoot – mister Scales – mag dan wel een Engelse gentleman geweest zijn, ook hij durfde wel eens zwichten voor de genoegens van een ander bed. Op een winterse avond had het lot hen letterlijk in mekaars armen gedreven, toen mevrouw Scales uitschoof in de Londense sneeuw en mister Scales haar precies op tijd kon beletten hard contact te maken met het voetpad. Enkele maanden later had hij het leven in Europa’s grootste hoofdstad ingeruild tegen een rustig bestaan in het Vlaams-Brabantse dorpje waar mevrouw Scales nu als weduwe achter haar raam zat. Maar hoe snel en hoe goed mister Scales zich de Vlaamse taal ook had toegeëigend, liegen in die vreemde taal bleek toch moeilijk te zijn. En dus wist zijn echtgenote telkens precies wat hij bedoelde met ‘langer werken’ of ‘een onverwachte vergadering’ en voelde ze nu dus telkens mee met haar arme lotgenote; elk weekend. Terwijl ze meneer Bakelants zag wegrijden, dacht mevrouw Scales aan de ettelijke keren dat zij haar echtgenoot had dood gewenst. Hoe groot haar liefde voor hem ook was, bij de keuze tussen zijn ontrouw verdragen of zijn weduwe worden, zou zij steevast voor de tweede optie gekozen hebben. Haar gedachtengang, die haar weer naar het verre verleden had geleid, werd op die bewuste vrijdagavond plots onderbroken door een nog niet eerder geziene gebeurtenis. En was het niet in de hoop op niet eerder geziene gebeurtenissen, dat mevrouw Scales zo vaak achter haar raam zat ? Er stopte een taxi voor de oprit van de Bakelants residentie,  een man stapte uit en begaf zich met gezwinde tred over de oprit naar de voordeur. Het viel mevrouw Scales op dat hij niet groot was, een vrij omvangrijke sportzak bij zich had en een deukhoed droeg,  die bij haar overkwam als lang uit de mode. Maar vooral dat hij een hemelsblauwe regenjas aanhad. ‘Vreemde kleur voor een regenjas’’ dacht mevrouw Scales, ‘nog nooit gezien eigenlijk’. Maar een nog grotere verrassing dan de kleur van de regenjas stond haar te wachten: de vreemde man haalde uit zijn zak een sleutel en opende daarmee de voordeur. Mevrouw Scales wist in eerste instantie niet wat ze hier moest van denken, behalve dan dat ze dit op de voet zou volgen. Toen enkele uren later echter geen hemelsblauwe regenjas terug opgedoken was, zag zij zich geconfronteerd met een verscheurende  keuze: blijven wachten of toch maar met onbevredigde nieuwsgierigheid het bed opzoeken. Haar vermoeide lijf en leden deden haar uiteindelijk zwichten voor optie nummer twee. Wanneer zij de volgende morgen ontwaakte, gingen haar gedachten onmiddellijk uit naar die regenjas. Vlugger dan gewoonlijk was zij uit haar bed en begaf zich naar het raam in de hoop iets te zien. Zij zag mevrouw Bakelants, druk bezig het gazon te maaien. ‘Zou ik er durven naartoe gaan ?’ vroeg mevrouw Scales zich af, ‘en ga ik dan iets te weten komen ?’. Haar nieuwsgierigheid haalde het van haar schroom, en nadat zij zich in record tempo had aangekleed, trok zij leunend op haar wandelstok naar de overkant van de straat. Mevrouw Bakelants zag haar naderen en zette beleefd de motor van de grasmaaier stil. ‘Goede morgen mevrouw Scales. Mooi weer, nietwaar ?’ ‘Heel mooi, mevrouw Bakelants, daarom dacht ik: direct naar buiten om ervan te genieten.’ ‘Noem mij maar Julie hoor’ zei mevrouw Bakelants en dacht bij zichzelf ‘dat heb ik toch al vaker gezegd!’ ‘Ah, ja, Julie… Het gazon afdoen: is dat eigenlijk geen mannenwerk ?’ ‘Tja, u weet, weekend hé, dan is mijn man hier niet veel te vinden. Dus doen we het maar zelf, nietwaar ?’ Mevrouw Scales trok haar stoute schoenen aan, vrezend dat zij anders toch niets te weten ging komen: ‘Ik dacht dat die meneer van gisterenavond u misschien wel zou helpen ?’ Julie Bakelants keek even niet begrijpend:  ‘Meneer van gisterenavond ?’ ‘Tja, excuseer, nu lijk ik misschien zeer nieuwsgierig. Het is alleen: de kleur van zijn regenjas viel mij zo op en daarom dat ik aan hem terugdenk.’ ‘Ah, ja, nee, dat was de meneer van euh… het ziekenfonds die even langskwam om iets te bespreken. Nee, die doet mijn gazon niet af..helaas.’ Dit laatste zei ze met een verlegen lachje. ‘Enfin, ik ga u laten, anders gaat uw gazon nooit klaar zijn, hé. Nog een prettige dag, mevrouw… euh Julie.’ ‘Ja, u ook !’ ‘De meneer van het ziekenfonds, dat zal wel’  mompelde mevrouw Scales in zichzelf, terwijl ze terug naar de overkant stokte. Wat zij de vorige avond al had vermoed, werd voor haar part nu bevestigd: mevrouw Julie Bakelants had een minnaar. Aanvankelijk vond zij dit een schokkende gedachte en beschouwde zij het als haar plicht om ervoor te zorgen dat heel de straat dit belangrijke nieuws door haar goede zorgen zou te weten komen. Vrij vlug echter dacht zij terug aan haar eigen huwelijk: hoe vaak had zij niet in dezelfde situatie willen zijn, om haar ontrouwe echtgenoot met gelijke munt terug te betalen. ‘Eigenlijk verdient die arrogante brombeer niet beter’ bedacht zij zich. Dus toen mevrouw Scales de volgende vrijdagavond voor haar venster zat, nieuwsgierig of de film die zich voor haar ogen ging afspelen een heruitzending zou zijn van de vorige week, had zij dus nog met niemand gesproken om haar kennis te delen. Tot haar eigen verbazing. En het werd inderdaad een heruitzending van de vorige week: rond zes uur stapte meneer Bakelants  in zijn wagen en scheurde weg, en drie kwartier later stopte een taxi voor de deur en de hemelsblauwe regenjas nam zijn plaats in de woning in, per sleutel. Mevrouw Scales had zich vast voorgenomen om deze keer haar nieuwsgierigheid niet de bovenhand te laten nemen, en dus geen vragen meer te stellen. Tot haar verbazing kreeg zij enkele dagen later zelf bezoek van Julie Bakelants, die haar een en ander duidelijk maakte, zodanig dat zij de daaropvolgende vrijdag alweer geïnteresseerd achter haar raam zat, gereed om het schouwspel in zich op te nemen. Om vast te stellen dat rond zes uur niemand in zijn auto stapte en wegreed: allerminst nog de heer Bakelants. ‘Zijn minnares zal het druk hebben, zeker ?’ vroeg mevrouw Scales zich mompelend af. Om vervolgens vast te stellen dat, kort na zes uur, Julie Bakelants zelf buitenkwam, in haar kleine auto stapte en wegreed, weliswaar met iets minder gierende banden dan haar echtgenoot de gewoonte had. ‘Eigenaardig’  dacht mevrouw Scales, terwijl zij zich overeind hees en naar de keuken ging om een pot Darjeeling thee te zetten, in de hoop dat deze favoriete bezigheid niet zou veroorzaken dat zij enige activiteit van de overburen miste. Nog maar net had zij zich terug neer gevleid op haar uitkijkplaats en voorzichtig een nipje genomen van haar grootste verslaving, toen de inmiddels gebruikelijke vrijdagse taxi arriveerde. Het was kwart voor zeven. De hemelsblauwe regenjas stapte uit, betaalde en begaf zich naar de voordeur. Ditmaal bleef de sleutel achterwege en werd er aangebeld. Enkele seconden later zwaaide de deur open, en meneer Bakelants verscheen in de deuropening, met een vragende blik die snel overging in verwondering toen hij de aanbeller bekeek. Deze haalde uit de rechterzak van de regenjas een voorwerp, dat mevrouw Scales twee seconden later identificeerde als een pistool, toen het met twee luide knallen evenveel kogels afvuurde op meneer Bakelants, die achterover sloeg als getroffen door een razende dinosaurus. De hemelsblauwe regenjas boog even voorover om zich ervan te vergewissen dat de taak volbracht was, stak het pistool terug in de jaszak en wandelde weg in de andere richting. Mevrouw Scales, die heel het schouwspel had gadegeslagen met steeds groter wordende ogen, zag de dader de dreef inslaan van waaruit de taxi steeds tevoorschijn was gekomen, daarbij een kalmte uitstralend die ze niet zou verwachten van iemand die juist een moord heeft gepleegd. Zij keek rond naar de andere huizen aan de overkant en stelde vast dat er nog niemand was buitengekomen, ook al hadden de schoten echt wel luid geklonken. Te luid om niet gehoord te worden, vond mevrouw Scales. Zij verkeerde in grote twijfel: moest zij nu de politie bellen ? Eigenlijk wou ze liever dat iemand anders deze honneurs zou waarnemen, maar nog steeds bleef de straat leeg. Tot plots een auto uit de dreef kwam gereden; mevrouw Scales zag Julie Bakelants stoppen voor hun villa, uitstappen en – toen ze haar echtgenoot zag liggen – ernaar toe lopen. Zij bukte zich en begon dan luid te huilen en te roepen ‘oh nee, oh nee, wat… wat…’. Inmiddels waren verscheidene buren opgedoken en zij begaven zich aarzelend richting Bakelants residentie. Mevrouw Scales wou niet achterblijven, maar bleef toch op een respectabele afstand van de plaats des misdaads, om schokkende beelden te vermijden. Zoals zij gewenst had, was iemand anders inderdaad zo attent geweest de politie te verwittigen, want enkele minuten later kwamen twee politiewagens met luide sirenes aangevlogen. ‘Iedereen achteruit!’ zei één van de agenten dwingend, ‘kom mensen, zo ver mogelijk weg van deze plaats’. Julie Bakelants zag mevrouw Scales staan en kwam naar haar toe, met ogen rood van het huilen en een verschrikte blik. ‘Mevrouw Scales’ snikte ze, ‘hoe verschrikkelijk.’ ‘Kom mee naar mij thuis om wat te bekomen, kom’ zei mevrouw Scales bemoederend. ‘Ja maar… de politie dan ?’ ‘Die hebben het nu druk. Die zullen straks wel komen.’ Arm in arm ging het richting overkant. Toen ze het huis binnen waren, zei Julie Bakelants: ‘Ik ben bang van de politie; zij gaan mij natuurlijk verdenken, da’s het gemakkelijkst’ Mevrouw Scales bekeek haar en zei, half geruststellend en half complotterend: ‘Jij was bij mij toen het gebeurde, zo simpel is het.’ Julie Bakelants bekeek haar met een verwilderde blik; tegelijk dacht zij na over het voorstel. Dan bedacht ze:  ‘Maar ik ben daarjuist met de auto komen aanrijden ?’. Mevrouw Scales bleef heel overtuigd:  ‘Niemand heeft dat gezien, op dat moment was de straat nog leeg; dus jij was bij mij toen het gebeurde – ok ?’ Op dat moment klonk de deurbel heel luid, zodat Julie Bakelants rechtveerde uit de zetel. Mevrouw Scales keek uit het raam: ‘Het is de politie’ zei ze en opende de voordeur. ‘Goeienavond mevrouw, ik ben commissaris Pittoors, Gerechtelijke Politie en dit is mijn medewerker Peeters.’ ‘Kom binnen, heren’ zei mevrouw Scales. Julie Bakelants kwam hen tegemoet:  ‘Goeienavond, ik ben de vrouw van de…’ zij snikte even ‘…van het slachtoffer. Het is een nachtmerrie’. ‘Onze deelneming, mevrouw. Een buurvrouw heeft gezegd dat u hier was, bij uw vriendin.’ ‘Ja, ik kon daar niet blijven…en al dat bloed. Ik wou van pure consternatie wegrijden met de auto, maar ben onmiddellijk teruggekeerd. Ik leek wel gek…..’ Mevrouw Scales bekeek Julie Bakelants:  een goede ingeving, dacht ze;  als iemand Julie toch met de auto had zien komen, was dit nu verklaard. Ze bewonderde de koelbloedigheid van haar overbuurvrouw. ‘Dat begrijp ik, mevrouw,’ zei de commissaris, ‘Ondanks dit moeilijke tijdstip, zou ik u toch enkele vragen willen stellen.’ ‘Ja, ok, natuurlijk…’ ‘Ik heb al even met de buren gesproken, maar niemand heeft de moord zien gebeuren, blijkbaar.’ Hij klonk teleurgesteld. Mevrouw Scales vond het moment gekomen om in te vallen. ‘Toch wel, meneer de agent, wij hebben het zien – enfin vooral horen – gebeuren.’ ‘Ah !’ repliceerde de politieman met enige verwondering. ‘Wij zaten – enfin Julie en ik dus – wij zaten hier te praten dicht bij het raam, we hoorden twee schoten – heel luid, echt heel luid – en we hebben de dader zien weggaan.’ ‘Ah !’ de commissaris werd steeds blijer. ‘Ja, het was…’ ‘Mag ik dat horen van mevrouw Bakelants zelf, als het voor u goed is, mevrouw ?’ Julie Bakelants nam aarzelend over:  ‘Hij droeg een regenjas in een speciale kleur – een soort blauw..’ ‘Hemelsblauw’ vulde mevrouw Scales aan. ‘…en een nogal ouderwetse deukhoed, en hij had een sportzak bij zich, en…’ Zij aarzelde. ‘En…?’ vroeg inspecteur Peeters benieuwd; het was de eerste keer dat hij zijn mond opendeed. Hij was duidelijk de tweede in de hierarchie van de aanwezige politiemensen. ‘En…’ ging Julie Bakelants verder ‘…Ik weet wie hij is..’ De twee politiemannen konden hun enthousiasme nauwelijks verbergen, en hun verbazing toen zij vervolgde: ‘..hij is – enfin hij was – mijn minnaar. Maar, commissaris, ik weet enkel dat hij Matthias heet en getrouwd is. Hij wou geen verdere informatie geven, omdat ik niet meer wou dan enkel minnaars zijn. Hij wou veel meer.’ ‘Wilt u nu zeggen, dat u zijn achternaam niet kent, of zijn adres ?’ vroeg commissaris Pittoors ongelovig. ‘Nee. We hebben eerst enkele keren in een hotel afgesproken, en de twee vorige vrijdagen is hij bij mij thuis geweest. Vorige week zei hij dan dat hij op deze basis niet wou verdergaan, en dat hij me een geweldig afscheidscadeau zou bezorgen.’ Julie aarzelde en slikte even: ‘En dat heeft hij dus inderdaad gedaan. Ik had geen benul dat hij dit bedoelde.’ Het enthousiasme van de twee rechercheurs was danig bekoeld, toen Pittoors vroeg: ‘Had u hem gezegd dat uw man vanavond alleen thuis was?’ Julie Bakelants knikte met een schuldige blik in haar ogen. Mevrouw Scales vond dat het nog eens haar beurt was, en zei: ‘Ik heb hem de vorige twee vrijdagen zien komen, commissaris, dat klopt.’ Commissaris Pittoors zuchtte onhoorbaar:  ‘Dus we zoeken een man in een hemelsblauwe regenjas met een ouderwetse deukhoed en een sporttas, die Matthias heet en getrouwd is. Veel is het niet….’ Julie Bakelants zweeg. Mevrouw Scales ook. Inspecteur Peeters durfde nog eens:  ‘En hebben jullie hem zien weglopen ?’ ‘Ja, meneer de agent,’ zei mevrouw Scales, ‘Hij liep niet, hij wandelde eigenlijk heel rustig de Dennendreef in – daar..’ en zij wees naar de overkant, naar de dreef naast de Bakelants villa. ‘Te voet ?’ vroeg Peeters verbaasd. ‘Te voet !’ bevestigde mevrouw Scales. De twee politiemannen leken er minder en minder van te begrijpen. ‘Bon,’ zei Pittoors dan, ‘we moeten nu terug naar de overkant, naar de plaats van het misdrijf. Straks komen we terug naar hier voor jullie volledige verklaringen, en een zo volledig mogelijke beschrijving van de verdachte.’ Waarop de twee mannen de woning verlieten. Julie Bakelants keek met vragende blik naar haar buurvrouw:  ‘Mevrouw Scales, waarom wil u dit voor mij doen ?’ ‘Noem mij nu maar Constance, mijn kind. En waarom ? Omdat ik je echtgenoot niet mocht. Niemand hier in de straat trouwens. Hij was – vergeef me, meisje – een arrogante bullebak. Bovendien is hij een keer – nog niet zo lang geleden – heel onbeleefd tegen mij geweest, en dat vergeef ik niet. En dan zijn ontrouw. Ik heb ook zo een man gehad, en ik heb vaak gehoopt en gedroomd dat iemand hem zou vermoorden, liefst nog voor mijn ogen. Dat is nooit gebeurd, maar met uw man mocht ik dat wel beleven: met mijn eigen ogen toezien en – vergeef me – ik heb ervan genoten als van een goeie film.’ Mevrouw Scales zweeg even, toen ze de verwonderde blik van Julie zag, en zei dan: ‘Ik zou het erg vinden als een braaf meisje als jij daar dan grote last mee zou krijgen.’ Julie Bakelants knikte, heel dankbaar. ‘Wij zijn allebei veel te braaf geweest,’ ging Constance Scales verder, ‘allebei nooit met gelijke munt terugbetaald door zelf een minnaar te hebben.’ ‘Veel te braaf….’ beaamde Julie Bakelants mijmerend, ‘nooit een minnaar gehad, nooit zelfs maar gedacht aan iemand anders.’ Mevrouw Scales stond recht: ‘Kom Julie, we moeten nu actie ondernemen, vooraleer die inspecteurs hier terug staan.’ Ze aarzelde even, bekeek Julie Bakelants minzaam en zei:   ‘Ik bewonder je durf en doorzettingsvermogen, Julie, heb ik nooit gehad.’ Zij nam vervolgens de pook naast het open vuur en rakelde de vlammen op tot ze hevig brandden. ‘Ik ben altijd dol geweest op een open vuur’ zei Julie Bakelants enthousiast. ‘Ja,’ voegde Constance Scales eraan toe, ‘dat heeft vele voordelen.’ Daarop haalde haar buurvrouw – en nieuwe vriendin – de sportzak uit de garage, en schudde de inhoud leeg in het knetterende vuur. Met dromerige blik, en zonder een woord te zeggen, keken de twee dames toe hoe het vuur de hemelsblauwe regenjas en de ouderwetse deukhoed verteerde.

FRANK SCHOFIELD
7 0