Lezen

Een laatste glas

“De wijn is heerlijk.” Hij wiegde het glas en keek hoe de rode druppels weer naar beneden gleden. Exact de goede hoeveelheid tanines. Ze lachte. “Ik dacht wel dat je het hier fijn zou vinden.” Hij bleef naar zijn glas kijken. “Het is lang geleden dat ik nog ergens zo van genoten heb.” Ze kon niet vermoeden hoeveel moeite het hem had gekost vanavond tot hier te komen, zijn nette kleren uit de kast te halen en met haar aan tafel te zitten. Hij had gevreesd dat hij nooit zolang zou kunnen stilzitten en dat hij er zeker niet in zou slagen verschillende gangen naar binnen te werken. Het eten had hem gesmaakt.   Hij had zich laten overtuigen in een zeldzaam moment van melancholie, een vluchtige heimwee naar betere tijden. Of misschien was het gewoon onoplettendheid. Een collega van de boekhouding had hem geblokkeerd aan het kopieerapparaat. De doorgang was te smal om met twee personen te passeren en zijn minder ijverige collega’s zagen dan hun kans schoon om er een praatje te doen. Hij was populair om praatjes mee te doen omdat hij zelden iets vertelde over zichzelf en daarom bekend stond als een goede luisteraar. Zijn collega’s wisten niet dat het hem simpelweg aan interessante levensverhalen ontbrak, en dat je mysteries gemakkelijker in stand houdt door erover te zwijgen.   Zijn collega van de boekhouding had zijn arm uitgestoken en leunde tegen de muur, terwijl hij nog bezig was zijn offertes in te scannen. Hij keek zijn collega aan, die zichzelf met één blaadje koelte toewuifde. “Je kan wel voor hoor, ik ben nog wel even bezig.” “Geen nood. Geen nood. De papiertjes gaan niet lopen.” Zijn collega gaf hem een samenzweerderige knipoog. “Jij bent vrijgezel he.” Hij keek verbaasd op en knikte. Waar ging dit naartoe? Enkele minuten later had hij ingestemd met een blind date met de onderbuurvrouw van Will, die als maatschappelijk assistente werkte en weduwe was. Will had niet verteld dat ze ook zwijgzaam was, of liever dat ze haar antwoorden met zorg koos, dat ze geen woord teveel gebruikte en lang nadacht wanneer hij een vraag stelde. Vreemd genoeg was dat al voldoende om hem zelf aan het praten te krijgen.   “Ben je een wijnkenner?” Ze keek toe hoe hij zijn neus in het glas stak en zijn ogen sloot als hij de dampen opsnoof. Ze wist natuurlijk niet dat het al lang geleden was dat hij op deze manier wijn gedronken had. Hij was een wijnkenner, jazeker. Op zijn veertiende had hij kennisgemaakt met de geneugten van wijn, via zijn nonkels die vonden dat hij oud genoeg was voor enkele glazen. Hij had het een heerlijk gevoel gevonden, een lichtheid in zijn hoofd die langzaam naar boven steeg. Zijn hand werd vaster, zijn stem werd luider, hij maakte een grapje tegen zijn nichtje en ze lachte. Het klonk als gerinkel in zijn oren. Hij heeft nog moeten overgeven in de auto, terwijl zijn moeder zijn nonkels verwenste. Ondertussen had hij de leeftijd van zijn zatte nonkels bereikt en moest hij nooit meer overgeven van wijn. “Ik ben sommelier geweest.” Ze kneep haar ogen tot spleetjes, waardoor er een zachte frons op haar voorhoofd verscheen. “In een vorige leven.” Hij zette zijn glas neer en wuifde met zijn hand, als om aan te tonen hoe weinig het betekend had. Een fase, iets dat voorbij waaide tot hij op zijn plek zat waar hij nu was, in de wereld van de computeronderdelen. Ze bleef zwijgen en hij wist ondertussen dat ze wachtte op meer uitleg. Ze stelde geen vragen, ze wachtte alleen maar. Het was een heerlijkheid om te praten tegen iemand die geen vragen stelde.   “Ik werkte voor een restaurant. Een goed restaurant, het leek wat op deze plek. Je hebt een goede smaak.” Ze beantwoordde zijn glimlach maar ze liet zich niet afleiden van het onderwerp. Het restaurant waar hij werkte. De rust die het uitstraalde, de tafels die ver uit elkaar stonden, zodat je je zelfs niet kon storen aan klierende kinderen. De retrotegels. De muziek die je niet opmerkte maar die je wel mee dronk en at. En de heerlijke wijn, die niet alleen goed smaakte maar die je terug veertien deed voelen en je de moed gaf om iets te proberen dat misschien succes kon hebben. Hij legde zijn hand op haar hand, heel snel en vluchtig. Ze lachte opnieuw. “Waarom ben je gestopt?” Hij tikte zachtjes tegen zijn wijnglas. “Ik kreeg sinusitis en liep voortdurend rond met een verstopte neus. Ik kon niet meer zo goed ruiken als vroeger, en ze hebben me laten gaan.” Het was de eerste keer deze avond dat hij een echte leugen vertelde. Hij was misschien niet volledig open geweest over zijn echtscheiding en de reden waarom zijn kinderen maar één keer per maand op bezoek kwamen. Maar hij had nog niet hoeven liegen tegen haar. Nu had hij deze avond bezoedeld, hij kon geen avond met iemand doorbrengen zonder te liegen. Hij staarde naar zijn glas wijn, het zachte rood dat hem zachtjes leek toe te fluisteren. Kom, kom dichter en verdrink in ons. Hij wilde verdrinken, zich over het glas buigen en wegzinken in het diepe rood.   Hij had aan dit moment gedacht toen hij enkele uren geleden voor de spiegel stond en zich afvroeg wat hij kon doen om zijn haar in model te krijgen. De avonden. Hij kwam de dagen moeilijk door, maar ze waren niets in vergelijking met de avonden. ’s Morgens kon hij zich bedwingen, dan nam hij één glaasje whisky zodat zijn spieren kalmeerden en hij kon doen wat alle normale mensen doen: de deur achter je dichttrekken. Hij vergat nooit zijn tanden twee keer te poetsen en zich te voorzien van pepermuntjes voor het geval hij gebruik maakte van zijn noodvoorraad overdag. Dat was gelukkig zelden nodig, tenzij zijn collega’s hem teveel lastig vielen bij het kopieerapparaat. Wanneer hij ’s avonds in zijn auto stapte en zijn spieren begonnen te tintelen, zijn oogleden begonnen te trillen, kwam er vreemd genoeg ook kalmte over hem. Binnen enkele ogenblikken kon hij zich verliezen. Hij hield het al jaren vol op deze manier. Natuurlijk had zijn huwelijk niet standgehouden, al had hij verschillende keren geprobeerd boven water te blijven. Hij was naar bijeenkomsten geweest, had pillen genomen die zijn geliefde wijn in vergif veranderden, hij was beginnen fitnessen en beginnen roken. Maar zijn drang was sterker geweest dan de liefde voor zijn vrouw. Meestal zag hij het als een mislukking, soms vroeg hij zich af of hij de roes niet gewoon te heerlijk vond.   “Gaat het wel?” Ze keek hem bezorgd aan met ogen die groter leken dan enkele uren geleden. Haar trekken waren langzaam zachter geworden, er was een blos gekomen op haar bleke wangen en haar tanden zagen rood van de wijn. Hij knikte. Hij knikte terwijl hij zijn oogleden voelde trillen en zijn spieren voelde spannen, terwijl er een dun straaltje zweet van zijn oksels naar zijn buik gleed. “Het gaat hoor. Maar het is al laat en we moeten allebei werken morgen, misschien moeten we maar eens…” Zijn adem stokte. Het versterkertje voor zijn  vertrek en de twee glazen wijn bij het eten waren onvoldoende om zijn lichaam te kunnen negeren. Na één avond was de drang weer sterker dan het verlangen om zijn sprankelende tafelgenote beter te leren kennen, haar binnenstebuiten te keren, haar zijn geheimen op te biechten, haar aan te raken. Haar op te drinken. “Zie ik je nog eens?” Hij knikte. “Ja, heel graag. Maar eerst is er iets dat ik moet doen.”

Marie Jacobs
0 0

Stof

Vorige maand werd ik vijftien. In juni. De heerlijke vakantieperiode kwam eraan. Nu ben ik niet meer dan een verzameling asdeeltjes uitgestrooid op een wei. Het zomerverlof is al bijna halverwege. Het gaat niet goed met jou papa. Dat zie ik. Hoe ik dat weet? Dat is niet moeilijk. Vroeger kon ik maar op een plaats tegelijk zijn. Nu ben ik overal. Wie was dat ook alweer die overal was en alles zag? Op alle plaatsen waar je bent, probeer ik je te volgen. Op je werk ben ik binnengeglipt via je computertas. Je moest uiteindelijk terug naar je baas na enkele weken sociaal verlof. Jouw baan zou je de nodige afleiding bezorgen. Je zou niet steeds aan me zitten denken. En dat bleek wel min of meer te lukken. Je opnieuw concentreren op je werk ging elke dag een beetje beter. Maar als het vijf uur werd loerde het diepe, zwarte gat om de hoek. Zodra je thuiskwam ranselde het je plat. Op je knieën ging je. Het nam je bij jouw keel. Het wurgde je. Je werd op de grond gegooid en bij elkaar geveegd in een hoek. Honderd messteken kreeg je in dat hart van jou gesplitst. En toch bleef die levensspier kloppen, godverdomme. Voor jou mocht ze stoppen te slaan. Stoppen, dat slaan. Slaan. Helemaal murw was je. Jouw lichaam was geradbraakt. Jouw hoofd was kapot. Ik zag je afzien papa. En elk stofdeeltje van mijn lichaam voelde met je mee. Een jaar eerder waren mama en jij gescheiden. Niet bepaald als goede vrienden maar correct, om mij te sparen. Natuurlijk deed het mij pijn dat jullie uit elkaar gingen, maar ik zag ook dat het beter was, zo.Die weekends met jou, tweemaal in de maand, vond ik echt tof. Een papa gaat nu eenmaal anders om met zijn veertienjarige puberende dochter dan een beschermende moeder, zoals mama was. Maar deze nieuwe levenstoestand van jou en mij heeft niet lang mogen duren. Het spijt me zo papa dat ik opnieuw ziek ben geworden. Dat die etter van een kwelgeest mij maar niet wilde loslaten. Drie jaar na die eerste keer had hij mij weer bij de strot. De achterzijde van mijn strot. Hij zat met zijn paarse klauwen achter elke zenuw van mijn hersenstam. De lafaard. Daar verschool hij zich. En deze keer had hij geen compassie. De smeerlap. Ik moest eraan. Ik probeerde sterk te zijn papa toen ik merkte dat ik weer herviel. Jij en mama hebben me echt goed opgevangen.Mama op haar manier. Jij op de jouwe.Een maand geleden nog bracht je me naar een optreden in Brussel. Gedurende enkele uren kon ik alles van me losgooien en ik voelde me gewoon, gezond. Zoals elke tiener hoorde te zijn. Gezond. Een duur woord. Een ijdel woord, blijkt achteraf. Ik zag hoe je genoot door mij te zien genieten. Wie kon vermoeden dat alles anders zou uitdraaien slechts enkele dagen later? Ik niet. Jij? Ja, mama en jij zullen wel méér hebben geweten. Veel meer dan ik. Daar ben ik zeker van. Jullie hebben me ontzien zodat ik met volle moed kon toeleven naar die tweede grote operatie. En daardoor voelde ik er mij ook klaar voor. Klaar voor de tweede strijd tegen dat monster. Klaar voor de revalidatie erna en klaar om daarna definitief mijn leven weer aan te vatten en het niet meer af te geven. Tenzij binnen negentig jaar. Die negentig verhoopte jaren bleken slechts negen dagen te zijn. Drieduizendzeshonderdvijftig keer minder lang. Want het ging niet meer papa. Mijn lichaam was op. Mijn jonge lijf was kapot. Wat was ik graag bij jullie gebleven. Ik had mij al lang gesetteld in die toestand van het laatste jaar. Ik ontdekte er zelfs de voordelen van. Binnen drie jaar zou toch weer alles anders worden als ik verder zou gaan studeren. En daarna, ja, dan zou ik op mijn eigen benen moeten gaan staan, niet? Mijn eigen benen, papa, weet je nog? Drie jaar geleden, enkele dagen na mijn eerste operatie? Je verschoot jezelf een bult toen je me kwam bezoeken en me terugvondt op de ziekenhuisgang. Spillebenen en knikkende knieën. Graatmager maar o zo blij was ik dat ik dat tengere lijf van me heel even zelf kon besturen. Twaalf werd ik toen in het ziekenhuis. Verjaren mocht ik. Weer verder leven. Ik werd op enkele weken tijd volwassen. Niet van lijf en leden, wel in mijn hoofd. Want ik wist wat ik had doorstaan en wat de dokters voor mij hadden gedaan. Een nieuwe kans die ik graag wilde aannemen. Maar baby’s, kinderen en jongens en meisjes, zoals ik, zijn toch zo gegeerd door dat monster. Dat is verzot op dat jonge vlees. Dat is belust op die jonge lichamen die zich niet kunnen verweren en die, onwetend, zijn vuile woekerende cellen helpen vermeerderen. Daarom is dat monster zo’n rotzak. Ondertussen weet ik dat mama je verteld heeft van mijn briefje. Ik kan niet uitleggen hoe kwaad ik wel was toen ik twee maanden geleden in een tijdschrift las dat jonge slachtoffers van het monster het wel konden vergeten. In een uitvoerig antwoord aan de redactie legde ik mijn miraculeus herstel uit. Wie durfde te beweren dat je deze strijd niet kon winnen? Dat ik de oorlog, die er nu al drie jaar woedde, niet kon winnen? De brief werd in een omslag gestopt maar bij gebrek aan postzegel aan de kant gelegd. Nooit werd hij gepost. Het hoefde niet meer. Want het monster was weer opgestaan en reeg mij aan zijn duivelsklauw. Ik kan enkel zeggen papa dat ik mijn best heb gedaan en ik wens je alleen maar goed toe. Ik mis je papa, al zie ik je elke dag en overal. Doe dus maar zoals de meeste mannen die het in hun eentje moeten rooien. Poets maar niet teveel en niet te grondig. Laat wat vuil achter in een hoekje of spleet. Misschien ben ik wel een van die bewoners van die holletjes of kiertjes. Vaag of borstel me niet weg. Want ik blijf jouw stof, jouw Stef, jouw Stefanie.

Marc M. Aerts
18 0

STRINGELING

Het is midden juni en de oceaan is al behoorlijk opgewarmd. Het is de eerste keer dat wij zo laat op het seizoen op Tenerife zijn. Voor het eerst zien we de lokale bevolking tijdens de weekeindes naar de strandjes naast het stadje Las Galletas afzakken. In de voor ons, in de winter, zo verlaten kreekjes krioelt het nu van locals met tentjes, picknicktafels, bbq’s, kinderen en honden. Bijna nergens op de toeristische stranden van Los Cristianos of Playa, zag je ze, maar hier kan je er niet naast kijken. Het lijkt plots alsof de tijd hier een 3decennia heeft stilgestaan. De revival van de monokini-string ! Zo’n dertig jaar geleden moesten wij vrouwen op de zuiderse stranden  allemaal met de billen bloot. Nu hadden wij eerst jaren besteed aan het bruinen van onze twee koplampen en nu kwam daar zo’n blote-gat-mode bij. Alvorens wij onze eerste stappen met zo’n kontreepje op een zonnig strand zouden zetten, gingen er eerst maanden van voorbereiding aan vooraf. Er werd gedieet, vetverbranders, hongerstillers en waterafdrijvende pillen geslikt. Wij gingen naar de fitness en onder de zonnebank en tubes zelfbruinende crèmes en tonnen afslankzalven werden tevergeefs over striemen en cellulitis gewreven, om toch maar straks met dat strakke kontje langs de vloedlijn te kunnen lopen. Maar doordat onze vooruitstekende en achterste lichaamsdelen praktisch nooit voorheen aan de zon blootgesteld werden, bleven ze dan ook, al onze inspanningen ten spijt flauw roze afgietsels in plaats van een Cécémelk- kleurige borstpartij en een krokant chocoladebruin  poepegatteke. En dan was daar eindelijk het vakantiemoment, dat je op de allereerste dag in monokini met je allereerste reetveter en met je alsnog uiterst melkwitte toeters en je marmerwitte krentenbroden in de brandende zon richting zee kon schuifelen. Als je na het zwemmen als een halfblote nimf uit de golven herrees en je de sexy, geile machoblikken van de mannelijke zonnebaders langs je lichaam voelde glijden, ging je heupwiegend terug richting strandhanddoek. De ellende begon maar pas als je je per ongeluk naast je badhanddoek in het warme zand liet neervallen. Nat zand schuurde van voor naar achter tussen je zwetende twee konthelften en maakte je doos en je plooirokje tot gloeiende vulkaanrandjes. Je kon aan die gatflosser trekken zoveel je wilde, met elke beweging striemde de binnenkant van je dijen van blaarroze tot ‘rauwrood’.  Na een dagje zonnen kan ik jullie verzekeren dat de aftocht met je twee flashy voorbumpers en een duo knalrode krentenbollen richting douche een martelgang bleek te worden. Het leek alsof er een fietsketting tussen je twee halve manen op en neer ging. Al meteen na de eerste stranddag werd het stringmarteltuigje verbannen en kwam de oerdegelijke bikini terug uit de koffer. En nu, op dit Tenerife strand, leek het alsof de modewereld eventjes 30 jaar had stilgestaan of dat deze Canarische dames de renaissance van de string een nieuw leven inbliezen. Een nieuwe tendens was gezet. Er waren geen bikini ensembles meer te zien, maar de boven- en onderkanten moesten minstens in twee totaal verschillende kleuren of diverse designs hebben. Jong, oud, anorectisch, mager, perfect geproportioneerd, mollig, dik en moddervet, iedere vrouw met een tatoe op zijn gat had zich in een monoreepje gewurmd. Tatoeages van een scheelogend madonnahoofd, een Jezus of indianenkop, een christelijk kruisbeeld, Micky Mouse (die volgens mij eerder vooraan had moeten staan), een adelaar, hartjes met letters, allerlei bloemen en onleesbare tekens versierden de halve manen. Soms was de tatoeage-inkt zodanig uitgelopen, dat er alleen nog een handgrote blauwzwarte vlek op de kwabberkonten te zien was. Diegenen die zich nog niet aan het kontkoordje waagden, hadden tekens en teksten op hun armen, buiken of kousenbanden op hun benen staan. Het was onsmakelijk leuk als je zo’n vier prentenboek beschilderde stringelings naast elkaar met de voeten in de branding zag staan. Een beweeglijke cartoon. Een Canarische tableau vivant.  Nog leuker werd het als ze zich naast elkaar in het water en daarna in het warme zwarte lavazand lieten zakken. Daarna was er altijd wel een Spaans machomannetje dat zich overgaf aan de plaatselijke sport, het naar elkaar gooien van zwarte lavamodder.  Frunnikend aan het schurende konttouwtjes en met een pijnlijke grijns liepen ze over de vulkaanstenen terug naar hun strandplaatsjes. Ik had meteen een binnenpretje. Ik wist al hoe hun dag zou eindigen..net als de mijne zo’n 30 jaar geleden, met woest ontstoken dijbinnenkanten…vanavond zou er niet gevogeld worden. Sim, zonder string, terug uit Tenerife 8/7/2017      

Sim
541 0

Dinsdag 27 juni 2017

Dinsdag 27 juni 2017 is het vandaag. En ik werd vanmorgen spontaan rond 5 uur wakker, keek naar buiten en zag het mooiste, helderste roze in de hemel, aan de voorkant van mijn huis. Ik liep naar mijn achtertuin en ook daar straalde het roze door in de lucht, maar veel teerder en zachter van kleur, meer zoals yoghurt kleurt als je er wat aardbeienvocht doorheen roert. Wat een schoonheid bevond zich daar in de lucht vanmorgen vroeg. Daar wilde ik meteen foto’s van maken. De gracht was nog helemaal rustig, afgezien van een meerkoet familie, die een nest bewoont vlakbij de brug. Zo’n 4, 5 jonkies zwommen opgewonden af en aan, en moeders draaide zich om en om op het nest, op haar grote, zilverkleurige zwemvliespoten, die in verhouding net iets te groot zijn vergeleken met haar zwarte lijfje. Ik zag een beige ei liggen, en hoopte dat ze er gauw weer op ging zitten, want hoog bovenop een puntdak loerde een meeuw en meeuwen zijn gek op verse eieren. Onlangs maakte ik mee dat een grote meeuw een snelle duik maakte en met een ei in zijn snavel een brutale landing maakte langs de gracht. Hap, slik, weg ei. Shockerend hoe snel zoiets gaat. Meeuwen moeten ook eten natuurlijk, maar één ei uit zo’n meerkoet nest is wel voldoende, vind ik. Laat ie verder maar op Scheveningen friet en haring gaan eten. Zo ver is dat niet vliegen. En die meeuw hoeft niet met de tram of de auto. Die heeft gewoon zijn eigen vleugels. Dat is nog eens milieuvriendelijk openbaar vervoer, hoewel, openbaar is het natuurlijk niet. Hij vervoert alleen zichzelf. Net zoals wij onze eigen benen hebben om onszelf mee te verplaatsen. Ik zou wel eens willen uitproberen hoe lang het lopen is naar Scheveningen. Ik ben een keer op de fiets gegaan, en dat duurde zo ongeveer een uur en nog wat. Dat valt best mee, alleen, je moet ook weer terug, en dat valt dan best een beetje tegen. Maar ik heb nu een snellere fiets met zeven versnellingen. Het is heerlijk om onderweg te zijn met de wind in je haren en een lied in je hart. Ik ga vaak spontaan zingen als ik op de fiets zit. Of fluiten. Meestal stop ik daarmee als ik iemand tegenkom. Heel soms zing of fluit ik gewoon door.      

Flora van Stek
6 0