Lezen

Maman Thérèse (opdracht 2, Kristien)

‘Je moet gaan slapen, Kathy. Je kan niets doen en het is beter dat ze geen blanken zien’, zegt Thérèse. Vanuit de stoel op het donkere terras staat Kathy recht. Ze wuift naar de drie studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis met naam Mont-Thabor en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby met zijn moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en staart naar het plafond. Zaïre. Zeven weken geleden landde ze in de hoofdstad Kinshasa. De chaos op het vliegveld, de zwoele kleverige warmte, de vele zwarte mensen, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten van de kraampjes langs de straten overvielen haar toen. De ochtendlijke wandelingen doorheen de buitenwijken en de discussies met de lokale bevolking introduceerde haar tot een nieuwe wereld. Op een luchtige wijze kwam ze de laatste nieuwtjes te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger van de bevolking en de uitzichtloosheid van de regering. Ze schrikt wakker. Ze gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. Kathy staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. Kathy moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van Mont-Thabor aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen Kathy uit hetzelfde te doen. Kathy geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse komt aangelopen en leunt tegen de deuropening. ‘Kathy, l’ambassade Belge te cherche. Ze zoeken je. Ik heb het via radiocontact vernomen’. ‘Ah oui? En wat moet ik nu doen?’, vraagt Kathy. ‘Wij kunnen je nergens heen brengen want de benzine voor de wagen is op. Bovendien is het nu te gevaarlijk om op straat te gaan. Het komt wel in orde’. Thérèse stapt naar de keuken en organiseert het middagmaal. Kathy volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. ‘Gisteren heeft een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald. Maar toen hij thuis kwam was zijn vrouw woedend. Hij had alleen schoenen voor de linkervoet mee’. Ze lachen allemaal. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. ‘Bon appetît mes enfants’. In slilte slokken ze hun bord leeg. Thérèse komt terug binnen en kijkt bezorgd naar Kathy. ‘Wat ze morgen zullen eten weet ik nog niet’. Thérèse. Altijd opgewekt naar buiten. Altijd vol oplossingen en vooruitzichten. 35 jaar geleden kwam ze, als Belgische bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen naar Kinshasa om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden waar vele studenten mee kampten, openden ze hun grote huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er ook steeds meer wees- en straatkinderen bij. Ze vormden hun huis om tot het gemeenschapshuis Mont-Thabor waar ieder een plaats en taken kreeg.   Het is drie uur. Er wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. ‘Oui?’ vraagt ze beleefd. ‘Het is voor Kathy, la Belge.’ ‘Er zijn hier geen blanken’. Thérèse die het gesprek op afstand volgt, snelt naar de poort. ‘Oui, Monsieur. Kan ik je helpen?’ ‘De ambassade heeft me gestuurd om Kathy op te halen.’ ‘Ik versta het’. Thérèse opent de poort. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. Kathy moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Ze omarmt vlug drie kinderen en Thérèse. ‘Thérèse, het is voorbij voor mij. Kan je alstublief aan iedereen zeggen dat ik moest vertrekken en dat ik het jammer vind dat ik geen afscheid kan nemen?’ Kathy heeft tranen in de ogen. ‘Pas de problème. Ik zal het doen. Denk nu en dan nog eens aan ons hier’, antwoordt Thérèse. Een jonge moeder brengt Kathy haar pasport, fototoestel en rugzak. Kathy stapt in. Kinderen en enkele volwassenen wuiven haar uit. Ze hangt uit het venster op de achterbank. De chauffeur roept kwaad ‘Ben je zot? Wil je je leven riskeren? Doe vlug het venster dicht.’ Kathy zwaait van achter de geblindeerde vensters verder naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de Belgische ambassade. De wachter herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de wachter commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. Kathy is veilig. Haar Zaïrese collega’s en vrienden niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol Belgen. Vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. Kathy eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. Kathy schrijft afscheidsbrieven voor de mensen van Mont Thabor en neemt haar dagboek. ‘Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe’ Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.

Kristien Vliegen
0 0

Genoeg!

Genoeg! Het is genoeg! Ik heb de cursus bestudeerd, heb mijn sesam-broodjes belegd met de gedaantes van verteller en schrijver, heb er me, met de assistentie van een detox-love thee met kurkuma, ananas en gember, bio, raw, vegan, heb me er bij neergelegd dat ik altijd buiten de tekst zal staan want ik bén de schrijver – ik, die graag bladzijde na bladzijde inniger in mijn verhaal en in mezelf zou willen duiken, aiaiaiaiai- ik schuif vertelinstantie, alwetende en zovele andere niet-wetende vormen van perspectief opzij – ik moet wel, de tijd dringt! – en ik vertel. Ik overtreed de regels. Tant pis. Ik schrijf!               Ik ben een paar tientallen jaren jonger. Pardon. ZIJ is een paar tientallen jaren jonger. Gaat het café binnen. Gelukkig, de rook van sigaretten en sigaren is dragelijk. De asbakken op de tafels zijn leeg. De eikenhouten lambrizering, de spiegel en de glazenkast achter , de sierlijk uitgesneden houten panelen van de toog, het zachte, wit marmeren blad er bovenop, de lederen banken, de deuren en ramen met gezandstraald glas, de muurschilderingen overal, het overvalt haar. Prachtige Neo Renaissance, zeggen de kenners. Het is niet aan haar besteed. Het is te. Te gemanieerd. Te bruin. Te warm. Te stil. Te weinig lucht. Dat vooral: te weinig lucht.   Maar hij heeft hier met haar afgesproken. Ze kijkt rond, knikt vriendelijk naar de kelner, ziet hem dan zitten, een beetje op afstand van de andere klanten. Ze glimlacht, stapt op hem af. Hij helpt haar uit haar mantel, geeft die door aan de kelner, bestelt dadelijk twee koffies, (koffie, ja toch?), schuift haar stoel bij, gaat zelf zitten aan de overkant van de tafel, recht tegenover haar. Hij steunt op de ellebogen, leunt een beetje voorover, tokkelt op de tafel met de vingers van zijn normale hand, bekijkt haar, ze spreken over koetjes en kalfjes, wachten tot de kelner de bestelling brengt. Dan zegt hij wat hij te zeggen heeft. En zelfs nu, na al die jaren, komt bij haar het beeld boven van hoe hij daar zit. Als een onderhandelaar. Doe je dit voor dat. Het is pas nu, nu de beelden opnieuw verschijnen, dat ik er de woorden bij vind - en wat, wat met die woorden? Benoemen ze wat op wacht stond in mij, of wordt wat er verschijnt , in mij verwekt door woorden?   Hij: ‘Je weet toch waarom ik je gevraagd heb om je alleen te spreken?’ Zij: ‘ Nee. Geen flauw idee. Misschien wil je me wel uitnodigen om mee naar het theater te gaan. Of naar de film of zo. Misschien wil je me vragen of ik mijn nota’s met jou wil delen. Of om samen iets in te studeren. Je combineert rechten met politieke en sociale. Al dat noteren, corrigeren, overschrijven, met je arm… (haar adem stokt abrupt. sorry.sorry) Sorry. Sorry. Het is niet kies om daar over te beginnen…’ Hij: ‘ Het is niets, het is niets. Maar ja, het is toch wel iets in dat verband. Ik wilde je vragen… ‘ (hij valt stil). Zij: ‘ Wàt is het, zeg het. Wie weet lukt het wel, kunnen we samen…’ Hij: ‘ Welja. Misschien kunnen we samen… Ik wilde… ik wilde… eigenlijk wilde ik je vragen, of jij met mij wil verkeren.’ Zij: (ze strekt haar rug, bekijkt hem, perplex) ‘Maar jong toch! Maar jong toch!’ (ze is van slag, ze zoekt een antwoord, ze wil hem niet kwetsen, hij, met die drie vingers aan zijn rechterarm, die rechtstreeks aan de elleboog zijn gegroeid, als blaadjes veldsla op een zandbedje, zonder onderarm, die op maat gesneden pakken draagt, die…) Hij: ‘Die arm, dat is niet iets wat in mijn familie zit. Dat komt door een medicament dat mijn moeder heeft genomen toen ze pas in verwachting was . Softenon. Tegen zwangerschapsbraken. De dokter heeft haar die pillen voorgeschreven. Maar ik kan alles doen, weet je. Het is mijn linkerarm. Ik kan zelfs tennis spelen. Er zijn altijd wel ballenjongens in de buurt. En…’ Zij: ‘Maar daar gaat het toch niet om, joh. Je moet dat niet uitleggen. Dat maakt geen verschil. Ik ben’. (hij onderbreekt haar). Hij: ‘Ik heb er met mijn ouders over gesproken. Je weet toch wie mijn vader is. (ze schudt haar hoofd: nee, dus). Mijn vader is éen van de hoofdaandeelhouders en lid van de Raad van Bestuur van de bank XXX. Hij zetelt in de senaat. Ze zegden dat ze helemaal achter mij stonden. Ik dacht, (haar hand ligt nu ook op de tafel. hij legt er zijn goede hand over. ze trekt die van haar niet terug, ze wil hem niet nog erger bruskeren). (ze is verbauwereerd, ze gelooft niet wat ze hoort, ze wil het niet geloven). Hij: ‘ ‘Ik dacht, je bent een meisje. Een vrouw. Je bent naar de unief gekomen. Je wil toch zeker een goede partiij…Als je met mij gaat, ben je voor je hele leven verzekerd van..’.   Die keer is de eerste keer. Ze voelt het, het flakkert op als vuur waar de wind in valt, het overspoelt haar als een tsunami: de diepe verontwaardiging, de razernij, het gevoel dat ze tot in de toppen van haar tenen beledigd werd. Je bent een meisje, je gaat naar de unief. Dus. Je bent een meisje. Dus. Je bent een meisje. Dus. Aan de haak slaan. Zo rijk mogelijk. Status verzekerd. Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit. Haar hersenen, haar tong blokkeren, het is daarboven de absolute leegte. Maar haar lijf neemt het over. Ze staat recht, bekijkt die hufterige apekop zelfs niet meer, ze draait hem de rug toe en stapt weg, het neo-renaissancecafé door, voorbij de (nieuwsgierige? geamuseerde?) blikken van de stamgasten. Ze kookt.   Nu, een half leven later, leer ik werken met begrippen als ‘thema’, individualiteit’, ‘verbondenheid’, ‘premisse’; lees ik ‘Sprakeloos’. En ik ontdek,, waarom ik die keer, waarom ik volgende keren, zo op mijn hart ben getrapt. Respect, te veel. Alle mensen zijn gelijk, natuurlijk. Verbondenheid. Zelfrespect, te weinig. Confrontatie, gevreesd. Tegenspraak, te weinig. Sprakeloos. Maar mijn wijze lijf beperkt de schade, neemt het over. Het geeft ze het nakijken. Genoeg!                                                                 

versta
29 0

Toelichting bij het recept 'Graaikraai met mispoessoep'

  Mooi mis, Maaike! Toch als U dacht dat geschonken zilver echt in de Kringwinkel terecht ging komen. Mooi mis, beste Kringwinkeldonateur! Als U met de beste bedoelingen iets waardevols aan een Kringwinkel schonk, dan is de kans groot dat Uw gouden hart nu op een schouw staat, van een employé, ja, in het huis van een Kringwinkelmedewerker. Waarom? Omdat er ongeschreven regels bestaan! Die mij uitgelegd werden en ik verzin niets. Er zijn spiegels die onthouden, geen spiegels om boos op te zijn. Misschien in een spiegelpaleis en dan nog. Je liep er zelf tegen en je neus bloedt niet eens. Het is 28 april 2017 en Pluk is mijn vriend. Het takelwagentje is zwart, niet van Pluk. Het is van mij en heeft geen zichtbare takel. Pluk weet dat, dat vrienden bestaan, dat als twee straathonden met drie poten tegen elkaar aanleunen en zo verder lopen, ze niet eens meer hinken. Dat is echt zo, net zoals mijn verhaal niet verzonnen is, maar vandaag zijn wij geen loslopende straathonden, ook geen huisdieren. Nochtans, ooit voelden wij ons echt thuis in die Kringwinkel, dat is waar, maar zoals dat gaat met mooie liedjes, het is jammer, ze duren niet lang. We zijn er weg, weggelopen, omdat zuurstof zuur werd, welzijn stof en vandaag rijden we rond, in mijn zwarte wagentje, door de ochtendstraten, oranje is de morgenzon, de zakken met textiel die zijn het ook, maar valer, als herinneringen aan een warme tijd.   Diefstal is diefstal, als gij iets meeneemt dat 50 EUR kost en gij betaalt slechts 10 EUR, dan steelt gij. Dan steelt gij 40 EUR. Zo is dat en als gij oranje zakken die op straat staan, die met liefde gevuld zijn met kinderkleertjes voor een goed doel, als gij die zakken zomaar mee zoudt nemen, dan zoudt gij nog slechter zijn. Dan steelt gij niet een deel. Dan steelt gij alles. Ik weet het, dit zou geen frisse, geen goed uitgekiende leuze zijn, om eerlijkheid in de wereld te promoten. Kringwinkels doen het beter, zij kiezen bekende koppen, fraaie woorden en het is 26 april 2017. Niet dat de tijd achteruit gaat. Op 26 april las ik een krant en vandaag op 28 april rij ik rond met Pluk, in mijn zwarte busje. Vandaag zijn wij niet bang, wij zijn zelfs zot en in een doodlopende straat rijden wij haar klem. 'Mevrouw, waarom steekt gij al die oranje zakken in Uw koffer?' ‘Euhhh…. ‘t is ook voor een goed doel, voor mijn dochter, zij heeft een kindje en de vader is van Afrika.’ 'En daarom steekt gij die zakken in Uw koffer?' Pluk kruipt in het handschoenenkastje, ook al is hij een beer van een vent. Ik kan zijn gedachten lezen, toch voor een deel, omdat hij echt mijn vriend is, omdat wij weten dat wij poten genoeg hebben, al waren het er nog minder dan drie, wij verzinnen ze wel, tot we paarden zijn, paarden met vleugels. Wij weten waar ze zijn, waar ze grazen in het meest naïeve gras. Man, man. Ja, wij zijn met twee, misschien wel politie in burger. Pluk doet teken. Dat ik zot ben! ‘Mevrouw! U hangt! Wilt U ons volgen naar de winkel, die van ons!’ En die mevrouw, ze hoeft het niet te weten, dat dat eigenlijk verleden tijd is, dat het geleden is, dat het geleden is van januari, dat we er kwamen, dat het eigenlijk een rotwinkeltje is, dat we er onderuit gehaald werden. Een paar kwezels die daar werken, wisten ons te vloeren, dachten dat het nodig was. Waarom? Ja, waarom, mevrouw de dief. Waarom moogt gij geen oranje zakken ratsen? Omdat ze bestaan, geschreven regels. Dat gij niet zult stelen. Goed en mevrouwtje bibbert, de politie komt en wij weer weg.   Terug, terug, terug naar boven, tot gans boven, hoger dan de poes van Maaike, naar het zilver en de kandelaar, naar die ongeschreven regel, die enkel Kringwinkelmedewerkers kennen en ze kennen die regel allemaal. Dat gij, Kringwinkelmedewerker een voorkooprecht hebt. Dat voor u Kringwinkelmedewerker de prijs een lachertje zal zijn. Waarom? Omdat het een leuke bende is, daar in die Kringwinkel. Pluk, hij glimlacht, hij lacht groen en ook al heb ik niets luidop gezegd, hij weet het. Hij kent de wreedheid van die ‘leuke bende’. Wij autisten, wij zijn er weggelopen, omdat het te veel werd. Waarom? Omdat daar al te vaak weinig sprake is van een ‘zachte sector’, van ‘sociale tewerkstelling’. Pluk en ik, wij zijn getuigen. Wij kunnen voelen. Wij kunnen vertellen wat gij weten moet. Was het u dan nog niet opgevallen, dat u hem er nergens zag, in geen enkele Kringwinkel, die kandelaar, of iets dat echt waardevol is. Ik kan u enkel vertellen wat ik gezien heb, hoe het er aan toe ging, dat het management eerst koos, voor een fluitje van een cent het beste ‘kocht’ (lees : ‘het verschil tussen de werkelijke waarde en de zelf bepaalde weglachprijs niet betaalde’). Helaas, ja, ik heb ze gezien, de werknemers, met in hun koffers bananendozen. Enkel het etiket ontbrak met ‘krenten uit de pap’. En zelfs, ja, ik heb haar gezien, die garage van die ‘medewerker’. ‘Gekocht in onze winkel, voor de rommelmarkt, mijn tante doet ze allemaal’. 'Gekocht, jaja, gekocht', tjilpte een echomees. Het beestje zat op de goot van die garage en had allures van een papegaai. Ik denk dat ik op een slecht moment gekomen was, dat die garage meestal mooi dicht blijft.  Soms wil je gewoon weg, lopen. Iedereen kent dat gevoel. Zeker als je ziet, hoe de zwaksten gepest worden, hoe weet-je-datjes over gevoelige, private aangelegenheden er gebruikt worden voor gemene streken. Wanneer is die week tegen het pesten? Wanneer moet Unlucky Luke de toiletten er eens NIET kuisen?   Als U er rondloopt in zo’n winkel, dan leest u de idyllische affiches over die oze wieze woze o zo goede daden die men er verricht, voor de zwakkere. Wij, Pluk, Unlucky Luke en ik Dimitri Je-Weet-Wel, wij kennen intussen die bende, die brei en de brui. Wij willen ze niet meer tegenkomen, die graaikraaien, met hun fraaie affiches en hun dekentjes over stinkende putjes en als Unlucky Luke bij mij thuis langskomt -hij fietst graag door de frisse velden- dan zeggen wij weinig. Wij autisten, wij spreken met onze ogen en hoeven aan elkaar geen woorden te verkopen. Wij weten dat het zo beter is, weg van die wereld met zijn nare winkeltjes. En over hoe het op een dag helemaal verkeerd liep, hoe Unlucky Luke meegelokt werd door een klant met bedoelingen des monsters, daar spreken we al helemaal niet meer over. Het management was allicht elders, zat in elkanders haren, te vechten om de krenten of was het thema een gestolen kandelaar? Ik roer wat door de soep, ik weet het. ‘Bovenal is de zee koude soep’ en zwijg toch, herinneringen, er hoeven geen lettertjes in de soep, niet voor Pluk, niet voor Unlucky Luke. Alleen ik de zot, die de boekjes op een rijtje zette, ik kon het niet laten, om iets te vertellen. Klare bouillon? Unlucky Luke hij knikt. En voor Maaike. Voor haar. Maak ik straks. Speciaal. Een potje mispoessoep.   So long !                                                                Bachten De Kupe, 4 februari 2018       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
14 0

De moeder en de broeder

of de achterkant van de medaille…. Zijn hand voelt hij weer op zijn knie. Zij ging langzaam naar boven tot aan de rand van zijn korte broek. Was dat de beloning voor het vegen van het bord na schooltijd? Neen, de vingers zijn nooit verder gegaan dan die rand. Het voelde fijn en een kind wordt graag bewonderd. Het inzicht in de verderfelijkheid van het gebaar kwam pas vele jaren later. De school lag om de hoek. De geestelijke kwam regelmatig aan huis met zijn ouders praten. Waarover? Zocht hij buiten de eenzame klooster(m)uren wat huiselijke warmte in het grote gezin? Wou hij de band met het kind aanhalen? Het was trouwens niet de enige broeder die langs kwam. Ook anderen kwamen, soms laat en dan zat hij luistervinkend in pyjama op de hoogste trede van de trap. Zijn moeder was tuk op die bezoekjes. Mocht hij toen dit woord hebben gekend: hij zou deze situatie niet ‘koosjer’ hebben gevonden. Door zijn moeders dweepzucht werd hij op zijn achtste van klas veranderd. Door het grote aantal kinderen bestond elk studiejaar uit twee klassen. Die waarin zijn beste vriendje zat en die een meester als titularis had, werd op zijn moeders voorspraak ingeruild voor de andere, waar de broeder titularis was. Mede door het vele nablijven en bordvegen werd hij de eerste van de klas, hetgeen de perfecte keuze van zijn moeder bevestigde. De vragen die hij als kind al mocht hebben over het gedrag van de geestelijke(n) kwamen nooit aan bod en werden verdrongen. Vandaag las hij in de krant het overlijdensbericht van de broeder. Die werd heel oud. Moge hij……neen, over de doden geen kwaad woord.

Vic de Bourg
19 2

Gevallen engelen

De staat van de wereld op dit moment is niet om vrolijk van te worden. De kinderen weten niet meer hoe aardbeien groeien, of het een blad van een berk is of van een beuk, het brood krijgt geen tijd meer om te rijzen, er valt nog maar zelden sneeuw in de winter, de wereldleiders verzamelen tevergeefs in Kopenhagen en zoveel mensen zijn overwerkt of aan hun scherm gekluisterd. Er zijn er die blijven hopen en geloven, er zijn er die de wereld de rug toedraaien. Daar is die ene man die niet hoog oploopt met de maatschappij en de systemen, hij is altijd in het zwart, liefst zwerft hij door het woud, knabbelt daslook, plukt sint-janskruid om er olie van te maken of zit maar wat bij het vuur. Hij is mooi om naar te kijken, vooral wanneer hij glimlacht omdat hij een hommel op een klaproos ziet landen of een teunisbloem zich ontvouwt. Hij is het liefst alleen, maar af en toe ontmoet hij haar blik en die weerhoudt hem, net als de herinnering aan haar glimlach. Ze kennen elkaar al jaren, maar met grote tussenpozen. Telkens ze elkaar tegenkomen voelen ze een aarzeling. Ze bijten op hun lip, slikken hun woorden in. Nu is het moment gekomen, eindelijk. Zij heeft hem per brief uitgenodigd, hij zal er zijn die ochtend en ze zullen samen het bos in wandelen. Kijk. De ochtendzon schijnt door de bomen. Iedereen is naar school of naar het werk behalve die twee. Het eerste goud is al in de kruinen, het is eind september. Ze houden hun adem in om elkaars adem te kunnen horen, hun passen zijn traag, ingetogen en gracieus, zoals mensen die in een kerk rondlopen waar niemand is terwijl de zon naar binnen schijnt. Nu staat hij stil. Zijn ogen zijn wijdopen. Zij hoort het ook. Haar ogen speuren van boom naar boom. Zij ziet hem het eerst: op de stam van een alleenstaande boom hamert een kleine bonte specht. Een korte roffel. Stilte. Opnieuw getik. Hij tikt op haar schouder, hetzelfde aantal tikjes, hetzelfde ritme. Wat is dit mooi. De man is de echo van de specht, de vrouw de echo van de boom. Ze zeggen geen woord, ze glimlachen naar elkaar, alsof zij de engelen zijn. Het is het begin van de herfst, naast het bos is een park dat helt naar de vijver, aan de overkant zie je de ruïne van een kasteeltje, aan deze kant ligt een boomgaard met rode appels lui in de middagzon te rusten. Ze hebben hun jas uitgespreid en zijn tussen de bomen gaan liggen. ‘Mag ik', vraagt ze. ‘Ja natuurlijk’, zegt hij. Haar hoofd ligt nu op zijn schouder, hij streelt zacht haar arm. De tijd had stil moeten blijven staan, maar niemand wist dat te regelen. Zij mist een trein, hij legt haar sjaal op haar schouder wanneer ze op de volgende stapt. Het is zo teder allemaal. Tot gauw, heeft hij gezegd. Er is een landsgrens en minstens honderd kilometer tussen waar zij woont en waar hij woont. Ze schilderen de afstand vol met de mooiste landschappen.  Op de tijd hebben ze geen vat. Terwijl zij in haar agenda bladert vol werk en kinderen, dwaalt hij als een indiaan door de bossen en luistert naar wat de wind hem influistert. Het lukt maar niet om af te spreken. Eén keer vinden ze elkaar bij de warmte van haar kachel. Die nacht glimlacht hij aan een stuk door en betovert haar in een bosfee. Daarna verdwijnt hij weer in de verte. Ze schrijven nog wel. De laatste vruchten kleuren rood, de bladeren vallen en het wordt winter. Hij verschuilt zich nu in een hut heel ver weg ergens midden in een bevroren landschap. ‘Niet storen’ schrijft hij in sierlijke letters op de deur. Elke dag zet zij een mand met appelen en noten voor de deur, tekent zijn naam op het ijs, neemt zich in stilte voor eerst sneeuwballen naar hem te gooien zodra hij zich weer vertoont en hem daarna alles te vergeven. Maar hij vertoont zich niet meer. Ze had het kunnen weten. Zie haar nu toch eens. Ze leest zijn woorden wel 3 keer. ‘Laten we het begraven’, schrijft hij, ‘zoals de zaden in de aarde verborgen blijven en daar jaren kunnen wachten’. Ze hoort steeds luider hoe de deur voorgoed dichtvalt, grijpt de telefoon om hem te bellen. Hij neemt niet op. Natuurlijk niet. Ze probeert die avond wel vijf keer. Ze smeekt hem op zijn antwoordapparaat om een beetje uitleg. Zijn stilte is hemeltergend. Ze weent de hele nacht, werkt de hele dag en rijdt zonder op het verkeer te letten de volgende avond met haar fiets naar huis. De hemel beschermt haar, ze moet blijven leven, deze vrouw, ze heeft kinderen. Ze heeft gelukkig ook de muziek. Luister maar eens: ze is op haar fluit aan het te spelen en de tranen rollen over haar wangen. ‘Het is haar zieltje dat klinkt’, zeggen de mensen. Alsof ze weten dat het pijn doet tot in de hemel. Genoeg nu. Jij kalligraaf van paradijzen en verzinsels, jij stoere dichter, jij kluizenaar die denkt in dienst te staan van de universele liefde, laat dat maar aan ons over. Stop die hoogmoed, besmeur je ziel, doe je vleugels pijn, laat je hart branden. En schrijf geen sprookjes meer zonder erin te geloven.  

Adinda
4 1
Tip

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.   In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.   Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.  

Antony Samson
72 1

Toelichting bij het recept 'Duif met zachtgekookte hersentjes'

Geachte Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst,   Op 1 december heb ik U een duif gestuurd, letters uit mijn linkerhand. Het was de witste, de dapperste, de snelste van mijn duiven, want de hemel leek enkele minuten minder grauw en minder wreed. Mijn amandelkernen en rechter hersenhelft, ze lagen een dutje te doen en de linkerhelft zag haar kans. Zij dacht, zij dacht in woorden en in theorie moest er een weg zijn : een terugkeer naar de mensenwereld, een herintegratie tussen wezens zonder stoornis, want de monsters leken van de lijstjes verdwenen. Weg was mijn duif, het weer keerde gauw en het ging zes weken duren, zo liet U mij weten, voor ik haar terug ging zien mijn duif. ‘Kom het beestje halen, op 15 januari. We kunnen erover praten, misschien hebben we wel een werkje voor je, daar in het Weetjeslandse kwadrant van de zachte sector.’   Hoop is een hoop illusies uit een ludiek lyceum en op het einde van de gang is het museum, voor hen die geleerd hebben, voor geleerden in de rust, voor hen die weten dat het zinloos is. Dat is mijn rechter hersenhelft. Als ze lang genoeg durft en wakker blijft, dan gaat ze beelden scheppen, tuinen aanleggen voor bloemen en vlinders, met stippellijnen, welkomroutes voor verloren gevlogen vogels. Bezorgd worden cadeautjes. In huizen met sparren, met bollen van kerst. Nog een week of drie, wachten en verzin intussen wat, zet een zwerm woorden, gedachten op een rij, ‘s nachts, als één werelddeel slaapt, één maanhelft doezelt, minder mijn hoofd want ik droom en dat moet. Bereid je voor, zo goed je kan. Het is een ochtendgloren dat spreekt, voor zich, zegt dat het niet goed weet wat dagen willen brengen. Op een plek waar vogels te veel veren verloren, durven enkel blinde egels nog te komen. Zo is dat en toch ben ik dom, fiets ik er zelfs voorbij en zwaai ik, naar de kraaien. Ooit is op deze hoek een ongeluk gebeurd, misschien wel meerdere en hij ligt daar, het konijn uit een oud verhaal, dat vergaat, dankzij de kraaien, die brokjes verwijderen, maar binnenkort, als de borstelmachine passeert, met aan het stuur een man van een propere stad, dan zijn de sporen weg. Nog een geluk en dan is deze passage weer vrij, kan ik er langs. 'Binnenkort' is de buitenkant van een lange strijd. Ik droom van mijn duif. Ik denk aan het kasteel van de toekomst. Nog één nacht slapen, ik weet het intussen wel, wat er allemaal gebeuren kan, en wat ik op elke pagina van het draaiboek antwoorden kan, als de wereld tot mij spreekt, als haar tentakels vragen lossen. Ik denk dat het goed komt. Ik zie mijn duif al, in een kooitje en na een martelpraatje kan ik weer naar huis, wetende dat ik weer welkom zal zijn, gewoon, als vlinders op bloemen, als vogels in bomen. Toch? En twijfel niet want in mijn linker vingers schuilt de logica.   Goed, goed, goed en nu is het enkel nog wachten, wachten, wachten op Godot, op t-shirts in een stof van het zachtste geweef, in een paars bordeaux en met dat logo van een kringelwinkel. Gewoon, gewoon voor mij, ik ben gewoon, niet helemaal en toch : L en 43, voor de shirtjes en de veiligheidsschoenen. Oef, oef, oef, ik heb mijn duif terug en weet wat mij te doen staat. Ik zal uit mijn hol kruipen. Veiligheidsschoenen aan de voeten, moed in de tenen. Binnenkort. Nu kan ik rusten en slapen en dromen en na een dag of tien, landt zij in de tuin, een andere duif, haast zwart, met een boodschap van de wereld, van dat winkeltje met zijn verleden, dat donkere tijden met mij spreken willen, zo schrijft ze mij, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst. Wie dan, waarover, waarom? Omdat ze willen, Judas en Dolores roepen mij, dat er een matje op mij wacht, dat het matje geduld heeft, nog een dag of drie en bereid je voor, nog één keertje, Dimitri, meneertje met je geschikte en geschifte woordenrijtjes, brei alvast en tob, pieker best de ganse tijd, be prepared, je wordt verwacht, ze willen alles weten, was die duif een geschenk? Moet het echt, moeten alle graven worden omgewoeld, de bodem uitgekamd, heb je geen bommen in je zakken zitten? ‘Op donderdag 2 februari, om 13h15 wordt U verwacht!’, voor een privaat kruisverhoor met Judas en Dolores, over dat verleden en ik moet me echt goed voorbereiden, blijkbaar is een ‘zomaar welkom’ niet van deze wereld en ik weet het niet, of het eitje zal barsten. Ik heb er een gaatje in geprikt, maar de lucht wil er niet uit. Ik moet toch iets eten, niet? En zal het eitje willen zinken in het potje, zal het vuur zich kalm houden? Vier of vijf minuten. Voor lopend geel, peper voor mijn tong en zout voor de herinneringen.   Welkom, welkom, welkom. ‘Dag Daniël!’. Ik ben Dimitri, Dimitri Je-Weet-Wel, weet je nog? ‘Wij noemen je Daniël. Daniël!’ Waarom? Ik ben het, Dimitri en ze kijken serieus, als hernieuwbare monsters, als wezens uit oude, muffe lijstjes, kadertjes die niemand nog wil kopen liggen onderaan, op een vergeten schap. ‘Omdat we eerst alles van je willen weten, Daniël! Waarom je al die tijd bent weggeweest en wat je durfde, in die tussentijd.’ Wat ik durfde? ‘Ja, wat je durfde, Daniël, te denken. Zat je scheef te peinzen, miste je gewoon, gewone mensen om je heen?’ Ik wilde nooit iets, overleven is mijn wens, want ik wil dromen, slapen, in een tuin en hier, hier zette ik de boekjes netjes op een rij, van klein naar groot. Ik weet het, ‘t is onnozel, alsof gedachten stilletjes een schelf versieren kunnen. ‘Toch willen we zeker zijn, wij Judas en Dolores. Wij moeten alles weten. Ook hoe de zure oudheid in je bovenkamer leeft.’ Terwijl ik alles opgeborgen had! Zij moeten en zij willen wroeten, als mollen met een zieke gal het geel van zon en jonge kuikens nog een keer verknallen. Hier, ik heb alles voor jullie meegebracht, beste Judas en Dolores, mijn dossier, van de psychiater. Daarin staat alles, over mijn dromen, mijn syndromen, over mijn angsten en mijn laatste hoop. 'Dat zie ik graag.' Het is Dolores. Ze spreekt, als een echtewereldmens, omdat zij de regisseur wil zijn, van aards leven, van haar geestelijk theater, waarin ik een rol kom spelen. Zo denkt ze. Ik laat haar. Ik laat haar snuisteren in mijn dossier. Voor haar toneeltje, over de vermeende onschuld van de monsters in een winkeltje, wil je geen eierkokertje kopen, een medisch vademecum, voedsel voor je hersenen en duizend boeken met veel woorden, ooit door iemand geordend, in zo'n bovenkamertje? Neen. Dacht je het dan echt, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst, dat ik op het matje van Judas en Dolores ging komen. Ik voel me niet geroepen en denk terug! Aan mijn vrienden! Aan Pluk! Die brave autootjes prijsde! Aan Unlucky Luke! Die jullie toiletten kuiste! Die onteerd werd toen jullie hem uit het oog verloren! Hun lot -dat van Pluk en Unlucky Luke, ze zijn haast vergaan daar in Uw winkeltje- is nu voorgoed ook dat van mij. Mij zie je niet meer! Nimmer! Nooit en thuis, daar wacht weer rust, lauw water, gebarsten is het eitje. Straks. Zonder knarsetanden zal ik eten, proberen, mijn eigen, zachtgekookte hersentjes.   Een laatste groet,     Dimitri Je-Weet-Wel Vrijwillig Halfgare                                                   Bachten De Kupe, 4 februari 2017     uit de reeks  'Duim voor Dimitri' 

Bernd Vanderbilt
16 0

Niets is gewoon...

Schrijfopdracht 3 – Esther van der Werf – Niets is gewoon. Openingsscène Noot bij de openingsscène: Ik denk dat ik geen ‘groot’ verhaal ga schrijven maar een aantal korte verhalen rondom het thema.     Niets is gewoon…   Een lijflange tunnel, te krap om te bewegen. Kloppende herrie, hakt diep in mijn wezen. Benauwd. Geel spul spuit uit mijn buik. Dagenlang. Ambulance. Ander ziekenhuis. Helpen ze hier? Zachte stemmen. Blauw hemd, vreemd licht, drie afscheidstelefoontjes. Wat valt er te zeggen? Pijn. Weinig adem, weinig tijd. Niets is nog belangrijk. Alleen laten weten: ‘Ik houd van je’. Ben ik er morgen nog? Wakker, slangetjes aan mijn buik, stekende pijn, wazige wereld. ‘Mevrouw u heeft nog een operatie nodig’. Wat? Ik ben net wakker van de vorige. Wegsoezen op de IC. ‘Wat kan ik voor u doen?’ ‘Mijn haren wassen’. Hoofd jeukt van een week niet. Magnetronwashandjes. Voel me smerig. Koel water, zachte handen. Eindelijk schoon. Wereld in pijn en mist. CT-scans, meer slangetjes. Weken lang. Schrijven wil niet. Soms beetje tv. Slaap, veel slaap. Morfine. Piepende geluiden van infuus en oproepsysteem. Zachte woorden. Wie? Nachten vol zweet, verschoningen midden in nacht, liefdevolle geruststelling. Pijn-pomp wordt omhoog bijgesteld. Engelen zweven langs mijn bed. Zweet, kletsnat bed.   Zweet. In angstzweet word ik wakker in het nu. Beelden rollen door de tijd zoals de tv van kanaal kan verwisselen. Flarden. Ik schud mijn hoofd, ze laten niet los. Eerst richting douche, onze eigen douche, waar ik geen hulp meer nodig heb om me te wassen. Dankbaar realiseer ik me het hier en nu. Het is niets Esther, het is alleen maar een MRI. Je denkt je wel in een andere wereld, weg van die benauwde buis. Het komt goed. Het is vast alleen maar weer zo’n kreng. Smerig pijnlijk secreet. Het gaat echt niet allemaal opnieuw gebeuren. Echt niet! De nacht brengt geen rust.   In de wachtkamer start ik met de eerste woorden voor mijn eerste boek. Een vreugdevolle energie vult me. Gedachten bij het boek. Een mevrouw huilt tegen de schouder van een veel jongere man. Haar zoon? Een verpleegster komt haar vertellen dat ze naar de eerste hulp moet. ‘Nee, ik ga naar huis’. Gedecideerd en luid herhaalt ze die woorden. Een kwartier later is zij toch zover. Zachte woorden van de verpleegkundige. Er is duidelijk te zien op de MRI waarom ze zoveel pijn heeft. Haar oncoloog heeft dadelijk contact met de eerste hulp. Ik heb mijn blik in mijn schrift. Natuurlijk hoor ik alles wat naast me gebeurt. Ik kan niets doen. Kon ik maar iets doen. Het is maar een galsteen. Gelukkig. Of toch vernauwing? Medicijnen of de operatie? Er is geen goed, er is alleen accepteren. Eerst MRI, bloedlab en uitslag, dan pas nadenken. Duidelijk is dat ik er beter vanaf kom dan die mevrouw. Aan mij de taak van ‘kwaad’ een nieuw ‘goed’ maken. Nu eerste woorden in mijn schriftje. Klein zwart. Dun zodat het makkelijk meekan in mijn tas. Niet denken aan de kleine ruimte in de buis. Die arme mevrouw. Ze was niet bedacht op de optie van hier blijven. De MRI komt wel goed. Van alles wat ik hier heb meegemaakt was dit de makkelijkste. Mmm nee, dat is niet waar. Maar er waren ergere. Dus niet aanstellen. Dit gaat echt nergens over. Het blauwe hemd en de felle lampen duw ik weg uit mijn gedachten. De volgende operatie is pas aan de orde als die aan de orde is. Niet vandaag. Ik blijf niet hier.   Juist hier in het UMC+ Maastricht, leerden ze mij, dat ik mijn bezorgdheden en vragen op tafel mag leggen. Wil ik misschien, om me af te leiden, een film op het scherm zien tijdens de scan? Oh kan dat? De vorige keer keek ik met langgerekte hals naar het plafond achter me. Om het dreigende beige kunststof direct boven mijn neus te ontwijken. Of hield mijn ogen dacht en dacht me in een andere wereld. Zorgzame uitleg. Mogen extra scans voor verbetering van de scanmethode in de toekomst? Absoluut ja. Ik ben er nog dankzij jullie hier. Het duurt wel wat langer dan. Mmm ja, dat is dan maar zo. Ik lig andersom en dus moet mijn hele lijf door de smalle buis om aan het andere eind de tv te zien. Vooruit dan maar, proberen. Via de spiegel die boven me geplaatst is zie ik het uiteinde van de buis, en de tv. Ik concentreer me op het nog zwarte scherm. Eenmaal daar lijkt de buis niet te bestaan, er is alleen ruimte, bewegende beelden en een stoel. Adem in, adem uit. Muziek van de radio op mijn oren, ontspringende natuur op het scherm, kloppende geluiden in de verte. Geen moment ben ik in het verleden, geen moment heb ik stress. Film en muziek leiden mij in een ander hier en nu. ‘Adem in, adem uit, adem vasthouden, ……u mag weer doorademen.’ De scan bonkt. In de spiegel groeit een bloem, in een woestijnachtige omgeving, van zaadje tot prachtige roze bloei. Om weer te verdorren. De wind helpt. De droge kop van de bloem breekt af en rolt ver weg, laat steeds zaadjes los. Overal kans op nieuw leven. Adem in, adem uit. ‘Mevrouw, we zijn klaar. Ik heb prachtige extra opnames kunnen maken. Dank u wel!’   De MRI-mevrouw haalt me snel uit de buis. Haalt de zware plaat van mijn buik en maakt me los. ‘Hoe ging het?’ ‘Ongelofelijk! Wat een verschil, die tv! Ik heb geen moment stress gehad. Wie heeft dit bedacht?’ ‘Philips’ Ik lach en zwijg want ik doelde eigenlijk op degene die het geniale idee heeft gehad een tv ter afleiding op te hangen. Ergens kwam een creatieve geest met dit plan. Ik ben er dankbaar om. Ik weet dat dit niet mijn laatste keer MRI was, maar ik hoef hier niet meer benauwd om te zijn. Dit is nu zoveel beter te tackelen.   Hoe verder ik van de scanruimte wegloop, hoe verder ik alle angstscenario’s wegduw. Dit zit er weer op en de uitslag tackel ik als die komt. Niet vandaag dus. Nu eerst een Latte Macchiato. Gewoon omdat het kan. Gewoon omdat vandaag een mooie dag is. Gewoon omdat ik nu even lief voor mezelf wil zijn. Gewoon. Eerst een kaars opsteken in de stilteruimte, waar er zoveel voor mij gebrand hebben. Dank! Ik ben er nog. Niets is gewoon.

Esther MG
3 0

De Tandweilas

Beste lezer, weet je wat een Tandweilas is? Een Tandweilas is de slang die leeft in de gier Vulture Serpentes, de Slangengier. Onderzoek heeft uitgewezen dat hun breinen met elkaar zijn verbonden. De slang leeft in volledige symbiose met zijn gastheer. Het is een anomalie van de evolutie, en dat je dit nog niet weet is geen schande, want zowel de gier als de Tandweilas zijn pas in 20__ ontdekt. Als de gier sterft, verlaat de Tandweilas het kadaver. Hoe oud hij vervolgens wordt is onbekend, maar wel dat hij eenmaal buiten zijn gastheer begint te groeien en reusachtige afmetingen kan bereiken. Het is alsof de gier er enkel voor diende om de slang te baren die als parasiet in hem leefde, en dat eenmaal uitgebroed de Tandweilas aan zijn officiële bestaan begint. Zulk een Tandweilas nu, is sinds enige tijd in het bezit van de dierentuin te A__, waar het terrarium van een nieuwe vleugel werd voorzien en de noodlijdende dierentuin zich plotseling kon verheugen in verveelvoudigde bezoekersaantallen. Van openings- tot sluitingstijd dromden de mensen samen rond het glas voor de reusachtige kuil met betonnen muren die voor de Tandweilas was aangelegd. ’s Avonds om elf uur begon mijn dienst, en om acht uur ’s morgens nam ik weer afscheid van de Tandweilas. Hoe heet je, vroeg ik hem soms. Het is een flauwe gewoonte om een walgelijk dier een rare naam te geven. Ik had er al een paar bedacht, zoals Gerrit, Toby of Prins Bernhard, maar een naam is dermate willekeurig, en iedere vergelijking met het menselijke zo absurd dat een naam verzinnen onzinnig was. Het beest bleef een ‘het’. Het rook in het terrarium naar vuilniszakken die te lang in de zon hebben gestaan. De vogelspinnen ritselden tegen het glas van hun hokken, de muizen in de verblijven van de slangen piepten als ze ontdekt waren door de hoofdbewoner. Een paar korte hoge piepjes, als een rookalarm ergens ver weg, en dan was het weer stil. Ik had meestal weinig te doen. Af en toe bediende ik met de afstandsbediening de zuigmachine die met een floppend geluid de enorme slangendrollen opslokte, alsof ik op de kermis met het hijskraantje een namaak gouden horloge opviste. Gelukkig was de poepzuiger bedoeld om wel te functioneren en verdween het object direct in het binnenwerk, soms met meenemen van een kuub zand. Ik kreeg er een uitbrander van de hoofdoppasser voor, omdat het gewicht van het zand door het verwerkingsbedrijf werd doorberekend. Mijn voornaamste taak bestond eruit dat ik om de 48 uur de Tandweilas voerde. Dat moest ’s nachts gebeuren. Is de Tandweilas dan alleen ’s nachts wakker? Nee, de Tandweilas is nauwelijks actief, en ligt zowel overdag als ’s nachts onbeweeglijk opgerold. Dat ik als nachtwaker de klus moest klaren was vanwege publicitaire redenen. Het publiek mocht niets te weten komen over zijn eetgedrag. Ik had een geheimhoudingsverklaring getekend die me verplichtte de komende twintig jaar hierover te zwijgen op straffe van een boete van honderdduizend euro. Dat ik nu anno 2034 dit opschrijf, komt omdat mijn avontuur dateert uit de zomer van 2015. En wat heb ik te verliezen? Ze kunnen me wat, dat ene jaar neem ik het risico. Ik durf heus wel iets! Rond middernacht ging ik naar het verblijf van de varkens, dat zich op gelijke hoogte bevond met de bodem van de slangenkuil. Mijn binnenkomst veroorzaakte altijd gekrijs. Omdat ik als nachtoppasser in mijn eentje een panisch varken in de kuil moest zien te krijgen, had men een ingenieus mechanisme geconstrueerd. Waarom niet verdoven? zal de lezer zich afvragen. Maar de Tandweilas eet alleen levende prooien. Een verdoofd varken vindt hij niet interessant, zodat het voorstelbaar was dat ’s ochtends rond openingstijd de maaltijd ontwaakt en zichtbaar voor het publiek door de kooi zou rennen. Met onderdelen van een oude stoommachine die op het terrein stond was daarom een lanceerinrichting geconstrueerd. Ik moest het varken in de ruimte achter de cilinder drijven en de klep dichtdoen. De rest ging vanzelf.   Nadat ik ongeveer een maand op de Tandweilas had gepast kreeg ik het idee om het absurde element van mijn werk in een voordeel om te zetten. Ik zat al een tijdje achter een zekere vrouw aan, maar het was me nog steeds niet gelukt om tot een werkelijke toenadering te komen. Ik had gelezen dat angst een sterk afrodesiacale werking heeft, omdat de lichamelijke verschijnselen die met angst gepaard gaan versleten worden voor hartstocht. De combinatie Tandweilas en de liefde; het kon niet falen. Zo gebeurde het dat ik op een nacht samen met Marion het varkensverblijf betrad. Het was niet bepaald een romantische omgeving; de stank van mest en broeiende vuilniszakken begeleidde het gekrijs van de varkens. Maar tijdens het uur dat ik met Marion in de keet doorbracht, kijkend naar de opgerolde Tandweilas, merkte ik aan subtiele signalen dat mijn plan een zekere kans van slagen had. Als ik de Tandweilas gevoerd had zou ik Marion meenemen naar de hortus, naar het bankje onder de apenbroodboom. Ik had Marion al een paar keer aan het lachen gemaakt, toen ik besloot dat het tijd was om de maaltijd te verzorgen. Er waren nog maar drie varkens over. Ik zou een briefje achterlaten dat ze de voorraad moesten aanvullen, bedacht ik. Ik opende een hok, pakte de schokstok van de plank, liep naar de achterkant en knetterde een vonk tegen het krulstaartje. Gillend en slippend vloog het varken weg om met een rotklap tegen de metalen railing van het gangetje naar het terrarium te botsen dat haaks op de hokken stond. Meestal was het varken zo verdoofd door de klap en de pijn dat hij de schok vergat en bleef stilstaan. Toen hij weer op zijn poten stond gaf ik dus weer een knetter tegen de achterham, en daar ging het beest weer in de gewenste richting. Ik spurtte achter het varken aan langs Marion, en zag dat ze met haar hand voor haar mond geschrokken mijn verrichtingen gadesloeg. Ik besefte dat ik bezig was mijn kansen te verspelen. Ik had haar meteen naar de hortus moeten brengen, het witte wijntje inschenken en het waxinelichtje aansteken en alles op het meegebrachte klaptafeltje naast het bankje zetten. Maar nu was het te laat. Ik zou me straks voor haar moeten rechtvaardigen. Het gangetje liep aan het eind naar beneden als een soort goot die eindigde in het lanceermechanisme. Ik ramde de schuif dicht achter het varken. “Niet doen, dat is zielig,” riep Marion toen ze het doel van de installatie en hetgeen waar ik mee bezig was doorzag. Zielig? Het varken zielig? Ik was werkloos voor ik deze baan kreeg. Ik had de erfenis van mijn ouders er doorheen moeten jagen voordat ik een uitkering kon krijgen. Als werkloze ben je een hond die achter elk stukje vlees aanrent dat vanaf de eettafel wordt toegeworpen. En je hoorde je schuldig te voelen dat je niet bijdroeg aan de economie. Het superieure kapitalisme dat zo doelmatig mensen met elkaar laat concurreren dat alleen de beste geld krijgt. Om je scherp te houden. Nou, ik was scherp. De overlevingsmaatschappij had mij zo scherp als een zwaard gemaakt dat iedere medemenselijkheid rücksichtslos doorsneed. Ik deed dwangarbeid, en ik deed het om het laatste restje van mijn geslonken autonomie te behouden. Het was ik, of het varken. Maar dat zei ik niet tegen Marion. “Bekijk het eens van de kant van de Tandweilas”, zei ik in plaats daarvan. “Als hij geen eten krijgt gaat hij dood. Dat is toch ook zielig?” “Nee, niet doen!”, riep Marion opnieuw, en met een sprong landde ze beneden naast het varken in het lanceermechanisme. Een psychose, schoot het door me heen, want Marion had me verteld van haar psychiatrische verleden. Ik heb psychologie gestudeerd dus ik herken een psychose op afstand. Het was al te laat. Terwijl Marion sprong, had ik op de lanceerknop gedrukt. Met het bekende geraas dreef de perslucht nu twee individuen door de lanceerbuis. Aangedreven door een reuzenscheet vlogen ze meters door de lucht en belandden in het zand vlak bij de opgerolde reuzenkabel. Zoals gewoonlijk was het varken ongedeerd. Het tolde en spartelde tot het weer op zijn poten stond en begon krijsend door de put te rennen. De Tandweilas verroerde zich niet.   Ik sla in paniek tegen het raam. Ik mime naar Marion dat ik boven de ladder ga halen. Ze ligt in een rare houding maar lijkt m’n bewegingen op te merken en begint van de Tandweilas vandaan te kruipen. Het verdovingsgeweer staat achter de schoonmaakspullen in de kast. De directeur heeft het me uitgelegd, maar ik heb nooit met dat ding geschoten. Vlak achter de kop richten, niet op de kop, die is keihard. Ze hadden het zelf nooit geprobeerd. Misschien deed de verdoving hem niks, maar het kon hem ook fataal worden. En dat zou zonde zijn. Ik ruk de kastdeur open, gooi stapels handdoeken om, zoek achter jerrycans met ontsmettingsmiddel, maar ik zie het geweer nergens en bedenk dat Marion zelf de ladder kan opklimmen en dat uitstel gevaarlijker is. Ik sleur schrapend de ladder naar de balustrade van de kuil, trek hem uit en met bovenmenselijke inspanning weet ik het ding over de betonnen rand te werken en in het zand schuin tegen de muur te plaatsen. Marion zit op haar knieën. Waarom staat ze niet? Ze gebaart naar haar voet. “Klim omhoog”, roep ik met overslaande stem, geheel overbodig. De Tandweilas is inmiddels bezig het van schrik verlamde varken naar binnen te schrokken. Het heeft waarschijnlijk een hartaanval gehad. Met omgekeerde kotsbewegingen schuift de bek over het slappe varken. Een proces dat zo’n tien minuten zal duren. We hebben nog tijd. Marion hinkt naar de ladder en probeert omhoog te klimmen. Maar haar been weigert dienst, zodat ze telkens van de sport afglijdt en terugvalt in het zand. Half vallend en glijdend struikel ik de ladder af terwijl ik de schrokkende kop in het oog houdt. Het is bloedheet en de stank is niet te harden. Ik grijp Marion en probeer uit allemacht haar billen omhoog te duwen tegen de ladder. Marion trekt zich op, en slaagt erin met haar goede been een nieuwe sport te veroveren. Vervolgens moet ik zelf de ladder op en verlies duwkracht, waardoor we niet verder komen dan de eerste twee sporten. Ik besef dat ik in een andere situatie dolgelukkig zou zijn geweest met deze intieme exercitie, maar de doodsangst bederft alles. Hoe heeft dit zo mis kunnen lopen? Dit mag niet tot ongelukken leiden. De voorzienigheid zal ons beschermen. Maar waarom verdrinken er dan mensen of worden er kinderen door vaders op achteruitrijdende tractors overreden? Dan verschijnt de kop met een afschuwelijk geel oog boven ons. Het achterwerk van het varken puilt nog steeds uit de grotesk opengesperde bek. Opeens tuimelen we door het zand, vallen over elkaar heen en slaan met onze hoofden tegen elkaar. Terwijl zand in wolken omhoog spuit wringt de slang zich in een lus rond ons. Voor we het in de gaten hebben heeft hij zich in lagen opgestapeld en bevinden we ons in een koker van slangenlussen, zo hoog als we zelf zijn. We krabbelen op. We kijken elkaar aan met grote ogen van paniek. Ik geef Marion een voetje en duw opnieuw haar billen in haar spijkerbroek omhoog, tegen de kronkels van de Tandweilas. Maar ze krijgt geen houvast; het beest heeft op zijn dikste plek een doorsnede van negentig centimeter, en is in drie lagen rond ons gekronkeld. Graven dan maar. Ik werp me op m’n knieën en begin woest in het zand te graaien. De huid van de Tandweilas heeft patronen alsof er vogelveren overheen lopen die in elkaar grijpen, als een tekening van Escher. Als ik dit avontuur overleef, heb ik in ieder geval iets nieuws te melden. Maar ik mag natuurlijk niet laten blijken dat we dankzij mijn roekeloosheid in deze situatie zijn beland. Ik graaf bezeten, en schraap plotseling met mijn vingers over het beton. Slechts een dun laagje zand scheidt de Tandweilas van de ondoordringbare vloer. Onze positie is uitzichtloos. We zinken terug en zitten tegenover elkaar tegen de muren van onze levende gevangenis. Zonder er over nagedacht te hebben zeg ik opeens: “Marion, ik wil seks met je.” Ze kijkt me wezenloos aan. Een ogenblik ben ik bang dat ze kwaad zal worden, en me alle ellende gaat verwijten waar ik de oorzaak van ben. Dan pakt ze mijn hand en legt die op haar borst. We zoenen. We woelen het zand om alsof het het water is van een kinderbadje, in onze driebandige cirkelvormige vesting waarvan de doorsnede nog geen twee meter is. Ze leunt achterover tegen het reptielenlichaam en ik neuk haar staand, ook steunend op de ruwe en kille slangenhuid. Ze is een van die vrouwen die overmatig nat worden tijdens de daad en haar vocht sijpelt glinsterend over de verentekeningen van ons levende opblaasbad. Als ik bijna klaarkom verschijnt het gele oog weer boven me. Ik krijg de absurde gewaarwording dat het oog een goedkeurende uitdrukking heeft. Het genot heeft de angst verdrongen en de slangenkop met bobbel van onverteerd varken juist achter de kiezen lijkt een studioprojectie als in een Hitchcock film, en Marion en ik zijn de helden die het groteske wezen bestrijden. De tijd staat stil. Ik zie mezelf als vierjarige kleuter. Ik sta aan de voet van onze flat en roep mijn moeder op het balkon toe dat ik een ijsje wil. Ik huil en zeur, maar mijn moeder blijft onverbiddelijk. Ik besef dat ik verlies, en dat ik nooit een ijsje zal krijgen, maar ik blijf schreeuwen. Ik kan het niet verdragen dat mijn pogingen tevergeefs zijn, en ik weet niet wanneer ik met goed fatsoen kan ophouden. Er moet iets of iemand komen die vertelt dat ik mag ophouden. En dan zie ik mijn vader in zijn grijze kamerjas terwijl ik weer aan het huilen ben op het bed van mijn ouders. Ik zanik en zeur omdat ik naar de dierentuin wil maar ook naar de speeltuin, terwijl ik een van de twee mag kiezen van mijn vader. “Eén van de twee”, en zijn vingers maken een V. Zijn stem is zwaar en dreigend en daardoor moet ik nog erger huilen. Ik ben bang voor mijn vader. De vinger wijst omhoog. “Een van de twee!”, en weer het V-gebaar. Plotseling besef ik dat hij gelijk heeft, dat het onmogelijk is om zowel het één als het ander te krijgen. Ik zie het leven vooruit, ik zie in dat ik mijn hele leven zal moeten kiezen en ook dat kiezen verliezen is. Ik snap hoe onredelijk ik ben, maar net als onder het balkon, weet ik niet hoe ik mijn gedreins moet stoppen. “Vader, je hebt gelijk, want het leven vergt van me dat ik me onderwerp in al mijn wensen.” Dat zou ik moeten zeggen, en vanaf dat ogenblik ben ik een volleerd mens. Maar ik kan niet stoppen, omdat ik weiger de strijd met mijn vader op te geven, al weet ik dat hij gelijk heeft. Ik kom klaar in Marion. Ik zie sterren en m’n zenuwen schieten sterren. Ik ben uitgeput en compleet verslapt. Als we vervolgens tegenover elkaar in ons slangenbad zitten slaat de wanhoop toe. Het gele oog is ons al die tijd blijven volgen. Het is geen vraag meer óf we kunnen ontsnappen, maar wie van ons als eerste het varken zal volgen. En wanneer? Ik probeer me te verplaatsen in de beweegredenen van het beest. We zijn zijn levende voorraad. Misschien is dit al miljoenen jaren zijn manier om zijn prooi gevangen te houden tot hij weer honger krijgt. Dan meen ik van ver weg een stem te horen. Is het hulp? We schieten onze broeken aan die schuren van het zand. Opnieuw klinkt de stem. Ik besef dat het de slang zelf is die ons aanspreekt. Er klinkt Engels met een sterk Frans accent. “Do not panic. I’m the spririt of Hector Berlioz.” Dit kan niet waar zijn, maar het is waar, zo waar als het gigantische slangenlichaam dat ons gevangen houdt. “This is crazy. Where are you?” roep ik. “As you probably know, this snake was originally a part of a bird,” komt van boven het antwoord, als van achter dikke velours gordijnen. “When the bird died, it became independent. In the same way my spirit is a symbiotic part of the snake’s body. I live in his brain. When the snake dies, my spirit is set free until it finds another bird with a snake in it.” Wat moet ik zeggen, welke vraag zal ik de slang, of liever gezegd de geest, stellen? “Are we in danger?” roep ik schor. “Let me put it this way,” klinkt het zacht en dof, terwijl het gele oog ons onafgebroken aanstaart. “I can control the mind of this beast to a certain amount. But I myself have always posessed a very agressive nature, as you can read in my Memoires. And secondly, can I control, if I wished, the snake’s instincts sufficiently to prevent the disaster you undoubtedly fear?” Vervolgens blijft het stil. Wat te doen? Marion knijpt in mijn hand. “Ik weet iets”, fluistert ze. “Fluit het thema uit de Symphony Fantastique. Dan weet hij dat we fans zijn en zal hij ons laten gaan.” Het is een goed idee. Maar hoe ik m’n geheugen ook pijnig, ik kan me dat verdomde thema niet herinneren. Bovendien ben ik niet goed in fluiten, zeker nu mijn mond droog is van angst. Het enige waar ik opkom is de melodie van de ‘Mars naar het Schavot’. Ik zing het, en het komt gelukkig goed uit dat ik een lage basstem heb. “What are you singing?”, hoor ik al snel nadat ik de eerste twee maten van het Largo heb afgemaakt. “I have very bad ears. This snake is almost deaf, much worse than I was, just before I died. Please stop, it sounds out of tune, and as you probably know, I have absolute pitch.” Geschrokken stop ik. “It was a melody you composed yourself. Excuse me for the bad interpretation,” stamel ik. “Do not mock me, for heavens sake!”, klinkt het dichterbij. De slangekop zweeft nu tussen Marion en mij in. “I cannot stand singers. They alway take liberties with the melody. The only real singer I ever met was Mlle Falcon.” “We just wanted to bring you in good spirits,” probeer ik de zaak te redden. Nu ik zie dat de kop zich weer van ons af beweegt, schep ik weer wat moed. “I will now let you go”, hoor ik uit de verte. “The only reason I captured you was my curiousity about what would happen with you in imprisonment, facing an almost certain death. Well, my curiousity is more than satisfied. So live long and prosper.” “Please monsigneur Berlioz, allow me one last question,” roep ik en ik ben verbaasd dat mijn nieuwsgierigheid het wint van mijn doodsangst. “You speak English very well. But in your time, hardly any Frenchmen knew English. How come?” Plotseling worden we weer tegen elkaar aan gesmeten. De gigantische slangenmuur trekt strak om ons heen, zodat Marion en ik rechtstandig tegen elkaar worden gedrukt. Ik snak naar adem. Ik heb zand in mijn mond. Haar haren prikken in mijn ogen. “Quoi?, Hark!”, is de stem nu vlakbij en het slangenoog verschijnt in close-up voor me. “I’m Berlioz, a genius in his time. I was well known in France. Even in England people heard about me. Do you think I’m a fool?” “Excuse me sir!”, roep ik schor, buiten adem, naast het oor van Marion. “I read your Memoires. I know you were, I mean you are, a genius. Forgive me my impertinence.” Met razend geweld in fonteinen opstuivend zand vliegen de kronkels van ons vandaan. Het achterlijf van de slang slaat met een doffe dreun tegen de achterwand. We vallen achterover in het zand en zitten enkele ogenblikken versuft tegenover elkaar. De slangenkop ligt nu bovenop de kronkels, enkele meters van ons vandaan. De gele ogen turen aandachtig onze kant op en de gespleten tong beweegt langzaam in en uit de bek. Ik ren naar de ladder die naast de achterwand ligt. Hoe ik het voor elkaar heb gekregen weet ik niet meer, maar een ogenblik later staat het ding rechtop, en klim ik achter Marion aan de vrijheid tegemoet. Op de laatste sport aangekomen wuif ik. “Au revoir monsieur Berlioz, a demain”, roep ik. En overmorgen zal ik Berlioz weer een varken voeren.

Vincent Baumgart
0 1

op weg naar het volleybalveld

Het grind knirpt onder de banden van zijn fiets terwijl hij het domein van jeugdheem Berg en Dal oprijdt. Zijn hart bonst in zijn keel. Hij wist nog gauw zijn zweet af met een zakdoek voor hij naar de Kleine Club gaat. Hij ademt even diep in voor hij de klink naar beneden duwt. “Na 22 jaren in het leven, maak ik het testament op van mijn jeugd,” het is Boudewijn de Groot die hem verwelkomt. Hij kijkt deze keer beter rond dan gewoonlijk om te zien wie er nog in de club zitten. Het is nog rustig. In de zeteltjes zitten twee koppeltjes en aan een tafel zitten enkele jongeren van K.S.A. voor wie hij zijn hand opsteekt. Hij gaat nu naar de toog. Haar grote bruine ogen stralen. Marleen doet als PV, de Permanent Verantwoordelijke van het jeugdheem elke zaterdagavond de bar in de Kleine Club. Hier heeft hij bij de liederen van Boudewijn de Groot, Liesbeth List en Miel Cools vele uren met haar gediscussieerd. Over derdewereldproblematiek, het communisme, maar ook over religie en de relatie tussen man en vrouw. Naast de affiches die de heemfeesten aankondigen, hangt een poster voor een betoging in Aalst voor Leuven Vlaams. “Heb jij die poster gemaakt?” vraagt hij terwijl hij het antwoord al kent. Haar creatieve stijl is zo typisch dat je er niet kunt naast kijken. “Ze gaat uit van de scholieren in Aalst. Hoe was de betoging in Leuven?” gaat ze op het thema verder. “Geef me eerst een pint, en pak er zelf ook één voor mij.” Het ontsnapt hem voor hij het beseft. Het is niet zijn gewoonte om te trakteren want zijn vader geeft hem nauwelijks zakgeld. Dat weet zij. Hij heeft daar met zijn vader al discussies over gehad. Die man is vreselijk autoritair. “Als ge uw oudste niet heel kort houdt, dan hebt ge aan uw jongste niets meer te zeggen, en ge zult me daar later nog dankbaar voor zijn,” klonk het toen. Daar moest hij het dan mee doen als oudste van negen. “’k Ben nat gespoten door een waterkanon,” zegt hij met de nodige fierheid in zijn stem en luid genoeg dat de anderen het ook kunnen horen. “Doet dat zeer?” vraagt ze bezorgd, terwijl ze kundig de glazen vult met een kraag schuim wit als de kraag van een edelman. “Zeer doet dat niet maar het is moeilijk om recht te blijven. Arm in arm lukte het wel.” Hij heft zijn glas en tikt het tegen het hare. “Gezondheid!” “Op Leuven Vlaams!” zegt ze plechtig. Ze komt ook uit een zogenaamd zwart nest. Hij steekt zich een sigaret op, trekt de rook krachtig binnen om ze even krachtg uit te blazen. “’t Is goed dat de strijd op alle fronten gevoerd wordt. Jong en oud, studenten en arbeiders, arm en rijk.” Hij komt op dreef. “Zo alleen is het kapitalistische systeem van de fanskiljonse bourgeoisie klein te krijgen.” Zijn gedrevenheid is geforceerd. Hij is er niet met zijn volle aandacht bij. Ze dient als veilige plek om zich schuil te houden alvorens een moeilijker te bevaren water in te gaan. Is het de angst voor de volle zee? “Gaan de studenten niet te veel mee met de communisten en hun revolutie?” Hier raakt ze hem in een zwaar dilemma. Hij voelt zich in het nauw gedreven en hij wil haar niet tegen zich opzetten. Vanavond zeker niet. “Misschien wel,” komt er wat afwezig uit. “Ik ga naar het volleybal kijken.” Hij blaast de laatste rook van zijn sigarret uit en dooft ze in de asbak. Hij buigt zich wat dichter naar haar toe en fluistert:” anders zeggen ze weer dat ik me daar te goed voor voel. Dat studentje uit Leuven.” Ze lacht haar witte tanden bloot. Terwijl hij naar de deur gaat, roept ze: “ik ga mee.” Met een sprongetje, dat typische sprongetje van haar, komt ze achter hem aan. Ze komen voorbij de Grote Club. De deur gaat net open, blauwe en rode lichten draaien in het rond. Dansmuziek rolt in langzame golven naar buiten: voor jou Natasha, speel ik op het klavier van mijn hart… Het neuriet onbewust in hem verder “voor jou Marleentje, speel ik op het klavier van mijn hart.” Hij wordt er helemaal warm van en schrikt als ze zegt: “over een kwartier komt Bernard.” Het is haar nieuwe vriend die ze pas kent nadat ze het met haar lief heeft uitgemaakt. Hij vertraagt zijn pas. Ze zijn halverwege het grasveld dat de clubs scheidt van het volleybalveld. “Ik wil je nog eens bedanken voor de hulp die je me gegeven hebt in mijn verliefdheid op Lieve. Ik durfde het haar niet zelf zeggen.” Hij stapt wat verder. “Zou jij als je op iemand verliefd bent, dat zelf durven bekennen?” Hij zoekt hoe hij zijn boot in de goede richting moet sturen. “Als ik mij bij die jongen heel veilig zou voelen wel, bij Frans bijvoorbeeld en misschien…” ze aarzelt een moment, kijkt rond alsof ze iets zoekt, “en misschien ook bij u.” De warmte en het volume in zijn gistende deeg stijgt. “Zeg het nu!” klinkt het van binnen. Is het de stem van zijn vriend Guy? Ze staan nu stil. Hij kijkt haar recht in de ogen. “En als het antwoord negatief is, is dat dan het einde van de vriendschap?” Een ultieme controle van de temperatuur. “Guy zegt dat vriendschap tussen een jongen en een meisje altijd eindigt in verliefdheid en als de verliefdheid niets wordt dat de vriendschap dan stopt.” Ze luistert en schudt haar hoofd. “Dat vind ik niet.” Nu heeft ze een deur geopend in zijn hart. De vaarroute ligt open. Het stroomt van zijn hart naar zijn mond: “Marleen, ik wil graag met u verkeren.” Ze schrikt. Haar grote bruine ogen worden nog groter en haar mond valt net niet open. De woorden waar ze anders niet gauw moet naar zoeken, komen niet. Nog voor ze iets kan zeggen, komt hij haar tegemoet en wil hij haar helpen. Dat gaat hem beter af. “Ik maak het u misschien erg moeilijk, denk er gerust over na. Het moet niet het einde van onze vriendschap zijn, als je het niet ziet zitten.” Ze gaan langzaam verder. Er hoeft niets meer gezegd. Zijn broodje is gebakken. Nu is het aan haar om te zien of ze erin bijt. “Mag ik gaan,” vraagt ze vertwijfeld, “hij zal gaan toekomen.” Haar vertwijfeling ontgaat hem niet en opgelucht toont hij zijn meest begripvolle kant:”ja natuurlijk, zeg. Ga maar vlug.” Hij streekt zich een sigarret op en trekt de rook heel langzaam naar binnen. En blaast hem heel langzaam naar buiten.    

Hendrik Van Moorter
20 0

Tom Lanoye, Sprakeloos, op p.p. 260 - 261

Respect. Het is een basisprincipe in je leven, je krijgt het thuis met de paplepel in gegeven: alle mensen zijn gelijk, ongeacht hun afkomst of hun geld. De familie, de vrienden, de kennissen van de ouders moeten beleefd begroet worden. Je mag met de koekjes rondgaan als er in doorschijnende porseleinen kopjes koffie of thee wordt geschonken, Elixir d’Anvers in poppenglaasjes, cognac in glazen met een dikke buik. Maar evengoed zit Pierre de loodgieter aan de tafel in de woonkamer en mag je hem – beleefd- een glanzend schuimend pintje brengen. Iedereen mag je aanspreken, je kan vragen wat je maar wil. Als het past. Je leert wachten, kijken, luisteren, voelen, het moment te grijpen ‘Als het past’. Je leert empathie, meevoelen met iemand, voelen wat de andere graag- niet graag zou hebben. En je beoefent respect.   Wat je niet leert is: aftasten, een andere mening onderzoeken, uitdagen, een mening voor jezelf opeisen, ze koppig verdedigen. Oh nee, het is allemaal oké, ieder in zijn eigen luchtballon. Je krijgt de vrijheid om te experimenteren, maar je moet niet exagereren: bij conflictbeheersing heeft een moederhand een losse pols, is een vadervoet niet vergeten hoe je moet sjotten, vroeger in het doel, nu onder de broek.   Maar we groeien naast elkaar met elkaar. En het is goed leven in de warme cocon, je krijgt bevestiging (iets wat je nog zo hard nodig hebt), oude kwetsuren worden ondergestopt, begraven, vergeten, je leert vriendschap en strelen en genieten, je ziet hoe vader tranen in de ogen krijgt als moeder hem je ‘zeer goed’ rapport toont, hoe moeder opeens heel aandachtig kijkt, hoe ze laat vallen waar ze mee bezig is als jij, acht jaar, in de krant iets leest over een gemeentebestuur en vraagt wat dat dan wel is en hoe ze dat uitlegt, zo klaar en duidelijk mogelijk. En je verstaat niet met je verstand wat er gebeurt, wat er speelt, maar je voelt het: het is het netwerk van verwachtingen die nooit uitgesproken worden – dixit Tom. Verwachtingen van een vader, die in haar een kind herkent dat gemakkelijk leert en danst en gedichtjes schrijft en zingt, even gemakkelijk als hij in de tijd en wat zal dat geven als ze groot is; verwachtingen van een moeder, haar onvervulde wens om iets te betekenen in de wereld, dat deze dochter verder zal gaan op de weg die zij heeft afgebroken om met je vader te trouwen: haar werk met Cardijn, met de kajotsters, de ontvoogding van de arbeidersklasse. En je hebt het zo goed in je gepermitteerde vrijheid, je wil bij hen nog zoveel goedmaken uit een donker verleden, je hebt zoveel empathie, zoveel respect voor hen (respect respect! het zijn rechtschapen mensen, respect respect!) dat je voldoet aan hun verwachtingen. Maar wat met dat, waar je het woord nog niet voor kent, wat sluimert onder het oppervlak, wat je in jezelf niet kan verwaarlozen, negeren, zonder ook je ouders tekort te doen. Daar kraait geen haan naar.   Tot het zover is. Tot op de dag dat je eet van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad, dat je, geleerd door scha en schande, beseft dat er zoiets bestaat als zelfrespect. Je oefent, beoefent nu zelfrespect. Ook met je ouders: je moet je luchtballon open scheuren, de confrontatie aangaan, het hen duidelijk maken. Wie je zelf geworden bent, wat je zelf wil met je leven, wat de weg is die je voor je ziet, wat je zelf in die rommelachtige wereldpuzzel wil betekenen.   Sta op! Begin er aan!  

versta
12 1

Maak je geen zorgen, door Jan Loogman (opdracht 2)

“Waar blijft Johan?” Natuurlijk ben ik het weer die het vraagt. Ze vinden me al een neuroot. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar ik weet hoe graag ze in het gareel lopen. Stuk voor stuk zijn ze van de week bij me binnengestapt om een wit voetje te halen. Verlaan kwam als eerste, zijn vette haren vielen over zijn brillenglazen, ik hoorde zijn adem, hij drukte een zakdoek tegen zijn neus. Wiebelend op zijn sokken, de man trekt op kantoor zijn schoenen altijd uit, kwam hij met een ideetje, zoals hij het noemde. Hij is altijd bang om niet vooraan te staan als de afdelingschef zich met het werk gaat bemoeien. Een ideetje voor het overleg met het ministerie, zei hij. Ik heb hem weer naar buiten gestuurd. Hij heeft zijn ideetjes nooit van zichzelf, maar hij kan ze verkopen als de beste. Als hij zich behoorlijk gaat verzorgen en kleden, kan hij het ver brengen, maar waarom zou ik hem vertellen dat hij iets aan zijn uiterlijk moet doen? Zijn collega’s hebben daar ook geen zin in, hij loopt te vaak met hun ideeën te pronken. De Parasiet noemen ze hem, en soms De Luis. Ik hoor het wel, maar zeg er niets van. Verdeel en heers, is mijn gedachte. Straks zal Verlaan ongetwijfeld weer met het ideetje komen en dan zullen de anderen verontwaardigd kijken, omdat ze het herkennen, het komt van een van hen. Maar een slecht idee zal het niet zijn.   Van Tuyll en Van den Hoop kwamen van de week ook al op mijn kamer, zwaar zuchtend. Dat een goede presentatie de voorwaarde voor succes is, misschien zelfs de enige succesfactor, is bij hen nog niet binnengekomen. Een ingewikkeld verhaal hielden ze, over de wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof ik daarmee kan aankomen bij het ministerie. Ook die twee heb ik weer naar hun bureau gestuurd. De enige die ik graag mijn kamer binnen had zien komen, is Johan. Maar die heeft het natuurlijk verdomd. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij, toen ik hem polste hoe wij ons in het overleg moeten opstellen. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Mij bijpraten, die uitdrukking gebruikte hij, met een uitgestreken gezicht. Maar nu puntje bij paaltje komt en wij hier allemaal zitten voor dat voorbereidend overleg, is hij er niet. Ook al is het nog geen negen uur, zijn collega’s zitten al een paar minuten aan tafel, stuk voor stuk in het pak, allemaal een stropdas om, turend over de Westelijke Tuinsteden. Het is helder weer, we kunnen de rookpluimen van de Hoogovens boven de duinen zien. Als ze maar niet verwachten dat ik hen allemaal meeneem naar dat overleg. De regie ligt bij mij, vanochtend kunnen zij mij informeren, of bijpraten zoals zij blijkbaar zeggen. En dan ga ik naar het ministerie, misschien dat ik een of twee van hen meeneem, voor het geval het erg inhoudelijk wordt vanmiddag.   Nog eens herhaal ik mijn vraag: “Waar blijft Johan toch?” Ik heb er genoeg van uit het raam te blijven staren. Legwaard kijkt mij aan. Een zenuwenlijer, heb ik hem mij horen noemen. Hij wist niet dat ik naast de tweede koffieautomaat stond en hij kletste erop los, met dat Amsterdamse accent van hem. Ik had die man nooit moeten aannemen. Maar ja, ik wist het weer zo goed, ik dacht dat de jonge honden wel wat sturing van een oudere collega konden gebruiken. In het sollicitatiegesprek gaf hij hoog op van zijn leiderskwaliteiten. Hij heeft nog vooraan gestaan bij de happenings die Provo in 1966 op het Amsterdamse Spui hield, als ik het mag geloven. Maar zijn leidinggevende kwaliteiten zijn blijkbaar met de jaren verdampt, in elk geval doet hij zijn werk als een kip zonder kop, ze moeten hem alles voorkauwen, laat staan dat hij het voortouw kan nemen. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Je verwacht het niet van een oude provo, maar tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst zijn Van Gilspak. Hij heeft er bovendien meer dan één, heb ik gezien. God mag weten waar hij ze van betaalt, zijn salaris kan het niet zijn. “Misschien moet je toch maar beginnen,” zegt hij nu. Denkt hij soms dat ik zijn leiding nodig heb? Maar het wordt zo langzamerhand wel tijd.   Juist als ik de papieren voor mij op tafel nog eens schik, een gebaar dat ik vaker gebruik als signaal dat ik een vergadering bijna ga openen, gaat de deur open. Een Daniel Hechter-jasje draagt hij, een gebloemd overhemd eronder. Alsof er vandaag geen topoverleg met het ministerie op de agenda staat, maar een uitje naar een dancing voor oudere jongeren. Gelukkig geen jeans, maar een neutrale, zwarte broek. Hij kijkt de tafel rond. “Eerst koffie,” zegt hij en weg is hij weer. De anderen schuiven hun stoel achteruit en gaan achter hem aan naar de koffieautomaat, een troep ganzen achter zijn aanvoerder. “Neem ik voor jou een koffie mee, Wim?” vraagt Legwaard mij vanuit de deuropening. Zijn manier om een wit voetje te halen.   Een uur later is voor mij de chaos compleet. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan heeft door dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar op zijn beurt verliest hij zich in detaillistisch geneuzel, hij heeft het over de begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Die deugen blijkbaar niet. Alsof ik daar wel mee aan kan komen. Legwaard zegt om de paar minuten dat ik stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden, zoals hij de medewerkers van het ministerie maar blijft noemen. Alleen Johan zegt niets. Tenslotte geef ik een klap op tafel. Ineens is het stil. “Zo komen we er niet uit,” zeg ik. “heeft iemand een brainwave?”   De stilte blijft even duren. Dan schraapt Johan zijn keel. Eindelijk, daar zul je het hebben. “If you can’t beat them, join them,”zegt hij. Hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Is er dan niemand die mij iets geeft, waar ik vanmiddag mee voor de dag zal kunnen komen? Gelukkig ben ik blijkbaar niet de enige die niet snapt wat hij bedoelt. “Interessant, verklaar je nader, ” zegt Verlaan tegen hem. Ongetwijfeld hoopt hij dat een goede uitleg achterwege zal blijven en dat Johan zijn positie als slimste jongetje van de klas zal moeten afstaan. Maar Johan lijkt tot uitleg bereid. Alhoewel, wat is dit voor gebazel?   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Zodra we alle vier binnen waren, begon een van ons de kaarten te schudden, de anderen namen snel hun plaatsen in. Iemand maakte troef, de eerste kaart lag al op de tafel, we gooiden bij, troefden in, we doken, soms kwam er een kale Nel op tafel. Ik wilde de sfeer van vroeger nog eens terughalen, daarom had ik mijn studievrienden uitgenodigd. Het leek als vanouds, in elk geval zit ik hier met een houten kop. En toch, van meet af aan was de sfeer anders dan toen. We kregen het over de neutronenbomdemonstratie. Twee droegen het speldje nog. Toen ik de realistische opstelling van Joop den Uyl verdedigde, keken ze me alle drie aan, alsof ik van mijn geloof was afgevallen. Schoppen is troef, heb ik toen maar gezegd en we hebben gekaart tot half een. Wat eerder dan we in het verleden stopten, maar laat genoeg voor mij.”   “Kijk, die vrienden van mij hebben op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.”   “Interessant,” zegt Verlaan, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij heeft zich naar mij gekeerd: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.”   Ik begrijp hem wel. Niet dat ik het over die begripsomschrijvingen wil hebben, maar met Johan kom ik ook niet dichter bij een klare lijn. Integendeel. Maar Johan denkt er anders over.   “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij ineens. Verlaan kijkt hem stomverbaasd aan. “En dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. Maar daar kunnen we niet mee aankomen bij het ministerie.” Nu kijkt hij naar mij. “We kunnen daar trouwens niet met zijn allen heen. Een of twee mensen die zich slagvaardig opstellen, hen een alternatief voorleggen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. Niet met dit wetsvoorstel. Dat deugt niet, de begrippen zijn niet precies omschreven, de uitvoerbaarheid is nihil. Dat stellen we in twee zinnen vast. Dan komen we met ons alternatief. “ Verwachtingsvol kijkt hij de tafel rond. “Nou, wie gaat er mee, vanmiddag?”   ’s Middags rijd ik over de A-4 naar Den Haag. Johan dacht kennelijk het alleen af te kunnen, geen van de anderen wilden hem vergezellen. Stuk voor stuk bang dat ze zich onmogelijk maken door met een alternatief te komen. Maar geen van allen durfden ze hem tegen te spreken. Ik zat met de gebakken peren. Het enige wat Legwaard zei, was dat ik natuurlijk de leiding heb, vanmiddag. “Natuurlijk,” antwoordde Johan. “Doe een stropdas om,” heb ik hem daarom voor ons vertrek gezegd, maar hij lachte alleen maar. “We gaan ze een poepie laten ruiken,” zei hij, “en als ik een stropdas om heb, lijk ik teveel op hen. Dan luisteren ze niet.” Nu zit hij naast mij te knikkebollen, de man die straks de kamergeleerden een poepie wil laten ruiken. Straks moet ik het zelf nog aan de ambtenaren uit gaan leggen.   “Maak je geen zorgen,” mompelt hij me toe. “Als in onze wet de begrippen volledig gelijk worden geformuleerd aan de belastingregels, hoeven onze uitvoeringskantoren geen toets op de aanvragers te doen, we sluiten gewoon aan bij de beoordeling van de fiscus. Fluitje van een cent, honderd procent uitvoerbaar. En weet je wat het voordeel is?”   Het is druk op de weg, ik onderdruk de neiging hem aan te kijken. Wat zou het voordeel zijn? Ach, hij vertelt het me straks wel. Helder als altijd. Alleen dat klaverjassen. “Wat heeft dit nu met je klaverjasavond te maken,” vraag ik.   “Niets,” zegt hij. “Ik heb een houten kop en ik had even een aanloop nodig. Maar dit meen ik serieus. Aansluiten bij de belastingregels, als dat in de wet komt te staan, kunnen we de uitvoering aan. En als het fout gaat, heeft de Belastingdienst het gedaan. Kun je ergens stoppen, ik heb koffie nodig.”   Jan Loogman 31 januari 2018    

Jan Loogman
0 0