Lezen

Oogcontact

Oogcontact!   Tussen potten met bloemen en planten sta ik slaapklaar op het minuscuul terrasje van het appartementsgebouw. Elke avond sta ik daar te turen naar de nachthemel. Nooit hetzelfde schouwspel. Deze keer zie ik geen sterren aan ’t firmament. Toch speur ik, met toegeknepen ogen en ontwaar er ééntje. Mijn eenzaam sterretje glijdt tussen de opgezette machtige bezwangerde wolken. Schuin boven de dakgoot is een helderblauw uitgespaard rondje, spierwit vanbinnen. Noemt men dat Maankring? Verschuilt zich daar de maan? Verder komen dreigende donkergrijze bijna zwarte wolken opzetten. Zouden ze de zielen van gestorven zijn? Ikzelf dank elke avond dat ik leef, dat ik ben.   Nieuwsgierig zie ik naar de verlichte ramen. Rechts van mij de strakke van pas opgetrokken buildings. Verder weg kleinere vensters. De ene geeft hel licht, het andere geel en daar zie ik het flikkerend koud opflitsen van een televisietoestel. Diegene die daar huist en ook de man van het zolderraam moeten voetbalfanaten zijn. Dat herken ik aan het stukje groene grastapijt en over en ’t weer bewegende schaduwen.   Dichterbij links neem ik balkons waar. Op een ervan ligt beddengoed. Rechts het machtige gebouw van het jongensatheneum en de koepel van de Middenstatie en weer veel huizen, kerken en gebouwen. De lampen, zichtbaar in de ramen van het verzorgingstehuis, pinken een voor een uit. Meer naar links zijn het laatopblijvers, waarschijnlijk jongelui want het licht brandt tot laat in de nacht, soms hoor ik muziekflarden verwaaien. Wanneer ik me over de balustrade rek, zie ik uiterst rechts nog een stukje Onze-Lieve-Vrouwekerk. Dichterbij de verlichte ramen van deftige appartementen in de Italiëlei.     Een eigenaardig gevoel overvalt me. Ik voel me begluurd, ontwaar in een studio van de deftige straat een man, een beetje voorover gebogen waarschijnlijk om me beter te kunnen zien. Dat stukje hemel over de daken en de luna rossa, die nieuwsgierig is komen opdagen, scheidt ons. Ik talm een beetje, zorg dat mij badjas wat openvalt en ga op een elegante manier naar binnen.  Meer…..  

Rhea van der Vloet
25 0

'Wie heeft mijn dochter gezien?'

‘’Wie heeft mijn dochter gezien?’’   De oorlog in Syrië en Irak levert dagelijks tragische verhalen op. Zo ook het verhaal van Christina. Als zij leeft, dan is zij nu vijf jaar oud. Wij beschrijven de dag van 22 augustus 2014. Het is mooi weer. Plaats delict: Het christelijke Assyrisch dorp Qaraqosh in de beurt van Mosul in Irak. Mosul is inmiddels ruim twee maanden geleden door de Islamitische terroristen onder de voet gelopen. Het christelijke meisje Christina is dan nog maar drie jaar oud. In het dorp zijn er nog maar 30 christenen overgebleven, die niet gevlucht zijn voor de aanstormende islamieten. Het gaat vooral om ouderen, zieken en een kind dat genoemd is naar het Christendom. Het gaat ook om een groep mensen die moeilijk kunnen vluchten.   Tussen deze groep mensen blijft ook het Assyrische gezin Aba achter met nog enigszins positieve gedachten als: ‘afwachten, misschien valt het allemaal wel mee, we blijven in ons huis…’. De beslissing te blijven en niet te vluchten blijkt funest te zijn. Het gezin Aba had de vier oudere kinderen gelukkig wel het dorp laten vluchten. De moeder, de drie jarige dochter Christana en de blinde vader blijven in Qaraqosh achter. Het dorp wordt na Mosul snel door IS overrompeld. Het Iraakse leger en Koerdische peshmerga’s laten het dorp jammerlijk in de steek. In eerste instantie willen de islamieten belasting innen. ‘Moslim worden of Islamitische belasting ‘Jizja’ betalen’, is nog in de eerste dagen het ‘zachte’ bevel van IS.   Reis zonder dochter Op 22 augustus 2014 verandert IS het beleid en verzamelt alle 30 christenen van het dorp in het ziekenhuis zogenaamd voor een medisch onderzoek. Het medisch onderzoek blijkt een val te zijn voor de groep onweerbare en ongewapende christenen. Alle christenen moeten hun waardevolle bezittingen afstaan. Van de groep moeten 26 in de bus stappen. Vier personen mogen om onverklaarbare redenen achter blijven. Christina en haar moeder behoren tot de ongelukkigen en moeten in de bus stappen. Christina huilt. Christina schreeuwt als of zij het naderende onheil aanvoelt. Moeder probeert haar nog te kalmeren. Een IS-strijder heeft blijkbaar last van het geschreeuw van het meisje. Hij stormt richting de moeder en pakt Christina met geweld van de moeder af. De moeder huilt en smeekt de IS-strijder om haar dochter terug te geven. De moeder wordt geslagen en met de dood bedreigt door de IS-strijder. Ook andere leden van de groep proberen de IS-strijder te overreden. Zonder succes. Ineens is van de Islamitische barmhartigheid geen sprake meer te zijn, wat gematigde moslims in Nederland vaak juist met heel veel liefde over hun geloof verhalen dat hun godsdienst wel vreedzaam is.   Laatste glimp De Is-strijder gaat met de 3-jarige Christina de bus uit en is voor de moeder de laatste glimp van haar dochter. Christina is sinds 22 augustus 2014 spoorloos verdwenen. De chauffeur rijdt de groep richting de grens van Koerdistan en tot opluchting van de passagiers laat hij de hele groep uitstappen. De blinde vader en de moeder stappen uit de bus zonder hun  geliefde dochter. Hun vrijheid is nu nutteloos geworden.   Met het uitstappen uit de IS-bus begint voor de moeder van Christina tot op heden een hopeloze langdurige strijd om haar dochter weer in de armen knuffelen. De familie schakelt snel Soennitische Arabieren in die goede banden hebben met IS om Christina te bevrijden. Er sijpelen geruchten bij de familie binnen dat het meisje zich in een weeshuis bevindt. De pogingen van de familie leiden tot niets.   Na de bevrijding van het dorpje Qaraqosh keert de familie onlangs weer terug naar het dorp. Veel christenen ervaren het toch als een feestje om weer in hun haveloze woningen terug te zijn. Maar voor de moeder en vader van Christina is van een feestje geen sprake. Het moment dat zij hun dochter kwijt zijn, komt als eerst boven drijven. Het ziekenhuis, de bus, het geschreeuw van Christina en het moment dat de IS-strijder op de moeder afkomt en Christina afpakt draaien als een film door het hoofd van de moeder.   Zoeken De terugkeer naar het dorp betekent voor de moeder, wellicht tegen beter weten in, een nieuw begin van haar zoektocht naar Christina. Met foto’s in de hand en met simpele maar hartverscheurende tekst ‘wie heeft mijn dochter gezien’ probeert een hopeloze christelijke moeder haar Christina terug te vinden. De moeder is terug bij af op de plek waar zij Christina onder bedreiging heeft moeten afstaan.   Tekst: Abraham beth Arsan

Abraham beth Arsan
0 0

Wat niet mag

WAT NIET MAG   1. Twee vragen: zal ik nog lang leven en zijn bananen lang houdbaar? Eén antwoord: nee. Die bananen koop ik toch maar en over de dood denk ik straks wel na. Ik wacht nog even.   De kassierster kijkt me kwaad aan. In gedachten verontschuldig ik me voor mijn late bezoek, maar ik zeg niets. Ze staart me nog steeds aan terwijl ze alle aankopen scant. Ik voel me ongemakkelijk en trek de kraag van mijn jeansvest wat hoger om de blauwe plek in mijn hals te verbergen. Waarom dacht ik dat het een goed idee was om mijn haar eigenhandig tot net onder mijn oren te knippen? Mevrouw de Geïrriteerde kassierster kauwt nu met alle genot –en met open mond- op een kauwgum. Ik denk dat ik ga overgeven en draai mijn hoofd naar de witte muur achter haar, maar die schijnt zo fel dat ik er traanogen van krijg, dus staar ik maar zo’n beetje naar mijn vingers. Een kuchje onderbreekt me uit mijn gedachten: ‘Ga je nog betalen?’   Het is koud op straat. Er blaast een gure wind en de temperatuur zit ergens rond het vriespunt. Ik heb de slechtste dag van het jaar gekozen om weg te lopen, een klein applausje voor mij. Nu de winter nadert zal het enkel erger worden. Ik woon in de buitenste rand van banlieue. De dorpjes liggen relatief ver gelegen van elkaar en zijn omgeven door velden en kleine verzamelingen bomen. Men zou het misschien nog net een bos kunnen noemen. Ik houd een stevige tred aan. Al snel ben ik in niemandsland. Mijn gezelschap bestaat uit koeien, schapen en enkele paarden. Hun ogen flitsen als lasers door de nacht. Dit voelt zo verkeerd, denk ik en ik stop abrupt met stappen. Daar sta ik dan, in het midden van de nacht, met een grote rugzak en geen plan. Maar ik forceer mezelf door te lopen. Ik ga niet terug en ik ga nog niet wenen. Nog niet. Op dat moment kruist een bult op de weg mijn pad. Ik denk dat ik aan het dromen ben. Ik ben zo moe dat mijn omgeving zachtjes draait, alsof ik de wenteling van de aarde opeens kan voelen. In het donker onderscheid ik veel meer bulten dan er in de werkelijkheid zijn. Ik maak er een test van en loop er gewoon recht op, waardoor ik -de bult was toch echt- in een fractie van een seconde op de grond lig. Ik spuug een stuk grond uit. De bult was een hoop paardenmest. Nog een rondje applaus voor mij. Eigenlijk heb ik geen zin om op te staan. De grond is hard en koud, maar alles is een bed, als je maar moe genoeg bent.   2. Hoe laat is het? Ik tast naast me om mijn gsm van mijn nachtkastje te nemen. Mijn handen graaien en graaien, waar is dat verdomde kastje, tot ik één oog open en dan het tweede. Ik ben niet in mijn slaapkamer. Ik herhaal, ik ben niet in mijn slaapkamer. Mijn spieren spannen zich op en ik ga rechtop zitten. Die actie zet mijn brein in gang en ik weet weer wat er aan de hand is. Ik wilde weg en toen ging ik weg en nu ben ik hier. Ik heb echter geen flauw idee hoe ik in deze ruimte ben geraakt. Ik herinner me de weg en dan een zwart gat. Ik ben in een schuur, denk ik. Er komen zonnestralen door de planken van een klein luikje en die verlichten de ruimte een beetje. Na een slok water en een banaan ga ik op verkenningstocht. Waarna ik vervolgens drie meter naar beneden val. In een hooibaal. Ik heb me geen pijn gedaan, maar mijn gegil heeft iets levends gewekt. Ik lig bedolven onder het stro, maar hoor van alle kanten knorrende geluiden. Ik bevrijd me uit mijn hooigevangenis, draai me om en sta oog in oog met… een lama? Ik krijg ter wijze van verwelkoming een dikke druppel spuug in mijn gezicht. ‘Oké, oké, ik ben meteen weg.’ Maar dan realiseer ik me dat de enige uitweg versperd wordt door vijftien lama’s. Alternatief: terug omhoogklimmen en door het luikje naar buiten springen. De kans is echter relatief klein dat ook buiten een hooibaal op me ligt te wachten. Ik kan kiezen: dood door uit een raam te springen of dood door boze lama’s. Dat tweede klinkt leuker, dan hebben ze iets interessants om in de krant te zetten. Ik wil me net op het strijdveld begeven, als een stem de kudde roept. Ze draaien collectief hun kop om, ze worden geroepen door de leider. ‘Goeiemorgen, mokkels!’ Ik aarzel om iets te zeggen, wat als hij de lama’s aanstuurt als een leger om de indringer weg te sturen? ‘Meisje?’, zijn schorre stem klinkt van net achter de deur. Plots opent hij de deur, de lama’s stormen naar buiten en een grote man blijft alleen over in de deuropening. ‘Ah, je bent wakker! Tijd voor ontbijt.’   3. Ik loop weer verder. Dit was slechts een onverwachte tussenstop. Het ontbijt was lekker, maar de boer overlaadde me met iets te veel vragen. Ik zei dat ik nog ergens verwacht werd en liet hem zo achter, zich afvragend waar een meisje dat op straat slaapt, verwacht wordt.   Er doemde zomaar een bos op. Ik loop tussen de bomen en denk aan die keer dat Karel mij achterliet in een winkel, omdat ik zeurde en hij nog een show voor te bereiden had. Hij was geboekt voor een nieuwe quiz. Hij sprak dat uit als quizzz. Het publiek adoreert hem-dat vertelde hij mij ook- en daarom draagt hij een enorme zonnebril als hij met zijn dochter buitenshuis gaat. Ik kijk geen televisie meer. Ik was toen zeven jaar. Mama was me furieus komen halen. De volgende dag belde ze naar haar werkgever, ze zou niet kunnen komen voor een paar dagen, stom ongeluk, ze was van de trap gevallen. Zestien jaar lang. Al zestien jaar lang was mijn leven een een ketting met kralen van angst.   Ik denk ook aan mijn broertje. Die kleine, lieve Kamiel. Wat een verschrikkelijk accident. Wat een verschrikkelijk toeval. Hij was mijn grote broer en nu ben ik al twaalf jaar ouder dan hem.   Ik zie een struik met rijpe bessen. Geen idee of ze eetbaar zijn. Ze lijken op frambozen, maar dan iets kleiner. Ze smaken goed. Ik pluk een handvol en wandel verder.   De avond valt, en dan de nacht, de stilte, de kilte. In het donker is er niets. Ik sluit mijn ogen en wandel verder. Wanneer ik iets hoor stromen, open ik ze. Water. Mijn haar is nat, omdat ik zo gulzig heb gedronken. De haren op mijn armen staan recht overeind. Ik ga liggen. In het donker zullen ze me niet vinden. In het donker ben ik ook niets. Ik sluit mijn ogen opnieuw.   De lucht is nog steeds pikzwart, maar toch ben ik wakker geworden. Mijn oogleden voelen zo zwaar. Ik ga rechtop zitten en tuur voor me uit. Niets. Nee, daar! Een flits van spierwit licht verschijnt achter een boomstam. Ik spring recht en schuifel vooruit. Ik word met een ongelooflijke kracht tot de plek van het licht aangetrokken. Ondertussen wandel ik niet meer, ik ren. Ik sprint. Zo snel mogelijk daarheen. De bomen lijken in een cirkel te staan, alsof ze zijn uitgeweken voor het wezen te midden van de open plek. Hij is gekleed in wit en krullen omringen zijn hoofd. Ik kan niet spreken. Hij is de koning van het bos. Ik knipper en het is voorbij. Ik ben alleen.   4. Ik heb mijn gsm afgezet. Natuurlijk hoopte ik gemist te worden. Overladen te worden met berichten. Ik wilde zelfs mama bellen, maar er was geen vraag naar en dus zal ik niet antwoorden. Wat had ik ook verwacht? Ik hoop dat mama haar gsm nog in bezit heeft.   Ik heb de hele dag gewandeld, rechtdoor, zonder een pad te volgen, onder en boven en door de bomen. Ik voel me thuis in de natuur. Ik voel me op mijn gemak en de fluitende vogels en de ruisende wind zijn mijn bondgenoten.   Langzaamaan wordt het bos minder dicht en wanneer het begint te schemeren, loop ik tussen lage struikjes en droog gras. Ik kan enkele meters verderop een verharde weg zien. Ik hoor ook nog steeds stromend water. Het beekje was de leidraad voor mijn tocht en heeft me voorzien van voldoende vocht. Het landschap is uitgestreken, ik daal langs een helling af om dicht bij de waterbron te blijven. Tegen de avond verschijnen er hier en daar huisjes. Ik voel me als een reiziger die na dagen in de wilde jungle eindelijk bewoond land heeft bereikt.   Ik kom aan een kleine betonnen brug. Ik sta aan de onderkant en kan er onderdoor lopen en wanneer ik dat doe zie ik dat de binnenkant van de brug –of tunnel, vanuit mijn standpunt- hol is. Dit wordt mijn slaapplek.   Het is niet heel warm, maar ik ben tenminste beschermd tegen wind en regen. Ik hoop op een minimaal aantal bezoekjes van ratten.   ‘Een zwerver… Een echte zwerver!’ Ik open mijn ogen. Wat? Een hysterisch gelach komt van onder de andere kant van de brug. Het is pikdonker, maar ik zie enkele kleine lichtpuntjes aan de overkant. ‘Hij zit onder onze brug. We moeten hem vangen!’ Meer gelach en gebrul: ‘ ‘T is stil aan de overkant!’ Ik ga rechtop zitten. Hebben ze het over mij? Ik kan me de laatste keer dat ik zo verward was niet meer herinneren. Ik hoor het opspatten van water en, oh nee, ze zijn de beek aan het oversteken.   Het zijn jongeren, hooguit een paar jaar ouder dan ik. Ze hebben mij omsingeld. De lichtjes die ik zag, zijn de uiteinden van hun peuken en ik betwijfel dat het sigaretten zijn. Ze drommen rond mij samen. ‘Wacht eens even, het is een meisje!’, roept een jongen met brede postuur uit. Een meisje verlicht haar gezicht met een aansteker, ze heeft roze haar: ‘Een zwerveres!’ Nu lachen ze alsof ze een nooit meer zullen kunnen ophouden. Dan kijken ze afwachtend naar mij. Ik kijk afwachtend terug. ‘Hier’, zegt de brede jongen en hij gooit mij een half opgedronken flesje frisdrank (of zo ziet het er toch uit) toe. En ik drink.   We zitten in een cirkel, we hebben een voorstellingsrondje ingelast. Ik voel me licht en lacherig, het flesje ligt leeg naast me. ‘Hallo, ik ben Ebba.’ Ja, dat is mijn echte naam. Nee, ik wist niet dat jullie schuilnamen prefereren. Het is te nemen of te laten. Dorst. Ik krijg nog een halfvol flesje, waarom krijg ik geen vol flesje? De brede jongen is de leider, zegt hij. Het is een anonieme groep, die enkel ’s nachts bestaat, waarin je even je dagelijkse leven kan vergeten en avonturen kan beleven, hij stelt zich voor als Lark. Het meisje met de roze lokken zegt in één adem dat ze een fee is, dat ze honger heeft en dat ze mijn neus wil aaien, omdat die zo rond is. Na die woorden haalt ze prompt een bak suikerspin tevoorschijn en biedt mij een stuk aan, ik pas, waarna ze gaat neerliggen met haar hoofd in mijn schoot en knijpt in mijn neus, terwijl ze ‘toet’ zegt. Ik moet lachen en zeg ‘toet’ terug. Ik blijf lachen, steeds luider en de groep doet mee. Ik heb me nog nooit zo leuk gevoeld, is deze avond echt aan het gebeuren? De maan heeft zo’n groenige schijn. Nog drinken alsjeblieft. Het is zo lekker zoet, maar brandt toch in mijn keel. Herinnert me aan thuis. Ik neem nog een slok.   Een lange slungel piept en heeft me nog geen enkele keer aangekeken. Hij heet C3-PO en haat mensen, volgens een meisje met een donkere huidskleur en een afro kapsel. ‘En ik ben Karma, aangenaam.’ Zij is de laatste van de groep, ik neem voorzichtig haar hand vast. Zonder twijfel is zij het mooiste meisje dat ik ooit gezien heb. Ik blijf haar hand vasthouden. ‘Jij bent goddelijk,’ ik krijg aanmoedigingen van de groep, ‘ik hou van jullie allemaal!’ Ik spring rechtop en ben zo duizelig. Ik lach: ‘Ik ga vallen. Vang mij op!’ Ik lig in haar armen en in zijn armen en ik weet het eigenlijk niet meer. Ik weet alleen dat deze nacht moet blijven duren voor altijd en altijd en altijd en     5. Alles doet pijn. Ik lig bovenop de brug, mijn hoofd weegt een ton en mijn T-shirt plakt aan mijn buik. Ik hoef er niet aan te ruiken, want mijn hele omgeving stinkt ernaar. Ik ben doordrenkt met alcohol. En opnieuw alleen. Onder de brug vind ik al mijn bagage. Na een inspectie trek ik de conclusie dat ik alles nog heb, met toevoeging van een bakje suikerspin en een kaartje met losse woorden opgekrabbeld. Ik moet hier weggaan. De lucht is een uitgestrekte grijze vlek. De wolken zijn opgezwollen. Ze hebben er genoeg van, kunnen elk moment barsten. Ik kan de treinsporen volgen tot aan een station en dan een trein nemen. Bezwaar één: ik heb niet genoeg geld. Bezwaar twee: er zou een kennis op de trein kunnen zitten. En dan kom ik op het aller slechtste plan in de geschiedenis van de mensheid. Ik zal langs achter op de trein springen.   Later zit ik ín de trein. Met een geschaafde knie. Het blijkt dat als je achterop het uitsteeksel van een trein gaat zitten, dat mensen denken dat je iets heel verkeerds van plan bent. Een vrouw, een moederlijk type, heeft mijn ticket betaald. Nu ben ik op weg naar de stad.   6. Er hangt een kille sfeer in de stad. Hier zal ik verzuipen. Niemand kijkt me aan. Ik begrijp waarom. Ik heb me in geen dagen gewassen en stink naar alle vieze, stinkende dingen tegelijk op één grote hoop. Ik zit op een plein, in het centrum daarvan staat een ooit-mooie-nu-grijze fontein. Ik zie er een kans in. Een douche. Het water is opnieuw koud, maar het doet mij niks meer. Spijtig genoeg voel ik mij niet voldoende op mijn gemak om mijn kleren uit te trekken.   Het is al na de middag en mijn broek plakt nog steeds onaangenaam tegen mijn billen. Ik zit nog steeds bij de fontein en met het lopen van het water, komt het lopen van mijn tranen. Wat een idioot ben ik, om voor een geflipt probleem een nog meer geflipte oplossing te zoeken. Wat is het allemaal waard? Wat is mijn leven nog waard? Ik voel mezelf verdrinken. Plots grijpt iemand mijn polsen vast. Ik zie niets, ben verblind door verdriet, maar herken de stem wanneer die paniekerig begint te huilen: ‘Ebba? Jij bent het echt. Alsjeblieft, zeg dan toch iets!’ Mijn tante slaagt haar armen om mij heen, ik doe hetzelfde en houd haar stevig vast. Ze trekt me recht en neemt me met een arm om haar schouders mee. Eigenlijk had ik kunnen weten dat ik haar zou tegenkomen, zij en oom Rick wonen en werken beiden in de stad.   Wanneer Rick me ziet, wil hij me van alles vragen, maar tante Lore wrijft over zijn kaak en zegt in mijn plaats dat ik te moe ben. Ze warmt een bord spaghetti voor me op, later kleedt ze me uit en steekt ze me in een warm bad, geeft me een van haar pyjama’s en stopt me onder, ik krijg een kus op de wang. Ze behandelt me als een klein kind, als haar eigen kind en oh, wat heb ik dat gevoel gemist. Het gevoel veilig te zijn. Ik sluit mijn ogen en val glimlachend in slaap.   7. Het is al licht als ik rechtsta en naar beneden loop. Halverwege de trap houd ik halt. Ik hoor hen ruziën. Eerst de stem van Lore: ‘Wie denk je dat je bent? Natuurlijk heb ik die agent weggestuurd, ik wil eerst met haar praten.’ Ik houd mijn adem in. ‘Lore, dat kind is weg voor een week en al wat jij wil doen is ‘er mee praten’?’   Was ik al een hele week weg? Hij gaat verder: ‘Het is een beter idee om haar vader te bellen.’ ‘Nee, dat is het niet, verdomme Rick, jij kent Karel niet!’ Hij zucht en wandelt de keuken in, mompelend dat hij nog een koffie nodig heeft. Ze volgt hem.   Ik ren terug naar boven en laat me buiten adem op de matras vallen. Starend naar het plafond komen mijn gedachten terug. Tot zover mijn vertrouwen. Ik zoek pen en papier en maak mijn rugzak.   Beneden haal ik zo stil mogelijk een paar briefjes uit Lores portemonnee, steek er een papiertje met excuses en de belofte dat ik alles terugbetaal erin en sluip naar buiten. Ik laat de deur op een kier staan en begin te lopen. Bocht links, bocht rechts, het web van straten lijkt eeuwig door te gaan. Ik stop even om proviand in te slaan en loop verder. De mensen kijken me na. Ik ga rechtdoor, ik loop in een straat vol hoge gebouwen en ze maken mij onzichtbaar.   Wanneer ik stop, heb ik geen idee waar ik ben. Ik laat mij zakken tegen een donker muurtje, in een donker steegje en sluit mijn ogen.   8. Ik slaap niet, daar ben ik vrij zeker van, maar ik hoor akoestische gitaarmuziek en zacht melodisch gefluister zich vermengen met het gewone rumoer. Ik open mijn ogen en ben niet meer alleen. Ik maak oogcontact met een vreemde. Zwarte ogen die mij volledig onbekend zijn -maar mij meteen een veilig gevoel geven- kijken me rustig aan. Er zit een gitarist die uit het verleden lijkt te komen naast mij. Gekleed in een kostuum, zwarte, blinkende schoenen en een strikje om het geheel af te werken. Hij glimlacht en steekt zijn hand uit. We schudden handen en dan praten we. Silvan is zijn naam en Ebba is de mijne. Ik vraag hem waar zijn accent vandaan komt. Ierland! Ierland, het land der kapotte dromen en miserabele ouders die hun zoon, met name Silvan Ezra, verbieden muzikant te worden en dat hij die verdomde versleten kleren nu eens uittrekt, hij ziet eruit als een zwerver, wel dan zeg ik, farewell en tot nooit meer! En hij springt recht en we jiven op het getoeter van de auto’s, het geroep van verkopers en het gedender van de straten. En op ons eigen gelach. Hij trekt me wat dichterbij en fluistert: ‘Daar wordt een mens dan gek van.’   Hij heeft een bunker gevonden. Een stenen kamer naast de riool. Hij leeft daar al enkele maanden en er is plaats genoeg voor mij, zegt hij opgewekt.   Hij is nooit bang zegt hij en dan neemt hij mijn hand, ook al trek ik die soms weg. ‘Please, miss Ebba Franck, schenk mij het genoegen uw rechterhand vast te nemen.’ In zijn ogen zie ik dichte bossen van altijdgroene bomen. In zijn haar krullen van ongenoegen en soms toch ook genoegen. Hij speelt ermee en ik geef toe, ik lach.   De dagen worden langer en die extra tijd had ik nodig om in mijn vertrouwen bruggen te maken en de afstand tussen ons te verkleinen. Ik vertel hem alles en dat doet hij ook. We hebben een volledig wereldbeeld uit elkaar gehaald. Hij schenkt mij kennis van een buitenstander en doet mij medelijden voelen met mijn moeder. Nog even en dan zal ik haar stem weer willen horen.   Hij tokkelt met zijn vingers op zijn knie, in zijn hoofd zit reeds een volgende melodie om uit te testen op de snaren van zijn meest dierbare bezit. Hij schrijft ook teksten voor mij. Die ik moet zingen, eigenlijk. Hij benadrukt opnieuw dat hij niet bang is en ik zeg dat dat mij niet helpt, maar ik ga toch neuriën. En ik ga ook werken. Drankjes opdienen in een plaats waar ik niemand ken.     Alles is nu fijn.   Het blijkt dat ik kan zingen. Elke dag spelen we ergens anders en altijd komen we boven het gewoel uit. Staande ovaties krijgen we en muntstukken. Daarmee kopen we water en hetgeen dat onze honger stilt en op zondag dineren we. s’ Nachts gaan we op avontuur, we rennen naar het park, we klimmen in bomen, trekken het gras uit, handenvol en gaan dan liggen tegen elkaar en staren recht omhoog. We wanen ons in de hemel. Hij kust me op mijn wang, soms op mijn mond. We zijn geen geliefden, we zijn zielsverwanten. We houden van elkaar, maar niet op die manier. Soms is er iets dieper dan liefde. Soms vergeet ik na te denken. Soms denk ik dat mijn leven geen zin heeft, dan draai ik me om naar de muren in onze schuilplaats, we hebben ze in alle kleuren geverfd. Dan zie ik de kleuren in mijn leven.   9. Karel steekt nog een sigaret op. Het bovenste knoopje van zijn hemd staat open. Op het aanrecht staat een rij lege bierglazen, willekeurig gerangschikt. Ik zit onder de keukentafel, net vier jaar oud geworden. Ik hoop dat hij me niet vindt. Karel had naar de tv gebeld om te zeggen dat hij niet kon komen, want ik was jarig en kreeg een feestje. Mama is boven aan het slapen.   Ik vind het wel spijtig dat ze niet mee taart is komen eten, want ik had aardbeientaart gekozen, omdat zij dat zo lekker vindt. Ik snap niet waarom ze altijd slaapt tijdens de dag. Kamiel zit naast mij. Hij is dan wel twee jaar ouder dan mij, maar we kunnen goed samenspelen en oma had voor mij een kleurboek met stiften gekocht en voor Kamiel een speelgoedgeweer en dat vond ik heel lief van haar.   Nog een sigaret, de hele keuken stinkt. Kamiel vindt het dolle pret om zich te verstoppen, maar ik vind het eng, want mijn been doet nog pijn van de vorige keer dat we betrapt werden. Karel loopt door de keuken en zegt zachtjes ‘Ebbaaaa’ en ‘Kamieeeel’ en elke keer zegt hij het iets luider. Soms wou ik dat ik kon weglopen met Kamiel en mama naar een ver land, maar ik denk niet dat mama genoeg centjes heeft, want ze ligt maar de hele dag in bed. Ze geeft mij geen pleisters en zalf meer, dat doet de juf nu. Ik denk dat mama heel moe is. Hij wandelt de keuken binnen en Kamiel kijkt me met grote ogen aan. Hij heeft zijn geweer vast, klaar voor de aanval. Karel stopt voor het aanrecht en met één zwaai kletteren de glazen op de vloer en ik doe mijn handen voor mijn mond, maar kan bijna niet meer ademen. ‘All work and no play, makes me a dull boy.’, zegt Karel en hij lacht, ik weet niet wat het betekent en ook mijn broer haalt zijn schouders op. Hij glimlacht naar mij. Kamiel is altijd blij. Ik denk dat hij het minste huilt van iedereen thuis, buiten Karel natuurlijk, die weent nooit. Plots hurkt hij neer: ‘Gevangen!’ Hij heeft rode streepjes in zijn ogen en Kamiel en ik gillen het uit. En Kamiel lacht. Ik stomp hem zachtjes, hij moet stil zijn! Maar het is al lang uit met de pret.   Karel grijpt ons elk aan één arm en rukt ons van onder de tafel uit. Hij gooit mij naar achteren en tilt mijn broertje op met zijn handen rond zijn nek, mijn broers beentjes spartelen boven de vloer. Alles wordt rood en dan paars en dan sluit ik mijn ogen.   Het is stil en het hele huis hangt vol rook. De muren zijn zwartgeblakerd, alsof enkel de duisternis hier kan huizen. Ik krijg de misselijkmakende mist niet uit mijn hoofd, dus ik hoest en ik hoest en dan lost de wereld van het verleden zich op en open ik mijn ogen en Silvan houdt me verschrikt vast. Ik ben in een fractie van tijd klaarwakker. De rook is echt. Ik spartel als een neergeschoten hert, dikke tranen rollen neerwaarts als een vergeefse poging de brand te blussen. We hoeven niet te spreken. Zwijgend ontsnappen we door het luik.   10. Hij was bij mij tot het weer licht werd. Silvan luisterde terwijl er een zondvloed van emoties, woorden, onsamenhangend, met horten en storten uit mijn brein vloeiden. Een uitgestoten herinnering die zo ver zat en zo lang opgesloten was, kwam terug. Zachtjes en dan allemaal in één keer. Zoals de slaap zelf. Zoals de liefde. Zoals het herontdekken van mezelf.   Ik ben impulsief nu en ik ben er trots op. Mezelf verbergen is een schande. De lucht correspondeert steeds minder met de zwaarhoofdige zielen hier op de grond en weldra zal het zo drukkend warm zijn dat het enige zinvolle om te doen, achteroverliggen is en tevreden zeggen: ‘Oef, daar had ik op gewacht.’ Uiteindelijk hebben we de bunker bezocht, een laatste keer. Van ons appartement (een echt huis!) hebben we de wandeling, in stilte. We weten nog steeds wat de brand heeft veroorzaakt, maar ik kan mijn verleden helder voor mij zien nu.   Zijn gitaar ligt in het midden van de kamer. Op miraculeuze wijze heeft enkel de muziek de ravage overleefd. Ik heb ooit ergens gelezen dat het meest ontvlambare element vaak ook het sterkste is. En het vuur slokt al de lucht op en met de lucht verdwijnt het leven. Jaren was ik verhinderd te leven, een antagonist in mijn bestaan. En ik heb gerend. En ik heb het leven gevonden.   Silvan wandelt naast mij en doet zo’n loopje dat je altijd op het einde van feelgood-films ziet. Hij wandelt alsof alles vanaf nu perfect zal zijn. Natuurlijk is dat niet zo. Het leven zou niet compleet zijn zonder onnodig drama. Mijn leven is een rivier. De storm is eindelijk gaan liggen. Ik heb mezelf gevonden. Daar ben ik dan, rondvliegend tussen Mars en Jupiter, nu eindelijk de zon in mijn eigen hoofd. En ik schijn.                                     EPILOOG   Karel,   Ik wou dat ik je papa kon noemen, maar vaders zorgen voor hun kinderen en geven hen een gevoel van bescherming en dat heb jij nooit gedaan. Ik weet wat er met Kamiel gebeurd is. Zelfs een vierjarig kind kan getraumatiseerd worden. En ik wist niet dat je blauwe plekken op je vingers kon krijgen, tot jij erop sloeg. Jij draagt een masker, verbergt je achter een façade. Jij monster. Bijna zestien jaar van mijn leven heb ik zonder mond geleefd. Jij zegt dat ik zwak ben, maar van jouw dubbele identiteit is degene die echt is, de meest zwakke persoon die ik ooit gekend heb. En de kracht waarmee je hand op mijn huid terechtkwam, heeft nooit iets te maken gehad met je sterkte. Jij zegt dat ik het verdien om te sterven, maar ik ben al zo vaak gestorven en het universum heeft me telkens gesmeekt om even met mijn hoofd uit de wolken te blijven.   Zeg sorry tegen mama van mij, dit is nooit haar schuld geweest. Zij blijft overeind, ondanks alles. Jij bent de schuldige. En alles zal in balans komen. Vandaag hoef ik niet meer te wachten.   Ebba

Camilla Peeters
0 0

Het voorval van de noodzakelijkheid

Het voorval van de noodzakelijkheid Dit is voor alle mannen die het verkeerd hebben begrepen. Dit is voor alle vrouwen die ’s avonds met een sleutel tussen hun vingers geklemd over straat lopen. Dit is voor alle vluchtelingen die nu nog langer op een verblijfplaats en een normaal leven moeten wachten. Dit is voor iedereen die benadeeld wordt door geslacht, ras, religie, huidskleur of seksuele geaardheid. Wij hebben feminisme nodig.   Toen ik mijn vader voor het eerst vroeg of hij een feminist was, antwoordde hij dat hij niet vond dat vrouwen mannen zo moesten neerhalen en ook dat vrouwen zich tegenwoordig veel te belangrijk voelden. Dit is een perfect voorbeeld van iemand die geen idee heeft wat feminisme is.   Om het in een notendop uit te leggen: een feminist is iemand die gelooft in de sociale, economische en politieke gelijkheid van alle mensen. Spijtig genoeg heeft dit begrip een verkeerde naam gekregen en ik kan begrijpen dat men denkt dat het betekent dat alleen vrouwen belangrijk zijn of dat alleen vrouwen rechten verdienen. Het is eigenlijk het tegenovergestelde.   Als ik zeg dat ik een feminist ben, dan zeg ik dat ik mannen én vrouwen steun, maar ook transgenders, dubbel-genders, anti-genders, blanken, zwarten, alles daartussen, homo’s, lesbiennes, biseksuelen, anti-seksuelen, islamieten, christenen, boeddhisten, humanisten, atheïsten, gehandicapten, psychiatrische patiënten enzovoort. Als u de helft van deze termen nog nooit hebt gehoord, adviseer ik u een dubbele portie internet en feminisme.   Ik vind niet dat vrouwen meer dan mannen moeten verdienen. Ik vind ook niet dat mensen die hetero zijn, slecht zijn. Ik hou ervan om opinies te horen en discussies aan te gaan. Ik zal uw opinie respecteren, zolang die het bestaan van niemand in de weg staat.   Wat ik wil is dat iedereen zich comfortabel voelt. Ik wil dat iedereen zich veilig voelt. Ik wil dat iedereen mag liefhebben wie hij of zij wil liefhebben.  Maar wat ik het liefste wil, is erkenning. Wij vergeten soms elkaar als mensen te behandelen. Dit is een moeilijke zaak, omdat de media, de industrie en de maatschappij ons zwaar beïnvloeden. Het is tegenwoordig zo belangrijk om leuk te worden gevonden door iedereen en als voorwaarde om leuk te zijn moet je normaal zijn, er normaal uitzien, je normaal gedragen. Velen, ook ik zelf, voelen zich hier door opgesloten. We moeten ons bevrijden uit het idee dat we de ‘perfecte’ mens moeten zijn, want ik zal u iets vertellen: hij of zij bestaat niet.   Mensen stoppen alles en iedereen in hokjes. Als er een baby wordt geboren, gebruikt men roze voor het meisje en blauw voor de jongen. Mijn moeder vindt dat ik te veel zwart draag. Wat als ik van zwart houd en mijn beste vriend van roze? Het woord ‘homo’ wordt tegenwoordig vooral als een scheldwoord gebruikt. Is men vergeten dat dit een vertaling uit het Latijn is voor ‘mens’? Zogezegd zijn homoseksuelen en zwarten een ‘last’ voor de samenleving. Maar de enigen die ik op straat lawaai hoor maken of geweld zie plegen zijn de haters. Men klaagt altijd dat er te veel Marokkanen in België zijn, maar er zijn dubbel zoveel Italianen hier en daar hebben we blijkbaar geen probleem mee.   Ja, er zijn wijken waar zwarte mensen niet durven door te lopen. Ja, er zijn vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Ja, in onze huidige economie verdienen blanke mannen nog steeds het meest. Ja, om in de filmindustrie aan een job te komen, moet je een ‘normaal’ persoon zijn. Ja, het begrip ‘normaal’ wordt nog steeds veel te beperkt gedefinieerd. Ja, sommige mensen zijn tegen anderen, omdat ze nooit anders hebben geweten en dat moet veranderen. Ja, velen durven niet uit te komen voor hun seksuele geaardheid omdat ze bang zijn om niet geaccepteerd te worden.   Feminisme moet zich sneller verspreiden dan een virus. Het zal niets dan goeds teweegbrengen. Ik ben een strijder voor liefde.   Ik heb lief.

Camilla Peeters
0 1

We drijven uit elkaar

Junior Journalist- wedstrijd 2017   Camilla Peeters   We drijven uit elkaar Wat is er precies gebeurd op de grote klimaatconferentie in Parijs eind 2015? Grote mensen hebben handjes geschud, er zijn veel foto’s genomen, er is goed (en veel!) gegeten en er zijn een paar papieren ondertekend. Hier is wat er gebeurd is sinds de klimaattop: er zijn nog een paar papieren ondertekend (hoezee!) en… Dat is het zowat. Ziet u wat er ontbreekt? Misschien ben ik de enige, maar ik mis de actie of nog belangrijker: het in actie schieten. Het is een bekend feit dat politici goed kunnen praten (lees: discussiëren), maar het schijnt mij dat ze vergeten zijn dat dat niet hun enige taak is. Als je afspraken maakt, moet je ze ook nakomen. Zo heb ik het althans geleerd.   Mijn ouders hebben mij degelijk opgevoed. Ik heb dus ook geleerd om een probleemstelling op gestructureerde wijze aan te pakken. In de eerste plaats moet je een plan opstellen. Ik ben zo vrij geweest –gezien blijkbaar niemand anders die verantwoordelijkheid lijkt te voelen- om even een plan op te stellen voor onze wereld. Meer bepaald, voor de mensen op onze wereld.   Stap één: maak de afspraken die je hebt gemaakt concreet en voer ze uit. Met uitvoeren bedoel ik: voer ze nu uit, niet over dertig jaar. De betonstop is een prachtig plan, maar het is ronduit idioot om het pas in 2050 uit te voeren. Vlaanderen is op dit moment voor twintig procent bebouwd. Dat is één vijfde van al de grond. Als we nog eens dertig jaar wachten, hoe groen zal Vlaanderen er dan nog uit zien? Of beter: hoe niet-groen zal het eruitzien? Ik weet niet hoe anderen erover denken, maar groen staat de natuur gewoon beter dan grijs. Grijs is zo uit de mode. Denk maar aan de vorige keer dat we grijs hebben geprobeerd, tijdens de eerste industriële revolutie, dat is totaal niet stijlvol afgelopen.   Stap twee: schrijf het volgende zinnetje op in een notitieboekje en leer het uit je hoofd: kapitalisme is niet het enige dat bestaat. Kapitalisme is niet het enige dat bestaat. Kapitalisme is niet het enige dat bestaat. Nu je toch bezig bent, leer dan ook maar: de mens is een flexibel wezen, dat kan veranderen van gewoontes onder druk. Ik weet ook wel dat het niet leuk is om minder kleren te kunnen kopen, appels uit België in plaats van kiwi’s uit Nieuw-Zeeland te eten, om de lichten niet de hele nacht te laten branden, enzovoort. Dat zal even wennen zijn. Maar ik weet nog zekerder dat het nog veel minder leuk zal zijn om geen natuurparken meer te kunnen bezoeken omdat er geen meer zijn, om niet meer naar de zoo te kunnen wegens het uitsterven van de meeste exotische diersoorten, om te moeten verhuizen omdat de hele stad is ondergelopen wegens het smelten van de polen en het stijgen van het waterniveau in de oceanen, om geen zuurstof meer te hebben, ...Het wordt dan wel heel moeilijk om nog comfortabel te leven… Ja, deze opsomming klinkt heel onrealistisch, ‘Dat is toch nog ver in de toekomst?’ zou je kunnen zeggen.   Ooit zal die verre toekomst ‘nu’ zijn voor jonge mensen, kinderen en ouders, mensen zoals jij en ik. Zij zullen niet trots naar de geschiedenis terugkijken. De eenentwintigste eeuw zal in de geschiedenisboeken beschreven worden als ‘de tijd waarin iedereen enkel aan zichzelf en aan geld dacht, waardoor we nu dik in de problemen zitten!’ Er zal voor hen niets anders op zitten dan langzaam toekijken hoe alles rond hen afbrokkelt. Of ze zullen een supersonisch snelle raket moeten bouwen, waar toevallig de hele mensheid in past. Dat is ook nog een optie, al weet ik niet welke van de twee het meest deprimerend klinkt.   We drijven uit elkaar. Als grote continenten staan we daar. Wij en zij. Zij en wij. Zolang de autoriteiten maar het overwicht hebben en alles beter doen. Met beter doen bedoelen ze dan papieren ondertekenen, die dan opbergen in de onderste lade van hun bureau en erover zwijgen. Het is natuurlijk ook niet eerlijk om de schuld helemaal bij de politici te leggen. Het is verbazend hoe weinig mensen zich realiseren hoe veel macht ze zelf hebben. Een grote groep- ‘gewone’ mensen- kan werkelijk bergen verzetten. De macht is aan het volk. Als de eerste minister zeer goed let op zijn energieverbruik zal dat nog steeds minder effect hebben dan wanneer een hele bevolking(sgroep) een beetje meer op zijn energieverbruik let, ongeacht hoe bekend die minister ook is. Met onze acties stemmen wij. Met onze acties oefenen wij macht uit. De macht is dus, zonder voorwaarden, aan het volk. De macht is ook aan de groep die zichzelf het meest onderschat: de jeugd. Helaas lijdt de jeugd aan een chronisch doemdenker syndroom: we zijn er zo van overtuigd dat we zullen falen in wat we eigenlijk willen doen, dat we er al niet meer aan beginnen. Wij moeten echter niet onderdoen voor de ‘big guys’. Niet over denken, maar doen. Dat zouden ze ons moeten leren op school.   De toekomst staat voor de deur en is erop met veel kracht aan het bonzen. We moeten onszelf niet meer de vraag stellen: ‘Zouden we de deur opendoen?’, maar: ‘Wat kunnen we doen eenmaal de deur geopend is?’ Hoe groen wij de planeet houden is een taak die we met veel zorg moeten accepteren. We moeten accepteren dat een probleem reëel is, ook al zien we de gevolgen niet in onze eigen tuin. We moeten beslissingen nemen. Met veel liefde en respect moeten wij onze aardbol in de armen nemen en fluisteren: ‘Alles komt goed nu, ik ben er om je te helpen. Sorry, dat ik zo lelijk tegen je heb gedaan.’ En deze keer moeten we die woorden ook menen.

Camilla Peeters
0 0
Tip

Wat ik nog wil vergeten

'Haar stemmetje’, schrijf ik. Mijn pen hangt even besluiteloos boven het blad, duikt naar het papier en neemt snelheid. ‘Hoe Fenne alle toonaarden aankon, behalve die van normaal praten.’ Ik bijt op de dop van mijn pen en hoor haar stem. ‘Niet bijten, schat. Dat was een dure pen.’ Even voel ik een kleine glimlach. Ik schrijf verder. ‘Mijn lief en hoe ze haar voeten altijd op mijn schoot legde. Zonder woorden wist ik dat ik het stukje onder de grote teen van haar linkervoet moest masseren. Het puntje van Joppes tong. Altijd een stukje uit zijn mond als hij met zijn nintendo speelde.’   Ik kijk naar de oplijsting. Het zijn slechts fracties van wie ze zijn. Kleine snippers die ik in de kom van mijn hart bewaar, maar het is een begin.   De stilte in de kamer weegt. Ik zou de radio kunnen aanzetten. Of de televisie een eind weg laten kwetteren. De ruimte in de kamer schuift om me heen. Als een trui die ooit als gegoten zat, maar nu een paar maten te groot om me heen lubbert. Misschien moet ik de meubels verzetten en een andere kleur op de muur gooien. Maar het voelt nutteloos. Elke verandering, is er eentje die ik gemaakt heb. Nooit staat de radio plots op een zender die ik niet kan uitstaan. Wanneer spoog de televisie nog de hysterische klanken van kindertelevisie?  Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst op zoek was naar mijn boek of jas. Onvindbaar opgeruimd door een huisgenoot. Alles ligt altijd net daar waar ik het achterliet. Nooit rommelt nog iemand ongevraagd met mijn spullen.   Er was een tijd dat ik deze stilte wenste. Niet zo lang geleden smeekte ik om wat rust om mijn eigen hoofd weer te kunnen horen. Een leeg blad papier en de tijd om dit te vullen. Maar stilte strookte niet met ons vier. Er was geen bubbel om me in terug te trekken. Altijd was het papa hier of lief daar. Een zoekgeraakte knuffel, een akkefietje tussen zus en broer om niets, een losgeraakte dakgoot en tijd om samen in de zetel te zitten. Het leven denderde aan een razend tempo over ons heen. Ik denderde mee, met een groot gemis onder mijn arm. Ik wou de tijd om te schrijven. Geen gestolen kwartier op de trein of een half uurtje in de vroege ochtend wanneer de kindertelevisie mijn kroost entertainde. Gewoon zoveel tijd als ik wou op het moment dat ik voelde dat de woorden er klaar voor waren.   Wees voorzichtig met wat je wenst. Dat heb ik ondertussen geleerd. Het leven maakt wrede kronkels. In één klap veranderde ons huis van een drukke vogelkooi in een lege schoenendoos. Ik ben de enige die hier nog ronddwaalt.   Ik had hen en wou tijd. Nu heb ik tijd en wil ik enkel nog hen.   Ik heb wat ik wil. Er is geen weg terug. De tijd, de woorden en de verhalen. Ze zijn er in overvloed. Maar in mijn hoofd is het nog steeds niet stil. Fenne, Joppe, mijn Lief. Ze dansen voor mijn ogen. Voor altijd onbereikbaar. Ze bestaan slechts zo lang ik ze adem geef op de pagina’s. Ik schrijf ze zo goed mogelijk neer. Ik roep ze opnieuw tot leven op witte pagina’s, strooi rijkelijk letters over hun uit. Ik boetseer ze met letters en woorden. Ik vang elk sprankeltje van hen dat nog ronddwaalt in zinnen en pin ze vast op het papier.     Mijn pen hangt boven de eerste regel van het blad. Bovenaan schrijf ik:  ‘wat ik (n)ooit wil vergeten’.

KiM
37 3

Drang om te tekenen

01 Er is iets goed mis met mijn zoontje Ian. Het voelt vreemd om dat gewoon te zeggen. Ik snap dat een ouder dat niet echt kan zeggen over hun driejarig kind. Ik moet er een beetje omheen dansen, snap je, subtielere woorden gebruiken, of beweren dat er niets mis met hem is en toch, voor de zekerheid, naar de dokter gaan. Ieder mens is anders en hij is gewoon anders. Hoewel daar hoogstwaarschijnlijk wel waarheid in zit, is Ian niet anders in een positieve zin. Als ik zeg dat er “iets goed mis” met hem is, dan bedoel ik dat ook zo. Deze hele situatie is goed mis. Het is niet alleen dat hij wezenloos in het niets staart, nooit spreekt of geen vrienden heeft. Het is niet eens dat hij elke dag eet als een zieke kip en zich in zijn kast verbergt en je hem er zowat moet uitsleuren. Zulke dingen kunnen worden afgeleerd. Mijn zoon tekent graag. En dat is wat er goed mis aan hem is. Ian tekent met alles waarmee hij kan tekenen; potloden, krijtjes, stoepkrijt, muurverf, make-up, crèmes, shampoo en zelfs eten, wat hij uitsmeert over zijn canvas. Het is bijna een ongezonde drang om te tekenen. Als het papier op is begint hij de muren te bekladderen, of op meubels te schilderen of op de gordijnen. Het dreef me bijna tot krankzinnigheid. Ik kon hem geen enkel moment van de dag meer alleen laten. Bang dat hij weer had getekend op iets waarop niemand hoort te tekenen. Om eerlijk te zijn, ben ik ten einde raad. Ik ben al meerdere keren naar dokters geweest, maar er is niets mis met hem. Niets dat te bewijzen is, in ieder geval. 02 Een maand of zo geleden was ik met hem naar zijn vaste psychiater Lance Paulink geweest. Elke week breng ik hem ernaartoe. Vaak vraag ik niet aan meneer Paulink wat ze precies in die kamer doen. Wat hij zegt (makkelijk te begrijpen, altijd rechtdoorzee) is vaak geruststellend. Maar die maand geleden kreeg ik iets totaal anders voorgeschoteld dan de typische voortgang. Hij leidde Ian naar het speelhoekje en riep mij toen naar zijn kantoor. In dat stoffige, door tl-buis verlichtte kamertje, leunde hij achterover in een grote, leren stoel die veel dokters lijken te hebben, en klakte toen met zijn tong. ‘Uw zoon is- heeft naar vermoeden een fantasievriendje.’ ‘Een- fantasievriendje?’ Lance Paulink knikte. ‘Hij zegt dat hij geen vrienden op school heeft omdat dit fantasievriendje zegt dat hij niemand anders nodig heeft dan hem.’ Ik slikte. ‘Valt er iets aan de toen?’ ‘Nee. Vaak gaat het vanzelf over. Het is zelfs ontzettend normaal voor een kind van zijn leeftijd. Het beste is om een beetje mee te gaan met zijn spelletje, vaak genoeg weet het kind ook wel dat het vriendje niet echt is. Maar als hij begint door te slaan, dan moet u wel ingrijpen.’ ‘En hoe weet ik dat hij doorslaat?’ Lance Paulink ging recht zitten. ‘Als u niet meer op de bank mag zitten omdat zijn fantasievriendje er al ligt, of als u een extra bord op tafel moet zetten met een extra stoel.’ Hij boog naar mij toe. ‘Maakt u zich maar geen zorgen. Dit gaat vanzelf over.’ Dit stelde mij gerust. Maar slechts twee dagen na het bezoek was dat gevoel alweer verdwenen. In het begin waren Ians tekeningen normaal, je weel wel, typische kindertekeningen. De hoekige poppetjes, het huisje met het puntdakje, de zon in het hoekje van het papier. Maar toen namen zijn tekeningen een twist. De eerstvolgende tekeningen die hij vol trots aan mij presenteerde, was een stapel met tekeningen van menselijke figuren; mannen, vrouwen, jongens en meisjes; lang, dun, dik, groot, kort, rond, alleen het gezicht of alleen het lichaam. Het waren imperfecte creaties van een kind. Sommigen hadden één arm korter die korter was dan de andere, sommigen hadden zelfs extra vingers of complete ledematen. Soms was één oog ontzettend groot, terwijl de andere niet meer was dan een stip. Monden tekende hij maar zelden, en anders nooit op hetzelfde gezicht en iedere jongen of meisje droeg dezelfde set kleding: lange mouwen, gestreept shirt, met soms een korte of lange broek, puur voor de variatie. Hun huiden waren nooit echt “huidkleurig”. En dan bedoel ik niet dat ik geen beigekleurige potloden in de doos had. De huiden van de poppetjes waren felpaars, felgroen, felblauw of felrood. Nooit roze, geel of bruin. Een week na het bezoek aan Lance Paulink kwam hij ’s avonds met een nieuwe tekening aanzetten, als je dat een tekening kon noemen. Het waren niet-ingekleurde, gekraste lijnen. Het was een gezicht, maar de ogen waren reusachtig groot en keken dreigend en het had een lange muil vol puntige tanden. Op dat moment had ik er genoeg van. Ik griste de tekening uit zijn hand, gooide de gruwel in de prullenbak en ging direct daarna door naar zijn kamer. Ik haalde al het papier weg en nam de potlodendoos in beslag, waarna ik ze verborg in de kast in de woonkamer die ik op slot deed. Ian zei niets. Hij zou me op dat moment zeker weten hebben gehaat. Om eerlijk te zijn, haatte ik mijzelf toen ook. Zijn verslagen blik brak mij, maar ik slikte en zette door. Alles wat hij als tekengerei kon gebruiken zette ik achter slot en grendel waar ik alleen bij kon komen. Ik bracht hem naar bed en belde daarna direct Lance Paulink, voor een afspraak morgenvroeg. 03 Die nacht kon ik niet slapen. Ik lag maar te draaien en te piekeren, niet in staat de gekraste tekening uit mijn hoofd te krijgen. Ik wreef mijn handen over mijn gezicht, sloeg de dekens van me af en zette mijn voeten buiten het bed. De koelte van de nacht prikkelde aan mijn zolen en stroomde door mijn zenuwen door mijn hele lichaam. Ik liep de trap af, naar de keuken. Daar vulde ik een glas met water en nam een slok. Ga naar hem toe. Ik verslikte me. De gedachte was opeens in mijn hoofd gedrongen, maar het was niet mijn gedachte. Het klonk niet zoals mij. Hij is weer aan het tekenen. Hij gaat sterven. Het waren gitzwarte fluisteringen. Ik vluchtte de keuken uit, terug de woonkamer in. Ineens hoorde ik de kast schudden en trillen, alsof er een beest in zat opgesloten en eruit wilde breken. Hij sterft. Ga! Op dat moment dacht ik niet helder meer na. Ik rende de trap op, naar Ians slaapkamer. Ik duwde de deur open die altijd op een kier stond. De gordijnen waren opengeschoven en het raam stond wagenwijd open. De dekens van zijn bed waren opzij geslagen, maar het bed was leeg. Ik rende naar het raam en keek naar buiten. Het was een donkere, bewolkte nacht. Ik riep zijn naam, maar ik kreeg geen antwoord van buiten. De deur van zijn kast vloog open en Ian viel er als een slappe pop uit. Ik snelde naar hem toe. In zijn arm zaten diepe sneden, rood bloed vloeide eruit. Over zijn bleke huid zaten bloedvegen. Zijn rechtervingers waren nog slap om de greep van een broodmes gekruld. ‘Ian,’ mompelde ik zacht. Zijn ogen stonden halfopen en opgedroogd spuug had zich in zijn mondhoeken verzameld. Ik deed het licht aan. Op de bodem van de kast had hij twee poppetjes getekend, hand in hand, lopend door een bloederig veld. De linker was hij (een pijltje met erboven “IK” wees ernaar). Het rechterpoppetje was een lang schepsel. Het gezicht was precies zoals die op zijn gekraste tekening. Ik staarde vol afschuw naar de tekening. Pas later zag ik dat diezelfde gekraste tekening aan een wand was geplakt. De diepzwarte pupillen waren de ooghoeken in geschoven. Het keek naar mij. De muil was gesloten, maar toen het begon te praten, bewoog het vloeiend mee, alsof het een levend wezen was.   Dit is jouw schuld. Hij wilde alleen weer mij tekenen.

Aaron de Bruijn
25 0