Lezen

Woordenlakens

ik ben een beddichter mijn lakens vormen een tent waarin ik woorden plooi zinnen verzinsels hersenspinsels hele verhalen of beelden die me die dag verveelden   de slapende kat terwijl ik als een zombie mijn knusse nest twijgje per twijgje afbrak ze vangt graag vroege vogels maar aan nachtraven raakt ze niet   ik deed alsof het doordeweekse slaaptekort niet meer was dan de vlek die koffie op mijn pasgewassen kussen had gemorst vervelend maar afwasbaar onder de douche net zoals die blauwe wallen eigenlijk best verdoezelbaar   alweer lieg ik mezelf voor dat mijn bed een slaapburcht is beschermd tegen wifi en Netflix waar ik de beste koopjes fiks met Klaas Vaak een prima handelaar vermoeidheid kun je inruilen voor dromen en gele korrels op je traanheuveltoppen   helaas ligt de oude man op sterven hij rochelt het strand in een treurig lied op het behang een klare blik nette pyjama's en een kopje onmorsbare koffie dingen waar ik wel van maar niet over droom   dus plooit mijn eivol hoofd woorden in de lakens zinnen verzinsels hersenspinsels beelden of hele verhalen die zich onmogelijk in nachtrust kunnen vertalen ze ademen warm uit op mijn wakkere huid een pikzwart vederkleed zoals dat bij nachtraven heet om die reden wegen mijn dekens 's ochtends zo zwaar en word ik overdag achtervolgd door een spoor van teleurstelling en zwarte pluimpjes   ik ben nu eenmaal beddichter chronisch koffiemorser hartgrondig huisdierbenijder en voortdurend in de rouw om mijn zandman met wie ik ooit de lakens deelde

Amaryllis
0 0

VOOR HET GEVOEL

Tielt. Het gaat gewoon verder. Het slachten. Alleen blijven het schoppen, slaan en andere handelingen waar geen ander woord voor is dan ‘martelen’ nu achterwege. Dankzij cameratoezicht. Althans, dat hopen we dan maar. De gedachte dat we live mee kunnen kijken bij de verwerking van levend dier tot hapklare brokken stelt ons gerust. ‘Doet u maar een pond halfom. Ja hoor, het mag best ietsje meer zijn.’Waarschijnlijk was Tielt geen uitzondering. Immers, de Tweede Kamer stemde in met een motie van Esther Ouwehand (PvdD) om cameratoezicht bij alle slachterijen te verplichten. Camera’s houden iedereen in het gareel, is de onderliggende gedachte. Ze helpen ons om beschaafde mensen te zijn.Helaas is dat onzin.‘Maar het werkt toch?’ hoor ik u zeggen. ‘Dankzij die camera’s laten we het toch uit ons hoofd om in het park tegen een boom te plassen? In de super wordt ná het wegen toch geen enkel sperzieboontje stiekem aan het zakje toegevoegd? En sinds kort slaan we toch niemand meer met een betonschaar de tanden uit zijn mond?’In Nederland hangen een paar honderdduizend camera’s, allemaal om ons een gevoel van veiligheid te bezorgen. En elke keer als er iets gebeurt, iets wat we een ‘incident’ noemen en waarop politici ‘geschokt’ reageren, hangen we er weer een paar extra op. Wij kijken lijdzaam toe en stemmen in met nog meer controle over ons doen en laten; alles voor een nóg groter gevoel van veiligheid.Helaas, camera’s dragen daar niet aan bij. De bewijzen daarvoor worden ons dagelijks gepresenteerd. We zien hoe respectloos wereldleiders omgaan met vrouwen, met buitenlanders, met andersdenkenden. We zien hoe zij de natuur verkwanselen. We zien hoe zij met vuur spelen en hoe duizenden onschuldige mensen daarvan het slachtoffer worden. We zien hen handelingen uitvoeren waar geen ander woord voor is dan ‘martelen’. Je kunt dat geen ‘incidenten’ meer noemen en de uitspraken van politici dat zij ‘geschokt’ zijn, klinken allang niet meer geloofwaardig. Maar het gaat gewoon door, ondanks de duizenden camera’s die op hen gericht zijn, ook al kijkt de hele wereld live mee.U en ik laten ons misschien door glas en elektronica in een keurslijf van normen en waarden duwen, maar zolang wereldleiders daar ongevoelig voor zijn, kun je zoveel camera’s ophangen als je wilt: de wereld zal er niet beschaafder op worden.

Grand Foulard
0 0

Deadline

Er was eens een schrijver zonder inspiratie en met een deadline. Elf woorden had hij nog maar geschreven en zijn inzending moest ten laatste vandaag af zijn of het was te laat. Zijn laptop maakte al de hele tijd een irritant zoemend geluid en de tekstverwerker bleef hem maar quasi leeg aankijken. Buiten kwetterden de vogels naar hartenlust en de buren hielden vlak onder zijn raam een luide conversatie over het eerste lentezonnetje. Hij wist niet van wat hij het meest zenuwachtig moest worden. De schrijver pulkte wat aan zijn sikje alsof hij daardoor inspiratie zou vinden, kreeg warempel wel degelijk een ingeving voor een vervolg op hetgeen hij al had geschreven, typte als een bezetene op zijn laptop de woorden tevoorschijn die in zijn hoofd zaten, las ze hoopvol na, besloot teleurgesteld dat het pure rommel was en verwijderde ze weer allemaal door de daarvoor voorziene toets op zijn klavier ingedrukt te houden. Echter liet hij zijn eerste elf woorden staan. Hij zuchtte eens diep en fluisterde zijn eerste en enige zin tot nu toe: “Een schilder struinde door de duinen van Oostende vergezeld van de maneschijn.”   De schrijver fronste zijn wenkbrauwen. Op zijn vingers telde hij ieder woord van die zin. Hij herhaalde het proces nog eens ter controle en kwam tot de conclusie dat het twaalf woorden waren en geen elf. Hij wreef over zijn sikje, ditmaal kwam er niets. Kwetterden de vogels nu luider dan daarstraks? De buren geraakten maar niet uitgepraat over hoe mooi het weer vandaag wel niet was.   “Hij was op weg naar de Koninklijke Gaanderijen,” typte de schrijver. Hij wist niet waarom hij dat net had verzonnen want hij had geen idee wat zijn personage daar ging uitrichten. “Onder zijn arm hield hij een schetsboek geklemd en in zijn lange overjas staken verschillende potloden verdeeld over de drie binnenzakken, twee links en één rechts.” De schrijver grijnsde schaapachtig, hij was op de goede weg nu. Hij herhaalde in zijn hoofd het laatste deel van zijn laatste zin.   Twee links en één rechts.   Die vogels werden nu wel erg luid.   Twee links en één rechts, twee links en één rechts, twee links en één rechts, …   De schrijver vroeg zich af of die vogels niet elders uit volle borst konden gaan tsjilpen.   Twee links en één rechts, twee links en …   De overbuurvrouw had zich nu gemengd in het gesprek over het goede weer.   Twee …   De echtgenoot van de overbuurvrouw was zijn vrouw kwijt en had haar net weergevonden onder het raam van de schrijver. Hij praatte gezellig mee met de rest.   De buren spannen samen met de vogels.   De buren waren net allemaal uitgepraat en klaar om hun weg te vervolgen toen de voordeur openging van het huis waar voor ze al die tijd een babbeltje hadden staan slaan. Uit het deurgat kwam hen een gek achterna gelopen met een laptop in zijn handen klaar om hen er een tik mee uit te delen. Ze konden niet precies verstaan wat hij riep maar het had met vogels te maken.   Er was eens een schrijver zonder inspiratie en met een deadline.

Michael J. Steeper
0 0

Chocolaatjes

Tanguy stopte nog snel een chocolaatje in zijn mond. Hij veerde van de bank op en stapte op zijn kousen naar de voordeur waar zonet Jonathan had aangebeld. Tanguy wist dat het Jonathan was aan de andere kant van de deur omdat hij hem had uitgenodigd. Toen hij de voordeur opende, was het dan ook geen verrassing dat die laatste er stond. Het was al zo laat op de avond dat de zon plaats had geruimd voor het geluid van krekels. Tanguy gebaarde dat Jonathan binnen moest komen en wees verontschuldigd naar zijn volle mond als de reden waarom hij niet sprak. Jonathan gehoorzaamde, hij voelde zich wat ongemakkelijk maar probeerde dat te verdoezelen. 'Ah, Tanguy,' zei hij overdreven opgewekt. Tanguy slikte zijn chocolaatje weg en zei: 'ja ja, doe je schoenen uit voor je de living binnenstapt, wil je. Lilianne heeft vandaag nog gepoetst.' 'Ah-ah ja, oké,' zei Jonathan en hij hoopte dat hij geen zweetvoeten had. Hij had Tanguy altijd al een rare snuiter gevonden maar hij had er nooit echt de vinger op kunnen leggen wat hem precies zo tegenstak aan die kerel. Het was misschien wel de optelsom van kleine dingen zoals hoe hij daarnet de deur opende zonder hallo te zeggen en niet eens de moeite nam om elementaire beleefdheid te veinzen door te vragen hoe het ging om daarna dan op dat toontje van hem te eisen dat Jonathan zijn schoenen uitdeed. Hij snapte niet wat een vrouw als Lilianne in een bruutzak als Tanguy had gezien. Hij werkte nu al een jaar samen met Lilianne in de bibliotheek op het Hendrik Heymansplein. En deed dus ook al een jaar zijn best om Tanguy te ontwijken, een gevoel waarvan hij zeker was dat het wederzijds was. Het was zowat het enige waar ze op gelijke golflengte lagen: dat ze elkaar niet mochten. En vanavond, plots, had Tanguy hem dan gebeld en gezegd dat hij zo snel mogelijk moest komen. Hij had gebeld met de telefoon van Lilianne en op zijn typische wijze niet vermeld wat de reden was van zijn verzoek, dat verzoek niet eens verpakt als een verzoek maar als een gebod en ingehaakt nog voor Jonathan iets had kunnen zeggen. Ondanks het late uur en gebrek aan uitleg was hij toch gekomen. Voor Lilianne. Ze zou hem eens nodig kunnen gehad hebben. Niet voor die verwerpelijke Tanguy. Die kon een eind gaan verrekken. Het was voor Lilianne dat hij die rotvent verdroeg. Hopelijk niet voor lang meer. 'Ga zitten,' zei Tanguy tegen zijn gebruikelijke onvriendelijke manier in, 'chocolaatje? Ze zijn om een moord voor te begaan.' 'Nee, bedankt,' zei Jonathan en hij nam plaats in de fauteuil die het verst weg stond van de bank waar Tanguy op zat. 'Jammer,' zei Tanguy en hij pakte er nog eentje voor zichzelf. De doos was al halfleeg. Jonathan vroeg zich af waar Lilianne was. 'Lilianne ligt boven in bed,' zei Tanguy en Jonathan voelde zich betrapt. Hij keek Tanguy ongemakkelijk aan. ‘ Ze heeft wat te veel van deze gegeten,' ging Tanguy verder en hij tikte op het doosje met chocolaatjes. Jonathan knikte met een geforceerde glimlach en schraapte zijn keel. Hij verschoof zenuwachtig in de fauteuil. 'Ze zijn van Guylian,' ging Tanguy ongevraagd en ongestoord verder, 'wist je dat die beroemde zeevruchten in chocolade hier in Sint-Niklaas hun oorsprong vonden? Getrouwd koppel, man en vrouw. Hij was patissier, zij bedacht en maakte de vormpjes die zo beroemd zouden worden.' De ademhaling van Jonathan was heel onrustig, zijn hart ging gejaagd te keer. Wat wou die Tanguy van hem? Hij kreeg er de stuipen op het lijf van, hij was zo rustig dat hij nog gekker deed dan anders. 'Toe, Jonathan, neem er eentje.' Tanguy stak uitnodigend de doos uit. Jonathan bedankte. ‘Zonde,’ zei Tanguy. Hij zette de doos weer neer en bekeek Jonathan stilzwijgend. Die laatste deed zijn uiterste best om geen oogcontact te maken. Tanguy kon een monkellachje niet onderdrukken. Hij had die Jonathan altijd al maar een oelewapper gevonden. Zijn grote mond die diende ter compensatie van zijn kleine gestalte. Altijd maar de aandacht naar zich toe willen trekken in de bibliotheek waar hij werkte samen met Lilianne. En zij viel er nog voor ook. Hij had nooit gesnapt hoe zij bevriend had kunnen worden met zo’n blaaskaak. Hij voelde zich toch zo goed omdat hij toevallig eens een boek had gelezen. Tanguy klemde zijn kaken op elkaar.   ‘Tanguy …’ zei Jonathan, ‘het is niet dat het niet gezellig is maar waarom moest ik nu komen? Ik neem aan dat er een reden is dat je speciaal belde op dit uur. Ik bedoel …’ ‘Dat heb jij goed gezien, Jonathan,’ zei Tanguy, ‘jij bent allesbehalve een uil, he.’ Jonathan wist niet of Tanguy dat laatste nu meende of niet. ‘Zal ik jou eens vertellen wat ik vandaag allemaal gedaan heb, Jonathan,’ zei Tanguy. Jonathan voelde zich alsmaar onzekerder worden. ‘Tanguy,’ zei hij, ‘ik weet niet wat je …’ ‘Het heeft er nochtans alles mee te maken waarom jij hier bent, dat verzeker ik je.’ ‘Zeg het dan maar, Tanguy.’ ‘Jij denkt natuurlijk dat ik nu ga zeggen dat ik deze ochtend naar mijn werk in de fabriek vertrok en daar mijn werkdag doorbracht om daarna weer naar huis toe te gaan, naar mijn lieve vrouw.’ Er was iets grondig mis met de manier waarop Tanguy sprak over zijn lieve vrouw, vond Jonathan. Hij moest misschien eens een kijkje nemen bij Lilianne. Zeker maken dat alles oké was met haar. ‘Jonathan?’ ‘Ja, Tanguy?’ ‘Kan je stoppen met dagdromen en mij antwoorden.’ Weer een vraag die geen vraag was van Tanguy. ‘Op wat moet ik dan antwoorden?’ vroeg Jonathan. ‘Of je dacht dat ik gaan werken was, ja of nee,’ zei Tanguy nu iets minder beheerst als hij al de hele tijd was geweest. ‘Euhm, ja,’ zei Jonathan, ‘maar moeten we eens niet een kijkje gaan nemen bij Lilianne? Misschien heeft ze iets nodig.’ ‘Zo meteen,’ zei Tanguy en hij stak wederom de doos met chocolaatjes uit. Met een zucht nam Jonathan er toch eentje, al was het maar om niet telkens één aangeboden te krijgen. Tanguy keek hem lang aan. Te lang. Had hij vergif in die chocolaatjes gedaan? Zou hij het weten van … Oh nee. ‘Tanguy.’ ‘Ja, Jonathan.’ ‘Ik w-weet niet wat je …’ ‘Zoals ik dus zei,’ negeerde Tanguy het gehakkel van Jonathan, ‘denk jij natuurlijk dat ik gaan werken ben vandaag. Dat dacht Lilianne ook. Het is niet zo.’ Tanguy wist het, daar was Jonathan nu van overtuigd. ‘Ik heb stiekem een vrije dag genomen vandaag. Ik wou Lilianne namelijk verrassen. Dat verdiende ze wel, vond ik.’ Nee, hij kon de chocolaatjes niet vergiftigd hebben, hij kon er zelf niet van afblijven. Had hij Lilianne dan bont en blauw geslagen? Ging hij nu hetzelfde doen met Jonathan? Hem zijn verdiende loon geven? ‘Dus trok ik deze voormiddag naar de supermarkt en kocht daar alle ingrediënten voor het lievelingsrecept van mijn vrouw: spaghetti carbonara.’ ‘Tanguy …’ ‘Zwijg,’ antwoordde die dreigend, ‘carbonara dus.’ Tanguy had hen betrapt, ergens gezien. Samen, vandaag. Ze hadden voorzichtiger moeten zijn. Jonathan merkte dat hij nog steeds kauwde op het chocolaatje van daarnet. Alle smaak was verdwenen. De spanning in zijn lichaam was echter zo opgehoopt dat hij zich er niet toe kon brengen het door te slikken. Tanguy bleef doorpraten: ‘toen ik op weg was naar de kassa, viel mijn oog op deze chocolaatjes en …’ Jonathan was als een pijl uit een boog rechtgesprongen en verkocht Tanguy een dreun zo hard als hij kon. Hij zette het op een lopen naar de trap in de gang en riep op Lilianne maar die antwoordde niet. Nog voor hij een eerste voet op de trappen kon zetten, had Tanguy hem al ingehaald en bij de enkel gegrepen. Jonathan viel met een smak voorover. ‘Mijn vrouw!!!’ riep hij. Hij zag er uit als een bezetene en sleurde Jonathan aan zijn beide enkels weer naar de living. Die wrong uit alle macht tegen maar was niet opgewassen tegen zijn tegenstander. ‘Dacht je nu echt dat ik jullie niet had gezien?!’ brulde Tanguy. Waarom antwoordde Lilianne niet? Ze moest nu toch al wakker zijn van het lawaai. ‘Op de parking van de supermarkt wat liggen vozen in die auto van jou!’ zei Tanguy, ‘Onder de middagpauze! Ik zag het! Ik heb het gezien! Ik weet het!’ ‘Tanguy! Nee!’, smeekte Jonathan, ‘Ik zal het nooit meer doen! Je mag haar hebben! Maar doe mij niets!’ Tanguy trapte met zijn platte voet op de neus van Jonathan. Die brak. ‘A-auw,’ huilde Jonathan. ‘Wil je weten wat er met Lilianne gebeurd is, Jonathan?’ vroeg Tanguy met hervonden kalmte, ‘ik zal het je tonen.’ Hij nam een handvol resterende chocolaatjes en duwde die in de mond van Jonathan. Hij kneep zijn neus dicht en lag met zijn volle gewicht op Jonathan zodat die laatste zich niet kon verzetten.   Buiten zou weldra het geluid van krekels plaats ruimen voor de eerste voorzichtige zonnestralen.

Michael J. Steeper
0 0

Just ask!

In zijn advertentie staat, naast zijn leeftijd – 24 – en een foto, geschreven : « Just ask!”.   Ik : If I’d ask, what would you tell? Hij : I don’t know, what would you ask? Ik : Well, I’m asking now, what would you tell? Hij : ??? (niemand begint een zin met enkele vraagteken, dat is iets voor arrogante losers vol pretentie) What would I tell what? Ik : I don’t know, I’m asking you since you ask me “Just ask!”. So, I ask. Hij : I don’t get your point. Ik : Well, I’m asking you. Hij : this conversation is driving me mad! What are you up to? Ik : I don’t know, I’m asking you. Hij : I’m here for fun. Ik : That’s a coincidence, so am I. Hij : I don’t think you want the same fun as me. Ik : Just ask! Hij : I’m off. Ik : Well, you could’ve asked. Hij : Ok, let me try : what are you looking for? Ik : Fun. Hij : Is that all? What kind of fun? Ik : I don’t know, I’m asking you. Hij : This is not gonna work. Ik : You’ll never know if you never ask… Hij : You seem to be a smartass, you seem to know it all. Ik : Is that so? What makes you say that? Hij : You never answer my questioning. You avoid in a smart way what I want to know. It’s driving me mad. Ik : Yes, but I asked and it’s actually you who never answers. You invite me to ask you, and then you don’t say it. I must admit, your profile is a bit confusing. Hij : Confusing?! Me? Ik : No, not you, your profile. Hij : But I’m my profile, I created it. Ik : That’s’ why I ask. Hij : Ask what?!?! Ik : I don’t know, you asked me to ask you. Hij : sigh…. I agree… Would you like to meet for a coffee? I’ll pay. Ik : I thought you’d never ask! Hij : You’re funny. Ik : I’m not but you can always ask. Hij : To be funny? Ik : Yes. Hij : I want you to be funny when we meet. Ik : Just ask!   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Vertrouwen

Vertrouwen hebben dat het allemaal oke is. Tot mijn eigen verbazing besef ik dat er meer goed gaat in mijn leven dan slecht. Meestal merk ik dat ook echt aan hoe ik me voel, ik heb geen reden meer om ongelukkig te zijn. Toch zit ik al dagen met angst. Angst dat het niet allemaal zo goed kan gaan en er dus snel iets mis zal lopen.    Met Nick loopt alles eigenlijk super, maar vandaag had hij precies iets minder zin om me te horen. Hij antwoordt al enkele uren niet meer op mijn bericht en ik voel het verdriet en de onzekerheid naar binnen sluipen. Maar ik vecht er tegen, deze keer laat ik er mijn volgende ochtend en/of dag niet meer door verpesten. Ik leer vertrouwen te hebben in hem, in mezelf en in ons. Het gaat beter dan ooit, het evolueert de laatste week alleen nog maar positief en ik zie hem echt graag. Dat voel ik. Als ik iets van hem zie passeren op facebook, als ik zijn naam herken in een film of boek, als ik mezelf erop betrap dat alles me aan hem doet denken en dat dat me gelukkig maakt, besef ik dat ik hem echt graag zie. En wat geniet ik ervan me in dat gevoel te storten, alle liefde te laten binnenstromen en te overdrijven in alles wat ik zeg (net als nu, inderdaad).    Geloof het of niet, ik kan nu beginnen wenen. Als ik denk aan hoe gelukkig ik soms kan zijn, hoeveel kansen ik krijg, hoe graag ik nu leef, dan krijg ik tranen in mijn ogen. Tranen van blijdschap, zeker, maar ook tranen uit angst. Ik ben zo bang dat er iets misloopt. De laatste keer dat ik me herinner me zo gelukkig te voelen was ook de laatste keer dat ik mijn papa levend zag. Hoe zielig klinkt het arme meisje dat de dood van haar papa gebruikt voor alle fouten die ze maakt en alle angsten die ze heeft. Ach ja, ik vraag me vaak af hoe ik zou geweest zijn als hij hier nog was. Waarschijnlijk had ik even veel nood aan aandacht en liefde gehad, had ik het even moeilijk gehad met afscheid nemen, was ik even jaloers en emotioneel geweest. Ik was alleen minder angstig geweest om te verliezen, had me minder noodlottige situaties voorgesteld. Noem me fatalistisch, ik voel me net realistischer.    Ik kan begrijpen dat ik in het vorige stukje niet zo gelukkig lijk, ik verschiet er zelf ook van. Toch ben ik het. En ik ben het beu om dat altijd te benadrukken en te moeten bewijzen. Dus ik stop en ik geniet. Ik stop en ik geniet.

Layla Clarke
0 0

16 April

16 April 2002 was voor velen niet veel meer dan de dag na 15 april 2002. Als je iemand vraagt wat voor weer het die dag was, dan zal bijna niemand je daar een antwoord op kunnen geven. Als je aan mensen vraagt wat zij die dag deden, dan zullen de meesten je het antwoord verschuldigd blijven. Ik hoor in dit geval, jammer, genoeg niet bij de meesten. 16 april 2002 was het typisch Belgisch weer. Er was geen zon en ook geen regen. De hemel zat wel dicht met grijze wolken en ik bevond mij op mijn piepklein kot in het centrum van Antwerpen.  Het was die dag mijn moeders vijftigste verjaardag, maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten, was ik het die op een telefoontje van haar zat te wachten.  Ik weet nog precies weet hoe mijn gsm rinkelde en hetgeen ik angstig verwachtte, werd bevestigd.  Hij was gestorven. De jongste broer van mijn vader. Zelf vader en veel te vroeg  weggehaald  uit het  levendig jonge bestaan van zijn gezin.  Mijn hart brak voor de eerste keer op een manier die ik nooit eerder had gekend.  Zelfs vandaag heb ik nog steeds geen woorden gevonden om het gevoel van dat soort verlies te beschrijven. Laat staan dat ik ooit al de juiste woorden van troost  in dergelijke situaties tegenkwam. Het is iets raars. Negeren lijkt het gemakkelijkst, maar de herinnering slaat uiteindelijk sowieso dubbel zo hard terug. Het is vreemd hoe ik die dag mijn moeder aan de andere kant van de lijn nooit een gelukkige vijftigste verjaardag wenste. Hoe ik nog exact weet dat ik  een paar minuten aan de grond genageld stond en daarna op automatische piloot de trein naar mijn toenmalig lief in Leuven nam, zonder mij een treinrit te herinneren.  Het is vreemd hoe ik de rest van die dag  alleen maar wilde wegrennen van iedereen die erover wilde praten, omdat erover praten niemand terugbrengt. Het is vreemd hoe ik nog precies weet wat ik aan had op de begrafenis en hoe ik die kleren daarna nooit meer aan zou doen. Alsof ze doordrongen waren van verdriet en dingen die ik nooit meer wilde voelen. Ijdele hoop natuurlijk, want bij het leven hoort nu eenmaal de dood. Vreemd ook hoe ik die kleren nog steeds in mijn kast heb, terwijl ze al lang niet meer passen. Ik laat ze hangen, omdat ik niet wil vergeten. Omdat ik nooit wil vergeten dat elke gezonde dag die je in dit leven krijgt, dient om ervan te genieten. Gisteren waren we 16 april 2017. Vijftien jaar later is deze dag nog steeds niet zoals ze was voor 2002. Mijn moeder blies vijfenzestig kaarsjes uit en dacht daarbij zoals elk jaar nog steeds aan de dag dat ze door verdriet nooit écht vijftig werd. We vierden Pasen bij mijn grootouders, maar er bleven ondertussen al twee stoelen leeg.  Op een verrijzenis kunnen we enkel maar tevergeefs hopen, maar misschien moeten we net daarom de levenden vandaag een beetje meer vieren. 

Ans DB
0 0

Julie's blues

  terwijl de wind de granen streelde hebben ze mij gevonden in een koekoeksnest   ze hebben mij meegenomen als een reuzengnoom voor een hottentottenkinderboerderij   gejaagd door hun tijdelijke kerstboombossen mijn veren en mijn kleren behangen   met hun herinneringen vogel- griep misschien ik was kapot ik sliep levend beefde nog   heel even zag ik twee konijnen in een pijp gevangen werd ik wrang genepen in een bocht   ze hadden steden wrede wasem veelvraatstank en smog hing rond de dichtgegroeide oren   af te tellen dagen vroegen om een einde sneltreinwielen om wat plat te rijden   ik denk nog vaak terug aan Gordon the moron die me duwde op die derde donderdag van   september de septische put zat vol met dolle aaltjes weet je dat ik graag zwem in open water   veel later en nog steeds was ik niet losgelaten door die mensen met hun brij my sweet Julie heeft nog lang gehuild   ik zat daar voorbarig mezelf bijna van kant te maken onder een niets vermoedende zon als een zondaar   zonder schuld snippers kanttekeningen betrappen konden ze mij niet zij daar met hun lelijke weelde   levereendjes lelijke ploezes sandwiches bouwkranen sanitaire stank en krankenhuizen het was   die rauwe lust hun rechte wortelen in folie gewikkeld werd een laatste wens de witte pens van een dakloze   lag in het gras wat wel meeviel was dat ik haar ooit gevonden had zij met haar meesterlijke krullen   behaard was de poes met een geitebaard wij zijn het echt dachten we zo vrij als eendjes van plastiek   drijvend in een vijver of een navel- putje ik ging naar de vleesbiecht in haar schoot kon ik dacht ik   mij verbergen lichtjaren eenzaamheid vergeten de jonge merels zaten op een draad vol stroom en de   ontlading stierf in stilte heeft ze die ochtend bij die verse dageraad de cellen koel ontboden   zich niet langer nog te splitsen nam om kwart voor zes   een mes om mij te doden         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
1 0

Paasgedoe

Kevin staart bedenkelijk naar zijn paasei dat hij zonet in de tuin heeft gevonden. Zijn rechtermondhoek gaat lichtjes omhoog, wat hij altijd doet als hij een vraag heeft die gesteld dient te worden. ‘Wat is de betekenis van Pasen alweer, mama?’ Tessa kijkt op van haar weekblad dat, hoe kan het ook anders, Pasen als thema heeft gekozen. Ze leest een artikel over leuke paasuitjes om te doen met kinderen. Ik zie moeders en kinderen die vrolijk hand in hand tussen de eerste lentebloesems wandelingen maken en vraag me af of Kevin zin heeft in paasuitjes. ‘Ik dacht de verrijzenis van Jezus, of was het nu de kruisiging? Rik, weet jij het nog?’ ‘De kruisiging, geen twijfel’, antwoord ik voordat ik een croissant in twee hap. ‘Waarom vieren we dat met chocolade eieren dan?’, vraagt Kevin. Ik verslik me als de croissant halverwege mijn keel blijft steken en grijp naar de koffie om door te spoelen. Tessa verplaatst zich op haar stoel. ‘Wel, euh, gewoon, om ons te herinneren aan de, euh, kruisiging, denk ik’ ‘En waarom worden die dan zogezegd door vliegende klokken gebracht?’, gaat Kevin verder. Ik heb net de croissant doorgeslikt en tik op mijn keel om de stemvibraties terug op gang te brengen. ‘Ach ja, dat is gewoon symbolisch Kevin. Die komen uit Rome, wist je dat?’ Ze wacht niet op antwoord en doet een poging zijn bevraging af te leiden. ‘Is het een lekker paasei?’, vraagt ze. Kevin neemt een grote hap van zijn ei en met zijn mond vol chocolade, zegt hij droog: ‘Ik vind dat paasgedoe maar niets’. Tessa haar hand beweegt traag naar het weekblad en ze slaat het geruisloos dicht. Ze kijkt me verslagen aan. Ik voel dat mijn stem terug is en vraag opgelucht: ‘Nog iemand een croissantje dan?’

Kris De Vriendt
0 0

PAISAJA LUNAR, HET MAANLANDSCHAP

In de toeristische gids over Tenerife staat dat de wandeling naar het Paisaja Lunar, de mooiste wandeling van het eiland is, met kers op de taart een adembenemend natuurverschijnsel een maanlandschap. Wij beseffen na jaren rondreizen en gidsen lezen, dat iedereen de toerist wil lokken met een scheet in een fles en zijn bezienswaardigheden opklopt tot mirakelniveau,maar al sinds 2004 hebben wij toch deze wandeling in ons achterhoofd. De kleine huurautootjes en de weg er naar toe, lieten ons steeds weer afhaken.. Vorig jaar echter hadden wij een grotere en wat solidere auto en trokken wij samen met onze stoute schoenen tevens ons wandelbottines aan. Wij reden eerst naar het hoogste dorp van Tenerife en sloegen vol moed de bosweg in.  Een 7 km lange onverharde weg, vol putten en stenen leidde naar de parkeerplaats waar de hoogte wandeling begint.  Manlief stuurde de auto tussen de kuilen, lavastenen en langs afgronden stapvoets tot aan de parking. Met onze wandelstokken duwden wij ons anderhalf uur door het lavagrind langs een pad met afwisselende vergezichten.  Dan kwamen wij aan een plek waar 5000 jaar geleden de vulkaanuitbarstingen een speciaal mooi fenomeen heeft doen ontstaan.  Mooi, de Canaries mogen er trots op zijn. Terwijl wij met het zicht op de puntige rotsen picknickten, bedacht ik hoeveel mensen ik al naar de maan heb willen schieten. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat deze plek nog veel te mooi is voor alle terroristen, fundamentalisten en moordenaars. Als al onze gevangenissen overvol zitten en men beslist om hen toch richting maan te lanceren, dan stelde ik vanaf dat moment mijn veto. Voor mijn part mogen ze rechtstreeks naar hun eigen beloofde hemel..recht naar hun eigen God. Ik kan me als atheïst moeilijk voorstellen hoe dat dan allemaal in het werk zou gaan, maar als je er in gelooft zal het helemaal niet onaangenaam zijn om ineens naar Allah, Mohammed, God de Vader, Jezus Christus, Jahweh, Boeddha of  Ganesh te gaan. Al eeuwen ontvangen deze “goden” uitgemoorde Moslims, Christenen of vergaste joden. Jaarlijks kloppen er duizenden aan met de vraag om in een betere kaste opnieuw naar de aarde te mogen. Zitten die goden dan ergens in het heelal rond  een ronde tafel, statistieken bij te houden of een soort om ter meeste te spelen ? Wat gebeurt er in de komkommertijd, als er geen grote oorlogen meer uitgevochten worden. Zitten ze zich dan op een wolk te vervelen, als er nu en dan nog maar alleen een verbrande heks, een vergiftigde paus, een paar vermoorde kinderen aankloppen ? Lachen zij  sarcastisch als er een van de laagste kaste verhongerde paria aanklopt met de vraag om als maharadja terug te kunnen ? Ja nu en dan komt er een grote vis, zoals een Bin Laden, maar geef nu toe, zonder het Amerikaanse duwtje in de rug, zat ook deze liever met zijn kont in het woestijnzand in plaats van in het Allah paradijs. Spreken deze goden dan een gezamenlijk strategie af om hun quota wat op te krikken ? Heuh wat zullen we weer eens doen ? Een aardbeving links of rechts, of wat denken jullie van een vulkaanuitbarsting, of nog leuker een tsunami over een eiland sturen ook goed om wat zieltjes naar boven te krijgen. Een grote epidemie is ook niet slecht, of weten jullie wat, we kunnen de salafisten wat tegen de sjiieten en de soennieten uitspelen. Waar kunnen we nog een oorlogje uitlokken, in  Oekraïne misschien? Wat vinden jullie het plezants, als ze daar beneden denken dat het de natuur is of de mens zelf die elkaar uitroeit ? Wie beslist er dan daarboven, wie naar de hemel en wie naar de hel moet, want geef toe wij krijgen langs de gelovige hoek wel heel tegenstrijdige meningen. Als er bij de Christenen iemand zelfmoord pleegt, dan is dit een grote zonde en mag die niet aan de rijstpap beginnen. Als bij de moslims daarentegen, een zelfmoordterrorist zichzelf en een aantal spijtige slachtoffers opblaast, wordt hij direct als held, met open armen en benen door duizenden maagden in de Allah hemel ontvangen. Je moet het maar begrijpen ! Terwijl ik aan mijn sandwich knabbelde en naar het besneeuwde topje van de Teide staarde, bedacht ik dat wij onze hemel en hel hier op aarde krijgen en niet in een voor mij fictief hiernamaals. De hemel is als je gezond bent, als je een fantastisch lief hebt, je kinderen en kleinkinderen zonder te grote problemen door het leven huppelen en als je soms het gevoel hebt dat je lichaam gaat openbarsten van geluk. Dat is de hemel. De hel krijg je, als je als homo of transgender levenslang tegen onverdraagzaamheid moet opboksen. Als je als atheïst of anders gelovige, probleemloos door medemensen als “niet gelovige honden” afgeslacht wordt. Als je partner van je wegglijdt door een ernstige operatie, kanker, dementie of Alzheimer. Als geliefden door een ongeval of een operatie zonder afscheid van je weggerukt worden of als je je eigen kinderen moet overleven. Dat is de hel. Ja, ja  ik hoor jullie al denken, waar blijft nu dat plezante verhaal ? Wel het leuke was, dat wij eindelijk na al die jaren het Paisaje Lunar gezien hebben en na anderhalf uur dalen probleemloos onze geparkeerde auto teruggevonden hebben. Wij vervolgens zonder platte banden de hobbelige weg door het lavalandschap overleefden. Ik voelde me gloeien van geluk en was trots op manlief zijn rijkunst. Wat later zaten wij,in het stralende zonnetje van een lekker koel pintje te genieten op een terrasje in het hoogste bergdorp van Tenerife, Vilaflor. Als we in ons huurhuisje aankwamen en ik mijn laptop opende, plopten er een prachtige foto van onze kleindochter en een mailtje van onze kleinzoon binnen. Dat is geluk, dat is de hemel !                  

Sim
0 0

De indringer

Personages: Karen (psychologe) en Robert (patiënt)Ruimte: Praktijk   Scène 1   Intakegesprek Robert   (Karen werkt aan haar bureau, deur wachtkamer staat open, Robert komt binnen)   R. Hallo? Sorry. Mag ik binnenkomen?K. Natuurlijk. (kijkt in agenda) Robert Duval. Kom binnen. Hee, wij kennen elkaar, niet?R. Ja? Ja! Ik weet het weer. Vorige zomer in…R … de Zanzibar!K … de Zanzibar !R. Tja, wat moeten we hier nu mee? Is dat een probleem?K. Dat denk ik niet. We hebben samen iets gedronken en wat gepraat. Tenzij jij anders beweert. (lacht)R. Hoe bedoel je?K. Ik bedoel... (gegeneerd) Vind jij het een probleem?R. Nee, natuurlijk niet, er is niets gebeurd. Het kan wel. Jij als therapeut en ik als … ja, als wat eigenlijk?K. Ik denk niet dat we ons toen in de Zanzibar deftig aan elkaar hebben voorgesteld.R. Nee, inderdaad. we hebben gepraat tot in de vroege uurtjes, dat weet ik nog. En stevig gedronken herinner ik me de dag nadien.K. Laten we opnieuw beginnen. Karen. Aangenaam.R. Robert. Aangenaam. (schudden elkaar de hand)K. Ga zitten.R. Dank je. Dus jij bent een psychologe. Goed, hier zitten we dan.K. Ja.R. Eigenlijk weet ik niet wat ik kom doen. Ik weet het wel maar ik ben zenuwachtig denk ik. Niet omdat we elkaar ontmoet hebben, zoals nu blijkt. Maar, het lijkt zo... Ik wilde nog afbellen.K. En toch zit je hier.R. Ja. Het lijkt nu zo onbelangrijk.K. Je hebt niet afgebeld. Dus zal het wel belangrijk zijn?R. Ja.K. Als het in je hoofd komt, hulp vragen, is dat niet zonder reden, niet zomaar. Je verzint het niet.R. Zo heb ik het nog niet bekeken.K. En het feit dat je het relativeert of minimaliseert nu je hier bent, is ook normaal. Doe je dat vaak?R. Relativeren?K. Of minimaliseren?R. En het ‘onbelangrijk’ noemen? (lacht het weg). Maar ja, je hebt gelijk. Ik denk altijd: het kan nog erger. Kan dat: te veel relativeren?K. Een gezonde portie relativeren helpt je om obstakels te overwinnen. Als je dat niet zou doen zou je binnen de kortste keren voor een berg onoverkomelijke problemen komen te staan die je dan weer verhinderen om verder te gaan. Veel mensen vragen zich de eerste keer af wat ze hier doen. Ze cijferen zich een beetje weg, of verdringen het probleem, zoals ze gewend zijn.R. Het is normaal, dus.K. Dat is wat mensen doen. Laat ons het volgende afspreken: bekijk dit als een kennismakingsgesprek, vrijblijvend, waarin we wat praten. En nadien beslis je zelf of we verder gaan.R. Oké, dat moet lukken denk ik. Maar dan moet ik natuurlijk ook zeggen wat het probleem is.K. Niets moet nu. Ik help je.R. Het is m’n vader. Mijn vader is ziek en ik verzorg hem. En ik voel me er niet goed bij. Mijn vader is niet van de gemakkelijkste. Of was niet van de gemakkelijkste. Ik bedoel niet omdat hij ziek is, maar … om vroeger.K. Om vroeger?R. Ik weet niet waar ik moet beginnen. Hij was geen ‘vader’. Geen goede vader. In alle aspecten van vader zijn. Ik heb hem jaren niet gezien, niet meer willen zien. Nu is hij ziek. Dement. Ik moet hem elke dag helpen met eten, rechtstaan, gaan zitten, liggen … Maar het klopt niet. Ik kan het niet. Ik wil mijn vader helemaal niet verzorgen, terwijl duizenden anderen dat wel doen, kan ik het niet. Het zit me dwars. En ik walg er van.K. Niets kan je ertoe brengen om je afkeer opzij te zetten?R. Nee.K. Heeft hij jou op een of andere manier gekrenkt?R. Gekrenkt. Wat zeg je dat mooi. Hoe mijn vader is, of beter was, kan je niet terugbrengen op de eenvoudige term krenken. Als ik er aan terugdenk … (stilte).K. En nu is hij dement.R. Hij kan geen boterham meer smeren, geen knoop meer dichtdoen. Ik moet het voor hem doen en ik kan het niet.K. Moet?R. Wat?K. Je zegt: ‘Moét het voor hem doen.’R. Ja. Er is niemand anders.K. Familie?R. Ik ben de enige. Mijn moeder is overleden, al dertig jaar.K. Vrienden, buren?R. Mijn vader had geen vrienden en de buren hield hij op afstand.K. Wat is de reden dat je toch voor hem zorgt?R. De buren hadden de politie gemeld dat er al een tijdje geen beweging meer was. Ik had nog steeds de sleutel, maar ik was er sinds de dood van mijn moeder niet meer geweest. Ik dacht: Eindelijk is het zover. Hij is dood. Toen ik binnenkwam stond de verwarming heel hoog terwijl het hoogzomer was. De lichten waren overal aan, zelfs in de kelder. De gordijnen en rolluiken waren dicht. Hij was alles vergeten: routine, tijdsbesef, dag, nacht. Hij zat in de zetel en hoorde me niet. Ik heb de dokter gebeld en die stelde dementie vast. Sindsdien kom ik elke dag, al drie maanden. Ik wacht tot hij aan de beurt is voor het rusthuis.K. Doe je alles zelf?R. ’s Morgens en ‘s avonds komt een verpleegster. Elke dag komen maaltijden. Er komt iemand om te poetsen. De rest doe ik. Het is een tijdelijke oplossing, maar het vergt het uiterste van me.K. En dit doe je al drie maanden. Wie of wat houdt je overeind?R. Ik ben alleen, werk veel. Ik ken wel wat mensen op de sportclub en soms drinken we daar wat. Maar de laatste tijd komt het er niet van. En ik ben niet zo’n prater.K. In de Zanzibar hadden we een leuk gesprek. Je was heel ontspannen.R. Die avond met jou. Het was onverwacht leuk. Ik had gedronken en raakte goed op dreef. Jij ook trouwens.K. Ik heb me geamuseerd. En goed gelachen. Ons gesprek ging over … wat eigenlijk?R. Jij zei iets over het gekakel van een groepje meisjes en toen…K. … begonnen we aan een analyse van de pikorde van kippen in een ren. En ik heb helemaal geen kippen.R. Ik ook niet. Het was een leuke avond. Het was lang geleden dat ik nog eens zo onbezorgd was. Zonder geflirt of gedoe. Ik heb er nog dagen van nagenoten.K. Ik ook.R. Zoiets lukt me niet meer.K. Plezier maken bedoel je?R. Die avond toen we daar zaten, was mijn vader nog niet terug in mijn leven. Alles was geregeld: werk, sporten, af en toe iets gaan drinken. Die periode was ik misschien een beetje gelukkig. Ik was in evenwicht. Of er was een soort evenwicht. Maar nu is alles anders.K. Dacht je toen niet dat het hoofdstuk ‘vader’ vroeg of laat eens aan de oppervlakte kon komen?R. Je bedoelt als ik nu niet voor hem zou moeten zorgen?K. Ja.R. Misschien wel.K. Het feit dat je hier nu zit is een teken dat je het wil aanpakken. Dat je er klaar voor bent?R. Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik dit niet volhoud. Wie weet hoe lang hij nog op die wachtlijst staat.K. Dat is toch goed: het vooruitzicht dat er een einde komt aan de zorg voor je vader?R. Elke dag is er een te veel. En weet je wat? Telkens als ik bij hem binnenkom, flitst er één gedachte door mijn hoofd.K. En die is?R. Dat ik de trap op ga naar zijn kamer en hem daar in zijn bed dood aantref. En dat ik de begrafenisondernemer bel. En dat die hem komt halen en ik iemand de boel laat leeghalen en het huis zo snel mogelijk verkoop. Klinkt vreselijk, vind je niet? Dat is wat ik elke ochtend denk.K. Zou dat een oplossing zijn? Zou je slecht gevoel weggaan?R. Karen, je hebt geen idee wat er bij ons allemaal gebeurde. Als ik je dat vertel. Ik weet zelfs niet of ik dat kan. Hij heeft mijn jeugd verpest. Hij heeft mijn moeder haar leven verpest. Alles. Dag in, dag uit. Het was de hel. Dat veeg je niet zomaar weg. Ik niet.K. Oké.R. Ik wil graag rust in mijn hoofd. Mijn vader neemt nu alle plaats in en dat wil ik niet. Dat verdient hij niet. Ik weet zelfs niet of ik ooit naar zijn begrafenis ga. Dat zal wel moeten want iemand moet toch… Hoor mij! Mijn vader leeft nog en ik ben zijn begrafenis aan het regelen. Alsof ik hem dood wens.K. Heb je vaak van die gedachten?R. Ja.K. Welke?R. Het gebeurde al enkele keren dat hij in slaap viel met zijn boterham nog in zijn mond. Hij stopt met kauwen zonder door te slikken en valt dan in slaap. Eén keer stikte hij er bijna in.K. Ja?R. Als hij dan wakker schrikt, weet hij helemaal niet meer dat hij aan het eten is. Dan is hij boos en haalt alles uit z’n mond alsof het iets smerigs is. Hij smeert het overal uit.K. Hij weet niet meer welke handelingen hij moet doen.R. Neen en ik krijg hem ook niet terug aan het eten. Hij draait zijn hoofd weg en hij negeert me nadrukkelijk. Alsof ik hém erger.K. En laat je het dan zo?R. In het begin niet nee. Dan wou ik dat hij alles opat. Ik moest vroeger ook alles van hem opeten, ook al lustte ik het niet. Het is raar dat ik nu beslis wat er op zijn boterham komt en niet omgekeerd.K. Doet niet elke ouder dat? Beslissen wat goed is voor zijn kind?R. Wat hij deed had niets met opvoeden te maken. Het was pure pesterij. Ik kreeg altijd hetzelfde op mijn brood. Zoet kwam niet op tafel. Alle kinderen hadden ’s middags snoep in hun brooddoos, dronken chocomelk. Ze hadden de heerlijkste dingen mee. Ik niet. Water, water en nog eens water. En brood met kaas, mijn hele lagere school. Ik haatte het.K. Dus geef jij hem nu enkel water en brood?R. Ik heb het overwogen, maar nee. Ik doe het omgekeerde: hij krijgt alles wat ik vroeger niet mocht en eet voor zijn neus boterhammen met zoetigheid. Belachelijk, niet? Alsof ik op die manier wraak kan nemen. Misschien houdt dat me overeind. Mijn kleine overwinningen.K. Helpen ze?R. Ik weet het niet. Het erge is dat hij er nog smaak van heeft ook. Waarschijnlijk herinnert hij zich niet meer wat hij ons vroeger allemaal oplegde.K. Dus daar gaat je wraak.R. Erg vind je niet? Ik schaam me dood. Maar het gaat me niet om de boterhammen. Het is veel meer. Ik herken mezelf soms niet: bij hem schakel ik mijn gevoel uit. Hij haalt het slechte in mij boven. Ik bedoel, gedachten aan zijn dood, zodat ik hem en het verleden kan afsluiten, houden me overeind. (stilte) Ik veracht mijn vader.K. Het lijkt me dat je je verleden niet zomaar op je eentje kan weg-relativeren. Vind je ook niet?R. Het is zo vreemd dat ik hier zit.K. Praten is verwerken. Je hebt nog nooit iemand over je jeugd verteld?R. Nee.K. Dan heb je nu al een eerste goede stap gezet.R. Hoe gaan we verder?K. Als je het goed vindt, zien we elkaar terug binnen twee weken. Dan heb je de tijd om alles even te laten bezinken.R. Goed. Dan zien we elkaar…K. … hier. Niet in de Zanzibar. (lachen) En... je zal het met water moeten stellen.R. Water, water. Altijd maar water! Afgesproken. Dank je, Karen.K. Tot ziens, Robert. Scène 2 Bang in het donker(Robert zit in de zetel, Karen in een stoel met notitieboekje)   K. Hoe is het?R. Ca va.K. Hoe voel je je?R. Een beetje onwennig nu.K. Wat is er onwennig?R. Ik praat de hele tijd over mezelf.K. Dat doe je niet vaak?R. Nooit eigenlijk. Er is niemand. Behalve jij.K. Hoe voelt het om over vroeger te praten?R. Toen ik vorige keer over die boterhammen vertelde, dat vond ik zo belachelijk klinken.K. Zo’n voorbeeld zoals die boterhammen helpt om herinneringen op te halen.R. Ik moet me soms inhouden om die boterham niet in zijn mond te proppen. Wat ik allemaal niet denk soms. Gelukkig gaat het over.K. Hoe?R. Ik verheug me op iets prettigs. Een film kijken bijvoorbeeld. Eén die ík gekozen heb, niet hij.K. Was je vader erg dominant in zijn opvoeding?R. Hij was dominant in alles. Hij gaf ons geen seconde rust.K. En je moeder?R. Mijn moeder… Ik praat nooit over haar.K. Wil je over haar praten?R. Nee. Ja.K. Wat voel je, als je aan haar denkt?R. Verdriet. Pijn. Mijn vader verafschuwde vrouwen.K. Ook je moeder?R. Ook haar.K. Wat deed hij dan?R. Hij zat ons altijd in de nek te ademen. Elke dag, elke minuut, zelfs ’s nachts. Ik was altijd bang. Bang om goed te doen. Bang om niet goed te doen. Weet je, ik doe nog steeds mijn slaapkamerdeur op slot. En ik woon nu al zoveel jaar alleen. Ik ben bang in het donker.K. Komt dat door iets wat je overkomen is?R. Zijn niet alle kinderen bang in het donker? Mag ik wat drinken?K. Natuurlijk. (schenkt hem een glas water in, hij drinkt)R. Als vader iets wist van school of als ik iets fout had gedaan -iets kleins- strafte hij me.K. Hoe?R. Hij haalde me ’s nachts uit bed en ik moest in de hoek staan. In het donker met mijn gezicht naar de muur. En dan ging hij naar beneden. Ik stond daar. Uren. Ik kon de kerkklok horen slaan.K. Hoe oud was je?R. Zeven, acht. Moeder trok de rolluiken soms een beetje op zodat het maanlicht binnen scheen. Maar meestal was het zo donker dat ik zelfs de muur voor me niet zag. Ik was doodsbang voor de monsters die me in mijn fantasie begluurden. Klaar om op me af te springen, me te verscheuren of aan me te zitten. Ik dacht dat ik ze hoorde, durfde niet bewegen. Ik voelde me in het donker zo kwetsbaar.K. Geen enkel kind zou uren in het donker mogen staan. Een slaapkamer moet een veilige, knusse plek zijn. Niet iets waar je angsten uitstaat.R. De dag erna was ik een wrak. Zijn straffen hadden effect, dat wel.K. Wanneer zat zo’n straf er op?R. Moeder legde me in bed na een tijd. Ze wreef me warm. Soms kwam ze niet.K. Gebeurde dat regelmatig?R. Gelukkig niet. De meeste straffen waren overdag.K. Hoe dan?R. Hij vond ter plekke iets uit. Tijdens het eten of als we televisie keken moest ik de hele tijd rechtstaan. Niemand sprak. Uren aan een stuk stilstaan, zwijgen. Dan word je gek van de spanning. Soms strafte hij me een hele dag.K. Hield hij je van school?R. Nee. Hij stuurde me zonder brood of boekentas naar school. Geen turnzak, dus zat ik aan de kant. Ik werd een soort freak en werd gepest. Thuis liep ik steeds op te letten of ik alles wel goed deed.K. En je moeder? Greep ze in?R. Soms. Maar hij strafte haar daarvoor. Dan moest ze in haar kamer blijven en naar zichzelf kijken in de spiegel. ‘Kijk dan vrouw,’ zei hij dan. ‘Kijk naar jezelf, je betekent niets. Je bent … niets’. En dat ik een verwend kind was, dat zij had bedorven. Dan riep hij me. ‘Robert! Kom naar boven, we moeten je moeder weer iets uitleggen!’. Dan ging hij tekeer tegen haar. Prekend met mij tussen hen in. Soms ging hij uren door. Op een avond, ik moet elf geweest zijn, werd ik wakker. Ik hoorde hem tekeer gaan. Moeder zat zonder japon in bed. Ze keek naar hem, onbeweeglijk en zei iets, ik hoorde niet wat. Hij riep, zijn stem sloeg over en hij ging naar de kast. Zij wist wat daar lag. Ik ook.K. Wat?R. Hij had een riem. Een leren riem met een gesp. De riem van zijn vader. Die had hij me ooit laten zien. ‘Met deze riem leerde mijn vader mij de regels,’ zei hij tegen mij. ‘Ik hoop dat jij deze riem nooit moet voelen, Robert, maar als de dag er is, zal ik hem gebruiken.’K. (stilte) Heeft hij de riem gebruikt?(Robert knikt bevestigend)K. Jij hebt alles gezien?R. Het was … waanzin. Hij bleef slaan. Ze weerde de riem af met haar handen. Ik deed m’n ogen dicht. Maar het stopte niet. Dat geluid.K. Gaat het?R. Na een week kwam ze terug aan tafel. Het licht was uit haar ogen. Weg. Voorgoed. Het is de eerste keer dat ik dit vertel.K. Dit is ernstig, Robert. Hoe overleef je zoiets als kind?R. Telkens als ik hem zie… Het gaat niet van mijn netvlies, als een foto van de duivel. Hij vertegenwoordigde voor mij het ultieme kwaad. En ik deed niets.K. Je was nog maar een kind.R. Toen, aan tafel, was mijn moeder weg. Alsof ze enkel nog fysiek aanwezig was. Kan dat?K. Ze vluchtte weg uit de werkelijkheid. Haar geest kon dit niet aan. Zoiets is strafbaar, weet je dat? Als je toen ook maar iemand iets had kunnen vertellen…R. Ik deed het slecht op school. Niemand wist waarom.K. Dat is erg voor je.R. Ze vermagerde. Ze at niet. Niet uit protest, nee, maar omdat ze het had opgegeven. Hij won. De glans in haar haren verdween, en ook haar stem en haar warmte. Ze staarde alleen nog maar. Dat was mijn moeder niet meer. Ze werd ziek, bleef in bed. En zonder dat ik afscheid heb kunnen nemen, was ze ineens… weg.Hij heeft alles van me afgenomen. Mijn jeugd, mijn moeder. Alles. Het was de hel. Dat veeg je niet zomaar weg. Ik niet.En daarom zit ik hier. Ik wil terug warmte in mijn leven. Goede herinneringen opbouwen. Gelukkig zijn. Maar ik weet niet hoe.K. Begin met kleine dingen.R. Ik sport weer. Ik ren er alles uit. ‘s Morgens voor ik hem zie en soms ook nadien. Soms denk ik dat ik veel eerder iets had moeten doen in plaats van al die jaren weg te kruipen voor hem. Ik had haar misschien kunnen... Is het nu te laat?K. Te laat?R. Om hem te confronteren! Zijn dementie. Verdomme! Ik kan het verleden toch zo niet laten? Als jij zegt dat het strafbaar is wat hij deed, en het blijft zoals het nu is; zonder dat mijn moeder gewroken wordt… Als ik alles goed maak, het op de een of andere manier rechtzet, dan kan ik er vrede mee nemen. Dan kunnen we rust vinden. Moeder en ik. Dan kunnen we rust vinden. Ik moet het goedmaken.K. Voel je je na al die jaren nog steeds schuldig om…R. (Kwaad) … om wàt?K. … om je moeder?R. Omdat ik niets gedaan heb om haar te redden? Ze is dood! Vergéten! (staat op, woedend)K. Robert? Ik bedoel niet dat je je schuldig moet voelen om haar. Je was tenslotte nog maar een kind en het feit dat je niets…R. Misschien moet ik het inderdaad anders bekijken. Ik dacht altijd al dat hij te sterk was om tegen in te gaan. Maar was dat wel zo? Waarom gooide ze zich niet als een leeuw in de strijd en gaf ze hem geen weerwoord, ongeacht de gevolgen?K. Ik bedoel niet dat…R. Misschien was ze inderdaad zwak. Ze wist immers dat ik boven op mijn kamer in het donker stond, uren na elkaar. Ze wist dat hij me vernederde en kleineerde tot er niets meer van me overbleef. Ze had moeten doen wat een moeder moet doen: haar kind beschermen kost wat kost. Maar nee. Ze liet mij achter. Bij hem. Ze ging dood, omdat dat de makkelijkste oplossing was voor haar. Voor haar, ja. Maar niet voor mij!K. Maar...R. Nee. Jij gaat haar hier nu niet verdedigen. Mijn vader had gelijk. Ze had al veel vroeger dood moeten gaan!K. Dat zijn harde woorden, Robert. Je vader was de oorzaak van al wat fout ging. Je mag niemand beperken in omgang of in geestelijke of emotionele ontwikkeling. Vergeet niet wat hij allemaal gedaan heeft. Hij was een zieke man, een tiran.R. Wat weet jij van mijn vader? Hoe weet jij hoe hij denkt? Wat ik denk? Wat doe jij eigenlijk allemaal met me? Jij zorgt dat ik mijn moeder zwak vind en haar op de koop toe schuldig ga vinden aan alles! Jij maakt dat ik haar neerhaal als een laffe, zwakke vrouw. Ze was een engel! Wat doe ik hier? Ik heb me vergist. Ik red het al zo lang alleen. Ik wil hier weg. (Robert gaat woedend af)K. (Geschrokken) Dat ging niet goed.   Scène 3 Spin off (Karen en Robert staan tegenover elkaar, licht gaat aan)   K. Het spijt me dat het gisteren zo gelopen is. Ik wilde je niet …R. Nee, Karen. Sorry dat ik je onderbreek. Maar ík moet me verontschuldigen. Jij niet. Ik weet niet wat me bezielde.K. Wil je gaan zitten?R. Nee, ik… wil eerst weten of we nog verder kunnen. Dit rechtzetten. Ik schaam me. Ik voelde een woede die eigenlijk helemaal niet op jou gericht was. Ik weet niet op wie eigenlijk. En ik vergat even waar ik was. Bij wie ik was.K. Het geeft niet.R. Toch wel, het geeft wel. Het was niet mijn bedoeling je aan te vallen. Wat ik tegen je zei… Wat zei ik eigenlijk allemaal?K. Het geeft niet.R. Je hebt me zo goed geholpen. Dat besef ik nu. Ik vind het gewoon soms zo beangstigend. Alles wat ik jaren en jaren heb buitengesloten: gevoelens en angsten, het komt allemaal terug. Hard terug. Alsof er een bus tegen me aanrijdt. Ik weet het soms niet meer.K. Het is normaal dat je in de war bent.R. Waarom werd ik dan zo kwaad?K. Soms kan het te veel worden. Kwaad zijn hoort er bij. Het is moedig dat je je komt verontschuldigen. Wil je verder, met de therapie? Je bent er nog niet, dat is duidelijk.R. Ik weet het. Mijn moeder is helemaal niet de schuldige. Ze is een slachtoffer.K. Net als jij.R. Net als ik.K. Voor mij is het oké. We doen gewoon verder als je wil.R. Ik bel je nog. Nu moet ik nadenken.(Licht uit)   Scène 4   ...      

Katelijn Van Hove
0 0

The winery

‘MYSTERIEUZE ANTWERPENAAR SPOORLOOS VERDWENEN’ ‘Bijzonder zorgwekkend. Zo noemt het gerecht de verdwijning van de 71-jarige Howard Hyde. Het Antwerpse gerecht en de politie hebben de voorbije maand al het denkbare gedaan om de mysterieuze, alleenwonende man terug te vinden. Zonder resultaat. De telg uit een welstellende familie van de Antwerpse beau monde lijkt van de aardbodem verdwenen.’ Jeffrey kijkt op van de krant en nipt van zijn koffie. Als je het zo leest, lijkt het wel een begin van een spannende televisieserie. Toch had de journalist niet overdreven. Oom Howard wàs een mysterieuze man. Toen hij veertien was had hij zijn oom gevraagd wat hij deed om de kost te verdienen. Hij had op een vriendelijke maar ernstige toon gezegd dat hij daar niet op kon antwoorden, daar zijn werk om discretie vroeg. Ook vroeg hij met niemand over de familie te praten. Jeffrey vond het toen allemaal best spannend, fantaseerde erop los en bedacht later dat oom gewoon heel rijk was en zich wilde beschermen. Maar een antwoord op zijn vraag had hij nooit gekregen. Zelfs nu wisten ze bij het gerecht enkel dat oom zich ‘raadgever’ noemde. Wat ze ook wisten, was dat Howard op de dag voor zijn verdwijning nog thuis was geweest. Daar had hij Jeffrey nog gebeld over zijn vertrek de volgende dag naar Engeland. Hij zou er tien dagen verblijven. Oom reisde dikwijls naar het buitenland, soms voor enkele maanden. En zoals gewoonlijk ging Jeffrey dan de post uit de brievenbus halen en af en toe de wagens in de garage eens starten. Na zijn terugkeer ontmoetten ze elkaar in de lounge van de zeilclub waar ze beiden lid waren, dronken cognac bij de koffie en praatten bij. Maar toen Jeffrey na twee weken niets van zijn oom had vernomen en hem ook nergens kon bereiken, werd hij ongerust en verwittigde de politie. Na onderzoek bleek dat Howard nooit om het gereserveerde busticket was geweest en dat hij ook niet was komen opdagen op een afspraak bij zijn bankier. Punctueel als hij was, bleek dit uiterst ongewoon. Na zes weken had de politie nog steeds geen spoor en hadden ze gehoopt via dit artikel misschien informatie te kunnen verzamelen. Het 0800-nummer getuigde hiervan en Jeffrey bedacht dat oom rijk genoeg was om op pagina 4 van het Nieuwsblad mét een foto (naast zijn sportvliegtuig nota bene) te prijken. Hij zuchtte. Om redenen die hem vroeger beletten in de aandacht te komen, was hij nu misschien verdwenen. Jeffrey stond op en nam een schaar om het artikel uit te knippen. Hij was een beetje verward. Oom Howard was altijd een constante geweest in zijn leven, de familie die hem nog restte. Jeffrey was enig kind, zijn vader was vorige zomer aan een hersenbloeding overleden en zijn moeder zat sindsdien suf voor zich uit te kijken in een bejaardentehuis. Howard was nooit gehuwd en beschouwde Jeffrey een beetje als ‘zijn gezin’, al was dit op een correct familiale, maar enigzins oppervlakkige manier. En het feit dat hij op 71-jarige leeftijd nog steeds heel fit en gezond was (en nog goed bij de pinken), maakte dat ooms vergankelijkheid nooit in hem was opgekomen. Nu besefte hij pas, hoe belangrijk oom wel voor hem was. Hij verweet zichzelf nooit te hebben aangedrongen omtrent ooms vroegere werk. Na een gesprek op het politiebureau had hij alle mogelijke scenario’s laten voorbijgaan in zijn hoofd. Was hij gevallen tijdens één van zijn wandelingen en lag hij ergens waar niemand hem vond? Was hij ontvoerd en konden ze elke dag een vraag naar losgeld verwachten? Had zijn ‘mysterieuze’ verleden hem parten gespeeld en was zijn lichaam na een afrekening verstopt? Het gerecht was al deze opties nagegaan, maar geen stap waren ze verder gekomen. Toegegeven, het was soms ver gezocht, maar ze tastten als het ware in het duister met de weinige informatie die ze hadden en elke mogelijkheid werd overwogen.Hij prikte het artikel op het bord in de keuken en liep naar de badkamer. Over een half uur kwam de poetsvrouw en dan wou hij het huis uit zijn. Hij had ook een reden om snel te vertrekken, want deze middag kon hij de sleutel weer afhalen bij het politiebureau en had hij toegang tot het huis. Misschien vond hij iets wat kon helpen in het onderzoek. Het was vrij onwaarschijnlijk, maar hij zou het in ieder geval proberen. In al die jaren dat hij in zijn ooms huis was geweest, had hij altijd zijn privacy gerespecteerd. Nu hij binnenstapte, voelde hij zich een ondeugend jongetje die die afspraken met voeten ging treden. Het wàs ook een huis waar je je klein in voelde; alle ruimten waren hoog en ruim, bedekt met donkerblauwe granietsteen en smaakvol ingericht met rode, kersenhouten meubels. Zoals gewoonlijk tijdens zijn afwezigheid was het huis leeg, maar het had nog nooit zo verlaten aangevoeld als nu. Het was gebouwd door zijn overgrootvader, een Amerikaan die na de oorlog van 1918 zijn geboorteland vaarwel zei om te huwen met een Vlaams meisje dat hij had leren kennen tijdens de bevrijdingsfeesten. Het huis had vier verdiepingen. Sommige kamers, wist hij, waren ingericht als logeerkamer maar hadden zolang hij zich kon herinneren nooit dienst gedaan voor andere gasten dan hijzelf. Jeffrey trok op de eerste verdieping enkele ramen en luiken open, zette naar gewoonte koffie en gaf de planten in de tuin water. Het had de voorbije dagen niet meer geregend en zo kon hij iets vertrouwds doen. Hij ging weer naar binnen, liep doelloos door de kamers, trok hier en daar een kast open, keek vluchtig in elke la maar vond niets dat zijn aandacht trok. Alles lag geordend, nergens was rommel of lagen nutteloze dingen. Hij kon zich voorstellen dat oom alles precies wist liggen en nooit naar iets moest zoeken. Hij besloot dan maar de werkkamer binnen te gaan. Het was een grote ruimte waar het zonlicht door het gekleurde glas scheen en zo voor een prettige gloed zorgde. Het voelde geruststellend aan, alsof oom hier nog was. Op het houten werkblad van het bureau stonden twee computerschermen, één aangesloten op het internet, één voor privégebruik, ‘want je kon nooit voorzichtig genoeg zijn’. Ernaast stond een grote doos met spullen die de politie voor onderzoek in beslag had genomen en weer teruggebracht. Ze hadden geen aanwijzingen gevonden, zelfs niet in de archiefkasten die drie van de vier wanden bedekten. Hij besloot ze toch maar één voor één te doorzoeken. Hij zag dat ze gevuld waren met gebonden boeken, gerangschikt per jaar en per onderwerp. Hij hoopte iets te vinden wat kon wijzen op oom Howards eventuele werk. Maar hij vond enkel gegevens over aandelen, bankverrichtingen, eigendommen, reiskosten, schenkingen aan liefdadigheidsinstellingen (oom had zijn hemel al verdiend), onderhouds- en huishoudkosten en allerhande aankopen. Jeffrey ging met zijn vingers door zijn zwarte haar. Hier was niets waar hij wijzer uit werd. Hij besliste om de spullen uit de doos te bekijken en ze daarna weer op hun oorspronkelijke plaats te leggen. Hij nam er foto’s, brieven en een adressenboekje uit en bedacht dat de enige objecten die over ooms persoonlijkheid vertelden, door een buitenstaander in één doos verzameld waren. Alsof alle ander spullen in het huis slechts decor waren voor een film. Vreemd eigenlijk, voor iemand met zoveel diepgang. Maar bij oom was het materiële nooit echt belangrijk geweest. Ze hadden er een keer over gefilosofeerd en oom had terecht opgemerkt dat mensen zich te veel hechtten aan het materiële, terwijl dat net het meest vergankelijke was. Al zijn herinneringen zaten in zijn hoofd en die nam hij overal mee naartoe, veilig en verborgen voor nieuwsgierigen om zo de onwetenden onwetend te laten. Hij bladerde het adressenboekje door. Zoals oom Howard ze ook in het echte leven van elkaar had gescheiden, stonden de personen die hij had gekend niet alfabetisch volgens naam, maar volgens ‘groep’ waartoe ze behoorden. Zo stond iedereen van de familie onder de ‘f’ en iedereen van de zeilclub’ onder de ‘z’ opgesomd. Beetje ongebruikelijk, bedacht Jeffrey, maar wel te verwachten van oom. Jeffrey kende iedereen, behalve enkele namen van mensen van de zeilclub die oom waarschijnlijk had leren kennen toen Jeffrey een jaar forfait gegeven had. De foto’s waren gerangschikt volgens onderwerp. Er waren vier boeken ‘familie’en twaalf met ‘reizen’ en ‘zeilen’. Op het politiebureau hadden ze hem gevraagd om ze één voor één nog eens te bekijken. En op de vraag of hij iedereen bij naam kon noemen had hij dit gedaan. Oom had hem vorig jaar (na het overlijden van Jeffrey’s vader) de familiestamboom en -foto’s laten zien en hun geschiedenis verteld. Iets waar zijn eigen vader nooit toe was gekomen. Ze hadden de hele nacht door aan de gezellig knetterende haard foto’s bekeken en hij had ervan genoten, beseffend dat dit één van die zeldzame momenten was dat oom loslippig was en hij zo iets over zijn familie te weten kon komen. Alles wat hij wist had hij ook aan de mensen op het politiebureau verteld. Niet dat er iets bezwarends was om te verzwijgen, alleen, hij had het moeilijk gehad omdat hij oom ooit had beloofd niet openhartig te zijn tegen buitenstaanders. Ook bij de foto’s en brieven van de ‘adoptiekindjes’ had hij uitleg moeten geven. Misschien kwam het doordat oom zelf geen gezin had, maar op de één of andere reden trokken kinderen hem aan. Vooral arme kleintjes. Hij kon hun leed niet verdragen. Je kon dit merken door de vele kinderen die hij fotografeerde op zijn reizen. Zo was hij ooit teruggekeerd uit Peru en vertelde hij honderduit over de leefomstandigheden van die’ arme, onschuldige zielen’. Na enkele weken had hij reeds plannen gemaakt om hen te helpen. Zo gaf hij geld om een schooltje te bouwen en engageerde hij zich na zijn volgende reizen voor verschillende projecten waarvan hij zeker wist dat zijn geld goed besteed zou worden. Ook bezocht hij weeshuizen die een fors geldbedrag op hun rekening gestort kregen. Sommige kinderen stuurden foto’s en schreven brieven bij wijze van bedanking. Oom had ze allemaal bewaard. Jeffrey bekeek ze één voor één. Je kon merken dat ze correspondeerden. Af en toe stond er een anekdote in over zijn bezoek. Dit vond hij interessant. Jeffrey las over uitstapjes en gekke dingen die hij had gedaan. Zo had hij zich een keer als kertsman verkleed, kompleet met slee en kadootjes. Het boeide hem wel, oom op een andere manier te kennen. Jeffrey had de giften altijd als een geruststelling voor ooms geweten beschouwd, maar nu hij de brieven zag, bedacht hij dat de kinderen wel veel voor hem hadden betekend. Het vervolledigde zijn karakter van een gevoelige, warme, vrijgevige man die deelde wat hij zelf in overvloed had. Verder waren er de fotoboeken met kiekjes van hun zeiltrips. Eén keer per jaar organiseerde de club een reis naar het buitenland. Jeffrey was dikwijls meegeweest en kende de meeste mensen die er aan deelnamen. Dat waren er wel wat, want soms vertrokken ze met 35 boten die dan elk op hun eigen tempo of met bevriende boten langs verschillende havens voeren. Zo’n reis kon drie weken duren en dan werden wel wat banden gesmeed. Op Howard’s boot was het altijd een komen en gaan van bevriende clubleden. Maar ook in de havens waar ze aanlegden waren veel bekende gezichten. Iedereen had altijd wel iets fris in de ijskast staan en bij gelegenheid werd een barbeque georganiseerd. Jeffrey genoot van de ontspannen, zorgeloze sfeer waar niemand iets tekort kwam, maar waar je je ook nooit ongemakkelijk voelde. Het waren allemaal welgestelde -jongere en ook oudere- mensen die met hun geld konden omgaan. Hij bladerde door het dikke fotoboek en dacht dat hij dit jaar misschien de reis moest annuleren. Hij zou niet zonder oom gaan. Iedereen zou vragen stellen waar hij niet op zou kunnen of willen antwoorden. Alles was altijd zo vanzelfsprekend gegaan dat hij zich niet kon voorstellen oom Howard nooit meer terug te zien. Hij schudde zijn hoofd even, als om die gedachte weg te bannen en sloeg het boek toe. Hij deed het een beetje hard en er viel een foto uit. Jeffrey raapte hem op. Die was hem niet opgevallen. Had die achteraan gezeten en was hij door het dichtslaan er uitgewaaid? Hij bekeek de foto goed. Hij zag een vrouw op een zeiljacht met de naam ‘The Helena’. Hij kende de vrouw niet. Ook de boot kwam hem niet bekend voor. Mogelijks van een trip waar hij niet bij was. Maar op de achterkant stond niets en dat was niet van ooms gewoonte, dat wist hij. Op alle foto’s stonden achteraan naam, plaats en datum. Misschien was er een verklaring voor. De politie had er alleszins geen aandacht aan besteed. Hij besloot eens navraag te doen in de club en thuis te kijken op het internet of de naam van het jacht iets opleverde. Het was trouwens al tegen de avond en Jeffrey besloot dat het genoeg was voor vandaag. Hij had een afwezig gevoel in zijn hoofd. Hij zette alles waar hij dacht dat het hoorde en verliet met een bedrukt gevoel het huis. Hij snoof de frisse buitenlucht op en voelde zijn hoofd opnieuw helder worden. Hij moest dringend alles doorspoelen. Jeffrey stapte op de hoek van de straat een cafeetje binnen en hoopte nog een snack te kunnen eten. ____________________ 20 juni 2005. Jeffrey stond bij de scheurkalender. Hij had zijn dochtertje Amy opgetild om net als elke morgen een briefje af te scheuren. Vandaag was de verjaardag van oom Howard. Hij zou 76 geworden zijn. Normaal gezien hadden ze dit gevierd in hun favoriete restaurant met een goed wijntje en een entrecôte op de grill. Maar hun regelmatige etentjes, boottochten en gezellige gesprekken in de club waren samen met oom verdwenen. Er was sindsdien veel gebeurd en in zijn leven was niets anders dan geluk. Maar het deed nog steeds pijn als hij er aan herinnerd werd en hij kon de gedachte niet verdragen dat ooms lichaam nooit gevonden was. Nadat de politie Howard als vermist geclasseerd had, was ook Jeffrey op een dood spoor geraakt. De vrouw op de foto, noch het zeiljacht was bij iemand bekend. Hij had zelfs de foto doorgestuurd naar vrienden uit zeilclubs in het buitenland,  kennissen uit het adresboekje gebeld, kortom al het mogelijke gedaan om uiteindelijk te moeten toegeven dat hij geen stap verder geraakte en zich moest neerleggen bij het feit dat hij oom nooit meer zou zien. Maar zelfs nu nog betrapte hij zich erop dat hij rechtveerde als de telefoon of de deurbel ging, in de hoop nieuws te horen over zijn verdwijning. Zolang Howard niet gevonden was, kon Jeffrey er moeilijk in berusten. Nadat Jeffreys moeder plots in haar slaap overleedt, was alles in een stroomversnelling gegaan. De notaris adviseerde om een procedure op te starten om Howard Hyde als overleden te kunnen verklaren, waarna Jeffrey dit deed en uiteindelijk zijn testament kon worden voorgelezen. Zoals verwacht zouden uit bepaalde fondsen jaarlijks nog geldsommen gestort worden naar liefdadigheidsinstellingen en werd Jeffrey als enige erfgenaam aangeduid. Hij was plots heel rijk geworden. Het was allemaal als in een droom aan hem voorbijgegaan. Dit was twee jaar nadat hij Marianne, nu zijn vrouw, had leren kennen. Dankzij haar had hij alles doorstaan en kunnen afhandelen zoals het hoorde. Als je bedacht dat hij haar de avond nadat hij in ooms huis was gaan rommelen in een cafeetje had ontmoet, vond hij het wel een hele bizarre samenloop van omstandigheden. Alsof oom Howard er toch nog ergens de hand in had, ook al was hij niet aanwezig. Hij streek nog eens met zijn vingers door zijn haar, een gewoonte waar hij zich vroeger nooit bewust van was (maar sinds Marianne het had opgemerkt wel) en hielp Amy in haar jasje. Marianne bracht haar elke morgen naar school. Het was vlak naast de drukkerij waar ze eigenaar van waren, een zaak die ze samen hadden uitgebouwd. Ze maakten plannen om nog twee winkels te openen en Jeffrey werkte vandaag thuis. Er kwam wel wat marktonderzoek en voorbereiding bij kijken en hier kon hij zich het best concentreren. Hij liep met hen naar beneden en Amy wuifde hem na tot ze achter de hoek verdwenen waren. Haar vrolijkheid had hem opgemonterd. Het waren z’n twee schatten. Hij kon zich een leven zonder hen niet voorstellen. Amy werd volgende maand vier en Marianne was één uit duizend. Hij had dit onmiddellijk bij hun eerste ontmoeting gevoeld en had toen tegen zijn gewoonte in zijn hart uitgestort en haar alles verteld. Ze hadden een tweede afspraakje en een derde en een jaar later woonden ze samen. Eerst boven de drukkerij, nu op een loft die ze prachtig hadden verbouwd en ingericht. Elke dag voelde nog steeds aan als toen ze net samen waren en hij hoopte dat er snel nog een kleintje bij mocht komen. Hij stapte terug binnen en maakte de brievenbus leeg. Elke morgen de krant bij een kop koffie en de dag kon beginnen. Zijn oog viel op een postkaart. Hij kon niet bedenken dat iemand van hun vrienden op vakantie was en terwijl hij de trap opging bekeek hij de handgeschreven tekst. Maar halverwege verstijfde hij: dit was oom Howards handschrift, zonder twijfel! Het bloed trok uit Jeffreys gezicht en hij voelde zijn slapen kloppen terwijl hij las: ’A visit to Helena’s Winery, a place to meet with friends.’ Hij draaide de kaart om en zag een geschilderd tafereel waarop een vrouw stond bij een typisch zuiders winkeltje met open, uitnodigende deuren, plantjes en wijn. De vrouw kwam hem vaag bekend voor. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en dacht diep na. Toen wist hij het: ‘The Helena’. Het was dezelfde vrouw als op de boot-foto. ‘Helena’s Winery’. Helena was haar naam. Maar van wie? Van iemand die hij kende? Zijn vrouw? Zijn dochter? Ze was veertig, hooguit vierenveertig. ‘A place to meet with friends’, een schijnbaar neutraal zinnentje, maar duidelijker kon het voor Jeffrey niet zijn. Het was een bericht van oom en hij wilde dat hij kwam! Hij gooide de krant op tafel en plofte op een stoel met de kaart in beide handen om elk detail te bekijken. Hij moest zien te ontdekken waar oom op dit moment verbleef. Hij bekeek de postzegel en zag dat hij in Languedoc, Frankrijk was afgestempeld. Een grote streek wist hij. Frankrijk. Er begon hem iets te dagen. Hij wist zeker dat hij tussen de bankafschriften van ooms schenkingen een adres in Frankrijk was tegengekomen. Jeffrey sprong recht en liep naar de kast, nam er een kaft uit en bladerde door de laatste afschriften. Zijn vinger gejaagd natmakend, bekeek hij ze één voor één. Hij vond al snel wat hij zocht: een overschrijving naar een weeshuis genaamd ‘Sint Hélène’ in Ambroix, France. Weer die ‘Helena’. Hij wist dat er jaarlijks een bedrag op de rekening van die instelling werd overgemaakt. Nu hij er over nadacht, had oom Howard er nooit over verteld. Bestond het dan wel? De foto’s! Als het weeshuis bestond moesten er foto’s en brieven zijn! Jeffrey nam het laddertje. In de hoogste kasten bewaarde hij de fotoboeken en correspondentie van oom Howard. Hij nam het doosje met daarop geschreven: ‘Mijn kinderen’ en zette het op tafel, haalde alles eruit en bekeek ze nog eens aandachtig. Bij één foto sloeg zijn hart letterlijk een slag over. Hij zat zomaar tussen enkele brieven afkomstig van een weeshuis in Argentinië. Jeffrey schrok toen hij dezelfde vrouw vanop het kaartje en de boot-foto herkende. In haar armen had ze een meisje van een jaar of twee en naast zich een jongen van zes of zeven. ‘Mijn kinderen’, de naam van de doos, kreeg plots een heel andere betekenis. Op de achterkant: ‘Sint Hélène, 1985’. De enige foto van dat zogenaamde weeshuis dat er waarschijnlijk helemaal geen was. Hij was verbluft. Die kinderen, waren dan zijn kinderen? Hij stond recht en legde alle stukjes naast elkaar. Was hij net tot de constatatie gekomen dan zijn oom nog leefde, vrouw en kinderen had, zichzelf via een ingenieus systeem geld doorsluisde en al vijf jaar bewust ondergedoken had gezeten? Maar waarom? Het moet iets met zijn verleden te maken hebben! Zijn werk of een voorval dat hem er toe noodzaakte het bestaan van vrouw en kinderen te verzwijgen en iedereen te doen geloven dat hij dood was. Hij had vijf jaar gewacht tot de erfenis was geregeld en iedereen Howard Hyde was vergeten om dan terug contact te zoeken met Jeffrey. Het was verbluffend slim. Als het waar was, moest hij oom nageven dat hij het erg goed had gespeeld. Niemand had deze mogelijkheid overwogen. Zelfs hij niet. Na al die jaren wist hij nu wat hij was blijven hopen: oom was niet dood, ze gingen elkaar weerzien en wel binnenkort! Marianne! Hij moest Marianne bellen. Ze zouden deze zomer naar Frankrijk gaan. O ja, deze zomer gingen ze ‘Helena’s Winery’ bezoeken, een plaats om met vrienden te vertoeven! -tekst Katelijn Van Hove-  

Katelijn Van Hove
0 0

PAASEIEREN RAPEN

Toen ik een ukkie was, werden de paaseieren gedropt door de paasklokken.  “De klokken van Rome” zei men toen.  Waarom die uit Rome kwamen?  Simpel!  Rome was het centrum van het universum.  Niet omdat de Romeinen destijds een van de belangrijkste beschavingen uit de geschiedenis hebben neergepoot.  Ook niet omdat Julius Caesar ons in een dronken bui “de dappersten aller Galliërs” heeft genoemd.  Wel omdat in Rome het hoofdkwartier van één der belangrijkste godsdiensten ter wereld gevestigd is.  Hier heerst de gezant van God op aarde over miljoenen katholieken.  Logisch dus, dat ook de paasklokken uit Rome komen.   Die paasklokken zouden in oorlogstijd geld waard zijn.  Zij zijn in staat om met chocolade eieren precisiebombardementen uit te voeren op burgerdoelwitten.  Die eieren landen altijd in tuinen van huizen waar kindjes wonen.  Bij de buren zijn er geen kindjes, dus liggen er ook geen eieren.  En als het slecht weer is, moet je alleen maar de vensters openzetten, en de klokken deponeren hun eieren in je woonkamer met een nauwkeurigheid waar de NASA jaloers op mag zijn.  Die eieren zijn dan poederdroog en er is er nooit eentje gebroken.   Maar waar is in ’s hemelsnaam die paashaas vandaan gekomen?  Ik neem aan dat die komt voor de kindjes van ouders waarop Rome zijn greep verloren heeft.  En dat zijn er de laatste jaren meer en meer.  Vooral sinds er links en rechts priesters en bisschoppen opduiken die de kinderen maar wat al te graag tot zich laten komen.  Klokken horen thuis in kerktorens en zijn dus een symbool dat niet zo kerkse lieden misschien liever door iets anders willen vervangen.  Maar waarom toch door een haas?  Misschien omdat er met Pasen heel veel eieren op één dag moeten afgeleverd worden en die beestjes bekend staan om hun snelheid?  Maar paaseieren zijn voor kinderen, en de uitdrukking “van de haas gep**pt” is dan weer net iets te vunzig voor een Ketnet publiek!  Persoonlijk had ik een paaskip veel logischer gevonden.  Kippen leggen eieren.  Hazen leggen alleen maar van die vieze keutels!   Zonder de discussie te willen voeden over wat er eerst was, de kip of het ei, heb ik ook zo mijn bedenkingen bij de oorsprong van het paasei.  Pasen is toch in de eerste plaats een religieus feest, waarbij de verrijzenis van Jezus, na zijn kruisdood, herdacht wordt.  Zou het dan niet logischer zijn om kinderen naar chocolade kruisjes te laten zoeken?  Ik zal wel weer veel te logisch redeneren!   Wie mijn vorige cursiefjes gelezen heeft, weet dat Meyers Briggs mij tot een logisch denker benoemd heeft, maar die extreme logica is niet mijn enige afwijking!  Ik ben tevens erfelijk belast met een enorm rechtvaardigheidsgevoel.  In de strijd der profeten moet Jezus de laatste tijd ferm de duimen leggen voor Mohammed.  Dat heeft iets te maken met “gaat en vermenigvuldig u!”  Wij doen dat maal 1,3 terwijl de islam vlotjes een factor 8 haalt.  Zou het dan niet logisch zijn dat zij ook chocolade-eieren mogen rapen?  Maar wie brengt die dan?  Een haas of een kip?  Een varken zal het zeker niet zijn!

Paul Carremans
330 0