Lezen

Het alfabeth van een rekenmachine

“Ah, hey, alles goed? Is dat uw middelste dochter?” “Nee, de oudste.” “Hoe oud ben je?” “Ik ben zestien.” Ogen zo groot als mandarijnen weerspiegelen het ongeloof. “Je lijkt hélemaal geen zestien.”   Een gezichtsuitdrukking lijkend op een nakend onweer verschijnt op mijn gelaat. Zelf denk ik steeds: ik heb nog NOOIT iemand gezien die op een getal lijkt. X of O-benen zijn leesbaar, maar een leeftijd … Waarschijnlijk voldoe ik niet aan de maatstaven van een doorsnee tiener, waardoor er andere leeftijden te pas en te onpas op mijn hoofd worden geplakt. Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Is ons alfabet samen met de ijskappen aan het smelten of wensen mensen liever de taal van een rekenmachine te spreken? Wie zal het zeggen, wie zal het weten? Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Op school hebben kinderen en jongeren maar één doel: een zo hoog mogelijke score behalen. Het beheersen van de leerstof en het vergaren van kennis zijn overbodig. Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Schreeuwend van de pijn, huilend van miserie … Hoeveel is uw pijn op een schaal van tien? Zelfs in het ziekenhuis spreekt men niet meer van weinig – gemiddeld – veel – ondraaglijk. Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Succes is niet langer meetbaar aan de hoeveelheid geluk, maar aan het geld dat er mee te verdienen is. Aan een auteur wordt steevast gevraagd hoeveel boeken hij heeft verkocht. Terwijl, kan je getallen voelen? Nooit zal er worden gevraagd wat het doet met je persoonlijkheid. Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Het is een wereldwonder dat de spiegelindustrie nog niet failliet is gegaan, want mensen kijken niet langer naar glas om te weten of ze dik of dun zijn … Enkel het getal op de weegschaal bepaalt het zelfbeeld. Terwijl, als ze vroeger hadden beslist dat 2000 gram gelijk stond aan 1 kilogram … dan woog iedereen de helft minder en zagen ze er toch identiek hetzelfde uit? Een weegschaal spreekt luider dan hetgeen we zien. Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Een gerecht in een restaurant, een meisje op het strand, een jongen in de bar, een citytrip … alles wordt gewogen en gemeten … Hoeveel krijgt het op tien? Want tegenwoordig wordt alles in cijfers uitgedrukt.   Zijn we zover gekomen dat alles in ons leven enkel nog draait om cijfers … om het aantal likes op Facebook? Kunnen we niet gewoon weer onze gevoelens en gedachten uiten via woorden, niet afmeetbare handelingen, met een glimlach of een traan? Want tegenwoordig worden alle woorden ingeslikt en gereduceerd tot een zwijgend niets.

Mille Vermeulen
1 0

De Wachtkamer (als tijd verstarde onder ongedurige ogen en haar belerende wijzers werden overtroffen door alvermorzelend tandengeknars)

Er waren klokslagen waarop ogen verduisterden als schuchtere vensters in parallelle straten, beschouwingen zich naar de haard strekten en een dovend gesprek vergeefs de vlam probeerden in te blazen. Muren speelden onze waanvoorstellingen als schaduwen uit.   Er was niets fluisterenders dan het zwijgen. Deze uitdrukkingsloze vloer werd een bevroren ondergrond waar voeten hulpeloos op schaatsten, verveling een weerbarstig vuur die onze levensdrift de lucht afsneed en vereenzaming de harteloze wind die zich inwaarts keerde.   Terwijl de duisternis woekerde, verteerde verkunsteld licht de gebroken bespiegelingen van ieders verdronken ogen. Ik veegde de fronzen van mijn verzuchtende hoofdhuid, terwijl koelbloedigheid verkrampte tot de verscheurde zweetprop in mijn handen en spanning zich verdrukte onder mijn roerige vingers.   Dit getouwtrek van ongesproken woorden had zelfs de meest veerkrachtige tongen verstrikt. Mijn geest verborg zich onder tengere oogleden als een zwerver onder een gekrompen sprei, mijn tenen verzochten elkaars warmte als grootouders met vergroeide benen.   Sommigen waren er naakt geboren, in dit land zo begrensd dat het eindeloos werd. Vaders wervelden door deze kamer als goudvissen zonder eetlust. Er waren er die het wachten willen verschreeuwen, maar hun onrust werd tot twijfel aan het oppervlak. Moeder verzamelde nauwkeurig haar stemkracht voor de uitbarsting van het moment. “Tijd is geld, maar wordt zonder ons evenzeer nageteld.” Haar hand probeerde me te begrijpen, terwijl de verzoute waarheid zich aan haar sprekende lippen onttrok.   Iedereen trof zijn manier om zonder waarom verder te gaan.

Robijn Bodijn
3 0

Een lief wijfke

Sinds het overlijden van zijn dierbare moeder woonde Eddy alleen in de ouderlijke woning. Nu hij zich niet langer gesteund voelde door de aanmoedigende woorden van zijn mama, kostte de dagelijkse routine hem steeds meer moeite. Beiden, zowel Eddy als zijn huis, vertoonden hierdoor steeds meer tekenen van verval.   Terwijl hij aanvankelijk vooral droefenis had gevoeld, was hij zich de laatste tijd steeds bozer gaan voelen om de eenzaamheid die hem te beurt was komen vallen. Op een dag besloot hij verhaal te gaan halen bij God.   Na een voettocht van zes uur tot in Scherpenheuvel, knielde Eddy neer voor het Christusbeeld in de zijbeuk van de basiliek. Hij vouwde zijn handen vroom tezamen en fluisterde: “Heer duizend maal excuus dat ik U stoor, maar mogelijks is er een vergetelheid geslopen in uw onmetelijke voorzienigheid?”   “Wat grieft er U mijn zoon?” vroeg de Heer.   “Ik voel mij zo verschrikkelijk eenzaam,” sprak Eddy. “Ik bid elke avond dat ik een lief wijfke mag ontmoeten die bij mij wil komen wonen, maar elke ochtend word ik weer alleen wakker. Mijn boterhammen smaken niet meer als ik ze alleen moet opeten. Mijn leven heeft geen zin meer als ik het met niemand delen kan. Dan maak ik er nog liever een eind aan.” Zijn gemoed schoot vol en zijn kinderlijke gejank galmde door het godshuis.   “Verman u mijn zoon! En zeg mij wat voor wijfke gij wenst.” zei de Heer.   Eddy twijfelde geen seconde. “Eentje met wit krullend haar. Zoals ons moeder zaliger.”   “Uw gebeden worden verhoord. Morgenvroeg zult ge krijgen waar gij zo sterk naar hebt verlangd. Droog nu uw tranen en ga naar huis. En twijfel nooit meer aan mijn goedheid!” beval de Heer.   Eddy snoot luidruchtig zijn neus en haastte zich toen naar buiten. Toen hij thuis kwam was het al donker. Hij ging meteen naar bed en viel in een diepe slaap.   De wekker schelde zoals elke dag om kwart voor zeven. Eddy schoot wakker en stormde de trap af. Pas halverwege realiseerde hij zich dat dit geen gewone ochtend was. Nerveus keerde hij terug naar boven. Voor het eerst sinds jaren nam hij uitgebreid de tijd om zich te wassen en te scheren. Hij trok zijn grijze kostuum aan, blonk zijn schoenen, kamde zijn haren en poetste voor de zekerheid twee keer zijn tanden. Toen daalde hij de trap af, met trage, plechtige stappen.   Hij hoorde gestommel in de voorste kamer. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij sloot zijn ogen en duwde de deur voorzichtig open.   “Mèèèèh!”   Eddy opende zijn ogen. Voor hem stond een jong schaap met een schitterend witte, krullende vacht.

Roel Nijleend
7 0

Populisme

Hier ben ik weer. Met een pauze van exact één week. Het lijkt wel alsof het die zondag is die me telkens weer nekt. Ik kan een hele week de schijn ophouden en mezelf doen geloven dat ik gelukkig ben, en dan komt die verdomde zondag. Normaal gezien heb ik hier geen probleem mee, maar sinds ik jou ken, kan ik minder van mijn zondag genieten. Hoe dat komt? Elke zondag, en vooral 's avonds besef ik dat het weekend voorbij is en daarmee ook de kans om jou nog te zien. Weer een hele uitzichtloze week zonder jou. Wow, ik klink zielig. Als jij dit zou lezen zou je waarschijnlijk zo hard afgeschrikt zijn dat mijn kans verkeken was om jou ooit nog graag te mogen zien. Pech, dikke pech. Ik doe het toch. Dit is mijn therapie. Therapie waarvoor ik niet moet betalen, waardoor ik niet het gevoel krijg dat ik al mijn gevoelens blootgeef aan een vreemde die alleen naar me luistert omdat hij er geld mee verdient. Klote. Ik ben precies boos, merk ik nu pas. Ik kon even aan niets anders denken dan aan scheldwoorden. Ik weet het al. Ik ben boos omdat ik zo onzeker ben. Jij maakt me onzeker. Mijn mama heeft me altijd gezegd dat ik nooit mijn (on)geluk in andermans schoenen mag schuiven. Ik maak mezelf ongelukkig en onzeker, niet iemand anders. Niet jij. Toch zeg ik het, al die filosofische shit maakt me even niet meer uit. JIJ maakt me onzeker. Ik wil alleen maar bij jou zijn en weten dat jij dat wilt. Dat jij wilt dat ik daar ben, op dat moment, zo dicht tegen jou. En ik wil dat je nog eens zo lacht, en als ik vraag waarom je dat doet, je dan antwoordt dat je gelukkig bent. Gelukkig. Dan kunnen we samen even gewoon gelukkig zijn. Klinkt zalig. Mijn probleem is gewoon dat ik altijd zo hard uitkijk naar een bepaald moment, dat als ik er dan middenin zit, ik aan niets anders denk dan aan dat dit nooit voorbij mag gaan. Ik blijf mezelf zeggen ervan te genieten, van elke seconde, en dat zorgt er net voor dat ik niet meer geniet. Ik wil gewoon even zeker zijn dat ik nog tijd genoeg heb om van jou te genieten. Geef me alsjeblieft die zekerheid, dat ik bij jou mag zijn, gewoon om bij jou te zijn. En dat ik er dan van mag genieten om gewoon, zomaar bij jou te zijn. Bij jou te willen zijn. Graag gezien te willen worden. Daar is hij weer. De eeuwig herhaalde zin. Zie me graag. Ja, zelfs ik word mezelf ooit beu. Daarom heb ik besloten (en ik ga sowieso niet meer durven wanneer het moment daar is) om hem te vragen wat wij zijn, wat wij hebben. Seks, gesprekken die soms eerder een sleur lijken maar die ik toch nodig heb, een band, een klik, dat hebben wij. Maar is dat genoeg voor jou om te durven springen. Spring, alsjeblieft, durf te springen. Dan kunnen we samen gelukkig zijn en hoef ik me geen zorgen meer te maken of dat nu door jou komt of door mezelf. Ik geloof graag in die sprookjes.  Ik weet dat ik met mijn kop tegen de muur zal lopen. Laat het me doen. Laat me maar lopen. Laat mij maar doen. We voelen ons beter als we't zelf mogen doen. 

Layla Clarke
0 0

De kleine wereld van Eric G.

Mijn lijf ligt verlamd op een koud bed. Als dood staar ik voor me uit. Geen toekomst, geen perspectieven. Alleen hier en nu. Het bed stinkt naar de mufheid van ongewassen lakens. Ik lig hier zonder jou met jou. Ik heb heimwee naar de toekomst. Heimwee naar beschadiging dat vandaag de contouren van mijn ziel zo kenmerkt. Heimwee naar dat allesoverheersend moment van verslagenheid en van aanvaarden dat jij er niet meer bent. Ik heb pijn aan de herinnering van de toekomst, het is in die toekomst dat ik jou met pijn zal herinneren en mijn beschadigde ziel heeft pijn nodig. Ik heb pijn nodig om te voelen. Ik heb pijn nodig om jou te voelen. De incompleetheid van mijn ziel braakt de leegte vol met slechte mannen, chems, alcohol, vrouwen zonder parfum en zoek geraakte woorden in een Moleskine schriftje. Ik zal denken aan jou, aan ons. Aan zovele anderen. Maar waarom? Ik zal denken aan de verdovende momenten van de chems. Aan wat gefantaseerd was en wat echt is. Aan de muziek. Aan de geuren van uitgeblazen kaarsen zoals op het einde van geslaagde feestjes. Aan het ochtendgloren op het einde van elk geslaagd feestje. Aan de stilte en het lawaai. En dan opnieuw aan ons en zien hoe je niet meer bestaat, zien hoe je in de onmogelijkheid van je eigen leven leeft, zien hoe jouw mistroostigheid je veroudert, verlelijkt, vertekent en verderft, ten spijt van nog enkele jaren van verrukking, verrijking, verwondering en verbazing.   Mijn lichaam is geen tempel. Mijn lichaam is geen heilig huis. Stilte, bezinning en wierook beheersen mijn lichaam niet. Mijn lichaam is mijn lichaam. Mijn lichaam is gewild en verstoten, bereden en gegeseld, versierd en bespuwd, voldaan, betraand, verjaard, bedaard, getroost ook. Mijn lichaam is een afgeleefd huis in verval en vandaag in herstel.   Ik voel me als een leeg en verlaten huis met gebroken vensters. Eindelijk.   De vochtigheid sijpelt in iedere ader. Mijn lijf doet zeer. Mijn lijf verkrampt van zoveel vochtigheid. Het huilt in mij zoals het regent in dat huis. Berusting is op komst.   Ik zie je profiel op een dating site met een foto waarop je charmant maar fake en haast kinderlijk glimlacht. Je liegt met zes jaar over je leeftijd en je hebt net je baard geverfd. Maskers dragen is altijd je sterkte geweest. Net als je onmogelijkheid tot emotie over te gaan. Vluchten. Verbergen. Genegenheid zoeken, verkeerde signalen geven. Je foto verbergt zoveel pijn, je foto is dezelfde foto van zovele andere foto’s die ik ook van jou heb gekregen – aan een dagelijks ritme overigens : ‘Zie me graag!’, ‘Hou van mij!’, ‘Help mij!’. Hetzelfde verdwalen, dezelfde onmogelijkheid om thuis te komen. Je profiel op de site is het masker dat je alle dagen draagt. Het mooi willen overkomen. Het liegen en bedriegen van jezelf. Opnieuw zal één iemand blijven, opnieuw zal weer niemand blijven. ‘Ga weg!’, ‘Ik verlang je niet!’, ‘Ik heb je nooit verlangd!’, ‘Je begrijpt me niet!’. Opnieuw zal één iemand gekwetst zijn. Maar dan heeft hij het toch zelf gezocht, toch? Zo zou je dat toch verwoorden, toch? Zo totaal geen verantwoordelijkheid dragen, dat is je ding, toch? Et tu as bientôt 46 ans.   De liefde van een moeder en de aandacht van een vader nooit ontvangen. Het missen van een veilige thuishaven. Het niet ervaren van seropositief zijn. Het risicovol gedrag. Het lichamen beschadigen. Geen werk. Geen stabiliteit. Geen emotie. Alleen in de armen van losse scharrels die enkele weken blijven. Ik had een groot huis voor ons willen bouwen. Ik had een groot huis voor ons willen bouwen. Of neen, we hadden samen een groot huis kunnen bouwen omdat we allebei een groot huis willen.   Ik mis je. I really do. Waarom... Ik ben een winnaar, je bent een loser. Hoe duidelijker kan het nog zijn. Het staat op onze lijven gebrandmerkt, jouw ziek lijf dat je graag weggeeft, mijn herstellend lijf dat begeerd wordt. Mijn lijf is geen tempel, neen. En jij bent geen god. Jij bent als een giftig gas dat het leven van anderen binnensluipt en onzichtbaar vermoordt.   Ik zie je met een ander. Gisteren nog en morgen misschien dezelfde en de dag daarna allicht een andere. En iedere dag sta je op die dating site. Met je fake zelf. En je bent zo broos. Zo verloren. Zo gebroken. En uiteindelijk zo alleen. Mistroostigheid huist in je lichaam. Ik heb geen medelijden met jou Ik heb me verbrand aan je innerlijke, je hebt me verstoten en nu pak ik de koffers. Nu breek ik met jou mijn vensters, sloop ik de muren die je rondom mij hebt gebouwd en ga ik ademen in evenwicht.   Ik zie doorheen het scherm de breekbaarheid in je lichtblauwe ogen, ik zie zoveel pijn. Hier, aan de onbereikbaarheid van je virtuele blauwe ogen huizen mijn angsten. Nu je weer helemaal virtueel openbaar bent, is er de angst dat een ander jou zal helen, door er te zijn, met woorden, met fantasieën, met seks, met knuffels en met ontbijt. De angst dat een ander jou zal troosten. Terwijl de (her)stellingen aan jouw huis worden opgesteld, brokkelt mijn huis steen per steen af.   Eindelijk.   Ik wou je zo graag herstellen.. omdat ik dacht dat ik met jou mezelf ook kon herstellen. Ik wou zoveel met jou. Je bent, net als ik, gebroken. Twee gevaarlijke gelijken kunnen elkaar nooit tegenkomen of ze moeten elkaar en enkel en alleen elkaar tegenkomen maar zover ben jij niet. Jij blijft opgesloten, ik ben vrij.   Jij wil dat huis niet uit. Jij kijkt met je gebroken blauwe ogen door gesloten ramen, jij hebt de kracht niet om met vertrouwen of zelfs met liefde voor mij je ramen te breken. Jij sluit me uit, alle deuren op slot. Je blijft binnen. Je blijft in de valse geborgenheid van een gefantaseerde wereld, waar niets moet, waar alles en iedereen kan. Waar je lijf, afgetakeld en bereden, probeert op pillen en poeders te overleven. Waar je liegt over je lijf, waar je je lijf camoufleert. Ik wil daar niet leven. Ik wil niet leven in vertoning. Ik wil niet leven waar het gefantaseerde uitdraait op een ontwaken vol walging, spijt en een zielig vertoon van “help mij”. Waar een warm woord voor mij misplaatst zou zijn. Waar ik tenslotte niet meer zal blijven aanbellen en je tenslotte achterlaat in je, mag het even vulgair, eigen stront.   Ik heb geprobeerd. Ik heb gegeven. Mijn lijf is geen heilige tempel, mijn ziel is dat ook niet. Mijn leven evenmin. Maar het voelt verdomd goed aan buiten de gebroken vensters te vertoeven.   Ik ga doorheen mijn gebroken vensters. Naar een ander, naar een andere wereld. Kijk goed naar buiten, blijf goed naar buiten kijken. Kijk hoe ik daar met de anderen speel. Kom je ooit ook nog buiten spelen? En zou je dan toch nog met mij komen spelen?   Ik hou van jou.   Ik zucht. Welk monster huist er in jou? En welk monster huist er in mij? Welk ander monster dan ik zal je ooit opeten?   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Lotta

Ik zeg scalpel, ik zeg compres en jij geeft aan. Je geeft het aardappelmes dat naast ons rust op de kamervloer. Je geeft een vel keukenpapier, opgeplooid tot een vierkant dat net in onze palmen past. Scalpel, herhaal je. Compres, herhaal je. Je herhaalt want het is ernst. Je veegt ingebeeld zweet van mijn voorhoofd. Onze kinderbillen raken elkaar in spanning. Lukt het dokter, vraag je, en ik zeg ja maar misschien lukt het beter met muziek. Je loopt naar de radio en drukt op start. Goed dokter, vraag je en ik knik. We kunnen beginnen, zeg ik.   Ik duw het mes op het poppenbeen. Het geeft amper toe. We zingen mee met de radio. Fluisterend, om haar niet wakker te maken. Ik duw harder. De punt van mijn tong likt concentratie van mijn lippen. Het mespunt verdwijnt in het bovenbeen. Ik ben nerveus, giechel je, je valt uit je rol. Ik niet. Ik trek mes door plastiek. Dat ik alles onder controle heb, verpleegster, zeg ik. En je knikt. Dat het serieus is, zeg ik, dat ze hevig bloedt. Ik neem de rode wasco van je aan en kleur de wonde in. Niet zacht, de wasco spant in mijn vuist en ik druk tot de toppen van mijn vingers wit zien. Je vraagt of ze het zal halen, en ik zeg misschien, maar dan moeten we de hersenen opereren. Moet dat echt dokter, vraag je, en ik zeg ja. En de radio speelt en jij zwijgt. Schaar, zeg ik. Ik steek mijn hand uit maar je geeft niets aan. Ze is mijn favoriete Barbie, fluister je. Ik draai mijn hoofd naar je toe. Dat het hier gaat om leven en dood, zeg ik. De pop zal er niet doorkomen als we de hersenen niet opereren. Dat ik een schaar vroeg, zeg ik. Je geeft me de schaar. Het is je mooiste pop. Je bracht hem mee naar school na de kerstvakantie. Ik had enkel sokken gekregen en een single van B*witched. De radio zwijgt nu ook, we horen enkel het knippen in blonde haren. Ik hoef niet naast me te kijken, ik weet dat je huilt. Ik zet de schaar op het zacht plastic, snij in het hoofd, trek het open. Compres, zeg ik. Je geeft opni keukenpapier aan, ik duw het in de gespleten poppenschedel.   Klaar, zeg ik, ze komt er wel door. Kleed haar aan en laat haar rustig wakker worden, zeg ik. Gaan we nu schommelen? 's Avonds eten we frikandellen want je moeder komt je pas om zeven uur halen. Je hebt geen trek, zeg je, dus ik eet ook de jouwe op.

Amarylis
0 0