Lezen

Genoegdoening - verslag van een onverkwikkelijke historie

Terwijl ik deze woorden schrijf vechten trots en bezorgdheid een verbeten strijd uit in mijn hart. Toen mijn kleinzoon zich vanochtend klaarmaakte om naar de militaire academie te vertrekken, was het mijn eigen verwachtingsvolle glimlach die ik op zijn gezicht zag verschijnen, las ik in zijn ogen de onbevangenheid van de jongeman die ik ooit was. Voor hij op de trein stapte heb ik hem omhelsd en de wens uitgesproken dat hij tijdens zijn opleiding even succesvol als voorzichtig mag zijn. En hopelijk zal hij, net als zijn grootvader zo veel jaren geleden, een moment meemaken waarop hij zich bewust wordt van zijn eigen feilbaarheid. Want pas dan is een man klaar voor het leven. Mij overkwam het tijdens de burgeroorlog, kort nadat generaal Sherman het bevel had gekregen over de troepen die zouden oprukken tegen Johnston. Ik was officier bij de artillerie. Een plichtsbewuste patriot, in mijn eigen ogen onkreukbaar, maar vooral jong en dom. Onder mijn leiding had ons regiment verdienstelijk gestreden in de bloedige slag om Chattanooga, en dat was mijn superieuren niet ontgaan. Daarom werden mijn batterijen toegevoegd aan het leger van de Cumberland. Zo kwam het dat ik op een mooie avond in mei van het jaar 1864 deel uitmaakte van een overleg tussen de hogere officieren van de tweede divisie, die werd aangevoerd door brigadegeneraal Jefferson C. Davis. Over deze man deden wilde verhalen de ronde, en eerlijk gezegd had ik hem liever niet als commandant gehad. Van hem kregen we onze laatste instructies vooraleer de honderdduizend man sterke troepenmacht zich in beweging zou zetten, in een ultieme poging om de zuidelijke rebellen in een wurggreep te krijgen. We bevonden ons even buiten Ringgold, in een landschap vol vruchtbare akkers en groene heuvels, waarvan de vreedzaamheid ruw werd verstoord doordat één van de grootste legers uit de geschiedenis er zijn kampen in opsloeg. De lentezon liet zich door zoveel machtsvertoon niet stuiten in haar jaarlijkse opmars en daarom hadden we buiten vergaderd, rechtstaand, met onze papieren verspreid over een paar inderhaast opgestelde schragentafels. Het kostte mij na afloop enige moeite om de kaarten en orders die mij toebehoorden terug te vinden en veilig op te bergen, waardoor ik als laatste van de officieren achterbleef bij generaal Davis. Hoewel ik tijdens de krijgsraad mijn uiterste best had gedaan om niets van mijn achterdocht te laten blijken, moet hij mijn nervositeit hebben opgemerkt. Als een Amerikaanse Bonaparte kwam hij naast me staan, zijn rechterhand onder zijn jas geschoven, wat zijn nochtans tengere gestalte een zekere grandeur verleende. Zijn mond zat verborgen achter een baard en een indrukwekkende snor, en zijn woeste bruine haren leken van zijn hoge voorhoofd te willen ontsnappen. Hij had iets ontembaars over zich, en tegelijk was zijn blik helder, vastberaden en ontspannen. Ik voelde me klein naast hem, terwijl ik in werkelijkheid misschien wel vijf inch groter was. ‘Een prachtige avond, nietwaar, kolonel?’ Ik knikte en mompelde instemmend, was niet op mijn gemak. Als een militair van die rang een gesprek over het weer aanknoopt met een ondergeschikte kan dat alleen een schijnmanoeuvre zijn. En inderdaad, net op het moment dat ik mijn spullen had verzameld en wilde terugkeren naar mijn tent, wond hij er niet langer doekjes om. ‘Probeer voor een oude rot als ik niet te verbergen dat je ergens mee verveeld zit, kolonel. Hou jezelf en vooral mij niet langer voor de gek en zeg mij wat er op je lever ligt.’ Ik was in de val gelokt. Vrijuit spreken zou tot een pijnlijke confrontatie leiden, zwijgen betekende dat ik voorgoed het recht verloor om mijn bedenkingen bij zijn reputatie kenbaar te maken. Ik durfde hem niet aan te kijken toen ik vroeg: ‘Generaal, is het waar wat er over jou verteld wordt?’ ‘Dat hangt af van wat er verteld wordt.’ Uiteraard wist hij heel goed waar ik op doelde. Wilde hij het mij werkelijk horen uitspreken? Ik besloot te zwijgen. Tenslotte was hij het die dit gesprek begonnen was. Ik fixeerde mijn blik op een groep kaartspelers iets verderop, als was het een uitzonderlijk schouwspel dat ze opvoerden, een grandioos spektakel dat ik niet mocht missen. Generaal Davis stoorde zich niet aan het uitblijven van mijn reactie en tot mijn verbazing nodigde hij mij uit in zijn eigen tent. ‘Zodat we de zaak rustig kunnen uitklaren,’ voegde hij eraan toe. Ik volgde hem tot in de tent, die ruimer was dan de mijne, maar sober ingericht. Ik zag een veldbed en een enorme koffer waarin hij kennelijk zijn gerief bewaarde, naast een tafeltje en twee stoelen, alsof hij mij had verwacht. Hij gebood mij plaats te nemen aan het tafeltje, waarop een bijbel lag. Ik schoof mijn stoel wat achteruit, op zekere afstand van de tafelrand. Generaal Davis opende de koffer om iets te zoeken. ‘Ondanks de droeve tijden die ons land doormaakt ben ik in het bezit gekomen van een uitstekende bourbon. Gun mij het plezier om samen het glas te heffen op de goede afloop van deze campagne.’ ‘Ik drink niet. Mijn excuses.’ Hij zuchtte. ‘Een geheelonthouder. Goed dan. Maar iets anders heb ik niet, vrees ik. Of ik moet iemand vragen voor koffie te zorgen.’ Van het smerige zwarte brouwsel dat in het leger voor koffie moest doorgaan had ik de afgelopen jaren al te veel door mijn geteisterde keel gegoten, en dus bedankte ik voor het aanbod. Nadat hij voor zichzelf had ingeschonken ging de generaal zitten. De vingers van zijn linkerhand speelden om het glas, zijn rechter liet hij op de bijbel rusten. ‘Louisville, Kentucky,’ zei hij. Hij keek klaar uit zijn ogen, zonder emotie. Ik wist niet of er iets van mij verwacht werd. ‘Daar wilde je het toch met mij over hebben, veronderstel ik?’ ‘Er zou zich een … incident hebben voorgedaan.’ Ik bleef bewust op de vlakte, wat aan hem een misprijzend lachje ontlokte. ‘Een incident. Zo zou je het kunnen noemen, inderdaad.’ Hij nam een stevige slok voor hij verderging. ‘Na Corinth was ik, om zo te zeggen, aan het eind van mijn Latijn. Was jij in Corinth? Nee, natuurlijk niet. Bijna twee jaar geleden is het. Deze vervloekte oorlog blijft maar duren. Maar goed, in de zomer van ’62 werd ik ziek. Mijn verzoek om verlof werd goedgekeurd en niet veel later zat ik thuis in Indiana. Een prachtige staat, trouwens. Ben je er al geweest, kolonel?’ ‘We zijn er ooit doorheen gemarcheerd. Ik herinner me vooral de snijdende wind.’ Ik weet niet wat ik probeerde te bereiken door neerbuigend over zijn thuisland te spreken. Hij was er in elk geval niet door aangedaan. ‘Waar kom jij vandaan, kolonel?’ ‘Ik ben geboren en opgegroeid in de mooie staat Ohio, meneer.’ ‘Dan zijn we eigenlijk buren. Kijk eens aan.’ Hij irriteerde me met zijn praatjes. Had hij mij uitgenodigd om het over geografie te hebben? ‘We zijn allebei ver van huis, jongeman, en dan nog uitgerekend om de Unie te vrijwaren en te zorgen dat ons huis het thuis blijft dat we gekend hebben voor onze vrienden uit het zuiden de kolder in de kop kregen. Maar waar was ik gebleven? O ja, mijn ziekteverlof. Het was fijn om mijn Marietta weer in de armen te sluiten, maar ik liep al snel tegen de muren op. En toen ik hoorde dat Bragg en Smith, die vervloekte heethoofden, naar het noorden oprukten, wist ik dat men mij nodig had.’ Hij pauzeerde even, liet het glas tussen zijn vingers schommelen en staarde naar een willekeurig punt op de grond. Alsof hij vergat dat hij midden in een gesprek zat. ‘En toen?’ vroeg ik dan maar. Net een kind dat zich door zijn moeder laat voorlezen en weet dat er een belangrijke wending in het verhaal zit aan te komen. ‘Ik ging naar Cincinnati, en van daaruit stuurde generaal Wright me naar Louisville. Ik kreeg opdracht mij te melden bij William Nelson.’ De naam was gevallen. Was het slechts een indruk, of omklemde hij de bijbel nu iets steviger? ‘Noemden ze hem niet de stier?’ ‘Bull Nelson, dat klopt. Driehonderd pond pure zelfgenoegzaamheid.’ Ik vond het aanmatigend, zoals hij over generaal Nelson sprak. De man had grote verdiensten in de strijd voor de Unie en was zelfs gewond geraakt in Shiloh. Toen ik Davis daarop attent maakte sloeg zijn toon om, klonk hij plots bitter. ‘En ik dan? Moet ik de veldslagen opnoemen waarin ik mij heb onderscheiden? Toch bestond het Nelson om mij te belasten met het bewapenen van de burgers van Louisville. De burgers!’ Hij schonk zichzelf bij, hoewel zijn glas nog niet leeg was. Na een nieuwe slok kalmeerde hij en ging bedaard verder. ‘Je begrijpt dat ik die inferieure taak zoveel mogelijk delegeerde aan ondergeschikten.’ Dat begreep ik niet, maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan om dat toe te geven. ‘Na twee dagen was ik weer op Nelsons hoofdkwartier in het Galt House. Toen hij me vroeg hoever ik stond met de organisatie, en hoeveel regimenten en compagnies ik al op de been had gebracht, moest ik hem het antwoord schuldig blijven. Ik wist het niet en eerlijk gezegd interesseerde het mij ook nauwelijks.’ ‘Hoe reageerde hij?’ vroeg ik met oprechte belangstelling. Ik had het verhaal natuurlijk al gehoord, maar ik was benieuwd om het uit zijn eigen mond te horen. ‘Bull was niet geamuseerd. Ik ook niet trouwens. Daarom haalde ik er een getuige bij. Dokter Irwin had zijn kamer recht tegenover die van Nelson. In aanwezigheid van Irwin eiste ik van Bull dat hij mij zou behandelen met het respect dat iemand van mijn rang toekomt. Maar in plaats van een kalmere toon aan te slaan, ontsloeg hij mij op staande voet van mijn plichten en stuurde hij me weg. Wat hem betrof kon ik niet snel genoeg achter de Ohio verdwijnen. Ik was furieus. Hoe zou je zelf zijn?’ Hoe ik zelf zou zijn? In elk geval niet zo verdomde koppig, dacht ik. ‘Had één van beiden zich niet beter wat inschikkelijker opgesteld? Je had de verstandigste van de twee kunnen zijn.’ ‘Inschikkelijk? Verstandig? Moest ik dan mijn eigen rang en eer verloochenen door mij als een voetveeg te laten behandelen door die bullebak?’ Ik nam aan dat het een retorische vraag was, en dat was het ook, want hij ging meteen verder. ‘Ik dus terug naar Cincinnati. Maar intussen bereikte generaal Buell Louisville, en die stond, zoals je ongetwijfeld weet, hoger in de pikorde dan Nelson.’ ‘Waardoor er voor jou geen reden meer was om uit Kentucky weg te blijven.’ ‘Precies. En de negenentwintigste stond ik alweer in het Galt House, maar ik was de vernedering nog niet vergeten. Oh nee, helemaal niet!’ Zijn ogen fonkelden. Het leek wel of hij er schik in had. ‘Het was een drukte van jewelste in de grote hall. Ik ontmoette er verschillende bekenden van vroeger, waaronder mijn goede vriend gouverneur Morton. Alles ging prima eigenlijk, tot ik Nelson zag staan.’ Weer onderbrak hij zijn betoog. Een paar seconden lang sloot hij zijn ogen, ongetwijfeld om zich de exacte omstandigheden van toen voor de geest te halen. Ik zou er elke dollar in mijn zak voor verwed hebben dat hij in staat was om iedere persoon die zich op dat tijdstip in het hotel had bevonden niet alleen bij naam te noemen, maar ook nog eens uitvoerig te beschrijven. ‘Hoe moet ik dat aan een jongmens als jij uitleggen? Hoe Bull daar tegen de balie geleund stond in een vest dat veel te net en veel te wit over zijn dikke buik spande, uitdagend de zaal in kijkend met die geniepige oogjes en dat spottende grijnslachje van hem … Er knapte iets in mijn hoofd. Ik stormde op hem af, herinnerde hem aan zijn beledigingen en eiste genoegdoening.’ ‘Je zou iets in zijn gezicht gegooid hebben, heb ik gehoord.’ ‘Pas nadat hij mij opnieuw beledigd had. Ik moet in mijn nervositeit – ja, ik was zenuwachtig – een visitekaartje van de balie genomen hebben om het te verfrommelen. Het is idioot, maar ik moet altijd iets in mijn handen hebben, dat heb je misschien al gemerkt.’ Dat had ik inderdaad. De ganse duur van ons gesprek zat hij al aan zijn glas en aan het boek te prutsen. ‘Bull wilde mij daar weg, maar ik bleef bij mijn standpunt. Toen hij mij een vervloekte hond noemde en zei dat hij niks met mij te maken wilde hebben, mikte ik de prop in zijn gezicht. Heb jij als jongen geknikkerd, kolonel?’ ‘Af en toe.’ ‘Ik was er goed in. Nog steeds. Ik raakte hem precies in het oog. Maar toen haalde hij uit met zijn hand. Hij uitte eerst zijn ongenoegen bij de gouverneur, en stoof dan weg in de richting van de trappen.’ Ik was intussen voldoende op mijn gemak om te durven vragen hoe zijn eigen gemoedstoestand op dat moment was geweest. Het antwoord op die vraag kon mij helpen om een correct oordeel over de gebeurtenissen te vormen. ‘Ik was voor de tweede keer op rij diep vernederd, uiteraard, maar merkwaardig genoeg kwam er een soort rust over mij. Alsof ik een verdovend middel had gerookt, zoals de wilden soms doen. Hoe dan ook, er ontstond wat beroering in de hall. Het was uiteindelijk Thomas Gibson die mij van een wapen voorzag. Ik kende Gibson goed uit mijn tijd in Mexico. Een prima kerel.’ Ik vond dat hij er nogal licht over ging. Een vuurwapen is geen onschuldig voorwerp, zeker niet in het bezit van een vernederd man. ‘Ik baande mij een weg door de hall en vond Nelson onderaan de trap. Blijkbaar was hij teruggekeerd van zijn kamer, waarom weet ik niet.’ ‘Was hij gewapend?’ ‘Nee. Maar ik dus wel. Het pistool van Gibson lag in mijn hand alsof het nergens anders thuishoorde. Ik had de vinger al aan de trekker. Ik weet nog dat het wapen blonk. Het was net opgepoetst. Vreemd dat je daar op zo’n moment op let.’ ‘Zeiden jullie nog iets tegen elkaar?’ ‘Nee. Hij keek me gewoon aan. Zelfs met een pistool op hem gericht slaagde hij er niet in de arrogantie uit zijn gezicht te wissen. Had hij verschrikt gekeken, zoals ieder weldenkend mens in die situatie zou doen, had ik misschien niet geschoten.’ Mijn hart ging sneller slaan. Eindelijk kwam hij ter zake. ‘Maar je deed het toch.’ ‘Ik vuurde, en hoewel hij vlakbij stond was hij niet op slag dood. De kogel moet ergens in zijn vetlagen blijven steken zijn. Hij slaagde er nog in de trap op te klauteren. Ik was te verbaasd om het karwei af te maken. Boven in de gang zeeg hij dan toch neer, maar hij leefde nog steeds, en hij bloedde als een rund. Wat dat betreft had hij zijn bijnaam niet gestolen.’ Dat hij generaal Nelson afschilderde als een stuk vee dat het verdiende geslacht te worden vervulde mij met walging. Davis moet dat gezien hebben, want zijn ogen waren op mij gericht, maar hij vervolgde zijn verhaal zonder spoor van empathie voor zijn slachtoffer of voor mij, zijn gesprekspartner. ‘Plots was het een komen en gaan van mensen. Er werden een dominee en een dokter bij gehaald. Het mocht niet baten. Minder dan een uur later was Bull dood.’ ‘Wat gebeurde er met jou?’ ‘Ik werd gearresteerd door generaal Fry, nota bene een vriend van mij. Ik nam het hem niet kwalijk. Integendeel, het deed me goed om afgezonderd te worden en mijn versie van de feiten aan een vertrouwensman mee te delen.’ ‘Waarom ben je niet gevlucht?’ ‘Is dat wat jij zou doen, kolonel? Ik heb gedaan wat ik heb gedaan, en een man moet verantwoordelijkheid opnemen voor zijn daden. Niet wegvluchten als een bange wezel.’ Het nauwelijks verdoken verwijt stoorde me mateloos. Ik liet het echter niet merken, omdat ik het vervolg van deze onverkwikkelijke historie niet wilde missen. ‘Ben je veroordeeld voor de moord?’ ‘Nooit. Nochtans waren er genoeg die mij wilden zien hangen. Helaas voor hen waren er niet voldoende officieren beschikbaar om een krijgsraad in te stellen. Er is een poging gedaan om de zaak door Washington te laten regelen, maar daar moest men er niet van weten. Er konden gewoon geen competente bevelhebbers gemist worden, ook ikzelf niet. Na een week of twee werd ik vrijgelaten. Het was een chaotische tijd. Dat is het natuurlijk nog steeds. Niemand heeft de moeite genomen om mij binnen de wettelijke termijn officieel in beschuldiging te stellen. Zoveel vrienden had Nelson dus blijkbaar ook niet.’ Op dit punt aanbeland kon ik mijn ergernis niet langer verborgen houden. Ik greep de leuning van mijn stoel vast en boog voorover. ‘Maar dat is onvoorstelbaar! Je hebt in koelen bloede een ongewapende man vermoord, en je komt ermee weg!’ ‘Hoeveel mannen heb jij in deze oorlog al gedood, kolonel?’ Ik moest het antwoord schuldig blijven. Het waren er veel, misschien té veel, en als artillerist ben je nooit rechtstreeks getuige van de verwoesting die door je kanonnen wordt aangericht. ‘Dat waren vijandelijke soldaten, dat is iets anders. Jij hebt een kameraad gedood.’ ‘Een kameraad? Laat mij niet lachen. Wie treft meer schuld, kolonel? De zuidelijken die, weliswaar door dwaasheid gedreven, hun eigen huis en haard verdedigen, of zo’n opgeblazen kikker als Nelson die er plezier in schept zijn mede-officieren te vernederen?’ ‘Gesteld dat hij inderdaad een onaangenaam mens was, dan nog heb je ons leger van een bekwaam generaal beroofd.’ ‘Of ik heb plaats gemaakt voor iemand die nog beter is, en sympathieker bovendien. Toegegeven, ik had hem liever in een eerlijk duel gedood. Maar de omstandigheden beslisten er anders over.’ ‘De omstandigheden? Jij bent degene die naar een wapen heeft gegrepen.’ ‘Omdat ik het nodig dacht te hebben om mij te verdedigen. Ik wist niet anders of Bull zou zelf een wapen gedragen hebben wanneer ik hem terugzag.’ ‘Daarin heb je je dan vergist.’ ‘Ja, maar wat maakt het uit? Hij had mijn eer bezoedeld, mijn waardigheid aangetast, en dus had ik recht op genoegdoening. Het had allemaal wat eleganter kunnen verlopen, maar ik heb geen spijt dat ik geschoten heb.’ ‘Je spreekt over recht? Het recht dat je in eigen handen hebt genomen?’ ‘En het recht waarvoor ik ter beschikking stond na het fatale schot. Ik ben niet weggelopen. Ik zou elke rechtvaardig uitgesproken straf met opgeheven hoofd aanvaard hebben.’ Mijn bloed kookte. Die duivelse man had op alles een antwoord. Elk van mijn verbale aanvallen werd met een trefzeker weerwoord gepareerd. Ik verloor elk gevoel voor decorum, vergat de hiërarchische kloof die tussen hem en mij gaapte totaal. ‘Dat is makkelijk praten, nu je weet dat je op vrije voeten bent. De waarheid is dat het recht, waarnaar je zo ijdel refereert, nooit zijn beloop heeft gehad.’ Op dat moment nam hij de bijbel van tafel en begon er schijnbaar achteloos in te bladeren. ‘Het recht der mensen misschien niet,’ zei hij. ‘ De Almachtige daarentegen zal over mij oordelen wanneer de tijd rijp is, zoals hij dat over iedereen zal doen. En wie zegt dat het niet de Heer zelf is, die het pistool in mijn hand heeft gelegd?’ ‘Pardon?’ ‘Het boek der wijsheid. De Allerhoogste zal zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.’ ‘Ik dacht dat onze vijanden in het zuiden leefden. Hun president draagt dezelfde naam als jij: Jefferson Davis. Hoe toepasselijk.’ ‘Toepasselijk, inderdaad. Mijn ouders hebben mij vernoemd naar Jefferson, het verlichte brein achter onze grondwet, en naar Columbus, de ontdekker van dit wonderlijke continent. Een mooiere naam voor een patriot is ondenkbaar. Me dunkt dat het eerder die afvallige in Richmond is, die zijn naam gestolen heeft. Mijn naam!’ Buiten rukte de koele avond gestaag op, maar in de tent maakte de hitte van overdag nog steeds de dienst uit. Mijn huid werd aangevallen door een leger van kleverige zweetdruppels. Generaal Davis had minder last van de temperatuur. Niet gehinderd door enig protocol had hij zijn uniformjas losgeknoopt. Bovendien genoot hij van zijn drankje, terwijl ik al urenlang geen vocht meer had binnengekregen. ‘Ik begrijp niet hoe een eerzaam man zo rustig kan blijven na het stellen van een daad zo vreselijk als het vermoorden van een mede-officier. Hoe zijn geweten hem niet bezwaart. Hoe hij de slaap kan vatten.’ ‘Dat kan hij omdat hij ook maar de rol vervult die het lot hem heeft toebedeeld. Schat je jezelf hoger in dan mij, kolonel?’ Ik schraapte mijn droge keel. ‘Ik zou in elk geval geen strijdmakker doodschieten.’ ‘Dat dacht ik voor de gebeurtenissen in Louisville ook. Toen ik nog niet op de proef was gesteld door omstandigheden waar ik geen vat op had.’ ‘Sta mij toe de zaken anders te zien. Het beeld dat ik van jou had gekregen door de verhalen die over je werden verteld, is door dit gesprek niet afgezwakt. Ik denk dat het voor ons beiden beter is als ik morgen een aanvraag tot overplaatsing indien.’ ‘Ik zal ze niet goedkeuren. Je blijft onder mijn bevel.’ ‘Waarom? Wat heb je aan een ondergeschikte die jouw deugdzaamheid in vraag stelt?’ ‘Laat ons zeggen dat ik nieuwsgierig ben. Nieuwsgierig naar wat er zal overblijven van de jonge deugdzame dwaas die je bent als we door Georgia zijn heen getrokken.’ ‘Jonge dwaas? Ik was de beste van mijn jaar op West Point!’ ‘En de beste ooit op het vlak van ballistiek, dat weet ik. Ook daarom wil ik je in mijn divisie houden. Maar je bent ook een idioot. Omdat je niet inziet voor welke gruwelijke opdracht we hier staan. Ik ken Sherman. Hij is de beste commandant die we hebben en hij zal ons naar de overwinning leiden, maar de triomf zal duur bevochten worden. Misschien overleven we dit en wordt ons achteraf een onderscheiding opgespeld. Worden we als helden onthaald en geprezen als mannen van eer. Maar onze zielen zullen voor altijd besmeurd zijn met het bloed van de onschuldigen die door onze hand zijn gedood. Mannen en ja, ook vrouwen die Bull Nelson in deugdzaamheid ver overtreffen. Dus bespaar me je gezeur over plicht en rechtschapenheid.’ Mijn ergernis sloeg om in woede. Voor wie hield deze man zich dat hij meende mij op deze manier de les te moeten lezen? Alsof ik nog een groentje was aan de academie. Ik wilde hem van antwoord dienen, maar mijn greep op de situatie verslapte. Mijn slapen bonsden, mijn keel brandde. De geur van mijn eigen zweet drong mijn neusgaten binnen. Enkel de ogen van Davis en het boek in zijn hand zag ik nog helder voor me. De rest danste om me heen. En nog was zijn vernederend betoog niet ten einde. ‘Je vindt jezelf heel wat, nietwaar kolonel? Eén en al plichtsbewustzijn, vaderlandsliefde en voornaamheid. Maar Sherman, die rosse duivel, zal ons meevoeren naar de hel. Er zullen momenten zijn dat je wenste dat die hoer van een moeder van je jou nooit ter wereld had gebracht.’ De Colt had al die tijd in mijn holster gezeten. Ik was er mij amper van bewust, tot dat moment. Ik trok het wapen zonder er bij na te denken. Tegelijk veerden we overeind. Ik weet niet meer hoe lang we daar precies stonden. Ik met de revolver op hem gericht, hij met de bijbel voor zijn hart, erop vertrouwend dat het Woord Gods zou volstaan om het fatale schot af te weren. We zijn nu vijftig jaar verder en nog steeds gaat er geen dag voorbij zonder dat ik mij de vraag stel: wat als ik de trekker had overgehaald? Wat als ik niet bevend mijn arm had laten zakken terwijl hij mij onverstoorbaar bleef aankijken? Ik weet het niet. Ik weet wel nog wat ik toen zei. ‘Doe mij toch maar die bourbon.’         Noot van de auteur: De moord van Jefferson Columbus Davis op William “Bull” Nelson is historisch. De verteller in dit verhaal en zijn dialoog met Davis zijn fictief.

Bert
0 0

Dan was het zomer

En dan vertrek je op vakantie. Pas op, het is meer dan 10 jaar geleden. De mannen waren nog klein mannen. Dan heb je eindelijk beslist welke korte en lange broek en welke schoenen je meeneemt, naast degene die je aan hebt want die moet je ook meetellen, en dan zwijg ik nog over de spullen van de mannen die mee op de achterbank moeten. Elk hun koffertje. Het ene koffertje was oranje met Winnie de Poeh op. Toch gek dat je sommige zaken niet vergeet. Dan vertrek je voor een rit van bijna 1000 kilometer. Met de wagen die toch al wat jaren had. “We wagen het er op”, zeiden we als grap, dat weet ik ook nog.   Niet lang nadat je Brussel gepasseerd bent, verdwijnt Studio Brussel van de radio. En dan moet je ook door Parijs. “Op de Périphirique”, hadden ze me gezegd, “wil het wel eens druk zijn”. Tja, het was inderdaad met geen enkele ringweg te vergelijken. Dan is die van Brussel een gewestweg. Dan ben je daar eindelijk door en dan rij je fout. Op die honderd kilometer zal het wellicht ook niet steken. We waren al blij dat Parijs achter ons lag. Later zouden we daar nog wel eens naartoe rijden. Gewoon, naar de lichtstad. Nu lachen we daar een beetje mee. “Weet je nog, toen we hier voor eerst door moesten?”   Dan kom je op de plaats van bestemming en dan verschijn je even in het leven van de mensen ter plaatse. En dan begint de dag met de vraag: “Wat zullen we straks eten?” En dan bezoek je marktjes en doe je eigenlijk niet veel en dan heb je het wel goed. Met dat boek aan het water, maar toch moet er ook wat animatie zijn voor de mannen. En dan denk je stiekem toch ook al aan die terugtocht, waar je een beetje tegenop ziet. Opnieuw 1000 kilometer. Opnieuw die Périphirique. Ondertussen kan je het al foutloos schrijven.   De tijd vliegt, zeker op vakantie, en dan ben je ondertussen opnieuw door Parijs en dan zie je “Bruxelles” terug op een bord verschijnen. Nog eens 350 kilometer en dan kan je Studio Brussel ontvangen. “Dat is toch altijd een beetje thuiskomen”, zeiden we altijd. Maar dan hoor je één van de klein mannen op de achterbank zeggen. “En wanneer gaan we nu naar de zee?” Tja, dan zou je toch. Niet?

Rudi Lavreysen
20 0

Een laatste glas

“De wijn is heerlijk.” Hij wiegde het glas en keek hoe de rode druppels weer naar beneden gleden. Exact de goede hoeveelheid tanines. Ze lachte. “Ik dacht wel dat je het hier fijn zou vinden.” Hij bleef naar zijn glas kijken. “Het is lang geleden dat ik nog ergens zo van genoten heb.” Ze kon niet vermoeden hoeveel moeite het hem had gekost vanavond tot hier te komen, zijn nette kleren uit de kast te halen en met haar aan tafel te zitten. Hij had gevreesd dat hij nooit zolang zou kunnen stilzitten en dat hij er zeker niet in zou slagen verschillende gangen naar binnen te werken. Het eten had hem gesmaakt.   Hij had zich laten overtuigen in een zeldzaam moment van melancholie, een vluchtige heimwee naar betere tijden. Of misschien was het gewoon onoplettendheid. Een collega van de boekhouding had hem geblokkeerd aan het kopieerapparaat. De doorgang was te smal om met twee personen te passeren en zijn minder ijverige collega’s zagen dan hun kans schoon om er een praatje te doen. Hij was populair om praatjes mee te doen omdat hij zelden iets vertelde over zichzelf en daarom bekend stond als een goede luisteraar. Zijn collega’s wisten niet dat het hem simpelweg aan interessante levensverhalen ontbrak, en dat je mysteries gemakkelijker in stand houdt door erover te zwijgen.   Zijn collega van de boekhouding had zijn arm uitgestoken en leunde tegen de muur, terwijl hij nog bezig was zijn offertes in te scannen. Hij keek zijn collega aan, die zichzelf met één blaadje koelte toewuifde. “Je kan wel voor hoor, ik ben nog wel even bezig.” “Geen nood. Geen nood. De papiertjes gaan niet lopen.” Zijn collega gaf hem een samenzweerderige knipoog. “Jij bent vrijgezel he.” Hij keek verbaasd op en knikte. Waar ging dit naartoe? Enkele minuten later had hij ingestemd met een blind date met de onderbuurvrouw van Will, die als maatschappelijk assistente werkte en weduwe was. Will had niet verteld dat ze ook zwijgzaam was, of liever dat ze haar antwoorden met zorg koos, dat ze geen woord teveel gebruikte en lang nadacht wanneer hij een vraag stelde. Vreemd genoeg was dat al voldoende om hem zelf aan het praten te krijgen.   “Ben je een wijnkenner?” Ze keek toe hoe hij zijn neus in het glas stak en zijn ogen sloot als hij de dampen opsnoof. Ze wist natuurlijk niet dat het al lang geleden was dat hij op deze manier wijn gedronken had. Hij was een wijnkenner, jazeker. Op zijn veertiende had hij kennisgemaakt met de geneugten van wijn, via zijn nonkels die vonden dat hij oud genoeg was voor enkele glazen. Hij had het een heerlijk gevoel gevonden, een lichtheid in zijn hoofd die langzaam naar boven steeg. Zijn hand werd vaster, zijn stem werd luider, hij maakte een grapje tegen zijn nichtje en ze lachte. Het klonk als gerinkel in zijn oren. Hij heeft nog moeten overgeven in de auto, terwijl zijn moeder zijn nonkels verwenste. Ondertussen had hij de leeftijd van zijn zatte nonkels bereikt en moest hij nooit meer overgeven van wijn. “Ik ben sommelier geweest.” Ze kneep haar ogen tot spleetjes, waardoor er een zachte frons op haar voorhoofd verscheen. “In een vorige leven.” Hij zette zijn glas neer en wuifde met zijn hand, als om aan te tonen hoe weinig het betekend had. Een fase, iets dat voorbij waaide tot hij op zijn plek zat waar hij nu was, in de wereld van de computeronderdelen. Ze bleef zwijgen en hij wist ondertussen dat ze wachtte op meer uitleg. Ze stelde geen vragen, ze wachtte alleen maar. Het was een heerlijkheid om te praten tegen iemand die geen vragen stelde.   “Ik werkte voor een restaurant. Een goed restaurant, het leek wat op deze plek. Je hebt een goede smaak.” Ze beantwoordde zijn glimlach maar ze liet zich niet afleiden van het onderwerp. Het restaurant waar hij werkte. De rust die het uitstraalde, de tafels die ver uit elkaar stonden, zodat je je zelfs niet kon storen aan klierende kinderen. De retrotegels. De muziek die je niet opmerkte maar die je wel mee dronk en at. En de heerlijke wijn, die niet alleen goed smaakte maar die je terug veertien deed voelen en je de moed gaf om iets te proberen dat misschien succes kon hebben. Hij legde zijn hand op haar hand, heel snel en vluchtig. Ze lachte opnieuw. “Waarom ben je gestopt?” Hij tikte zachtjes tegen zijn wijnglas. “Ik kreeg sinusitis en liep voortdurend rond met een verstopte neus. Ik kon niet meer zo goed ruiken als vroeger, en ze hebben me laten gaan.” Het was de eerste keer deze avond dat hij een echte leugen vertelde. Hij was misschien niet volledig open geweest over zijn echtscheiding en de reden waarom zijn kinderen maar één keer per maand op bezoek kwamen. Maar hij had nog niet hoeven liegen tegen haar. Nu had hij deze avond bezoedeld, hij kon geen avond met iemand doorbrengen zonder te liegen. Hij staarde naar zijn glas wijn, het zachte rood dat hem zachtjes leek toe te fluisteren. Kom, kom dichter en verdrink in ons. Hij wilde verdrinken, zich over het glas buigen en wegzinken in het diepe rood.   Hij had aan dit moment gedacht toen hij enkele uren geleden voor de spiegel stond en zich afvroeg wat hij kon doen om zijn haar in model te krijgen. De avonden. Hij kwam de dagen moeilijk door, maar ze waren niets in vergelijking met de avonden. ’s Morgens kon hij zich bedwingen, dan nam hij één glaasje whisky zodat zijn spieren kalmeerden en hij kon doen wat alle normale mensen doen: de deur achter je dichttrekken. Hij vergat nooit zijn tanden twee keer te poetsen en zich te voorzien van pepermuntjes voor het geval hij gebruik maakte van zijn noodvoorraad overdag. Dat was gelukkig zelden nodig, tenzij zijn collega’s hem teveel lastig vielen bij het kopieerapparaat. Wanneer hij ’s avonds in zijn auto stapte en zijn spieren begonnen te tintelen, zijn oogleden begonnen te trillen, kwam er vreemd genoeg ook kalmte over hem. Binnen enkele ogenblikken kon hij zich verliezen. Hij hield het al jaren vol op deze manier. Natuurlijk had zijn huwelijk niet standgehouden, al had hij verschillende keren geprobeerd boven water te blijven. Hij was naar bijeenkomsten geweest, had pillen genomen die zijn geliefde wijn in vergif veranderden, hij was beginnen fitnessen en beginnen roken. Maar zijn drang was sterker geweest dan de liefde voor zijn vrouw. Meestal zag hij het als een mislukking, soms vroeg hij zich af of hij de roes niet gewoon te heerlijk vond.   “Gaat het wel?” Ze keek hem bezorgd aan met ogen die groter leken dan enkele uren geleden. Haar trekken waren langzaam zachter geworden, er was een blos gekomen op haar bleke wangen en haar tanden zagen rood van de wijn. Hij knikte. Hij knikte terwijl hij zijn oogleden voelde trillen en zijn spieren voelde spannen, terwijl er een dun straaltje zweet van zijn oksels naar zijn buik gleed. “Het gaat hoor. Maar het is al laat en we moeten allebei werken morgen, misschien moeten we maar eens…” Zijn adem stokte. Het versterkertje voor zijn  vertrek en de twee glazen wijn bij het eten waren onvoldoende om zijn lichaam te kunnen negeren. Na één avond was de drang weer sterker dan het verlangen om zijn sprankelende tafelgenote beter te leren kennen, haar binnenstebuiten te keren, haar zijn geheimen op te biechten, haar aan te raken. Haar op te drinken. “Zie ik je nog eens?” Hij knikte. “Ja, heel graag. Maar eerst is er iets dat ik moet doen.”

Marie Jacobs
0 0

Stof

Vorige maand werd ik vijftien. In juni. De heerlijke vakantieperiode kwam eraan. Nu ben ik niet meer dan een verzameling asdeeltjes uitgestrooid op een wei. Het zomerverlof is al bijna halverwege. Het gaat niet goed met jou papa. Dat zie ik. Hoe ik dat weet? Dat is niet moeilijk. Vroeger kon ik maar op een plaats tegelijk zijn. Nu ben ik overal. Wie was dat ook alweer die overal was en alles zag? Op alle plaatsen waar je bent, probeer ik je te volgen. Op je werk ben ik binnengeglipt via je computertas. Je moest uiteindelijk terug naar je baas na enkele weken sociaal verlof. Jouw baan zou je de nodige afleiding bezorgen. Je zou niet steeds aan me zitten denken. En dat bleek wel min of meer te lukken. Je opnieuw concentreren op je werk ging elke dag een beetje beter. Maar als het vijf uur werd loerde het diepe, zwarte gat om de hoek. Zodra je thuiskwam ranselde het je plat. Op je knieën ging je. Het nam je bij jouw keel. Het wurgde je. Je werd op de grond gegooid en bij elkaar geveegd in een hoek. Honderd messteken kreeg je in dat hart van jou gesplitst. En toch bleef die levensspier kloppen, godverdomme. Voor jou mocht ze stoppen te slaan. Stoppen, dat slaan. Slaan. Helemaal murw was je. Jouw lichaam was geradbraakt. Jouw hoofd was kapot. Ik zag je afzien papa. En elk stofdeeltje van mijn lichaam voelde met je mee. Een jaar eerder waren mama en jij gescheiden. Niet bepaald als goede vrienden maar correct, om mij te sparen. Natuurlijk deed het mij pijn dat jullie uit elkaar gingen, maar ik zag ook dat het beter was, zo.Die weekends met jou, tweemaal in de maand, vond ik echt tof. Een papa gaat nu eenmaal anders om met zijn veertienjarige puberende dochter dan een beschermende moeder, zoals mama was. Maar deze nieuwe levenstoestand van jou en mij heeft niet lang mogen duren. Het spijt me zo papa dat ik opnieuw ziek ben geworden. Dat die etter van een kwelgeest mij maar niet wilde loslaten. Drie jaar na die eerste keer had hij mij weer bij de strot. De achterzijde van mijn strot. Hij zat met zijn paarse klauwen achter elke zenuw van mijn hersenstam. De lafaard. Daar verschool hij zich. En deze keer had hij geen compassie. De smeerlap. Ik moest eraan. Ik probeerde sterk te zijn papa toen ik merkte dat ik weer herviel. Jij en mama hebben me echt goed opgevangen.Mama op haar manier. Jij op de jouwe.Een maand geleden nog bracht je me naar een optreden in Brussel. Gedurende enkele uren kon ik alles van me losgooien en ik voelde me gewoon, gezond. Zoals elke tiener hoorde te zijn. Gezond. Een duur woord. Een ijdel woord, blijkt achteraf. Ik zag hoe je genoot door mij te zien genieten. Wie kon vermoeden dat alles anders zou uitdraaien slechts enkele dagen later? Ik niet. Jij? Ja, mama en jij zullen wel méér hebben geweten. Veel meer dan ik. Daar ben ik zeker van. Jullie hebben me ontzien zodat ik met volle moed kon toeleven naar die tweede grote operatie. En daardoor voelde ik er mij ook klaar voor. Klaar voor de tweede strijd tegen dat monster. Klaar voor de revalidatie erna en klaar om daarna definitief mijn leven weer aan te vatten en het niet meer af te geven. Tenzij binnen negentig jaar. Die negentig verhoopte jaren bleken slechts negen dagen te zijn. Drieduizendzeshonderdvijftig keer minder lang. Want het ging niet meer papa. Mijn lichaam was op. Mijn jonge lijf was kapot. Wat was ik graag bij jullie gebleven. Ik had mij al lang gesetteld in die toestand van het laatste jaar. Ik ontdekte er zelfs de voordelen van. Binnen drie jaar zou toch weer alles anders worden als ik verder zou gaan studeren. En daarna, ja, dan zou ik op mijn eigen benen moeten gaan staan, niet? Mijn eigen benen, papa, weet je nog? Drie jaar geleden, enkele dagen na mijn eerste operatie? Je verschoot jezelf een bult toen je me kwam bezoeken en me terugvondt op de ziekenhuisgang. Spillebenen en knikkende knieën. Graatmager maar o zo blij was ik dat ik dat tengere lijf van me heel even zelf kon besturen. Twaalf werd ik toen in het ziekenhuis. Verjaren mocht ik. Weer verder leven. Ik werd op enkele weken tijd volwassen. Niet van lijf en leden, wel in mijn hoofd. Want ik wist wat ik had doorstaan en wat de dokters voor mij hadden gedaan. Een nieuwe kans die ik graag wilde aannemen. Maar baby’s, kinderen en jongens en meisjes, zoals ik, zijn toch zo gegeerd door dat monster. Dat is verzot op dat jonge vlees. Dat is belust op die jonge lichamen die zich niet kunnen verweren en die, onwetend, zijn vuile woekerende cellen helpen vermeerderen. Daarom is dat monster zo’n rotzak. Ondertussen weet ik dat mama je verteld heeft van mijn briefje. Ik kan niet uitleggen hoe kwaad ik wel was toen ik twee maanden geleden in een tijdschrift las dat jonge slachtoffers van het monster het wel konden vergeten. In een uitvoerig antwoord aan de redactie legde ik mijn miraculeus herstel uit. Wie durfde te beweren dat je deze strijd niet kon winnen? Dat ik de oorlog, die er nu al drie jaar woedde, niet kon winnen? De brief werd in een omslag gestopt maar bij gebrek aan postzegel aan de kant gelegd. Nooit werd hij gepost. Het hoefde niet meer. Want het monster was weer opgestaan en reeg mij aan zijn duivelsklauw. Ik kan enkel zeggen papa dat ik mijn best heb gedaan en ik wens je alleen maar goed toe. Ik mis je papa, al zie ik je elke dag en overal. Doe dus maar zoals de meeste mannen die het in hun eentje moeten rooien. Poets maar niet teveel en niet te grondig. Laat wat vuil achter in een hoekje of spleet. Misschien ben ik wel een van die bewoners van die holletjes of kiertjes. Vaag of borstel me niet weg. Want ik blijf jouw stof, jouw Stef, jouw Stefanie.

Marc M. Aerts
18 0

STRINGELING

Het is midden juni en de oceaan is al behoorlijk opgewarmd. Het is de eerste keer dat wij zo laat op het seizoen op Tenerife zijn. Voor het eerst zien we de lokale bevolking tijdens de weekeindes naar de strandjes naast het stadje Las Galletas afzakken. In de voor ons, in de winter, zo verlaten kreekjes krioelt het nu van locals met tentjes, picknicktafels, bbq’s, kinderen en honden. Bijna nergens op de toeristische stranden van Los Cristianos of Playa, zag je ze, maar hier kan je er niet naast kijken. Het lijkt plots alsof de tijd hier een 3decennia heeft stilgestaan. De revival van de monokini-string ! Zo’n dertig jaar geleden moesten wij vrouwen op de zuiderse stranden  allemaal met de billen bloot. Nu hadden wij eerst jaren besteed aan het bruinen van onze twee koplampen en nu kwam daar zo’n blote-gat-mode bij. Alvorens wij onze eerste stappen met zo’n kontreepje op een zonnig strand zouden zetten, gingen er eerst maanden van voorbereiding aan vooraf. Er werd gedieet, vetverbranders, hongerstillers en waterafdrijvende pillen geslikt. Wij gingen naar de fitness en onder de zonnebank en tubes zelfbruinende crèmes en tonnen afslankzalven werden tevergeefs over striemen en cellulitis gewreven, om toch maar straks met dat strakke kontje langs de vloedlijn te kunnen lopen. Maar doordat onze vooruitstekende en achterste lichaamsdelen praktisch nooit voorheen aan de zon blootgesteld werden, bleven ze dan ook, al onze inspanningen ten spijt flauw roze afgietsels in plaats van een Cécémelk- kleurige borstpartij en een krokant chocoladebruin  poepegatteke. En dan was daar eindelijk het vakantiemoment, dat je op de allereerste dag in monokini met je allereerste reetveter en met je alsnog uiterst melkwitte toeters en je marmerwitte krentenbroden in de brandende zon richting zee kon schuifelen. Als je na het zwemmen als een halfblote nimf uit de golven herrees en je de sexy, geile machoblikken van de mannelijke zonnebaders langs je lichaam voelde glijden, ging je heupwiegend terug richting strandhanddoek. De ellende begon maar pas als je je per ongeluk naast je badhanddoek in het warme zand liet neervallen. Nat zand schuurde van voor naar achter tussen je zwetende twee konthelften en maakte je doos en je plooirokje tot gloeiende vulkaanrandjes. Je kon aan die gatflosser trekken zoveel je wilde, met elke beweging striemde de binnenkant van je dijen van blaarroze tot ‘rauwrood’.  Na een dagje zonnen kan ik jullie verzekeren dat de aftocht met je twee flashy voorbumpers en een duo knalrode krentenbollen richting douche een martelgang bleek te worden. Het leek alsof er een fietsketting tussen je twee halve manen op en neer ging. Al meteen na de eerste stranddag werd het stringmarteltuigje verbannen en kwam de oerdegelijke bikini terug uit de koffer. En nu, op dit Tenerife strand, leek het alsof de modewereld eventjes 30 jaar had stilgestaan of dat deze Canarische dames de renaissance van de string een nieuw leven inbliezen. Een nieuwe tendens was gezet. Er waren geen bikini ensembles meer te zien, maar de boven- en onderkanten moesten minstens in twee totaal verschillende kleuren of diverse designs hebben. Jong, oud, anorectisch, mager, perfect geproportioneerd, mollig, dik en moddervet, iedere vrouw met een tatoe op zijn gat had zich in een monoreepje gewurmd. Tatoeages van een scheelogend madonnahoofd, een Jezus of indianenkop, een christelijk kruisbeeld, Micky Mouse (die volgens mij eerder vooraan had moeten staan), een adelaar, hartjes met letters, allerlei bloemen en onleesbare tekens versierden de halve manen. Soms was de tatoeage-inkt zodanig uitgelopen, dat er alleen nog een handgrote blauwzwarte vlek op de kwabberkonten te zien was. Diegenen die zich nog niet aan het kontkoordje waagden, hadden tekens en teksten op hun armen, buiken of kousenbanden op hun benen staan. Het was onsmakelijk leuk als je zo’n vier prentenboek beschilderde stringelings naast elkaar met de voeten in de branding zag staan. Een beweeglijke cartoon. Een Canarische tableau vivant.  Nog leuker werd het als ze zich naast elkaar in het water en daarna in het warme zwarte lavazand lieten zakken. Daarna was er altijd wel een Spaans machomannetje dat zich overgaf aan de plaatselijke sport, het naar elkaar gooien van zwarte lavamodder.  Frunnikend aan het schurende konttouwtjes en met een pijnlijke grijns liepen ze over de vulkaanstenen terug naar hun strandplaatsjes. Ik had meteen een binnenpretje. Ik wist al hoe hun dag zou eindigen..net als de mijne zo’n 30 jaar geleden, met woest ontstoken dijbinnenkanten…vanavond zou er niet gevogeld worden. Sim, zonder string, terug uit Tenerife 8/7/2017      

Sim
555 0

Dinsdag 27 juni 2017

Dinsdag 27 juni 2017 is het vandaag. En ik werd vanmorgen spontaan rond 5 uur wakker, keek naar buiten en zag het mooiste, helderste roze in de hemel, aan de voorkant van mijn huis. Ik liep naar mijn achtertuin en ook daar straalde het roze door in de lucht, maar veel teerder en zachter van kleur, meer zoals yoghurt kleurt als je er wat aardbeienvocht doorheen roert. Wat een schoonheid bevond zich daar in de lucht vanmorgen vroeg. Daar wilde ik meteen foto’s van maken. De gracht was nog helemaal rustig, afgezien van een meerkoet familie, die een nest bewoont vlakbij de brug. Zo’n 4, 5 jonkies zwommen opgewonden af en aan, en moeders draaide zich om en om op het nest, op haar grote, zilverkleurige zwemvliespoten, die in verhouding net iets te groot zijn vergeleken met haar zwarte lijfje. Ik zag een beige ei liggen, en hoopte dat ze er gauw weer op ging zitten, want hoog bovenop een puntdak loerde een meeuw en meeuwen zijn gek op verse eieren. Onlangs maakte ik mee dat een grote meeuw een snelle duik maakte en met een ei in zijn snavel een brutale landing maakte langs de gracht. Hap, slik, weg ei. Shockerend hoe snel zoiets gaat. Meeuwen moeten ook eten natuurlijk, maar één ei uit zo’n meerkoet nest is wel voldoende, vind ik. Laat ie verder maar op Scheveningen friet en haring gaan eten. Zo ver is dat niet vliegen. En die meeuw hoeft niet met de tram of de auto. Die heeft gewoon zijn eigen vleugels. Dat is nog eens milieuvriendelijk openbaar vervoer, hoewel, openbaar is het natuurlijk niet. Hij vervoert alleen zichzelf. Net zoals wij onze eigen benen hebben om onszelf mee te verplaatsen. Ik zou wel eens willen uitproberen hoe lang het lopen is naar Scheveningen. Ik ben een keer op de fiets gegaan, en dat duurde zo ongeveer een uur en nog wat. Dat valt best mee, alleen, je moet ook weer terug, en dat valt dan best een beetje tegen. Maar ik heb nu een snellere fiets met zeven versnellingen. Het is heerlijk om onderweg te zijn met de wind in je haren en een lied in je hart. Ik ga vaak spontaan zingen als ik op de fiets zit. Of fluiten. Meestal stop ik daarmee als ik iemand tegenkom. Heel soms zing of fluit ik gewoon door.      

Flora van Stek
6 0