Lezen

Ergens tussen Peter Pan en Pippi Langkous

Hij is nu niet meer dan een stip in de verte. Een zwaaiende stip. Ik wandel achterstevoren en zwaai wild terug naar mijn vader. De straat is, op ons na, volledig leeg en stil, alsof de wereld ons met ingehouden adem bekijkt ergens achter een gordijn.Dit doet zeer.Meer zeer dan ik had gedacht of gehoopt.Ik vraag mezelf terug af waarom ik dit nou eigenlijk alleen wou doen.‘Loslaten.Ik moet leren loslaten.’Nog een stap en hij verdwijnt achter de muren van Pamplona.Ik zet hem.Hij is weg.Met verdroogde tranen op mijn wangen loop ik de stad uit. Soms denk ik dat ik gewoon niet bestemd ben om volwassen te worden.Ik bedoel, ik weet nog steeds niet hoe belastingen werken (en ik durf het nu ook niet meer te vragen), mijn planten blijven maximaal twee weken leven en bij het horen van ‘huisje, tuintje, boompje’ krijg ik spontaan een migraineaanval. Alle mensen rondom mij maken zich klaar voor het volgende hoofdstuk van hun leven terwijl ik liever terug wil naar heksensoep maken in de tuin en Harry Potter-boeken lezen. Ik ben nu eenmaal een moeders- en vaderskindje.Een trouwe klant van Hotel Mama.Een klein verwend nestje.En vol bewondering kijk ik naar de vriendinnen die zich zorgen moeten maken over verzekeringen, huishuur en kapotte wasmachines. Zij durven tenminste op eigen benen staan.Ik heb altijd al het gevoel gehad achteraan te lopen.Of beter gezegd: te manken.Alsof mijn mentale groeispurt een vertraging heeft opgelopen waar alleen de NMBS jaloers op kan zijn.En nooit was ik kleiner dan hier, op die straathoek in Spanje. Niemand voor of achter me om me op te vangen als ik val.Ik wandel, zonder stoppen, vijf uur aan één stuk door.Ik heb nu eenmaal heel wat in te halen. Maar hoe hard ik ook ren, in de ogen van de wereld blijf ik een snotneus.  En blijkbaar moet ik, om volwassen te worden, eerst mijn rijbewijs halen, alleen wonen en ruzie staan maken over dekbedovertrekken in de IKEA. Dus dan ben ik nog liever even kind als het mag.Een kind dat alleen kan zijn. Een kind dat zichzelf leert vertrouwen en liefhebben.Een kind dat kan sprinten als het moet. En nu moet het.Dus ik zwaai en laat je los, op deze straathoek van het leven.Ooit zal ik mijn planten wel water leren geven.

Woordenwandelaar
0 0

Jammer-lijk

Gras zo groen              Blaadje groen                 Maakt boom zo groen Hemel-blauw               Diepzee-blauw               Planeet zo blauw                                Ademlucht      of       ademnood                                      Vissen in een olie-zee                                     Vogels in een ozon-nest                               Dierenliefde                  Dierenleed                Wij geven                        En                            Wij maken                                                Mensenkind                                    Heel machtig ben je reeds                                           Oorlog of vrede                                      Maar jij kiest wapens                           Regenboog, geboren uit zon en regen                                   Groei, word Rainbow Warrior                              Greenpeace, geworden door mens                    Laat je leiden door een God, die wij eens vreesden      Help ons                          Bescherm ons                     Red ons                                                Wij faalden

d. Victorine
0 0

Mtoto (opdracht 3, Kristien)

      Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.   Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.           __________________________________________________________________________________   Mtoto[1]   'Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde, zei ze: ‘Waar moeder is’. '                             Keith L. Brooks     De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De blanke vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk Dylan op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De blanke vrouw glimlacht bij de betekenis van de naam. Dylan. Zoon van de zee. 9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag. Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de blanke vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde. De familie van de blanke vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.   De blanke vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De blanke vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur. Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden. In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers terug binnen gestapt. Binnen had de zwarte man de blanke vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de blanke vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de blanke vrouw en de kinderen.   Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enigste zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan. De verpleegsters legt de benen van de blanke vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De blanke vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar. In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijke waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden aan haar buik gekomen, geglimlacht en haar succes toegewenst.   De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de ganse wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst. Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de blanke vrouw. De kleine jongen snuffelt. De blanke vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de blanke vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm. De kamer is stil. De blanke vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De blanke vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.   Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de blanke vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden. Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.   De kleine jongen blijft de ganse nacht aan de borst en op de lege buik van de blanke vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De blanke vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalm klein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar.  Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.               [1] Betekenis: kind

Kristien Vliegen
0 0

Tom Lanoye 'Sprakeloos'

  Wie vertelt me het verhaal? Weet hij alles? Vertelperspectief: wisselend? De schrijver vertelt het verhaal van ‘mijn moeder’: hoe hij ze heeft gekend – voor zover een mens een andere mens kan kennen -  voòr haar beroerte en hoe hij haar, na die beroerte, heeft zien aftakelen tot het bittere einde. Hij weet alles over ‘mijn moeder’. Het vertelperspectief is éénrichting: de schrijver vertelt het verhaal van ‘mijn moeder’.   Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de toon? De eerste zin is een stellingname van de schrijver: het leven van iemand wordt bepaald door het lot dat hij krijgt toebedeeld. Hier in concreto: de aftakeling, die zich voltrok aan ‘mijn moeder’, na een succesvol leven als moeder  en amateuractrice.   Hij gebruikt dadelijk een forse, dramatische taal , beeldend  . Eigenlijk is het een theatertaal, de verteller komt op en kondigt aan, geeft ook al commentaar: (cfr. de drama’s van Shakespeare),  hij gebruikt een taal die op een podium meteen zou inslaan (… vernietigend als een inwendige blikseminslag… tergende aftakeling… vijfvoudig moederdier…) Het belang van taal!!! Hij geeft meteen ook de twee grote episodes in het verhaal aan: het succes van de jongere vrouw en de tergende aftakeling  na de beroerte .    Door wiens ogen kijk ik? Hoe beinvloedt dit mijn kijken? Eén persoon? Meerdere? Ik kijk door de ogen van de verteller. Ik word geconfronteerd met de interesses/de vragen die de schrijver zich stelt. O.a. deel 1: ‘Hij’: het verhaal van het verhaal. De schrijver heeft het hier zowel over de vader, de moeder, als over hemzelf. Hoe hij moeilijk, getormenteerd, een weg aflegt van jaren, voor hij aan dit verhaal kan beginnen. Er is de pudeur (!! misschien het ultieme thema van dit boek?) . Er is het onafgebroken aandringen van zowel de vader als de moeder om met dit verhaal te beginnen. Er is het zoeken naar de juiste taal om dit te doen: komaf maken met alle belleterie, alle opgelegde regels van DE literatuur. Na verschillende jaren eindelijk het besef: de moeder en de vader moeten allebei gestorven zijn om hun verhaal te kunnen schrijven. De vader en de moeder zijn immers één. Het besef dat zijn versie maar een fractie is van ‘de stralende zon van  alle andere verhalen samen..’. Nu, achteraf , nu ik reflecteer over het verhaal, lijkt me dit terzelfdetijd interessant ( o.a. bedenkingen over literatuur), en  voorkomt het het  ‘opgaan in het verhaal’. Je begint je af te vragen: wanneer begint hij nu eindelijk, de semmelaar!  Dus het trekt aan én stoot af. Ik kijk het hele boek  door de ogen van de schrijver. Ik ben het  bijna verplicht: van tijd tot tijd word ik door de schrijver ook zelf aangesproken.   Bij wie ligt mijn sympathie? Hoe stuurt de schrijver dat? Bij de drie hoofdpersonen (vader, moeder, schrijver) en  bij de inwoners van de wijk waar de beenhouwerij gelegen is. Door de rake typeringen, zowel het uiterlijk van de personages als hun karakter, wat ze meemaken. En door de sfeer van solidariteit tussen hen.   Meerdere vertellers/ perspectieven? De onderlinge relaties? Ieders rol /motivatie in het verhaal? Verhouding van elk tot de gebeurtenissen? Er is één perspectief: dat van de alwetende schrijver/verteller.   Zijn er personages waarvan ik niet weet wat ze denken? Welke rol hebben ze? - De broers en zussen, de vader en grootvader van de vader: vervolledigen het tableau. Ze staan veelal voor ‘de Vlaamse aard’. - De broers en de zus van de schrijver (behalve ‘onze lastigste’). Ze zijn intiem verwant met moeder, vader en schrijver. In het genre ‘biografie’ kunnen ze niet ontbreken. - personeel van het ziekenhuis, rusthuizen, de pastoors van de parochie, huisdokter, kruidengeneesheer, klanten van de winkel, enz. Ze vervolledigen de schets van het leefmilieu en van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt - Conclusie: ze schetsen het milieu en de tijd van het verhaal.   ’Chronologische volgorde’ <-> ‘’alles door elkaar’ voordeel van dat laatste? Komt er uiteindelijk een sluitend verhaal? Of: gaten? - Het verhaal springt voortdurend van de ene tijd in de andere (voor het leven van vader, moeder en schrijver). Alles over vader en moeder en over het gehucht waar ze wonen: in het verleden. Maar de aanspraak van de lezer zelf, de overwegingen over taal, over hoe de wereld geëvolueerd is in een korte tijd, is het standpunt nu, het heden. -Voordeel? *Het maakt het verhaal ‘lichter’: ‘vernietigende beroerte’, ‘tergende aftakeling’, is  zwaar. *Bovendien denkt een mens, (de schrijver) ook zo: onze hersenen werken niet keurig chronologisch. *Het maakt de tragedie ter zelfde tijd aanvaardbaar (het is het lot), en dramatischer. -Sluitend verhaal? Gaten?  Het is volgens mij een sluitend verhaal. Zozeer zelfs, dat het einde van het verhaal een oproep is van de schrijver/tot de schrijver?/ de lezer? om een?/het? verhaal te beginnen .   Tijd? Verhouding reële tijd en de tijd om het verhaal te vertellen? -Reële tijd? Een mensenleven, zowel van de vader als van de moeder  Tijd die nodig is om het verhaal te vertellen=? -Sprongen? Omdat in het verhaal alles door elkaar wordt verteld, vallen die niet op. Maar als ik er over nadenk, zijn de sprongen vooral te vinden in het verhaal (autobiografie!) van het leven van de schrijver zelf: zijn leven buiten de relatie met zijn ouders. O.m.: hoe komt hij in Zuid-Afrika terecht? hoe ontdekt hij zelf dat hij homo is? Enz... ook de kindertijd van vader en moeder blijven onder de lens van de fotograaf.   In welke historische tijd speelt het verhaal zich af? Welke omgeving? Eén of meerdere? Resoneert de maatschappelijke omgeving in het verhaal? Het is mogelijk dat de schrijver dingen niet vermeldt, die ik zelf weet over die tijd. Nadrukkelijk? Subtiel? Waarom?Historische tijd van het leven van vader en moeder: -Historische tijd: +- 1930? Tot +- 2007? : vòòr, , tijdens en na WOII. De oorlog  klinkt niet door in dit verhaal. Hij wordt wel zijdelings vernoemd, o.m. om de bloeiperiode erna te duiden.  Het zwaartepunt van het verhaal situeert zich tussen  +- 1950 en +- 2008, 2009, (de uitgave van het boek). -Omgeving? Voornamelijk de stad Sint Niklaas (Oost-Vlaanderen), een gehucht daarvan. Een deel situeert zich in Zuid-Afrika, en Gent, en Antwerpen. Maatschappelijke omgeving ven de hoofdpersonen speelt sterk door in het verhaal. Het is die van de lagere middenstand , die zich opwerkt tot welstand; van de arbeiders die werken in de fabrieken in de omgeving, van –dikwijls gemankeerde – bourgeoisie (dikke Liza, zoon , zuster en schoonbroer). -WOII, de invloed ervan op de gedragingen van de mensen; dreiging van de koude oorlog; oorlogen in Korea, in Vietnam, enz. Eigenlijk het hele verhaal van de politiek in die tijd. (jaren 60,70). Het gebeurt niet  nadrukkelijk of subtiel: de vader was handelaar, hij moest goed staan bij iedereen, hij hield zich ver van de politiek (denk ik toch), om conflicten te vermijden. Dus: bij Lanoye thuis werd niet  over politiek gepraat? Het was gewoon zo: biografie…   Ik moet zelf nog dingen opzoeken in verband met het verhaal. Wat? Alleen: het geboortejaar van Tom Lanoye, om de juiste historische tijd te kennen. Op het jaar af.   Focus van het verhaal? Duidelijk begin en einde? Eén episode? Eén afgebakend voorval per episode? Wat is het verhaalgegeven? Staat één probleem centraal? Wordt het anekdotische overschreden? Indien er  verschillende episodes zijn, is er samenhang tussen de gebeurtenissen, plaats en (historische) tijd? Zijn de overgangen duidelijk? -De focus: het standpunt van de verteller: het lot heeft een onverdraaglijk einde in petto voor deze sterke vrouw, deze succesvolle amateuractrice, de moeder van de schrijver, die zo goed van de tongriem was gesneden, nl. de complete aftakeling , op twee jaar tijd,  tot ze uiteindelijk vernederd, en sprakeloos , sterft. ‘… haar onaanvaardbare, wrede levenseinde…’. -Duidelijk begin en einde? Ja. Van het raamverhaal, het dubben over en het aarzelen van de schrijver om het verhaal te beginnen (!pudeur), en de laatste bladzijde, de ultieme vernedering van de moeder, bij het –in zijn aanwezigheid- vrijmaken van het keelgat (sprakeloos!)die de schrijver de eed doen zweren: ‘…dat ik , wanneer en waar ik er de kans toe zie, de stilte zal bestrijden met mijn stem, de leegte zal proberen te betwisten met mijn woord, al het beschikbare papier ter wereld zal proberen te bevechten met mijn taal… . Nooit meer  zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos. Begin.’.  Van het levensverhaal? Ja. Vertrekkende van het perspectief hoog in de lucht, vanaf de surrealistische luchtballonnen die toeren boven de tuin van het weekendhuisje (bungalow) van de moeder, die er in volle warme zon ‘in haar favoriete badpak en op blote voeten’, peinzend naar de hemel kijkt, tot bij haar sterven in het bed ‘in de zonovergoten en toch kille kamer, dankzij de airco,’ in de instelling , hulpeloos, sprakeloos’. -Eén episode? Nee. Een opeenstapeling van episodes(=een zelfstandig deel van een verhaal!). Nl: * het dubben en aarzelen van ‘de jongste’ (pudeur) en hiermee verbonden, de opmerkingen over literatuur en taal… * levensverhaal van de moeder (als meisje, als actrice, als slagersvrouw, als moeder, als vriendin, als lid van een familie, als amateuractrice…). … * levensverhaal van de vader, als beenhouwer, als vader, de zachte, warme behoeder van het gezin, en vooral de levenslange bewonderaar van zijn vrouw… * beschrijving van het gehucht, met de verhalen van de bewoners… *de aftakeling en de dood van de moeder en de vader… -Eén afgebakend voorval per episode? Nee alles loopt door elkaar, zoals dat ook in het leven gebeurt. -Verhaalgegeven. =??? -Eén probleem centraal? Ik denk, de agressieve aftakeling van de moeder in haar laatste levensjaren: de verbindingen in haar hersenen zijn kapot. Intiem hiermee verbonden: de plaats van de taal in een mensenleven. Het belang hiervan – ook  voor de schrijver. Zeker voor de schrijver. -anekdotische overstegen? Natuurlijk - verschillende episodes? Ja. De samenhang tussen de gebeurtenissen is duidelijk, ook die van plaats en historische tijd; De overgangen zijn duidelijk (…Hij…Zij…Ik…).   Zijn er elementen die steeds terugkomen, elkaar versterken, of: steeds andere aspecten? Welke motieven en thema’s kan ik vinden? Nota: “motief”: een herhaaldelijk terugkerend element. We herkennen het omdat het ook in andere verhalen terugkeert. (vb.: driehoeksverhouding; generatieconflict…) of omdat het in hetzelfde verhaal meerdere keren voorkomt. (vb: een voorwerp, een lied, een bepaalde handeling, een gevoel). “thema”: datgene wat als grote lijn in het werk naar voren komt(vb: een indruk, een levensvisie, een gezichtspunt). Dat thema kan expliciet worden genoemd en uitgedragen  en dan valt het te vergelijken met een boodschap.   -motieven: .*gebruik van spreekwoorden, beroemde woorden uit theater, volkse gezegdes. (Meer schuilt in u! – Ge zult niet  spuwen in de bron waaruit ge hebt gedronken -  ‘Een Beetje’, titel van het liedje van Belgische deelname aan  het Eurovisie Songfestival van die jaren; titel van  stripboek: ‘Buck Danny, ‘De Jappen vallen aan!’; ‘Go, Johnny, go go!; ‘Alas, Poor Yorik…’,van Shakespeare, ‘Oh, inwoners van Thebe, ziet, hier gaat Oedipus…’ van Sophocles, klassieke thaterschrijver)., als commentaar op wat er zich afspeelt in het verhaal. *het eten: als dusdanig, algemeen belang (322) ; menu’s van feesten, enz…enz…; (316 – 342) als teken van verbondenheid. *cultuur, literatuur, taal. (25 e a.  257_ 250_ 243_ 244, e.a..); taal als band (359), als wapen tegen onmacht en vernedering. Enz. *hersenen: manier van werken, +- wetenschappelijke uitleg (Wikipedia) *het acteren van de moeder, zowel op het toneel als in het dagelijkse leven. -thema: katharsis van de zoon bij het verdriet om de ondergang van zijn moeder, zijn vroegere sociale omgeving, een manier van leven en van taal gebruiken. Zou TAAL het ultieme thema zijn? Beelden of beeldspraak? Metaforen? Symbolen? Indien ja, hoe sturen ze mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Functie? Waar staan ze voor? Nota:  Beeldspraak: figuurlijke taal, ontstaan uit associaties, vb: koppig als een ezel…het hart van de stad… Metafoor: het is geen simpele vergelijking, eenduidig. Vb. Deze polituicus is net een kleuter, hij wil altijd gelijk hebben. Er moet sprake zijn van een aanzet tot blijvende interpretatie, aangezien er verschillende connotaties mogelijk zijn. Vb: deze politicus is een natuurramp… is en nar…   -beelden en beeldspraak: daar krioelt het hier van. Tom Lanoye doet zelfs een oproep om een zo barok mogelijke taal te gebruiken, zo weelderig mogelijk, om de rijkdom van een mensenleven, de dingen , de realiteit uit te drukken. Hij stelt dit tegenover de vernederende sprakeloosheid.  Cfr. ‘… Ze zweeg zoals een sneeuwlandschap zwijgt, of en opgezet hert…’. *metaforen:  (nog niet genog naar gezocht)!!! *symbolen? Ballonnen, een soort Montgolfières, ,waaruit zandzakken naar beneden vallen die mensen kunnen verminken, doden; helicopters die branden proberen te blussen; een onverwacht onweer dat een snel oprukkende bosbrand blust. Symbolen voor ‘het onbetrouwbare lot’? feestmalen: symbool voor het zoeken naar verbondenheid? Enz?. * ze houden me nieuwsgierig, op zoek (‘schone letteren’), ze geven ruimte aan het zware verhaal van de aftakeling, plaatsen bepaalde personages in een context die niet zwart-wit is,  maar alle nuances daartussen mogelijk maken. * Ik lees het  verhaal omdat ik geïnteresseerd ben in die tijd, bij ons, toen. En, denk ik, vooral, omwille van de ruimte die ik zelf krijg, meer vrijheid,  door het lezen van  de koppige manier van schrijven, de rijke, ontembare  taal.   And here we go, Johnny. Go, go, go.       -              

versta
478 1

Schoolreis

Eindelijk was het voorbij het tellen van de nachten slapen. Vandaag was dé dag. Als echte groten -had haar juf  gezegd- zouden ze alleen mogen rond lopen. Doen en laten waar ze goesting in hadden. Er een echte BFF dag van maken. Al bestond dat toen nog niet.   Met een bus reden ze helemaal naar Adinkerke aan de zee. Naar een park dat vele jaren later ingepalmd zou worden door Plopsa. Met zijn allen vulden ze de laatste rij. Alleen maar meisjes. Gelach en geklets. De Vriendin en haar uitverkorenen het luidst. Plannen voor het reuze-rad en het treintje door de wereld van de bijen. Bij het binnenlopen van het park hoorde ze er nog bij. Een moment later, de anderen leken wel opgeslokt, stond ze alleen. Wachten en rondkijken leverden niks op. Geen van de vrolijke kinderen rondom haar waren meisjes van haar klas, laat staan het kliekje waar ze dacht bij te horen.   Toen ze –flash forward in de tijd- voor het eerst met haar eigen dochters door de opvolger van het Meli-park dwaalde, zag ze bij elke attractie die ze deden opnieuw, een blond meisje van tien. Alleen. De hele dag lang.   Pas wanneer het bijna tijd was om terug naar de afgesproken plek te gaan –in de late namiddag van wat dé dag zou zijn- kwam ze hen terug tegen. Of zij haar. Ze leken haar afwezigheid dan maar voor het eerst op te merken. Een enkel meisje nam een paar minuten. Of ze een leuke dag had gehad. Of ze die grappige circusvoorstelling ook had gezien? En die gekke jongens, toevallig uit een dorp in de buurt. Ze knikte.   Op de terugweg zat ze weer mee op de laatste rij. Het plaatske aan het raam. Gelach en geklets achter haar rug, ze telde opnieuw. Geen nachten deze keer maar lantaarns, langs de autostrade. Ze zag de lichten aanfloepen. Toen deden ze dat nog.                                                    

tamaralenaerts
0 0