Lezen

De afspraak

De afspraak   de zwaartekracht verdwijnt in het blauw van een andere wereld enkel op dit uur spreken ze met elkaar niemand begrijpt in welke taal ook zij niet en toch   Het is onmogelijk aan dit bevreemdende blauw voorbij te wandelen. Ik moet stoppen en kijk omhoog. Probeer me te vullen met deze kleur uit een andere wereld. Elke dag een minuut of tien. Meer krijg je er niet van. Het is pure schoonheid en schaars. Geheel onderworpen aan de wet van vraag en aanbod waardoor ik besef dat dit fenomeen erg kostbaar is, blijf ik dus staan. Waar ik ook ben. Dat is soms vervelend. Ik word afgeleid door mensen die me moeten ontwijken. Ze worden gedwongen een bocht te nemen in hun rechte weg van punt a naar punt b. Dat druist regelrecht tegen de tijdsgeest in en ik zie dat men me dat kwalijk neemt.   En toch blijf ik staan. Ik vraag me dan af hoe zij de lucht zien. Van hetzelfde economische denken doordrongen als ik, moeten ze zich toch realiseren hoe zeldzaam deze gloed wel is? Tegelijkertijd vind ik het jammer dat de gedachten aan de voorbijgangers mij uit het moment halen. Het moment is alleen blauw. Soms valt het voor dat nieuwsgierige zielen me opmerken, zich afvragen wat het is dat zo dwingend mijn aandacht opeist en naast mij komen staan. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat hun verwonderde blik zich verplaatst van mijn gezicht naar de lucht en weer terug. De moedigsten onder hen staren zelfs een minuut of twee samen met mij naar boven. Ze kijken me uiteindelijk meewarig aan, halen hun schouders op, zetten zich weer in beweging en verdwijnen in de massa. Niemand spreekt. Eén man kwam zelfs zo dicht bij het gevoel van het moment dat hij ongevraagd zijn hand op mijn schouder legde en bij me bleef tot het blauw voorbij was. Ook hij leidde me af, maar op een goede manier. Het uur van het blauw is het mooiste als ik alleen thuis ben. Dan stap ik op het terras, ga op mijn rug liggen en kijk. Even voel ik de harde planken, maar dan absorbeert het blauw de pijn in m'n rug en het geraas van de stad. Het vult me met complete rust. De zachtste minuten van de dag.    

Saskia
0 0

Herfstijs

Schrijfdag 2017 Fragmenten uit de thriller Herfstijs Auteur: Francisca Rottiers Versie : maart 2017     De herfst schurkt tegen de zomer aan. Nevelige ochtenden, koele avonden die de zachte nazomerdagen korten. De laatste nazomerdagen denkt Luks, want regen en wind, de eerste herfststormen worden voorspeld. Hij duwt de deur van hun kantoor open, trekt een stoel bij en gaat voor Kaya’s bureau zitten. ‘Laat alle patrouillewagens uitkijken naar Simon Colijn. Hij vertrok gisteren, in de loop van de namiddag op de fiets naar een klasgenootje. In de vooravond stuurde hij een sms naar zijn ouders: hij werd door Izzy Abry, het klasgenootje, uitgenodigd om te blijven slapen. Hij is vandaag na school niet thuisgekomen. Zijn ouders belden de Abry’s, toen bleek dat hij daar gisteren omstreeks half zes was vertrokken sloegen ze alarm.’    ‘Het klasgenootje?’    ‘Met Izzy Abry gaan we nu praten.’    Ze laten de hectische drukte van de stad achter zich, rijden over de brug naar Veendal; de oversteek naar de landelijke rust op de andere oever van de rivier. De gps gidst hen naar het domein van de familie Abry. Kaya stopt voor de poort in de omheining, ze glijdt langzaam open. Hij volgt de oprijlaan en parkeert in de carport naast de villa. Ze stappen uit. Bewakingscamera registreren hun bewegingen.    Een oude vrouw opent de voordeur. ‘Mevrouw Abry verwacht ons,’ Luks geeft zijn kaartje. Gekleurde lichtstralen vallen op de marmeren vloer van de traphal, Kaya kijkt omhoog, naar de koepel van kunstig uitgevoerde glasramen die het zonlicht filteren. De vrouw opent een van de vele deuren in de traphal, ze laat hen voorgaan in de bibliotheek, laat hen alleen. Ze slenteren langs de boekenkasten.    ‘Hoofdinspecteur Luks?’ Hij hoorde de deur niet opengaan, draait zich verrast om en knikt. Adèle Abry komt op hem toegelopen, ze draagt een eenvoudige zwarte jurk, haar blond haar is achteloos opgestoken. Luks schudt haar uitgestoken hand, stelt Kaya voor. Ze maakt een uitnodigende beweging naar de tafel bij het raam.    ‘Is Simon nog niet terecht? We schrokken toen we van zijn vader vernamen dat hij vannacht niet is thuisgekomen.’ Haar blauwe ogen vernauwen, ze kijkt zorgelijk, vage lijnen worden rimpels; ze is eerder vijfenveertig, ouder dan hij bij de eerste oogopslag had gedacht.    ‘Simon is nog niet terecht,’ antwoordt Luks terwijl ze gaan zitten. ‘Hij had hier gisteren, in de namiddag, met uw dochter afgesproken?’    ‘Ze bereidden samen toetsen voor.’    ‘Mogelijk had hij nog plannen voor gisterenavond?’    ‘Ik vroeg het haar, toen ik daarstraks Simons vader aan de lijn had: Simon zou naar huis gaan, hij moest op tijd thuis zijn voor het avondeten. Ik ga kijken of Izzy al thuis is dan kunt u het haar zelf vragen.’ Adèle Abry vertrekt, houdt een paar minuten later de deur van de bibliotheek open, voor Izzy die haar achternakomt. Ze draagt een rode panty, een lange zwarte trui over een kort rokje en zwarte laarsjes. Door haar donker haar zitten gekleurde haarstrengen in fluo rood, groen en oranje.    Ze blijft in de deuropening staan, peutert aan de piercing in haar linker neusvleugel terwijl ze de twee mannen aan de tafel observeert: de jongste heeft een getaande huid, zwart, krullend haar, hij draagt een wit T-shirt onder een linnen vestje en een jeans: moeilijk voor te stellen dat hij een flik is. Hij kijkt haar met zijn donkere ogen vriendelijk aan. Ze negeert hem. De oudste is minstens vijftig, zijn grijs haar is kort geknipt, zijn ogen zijn ook grijs, lichtgrijs. Híj kijkt haar bedachtzaam aan. Ze gaat schoorvoetend naast haar moeder aan de tafel zitten.    ‘We hebben een paar vragen, Izzy,’ zegt Luks. ‘Simon was gisteren in de namiddag hier bij jou op bezoek?’    Ze haalt haar schouders op. ‘Welke dag was het gisteren?’    ‘Woensdag. Tot hoe laat is hij gebleven?’    ‘Geen idee. Ik heb niet op de klok gekeken.’    ‘Hij vertrok omstreeks half zes? Dat zei je tegen jouw moeder toen ze daarstraks Simons vader aan de lijn had.’    ‘Dat zal dan zo zijn.’    Luks wisselt een blik met Kaya, die opstaat en naast Izzy gaat zitten. ‘Simon is, nadat hij hier vertrok, niet thuisgekomen, hij was vandaag niet op school. Niemand heeft sinds gisterenavond nog iets van hem vernomen.’ Hij kijkt ostentatief op zijn horloge. ‘Hij wordt nu ruim vierentwintig twintig uur vermist: dat beschouwen wij als een onrustwekkende verdwijning.’ Kaya zwijgt even om de betekenis van de laatste woorden te laten doordringen. ‘De politie is naar hem op zoek. Alle medewerking is welkom, ook die van jou, Izzy.’    ‘Oké. Het kan kloppen, het zal rond half zes geweest zijn… toen hij vertrok.’    ‘Had Simon nog plannen voor gisterenavond? Heeft hij daarover iets tegen jou gezegd?’    ‘Simon, iets zeggen? Hij spoort niet.’    ‘Wat bedoel je?’    ‘Simon is een nerd.’    ‘Izzy!’ Adèle Abry klinkt geschokt. Haar dochter haalt de schouders op. ‘Hij ís een nerd, mama,’ ze rekt de laatste klinker. Kaya bladert in zijn notitieboekje. ‘Waren er gisteren ook vrienden, vriendinnen, andere klasgenoten op bezoek?’    ‘Alleen Simon. Hij is goed in wiskunde, hij hielp mij een toets voor te bereiden.’    ‘Dat is alles wat jullie gedaan hebben?’    ‘Wat zouden we anders moeten doen? Simon is mijn vriendje niet.’ Ze zwijgt. Voegt er na een paar seconden nors aan toe: ‘We zaten ook nog een tijd bij Rina in de keuken.’    ‘Rina?’     ‘Onze huishoudster,’ verduidelijkt Adèle Abry. Izzy staat met een bruuske beweging op en verlaat de bibliotheek. Haar moeder zucht.    Simons vader staat in de deuropening: bleek, zijn haar in de war, zijn ogen roodomrand van vermoeidheid. Ze gaan in de woonkamer zitten. ‘Hoe gaat het met u en uw vrouw, mijnheer Colijn?’    ‘Hanna is naar bed. Onze huisarts heeft een slaapmiddel voorgeschreven.’    ‘De politie werkt samen met een team psychologen, ze hebben ervaring met het begeleiden van familieleden in…’ De woorden worden weggewuifd. Luks zwijgt een paar seconden voor hij vraagt: ‘Kan ik de laptop van Simon meenemen? We kunnen nagaan met wie hij correspondeerde, welke websites hij bezocht.’    ‘Nu? Simon zal niet blij zijn wanneer hij te horen krijgt dat de politie zijn laptop heeft meegenomen. Kunnen we daar niet…’ Rik Colijn zwijgt. Hij staat recht. ‘Ik ga de laptop halen.’ Een paar minuten later legt hij het toestel op de tafel.    ‘Hoelang heeft Simon de laptop al?’ vraagt Luks. Rik Colijn kijkt hem afwezig aan, denkt na.    ‘Sinds juli, dit jaar. Hij kreeg hem voor zijn verjaardag. Het is zijn tweede computer.’ Hij loopt de gang op en komt terug met een draagtas.    ‘We overwegen om de hulp van de bevolking in te roepen, wanneer u, wanneer wij vandaag niets van Simon vernemen.’ Luks stopt de laptop in de draagtas.    ‘Hoe? Wat bedoelt u?’    ‘Een opsporingsbericht via de televisie en de geschreven pers.’    Rik Colijn schudt aarzelend het hoofd. ‘Ik zal het met mijn vrouw bespreken.’    ‘Verdwenen kinderen, jongeren, ook volwassenen komen soms terecht dankzij tips van de bevolking. Simon is ruim zesentwintig uur geleden voor het laatst gezien, de tijd dringt, mijnheer Colijn.’ Luks wacht zwijgend af, hij staart naar zijn handen die machteloos voor hem op de tafel liggen.    ‘We doen beroep op de hulp van de bevolking,’ zegt Rik Colijn na een lange stilte.    ‘U zult reacties krijgen van familie, vrienden, buren, kennissen: gewenst of ongewenst.’    ‘We redden ons wel.’    ‘U hebt mijn kaartje. We staan dag en nacht tot uw beschikking.’ De woorden dringen niet door, Simons vader zit wezenloos voor zich uit te staren.    Luks staat op. Hij laat zichzelf uit.   De bel rinkelt. Rode lichten aan weerszijden van de brug springen op rood. Kaya stopt, draait het contactsleuteltje om en laat zich onderuit zakken. Het brugdek gaat langzaam de hoogte in. Luks stapt uit, hij wandelt over de oever, ziet hoe de schippers zich klaarmaken om verder te varen; ze roepen naar elkaar, steken een hand op. Zijn blik glijdt over de rivier naar de overkant, haakt zich vast aan het politiegebouw – een constructie van glas en staal – verplaatst zich naar de torenkranen op de bouwwerven aan de rand van oude stad, die steeds verder uitdijt. Ondanks de vele protestacties van de bevolking werden de eeuwenoude stadswallen opgeblazen, het middeleeuws karakter van de stad is onherstelbaar verminkt. Alleen de rivier is bij machte om aan de bouwwoede van projectontwikkelaars een halt toe te roepen, denkt hij grimmig. Verderop stroomafwaarts ligt het oude haventje, waar alleen nog plezier- vaartuigen aanmeren. De gekleurde lampjes, die de terrassen van café’s en restaurants afbakenen, branden uitnodigend. Een scheepshoorn loeit. Het laatste binnenschip verdwijnt onder het brugdek.    Die avond, om twintig na acht steekt Erin Kox de sleutel in het slot van de voordeur en gaat naar binnen. Het rolluik voor het raam aan de straatkant wordt neergelaten. Het begint te regenen, zware druppels spatten uiteen op het dak van de auto. Luks toetst een gsm-nummer in.    ‘Wat is dat lawaai op de achtergrond?’ vraagt Stella bij wijze van begroeting.    ‘Een regenbui.’    ‘Hier regent het ook, maar het klinkt anders.’    ‘Ik zit in de auto, observeer een voordeur.’    ‘Hij observeert een voordeur,’ mompelt Stella.    ‘Ik versta je niet. Wat zei je?’    ‘Ik zei: je zou kunnen langskomen voor een opwarmertje, samen iets eten. Daarna zien we wel.’    Luks gromt, sluit zijn ogen. Als hij ze terug opendoet staat Erin Kox in de deuropening. Hij gaat rechtop zitten, wrijft met zijn mouw condens van de voorruit.    ‘Jakob?’    ‘Ik bel je nog.’ Hij drukt af. Kox steekt een arm uit, draait zijn handpalm naar boven, keert zich om en gaat terug naar binnen. Luks focust zijn blik op het slaapkamerraam, hopend dat het licht zal aangaan. Wat niet gebeurt. Hij stapt uit, loopt om de auto en gaat op de passagierszetel zitten. Hij masseert zijn nek, beweegt zijn tenen, wroet en wringt zijn lichaam in een min of meer comfortabele houding en zet de ruitenwissers in hoogste versnelling. Hij denkt aan Stella, de eerste vrouw in zijn leven, na Noors dood, na achttien jaar. De kennismaking met Stella verliep stroef. Ze was een getuige, legde verklaringen af tijdens het onderzoek naar de moord op een echtpaar. Ze beantwoordde met koele afstandelijkheid zijn vragen, die hij afwezig formuleerde want hij kon zich niet concentreren. Ze merkte zijn verwarring, keek hem aan met een ironische blik in haar amberkleurige ogen. Na die eerste ontmoeting hadden ze nog een paar gesprekken, noodgedwongen in het kader van het onderzoek. Hij verzette zich tegen de gevoelens die hem overrompelden. Tevergeefs. Hij capituleerde, erkende dat hij verliefd was; pleitte zichzelf vrij op grond van onweerstaanbare dwang. Pas na een tijd begreep hij de signalen die Stella uitzond, want de gevoelens bleken wederzijds en ze had hem verleid. Wat zij tot op de dag van vandaag hardnekkig ontkende, het tegenovergestelde beweerde. Ze bleven elkaar opzoeken, aarzelend, onwennig, maar met steeds korter wordende tussenpozen. Tot het woord relatie werd uitgesproken.   ‘U spreekt met agent Heger, commissaris. De brandweer haalt een lichaam uit de Sax. Ik dacht dat…’ Vega onderbreekt hem. ‘Waar wordt het lichaam uit de Sax gehaald?’    ‘Op de rechteroever, ongeveer driehonderd meter stroomafwaarts voorbij de brug.’    ‘Waarschuw de TR.’    ‘Dat is gebeurd. Hoofdinspecteur Luks en de patholoog zijn ook op de hoogte gebracht.’ Ze bedankt hem en zoekt haar autosleutels.     Hun taak is volbracht, denkt Vega als ze op de brug een brandweerwagen kruist. Ze trapt op het gaspedaal.    Medewerkers van Jensen lopen in hun ritselende pakken zwijgend heen en weer. Vega stapt uit. Ze loopt in de richting van de witte tent, schrikt op als de onheilspellende stilte wordt doorbroken door een vlucht gakkende ganzen die in V-formatie naar het zuiden trekken. Ze huivert, versnelt haar pas. Ze trekt het tentdoek opzij, hurkt neer naast het lichaam op een zeil. Ze steekt haar hand uit, onderdrukt de impuls om de natte haarslierten uit Izzy Abry’s gezwollen gezicht te strijken. Haar ogen zijn gesloten, haar huid heeft een blauwige schijn.    ‘Het lichaam was verpakt in het zeildoek,’ zegt Luks die naast haar komt staan. ‘Het touw was aan het loskomen, bleef hangen aan een overhangende tak van een struik op de oever. Er stak een arm uit. Een voorbijvarende schipper waarschuwde de politie.’ Hij somt de feiten op, koud, afstandelijk; alsof het over een onbekende, niet over Izzy Abry gaat. Maar ze voelt zijn ontzetting, zijn gebalde woede. Hij knikt naar Max Beels, de patholoog, die in de tentopening staat.    Vega komt overeind, ze stapt naar buiten. Agenten houden nieuwsgierige wandelaars op een afstand, sommeren hen om verder te lopen. Ze klampt Jensen aan: ‘Werden foto’s van de knopen in het touw gemaakt?’    ‘We waren er op tijd bij, de brandweer was nog bezig met het lichaam uit het water te halen.’    ‘Moment,’ ze haalt haar trillende gsm uit haar jaszak. ‘Werden de ouders al op de hoogte gebracht?’ vraagt Looman. ‘Luks en ik gaan er nu naartoe.’  Ze drukt af.    ‘Ze is gestikt,’ zegt Max Beels als ze terug de tent inloopt. ‘Ze was al overleden voor ze in het water terecht kwam. Meer valt er op dit moment niet te zeggen. De ambulance is onderweg, we beginnen meteen aan de autopsie.’ Hij trekt zijn handschoenen uit en komt moeizaam overeind. Vega wenkt Luks en geeft hem de autosleutels. Ze lopen zwijgend naar haar auto.   ‘Waarom heb je mij niet gewaarschuwd?’ vraagt Kaya woedend. Luks laat zich in zijn bureaustoel neerzakken. ‘Je hebt je eerste vrije dag sinds drie weken, Kaya. Wie heeft jou gebrieft?’    ‘Jensen, ik belde hem vanmiddag om te informeren of ze nog hulp nodig hadden bij het uitkammen van het Monnikenbos. Dat was dus niet het geval,’ voegt hij er aangeslagen aan toe. Vega steekt haar hoofd om de deur. ‘Max Beels is klaar met het uitwendig onderzoek.’    In de gang van het mortuarium hangt een indringende stank van ontsmettingsmiddelen en de weeë lucht van verstorven lichamen. Luks duwt tegen de klapdeuren van de sectieruimte. De assistent van Max Beels geeft hen een set hoesjes, ze trekken ze over hun schoenen. Op de laatste tafel ligt het naakte lichaam van Izzy Abry, klein en kwetsbaar onder het felle schijnsel van de operatielamp.    Max Beels, een rustige man van middelbare leeftijd, kijkt niet op als ze tegenover hem aan de sectietafel komen staan. ‘Hoelang heeft ze in het water gelegen?’ vraagt Vega.    ‘Een paar uur. Ze was nog niet lang overleden toen ze in het water terecht kwam. Tijdstip van overlijden tussen vier en zes uur vanochtend. Het is moeilijk om het tijdstip nauwkeuriger vast te stellen: de temperatuur van het water heeft de post mortem vertraagt.’    ‘Doodsoorzaak?’    ‘Er zit braaksel in haar luchtpijp, ze is erin gestikt. Ze heeft een klein wondje in haar hals. Het lijkt op een prik van een injectiespuit. Ik vond geen uitwendige sporen van geweld.’    ‘Is ze seksueel misbruikt?’ Hij schudt ontkennend het hoofd. ‘Ze is, was nog maagd.’    ‘Wanneer kunnen we de resultaten van de inwendige sectie verwachten?’    ‘Vanavond laat. Ik zal je bellen.’ Max Beels draait zich om naar het bijzettafeltje met medische instrumenten en neemt een scalpel. ‘Is er al een doorbraak in het onderzoek van de jongen?’    ‘Sporen, een doorbraak kan je het niet noemen,’ antwoordt Vega. ‘Bedankt, Max.’    Ze lopen door het parkje naast het mortuarium naar de ingang van het politiebureau. ‘Waar is Kaya?’ Vega kijkt over haar schouder, ze ziet hem achter een paar struiken verdwijnen. Ze horen hem kokhalzen.    Voorovergebogen, steunend met zijn handen op zijn knieën kotst Kaya zijn maag leeg. Als hij zijn voeten verplaatst dringt de zure lucht van het braaksel en de stank van rottende bladeren in zijn neusgaten. Hij begint opnieuw te kokhalzen, tot hij alleen nog gal overgeeft. Hij komt overeind, wist met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd en veegt zijn mond af. Daarna slentert hij in de richting van Vega en Luks, die hem verderop staan op te wachten.   Vega knalt de deur van haar appartement achter zich dicht. Geluidsgolven vibreren door de hal, ebben langzaam weg. Ze luistert naar de eenzame stilte, die door stemmen en gelach van thuiskomende buren wordt doorbroken. Ze loopt naar de keuken en schenkt een glas water in.    Zoals altijd worden ze onaangekondigd op haar netvlies geprojecteerd: de beelden van plaatsen delict, van slachtoffers die een gewelddadige dood stierven, schokkende taferelen die ze tijdens haar loopbaan vergaarde. Het waren geen momentopnamen, ze werden opgeslagen in het duistere vacuüm van haar onderbewustzijn: het is haar misdaadkabinet. Simons tengere lichaam in de kuil, Izzy’s levenloze lichaam op het zeil sluiten de morbide collectie af. Ze blijft een tijd roerloos staan, tot de beelden vervagen.    Ze haalt verdwaasd haar trillende gsm uit haar jaszak. ‘Izzy Abry was kerngezond. Het orgaanweefsel is naar het lab. Er zat huidweefsel onder haar vingernagels, het DNA wordt geanalyseerd,’ hoort ze Max Beels zeggen.    ‘Moment.’ Vega neemt een slok water, probeert zich te concentreren. ‘Verder geen enkele aanwijzing?’    ‘Ik speculeer niet graag.’    ‘Geen definitieve diagnose, Max. Izzy Abry is gestikt in haar braaksel, er zijn geen sporen van excessief geweld.’    ‘Haar slokdarm is beschadigd, ze heeft hevig gebraakt. Mogelijk stierf ze aan een overdosis.’    ‘Heb je nog meerdere injectiesporen gevonden?’    ‘Eén. De prik in haar hals.’    ‘Drugs worden ook gesnoven of oraal ingenomen. Was ze verslaafd?’    ‘Een verslaafde is nooit kerngezond, en dat was ze, dat heb ik zojuist gezegd. Hoe gaat het met jou, met het team? Krijgen jullie versterking?’    ‘Daar is geen budget voor. De kneuzingen op haar bovenarmen, werden de drugs onder dwang toegediend?’    ‘Geduld, Sam. We moeten wachten op de resultaten van het toxicologisch onderzoek en de DNA-analyse. Het meisje wordt opgebaard. De ouders komen straks afscheid nemen.’ Max Beels verbreekt de verbinding.    Vega gooit vloekend het glas water door de keuken. Daarna trekt ze haar jas uit en steekt met trillende handen een sigaret op.

FES
0 0

De eeuweling

Stroomafwaarts vaar ik de reusachtige rivier af die zich kronkelend een weg baant doorheen het machtige landschap van mijn leven. Urenlang glijdt mijn mahoniehouten bootje over het melkige water alvorens ik begrijp dat de rivier niets minder is dan mijn eigen geheugen! Het wordt me pas echt duidelijk wanneer ik zie hoe het zich omringende landschap zich heeft gevormd naar de grillen van de rivier, er als het ware door gevoed wordt. Op sommige plekken, waar zij amper een kabbelend stroompje is en onbevaarbaar, wordt de rivier omgeven door de kale vlaktes van vergetelheid; op andere plaatsen is zij dan weer onmetelijk diep en breed en omgeven door de vruchtbare gronden die mijn meest levendige herinneringen zijn. Onder de helderblauwe hemel peddel ik kilometers ver de rivier af, dieper en dieper in het diverse landschap van mijn geheugen. Een zoete, warme bries streelt mijn gezicht. Naadloos loopt de ene herinnering over in de andere, ongeacht de chronologische volgorde waarin zij in mijn leven heeft plaatsgevonden. Talloze plaatsen uit mijn verleden doemen op als nederzettingen aan de oevers van de rivier. Ik peddel langs het armtierige arbeidershuisje waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht en zie er moeder staan, turend door het keukenraampje zoals zij vaak deed. Ik wuif maar zij ziet me niet. Weer wat verder ligt het oude dorpsplein, krioelend van joelende kinderen en tieners die roken en op bankjes hangen. Ze zien me voorbijvaren en zwaaien wild naar me, uitnodigend om hen te vervoegen. Maar ik stop nergens, ik blijf peddelen, peddelen, peddelen. Dat blijft zo maar doorgaan, tot het plots erg donker wordt; de helderblauwe hemel van zo even wordt door donkergrijze wolken overtrekken en een stevige wind zet op. Het kleine bootje is nu overgeleverd aan de steeds hoger wordende golven. Ik probeer me kras te houden om niet in het woeste water te tuimelen. Het gitzwarte, dreigende wolkendek boven me neemt vaag de vorm aan van een gezicht, en weldra spreekt het wolkengezicht me zelfs aan: ‘Walter… Walt-eeer!’ dondert het. De golven worden steeds heftiger en schudden me heen en weer. Het water gutst in het bootje en ik ben drijfnat. In paniek schrik ik recht. ‘He-help me! Ik verdrink!’ roep ik uit. Hulpeloos als een kind tracht ik me ergens aan vast te klampen om niet in het water te vallen. ‘Ach, Walter, rustig nou! Je gaat heus niet verdrinken, je was gewoon even ingedommeld. Het was maar een nare droom.’ Het wolkengezicht neemt de vorm aan van een breed grijnzende zuster Rosa. ‘Ga je met me mee naar de leeszaal, Walter?’ vraagt ze vriendelijk. ‘We dachten bijna dat je verdwenen was.’ Ze lacht vrolijk en ik zie haar kinnen heen en weer schudden. Het stelt me gerust. Mijn god, ik dommel steeds vaker in. Zuster Rosa heeft me deze keer in de kapel gevonden, waar ik me soms verstop om niet aan het middagspel deel te hoeven nemen. Maar het wordt steeds moeilijker om aan haar alziend oog te ontsnappen. Ik volg haar gedwee naar de leeszaal. De oranje namiddagzon warmt mijn gezicht door de grote glasramen, de zoete geur van koffie en gebak verwelkomt me als een oude vriend. Isidoor, mijn tandenloze kameraad, nodigt me uit voor spelletje schaak, maar ik heb weinig zin en bedank hem. Hij hoort slecht en stelt het bord op. Vanuit mijn ooghoek merk ik dat zuster Rosa me bezorgd aankijkt. Ik negeer haar subtiele pogingen om me met Isidoor te verzoenen en houd doelbewust mijn blik uit het raam gericht, strak en doelloos in de verte, zoals moeder.    ‘Honderd jaar,’ pieker ik bij mezelf, ‘wat houdt dat eigenlijk in voor een mens?’ Het is de vraag die me de afgelopen dagen in een verstikkende greep houdt. ‘Alvast vier lettergrepen minder dan het vorige levensjaar,’ was het eerste beste antwoord dat ik toen had kunnen bedenken. Maar ik besef maar al te goed dat achter die verwaarloosbaar korte ademstoot (hon-derd) wél een volledige eeuw schuilgaat. Een eeuw waarin ikzelf vanop de eerste rij heb kunnen aanschouwen hoe de wereld in een razendsnel tempo verandert en waarbij ik op momenten, hoe minimaal dan ook, zelf heb bijgedragen aan die veranderende wereld. Wanneer ik terugdenk over mijn leven, dan kan ik bijna niet anders dan het te beschouwen in twee aparte delen: er is de tijd vóór en de tijd na de tweede wereldoorlog. In feite maakte ik tot tweemaal toe een wereldoorlog mee, maar omdat ik de eerste niet bewust heb beleefd kan ik de invloed die hij op mijn verdere leven heeft gehad moeilijk in rekening brengen. Over die andere wereldoorlog kan ik simpelweg zeggen dat geen enkele andere periode in mijn hele leven me ooit méér heeft geleerd over de menselijke aard. Ik leerde dat mannen en vrouwen, als jij en ik, zich in hun wanhoop en hun angst al te gemakkelijk laten leiden door brullende stemmen, grote petten en blinkende decoraties; dat zij in staat zijn om slaafs orders op te volgen en zelfs andere, even gewone mannen en vrouwen te doden. Maar ik zag ook diezelfde wanhopige, angstige mannen en vrouwen weer opstaan uit de enorme puinhoop om hen heen, opnieuw in staat om elkaar lief te hebben. Met eigen ogen zag ik de liefde van een moeder voor het kind dat telkens weer het laatste stuk brood, het laatste lepeltje soep toebedeeld kreeg. En het is die liefde voor elkander, die een onmetelijke kracht die de mensen uit de meest zware en donkere periodes kan sleuren. En toen die donkere tijden voorgoed achter ons lagen kon het leven pas echt van start gaan, dat voelde ik al snel. Ik kocht een spiksplinternieuwe wagen en bolde over gladde afvaltwegen naar Brussel. Dat was waar het allemaal gebeurde, toen. De Amerikanen verkochten er ijskasten en wasmachines aan onze blozende moedertjes en kleurrijke frisdranken en roomijs aan onze kindertjes. De mannen speelden poker en paften vrolijk sigaretten met stoere namen als Lucky Strike of Marlboro. In de blakende zomerzon kwam ik er voor het eerst oog in oog te staan met een echte Afrikaan, die niets meer dan een rieten rok droeg en met een speer in de hand paradeerde in een nagebouwd primitief dorpje. Het was net zoals ik hem in de geschiedenislessen in de middelbare school afgebeeld had gezien. Pas later, toen er eentje in onze straat kwam wonen, ontdekte ik dat ook zij liever in spijkerbroek gekleed gingen en dat ze die rieten hutten bovendien maar niets vonden. En tussen al die gekte door las ik in de krant dat een Russische hond in een baan rond de aarde zweefde. Je kon het zo gek niet bedenken! Ik keek op naar de bleke hemel, nam een grote slok van mijn frisse pint en leefde volop, ten volle bewust van het feit dat het spannende tijden waren, die dagen. Dat niet alles peis en vree geworden was ondervond ik gauw. Toen ik weer terug vlamde naar mijn Vlaamse dorp zag ik met lede ogen aan hoe het zompige boerenland dat mijn thuis was, stukje bij beetje verkaveld werd. Lelijke villa’s rezen als betonnen paddenstoelen uit de grond en werden spoedig volgestouwd met stompzinnige stadslui die niet eens meer de namen van hun eigen buren kenden. Teruggetrokken in mijn woonkamer keek ik naar satellietbeelden van over de hele wereld op de nieuwste kleurentelevisie, en ik zag dat die wereld er geen betere plek op was geworden. Alle voorspoed en vooruitgang, de vernieuwde hoop waar we in onze streken van genoten, werd aan de andere kant van de wereld in harde munt betaald. De oorlog woedde in koude stilte verder. En wij, wij ‘die den oorlog nog hebben meegemaakt’, met onze verouderde wijsheden en onze hoop, deden er hoe langer hoe minder toe. Ik hield het nog wel even vol, veel langer zelfs dan ze gedacht hadden. Maar op een dag krijgt iedereen de deur toch vol in het gezicht.   Nu vraagt u zich vast af hoe dat dan in zijn werk gaat? Laat ik het zo stellen: op een onbeduidend zonnige dag komen je eigen kinderen onverwachts bij je op de koffie, ze vertellen je trots en uitgebreid over hun laatste reis naar Australië, over de nieuwe terreinwagen die ze hebben, over het uitmuntende rapport van ‘je knappe achterkleinzoon’. Op datzelfde moment schuiven ze je geniepig en zonder schaamte enkele folders onder je neus. Ontegensprekelijk lees je het unanieme verdict dat je beter af bent in een rustoord dan in je eigen, naderhand veel te groot geworden huis (nietwaar?). Plots is je hele inboedel verkocht, op een antieke wandklok en een stuk of wat stoffige fotokaders om je nieuwe slaapkamer mee op te vrolijken na. Een wrange ‘je zal het best aangenaam vinden in je nieuwe stek’ geven ze je nog mee, maar daarmee is de kous wel af. Natuurlijk zag ik toen al hoe de vork werkelijk in de steel zat: ik was een oude, eenzame lastpost geworden waar niemand nog langer naar wilde omkijken – en eerlijk, kon ik ze dat zelfs kwalijk nemen? Zo geschiedde: Walter, goeie, oude, verstrooide Walter begon aan zijn nieuwe leven in het rustoord. Ik arriveerde er met volgepakte koffers. Op de hoge muren van de inkomhal las ik in sierlijke, donkerrode kalligrafieletters: Rustoord De Vlakte geschreven. Dat ik een enkele reis maakte, werd al snel duidelijk. Een korte rondleiding leidde me langs de wandelpaden, die doorheen het gehele, netjes omwalde domein langs de prachtige tuinen, de felbegeerde petanquebanen en het vijvertje (inclusief zwanenkoppeltje en fontein!) lopen. In zijn geheel biedt het rustoord plaats aan een enkele duizenden andere oude van dagen, als ik het goed heb. Rondom rond het reusachtige domein reikt een fantastisch ogend loofbos tot zover het oog kan zien, De Vlakte zorgvuldig afsluitend van de buitenwereld met zijn dichtbegroeide bladerdek. Ja, het moet toch gezegd, beste lezer, een waar stukje architecturale kunst van de eenentwintigste eeuw! En in die moderne, prachtig verzorgde vergeetput slijt ik nu al meer dan tien jaar mijn oude dagen… Of zijn het er reeds twintig?   Ach, wie honderd is kan dan wel de geschiedenisboeken openslaan en verder dan wie ook terugbladeren, dat is waar; maar hoe het ook zij, veel zwaarder wordt zo’n boek toch ook niet meer! De dag waarop ik mijn laatste bladzijde om zal slaan komt met rasse schreden dichterbij. Soms maakt het me nog wel eens bang, hoewel ik niemands tranen hoef, dat niet meer. Want is de wereld ten slotte niets meer dan een eeuwigdurend schouwspel, waarbij wij allen met volle overgave onze acte spelen in de spotlight van het leven? Dat verzin ik allemaal niet zelf, natuurlijk, het werd eeuwen geleden al geopperd. Nog één laatste buiging en zij verdwijnen voor altijd weer achter het gordijn van de eeuwige coulissen. En of ik me daarin kan vinden! Maar ik dwaal weer af, beste lezer – een onvermijdelijk kwaaltje van de leeftijd, me dunkt. Want u moet begrijpen dat hetgeen ik hierboven heb beschreven niet de ware weergave is van mijn gedachtenstroom zoals ik hem beleefd heb de afgelopen dagen, o nee! De vele wilde opflakkeringen van mijn herinneringen, overpeinzingen en gevoelens, hoezeer zij ook naar alle kanten uitgingen, heb ik getracht te ordenen tot een verstaanbaar geheel – een helse karwei voor een tot op de naad versleten brein. Hoe dan ook, de dagen razen ongenadigd verder, en voor ik goed en wel besef klauter ik het bed in, klaar om als eeuweling te ontwaken. Nietsvermoedend ontdoe ik mezelf van mijn zintuigen: het gehoor in de lade, de tanden in een glas, de ogen op het nachttafeltje… Naakt en kwetsbaar kruip ik dan onder de lakens. En wanneer de grote wijzer van mijn wandklok me met een korte slag genadeloos tot eeuweling riddert ben ik vast in een diepe slaap verwikkeld. Om zes uur kwart wekt de zuster van wacht me, waarop ik zo gezwind als mogelijk uit het warme bed zal glijden, mijn heerlijk vertrouwde pantoffels in. Vervolgens schuifel ik door de lege gangen van het rustoord, vrolijk wuivend naar de eenzame vroege vogels die zich op mijn pad begeven. Doorheen mijn loep zou ik een oude krant doorbladeren, op zoek naar leuke weetjes en wieleruitslagen. Nog in de leeszaal zou ik tegen zevenen het stukje verjaardagstaart, gekregen van zuster Maria, smakkend naar binnen werken en afwisselend luid slurpen van mijn zwarte koffie – je wordt maar één keer honderd, toch? En later, wanneer de lieflijke dames-op-leeftijd van het rustoord me wiegelend en giechelend tegemoetkomen, zal ik ze met halfgesloten pretoogjes begroeten, waarna ze me zoenen en hun overweldigend sterk geparfumeerde boezems tegen me aandrukken, gewoon omdat het mijn dag is. ‘Er zijn vast wel slechtere vooruitzichten om in je bed te kruipen,’ denk ik nog. Maar wat ik echter niet besef is dat niets van dit alles zou komen te gebeuren. Zei ik niet eerder dat het leven niets meer is dan een simpel schouwspel? Mijn acte nadert zijn einde, halvelings lonk ik reeds naar de coulissen, en dan, wanneer werkelijk niemand het nog maar zelf durft te dénken, vindt een ultieme plotwending plaats: want daar, in het zwakke licht van de spotlichten, verschijnt vanuit de schaduwen een onverwachte speelster.  Ja, beste lezer, zoals het soms in schouwspellen gebeurt, zo ook bij mij.

arnomaetens
0 0

de strandjutter

Met slome stappen liep Achilles robins langs de vloedlijn, gehuld in een short die om z'n magere benen wapperde in de wind. z'n glazige ogen tuurden over de zee. tranen stroomden over z'n wangen. hij greep naar de fles drank in z'n zak ze was leeg. met een wijde boog gooide hij de fles in zee. Snel draaide hij zich om en liep terug naar zijn 'huis': een zelfgebouwde strandhut van het afval dat hij gevonden had op zijn vele wandeltochten bij de zee. Met een zucht plofte hij neer op de vuile matras en grabbelde uit z'n koelbox een nieuwe fles wodka die hij meteen aan zijn lippen zette. Zijn ogen dwaalden naar de vergeelde foto die op zijn hoofdkussen lag. even leek het alsof de foto tot leven kwam en hij haar spontane lach weer kon horen om zijn flauwe zeemansgrappen terwijl hun boot door de golven kliefde. Langzaam streelde achilles met zijn duim haar gezicht. Hij had haar tenen platgetrapt die avond, hij was een kluns en zij vond dat toch  zo schattig. Toen hij in die reebruine ogen keek, was hij helemaal verloren. hij sloot zijn ogen en zag allemaal weer voor zich.   Snotheet was het in het kleine kerkje. de priester moest voortdurend het zweet van zijn voorhoofd wissen terwijl hij hunn in de echt verbond. Hans, zijn beste vriend was hun getuige. met tranen in de ogen wenste hij hen geluk en een mooie reis.  'Ooit sta jij hier te blinken' hij knipoogde naar zijn vriend.  Hans draaide met zijn ogen.  Alexandra proetste het uit: 'jij bent echt een  hele fijne kerel' 'Dank je voor het compliment' lachte Hans.    Met een schok ontwaakte achilles uit zijn droom.  'God, jij met je plan, steek het voor mij part waar het licht niet schijnt!' dreigend zwaaide hij naar de hemel, je moest MIJ nemen en niet haar! In één teug dronk hij zijn fles wodka leeg en gooide ze in een hoek bij de rest. Hij kroop op de stikende matras, legde zijn hoofd op het kussen. Met wazige ogen keek hij nog één keer naar de foto. 'morgen, schat, morgen heb ik je eindelijk gevonden' mompelde hij. zijn ogen vielen dicht.    Achilles ontwaakte langzaam uit zijn roes. hij streek met zijn tong over z'n kurkdroge lippen en taste op de grond. "wijf, waar blijf je met mijn drank!" brulde hij geen antwoord,alleen het ruisen van de zee. zijn ogen vlogen open, achilles keek om zich heen:niemand.  Meteen sprong hij overeind en zocht overal tot de realiteit zich weer van hem meester maakte. hij grabbelde uit zijn koelbox een nieuwe fles wodka dronk enkele slokken, stak de fles in zijn zak en ging weer op pad. De zon brande op zijn huid, maar achilles voelde het niet. hij stapte voort langs de vloedlijn, in gedachten verzonken. Ineens zag hij een stuk stof door de lucht zweven. meteen rende hij er achter aan. hij kon het nog net  grijpen: een verbleekt sjaaltje  Achilles rook eraan, zijn hart vulde zich met hoop. Hij knoopte het sjaaltje om zijn hals en ging zitten, pakte de fles wodka uit zijn zak en stak ze in de lucht:"gezondheid!" Achilles bleef zitten drinken tot de zon in golven verdween.  Hij hoorde haar stem: 'achilles hou ermee op!' 'dat kan ik niet alexandra 'zuchte hij, stond op en strompelde in het maanlicht  terug naar zijn hut.   Enkele meters verder zakte achilles door zijn benen. "verdomme" gromde hij en probeerde op te staan, hij zakte terug in het zand. alles draaide om hem heen.  Achilles ging in het zand liggen, draaide zich op zijn zij en sloot zijn ogen. "geen kater, mompelde hij, geen kater" Enige tijd later kon hij het niet meer houden en kotste zich de ziel uit de lijf. de stank van zijn braaksel vermengd met zijn zweet was zo doordringend dat hij meteen weer nuchter was.  Achilles sprong recht en rende naar zijn hut, het leek alsof hij ineens vleugels had.  Buiten adem liep hij binnen , greep in zijn koelbox een nieuwe fles wodka en zette ze meteen aan zijn lippen.   hij kroop op de stinkende matras, sloot zijn  ogen en zag haar weer voor zich.    Langzaam streelde hij haar gitzwarte haren. alexandra kreunde zacht' niet stoppen' Achilles kuste haar vol vuur op de lippen.  'neem me nog wat meer' fluisterde ze bij zijn oor en streelde met haar  handen zijn onderlichaam. Meteen voelde hij de opwinding door zijn lijf stromen. Hij trok haar nog dichter tegen zich aan en nam bezit van haar lichaam.  Alexandra lag enige tijd later in zijn armen nog na te genieten. achilles kreeg niet genoeg van de aanblik van haar zachte lichaam in  het zonlicht. hij gaf haar een kus:"klaar voor een tweede ronde? " vroeg hij speels Alexandra keek hem aan: "heb je nog niet genoeg gehad?" vroeg ze  Het antwoord liet niet lang op zich wachten.                 

amanda allesie
7 1

Het gaat regenen

01 ‘Het gaat regenen,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Verdomme,’ zei de oude man voor mij zachtjes. Ik keek op van mijn koffie. De oude man had een rond, kaal hoofd met dunne, grijze haartjes die uit zijn slaap sprongen. Hij had een zelfs nog grijzere snor. Zijn vaalbruine ogen keken vanachter twee vieze brilglazen door het raam naar buiten, waar het steeds schemeriger werd door de grijze wolken die zich voor de zon begonnen op te hopen. Ik kende de man niet, maar zijn gezicht kwam mij wel bekend voor. Misschien kwam hij ook regelmatig in dit café, net zoals ik? De oude man hield zijn blik gefixeerd op de buitenwereld en ik volgde zijn blik. Het was een rustige lentemiddag. Ik zag dunne zonnestralen nog maar net door de donkergrijze wolken breken, maar steeds meer stralen leken deze strijd te verliezen. Het krijtbord van het café aan de overkant klapperde mee met de harde wind die opstak, gruis en bladeren werden over de straat geblazen. Diverse papiertjes van vermiste huisdieren en dorpsevenementen werden bevrijd van de lantaarnpalen waaraan ze waren geplakt. Ze werden meegevoerd door de lucht om vervolgens een paar meter verderop weer op de grond te dwarrelen.   Ik bestelde nog een kop koffie. Alleen al in het vorige uur had ik al drie koppen opgedronken. Zoals altijd verwachtte ik weer een slapeloze nacht. Ik wist echter niet die cyclus van slapeloosheid na vandaag door iets anders dan koffie werd veroorzaakt. Naar mijn mening zijn cafés geweldige plekken om te zijn. Alleen al de huiselijke sfeer in die ouwe cafeetjes overlaadt mij al met een gevoel van comfort en rust en de gesprekken die op de achtergrond werden gevoerd weerhielden mijn gedachten van fossielen uit het verleden op te graven. Donkere plekken begonnen te ontstaan op de lichtgrijze stoeptegels. Het ging regenen. Eerst leek het slechts een voorbijtrekkend buitje. De oude man slaakte een opgeluchte zucht. Maar al snel keken de oude man en ik naar een schemerige muur van water. De oude man fronste en zuchtte opnieuw, deze keer uit frustratie. ‘Waar moet u naartoe?’ vroeg ik. ‘Thuis,’ antwoordde de man. ‘Als u wilt, kan ik u een lift geven. Het is slechts vijf minuutjes lopen naar mijn auto.’ De oude man glimlachte. ‘Bedankt, maar ik moet nee zeggen. Vat het niet verkeerd op, maar ik ben eens beroofd toen ik in de auto van een vreemdeling stapte.’ ‘Oh, dat spijt me,’ zei ik simpelweg, niet wetend wat ik daarop moest antwoorden. Het gesprek liep al snel stil. Ik bestelde nog een kop koffie en wierp een blik naar buiten.   02 De oude man stond op en trok zijn jas aan. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn en legde een 2-euromunt op de tafel. ‘Ik betaal deze kop,’ zei hij. ‘Dank u wel,’ zei ik en glimlachte door deze onverwachte gunst. ‘Drink alleen niet te veel,’ voegde hij toe, terwijl hij zijn hand in een jaszak liet verdwijnen. Toen sperden zijn ogen lichtelijk open. ‘Verdomme, mijn paraplu,’ vloekte hij. Ik wist niets te antwoorden. Ik nam een slok en keek naar buiten. Ineens, als dom geluk, schoof er een opengeklapte paraplu over de straattegels, gedreven door de wind. Het kwam een paar meter voor de ingang van het café tot stilstand. ‘Kijk dan,’ zei ik en keek naar de oude man. ‘Dit moet je geluksdag zijn.’ De oude man gromde zacht maar glimlachte vooralsnog. ‘Als het inderdaad mijn geluksdag was, dan regende het niet,’ verkondigde hij. ‘Maar ja, ik heb toch nog iets van geluk.’ Hij boog zijn hoofd. ‘Fijne dag verder nog.’ Hij legde een paar munten op de bar en duwde toen de voordeur open. Even werd al het geluid in het café overstemd door het gekletter van de regenstorm buiten. De zure geur dreef naar binnen en prikkelde mijn neus. De oude man stapte snel naar buiten. De houten deur viel langzaam achter hem dicht. Zijn bruine jas werd al snel donkerder door de regen. De nette schoenen die hij droeg zouden al verpest zijn voordat hij thuiskwam. Ik keek koffiedrinkend naar de oude man. Hij sprong richting de paraplu (waarschijnlijk voor het geval de wind het object weer zou meevoeren) en greep het handvat beet als leeuw die zijn prooi greep. De paraplu was niet bijzonder, waarschijnlijk had de voormalige eigenaar het voor vijf euro gekocht bij een discounter, dus het verlies was niet zo ontzettend. Bovenin was het zwart met ijzeren uiteinden; onderin een simpele, ijzeren schacht met een stomp, plastic vierkant als handvat. Ik gniffelde toen de oude man de paraplu vasthield, nam nog een slok en stak toen mijn duim naar hem op. Glimlachend hield de oude man de paraplu boven zijn hoofd. ‘Wel thuis,’ zei ik zachtjes, mijn mond duidelijk bewegend op de woorden. De oude man knikte en liep een paar stappen verder. Aan de rand van de stoep bleef hij staan, keek naar links en naar rechts voordat hij overstak. De wind stak weer op, stotend tegen de ruit en blies een wolk gruis voorbij het raam. Ik nam een slok koffie en zag dat de oude man moeite had met de paraplu vast te houden. Ineens klapte het dicht. ‘Oeps,’ mompelde ik zonder erbij na te denken. De oude man bleef staan te midden van de weg. Ik lachte zachtjes toen het beeld in me opkwam dat hij, omhuld door de duidelijk kapotte, zwarte flappen, zachtjes stond te vloeken op zijn ongeluk. Het werd al snel duidelijk dat hij de paraplu niet afkreeg. Ik zette mijn kop neer en liep het café uit. Maar toen ik buiten stond, hoorde ik het geschreeuw van een man in nood. Opnieuw zonder erover na te denken, rende ik naar de oude man toe. De regen plensde op me neer. Mijn haar kleefde langs mijn hoofd, mijn witte t-shirt aan mijn lichaam. Hoe dichterbij ik bij hem kwam, hoe meer het leek alsof hij stond te worstelen om de paraplu af te krijgen. ‘Gaat alles goed?’ riep ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar door de regen. De man begon krampachtig aan de zwarte flappen te krabbelen. Toen ik hem hielp, voelde ik een warmte door de zwarte stof gloeien. Dat was geen regen. Maar op dat moment schoot mij ook niets te binnen wat het wel kon zijn. Het leek het beste om de paraplu van zijn hoofd te trekken aan de ijzeren uiteinden. Ik zag dat de witte knopjes zich in het zachte vlees van ’s mans nek hadden geboord. Ik begon aan de uiteinden te trekken en voelde diezelfde warmte op mijn vingers druipen. Het was een vloeistof. Mijn hart sloeg een slag over. Geschrokken trok ik mijn handen terug en keek naar ze. Ik keek lijdzaam naar het bloed op mijn vingers, hoe het werd weggespoeld door de regen. Toen, vervuld met adrenaline, deed ik een laatste poging de man te redden. Ik greep de zwarte stof beet en voelde het gezicht van de oude man eronder; verwrongen in een doodsbange schreeuw. Ik pakte de uiteinden vlakbij zijn gezicht beet en begon te trekken. Toen begon de paraplu dunner te worden, alsof het hoofd van de man langzaam smaller werd. Het geschreeuw werd gereduceerd tot hopeloos gegorgel. Ik slaagde erin de uiteinden uit zijn nek te trekken, maar de paraplu bewoog nauwelijks. Ik begon nog harder te trekken, een misselijkmakende knars kroop in mijn oren. Mijn handen waren doordrenkt met bloed. Toen sprong de paraplu ineens weer open. Ik werd achterovergeslagen door de onmenselijke kracht en landde op mijn billen. De zwarte paraplu stuiterde verder over de straat, wederom mee met de wind. De ijzeren schacht, plastic handvat en de zwarte stof binnenin waren rood van het bloed. Doorweekt door de regen staarde ik ernaar, hoe het verdween in de muur van water. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en dwong mijzelf om naar de oude man te kijken. Toen mijn ogen op hem vielen, liet ik een hoge schreeuw horen; een schreeuw die beter bij het slachtoffer van een moord hoorde, niet een getuige. Het hoofd van de man was inderdaad smaller geworden. Het zag eruit als een pakje sap dat helemaal leeg was gezogen door een kleuter. Een stroompje bloed vloeide uit een klein gaatje in het midden van het kale hoofd. Zijn gezicht was onherkenbaar, maar de schreeuw was nog steeds duidelijk te zien in de gerimpelde contouren van zijn lege hoofd.   03 Hoewel ik daarna direct was weggerend, kan ik mij nog precies elk detail herinneren. Wanneer ik eraan terugdenk is zijn er twee herinneringen die mij het helderst van allen zijn nagebleven. ’s Mans gezicht; hoe het eruit zag als een uitgewrongen handdoek of een uitgezogen pakje sap. Ondanks dat zijn hele hoofd letterlijk was leeggezogen, waren zijn opengesperde ogen en loshangende kaak makkelijk te onderscheiden. Het tweede was de paraplu, hoe het eruit zag als een verzadigde vleeseter die het karkas van zijn prooi achterliet. Ik heb meer koffie nodig.

Aaron de Bruijn
19 0

Onderwaterkunstenaars - jaaroverzicht 2016 in dichtvorm

We dansten onder water,toen het donderdein Keulen,waar de lijven na ’t betastenstonden na te smeulen.Vuurwerk op zijn hardst.   “Pour un flirt, avec toi.”   We kochten onze leegte,ons fictief gebrek aan plaats.“We vullen zelf welwat de oorlog achterlaat.”Liefde kent geen grenzen.Wij wel.   “Is er leven op mars?”    We dansten onder water,sloegen zelf op de vluchtin onze hoofden,onze huizen,onze “dit komt nooit meer terug”.   We sloten onze straten,onze harten.Europa zou niet bloeden,maar het barstte.Zelfs de hoogmoed was te traagom het vallen voor te zijn.We waren kwaad.We waren wij.   “Zweef als een vlinder, steek als een bij.”   We dansten onder water,wonnen zilver, brons en goudof niets.De magere troost (niet meer).Het nadeel dat zijn voordeelooit verliest.   We kozen nieuwe leiders,oude machten,kozen harder dan we dachten,kozen modder boven slijk,we kozen rijk.   We dansten onder water,werden vrienden in de jacht,(virtuele) monsters (in) onze macht.Samenzijn in zakformaat.   “Als nobele zwervers, blazend tegen de wind in.Maar de tijden veranderden niet.”   En we rouwden om de naam van elke roos,om de stemmen uit de oude doos,en om de lach die steeds als lach zo was bedoeld,en om de (purperen) regen,alsof die voor het vallennooit zichzelf had gevoeld.   “Then we take Berlin …”   Ja, we dansen onder waterom het niet te moeten zienmaar zelfs met de ogen dichtslechts te kijken naar het lichtdat zachtjes ademtin het donker.   “‘cause we gotta have faith… “

Jürgen NaKielski
21 1

Het Porsche treffen

Of ik wist welk weer er voor morgen was voorspeld, vroeg hij me vanop het dak van onze garage. Geen regen, hoopte hij, want hij moest naar een Porsche treffen, en zou de rest van de dag spenderen aan het opboenen van zijn wagen. En dan mocht daar geen druppel meer op vallen, ah nee.Ik keek vanop de oprit, fiets aan de hand, naar hem op en riep dat het er niet slecht uitzag, volgens Sabine. Zijn hoofd werd omkaderd door een treiterige donkergrijze regenwolk en ik hoopte dat hij me snel zou laten gaan, want ik wist hoe graag hij babbelt. Over zijn Porsche vaak. Of zijn vakanties naar tropische oorden. Of een lastige klant die steeds weer eist dat zijn ramen worden gelapt op het tijdstip waarop hèm dat het beste uitkomt en tegen wie hij geen franke mond durft opzetten want die klant heeft een gigàntische villa vol ramen (en ik vermoed dat hij onmisbaar is voor de Porsche en de vakanties).Ik hum dan wat tussen zijn zinnen door, steeds met een dringende voet op het pedaal en een stijf wordende nek.Want de vorige keer, zo riep hij naar beneden, bij het vorige Porsche treffen, had hij zo'n geluk gehad met het weer. Een paar droge dagen tussen de buien in. Toen hij enkele dagen ervoor plotsklaps zijn rijbewijs was 'kwijtgeraakt', had hij zich even de haren uit het hoofd gerukt, maar goed, zijn vrouw zou hem dan wel naar dat treffen rijden, en oef en zo.Dus: mooi weer die dag, een blakende zon die het bijna onmogelijk maakte om naar zijn zorgvuldig opgeblonken Porsche te kijken, hij fier op de bijrijdersstoel, rijdt zijn vrouw toch wel door een grote plas langs de kant van de weg, zeker!'Maar bloemeke, wat doè je nu!', riep hij tegen haar. Want ja, modderspatten kan je niet zomaar van de lak vegen, dat maakt krassen. Maar gelukkig ziet hij zijn bloemeke graag en kon de rit zonder ruzie worden verdergezet.Ik keek ongerust naar de steeds groter wordende wolk boven zijn enthousiaste kop, liet mijn fiets een metertje bollen en verzamelde lucht in mijn longen om mijn kans om iets ten afscheid te zeggen zeker niet te missen.Ik voorzag pessimistisch dat hij bij mijn terugkeer van de bakker onze ramen in een stortbuitje zou staan lappen.Zolang het morgen maar droog zou blijven. Dat alle regen er vandaag maar uitviel.

Katrin Van de Velde
3 0

IK BEN DUIDELIJK EEN EMOTIE ETER!

Oké, het staat nu als een paal boven water: Ik ben een emotionele eter. Sinds manlief in het hospitaal ligt, is mijn eetpatroon natuurlijk enorm verstoord geweest. De eerste drie weken van zijn ziekenhuisverblijf verloor ik meer dan 4 kg. Niet alleen door de meest idiote eetcombinaties die op mijn bord kwamen, maar ook door de ‘tienstappenteller- voettochten’ die ik dagelijks twee keer aflegde richting hospitaal. Soms trakteerden bezorgde vrienden mij op een etentje in een nabij gelegen brasserie en voor de rest hield ik mij staande op aangekochte eenpansgerechtjes, want de zin tot koken was samen met het gemis van mijn soulmateke tot nul herleid. Toen manlief de volgende drie weken, om aan te sterken, met zuurstof en tweemaal per dag thuisverpleging naar het thuisfront teruggestuurd werd, sloeg de dieetslinger de totaal verkeerde kant uit. Tijdens die drie weken, kwamen alle lievelingsgerechtjes van manlief aan bod. Manlief, die vroeger nooit wild was van zoete desserten, pudding en allerlei taart- en koekcombinaties, ontpopte zich tot een ware zoetekauw! Alle registers werden opengetrokken en dagelijks kwam de vraag naar appelbeignets, pralines, appelbollen, Brusselse wafels, crème brulée en pannenkoeken. Ook mijn wandeltochten van en naar het ziekenhuis werden opgeschort en werden vervangen door mini uitstapjes naar de apotheek en supermarkt. En je moet al een ijzersterk karakter hebben om manlief, na de  bak- en kooksessie, eenzaam en alleen al deze lekkernijen te laten opsmikkelen. Ik offerde me volledig op en de vier gesmolten vetkilo’s kwamen er zonder enige tegenstand onmiddellijk suikerrijk terug bij. Manlief zag er ondertussen niet meer, als een zieke, zieke maar als een gezonde zieke uit.  Op 1 maart werd manlief  dan eindelijk geopereerd. Gedurende anderhalve maand was ik sterke Jan geweest, die manlief hoopvol richting geslaagde operatie lulde. Maar ondanks alle opgebouwd vertrouwen in een goede afloop, kwam de avond voor de ingreep, reeds voor de tweede keer, de Indische gruweldokter nog eventjes aan manlief zijn ziekenhuisbed, alle ingreeprisico’s op een hufterige tactloze manier opsommen. In plaats van de patiënt nog snel een hart onder de riem te steken, vroeg hij doodeng of er al een levenstestament gemaakt was. Het zou voor de chirurgen een pak eenvoudiger zijn als de zieke op voorhand liet weten of hij gereanimeerd wenste te worden als hij op de operatietafel lag te sterven dan dat de echtgenote eventjes gebeld moest worden. Leuk vooruitzicht om onder narcose gebracht te worden niet? En dan zwijg ik nog over die dagelijkse ramp updates van manlief zijn zoon die me telefonisch nog wat dieper in de put duwden. Blijkbaar schiep deze drama king er plezier in om mij op een zo’n mogelijk gedetailleerd relaas van de komende operatie te trakteren alsof hij de chirurgische ingreep zelf zou assisteren. Iedereen met wat gezond verstand zou begrijpen dat je de komende nachten zo wie zo geen oog dicht meer ging doen.  Iedereen die een geliefde, het zij een partner, een ouder of een kind voor een operatie in een ziekenhuis afgeleverd heeft, wil gerust gesteld worden en weet hoe tergend langzaam de uren verstrijken als je op het verlossende telefoontje van de chirurg zit te wachten. De molen van doemgedachten, die er door de chirurg en je stiefzoon ingeplant werden, maalden onverminderd in je hoofd. Je keel die door angst toeknijpt, een verkeerd woord dat onmiddellijk de tranen in je ogen doen springen en je hart dat telkens overslaat als de telefoon gaat. Het naar het toilet gaan met in je handen de handsfree telefoon, je mobieltje en je smartphone, om zeker geen rinkel te moeten missen. Je bent letterlijk als de dood voor de dood! Het ijsberen naar de ijskast, ze opentrekken en dan toch besluiten dat je niets maar dan ook niets door je keel krijgt. Dit is het zenuwdieet van ongerustheid, beklemming en onmacht. Het huilen, snikken en roepen dat je liefste kameraadje je nog niet in de steek mag laten, niets hielp om je verdriet, je angstgevoel, de grote fladderde leegte rond je hart en je slapeloze nachten te onderdrukken. Ik voelde aan als een veel te sterk opgewonden bobijn die na anderhalve maand positief geleuter, nu bij de minste tegenslag of negatief telefoongesprek zou kunnen knappen en alle zenuw- en adrenaline opstoten zou uitbraken. Er is namelijk geen God, niemand waakt over ons en er is geen hemel waar jij je lief later zal terugvinden. Er is volstrekt niets, er is alleen het hier en het nu en ondanks alle steun van familie en vrienden, ben jij het toch maar die alles zelf moet verwerken. Manlief is nu uit intensieve en zolang hij nog niet volledig uit de gevarenzone is,wordt hij verzorgd op medium care. Al één stapje dichter bij de revalidatie. Het gaat de goede kant uit…mijn gewicht ook! Mijn eetpatroon is nu nog steeds verstoord want juist op het lunch- en dinertijdstip mag ik manlief bezoeken. Dit heeft men vermoedelijk zo gearrangeerd zodat de bezoeker de patiënt bij het eten kan helpen. Jullie willen niet weten wat ik gisteren tussen de bezoekjes door, allemaal tussen mijn tanden gestoken, fijngekauwd en effectief doorgeslikt heb. Je staat ervan versteld hoeveel rotzooi een menselijke maag door elkaar kan verteren zonder dat je met je hoofd in de toiletpot belandt. Ik heb er hier ’s avonds, om mezelf er een beetje met de neus op de feiten te duwen, toch een lijstje van gemaakt. Schrik niet, hier komt het: ’s Morgens Spaanse aardbeien met bruine suiker en een pistolet. Om 11 uur, voor het middagbezoek, een biefstukje gebakken met een klein conservendoosje prinsessenboontjes, gewoon in de micro warm gemaakt. Sober niet?  Daarna een in de micro gepofte aardappel, die niet gelijktijdig met de biefstuk klaar was, twee sneetjes kaas en een stukje worst. Voor het bezoek van vijf uur nog snel een boterhammetje met vleessla, waar ik voor de gezondheid stukjes tomaat opgelegd had. Na het avond bezoek at ik, spaghetti met een overschotje carbonara saus, een potje yoghurt met kersensmaak en daarna een handjevol nootjes. Tijdens het televisie zappen, twee zoute jappen (drop), dorst gelest met glaasje cola zero, een trosje druiven zonder pit, twee schellen hesp, een sneetje honingkoek besmeerd met goede hoeveboter, een pakje toastjes met krabsalade, opnieuw een handjevol nootjes met cranberries en rozijntjes, twee droge pikante aperitiefworstjes, een AA pintje bier voor de dorst en een restantje chips, weliswaar Lays-light, maar toch… Gelukkig mag ik vanaf nu weer mijn stappenteller bovenhalen en tweemaal daags de twintig minuten tellende wandeling naar het ziekenhuis maken! Vanaf vandaag moet het anders.  Mmm, heb juist drie kippendrummetjes aangebraden, die ga ik nog wegwerken alvorens ik aan mijn eerste wandeling begin!   Sim, 5 maart 2017 in Universitair Ziekenhuis Edegem ipv in Tenerife    

Sim
0 0

Leo

‘s Morgens stond hij op, zoals meerdere mensen dat wel doen. Alvorens versuft naar de badkamer te sloffen, schoof hij zijn witte pantoffeltjes vol stof, gestolen uit een goedkoop hotelletje in Den Haag aan zijn opgezwollen voeten. Het gebeurde wel vaker dat zijn voeten zonder reden verdubbelden in breedte, hij had er geen erg in. Veel zin had hij niet in wat de dag zou brengen, ook dat gebeurde vaker. Net zoals de manier waarop hij zich waste, aankleedde, in de spiegel keek naar zijn mottige, grijze kop vol barsten. Hoe was het ooit zover kunnen komen? De tijd laat z’n sporen na, daar was hij het halflevende bewijs van. Het werd tijd iets van zijn tijd te maken. Een boetseerwerk die het verdiende in een vitrinekast geplaatst te worden bij één van zijn toekomstige nakomelingen. Dat was het! Voor nakomelingen moest hij zorgen om iets betekend te hebben in de geschiedenis van zijn stamboom! Natuurlijk! Maar hoe begin je daar toch aan? Zonder wijfje is dat niet zo evident. Hij gaf zichzelf wederom tijd om over dit vraagstuk zijn hoofd te breken zoals hij zich voor alles tijd gaf. Vervolgens vertrok hij naar zijn werk. Op de vuilkar staand, keek hij naar de lucht. De grauwe grijze lucht moest niet weten van zijn staar en spuwde hem in zijn gezicht. Prachtig vond hij dat, de wereld antwoordde hem op vragen die hij niet stelde en een glimlach vol opgedroogd kwijl openbaarde zich op zijn gezicht. De hele ochtend dacht hij na. Hoe kon hij een mensje creeëren uit zijn zaad zonder wijfje? Eureka! Plots had hij het gevonden! Het antwoord was zowaar naar hem toe gehuppeld in de vorm van een krant. Een advertentie, dat is het! Meteen begon hij naarstig met schrijven. Een meesterwerk moest het worden, alle aandacht trekkend. Na uren zwoegen en zweten, gebogen over zijn krakkemikkige bureautje, zittend op een kruk met twee en een halve poot, was het af. Wat een ontroerend gedicht, zo vond hij zelf: Man zkt wijfje om mee te poepen & kind te maken. Contact leoversmaggen@zetmeel.be. Xxx Vol trots zond hij het naar zijn favoriete maandblad dat gelezen werd door veel gelijkgestemden. De volgende maand sloeg hij vol verwachting de contactpagina open en met terechte trots zag hij zijn pulitzerprijswaardige inzending gepubliceerd in de Woef. Nu was het wachten geblazen, een kwestie van tijd.

Lore
0 0

Pluim mijn ster, Wouter heeft vlinders in zijn hoofd, Luzeline en het duiveltje, Van de koe in de wei.

Pluim, mijn ster !               Prentenboek               Marianne Staels   Muis zit in haar roodgebloemde feestjurk op de houten vloer in de kamer. Overal inpakpapier op de grond en gekleurde linten. Het cadeau van Vlieg legt ze op de hoogste plank in de kast. Ze  had een vreemd gevoel toen Vlieg als laatste de deur uitvloog. Het was ineens zo stil geworden in de kamer. Vlieg zoemde nog:’ Vergeet je pak niet open te doen Muis !’ Tegen het paars behang hing een witte veer van Pluim, die net begraven was. Muis streelde ze en vroeg: ‘Pluim kom je met me mee we gaan samen bij Vlieg?’ Muis zette haar nieuwe hoed op en duwde de witte veer tussen het dikke roze lint. Vlieg woonde een beetje verderop bij koe. Ze zat meestal op de rug van koe in de wei, maar vandaag was ze nergens te bespeuren. ‘Vlieieieieieig  waar ben je?, zong Muis. Niemand  antwoordde. Na lang stappen kwam Vlieg  aangevlogen en vroeg: ‘Wat is er Muis, wil je nog eens feestvieren,  je ziet er zo knap uit met je nieuwe hoed? ‘Ik kan niet meer goed zien’,piepte Muis.‘ Was je bij koe vandaag? Ja, Muis,  je bent me zo voorbijgelopen,  en je hebt me niet gezien ?’Vond je mijn cadeau niet leuk ?, vroeg Vlieg. Muis antwoordde niet op zijn vraag en vertelde hoe leuk ze het feest vond. Dat ze Pluim miste vertelde ze aan niemand. Samen aten ze nog een stuk kaas en Muis keerde terug naar huis. Elke avond keek Muis naar de donkere sterrenhemel. Pluim had verteld dat planeten er precies uitzagen als sterren alleen als de zon erop scheen. Muis keek tot laat in de nacht naar de zwarte lucht en de mooie sterrenhemel. Ze liep de voordeur binnen en hing de witte veer terug op het behang. ’Slaap zacht’,  fluisterde ze doorheen het behang. De volgende ochtend ruimde Muis verder de kamer op, opende  het pakje van Vlieg, keek ernaar, en zette het snel terug. De deur stond op een kier, Vlieg kwam aangevlogen, ze vloog tot op de hoek van de voordeur en vroeg:’Muis vind je mijn cadeau echt niet leuk?’ Muis antwoordde weer niet en schrok. Ze keek omhoog,’Moet dat nu echt?, vroeg ze en beetje verlegen. Neen, antwoordde Vlieg. Ze aten wat kaas, en later in de avond, toen de sterren in de lucht  klommen, gingen ze samen op de stoep zitten en zongen tot laat in de nacht. Ze keken naar de sterren. Vlieg zei steeds:’Muis kijk omhoog, zie je Pluim, hij hoort nog altijd ons lied.’ Ik zie Pluim niet meer, antwoordde Muis verdrietig, alles is donker, ik zie geen sterren. Vlieg ging hoog in de kast het cadeau halen, opende het en zei: ‘Kom Muis we gaan liggen op het gras, doe je je ogen dicht?’ Muis deed wat Vlieg voorstelde en voelde dat Vlieg iets op haar neus zette. Vlieg had een roze bril op Muis haar neus gezet. Muis doe je ogen open, en……………………., zie je Pluim ?, vroeg Vlieg zachtjes. ‘Vlieg, ik hou mijn bril  voor altijd op’, schreeuwde  Muis . ‘Ik zie Pluim wel duizend keer, mijn vriend, mijn ster.’   Wouter heeft vlinders in zijn hoofd      prentenboek    Marianne Staels   Ik sta met  papa voor de school van Wouter. Mijn broer Wouter is net zes geworden. Boven  de schoolpoort hangt een schilderij, daaronder staat in  grote letters: ’Witte Wolk’ Mijn school heet ‘De vlindertuin’   ‘Papa mag Wouter mee met mij?’ ‘Neen Tim, Wouter heeft vlinders in zijn hoofd, en dat is moeilijk. Wouter zou toch beter passen in de vlindertuin, denkt Tim. Verdrietig stapt Tim verder .   Mama had ook vlinders in haar buik als ze verliefd werd op papa. Ik wil ook vlinders in mijn hoofd, dan mag ik naar de school van Wouter. Kunnen vlinders nu overal in je lichaam vliegen ? Als de vlinders feestvieren in het hoofd van Wouter zie ik dat hij lacht. Als ze elkaar kussen kijkt hij me aan, en als de vlinders roerloos blijven, laat Wouter zijn hoofd hangen. dan staren zijn ogen staren naar de grond. ‘Wouter, vraag jij eens aan die vlindertjes of ze samen met mij naar de Vlindertuin willen?’   Terwijl Wouter zijn armen spastisch in het rond slaat, kijkt hij me aan. ‘Mama, Wouter wil met me mee naar school, ik zie dat hij blij is, hij wilt mee! ‘Nee,Tim, neen, dat gaat echt niet. ‘Ik vraag het morgen aan de juf, zegt Tim’ En ja, juf zei ja, Wouter mag mee !   Wouter is zo geboren, ik ben zo geboren, papa is zo geboren, mama is zo geboren. En als Wouter geen vlinders meer had, dan zou hij noch lachen noch huilen. Mijn broer heeft vlinders in zijn buik en overal. Wouter moest ik een vlinder zijn, dan zou ik in je hoofd rondvliegen, dat je heel veel lachen kon. En als ze roerloos waren zou ik ze wegblazen met de wind dat alle vlinders  deden schaterlachen. Als de vlinders blij zijn zie ik het aan je ogen die draaien naar mij, en dan zwaaien je armen naar mij, jij Wouter mijn broer. Mijn broer is zo geboren , ik ben zo geboren, mama is zo geboren, papa is zo geboren.   'Luzeline en het duiveltje'              Sprookje                     Marianne Staels Luzeline woonde in een houten huisje op een hele hoge ijsberg. Beneden in het dorp strooiden  sommigen  boze praatjes over haar rond. Alle mensen die de ijsberg beklommen gleden de rivier in en veranderden in de gedaante van een vis. En toch was de arme Luzeline een lieverd. De enige rijkdom die ze had was een hoge kast met twaalf laden, die achter de voordeur stond in de gang. Ze was klein en had een ladder nodig om tot in de laden te komen. De twaalfde lade bleef dicht want haar hand reikte net niet zo hoog. Elke avond brandden kaarsen omheen haar huisje, vandaar dat haar ouders haar Luzeline heetten. Als het laatste kaarsje gedoofd was ging ze netjes onder de lakens liggen. Bij de eerste lichtstraal sprong Luzeline recht. Luzeline voelde zich zo licht als een strohalm en speelde steeds met haar hondje  Blaffie  rond het huisje. Ze hoorde het gezang dat uit het midden van de ijsberg kwam.  Zingend stapte ze de voordeur binnen,  nam het laddertje en klom omhoog. Vandaag deed ze de twaalfde ladekast open en klom hoger en hoger. Zuchtend op de laatste tree  kreunde ze , ‘ Och wat ben ik eenzaam! ’ Nauwelijks had ze de woorden uitgesproken of er kroop een klein duiveltje uit de lade . Toen sprak het duiveltje tegen het meisje:‘ Luzeline, Luzeline, geef je schat, vrolijk en gezond, je rijkdom in de grond.’ Luzeline  gleed enkele treden naar beneden en hing nog met één arm vast. Ze zette een voet neer en verstopte haar ogen onder haar arm.‘Neen, ‘ antwoordde ze stil. Hij nam haar bij de mouw en trok haar mee. Hoe ze ook tegenstribbelde, ze moest mee, ze kon niet anders.‘ Neem me alsjeblief niet kwalijk,  maar waarom heb je zo ’n reusachtige oren?’ vroeg het duiveltje.‘Van het luisteren,’ zei Luzeline.  Het duiveltje schoof razendsnel een prachtige gouden ring rond de dunne vinger van Luzeline en fluisterde: ’Nu ben je het  meisje klein , ik zal je vriendje  zijn. Geschrokken trok het meisje de ring van haar vinger, en gooide die door het raam.‘Neen ,’riep Luzeline . ‘Ik wil mijn schatten niet geven en jou wil ik helemaal niet als vriend.’ En ze liep zo vlug ze kon bij Blaffie in de tuin.  Het duiveltje lachte spottend en  zei : ‘ Zo gauw zijn we niet van elkaar af, jij en ik.’ Daarop verdween  hij  terug in de kast. Luzeline sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in tranen uit. ‘Wat ben ik met al die rijkdom als een duivel me vraagt  mijn vriend te zijn,’snikte ze. Maar Luzeline was niet bang, ze klom een tweede keer de ladder op en toen ze op de tiende  trede stond ging de elfde  lade vanzelf open. Het duiveltje keek  spottende naar beneden. ‘Luzeline,Luzeline, vrolijk en gezond, geef je schat,  je rijkdom in de grond’, hoorde  ze nogmaals. Duiveltje had een gouden halssnoer in zijn behaarde handen en gooide die naar beneden rond de hals van Luzeline. Ze haastte zich zo snel mogelijk naar beneden, maar hij was haar voor. Haar voet raakte zijn hand en ze vloog  achterwaarts  in zijn armen. Hij hield ze zo stevig vast, hoe ze ook tegenstribbelde, ze moest mee ze kon niet anders. Het duiveltje fluisterde: ’Nu ben je het meisje mooi,  jou  vriendjes in een kooi.’ ‘Neem me alsjeblief niet kwalijk,  maar waarom ben je zo klein ?’  zei duiveltje. ‘Klein maar  fijn,’ antwoordde Luzeline. Nauwelijks had ze de woorden uitgesproken of ze lag languit op de sofa en van duiveltje was niets meer te bespeuren. Maar Luzeline was niet bang, ze hoorde nog altijd het gezang dat midden uit de ijsberg  kwam,en speelde met Blaffie rond het huisje.  Elke dag zag ze in de verte een kleine jongen die de rivier afvaarde. Het jongentje wist dat de ijsberg te glad was en dat het huisje onbereikbaar  was . Maar die dag keek hij omhoog en zwaaide.  Luzeline trok haar halsnoer  uit en gooide die zo ver ze kon. Hij gleed de ijsberg af en verdween in de rivier. Het laatste kaarsje gedoofd, kroop ze in haar bedje en opgelucht sliep ze in. Maar Luzeline was niet bang,  ze kroop alweer de ladder op.  Haar schoentje raakte de ladder nog niet eens en duiveltje verscheen.  Ze wist niet  waar hij vandaan kwam en die spottende stem was er weer. ‘Luzeline,  Luzeline, vrolijk en gezond, je rijkdom in de grond.’ Wat nu weer, dacht Luzeline. Het duiveltje nam het gouden sleuteltje van de kast liep naar buiten en verstopte hem onder een steen. Een beetje later vaarde de kleine jongen voorbij en gooide zijn vissersnet uit.  Het duurde niet lang of het vissertje had een grote vis gevangen.  Het was niet alleen een vis die hij vond, maar toen hij het net terug wou uitgooien zag hij een glinsterend licht tussen de mazen. Hij keek nog eens en zag dat het een ring was. En toen hij de ring rond zijn vinger schoof, verdween het  water rond de boot  en een lange trap bracht de jongen tot boven op de ijsberg.  Luzeline zag het jongentje naar haar toe komen. ‘Vissertje, vissertje, kom dichterbij, wil je voor altijd mijn vriendje zijn?’ zei Luzeline. Ze gingen samen de wijde wereld in en het duiveltje verdween voor altijd. Daarop verdween hij in de rivier en is nooit meer teruggekomen. Van de koe in de wei                Prentenboek       Marianne Staels Er was eens een koe, die wat rondneusde in de wei. Toen ze onder een boom doorliep, viel er iets op haar kop. Ze zette het op een lopen tot ze de eend tegenkwam, en ze liepen, en ze liepen tot ze de muis tegenkwamen. Die vroeg: ‘Waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel”, zei muis ‘De lucht valt naar beneden.’ ‘Muis, wie heeft dat gezegd?’ ‘Niemand” Maar mijn kop doet pijn. ‘O, dan loop ik met jullie mee, zei muis. Ze liepen en liepen steeds maar door. Daar kwam het lieveheerbeestje aangelopen. ‘Waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel’,zei  de heertje, de lucht valt naar beneden. ‘Muis, wie heeft dat gezegd?’ ‘Eend wie heeft dat tegen jou gezegd?’ ‘Niemand, maar mijn kop doet pijn.’ Toen kwamen ze het kleine jongentje tegen. Die vroeg: ‘dieren, waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel ‘, riepen ze met zijn allen. ‘De lucht valt naar beneden.’ De koe heeft pijn aan haar kop. De kleine jongen lachte, liep met de dieren naar de wei en riep: ‘Iedereen onder de boom, anders valt de lucht naar beneden’. ‘Eend, muis, en heertje, kom en duw tegen de boom’, zei het jongentje. Ze duwden met zijn allen heel hard tegen de boom. Alle appelen van de boom vielen op de kop van de koe. ‘En jullie geloofden het allemaal ‘, lachte het jongentje. Toen liepen de dieren stilletjes naar huis. Daarmee wisten ze dat de lucht niet naar beneden valt.          

Marianne Staels
22 0

Two to tango

Two to tango   Dat kinderfietsje! Eva grijpt het beet en tilt het boven haar hoofd. Met alle kracht die ze in zich heeft, slaat ze er twee, drie keer mee op de ruit van het grote raam achteraan de woning. De derde keer springt het glas aan diggelen. Eva gaat naar binnen. ‘Is er iemand thuis?’ Alle lichten zijn gedoofd. Van beneden uit begint de woning zich te vullen met rook. In de open leefruimte, die wat onder het niveau van de tuin komt, ziet Eva de vlammen al hoog opslaan. De gordijnen hebben vuur gevat en zijn deels op de sofa gevallen. Die is aan het smeulen. Eva stormt de trap op. Via haar noodknop roept ze de centrale op. ‘Fred? Eva hier. Brand aan de Fransenlaan 17. Ik ruik gas.’ Eva gaat een grote slaapkamer in. Niemand. ‘Er kunnen kinderen in huis zijn, in de tuin ligt een kinderfiets. Haast je, Fred!’ Op één van de kamerdeuren kan Eva Anna’s naam onderscheiden, Jordi’s kamer ligt daar vlak naast. Aan het kapstokje naast de deur hangt een kartonnen kroon. ‘Eén jaar’, leest Eva. Vanuit de centrale activeert Fred rechtstreeks het alarm in de brandweerpost. Die ligt op minder dan twee kilometer van de Fransenlaan. In geen volle vier minuten zal de snelle interventiewagen ter plaatse zijn. ‘De noodploeg is onderweg, Eva. Niet alleen naar binnen gaan!’ Dat laatste valt in dovemansoren. Agent Akermans wacht geen vier minuten als zij denkt dat er geen tijd te verliezen valt. Ze tilt de kleine Jordi uit zijn bedje en schudt Anna wakker. Geen minuut later haast ze zich het huis uit, de slapende Jordi op de arm en de slaapdronken Anna aan de hand. Kort na middernacht belt Eva aan bij nummer 19. Geen gehoor. De onwerkelijke stilte rond het brandende huis wordt doorbroken door de naderende sirene. Terwijl de interventiewagen stopt, floept er aan de overkant een licht aan. Het is koud en de kinderen hebben alleen hun pyjamaatje aan. Eva steekt de straat over. Die overburen moeten hen maar even opvangen. ‘Ik weet niet of er nog iemand in huis is!’, roept Eva de brandweerlui nog toe. ‘Er hing …’ Voor ze haar zin kan afmaken, weerklinkt een oorverdovende knal. Een steekvlam spat langs de voorkant van de woning naar buiten. Jordi schrikt wakker en begint hysterisch te krijsen. Anna kijkt met haar grote kleuterogen naar het schouwspel. Dikke tranen wellen uit haar overdonderde ogen. ‘Waar is mama?’, stamelt ze. Haar knuistje wijst verslagen in de richting van het huis.   Naarmate de nacht vordert, ontrolt zich het standaard scenario van een uitslaande brand. Veel meer dan de naburige woningen vrijwaren, kan de brandweer het eerste uur niet doen. De politie zet de straat af, de kinderen worden voor controle naar een ziekenhuis gebracht, een tweede ziekenwagen blijft doelloos wachten. Links en rechts krijgt Eva een schouderklopje. Haar bewustzijn gaat in overlevingsmodus. Zelf handelt ze niet meer, ze kijkt toe. Wat kan ze doen? Als een paar journalisten haar aanklampen, gaat er een huivering door haar heen. Deze hel is nog nieuws ook. Nog voor hij Eva een vraag heeft gesteld, noemt één van de mannen haar al een heldin. ‘Wat ik nu liefst wil’, antwoordt Eva wat later op alweer dezelfde vraag van een andere vroege journalist, ‘is naar huis gaan en languit in bad gaan liggen. Achter dit koele optreden dat jullie zo fantastisch vinden, zit ook maar een mens die dit allemaal moet verwerken. En deze vreselijke brandgeur komt daarbij bepaald ongelegen.’ Eva voegt de daad bij het woord, keert de journalisten de rug toe en gaat zich afmelden bij de chef aan de commandowagen. ‘Ik ga naar huis, Stan. Te voet. Nee, doe geen moeite. Ik was toch onderweg toen …’ Eva’s stem valt even weg. ‘Iedereen vindt het geweldig van die kinderen,’ aarzelt ze, ‘maar mama of papa moet in de brand gebleven zijn. Misschien zelfs allebei. Dat weten we allemaal. Het lijkt verdorie bijna een scenario voor een goedkope jankfilm.’ Eva slikt. ‘Is het cru te hopen dat de ouders hun avondje uit hadden en dat er een babysitter in huis was?’ Stan sust haar kordaat. ‘Kijk, Eva, een furie zoals jij denkt in een reflex dat het nooit goed genoeg is. Daarom zeg ik je alleen dit. Bedankt. Je hebt alles gedaan wat je kon doen. Dat was veel meer dan je moest doen. Beyond the call of duty zouden ze zeggen, in het land van de goedkope jankfilms. Ga gewoon met dit ene woord naar huis. Bedankt.’   Het is half twee als Eva de deur van haar loft openmaakt. Het licht laat ze uit, de volle maan geeft genoeg. In huis is het warm, te warm. Carlo heeft vast de thermostaat hoger ingesteld voor hij vertrok. Eva trekt haar hele plunje uit, dat gaat de wasmachine in. Kookwas, dan blijft er niks van die verduivelde avond hangen. Naakt schenkt ze zich een glas in en neemt een grote slok rode wijn. Beeldt ze het zich in of kleuren haar lippen echt dieprood in de spiegel? Bij het schuifraam achteraan wordt Eva’s blik door de lange, spaarzaam verlichte Canadezenlaan naar de T-splitsing getrokken die uitgeeft op de Fransenlaan. Pal op het kruispunt licht de gloed van de brand duidelijk op. Wat een inferno. Eva neemt nog een glas. Ze geniet ervan. Het is wijn uit Ulignano, bijna tien jaar geleden nu. 7 juli 2007, wat een iconische datum. Eva had nooit geloofd dat je op je dertigste nog smoorverliefd kon worden. Tot haar weekje Toscane werd gekaapt door zes weken zaligheid. Op zoek naar haar hotelletje, lag hij plots daar, languit op de Toscaanse bodem na een stevige slipper met zijn fiets. Zijn truitje hing aan flarden, zijn stevig gespierde en ferm geschaafde bips kleurde snel rood, uit een jaap in zijn linkerarm sijpelde bloed. Als bij ingeving had Eva zijn gehavende toestand genegeerd en hem koudweg gevraagd of ‘dit de kortste weg naar Ulignano was’. Na een ogenblik van totale verbijstering – wat keek hij ongelooflijk schaapachtig toen – was hij in lachen uitgebarsten en overeind gekrabbeld. ‘Je bent waar je moet zijn!’ was het enige wat hij zei. Profetische woorden! Nog voor hij helemaal rechtop stond, had ze hem aan zijn nek naar haar toegetrokken en hadden ze elkaar gekust, steeds weer gekust. Nog diezelfde avond gingen ze tot het einde. Zes weken lang verkenden en aanbaden ze elkaars lichaam. Ze genoten van de zon, de wijn, de zee, de steden en dorpjes en van het onderweg zijn tussen de ansichtkaarten. Ze lieten toe dat hun gevoelens en gedachten in een mum van tijd steeds meer vervlochten raakten. Onmiddellijk na de vakantie gingen ze samenwonen op Eva’s loft. Ze waren elkaars thuis geworden. Ulignano had hen onafscheidelijk verbonden.   Eva heeft al uren niets meer gegeten. De wijn krijgt zo vrij spel in haar afgetrainde lichaam, en wekt een glimlach op haar lippen. Had Stan gelijk? Heeft ze gedaan wat ze kon? Haar mondhoeken krullen verder omhoog. Een euforische stemming sluipt Eva’s malende hersenen binnen. Beheersing, controle, bijna macht, is dat wat ze voelt? Ja! Eva wil het uitschreeuwen. Ja, ja, ja! Steeds luider wil ze het roepen. De nacht en de rede weten wel beter. Een hete douche brengt Eva tot rust. Een half uur later blaast ze haar haren droog en kruipt in bed. Door vermoeidheid overmand slaapt ze in. Alleen, voor het eerst in bijna tien jaar.   07:43. De zoemer aan de voordeur haalt Eva uit haar slaap. Even zoekt ze naast zich, maar ze is nog steeds alleen. Terwijl ze haar badjas omslaat, ziet ze op het scherm van de videofoon Stan staan praten met een man die ze niet kent. ‘Stan? Wat brengt jou hier?’ Wat later zit Eva met Stan en rechercheur Vrancken aan tafel. ‘Zal ik koffie zetten?’ vraagt die laatste tactvol. Alleen met Stan kan Eva zich moeilijk bedwingen. ‘Wat is er aan de hand, Stan? Mijn verklaring kan toch wachten tot ik op het bureau ben?’ Stan kijkt haar in de ogen, schraapt zijn keel. ‘Is je dienstwapen in huis, Eva? Ik wil het graag zien.’ Eva is verrast. Stan onderbreekt haar kordaat. ‘Toon me gewoon waar je je dienstwapen bewaart.’ Eva neemt Stan mee naar de slaapkamer en wijst op de kleine safe daar. Stan trekt handschoenen aan. 7707. De safe is leeg. Niet begrijpend kijkt Eva haar chef aan. ‘Hoe kan dat nu? Maandagavond laat heb ik de Glock hierin gelegd!’ Met het dienblad nog in de hand neemt Vrancken de leiding over. ‘Denk goed na. Wanneer heb je voor het laatst je wapen gezien?’ Eva aarzelt niet. ‘Zoals ik al zei. Dat was zonder enige twijfel eergisteren, ’s avonds laat. Na mijn avonddienst heb ik het in de safe gelegd. Gisterenavond had ik het niet bij me omdat we toen die opleiding Verkeersrecht hadden. Kunnen jullie mij niet gewoon vertellen wat er aan de hand is?’ De mannen wisselen een blik van verstandhouding. ‘Kijk Eva. Zoals we al vreesden zijn in het uitgebrande huis twee volledig verkoolde lichamen gevonden, een man en een vrouw. De vrouw is zo goed als zeker de moeder van de kinderen.’ Stan neemt er zijn notitieboekje bij. ‘Rosa Vazquez, 32 jaar, dubbele nationaliteit, Argentijns-Belgisch, vijf jaar getrouwd met Henricus Debaeck. Een buurvrouw herkende het mobieltje en de sleutelbos die in de keuken lagen, de bril van de vrouw was nogal opvallend, de lichaamslengte klopt, de gezinswagen stond op de oprit. Alles moet nog worden nagetrokken, maar veel twijfel is er niet.’ Rechercheur Vrancken kucht. ‘Het verkoolde mannenlichaam is moeilijker te identificeren. We hebben geen tweede mobieltje gevonden, geen sleutels, geen bril of zo. Er is geen tweede auto. Voor een positieve identificatie is het dus wachten op pakweg tandheelkundige gegevens. Toch staat het als een paal boven water dat het lichaam niet dat van Henricus Debaeck is. Dat is een kleine, eerder gezette man. Het stoffelijk overschot is dat van een man van haast twee meter.’ Eva verstijft. Mannen van twee meter zijn dun gezaaid. ‘Is Carlo thuis?’ Het lijkt of Eva de vraag niet heeft gehoord, maar dat is natuurlijk niet zo. Haar stem verandert in een laag, hees keelgeluid, ingehaald door het onvermijdelijke. ‘Zeg nu alsjeblieft niet dat je mijn pistool op de plaats delict hebt gevonden. Zeg dat alsjeblieft niet.’ Eva houdt het hoofd in beide handen, de vingers gespreid over haar mond. ‘Carlo is niet thuis?’ Eva schudt het hoofd. Tranen komen er niet. ‘Heb je hem vandaag nog gezien?’ Eva slikt opvallend. Tweemaal, driemaal. ‘Maandagnacht kwam ik rond een uur of twaalf thuis. Gedoucht. Nog wat gegeten. Samen een glas wijn gedronken. Rond een uur of twee naar bed gegaan. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik weet niet hoe laat Carlo gisteren naar kantoor is vertrokken. Het ging zeker laat worden, er was iets met een beursintroductie.’ Korte stilte. ‘We weten natuurlijk niet of hij het is. Maar jouw pistool lag inderdaad tussen beide lichamen in. Het serienummer stemt overeen met het register.’ Stan kijkt Eva ernstig aan. ‘Het mannenlichaam vertoont één schotwond. In de linkerslaap. Denken we. Dat kan wijzen op een wanhoopsdaad. De lijkschouwing vanmiddag zal uitsluitsel brengen. Kan Carlo de Glock uit de safe hebben gehaald met de bedoeling Rosa Vazquez om te brengen en daarna de hand aan zichzelf te slaan?’ Eva aarzelt. 7707. Zou de klootzak dat vergeten zijn? Nee … ! ‘Tja, ik heb hem wel eens … .’ Vrancken trekt de wenkbrauwen op. ‘Kom nu! Stan weet vast wel hoe dat gaat. Je komt laat thuis, moe, bezweet. Je duikt recht de douche in en leeft net lang genoeg op om voor TV in slaap te sukkelen. Wat later sleep je jezelf naar bed en denkt dan aan je Glock die nog op tafel ligt. Dan helpt je boomlange kabouter je toch graag een handje? Natuurlijk heeft hij hem wel eens in de safe gelegd. De lader ligt er niet bij, hoor. Die gaat met de rest van mijn gordel linea recta de bureaulade in als ik thuiskom. Netjes afgesloten.’ De toon van de rechercheur wordt formeler. ‘Kijk Eva, het forensisch team moet hier in huis een grondig kijkje komen nemen. Jij gaat best met ons mee naar het bureau, daar blijf je beschikbaar. Na de lijkschouwing zullen we zeker nog met je moeten praten. Het spijt me.’ Stan knikt. ‘Saskia van slachtofferhulp blijft de hele dag bij je. Het … heeft er helaas alle schijn van dat je een slachtoffer bent. En een heldin, natuurlijk. Laten we dat vooral niet vergeten.’   Op het bureau zit Eva urenlang door het raam voor zich uit te staren. Saskia houdt bewust afstand, Eva heeft geen behoefte aan praten. Wat gebeurd is, herhaalt zich in haar hoofd. Elke minuut. Eva heeft moeite om haar ademhaling onder controle te houden. Op een vreemde manier krijgt ze ook de brandgeur niet uit haar neus. Langgerekte wolken glijden voorbij. Over een uurtje is de lijkschouwing afgelopen. De technische recherche zal het plaatje netjes afwerken. Carlo’s vingerafdrukken staan op haar glas van maandagavond, naast de spoelbak. De forensische jongens vinden vast de sporen van benzodiazepine. Dus, zal Vrancken besluiten, heeft Carlo haar één of ander slaapmiddel gegeven zodanig dat hij zelf ongehinderd bij de Glock kon. Op de safe staan natuurlijk ook zijn sporen. En op de bureaulade. En op het sleuteltje. Carlo was een schatje. Rosa zal dat ook gedacht hebben. Teef! Ze kon de schaduw van hun gewriemel door het gordijn maar al te goed thuisbrengen. Lekker dicht tegen elkaar aan. Zeven keer de voorbije maand. Haar stank hing in zijn haar als hij thuiskwam. Maar oh nee, Eva, er is niets van aan! Ik ben van jou, Eva, alleen van jou. Tien jaar bijna, had hij gezegd, hij leek het er keer op keer te willen indrammen. Rosa’s nek was droog geknapt. Clean. Jammer, ze had haar de nagels willen uitrukken, de ogen uitsteken, haar oren en haar tieten afsnijden. Maar daar was geen tijd voor, en het paste niet in het plan. Met de Glock in de hand achter haar rug had ze Carlo binnen aangetroffen. ‘Carlo? Jij hier?’ Vanuit de sofa keek hij op. Betrapt. ‘Wat, wat brengt jou hier?’ ‘Ik werk bij de politie, schatje. Het raampje van de wagen op de oprit is ingeslagen.’ Eva ging naar hem toe. ‘Oh.’ Terwijl Carlo voorover boog om op te staan, hoorde Eva een spitsvondige uitleg door zijn hoofd ratelen. De kogel doorboorde eerst zijn linkerslaap en dan zijn leugens. De gasfles ging makkelijk. Carlo had die opgepikt die middag. En netjes in de wagen gelaten. Achter Rosa’s huis. Zijn vlam. Eva onderdrukt een glimlach. Die is uitgedoofd nu.   Stan en Vrancken komen met twee agenten het platform op. Eva huivert. ‘Eva Akermans, ik arresteer je wegens moord op Rosa Vazquez en Carlo Strackx.’ Stans stem klinkt schor. ‘Rosa’s man heeft verklaard dat Carlo tangoles nam bij haar. Als verrassingsact voor jullie tiende verjaardag samen.’ Eva steekt beide armen naar voren, de polsen naar boven. ‘Goedkope politiefilm,’ zucht ze Stan toe.         bart e. g. vinck

bart e. g. vinck
0 0

De boomgrens

De boomgrens   Ignace Pollet   Het pad is te smal, de grond te drassig. Niet voorzien op de wielen van een rolstoel. Ik kan niet meer terug, ben al te ver. Je hoofd schudt en slingert. Je laat je gewillig naar boven duwen, alsof het jouw beslissing is om te eindigen op deze hoge graslanden. We hebben ze samen ontdekt, lang geleden, tijdens de jaren van belofte en schuld. En herontdekt tijdens onze kinderloze tweede jeugd, de vrijheid van het lege nest, de inhaalmanoeuvers, de bucket list. Het was voor je benen het begaven, voor je binnenkant verbrokkelde, voor het licht uitging. Mijn handpalm zocht je niet meer, je vezels herinnerden zich niets. We komen boven de struiken uit. Op een heldere dag zouden we de vallei zien, het afgeleefde dorp, de rotonde met richtingaanwijzers naar de oorden van bezigheid. Ik duw de rolstoel op goed geluk verder. Het pad houdt op, alsof het niet echt een pad is maar de doorsteek van een kudde geiten. Waar de hellingsgraad vermindert, verspreiden de sporen van hun hoeven zich. Je knikt bij elke put waarin de wielen kantelen. De regen deert ons niet. Dit is onze laatste gezamenlijke inspanning. Je kijkt naar me op als ik de rem opzet. Om uit te hijgen. Omdat deze plek zo goed is als een andere. Je kijkt naar me. Je ziet me niet. Je ziet niets. Je had gewild dat het gehotsebots zou blijven duren. Dat ene straaltje zon tussen dat pak wolken, ik weet niet waar het vandaan komt. Het verlicht je lange grijze haar, nooit meer bijgekleurd sinds de dag dat je de weg naar ons huis niet terugvond. Irene trof je met je voorhoofd tegen haar achterdeur. Sakkerend bracht ze je terug. Sakkerend op mij. Alsof ik je niet al die tijd heb gevoed, verschoond, gekleed, bestudeerd, getest, dooreengeschud. Toegebruld. Wie ben ik, Friede, zeg me wie ik ben. Je rook aan het voedsel dat ik je voorzette. Je vingers in mijn hand bewogen als die van een kind. Je zat tussen de planten die ik dagelijks begoot en even zo vaak een dag oversloeg, tot jullie allemaal doorbogen, Ficus, Aloe Vera en jij. Je neeg naar de bodem, steeds dieper, tot de bodem bereikt was. Ik trek je regenjasje over je fleeze en zet je mijn muts op. Ofschoon je nooit een muts hebt willen dragen, komt er geen protest. Ik heb een blad vol handgeschreven woorden klaar maar door de regen lopen ze in elkaar over en de betekenis zou je ontgaan. Wanneer ik mijn gezicht tegen je wang druk, geeft je mee. Het hangt helemaal achterover hangen. Ik laat je los. De rolstoel wankelt. Vanop het geitenpad kijk ik nog eenmaal achterom . Je blik volgt me niet. Beneden ril ik van de uitgekoelde transpiratie. Mijn broekspijpen hebben de kleur van de modder. Wandelaars monsteren me argwanend, alsof ze weten dat ik een rolstoel heb achtergelaten. Een rolstoel met iemand in. Ik ga opzij om ze door te laten. De gids van de groep gromt iets tegen me maar ik schud het hoofd. Ik weet dat ik er niet vanaf kom, van het beeld van haar, alleen op een hoog plateau, de mond vol speeksel, de ogen vol nevel, de wangen nog zacht. Lange haren, lange vingers, lange nek, zelfs in haar rolstoel behoudt ze haar elegantie. Ze heeft me altijd vertrouwd. Toen ik te laat thuiskwam. Toen de kamer vol rook hing omdat ze het vuur was vergeten. Toen helderte haar verliet. Het beeld van haar zal me blijven volgen, ook al vervaagt het tot gestalte, silhouet. Ik stap in mijn wagn en wacht. Heb ik haar genoeg slaapmiddel toegediend? Zal het werken voor de vrieskou intreedt? Ik reken op een harde, droge winter, zodat niemand op het plateau iets te zoeken heeft. De koude nachten moeten Friede tot poreus gesteente maken, verpoederd, uitgehold van binnen, alleen nog bijeengehouden door de rode algen. Drie uur in de ochtend, een hond huilt in het dorp. De temperatuur blijft boven nul. Zit zij nu te rillen, te vechten tegen de slaap? Is ze met rolstoel en al omgevallen? Wordt ze opnieuw wakker van de ijzige wind?  Ik stap uit mijn wagen. Het geitenpad is niet meer te vinden. Mijn vingers verliezen elk gevoel, mijn tenen vinden geen grip. In laffe voren verzwik ik mijn beide voeten. Overal heeft de wind vrij spel. Ik strompel rond op wat ik vermoed het plateau is. ‘s Nachts is alles anders. Ik kam alle begaanbare plekken uit. Ze is er niet meer. Niet zij, niet de rolstoel. Ik speur de randen af, kijk in het niets. Het is te donker. Ik geef het op. Ik probeer de wagen geluidloos te starten. De motor loeit zo hard dat ik er meteen de sleutel uittrek. Ik open het portier en luister. Achter geen enkel raam wordt een licht aangestoken. Dit dorp is ontvolkt. Nogmaals in het contact. Met gevoelloze onderbenen ontkoppel ik en geef gas. Geduldig kruipt de auto de weg op. De lichten houd ik gedoofd tot ik tussen de bomen zit. Ik concentreer me op de gebroken strepen in het midden, hopend dat deze mij volledig kunnen inpalmen. Maar de strepen zijn te dun voor wat binnendrijft. Door de mistbanken heen meng ik hete thee met honing, koester ons oude hoofdkussen en laat haar laatst gedragen nachthemd door mijn handen glijden. In het ochtendwit stop ik voor een huis. Ik heb geen idee hoe ik hier geraakt ben. Ik ga achterom en stoot de achterdeur open. Irene zit er met koffie en een krant. Ze kijkt niet op. ‘Irene,’ zeg ik. ‘Ik zag dat je gebeld had. Ik ben de hele nacht opgebleven, Alex, de hele nacht.’ ‘Friede is verdwenen,’ zeg ik. ‘Ik vind haar niet meer.’ Hoe kan ik haar vertellen wat er gebeurd is. ‘Friede is al drie jaar dood, Alex.’

Ignace Pollet
0 0