Lezen

Vierentwintig keer regent het treurwilgblaadjes

Groen wordt geel, dan rood, dan bruin. Door de goudgekleurde stralen van een zon die amper aan de hemel rijst, schitteren dauwdruppels als diamanten op de roodbruine bladeren. Het is herfst! Vierentwintig jaar is het al, dat we achter hetzelfde raam, vol bewondering naar deze mooie transformatie in onze tuin staan te kijken.   Het begon ooit in een oud huis met een verfborstel in onze ene hand en twee kleine peuters in de andere hand. Een grote tuin met alleen maar gras. Een hoge brede treurwilg aan de ene kant, een  oude grillige appel- en pruimenboom aan de andere kant.   Het is herfst 1989. Massa's geel gekleurde blaadjes dwarrelen bij elk zuchtje wind naar beneden. Voor de eerste keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin.   Al vijf keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Tussen de bergen bouwafval groeit hier en daar een frisgroene grasspriet. Een riddertje speelt op de onderste takken van de appelboom. Hij rent onvermoeibaar in en uit de boom en zwaait vol overgave met zijn zwaard  naar de ingebeelde draak. Prinses Mikie wandelt van boom naar boom, met een cocktailjurk vol gekleurde pailletten aan, om haar hals een hoop klatergoud, aan haar voeten bijpassende schoentjes die op het stenen pad "klak, klak, klak" zeggen.   Tien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. Een jonge kat springt wulps tussen de vallende bladeren. De appelboom is gevallen en netjes opgeruimd. Er staat nu een schommel met glijbaan en klimtoren. Aan de rand van fris jong gras prijkt een dun twijgje met een groot label eraan.  Op het label  staat een foto van een grote kersenboom vol lekkere rijpe kersen. Voor de nieuwbouw garage, ten midden van kleurrijke heesters en struiken, klatert water uit een bamboe watervalletje  in een houten ton. Er zwemmen 2 goudvisjes in. Een springtouw en een poppenwagen liggen geduldig te wachten op het nieuwe terras. Net als de mountainbike en het skateboard. De school is nog niet uit.   Vijftien keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De pruimenboom stond helemaal dor en is netjes opgeruimd. De schommel oogt zielig eenzaam in een hoekje aan de rand van de tuin. Het watervalletje was niet zo'n succes. Het heeft plaatsgemaakt voor een heg die dwars over de hele tuin tot aan de treurwilg reikt. Er staan een rond zwembad en vier zonnestoelen achter. Uit de kamers van het riddertje en prinses Mikie klinkt "keifakke"  muziek.   Twintig keer regent het treurwilgblaadjes in onze tuin. De kersenboom is nu zo groot als op het labeltje stond. De schommel is netjes opgeruimd en heeft een tweede leven gevonden in een andere tuin. Het ronde zwembad is omgebouwd tot een stenen rechthoekig exemplaar mét zonneterras. Als ik door het raam zie, droom ik weg naar te warme dagen met stralend blauwe hemel en zie twee studenten genieten van "poolparties". Nog steeds mét hippe muziek!   Het is herfst. Voor de vierentwintigste keer zie ik door het raam naar onze tuin. Het regent geen treurwilgblaadjes meer. Hij is gevallen, onze hoge brede treurwilg, en met man en macht netjes opgeruimd.   Het riddertje kijkt nu vanuit zijn appartement naar een laan met vijf hoge platanen. Voor hem regent het grote rode bladeren. Door het raam van hun huis aanschouwt Prinses Mikie met de liefde van haar leven, een berg bouwafval met hier en daar een frisgroen grassprietje. Aan de ene kant prijkt een walnotenboom van middelbare leeftijd. In de weerkaatsing van het nieuwe venster zie je haar bolle buikje.   Vijfentwintig keer en het zal nooit nog treurwilgblaadjes regenen. Of we nog door het raam gaan kijken? Heel waarschijnlijk als paasbloemen gaan bloeien en vogels beginnen te fluiten, zal je ons vinden aan de nieuwe zandbak. De zandbak op het terras waar ooit een treurwilg stond. Waar een klein peutertje samen met oma en opa de mooiste zandkastelen zal bouwen!

Bettybie
0 0
Tip

Gurkje leert koken

Gurkje leert koken                     ‘Koos’, zei mam, ‘ik ga een baantje zoeken.’ Het was bij het avondeten, we stopten met kauwen en keken schuw naar pap. Hij liep rood aan, we doken een beetje in elkaar. ‘De jongens worden groot, ze hebben me niet de hele dag meer nodig.’ ‘Ik verdien toch genoeg,’ zei pap. Zijn stem gromde, als een hond aan de ketting. We wisten niet of de ketting goed vastzat. ‘Daar gaat het niet om,’ zei mam, ‘jij hebt je werk, de kinderen zijn naar school. Wat moet ik dan de hele dag doen? Of wil je soms dat ik ga tennissen en sherry drinken?’ Pap ging zonder iets te zeggen van tafel, de grom was in zijn bewegingen gezakt. Hij pakte de krant. Mam begon te bidden, haar bord was nog niet leeg. ‘Meiden,’ zei mam, ‘afruimen en de vaat doen. En doe de keukendeur dicht.’ Harm en Sjaak verdwenen naar boven. We stonden op en pakten pannen, stapelden borden, voorzichtig, beducht om geluid te maken. ‘Doe niet zo ouderwets,’ zei mams stem aan de andere kant van de deur. Paps bromstem was niet te verstaan. We deden de vaat in de aangeleerde volgorde, eerst de kopjes en de glazen, dan de borden en het bestek, de pannen het laatst. De bromstem ging omhoog en omlaag, mams stem klonk steeds sussender. Het water in het teiltje werd viezer. De stemmen uit de kamer daalden tot een gezoem, als van boze hommels. ‘Al goed, doe jij verdomme je zin maar,’ schreeuwde pap, ‘en je ziet maar hoe je het allemaal regelt.’ Een deur sloeg dicht, er werd gevloekt en gestommeld op de trap. We keken elkaar even vragend aan, keerden het teiltje om, namen het aanrecht af, sloten de keukenkastjes. Twee maanden later had mam werk als receptioniste, voor drie dagen in de week. Ze zag er jong uit toen ze het ons vertelde, blij, stralend, een beetje hip.   Het was de derde dag dat mam gewerkt had. ’s Avonds was het stil aan tafel, we aten laat, half zeven. We luisterden naar de tiktak van de klok en prakten onze aardappelen, gebogen over onze borden. Alleen pap en mam zaten rechtop, tegenover elkaar, en zwegen. Ze zwegen hoorbaar, totdat hun zwijgen de klok overstemde. Na het bidden mompelden Sjaak en Harm iets over huiswerk en verdwenen. Wij ruimden af, deden de vaat en gingen boven ons huiswerk maken. Om tien over acht schoot de schelle stem van mam uit. Pap stikte bijna in zijn woorden. Ze hadden het over stofzuigen, boodschappen. Om half negen klapten we de schoolboeken dicht, poetsten onze tanden, trokken onze ponnen aan. Om negen uur sloegen we de dekens van ons af en gingen met ons oor tegen de vloer liggen. Mam gilde ‘Je gunt me ook niks.’ We waren bang dat mam weer weg zou lopen maar er klonken geen deuren, alleen gillende, tierende stemmen. De klok sloeg tien, we hadden maar kort gehuild. Koud geworden, waren we terug in bed gekropen. Pap schreeuwde ‘Ik kan het toch niet gaan doen, wat zullen m’n broers zeggen.’ ‘Ach, jij en die rottige broers van je.’ Er volgde een onbekend geluid, het leek op huilen. Daarna de stem van mam, sussend, die van pap klonk bibberig. In de stiltes daartussen het tikken van de klok.   Bij het ontbijt deelde mam mee dat wij voortaan het huishouden moesten doen, zij kwam daar niet meer aan toe. Ze somde de taken op, dat duurde even. ‘En Harm en Sjaak,’ vroegen wij, ‘wat moeten die doen?’ ‘Die hebben huiswerk,’ zei mam. ‘Dat hebben wij ook.’ Toen zagen we de pollepel naast mams bord en hielden onze mond. We keken op. Harm en Sjaak kwamen binnen, slaperig. ‘Meiden,’ zei mam, ‘je weet het brood en de broodplank te vinden, aan de slag. Sjaak krijgt acht boterhammen mee en Harm zeven.’ We bewogen niet. Pap kwam beneden. ‘Wat kijken jullie verdomme chagrijnig,’ zei hij tegen ons. We keken van pap naar mam naar de pollepel en kwamen in beweging.   Na een week of vier begonnen we een soort van routine te krijgen. ’s Morgens gaf mam aanwijzingen en opdrachten, voor school maakten we de bedden op en smeerden brood voor Harm, Sjaak en onszelf. ’s Middags haastten we ons uit school om boodschappen te doen, het huis aan kant te krijgen, te koken. ’s Avonds na de afwas zetten we koffie voor pap en mam en maakten boven ons huiswerk. Op zaterdag streken we en op zondag gingen we naar de kerk. Het meeste deden we zoals mam het bedoelde, dachten we, hoopten we. Het koken ging niet altijd zoals pap het bedoelde, de aardappelen brandden aan, het eten was te laat klaar, we waren het zout vergeten. Smoesjes, smeekbeden en excuses hielpen dan niet. De volgende dag deden we nog beter ons best, met een steen in de buik.   De kerstrapporten kwamen. Wij hadden zevens en achten, net als Sjaak. Harm had een vier, voor gym. Pap gebood hem te bukken, Harm zei nee. Pap haalde uit, Harm weerde diens hand af en sloeg hem vol op de bek. Wij sloegen een kruis en vreesden Gods oordeel. De bliksem bleef uit, de aarde scheurde niet open, pap vloekte, sloeg met de deur en ging een eind fietsen. Harm grijnsde. Met Kerstmis was alles weer normaal, het stalletje stond, de kaarsen brandden en we aten witlofsnot en ander feesteten. Mam had gekookt. Begin februari hadden we te weinig suiker in de appelmoes gedaan. Pap gooide een lepel naar ons, miste. Er brak iets bij ons, van binnen, een dam ofzo. We dachten aan de kerstrapporten en stonden op. Ik mat Corrie met mijn ogen en zij mij met de hare. We waren kleiner dan pap. Harm en Sjaak stonden op. Pap zag ze rijzen en stond bewegingloos. Toen stortte bij mij de vloed naar buiten. ‘Doe het voortaan zelf, klootzak, als je het beter kunt. We zijn verdomme je dochters en we doen ons best maar Jezus Christus, het is nooit goed genoeg. Er kan toch godver wel eens een complimentje vanaf, of een bedankje.’ Ik stampvoette en gooide mijn bord op de grond, het brak voor zijn voeten in stukken. Harm zei ‘Gurkje’ en maakte een gebaar van tegenhouden. Er zat een tafel tussen en trouwens, ik was nog maar net begonnen. Ik schold pap uit voor huistiran. De ader bij zijn slaap klopte vervaarlijk, het deerde me niet, ik smeet er woorden uit als oudbakken fascist en rechtse zak en stampvoette weer. Corrie was stokstijf blijven staan, nu zeeg ze terug op haar stoel en begon te huilen. De aanblik van mijn bibberende, jankende zusje werd me te veel, ik viel stil, verward, trillend, niet wetend of ik de scherven zou opruimen. Corrie snikte met een snorkende uithaal en ineens wou ik haar troosten, beschermen. Onvast legde ik een hand op haar schouder. Harm haalde de suiker uit de keuken en deed er een schep van in de appelmoes, grijnzend. ‘Ziezo.’ Sjaak ruimde de scherven op. Iedereen ging weer zitten. We aten Saroma als toetje. Bananensmaak.  

Marijke Roza-Scholten
7 2

Ze horen er niet bij

Ze horen er niet bij, die Puerto Ricanen. Alsof een aardbeving iets zou veranderen aan het feit dat het gewoon gaat om een gepest kleutertje dat in de hoek van de klas staat waar de klappen vallen. Heel de wereld moet ook niet wakker schieten dat onzen Donald te laat in gang schoot. Als ik zelf al vragen had of Puerto Rico wel degelijk tot Amerikaans grondgebied behoort? Dan valt het te begrijpen dat het als fake news beschouwd kan worden wat zijn adviseurs hem in het oor fluisterden.   Als het een troost mag zijn voor mijn vriendjes in Puerto Rico... Ik hoorde vroeger ook niet bij “De Dauwtrippers”, een vereniging die wandelzoektochten organiseert ten voordele van de liefdadigheidsinstelling “Aids tegengaan door ontkenning.” En kijk nu? Ik hoor er nog steeds niet bij.   Maar ik begrijp hen wel hoor, die Puerto Ricanen toch. “De Dauwtrippers” is een ander verhaal. Ik heb wel ander dingen te doen op een mooie, koude zondagmorgend om 07h. Niets dus. Maar ergens bijhoren en u niet aanvaard voelen is voor niemand leuk. En al zeker niet als het gaat om het dak van plastic afval dat op uw hoofd is terecht gekomen, en er niemand komt helpen. We hebben hen toch al geholpen met eerst afval de zee in te dumpen zodat ze tenminste al eerst een dak boven hun hoofd hebben voor het geval er ooit eens een aardbeving mocht komen.   “Hoe voelt het eigenlijk Bartje? Als je zo teksten schrijft? Er niet echt bijhoort op dat vlak bij andere mensen? Blijkbaar is uw vunzige praat waar je ons met terroriseert in uw teksten net hetzelfde als je daadwerkelijk praat met ons, die mensen dus?” Ja dat is waar, op het arrogante af, als ik daar al niet ben over geweest. De bevestiging die ik mezelf eens geef door aan alles het schijt te hebben... euhm... Ik nodig zeker niet uit voor een leuk gesprek als ik zo in die bui zit. Hoewel ik me vroeger zelf wel genoeg heb uitgenodigd voor er bij te horen. Naar van die verhalen proberen te luisteren van de stoerste jongens op het school bijvoorbeeld, zeg maar the outlaws op bromfietsen. Al een geluk heb ik me ondertussen kunnen onderscheiden.   Ik hoor er niet echt bij zie ik jullie denken, maar die rol vind ik niet erg. Het is een beetje het omgekeerde als van die muziekgroepjes waar alles rond één iemand draait. Destiny’s Child, wat deden Michelle en Kelly eigenlijk in dat popgroepje? Blij zijn met warme lucht te mogen blazen in de microfoon? Om dan een gooi te doen naar een mislukte solocarrière met een klein zomerhitje hier en daar? Dan ben ik liever Beyoncé van in het begin, zonder een groepje aandachtszangeressen op de achtergrond.   Natuurlijk in Puerto Rico zit het anders, daar heb je een eiland vol met van die achtergrondzangers. Beweren dat ze bij Amerika horen, dat is de theorie alvast. In de praktijk ligt er in Amerika niemand echt wakker van dat daar plasic daken de lucht zijn ingevlogen.   Je kan maar beter Beyoncé zijn vanaf het begin, en niet via een underdogpositie u naar boven proberen te werken vol twijfels en systematisch beklag waar niemand een oor naar heeft. Zelfs niet als je zou fluisteren.   Ik ben Beyoncé. Al van het begin.

Bart Van de Peer
0 0

Een stad is nooit verlaten

Zoals ook het voetbalveld achter mijn huis nooit verlaten is. De voetballers hebben het verlaten en uiteindelijk ook de kleedkamers, de douches en tribunes maar niet nadat hangjongeren er flessen drank en lege pakjes sigaretten hebben achterlaten en wij de daken van ons clubhuis. Maar niet nadat diezelfde hangjongeren en kleedkamers, douches en tribunes ons hebben achtergelaten met herinneringen aan avonturen en ontdekkingstochten.   Zoals de schapenwei achter mijn huis nooit verlaten is. De schapen hebben het verlaten, maar niet nadat ze ons hebben achtergelaten met herinneringen aan wilde achtervolgingen en verlegen toenaderingen.   Zoals ook mijn ziel nooit verlaten is. Jij hebt me verlaten, maar nu laat ik een deel van mezelf achter op het wijde veld achter mijn huis, waar houthakkers bomen dwars hebben laten liggen en ik heb mijn gedeelde gedachten erbij neergelegd. Waar de omheining na telkens teruggetrokken te worden in net niet dezelfde vorm uiteindelijk toch vaststaat door onze klauwende vingers en klauterende voeten. Waar de herinneringen aan jou zijn ontstaan en opgeslagen, toegankelijk en bereikbaar voor mijn ontoereikende geest. Waar alle organismen een plekje veroverd hebben en zich in mijn ziel begraven hebben.   In een stad zijn dit de straten, bedoeld om voertuigen door te laten als de omheining bedoeld om schapen binnen te houden, vertrappeld door de shoppende stappen. En in de stad ben ik de hangjongere die brandjes sticht.  

Liesa Vosch
0 0

Over tijd

We hebben een serieuze haat-liefde-verhouding, tijd en ik. Altijd al gehad. 't Is een knipperlichtrelatie. Soms is het aan, soms uit. Soms zien we mekaar graag, op veel momenten kunnen we mekaar niet uitstaan. Enfin, ik moet hier voor mezelf spreken. In plaats van de tijd kan ik eigenlijk weinig zeggen. Ik ga er gemakkelijkheidshalve van uit dat wat voor mij geldt, ook voor tijd geldt. Freud zou er wel een term voor hebben. Maar dus: tijd. We kunnen niet zonder mekaar. Maar soms wil ik er gewoon liever van af zijn. Wilde ik dat hij niet bestond. Of dat hij gewoon eens wat vaker stilstond.Zo vaak gaat hij te vlug. Soms te traag. Het hangt van het moment af. Maar ook van de leeftijd. Waar tijd vroeger snel vooruit ging, lijkt hij nu uren te duren. Of dagen. Of eeuwen zelfs.  't Is iets complex, tijd en ik. Ik heb 'm lang proberen vast te pakken en te plooien naar mijn zin. Efficiënt in te vullen. Goed te plannen. Als ik dan dit doe en daarna dat, dan heb ik dàn en dàn tijd voor dat.  Zoiets ongeveer.  Ik probeerde zoveel mogelijk uit de dag halen. Waardoor ik het Moment aan me liet voorbij gaan. Dingen niet zag. Niet hoorde. Er niet voor open stond. Ah nee. Het moest efficiënt zijn. Gepland. Iets dat ertussen fietste, reed in de weg.  't Is nog steeds moeilijk, hoor, tijd niet-effeciënt gebruiken. Eens luieren. De tijd uit het oog verliezen. Een dag naar zee, zomaar, doelloos rondkuieren en van terrasje naar terrasje gaan zonder doel: nog steeds lastig. Ik wil een doel. Zodat ik tijd maximaal kan doen renderen. Ik sleur 'm mee, die tijd. Van stoel naar stoel. Kijkend op m'n horloge. Onrustige wiebelend. Wachtend op de volgende deadline. Niet gemakkelijk. Maar 'k leer bij. Twee terrasjes, zonder doel of deadline...'t lukt al beter. Drie is nog moeilijk. En waar het vroeger leek alsof de tijd stil bleef staan, flitst hij nu steeds vaker voorbij. 's Nachts bijvoorbeeld. Ik kan me niet herinneren dat de nachten in mijn kindertijd zo kort waren. Ze leken lichtjaren te duren. 't Zijn trouwens niet enkel de nachten die voorbijrazen. Ook de dagen en de weken gaan sneller. Veel sneller. Een keer knipperen met je ogen en ze zijn weg. 't Is vreemd. En 't wordt alleen maar erger. Echt. Ik las eens hoe dat kwam, in dit artikel. Of hoe dat zou kunnen komen. Er zijn veel mogelijke verklaringen. Eentje ervan is dat we, naarmate we ouder worden, steeds meer vastgeraken in een routine. Er zijn niet (meer) zoveel nieuwe dingen te ontdekken. We kennen onze wereld wel, min of meer. En wanneer er weinig nieuwe input is, is er ook minder te processen.  Voor kinderen is veel nieuw. Moet er veel verwerkt worden. En daardoor lijkt het alsof de tijd voor hen veel trager voorij gaat. Of zoiets. Wat snel ging, duurt nu te lang. Een internetverbinding hebben van 4G, da's nu snel - of is het intussen overal 5? 't Gaat zo vlug. 15 Jaar geleden was inbellen via Caen in Frankrijk de snelste manier om te kunnen surfen op het (nog net iets minder uitgebreide) WWW. Het geluidje hangt nog steeds in m'n hoofd. Het duurde soms minuten eer je verbonden was. Maar dàn ging het snel. Een pagina laadde in op een halve minuut. Warp-speed. Toen toch. Als een pagina nu langer dan 10 seconden nodig heeft om in te laden, ben ik al weg. Of heb ik al zeven keer op refresh gedrukt. Terwijl ik ongeduldig tokkel op m'n toetsenbord. Ik ken eigenlijk geen enkele website meer die moet laden. Tenzij er iets mis is.De vooruitgang. 't Is niet enkel de perceptie die de tijd vooruit stuwt. Een voorbeeld? Die laatste dagen zwangerschap - overtijd en ongeduldig. Die dagen duurden, eerlijk waar, langer dan de 40+ weken die eraan vooraf gegaan waren. Elk uur kroop voorbij. Om gek van te worden. 't Waren geen aardse dagen van 24 uur, maar 't leek er eerder eentje op Venus. Daar duurt een dag 116 dagen. Het lijkt iets slechts, dat tijd soms langer duurt dan vroeger. Maar soms is dat gewoon leuk ook. Om langer naar iets te kunnen uitkijken. Of toch dat idee te hebben. Om te slow-cooken of te slow-brewen (koffie dan, he). 't Moet allemaal zo snel niet gaan. Om te moeten wachten op iets. Om te moeten sparen voor iets. 't Is een trend, he. Ik snap 'm wel.Combineer die twee. Dan wordt het pas écht leuk: Rijden tussen het jachtige verkeer op de drukke E17 en intussen dit streamen door de luidsprekers van je autoradio. De wereld ziet er in één keer helemaal anders uit. Mindfuck. En vooral fun. Hilarisch vind ik het. Probeer het zelf maar eens. Je zit gegarandeerd glimlachend achter je stuur. Soms staat hij ook nog wel eens stil, hoor, de tijd. En ik ook.  Toen ik telefoon kreeg dat kleuterlief, in haar eerste schooljaartje, met haar hoofd tegen de muur gevallen was tijdens de speeltijd en de juf zei dat de wonde best genaaid moest worden. De rit naar school duurde ook echt een eeuwigheid. Wanneer je slecht nieuws krijgt. Of net heel fijn. Wanneer je iets fouts hebt gedaan. Of betrapt wordt. Ook dan matrixt de tijd. 't Is een supercool effect. Je hebt er geen grip op. Het gebeurt gewoon ineens. Stop. Freeze. En niet zelden gaat hij nadien ook supertraag weer verder. Da's tijd. Ongrijpbaar. Oncontroleerbaar. Weg voor je het weet. Voorbij en vergeten. Tenzij in herinneringen. Daar is tijdreizen mogelijk. Niet altijd realiteit. Maar zoals ze je ze ervaren hebt, die momenten. Netjes opgeslagen en bereikbaar - enfin, soms. Soms poppen ze op, die herinneringen, onverwacht en ongepast. Soms kan je ze even niet vinden. Tot iemand je erop wijst. Of je iets ruikt, ziet of hoort. Flashback naar 31 jaar geleden, naar die keer dat ik met m'n voetje tussen de spaken van het achterwiel zat. 18 jaar geleden, naar een mondeling examen dat ik nailde. 7 jaar geleden: dat ene geprek met m'n grootmoeder over een trouwkleed. Of naar het avondeten van gisteren. 'k Moet eens even nadenken...wat aten we nu weer?  

Gitane
0 0

My ass

Ik ben geen fan van openbare toiletten. Wie wel, eigenlijk? Iedereen probeert ze toch te vermijden. Ze zijn er enkel in geval van de Allerhoogste Nood. Want meestal niet zo fris. Niet proper. Om het schoon te zeggen. Ook de toiletten in tankstations waren te mijden. Ik vond ze vreselijk. Dronk uren op voorhand geen water meer wanneer ik een lange (bwah) rit moest maken. Stel je voor dat ik zo dringend moest dat stoppen in een tankstationtoilet de enige optie was. En het is niet zo dat ik smetvrees heb. Hoewel. Misschien een beetje. Maar geef toe, zo'n toiletten zijn vaak echt niet schoon en/of in goede staat. Da's deuren met de ellenboog openen, zo weinig mogelijk aanraken (ZEKER geen wc-onderdelen, ieuw. Ik trek door door met m'n voet op die drukknop te duwen. Niet vragen. Dat lukt. Meestal) en - na zeer uitvoerig en met zeep handenwassen - toch nog even desinfecteren met dat flesje alcoholoplossing uit m'n handtas. De laatste jaren waait er gelukkig een frisse wind door de toiletten in tankstations. Door ze te laten uitbaten door gespecialiseerde bedrijven, wordt snel-snel plassen nu bijna een wellnesservaring: propere wc's en vloeren, kleurige muren en een leuk muziekje. Ok, je moet er dan wel €0,50 voor betalen, maar die kan je recupereren in de vorm van een kortingsbonnetje. En dat kan dan weer ingewisseld worden bij de aankoop van een Lavazza-koffietje. Ja, ze gaan erop vooruit die stations en hun toiletten. Nu, het blijven natuurlijk publieke plekken. En wc-hokjes. Hoe leuk ze ook aangekleed zijn. Er komt veel volk samen. Mensenlevens die elkaar kruisen. En passant. Vluchtig. Niks anders te delen met elkaar dan een warme toiletbril en -papier. Enkel het doel voor ogen: verlossing. Maar soms loopt het toch anders. Blijft er toch iets hangen van zo'n snelle pipi-stop. En dan heb ik het niet over die halve rol papier onder je schoen. Dit gebeurde vorige week. 't Was een schoon toilet. Mooi ook wel. Met twee hokjes. Eentje was bezet. Ik koos dan maar het andere. 'k moest echt dringend. 't Zou stom zijn om te staan wachten tot dat ene hokje weer vrij was. Mensen zouden toch maar raar staan kijken. Misschien moet ik me daar minder van aantrekken. Anyway. 't Waren zo van die 'open' hokjes. Apart maar toghether: open van boven en beneden. Geluiden voor iedereen toegankelijk. Ik deed wat bijna iedereen in zo'n hokje doet: zo stil mogelijk plassen. Zwevend. Want smetvrees. Ook in een schoon toilet, ja. Je weet het nooit. 't Gaat trager zo zwevend fluisterplassen en ik pikte het gesprek op uit het hokje naast het mijne. Blijkbaar zaten er twee mensen in. En moeder en dochter, zo meende ik te kunnen afleiden. Of zoon. Want ik hoorde enkel de moeder praten. Bevelend. Kort. Instructietaal voor kinderen. Met véél herhaling. 'Ga zitten''. 'Plas door!'. 'Ben je klaar? Nu al? Dat kan nog niet!'. 'Plas helemaal uit. Nog, ja. Komaan. ' 'Ben je klaar? Zeker? Blijf toch nog maar even zitten.' 'Neem voldoende wc-papier. Niet zoals de vorige keer. Nee. Meer.' Zoiets was het. Ongeveer. Ik was intussen ook mijn eigen business aan het minden.Jeezes, mevrouw. Komaan. Geef dat kind even rust. Als je zo op zijn/haar kap zit, gaat dat écht niet lukken. Of sneller gaan. Of helemaal uitgeplast raken. Het verbaasde me dat dat kind geen weerwoord bood. Mocht ik onze kleuter zo afjagen en pushen, 't zou nogal een feest worden in dat hokje. En dat bedoel ik ironisch, he. Voor de zekerheid voeg ik dat er toch even aan toe. Nog net op tijd kon ik mezelf inhouden. Wilde mijn ongenoegen laten blijken. Door diep te zuchten of 'Komaan' ofzo te zeggen. Met m'n ogen had ik al een aantal keren gedraaid. Maar dat zagen ze natuurlijk niet. Ik was klaar. Zij ook. Iets sneller dan ik. Want toen ik met mijn voet doorgetrokken had en met mijn elleboog de deur opengekregen, zag ik hen nog net wegwandelen. Een mama en haar dochter, inderdaad. Maar de dochter was geen kleuter. 't Was een meisje met een zware meervoudige handicap. Ze leek me vooraan in de twintig. En had heel duidelijk de hulp nodig van haar mama. Om te stappen ook. Verdomme. Terwijl ik daar gezellig in mijn hokje stond te oordelen, was die moeder naast me gewoon aan het doen wat ze waarschijnlijk dag in, dag uit doet: voor haar dochter zorgen. Met veel geduld. En liefde. Bezorgd. Omdat ze misschien ziek kon worden wanneer ze niet uitplaste. Een blaasontsteking kon krijgen ofzo. Misschien erger. Iets wat ze konden missen. Iets wat veel impact zou kunnen hebben op haar, op hun leven. Fijn, zo. Dat had ik weer eens netjes gedaan. Ik mag trots zijn op mezelf. Zonder vooroordelen, my ass. Me gaan excuseren zou raar zijn geweest. Mijn oordeel bleef immers onzichtbaar voor hen. Maar maakte het niet minder aanwezig. Toch niet voor mij. Nu ik erover nadenk. Misschien was mijn oordeel niet zo onzichtbaar voor die mama als ik wel denk. Misschien voelde ze het wel. Ik kan me dat voorstellen. Dat je al zo vaak opmerkingen hebt gekregen, dat je al zo vaak de blikken hebt gevoeld, het gefluister wanneer je passeert, dat je er een zesde zintuig voor ontwikkelde. En een manier om ermee om te gaan. Om het te relativeren. Te negeren misschien. Te vergeven. Maar niet te vergeten. Kleine messteekjes in je hart. Al je hele mama-leven lang. 't Is gemakkelijk voor mij. Om het van me af te schrijven en te denken dat mijn www-excuses genoeg zijn om de pijn te verzachten. Ik kan het me niet voorstellen wat het is. Hoe het voelt. Ik probeer het. Ik wil me tóch excuseren.  Niet enkel voor dat ene wc-moment. Ook voor alle andere keren ogengedraai, gezucht en steelse blikken. Waarvan ik hoop dat dat er écht niet zoveel zijn. 'k Ga erop letten. Meer nog dan ik dacht dat ik al deed.

Gitane
0 0