Lezen

Een gezegende kerst

 EEN GEZEGENDE KERST                                                    Pauline staart verbijsterd naar de twee lege sokkels.  De engelenbeelden die Maria flankeren, staan er niet. “Potvermercietjes, wat is dat nu ? Misschien zijn ze weg voor restauratie.  Hoewel, er mankeerde niets aan,”  spreekt ze luidop tegen niemand, zoals oudere mensen wel vaker doen.  Ze trekt  haar schouders op .  “Waarschijnlijk zullen ze schoongemaakt worden.”   Ze denkt er niet verder over na en steekt, naar jaarlijkse gewoonte op de dag voor kerst, kaarsjes aan in de kleine kapel van de kathedraal.  Binnensmonds prevelt ze een gebedje en sloft naar buiten, licht gebogen en bevend op haar wandelstok, maar verder nog gezond voor haar 82 jaar. De sneeuw rolt zich als een laagje glazuur uit over de stad en knispert onder haar voeten.  Uiterst voorzichtig  stapt ze naar huis.  Enkele meters verder ligt een bananeschil midden op het voetpad.  Pauline, met haar gedachten in haar eigen wereldje, merkt het niet.  Wanneer zij haar rechtervoet bijna op de schil zet, schuift deze vanzelf een klein beetje opzij, net ver genoeg zodat ze er niet op trapt.  Een oud heertje aan de overkant van de straat blijft verbaasd staan. “ Was dat nu…. ?  Potverdikke, voor mij geen borreltje meer straks. “ De klok in het belfort luidt drie maal  en speelt een kerstmelodie.   Het stadscentrum is ondergedompeld in een feëerieke kerstsfeer.  De koetsen, die de toeristen rond de bezienswaardigheden voeren, zijn versierd met kleine lichtjes en zelfs de paarden dragen een  rode muts boven hun oren. Op het marktplein verdringen de mensen elkaar tussen de kraampjes van de kerstmarkt.  De geur van aangebrande hamburgers vermengt zich met het zoetige aroma van de gluhwijn.  Een bejaard dametje  warmt  haar pijnlijke, verkleumde handen aan een koolvuurtje. Tussen de eet- en drinkstandjes prijkt de kerststal  omringd met balen stro.   Een groepje luidruchtige  tieners lacht met het kindje Jezus in de kribbe.  Eén van hen gooit zijn sigarettepeuk nonchalant een eindje weg, midden in een baal stro die onmiddellijk begint te smeulen.   Maar, nog voor het vuur zich kan voortzetten, dooft het als vanzelf uit.  Niemand merkt er iets van. Een eindje verderop, in de winkelstraat, speelt “White Christmas”  voor de zoveelste keer door de luidsprekers.  De etalages zijn prachtig versierd en schreeuwen om aandacht maar het is te druk om ervan te  kunnen genieten.  Ellebogen stompen in je rug of duwen je opzij, want het voetpad is niet breed genoeg voor de krioelende massa . Kleine Jonas loopt braafjes naast zijn mama, smullend van een  geurende, warme suikerwafel.  Een streng uitziende mevrouw passeert ruziënd met haar partner, ziet hem niet en loopt hem omver.  Ze merkt het niet en loopt gewoon door.  Jonas valt op de straat vlak voor de zware wielen van de aanrijdende stadsbus.  Onmiddellijk begint de motor van het gevaarte te sputteren en valt stil.  “JONAS !!!!”  Met een gezicht, wit als de sneeuw,  sleurt zijn moeder  hem overeind en overlaadt hem met kussen.  De motor van de bus start weer op nog voor de chauffeur de sleutel in het contact heeft omgedraaid.  De man begrijpt er  niets van,  maar zet vlug zijn rit verder.  Tijd om na te denken heeft hij niet want veel oponthoud kan hij zich vandaag niet veroorloven. En zo gaat het de hele dag en avond door.  Ieder onheil wordt ongemerkt voorkomen.  Klokslag middernacht staat engel  Ariel weer mopperend op haar sokkel . “T’is altijd hetzelfde liedje op kerstavond.  Die drukte is om gek van te worden.  Moet ik nu werkelijk ieder jaar de bewaarder zijn van deze drukke stad ? Kan God niet met een beurtrol werken ?”  Jaloers kijkt ze naar de engel Muriel die ondertussen ook weer  naast Maria staat.  “Zij heeft het makkelijk.  De hele nacht waken over een piepklein dorpje waar niets gebeurt.  Ik ben bekaf.  En bekijk mijn vleugels  nu eens.  Allemaal zwarte roetvlekken.”  Zo hard ze kan, wrijft ze over de vuile vegen.  Zonder resultaat.  “Ja, dan zal het zo moeten.  Ik kan het ook niet helpen.” Haar tijd voor dit jaar zit erop.  Heel,  heel langzaam, wordt ze steeds harder en harder tot ze weer helemaal versteend is. De volgende morgen doet de koster zijn ronde in de kathedraal.  Wanneer hij bij engel Ariel komt, blijft hij verbaasd staan.  Zijn verwondering slaat om in boosheid wanneer hij het vuile beeld ziet. “Wel, heb je ooit.  Hoe komen al die zwarte vegen op de vleugels ? Weer van een bende kwajongens zeker.  Potverdju, dat zal een heel karwei zijn om het af te kuisen.  Het kan wachten tot morgen.  Het is voor mij ook Kerstmis vandaag.”

Creyf Nancy
0 0

Een gezegende kerst

 EEN GEZEGENDE KERST                                                    Pauline staart verbijsterd naar de twee lege sokkels.  De engelenbeelden die Maria flankeren, staan er niet. “Potvermercietjes, wat is dat nu ? Misschien zijn ze weg voor restauratie.  Hoewel, er mankeerde niets aan,”  spreekt ze luidop tegen niemand, zoals oudere mensen wel vaker doen.  Ze trekt  haar schouders op .  “Waarschijnlijk zullen ze schoongemaakt worden.”   Ze denkt er niet verder over na en steekt, naar jaarlijkse gewoonte op de dag voor kerst, kaarsjes aan in de kleine kapel van de kathedraal.  Binnensmonds prevelt ze een gebedje en sloft naar buiten, licht gebogen en bevend op haar wandelstok, maar verder nog gezond voor haar 82 jaar. De sneeuw rolt zich als een laagje glazuur uit over de stad en knispert onder haar voeten.  Uiterst voorzichtig  stapt ze naar huis.  Enkele meters verder ligt een bananeschil midden op het voetpad.  Pauline, met haar gedachten in haar eigen wereldje, merkt het niet.  Wanneer zij haar rechtervoet bijna op de schil zet, schuift deze vanzelf een klein beetje opzij, net ver genoeg zodat ze er niet op trapt.  Een oud heertje aan de overkant van de straat blijft verbaasd staan. “ Was dat nu…. ?  Potverdikke, voor mij geen borreltje meer straks. “ De klok in het belfort luidt drie maal  en speelt een kerstmelodie.   Het stadscentrum is ondergedompeld in een feëerieke kerstsfeer.  De koetsen, die de toeristen rond de bezienswaardigheden voeren, zijn versierd met kleine lichtjes en zelfs de paarden dragen een  rode muts boven hun oren. Op het marktplein verdringen de mensen elkaar tussen de kraampjes van de kerstmarkt.  De geur van aangebrande hamburgers vermengt zich met het zoetige aroma van de gluhwijn.  Een bejaard dametje  warmt  haar pijnlijke, verkleumde handen aan een koolvuurtje. Tussen de eet- en drinkstandjes prijkt de kerststal  omringd met balen stro.   Een groepje luidruchtige  tieners lacht met het kindje Jezus in de kribbe.  Eén van hen gooit zijn sigarettepeuk nonchalant een eindje weg, midden in een baal stro die onmiddellijk begint te smeulen.   Maar, nog voor het vuur zich kan voortzetten, dooft het als vanzelf uit.  Niemand merkt er iets van. Een eindje verderop, in de winkelstraat, speelt “White Christmas”  voor de zoveelste keer door de luidsprekers.  De etalages zijn prachtig versierd en schreeuwen om aandacht maar het is te druk om ervan te  kunnen genieten.  Ellebogen stompen in je rug of duwen je opzij, want het voetpad is niet breed genoeg voor de krioelende massa . Kleine Jonas loopt braafjes naast zijn mama, smullend van een  geurende, warme suikerwafel.  Een streng uitziende mevrouw passeert ruziënd met haar partner, ziet hem niet en loopt hem omver.  Ze merkt het niet en loopt gewoon door.  Jonas valt op de straat vlak voor de zware wielen van de aanrijdende stadsbus.  Onmiddellijk begint de motor van het gevaarte te sputteren en valt stil.  “JONAS !!!!”  Met een gezicht, wit als de sneeuw,  sleurt zijn moeder  hem overeind en overlaadt hem met kussen.  De motor van de bus start weer op nog voor de chauffeur de sleutel in het contact heeft omgedraaid.  De man begrijpt er  niets van,  maar zet vlug zijn rit verder.  Tijd om na te denken heeft hij niet want veel oponthoud kan hij zich vandaag niet veroorloven. En zo gaat het de hele dag en avond door.  Ieder onheil wordt ongemerkt voorkomen.  Klokslag middernacht staat engel  Ariel weer mopperend op haar sokkel . “T’is altijd hetzelfde liedje op kerstavond.  Die drukte is om gek van te worden.  Moet ik nu werkelijk ieder jaar de bewaarder zijn van deze drukke stad ? Kan God niet met een beurtrol werken ?”  Jaloers kijkt ze naar de engel Muriel die ondertussen ook weer  naast Maria staat.  “Zij heeft het makkelijk.  De hele nacht waken over een piepklein dorpje waar niets gebeurt.  Ik ben bekaf.  En bekijk mijn vleugels  nu eens.  Allemaal zwarte roetvlekken.”  Zo hard ze kan, wrijft ze over de vuile vegen.  Zonder resultaat.  “Ja, dan zal het zo moeten.  Ik kan het ook niet helpen.” Haar tijd voor dit jaar zit erop.  Heel,  heel langzaam, wordt ze steeds harder en harder tot ze weer helemaal versteend is. De volgende morgen doet de koster zijn ronde in de kathedraal.  Wanneer hij bij engel Ariel komt, blijft hij verbaasd staan.  Zijn verwondering slaat om in boosheid wanneer hij het vuile beeld ziet. “Wel, heb je ooit.  Hoe komen al die zwarte vegen op de vleugels ? Weer van een bende kwajongens zeker.  Potverdju, dat zal een heel karwei zijn om het af te kuisen.  Het kan wachten tot morgen.  Het is voor mij ook Kerstmis vandaag.”

Creyf Nancy
0 0

Een gezegende kerst

 EEN GEZEGENDE KERST                                                    Pauline staart verbijsterd naar de twee lege sokkels.  De engelenbeelden die Maria flankeren, staan er niet. “Potvermercietjes, wat is dat nu ? Misschien zijn ze weg voor restauratie.  Hoewel, er mankeerde niets aan,”  spreekt ze luidop tegen niemand, zoals oudere mensen wel vaker doen.  Ze trekt  haar schouders op .  “Waarschijnlijk zullen ze schoongemaakt worden.”   Ze denkt er niet verder over na en steekt, naar jaarlijkse gewoonte op de dag voor kerst, kaarsjes aan in de kleine kapel van de kathedraal.  Binnensmonds prevelt ze een gebedje en sloft naar buiten, licht gebogen en bevend op haar wandelstok, maar verder nog gezond voor haar 82 jaar. De sneeuw rolt zich als een laagje glazuur uit over de stad en knispert onder haar voeten.  Uiterst voorzichtig  stapt ze naar huis.  Enkele meters verder ligt een bananeschil midden op het voetpad.  Pauline, met haar gedachten in haar eigen wereldje, merkt het niet.  Wanneer zij haar rechtervoet bijna op de schil zet, schuift deze vanzelf een klein beetje opzij, net ver genoeg zodat ze er niet op trapt.  Een oud heertje aan de overkant van de straat blijft verbaasd staan. “ Was dat nu…. ?  Potverdikke, voor mij geen borreltje meer straks. “ De klok in het belfort luidt drie maal  en speelt een kerstmelodie.   Het stadscentrum is ondergedompeld in een feëerieke kerstsfeer.  De koetsen, die de toeristen rond de bezienswaardigheden voeren, zijn versierd met kleine lichtjes en zelfs de paarden dragen een  rode muts boven hun oren. Op het marktplein verdringen de mensen elkaar tussen de kraampjes van de kerstmarkt.  De geur van aangebrande hamburgers vermengt zich met het zoetige aroma van de gluhwijn.  Een bejaard dametje  warmt  haar pijnlijke, verkleumde handen aan een koolvuurtje. Tussen de eet- en drinkstandjes prijkt de kerststal  omringd met balen stro.   Een groepje luidruchtige  tieners lacht met het kindje Jezus in de kribbe.  Eén van hen gooit zijn sigarettepeuk nonchalant een eindje weg, midden in een baal stro die onmiddellijk begint te smeulen.   Maar, nog voor het vuur zich kan voortzetten, dooft het als vanzelf uit.  Niemand merkt er iets van. Een eindje verderop, in de winkelstraat, speelt “White Christmas”  voor de zoveelste keer door de luidsprekers.  De etalages zijn prachtig versierd en schreeuwen om aandacht maar het is te druk om ervan te  kunnen genieten.  Ellebogen stompen in je rug of duwen je opzij, want het voetpad is niet breed genoeg voor de krioelende massa . Kleine Jonas loopt braafjes naast zijn mama, smullend van een  geurende, warme suikerwafel.  Een streng uitziende mevrouw passeert ruziënd met haar partner, ziet hem niet en loopt hem omver.  Ze merkt het niet en loopt gewoon door.  Jonas valt op de straat vlak voor de zware wielen van de aanrijdende stadsbus.  Onmiddellijk begint de motor van het gevaarte te sputteren en valt stil.  “JONAS !!!!”  Met een gezicht, wit als de sneeuw,  sleurt zijn moeder  hem overeind en overlaadt hem met kussen.  De motor van de bus start weer op nog voor de chauffeur de sleutel in het contact heeft omgedraaid.  De man begrijpt er  niets van,  maar zet vlug zijn rit verder.  Tijd om na te denken heeft hij niet want veel oponthoud kan hij zich vandaag niet veroorloven. En zo gaat het de hele dag en avond door.  Ieder onheil wordt ongemerkt voorkomen.  Klokslag middernacht staat engel  Ariel weer mopperend op haar sokkel . “T’is altijd hetzelfde liedje op kerstavond.  Die drukte is om gek van te worden.  Moet ik nu werkelijk ieder jaar de bewaarder zijn van deze drukke stad ? Kan God niet met een beurtrol werken ?”  Jaloers kijkt ze naar de engel Muriel die ondertussen ook weer  naast Maria staat.  “Zij heeft het makkelijk.  De hele nacht waken over een piepklein dorpje waar niets gebeurt.  Ik ben bekaf.  En bekijk mijn vleugels  nu eens.  Allemaal zwarte roetvlekken.”  Zo hard ze kan, wrijft ze over de vuile vegen.  Zonder resultaat.  “Ja, dan zal het zo moeten.  Ik kan het ook niet helpen.” Haar tijd voor dit jaar zit erop.  Heel,  heel langzaam, wordt ze steeds harder en harder tot ze weer helemaal versteend is. De volgende morgen doet de koster zijn ronde in de kathedraal.  Wanneer hij bij engel Ariel komt, blijft hij verbaasd staan.  Zijn verwondering slaat om in boosheid wanneer hij het vuile beeld ziet. “Wel, heb je ooit.  Hoe komen al die zwarte vegen op de vleugels ? Weer van een bende kwajongens zeker.  Potverdju, dat zal een heel karwei zijn om het af te kuisen.  Het kan wachten tot morgen.  Het is voor mij ook Kerstmis vandaag.”

Creyf Nancy
0 0

Boekbesprekingen

Sylvain Tesson, Zes maanden in de Siberische wouden 2010 Vertelperspectief Dit is een echt dagboek, Sylvain Tesson vertelt zelf, mijmert al schrijvend met zichzelf tenmidden van een onmetelijk wild landschap, het is er koud en hij is er alleen. Maar niet eenzaam, want de natuur speelt haar rol met veel overtuigingskracht. ‘Ik had me voorgenomen om voor mijn veertigste als een kluizenaar in het bos te gaan wonen.’ Die eerste zin klinkt stoer. Sylvain Tesson is een man die zich wil meten met de natuur. Hij heeft in zijn leven al bergen beklommen, wilde rivieren bevaren, trektochten ondernomen. Hij is een succesvolle avonturier, macho, filosoof, schrijver.  In de loop van de maanden die hij doorbrengt in en rond de blokhut aan het Bajkalmeer geeft hij zich langzaam gewonnen. Zijn dagboek gaat over de verhouding tussen mens en natuur. Ze groeien naar elkaar toe, die twee, geraken verweven, en gaan naarmate de stilte duurt, alsmaar meer geluidloos in elkaar over. Er is niets zweverigs aan dit boek, het is zelfs heel aards: een gat hakken in het ijs, thee drinken, het meesje, de wolken, wodka, de kachel. De dagelijkse dingen, handelingen en het weer zijn geen details daar in de blokhut, maar krijgen net alle aandacht die ze verdienen. Er zijn ook boeken die meepraten, maar zonder haast en zonder dwang. Er moet geen betoog, geen enkel gelijk. Ze nemen gewoon deel aan de grote verkenning van de tijd en de ruimte. Als lezer kijk je door de ogen van de schrijver mee naar de tijd en de ruimte, hij is de enige door wiens ogen kijken mogelijk is. Er verschijnen wel af en toe anderen, maar zelfs al maken die lawaai en rotzooi, het landschap is te groots om zich daardoor te laten verstoren. Er is veel stilte in dit boek, het kijken gaat traag. Ik kijk graag traag, net als Sylvain Tesson houd ik van kijken naar de sneeuwvlokken, de meesjes, het licht dat binnenvalt. Ik heb dan ook geen enkele moeite van met hem samen te vallen, ik mag hem graag, deze man, omdat ik graag zijn trage blikveld deel. In zijn thuisstad Parijs omringd door mensen, zou ik hem waarschijnlijk minder graag zien, hij zou me waarschijnlijk afschrikken door z’n stoer kantje. Er is maar één verteller, een perspectief, maar dan heel breed en heel langzaam. Er gebeurt niet zo erg veel in dit verhaal, toch blijft het spannend. Want altijd speelt die relatie, dat spanningsveld tussen mens en natuur. Als in een liefdesverhaal. De andere personen in het verhaal komen in en uit, ze komen piepen, als speldprikjes vanuit de zijlijn. Behalve het bericht van zijn vriendin in Parijs die hem de bons geeft, dat raakt tot diep in zijn kern. Hij huilt in de vacht van zijn honden. Maar ook dat ebt weer weg. De plek en het moment zijn zo groot, groter dan alle herinneringen en toekomstdromen.   De tijd Het verhaal volgt de seizoenen, het ritme van dag en nacht, het zou niet anders kunnen omdat net die tijd zo’n belangrijke rol speelt. Sylvain Tesson schrijft dagelijks op enkele uitzonderingen na. Soms schrijft hij veel, soms slechts enkele zinnen. Zoals op 21 juli: ‘Geen vogel zingt. Geen rimpel op het meer. De mist heeft de wereld verzwolgen’.   Maatschappelijk-historische tijd De mensenwereld dringt nauwelijks door tot aan de blokhut en als dat al gebeurt is dat ofwel met erg veel vertraging ofwel komt ze bruut binnenvallen. De tijdsgeest speelt wel een belangrijke rol als belangrijke afwezige. In zijn overpeinzingen heeft Tesson het over het drukke leven dat hij leidde in Parijs, over de haast, het lawaai, de sociale verplichtingen, de schone schijn. In zeker zin is dit boek dan ook een cultuurkritiek, maar zonder grote ideologieën of analyse, maar door eruit te stappen en vanuit die ervaring te schrijven.   Focus van het verhaal Dit verhaal gaat over de verhouding tussen deze man en de natuur, Sylvain Tesson geeft zich over aan het leven, laat het gebeuren en antwoordt met tedere zinnen.   Motieven en thema’s De fysische omstandigheden: het weer, de seizoenen, het landschap zijn erg bepalend voor zijn dagen. Hij belooft ergens om nooit meer neerbuigend te zullen doen over mensen die over het weer praten, dat is niet onbenullig, maar een essentieel stuk leven, iets waar we geen macht over hebben, maar vooralsnog aan overgeleverd zijn. Het overkomt ons en wij hebben er als mensen lee om te gaan, er ons toe te verhouden. De Russen (en de rest van de mensheid): af en toe verschijnen die, omdat hij er op bezoek gaat of omdat zij komen binnenvallen. Er hoort steeds wodka en bier bij. Het zijn anarchistische figuren, zwalpend doorheen de geschiedenis, verbonden met het landschap, ruw geworden door al die koude, al die afwijzing. Sylvain Tesson beschrijft hen met zachtheid, hij ziet deze mensen graag, misschien wel net omdat hij net als zij ook een beetje misantroop is. Kan hij van mensen houden? De Russen kan hij graag zien. Ook zijn vrienden zijn belangrijk, al mogen ze niet te dicht komen. Zijn vriendin zet de relatie stop, hij is te vaak te ver. Over zijn verdriet spreekt hij alleen met zijn honden en zijn dagboek. Dat doet hij bijna woordloos. De stilte. In en tussen de woorden weeft zich telkens opnieuw de stilte. ‘De stilte keert weer, de immense stilte die niet wordt veroorzaakt door de afwezigheid van geluid, maar doordat er niemand is om mee te praten. Ik voel een groeiende liefde voor deze bossen waarin talloze herten leven, dit meer dat wemelt van vissen, die lucht waarin vogels af- en aanvliegen.’   Beeldspraak en metaforen De hut is warm, het is als een baarmoeder. Het meer is koud, het is de buitenwereld, de mannenwereld. Sylvain Tesson beweegt zich tussen die twee, hij heeft beide nodig, een juiste afwisseling van binnen en buiten, passief en actief. Het is de meest expliciete metafoor die ik me herinner. Maar doordat mens en landschap zo intens met elkaar in relatie gaan lijkt alles wel te verwijzen naar het leven zelf. De zinnen die hij citeert uit de boeken die hij leest, helpen om die verbinding te weven. Op de dag voor zijn vertrek, bijt zijn hond een nest kleine eendjes dood. Het stemt hem droef over die eendjes, maar maakt zijn liefde tot de hond niet kleiner. Hij legt er zich zonder veel woorden bij neer: zo is het, het hoort bij het leven. In die ene gebeurtenis toont hij de grote acceptatie die in hem is gegroeid.     Violette Leduc, De bastaard 1964 ‘Mijn geval is niet uniek: ik ben bang om dood te gaan en ik vind het vreselijk dat ik besta.’ Met deze eerste zin is de toon gezet: Violette is geen held, ze leeft gewoon het leven. Dat is lastig, maar moet gebeuren. Dit boek is een echte lotsbeschrijving. Violette is ongewild geboren, als een bastaardkind. Haar verhaal is eigenhandig geschreven, vanuit haar ‘lot’ schildert ze daarbij zichzelf niet als slachtoffer af, noch als dader, ze is geen held, maar ook geen antiheld. Ze is vooral verschrikkelijk eerlijk, houdt voor zichzelf en voor de lezer niets verborgen, het lijkt soms zelfs alsof ze de kleine kantjes opzoekt die de meeste mensen liefst wegmoffelen.   Sympathie Ik voel sympathie voor deze Violette, net omdat het niet haar bedoeling is zich te verantwoorden of de lezer voor zich te winnen. Ze oordeelt niet over zichzelf. Als ze in Parijs komt, geraakt ze helemaal verslingerd aan mode en luxeproducten. Ik wenste dat ze daar weg zou gaan en vanuit dezelfde drang naar voelen terug de bomen en de wolken zou beschrijven en tegelijk begrijp ik dat ze moest blijven. Ik ergerde me aan haar als ze een zwart handeltje opzet tijdens de oorlog en tegelijk kan ik het begrijpen. Violette lijkt op de wereld gebracht in een hoopje moeilijkheden die ze haar hele leven met zich meesleurt. Ze heeft het erg lastig om relaties aan te gaan en uit te bouwen, als bastaardkind start ze van diep onder nul wat de liefde betreft. Armoede en tekort zijn er al van voor ze geboren was, al was haar vader de zoon van de rijke familie waar haar moeder als huismeid terecht gekomen was. Ze kan niet met geld omgaan, hunkert bijna ziekelijk naar overdaad en luxe. In haar kindertijd ontwikkelde ze strategieën om te overleven, als volwassenen blijft ze die inzetten. Wat ze tegenkomt in haar bewogen leven, gebeurt alsof het moet gebeuren om bevrijd te kunnen worden van de toestand waarin ze geboren werd en opgroeide.   Verteller en personages Er is maar een verteller, alle anderen zijn medespelers, heel vaak ook tegenspelers, ze hebben hun rol en functie in het leven van Violette, maar buiten dat leven zijn ze van minder belang, je komt niet te weten wat ze denken of voelen. Alles wat zich buiten haar leven afspeelt, lijkt van minder belang. Violette speelt de hoofdrol helemaal zelf.   Tijd en tijdsverloop Het boek volgt grotendeels het verloop van haar leven van voor haar geboorte tot het einde van de tweede wereldoorlog, het ontvouwt zich: thema’s verschijnen en komen terug. In het begin en op het eind spreekt ze vanuit de jaren 60 de lezer aan. Minstens ook een keer tussendoor verschijnt een fragment uit 1961. Zo eindigt ze in 1963: ‘Steunend op de stilte van de dennen en de kastanjebomen loop ik onversaagd dwars door de brandende kathedraal van de zomer. Grandioos en zoetvloeiend is mijn steile pad van laaiend gras. Vuur drukt de eenzaamheid mij op de mond’. Deze laatste zinnen van het boek schrijft ze 20 jaar later, op het moment dat ze aan de uitgave van het manuscript denkt. Ze is eenzaam, het klinkt niet of ze rust gevonden heeft, tegelijk verklaart ze de liefde aan het land, de vurige drang om te leven.   Maatschappelijk historische tijd De geschiedenis heeft het levenslot van Violette Leduc sterk bepaald. De armoede tijdens de eerste wereldoorlog was tekend voor haar kindertijd, tijdens de tweede wereldoorlog zet ze een zwarte handel op. Maar nooit beschrijft ze wat die oorlogen op andere plekken met ander levens heeft gedaan. Ze heeft het helemaal niet over de nazi’s, over Hitler, over de medewerking van het Franse regime aan de deportaties. Daarvoor is ze te hard bezig met haar eigen leven. Solidariteit of andere idealen zijn haar vreemd, ze is niet vatbaar voor politiek of godsdienst, wel voor schoonheid. Eigenlijk is ze behoorlijk egocentrisch, zo heeft ze als kind weten te overleven en het is de manier waarop ze zich blijft redden.    De focus Heel het boek gaat over hoe Violette met de omstandigheden omgaat waarin ze geboren is, opgroeit en die ze zelf creëert. In het schrijven zelf zit haar vrijheid, haar zinnen laten het licht door, ze schrijft heel zintuiglijk, zinnelijk zelfs. Ze klampt zich vast aan het leven als aan een geliefde, in een wonderlijk mengeling van angst, overgave en tederheid. De mooiste zinnen zijn die waar ze natuur beschrijft en de liefdesnachten met Isabelle in het internaat.    Motieven en thema’s Het zinnelijke, sensuele: voelen, kijken, proeven, strelen,… alles lijkt wel aanraking. ‘Rondtrekkende geuren bereikten me, ik wreef mijn voorhoofd in met het blad van een notenboom, ik liep naar school onder het bladerengewelf, ik ademde licht in en de lekkere lucht, de wind maakte de takken het hof’. In haar manier van schrijven verraadt ze haar grootste levensthema: de zoektocht naar haar seksuele identiteit, naar aanraking, naar liefde en verbinding. Geld en bezit zijn een ander thema. In haar kindertijd kende ze tekort, ze ging de kolen stelen voor haar moeder. Maar ze is ook het kind van een meid en een rijkeluiskind, ze werd niet erkend door haar vader en diens familie. Haar hunker naar luxe kan ook daar uit voortkomen. Haar afkomst: Violette Leduc een bastaard. De titel zegt het. Haar moeder is erg bepalend in haar leven, haar vader is een lege plek, een schaamte, een verlangen, een onmogelijkheid. Natuur en cultuur, stad en platteland. Haar leven speelt zich af als een zoektocht tussen Parijs en het platteland, tussen wie ze is en wie ze wil of moet zijn. Als kind op de boerderij wist ze het. Dankzij haar zwarthandeltje en de oorlog komt ze terug daar terecht waar ze zich het beste thuisvoelt.   Beeldspraak en metaforen. Violette Leduc gebruikt veel beelden, ze plukt ze uit de natuur van haar kinderjaren, legt ze tussen zichzelf en de werkelijkheid, ze zijn haar hoop, haar steun, haar enige houvast.  ‘Ga terug naar huis, Violette, roer je op de divans lindebloesem die je hebt geplukt. Ik plukte onder de koepel van de jonge linde, ik verenigde me met die wereld van bloemen, van huisjesslakken, van bladeren waarin de bijen mijn sluier sponnen.’ (p.369) ‘We luisterden naar de wervelende ster in onze ingewanden, we volgden de raderen van het duister in de slaapzaal’ (p. 95)              

Adinda
6 1

(1) Dani Shapiro, “Hourglass. Time, Memory, Marriage”, Knopf, 2017. (2) Rita Verschuur, “hoe moet dat nu met die papillotten, Van Goor, 1991.

Wie vertelt mij het verhaal? Dani Shapiro, de auteur die op de kaft van het boek staat vermeld. Het verhaal is in de ik-persoon geschreven. Het is een autobiografisch boek, waarin Shapiro het verhaal vertelt vanuit het ‘nu’, de leeftijd die ze heeft wanneer ze het boek schrijft (52 jaar is dat, dat  vermeldt ze ergens in het boek) .   Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? Het vertelperspectief wisselt niet. We lezen alles vanuit de ik-persoon die steeds dezelfde blijft, maar af en toe wel wijze raad geeft aan haar ‘zelf’ van vroeger, nadat ze schriftjes terugvindt van net voor haar huwelijk of haar huwelijksreis. Die leest ze terug, en ze reflecteert op hoe ze nu geëvolueerd is, wat ze toen dacht en hoe het nu is. Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? De eerste zin luidt: “From my office I see my husband on the driveway below.”In de eerst zin worden meteen de twee ‘hoofdpersonages’ van het boek vermeld. De ik-persoon (de schrijfster) en haar echtgenoot. Dat het om de hoofdpersonages gaat, weet je als lezer al omwille van de ondertitel van he tboek (time, memory, marriage). Inhoudelijk lijkt de eerste zin banaal (de schrijfster ziet haar man), maar kan tegelijkertijd als beladen overkomen en symbolisch geïnterpreteerd worden. Zij zit in haar bureau, is aan het werk, terwijl haar man buiten op de oprit staat (wat staat hij daar te doen, moet hij niet werken?), ze kijkt naar beneden (below), de eerste zin komt op die manier over als een soort van metafoor waarbij de schrijfster van bovenaf haar leven (en haar man) observeert en erover schrijft enerzijds en tegelijkertijd kan het iets zeggen over hun verhouding en de balans daarin (hiërarchisch, de sterke versus de zwakke, de zekere versus de zoekende?),… Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? De lezer kijkt door de ogen van de ik-persoon en dat is de schrijfster, we krijgen haar verhaal, over haar leven, haar gedachten, het samenleven met haar man, tegenslagen, gedeeld geluk. Af en toe (be)schrijft ze reacties van haar man, of schrijft ze hoe hij dingen heeft aangevoeld, maar het is haar verhaal. Ze is zich wel heel bewust dat ze niet ‘uit één stuk” bestaat, maar gevormd is door verschillende ‘zelven’ die door de tijd heen en afhankelijk van de ‘rol’ die ze in haar leven opneemt (moeder, echtgenote, vrouw, professioneel) anders is. Daarop wordt gereflecteerd. 136/ “I understand that I am composed of many selves that make up a single chorus.” Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? De verteller neemt je mee in haar gevoelsleven, vertelt ogenschijnlijk kleine anekdotes die later in het verhaal terugkomen en gekoppeld worden aan nieuwe ervaringen, gedachten en op die manier heel betekenisvol blijken in het leven van de schrijfster. Het worden kapstokjes, rode draden, knooppunten. Op die manier word je deelgenoot van een vol, samenhangend en intiem verhaal dat bovendien altijd geschreven is met respect voor de personen waarover geschreven wordt. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Nvt Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? De Echtgenoot: Shapiro schrijft over haar echtgenoot ‘M’: hoe hij handelt, zich voelt, wat hij doet, maar we krijgen zelden rechtstreeks iets van hem te horen. Ze schrijft expliciet dat er ook voor haar zwarte gaten zijn: “Still, there are pockets, absences. Sinkholes inside my husband where whole other lives are contained – ones impossible for me to know. His years in Africa are inaccessible to me.” Eén keer krijgen we de echtgenoot rechtstreeks te lezen. Bijna op het eind toont ze de gelofte-brief die hij haar voorlas op de dag van hun huwelijk. Het is een brief die helemaal bevestigt wat ze voordien allemaal schrijft: hoe zij zich voelt ten aanzien van haar man en hoe ze denkt dat hij zich voelt. Het is natuurlijk heel mooi die bevestiging aan het eind ook te lezen – al wist de schrijfster natuurlijk al lang dat ze daar naartoe schreef… De zoon: Er wordt over de zoon geschreven in functie van de relatie die Shapiro en haar man hebben, maar de zoon zelf komt niet aan het woord. De zoon als liefdesbaby van de twee, de zoon met een ernstige ziekte die hun relatie juist sterker maakt, de zoon als knappe, steeds meer onafhankelijke jongvolwassene. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Het verhaal is in de grote lijnen chronologisch: je ziet als het ware de schrijfster aan haar bureau zitten en dit verhaal neerpennen, waarbij ze af en toe terugkeert naar vroeger en uitlegt hoe het vroeger was en hoe het daardoor nu loopt hoe het loopt, als een boom met veel zijtakken: Begint wanneer het putje winter is en op het ogenblik dat ze ‘schrijft’ Volgende paragraaf vertelt ze over de vorige herfst Mijmering over 20 jaar huwelijk en daardoor een soort van toonzetting (‘hierover gaat het boek’) aan de hand van een heel concrete herinnering/gevoel: “I’ll take care of it, M. said. A familiar refrain, one I have always loved and long to believe. This longing – my longing – is part of our marriage. We have been together for nearly two decades.” Vanuit het nu een blik op haar man voor het huwelijk Weer naar gisteren: M vond boekjes van haar huwelijksreis Op basis van die boekjes, mijmering over de snelheid van de tijd: “I feel time collapsing on itself. It is as if I reach out and tap that blissed-out honeymooning not-so-terribly young woman on the shoulder, point her away from the fluffy towels and cafés and shitting pigeons, and direct her towards another screen, a future screen.” P. 9 11: “Some facts, at the moment I write this, I am fifty-two. M is fifty-nine. …”   Shapiro geeft ons het gevoel dat ze eigenlijk gewoon continu aan haar schrijftafel zit en mijmert over haar huwelijksleven, dingen aan elkaar knoopt, inzoomt op een bepalend moment, rondfladdert als een vlinder van struik tot struik, moment tot moment, …. Uiteraard zijn er lege plekken en weet je niet alles, maar je hebt helemaal niet de indruk dat het geen samenhangend verhaal is. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? Shapiro schetst in haar dunne boekje van 150 blz het gevoelsleven in haar 18 jaar durende huwelijk. Er is dus niet zo gek veel tijd nodig om het verhaal te vertellen, maar door een aantal bepalende dingen aan te halen en het gevoelsleven daarvan te benadrukken, heb je als lezer het gevoel dat je heel goed mee bent in hoe het daar zit.   Ze maakt tijd trouwens heel expliciet een onderwerp in haar boek. Op een bepaald moment kijkt ze samen met haar man naar een slideshow waarop alle foto’s van hun gezamenlijk leven ad random worden afgespeeld: p 17: “It’s the randomness that’s mermerizing. Just five more, we’ll sit, transfixed. Okay, really, now just seven. Ten, and we’ll stop. The jumble of images! At times I’ll turn to M. and ask what I’m looking at. Were were we? What was the moment? (…) When chronology is eliminated, when life is shuffled like a tarot deck, it’s hard to keep track.”   Of nog p. 116 (over eindigheid): “Some things that definitely won’t happen: we won’t have more children, we won’t host big family reunions, we won’t own a compound where generations will spend summer weekends playing badminton and roasting ‘s mores.” In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Het verhaal speelt zich af in het heden. Er wordt niet expliciet over actualiteit of gebeurtenissen gepraat, maar heel terloops komen een aantal elementen ter sprake die voldoende zijn om de plaats, cultuur en het historisch kader neer te zetten en die terloopsheid versterkt de geloofwaardigheid: De joodse cultuur (Hineni, Bar mitswa) Amerika: Walmart, 60 minutes, “Another close-up of the front page of the New York Times: “two youths in colorado school said to gun down as many as 23 and kill themselves in a siege” Provence en Parijs op huwelijksreis: benoeming van herkenbare, typische buurten A popular book about the japanese art of tidying up: dat is een boek dat niet bij naam wordt genoemd maar waarvan je meteen weet over welk recent boek het gaat. Poëzie van Wendell Berry … Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? Ik heb, nadat ik het boek uithad, het volgende gegoogeld: ‘echtgenoot Dani Shapiro’ , ik was dus nieuwsgierig of het écht allemaal echt is: zijn naam, zijn beroep, zijn carrière. En ik wilde graag ook zien hoe het koppel eruitziet. Ze zien er helemaal anders uit dan ik eerst dacht. Maar je moet niets opzoeken om dit verhaal te begrijpen. Waar ligt de focus van het verhaal?Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen?Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Focus ligt op hoe een vrouw verschillende mensen in één is, hoe je als koppel op mekaar ingespeeld geraakt, hoe tijd, relaties en gevoelens evolueren.   Mijmering en terugblikken over het verloop van het leven, waarbij het huwelijk en de relatie tot de man centraal staan, en hoe het ‘zelf’ geëvolueerd is, wat ankerpunten zijn geworden, … Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?   Het zelf Kleine zinnetjes en gesprekken die bepalend zijn Notities – het schrijven De tijd die vooruit gaat En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor?     boek 2 Rita Verschuur, “hoe moet dat nu met die papillotten, Van Goor, 1991.   Wie vertelt mij het verhaal? Rita Verschuur, de auteur die op de kaft staat vermeld. Het is een autobiografisch boek, het is in de ik-persoon geschreven, maar vanuit kinderperspectief. De ik-persoon is aan het begin van het boek 4 jaar oud (in 1940) en aan het eind 9 jaar oud (in 1945).   Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? Het vertelperspectief wisselt niet. We lezen alles vanuit de ik-persoon die op 126 pagina’s wel 5 jaar ouder wordt (van 4 naar 9 jaar) wat voor die leeftijdscategorie een hele grote tijdsspanne is. Het kind weet niet alles, vanuit haar kleine ervaringswereld geeft ze haar eigen interpretaties, hetgeen heel mooie effecten oplevert omdat je als oudere lezer ‘wel beter weet’ maar aan de andere kant ook de onbevangenheid van het kind kwijt bent en het je dus ‘anders’en opnieuw ‘voor de eerste keer’ naar de dingen laat kijken. Het boek lijkt opgevat als een soort dagboek met per blad een ervaring of gebeurtenis (genummerd). Het is geschreven in de tegenwoordige tijd eerste persoon: ‘ik zig-zag op mijn autoped tussen de mensen door en telkens hoor ik dat woord oorlog.’ Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? De eerste zin luidt: “Ik word wakker van een gonzend geluid.” Deze zin zegt op zich niet zoveel maar je kan er wel een aankondiging in zien dat zintuigelijke ervaringen belangrijk zijn. Een jong kind, dat alles voor de eerste keer beleefd en nog niet over een breed vocabularium beschikt om zich uit te drukken, zet al zijn zintuigen in om de wereld in zich op te nemen. Geluid, lichtsterkte, geuren, …het zijn ook dingen die je je als volwassene nog precies herinnert bij bepaalde momenten van je kindertijd. Het is een heel ‘tactiele’ zin. Een ‘gonzend geluid’ kan ook iets onheilspellends aankondigen. Het wordt in het boek op de eerste bladzijde al duidelijk dat de oorlog begonnen is en die oorlog speelt het hele boek een belangrijke rol. De eerste zin verbindt dus twee eigenschappen die doorheen het boek, voor de sfeer en de toonzetting, eigenlijk heel belangrijk zijn, al is de zin op het eerste zicht van weinig belang. Subtiel. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? Je kijkt door de ogen van de kleine Rita die je vertelt over haar dagelijkse ervaringen tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 – de oorlog is continu (maar soms slechts op de achtergrond) aanwezig. Het gaat evenzeer over de scheiding van haar ouders, de nieuwe vrouw van haar papa en haar gevoelends daarover, haar dagjes uit met haar grootouders. Je wordt als lezer dus in een soort kikvorsperspectief geplaatst (kleine meid) die beschrijft hoe de wereld aan haar voorbijtrekt. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? Bij de ik-persoon, het kleine meisje dat heel ontwapenend en zonder veroordeling toch haar gevoelens heel eerlijk uit. Opeens hertrouwt haar vader met een mevrouw die echt helemaal niet zo aangenaam lijkt te zijn – dat voel je aan door wat Verschuur schrijft – maar toch doet ze dat vanuit een kinderpen en wordt het nooit kwetsend. Dat is knap gedaan. Je bent als volwassen lezer geneigd het een vervelend mens te vinden en dat Rita beter verdient, maar dat beoordeelt zij zelf nooit op die strenge manier. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Nvt Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? De vader, de moeder, de stiefmoeder, het vriendinnetje en de opa van Rita zijn de belangrijkste figuren uit/in haar omgeving. De gevoelens en gedachten van die personen krijgen we uit tweede hand, via de interpretatie van de kleine Rita, en af en toe door een rechtstreekse dialoog. Maar ze komen nooit zelf aan het woord. Het zijn wel de bepalende figuren in haar leven. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Het verhaal wordt chronologisch verteld. Het is opgebouwd in 5 hoofdstukken, die naar thema niet van elkaar verschillen, maar slechts door het jaartal die indeling krijgen: het boek overspant 5 jaren. 1940 telt 11 pagina’s 1941 telt 6 pagina’s 1942 telt 7 pagina’s 1943 telt 25 pagina’s 1944 telt 32 pagina’s 1945 telt 24 pagina’s   Het boek zijn geen dagboekfragmenten maar je zou het zo wel kunnen omschrijven. Het gaat om kleine gebeurtenissen en sleutelmomenten in het leven het kind. Er is geen sprake van een heel concrete verhaallijn, maar wel van gebeurtenissen die min of meer aan elkaar hangen. Je krijgt een prima beeld van de leefwereld van een kleuter en hoe die oorlog en het familieleven ervaart.   1940 (11 pagina’s) (oorlog, familie, angsten van een kind) Hoe Rita te horen krijgt dat het oorlog is en wat ze daarbij voelt (blij, oorlog is fijn want veel mensen op straat) Hoe de oorlog zich concretiseert in het uniform van oom jan en hoe ze zich nu voelt (oorlog is het ergste dat er is) Het bezoek afluisteren– wat er zou kunnen gebeuren bij de oorlog Concrete impact van de oorlog – en haar gevoelens tav Duitsers Angst voor gewone dingen omdat Duitsers om alles boos zouden kunnen worden Een nieuw vriendinnetje – Rita Bezoek van een meneer die een andere taal spreekt Hoe papa anders kan zijn als hij niet met mij maar met een grote mens bezig is (als een jongen) Hoe het haar op school vergaat De familie van het vriendinnetje Angst dat mama haar vergeten is op de school Troost en angst voor de Duitser   1941 telt 6 pagina’s (oorlog) Altijd bang op school Het marcheren van de Duitsers Joden moeten mee Hans, de broer van Rita, en in de loopgraven spelen De grote school en lezen Bij luchtalarm onder de bank kruipen   1942 telt 7 pagina’s (familie) Samen met Rita op verlof op een boerderij De grammofoon en hoe die werkt Bij opa en oma Verschuur: geuren en stoelen en wat ze doen Bij opa Bij opa en de steentjes die ik zoek in het grind Bij opa en oma Bussum die nooit iets tegen haar zeggen Hoe mama het haar van papa kamt die dat niet leuk vindt   1943 telt 25 pagina’s (familie, scheiden, tijdsbeleving) Vrij van school omwille van de oorlog Mama en papa tennissen op Wimbledon Papa en mama maken ‘s nachts ruzie Gaan ze scheiden? Mama zegt dat ze gaan scheiden Opa Vershuur en wandelen (eeuwigheid) De turkwaasjes Met opa naar de plantentuin (elk jaar komt er een bloem) Volwassen worden en een korset dragen (in dit hoofdstuk is de tijd en het besef daarover duidelijk een (subtiel) issue) Turkwaasjes Mama is verhuisd Tante Bine slaapt in het kinderbed Mama woont bij juffrouw Rietz Rita vraagt haar vriendinnetje of ze liefst papa of mama heeft Een andere vriendin komt papa helpen Die nieuwe vriendin is niet zo leuk Logeren bij een tante en oom, die zijn niet gescheiden Mam is weer verhuisd, ze geeft massages Mama wil terugkomen maar papa wil niet De nieuwe vriendin verbiedt me iets De nieuwe vriendin nodigt deftige mensen Papa en mama zeggen ‘Rita’ aan ‘Toon’ tegen elkaar Papa gaat trouwen met de nieuwe vriendin Hoe ik eruit wil zien op de trouw Papillotten in mijn haar   1944 telt 32 pagina’s (Familie en gevoelens, oorlog,) Het huwelijk De nieuwe inboedel van moeder Het zingen van moeder is niet leuk Ik wil liever mama maar soms denk ik dat ze mijn mama niet meer is Juffrouw Martens Albert is joods en heeft een wonde Bang van moeder Zelf afwassen Moeder is zwanger Een muis in het bed Een brandende trein Liegen tegen de moffen Papa moet toch niet mee met de Duitsers Luchtalarm op school De school is dicht Spelen bij Rita Bij Rita slapen Poepen in bed Broertje wouter Moedermelk Tulpentaart Pikant uienpateetje Gaarkeuken en vallen Drinken aan het brouwerskolkje Spelen in de loopgraven Bijgeloof om de oorlog te stoppen Evacuatie en nieuwe mensen in huis Te veel volk in huis Boter Huilen in bed Wandelen met de baby’s   1945 (oorlog en de bevrijding) Al mijn jurken zijn te kort Helpen bij het wassen van woutertje en de kom laten vallen Petertje heeft vaders leven gered Twee moffen zoeken vader Luizen Haar eraf Drie kinderen sterven Zweeds witbrood De oorlog is gedaan Meerijden met de Canadezen Een collaborateur Samen het volkslied zingen De verstopplaats Mevrouw Martens Piedewiedewiet Mama gaat vieren met de Canadezen Mama stuurt kaarten Padvindersriem Snoep van juf rietz Leslie van canada Verstoppertje spelen op straat Op bed springen Duitsers uitlachen Turkwaasjes en te groot geworden voor zulke grapjes   Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? 5 jaar in 120 pagina’s en dus 120 fragmenten. Het zijn snapshots. Herinneringen van een klein meisje die voldoende informatie geven om de leefwereld van het kind goed te schetsen. Wat niet opvalt in het boek is dat Rita ouder wordt, je krijgt als lezer niet de indruk dat het taalgebruik uitgebreider wordt, maar het stoort ook niet. Het is pas door er achteraf over na te denken dat het opvalt nochtans doorloopt een kind toch een hele ontwikkeling tussen 4 en 9 jaar, dus dat is toch een beetje vreemd. De vijf hoofdstukken zijn chronologisch opgebouwd, en binnen de hoofdstukken is er ook een chronologie maar die lijkt van minder belang omdat het op zich staande kleine anekdotes zijn.   In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Het verhaal speelt zich af in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog. Er wordt heel veel maar wel subtiel naar de oorlog verwezen en de impact die dat heeft op het dagelijkse leven: weinig voedsel en de creativiteit die dat met zich meebrengt (tulpentaart eten, pikant uienpateetje, moedermelk drinken), het gebrek aan kleding (de rokken die almaar verlengd worden met lappen stof), kapotte fietsen, de school die dichtgaat,.. heel concrete dingen die een jong kind toch meekrijgt: de dood van drie kindjes die op terugweg van de school door een bom zijn gedood,.. Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? neen Waar ligt de focus van het verhaal?Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen?Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Het gaat om het levensverhaal van een klein kind en de klemtonen daarin: hoe een kind de tweede wereldoorlog als macro gebeurtenis en een scheiding als micro gebeurtenis ervaart, waarbij er een duidelijk begin is, m.n. het boek begint de dag dat de oorlog start en het eindigt na de bevrijding. De oorlog vormt het decor waarbinnen zich het familieleven afspeelt: gekibbel, scheiden, nieuwe vrouw, vriendjes maken, opa en oma, … die dingen komen in verschillende fragmenten terug en vormen uiteindelijk het weefsel van haar leven. Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?   Het verloop van de tijd voor een kind – tijdsbeleving Angst, oorlog, schaarste Geborgenheid en het omgekeerd (mama en moeder) En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor?  Neen, er is geen beeldspraak omdat dat niet zou kloppen uit de mond van een jong kind. Wel wordt er opeens over ‘moffen’ gesproken, een woord dat kleine Rita allicht heeft opgepikt van de volwassenen en het dan ook begint te gebruiken. Je merkt op die manier hoe die oorlog binnensluipt in alles en hoe een kind een spons is die alles absorbeert.   Als je wil mag je jouw antwoorden posten op azertyfactor. Vermeld duidelijk auteur en titel van de roman.       

Sabine Steels
0 0

Another Brick In The Wall

‘Dus je gaat écht écht gaan?’Als ik een euro kreeg voor elke keer dat deze vraag me werd gesteld lag ik nu ergens op een wit strand in Ibiza veel te dure mojito’s te drinken terwijl modellen me met palmbladeren wat koelte toewuiven. Maar eerlijk? Ik heb het mezelf ook meer dan eens afgevraagd.Toen ik twee weken voor vertrek mijn treinticket boekte kwam het besef dat ik een eenrichtingsstraat was ingereden: ik weigerde terug te keren voor ik Santiago bereikt had, al was het maar om al die twijfelaars te bewijzen dat ik het wel degelijk kon.Desnoods zou ik me ernaar toe slepen. Voor elke verbaasde blik die ik kreeg hoorde ik ook een ‘Goh, dat zou ik nu ook nog wel eens willen doen’. Sommigen begonnen, net als mijzelf, stille plannen te maken die meestal al snel tot ‘onrealistisch’ of ‘zot’ werden bestempeld door tijdgebrek, een vaste job, een lastig lief, stijve spieren of kleine kinderen.Natuurlijk heb ik makkelijk spreken: ik ben net afgestudeerd, vrij als een vogeltje met een algemeen goeie gezondheid en zeeën van tijd. Er is niets of niemand om rekening mee te houden, behalve misschien die bankrekening, en zelfs dan nog was de kans dat ik uitgehongerd zou terugkeren uit Spanje nihil. Ik besef dat het pad voor mij wagenwijd openlag terwijl zoveel mensen op een torenhoge muur botsen waar alleen nog meer stenen bij komen.Maar toch.Tijdens mijn tocht ben ik mensen tegengekomen uit alle leeftijdscategorieën, landen en sociale statussen,… die er op deze aardbol rondlopen. Mensen die hun hele hebben en houden in een of andere garagebox hadden geslingerd en naar Spanje waren vertrokken. Mensen die hun jobs hadden opgezegd, relaties hadden verbroken. Mensen met alles, veel mensen met niets.Zij die de muur die hen belemmerde in enkele seconden hadden neergehaald met de sloopkogel.En ze wisten niet of hun gebroken harten ooit geheeld zouden worden, of ze ooit terug een job zouden vinden, laat staan een thuis, maar gedurende die vijf weken waarin ik tientallen mensen heb ontmoet zat er niet één tussen die er spijt van had.Nu voor je de scheiding aanvraagt en dat ‘Te Koop’ bordje aan je huis hangt moet ik ook zeggen dat naast die impulsieve groep mensen een grotere groep stond die dit al jaren gepland had. Een groep die mettertijd de muur steen per steen afgebroken had. Je hoeft dus niet direct een werf van je leven te maken. Eén steen. Eén stap. Daar komt het dus wel op neer. Die voetstap die ik zette als oververmoeide, stinkende pelgrim die nog 500 kilometer te gaan had was even belangrijk als die stap die me naar het midden van het plein voor de kathedraal van Santiago bracht. Ik moet er gemiddeld zo’n 40.000 per dag gezet hebben en allemaal waren ze even kostbaar en essentieel. Nu als werk- en levensdoelzoekende persoon sta ik vastgenageld aan de grond, wil ik de bestemming al kunnen zien voor ik begin te stappen, net als zo velen. Meer dan ooit voel ik me op dit moment diezelfde stervende pelgrim, ergens op een verlaten zandweg zonder eind en sta ik opnieuw voor de keuze: stilstaan of doorgaan. Maar ik weiger tegengehouden te worden, ook niet door mezelf.Dus laat ons die muur met de grond gelijk maken en vertrekken, wat de ongelovigen ook mogen zeggen of hoe ver ons bestemming ook nog mag zijn.   Ooit komen we aan.

Woordenwandelaar
1 0