Lezen

Het bankje

Als ik er kom, moet ik altijd aan die ene foto denken. Op die foto zie je grootvader samen met twee andere mannen. Ze zitten samen op een bankje op het kerkhof. Ze zijn alle drie gekleed in een nogal donker kostuum en ze dragen een klassieke deukhoed. Nu ik eraan denk, ik heb hem eigenlijk zelden in andere kleuren dan grijs en zwart gezien. Wat ze er deden? Gewoon, naar de mensen kijken die voorbij kwamen. Ongetwijfeld namen plakkend op de voorbijgangers. “Was er dat geen van dinges?” Niet beseffend dat de mensen meteen hoorden wat ze zegden, want hij was nogal hardhorig.   We moesten er altijd stiekem mee lachen, met die foto. Met onze fantasierijke ogen leken het er drie van de maffia. Eén van zijn maten was bovendien boomlang en had een zware snor. Hij had zo met de Godfather kunnen meedoen. Ook als hij in het ziekenhuis lag en een verpleegster boog zich over hem, keek hij altijd sluiks naar haar gezicht, gevolgd door een vraag als deze. “Ben jij er geen van dinges? Hoe heet hij weer?” En de verpleegster zei dan altijd: “Ja, ik ben er één van ….“ “Ik dacht het wel”, vervolgde hij dan, “ik zag het op uw gezicht”. Dat laatste verzon hij ter plekke, maar hij had het gesprek toch maar mooi op gang getrokken. “Uw grootvader, die heb ik nog goed gekend”, ging hij verder. Och, ergens wel hij wel een charmeur. Maar het was die tijd van het jaar. Begin november en bijna de hele dag mistig. Mistroostig zelfs af en toe. Mijn vrouw en ik gingen naar onze, echt wel, mooie begraafplaats. We stopten bij onze dierbaren en we vertelden er wat. Soms stil, soms luidop. En weet je wat? Het bankje, dat staat er nog altijd.

Rudi Lavreysen
35 0
Tip

Beestjes vangen

Om te lezen heb ik tegenwoordig enige versterking nodig. Het is een gewone zwarte leesbril, maar af en toe is het toch leuk om de wereld ook door een roze bril te bekijken. Want naast dit fenomeen kan je gewoon niet kijken. Je moet zelfs uitkijken of ze botsen tegen je op, de Pokémonjagers, omdat ze al wandelend naar hun smartphone turen. Tijdens onze vakantie verpoosden mijn vrouw en ik op een terrasje. Achter ons hadden vier jonge gasten postgevat. We hadden al snel begrepen dat ze het nieuwe populaire virtuele spel speelden. In het midden lag een extra externe batterij en de rare namen en punten vlogen door de lucht. Net als de beestjes, want af en toe trok er een gast op uit omdat er in de omgeving eentje werd gesignaleerd. Waarbij ze onze glazen bijna van de tafel stootten, want het moest snel gaan om het ding te vangen. De vier jongens waren duidelijk van het gamerstype, als ik dat mag zeggen. Zo hadden ze alle vier een nogal bleke huidskleur. Van meestal aan die pc te zitten natuurlijk. Daarom alleen was het goed dat ze een keertje buiten kwamen. De ene jongen had het nog gedurfd om een korte broek aan te trekken. Zijn benen mochten ook dat kleurtje krijgen. Zo trok ik zelf een keer nogal vroeg op het jaar met korte broek naar het containerpark. Daar kreeg ik te horen dat mijn tl-buizen niet in de container mochten. Een geslaagde grap, dat wel. Afijn, we hebben met veel plezier naar de Pokémonjacht zitten kijken. Zoals zij ook plezier hadden. Kortom, iedereen content. Maar waar ik aan dacht, die namiddag op dat gezellige terras. Mochten de mensen van ‘toen’, van voor het internet, nog eens terugkomen en dit fenomeen aanschouwen, ze zouden zeggen: ‘ze vangen’.

Rudi Lavreysen
69 0

Het bakske

Het was een eindejaarsdag. We zaten in een fijne zaak voor een koffie en een kerstbier. Toen plots mijn telefoon rinkelde en nogal lawaai maakte. We hadden bekijks. Dju toch, vergeten op stil te zetten natuurlijk. Aan de tafel achter ons zaten een man en een vrouw een smakelijke verse kop soep te eten. De man zag dat we allebei tegelijk op onze telefoon iets aan het intypen waren. Hij zei halfluid tegen zijn partner, zodat wij het ook hoorden, het volgende: “Amai, dat moet plezant zijn, allebei zo’n bakske om mee te spelen. Geweldig sociaal contact hebben die met elkaar.” En hij ging verder met zijn soep. Ik keek hem even aan,  maar ik had niet zo één-twee-drie een antwoord klaar. Eenmaal thuisgekomen zat mijn niet-gezegde antwoord helemaal in mijn hoofd. U kent dat gevoel ongetwijfeld. Ik heb het voor de gelegenheid dan maar even opgeschreven:“Akkoord meneer, wij waren inderdaad daarnet allebei met onze smartphone bezig. Maar ik moet u toch even iets zeggen. Ik ben misschien niet de oudste, maar ook niet meer de jongste. Ik heb het nog meegemaakt dat er van een smartphone, of internet, geen sprake was. Wat een vooruitgang toch. Ik herinner me nog een anekdote van vroeger. We waren niet zo ver van huis aan het voetballen en ik moest rond etenstijd thuis zijn, maar ik was de tijd uit het oog verloren. Toen plots mijn broer afkwam met een walkie talkie in zijn hand. Hij had met ons ma afgesproken dat ze op de knop moest drukken en ‘Rudi, nu naar huis komen’ in de walkie talkie moest zeggen. Echt gebeurd en geweldig goed gevonden. Maar ik wil toch niet meer terug naar de tijd zonder gsm. Ik moet u ook zeggen dat we allebei een voltijdse job hebben. En ja, als je dan niet aan het werk bent, praat je normaal met elkaar. Wees gerust, we doen dat ook. Maar iedereen is met dat bakske altijd dichtbij. Als de mannen thuis iets moeten hebben, of ze zijn niet thuis, is dat bakske echt wel een oplossing of een geruststellend instrument. En ik kan op dit bakske altijd mijn krant lezen. Toch ook gemakkelijk. Wist u trouwens dat een smartphone voor vluchtelingen een ontzettend kostbaar goed is? Enkele gasten op het Lommelse Parelstrand hebben het me zelf verteld. Het is hun telefoonboek, fotoalbum en veel meer. Bij de overtocht steken ze de telefoon in een plastic zak zodat deze bestand is tegen het water. Ik weet niet of u ooit die ene foto gezien hebt? Ze won een World Press Photo Award. Je ziet op de foto een aantal mannen in het donker. Ze staan aan de kust van een Afrikaans land te zwaaien met hun telefoon om het gsm-signaal van de overkant op te vangen. Vooral de opgelichte schermen van hun telefoon vallen op. Alsof het een lichtpunt in hun leven is. Dus ik vind het eigenlijk wat denigrerend als u over dat bakske spreekt, waarmee we zogezegd spelen. We zijn echt geen pokémons of zo aan het vangen hier.”Afijn, dat was mijn antwoord. Maar ik heb het dus niet gezegd. Toch spijtig.

Rudi Lavreysen
97 1

LIEFDESVERKLARING OP EEN STEUNPILAAR ONDER DE BRUG VAN DE AUTOSTRADE

Door twee maal daags heen en terug van ons thuisadres richting manliefs ziekenhuisbed in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen te lopen, probeer ik nu dagelijks aan mijn 10.000 stappen te geraken. Ik lijk nu, al wandelend, ook allerlei dingen op te merken die je totaal niet ziet als je er met de auto voorbij zoeft. Zo staan er op de pijlers onder de brug van de autostrade allerlei obscene tekeningen. Ach ergens wel begrijpelijk, als een soort jeugd overal penissen en borsten op neer kalt, als ze zelf eerst een trouwring om de vinger moeten hebben alvorens ze op seksueel onderzoek kunnen uitgaan. Op twee van die steunpilaren staan echter grote witte verfharten gespoten. In het ene staat er 9/11 en in het andere heeft men voor alle zekerheid 11/9 geschilderd. Ik vermoed niet dat deze harten een regelrechte liefdesverklaring inhouden voor meisjes of jongens, die per toeval op ‘nine eleven’ of op 11 september jarig zijn.  Dan zou er ongetwijfeld, Fatima,  Aisha, Mohammed, Ali of  Djamilia gestaan hebben. Ik vrees eerder dat het hier om een gedrochttekening gaat van een of andere allochtoon, met een herseninhoud ter grootte van een mierentepel, die zijn terroristisch gedachtegoed eventjes letterlijk en figuurlijk in de verf wou zetten.’s Nachts met een busje witte verf, lekker anoniem aan ons laten zien, hoe hij of zij nog steeds over die Twin Towers- aanslagen denkt.  Vorige week stonden de harten er nog niet, dus denk ik dat het hier om een uitgestelde verering gaat. Als er straks een hart bijkomt waarin 22/3 staat, dan gaat het hier wel duidelijk om een gefrustreerde verfkliederende randdebiel, die hier in Vlaanderen duidelijk niet thuishoort! Ik hoop dat de politie van Edegem, vroeg of laat deze wansmakelijke liefdesverklaringen zal opmerken en ze zal laten verwijderen. Meer nog, ik vertrouw erop dat deze opruiende haatzaaiende Picasso, ooit op heterdaad betrapt zal worden. Ben ik nu racist als ik vind dat, zulke met de vijand collaborerende individuen, stante pede uit ons land moeten verwijderd worden? Voer ze af naar een land, regering en een cultuur waar men openlijk voor zulke terreuronzin mag supporteren. Eens kijken hoe lang het  duurt alvorens zo’n spuitbusvandaal ginds een niet ‘wereldvreemde rechter’ tegenkomt! Ineens een degelijk straf, lik op stuk en niets van veertig keer, bij diefstal, car jacking en overval met geweld een vermanend rechterlijk pamperend vingertje van “nooit meer doen hoor” en zonder straf, of een mild werkstrafje, met hun engelengezichtjes terug de maatschappij in. Law and order! Manlief werd ondertussen geopereerd en nu is het bang afwachten op het resultaat. Nu ik ’s avonds eindelijk eens koningin en meesteres van het televisiekastje ben, zap ik naar hartenlust van het ene nog saaiere kanaal naar het andere. Plots kom ik ergens op een zender terecht, waar ik nog juist zo’n jong blond huppelkutje hoor zaniken over de rimpeltjes rond haar ogen. Ze wappert een paar keer met haar valse wimpers.  Ze wordt ziek van die lachlijntjes en nog depressiever over de kleine verticale plooitjes rond haar opgespoten lippen. Ze wijst met haar centimeters lange bloedrood gelakte kunstnagels naar de voor ons onzichtbare groeven. En wat dat gestroomlijnde wijfje het ergst van al vindt, is ,dat haar botox- doktertje haar maar eerst na een tweetal weken op audiëntie kan ontvangen. Het is een regelrechte ramp, want haar Tinder- date is al volgende week! Ik zie manlief aan de antibioticatap liggen, met zijn zuurstofblazertjes in zijn neus en plastiek zakjes paracetamol en vraag me af welke commerciële zender geld kan spenderen aan zulke Amerikaanse bullshit. Meer nog, is er werkelijk een publiek dat elke avond vol spanning zit te wachten op nog meer facelifts, silicone tieten en botox behandelingen?  Zijn wij met de jaren zo’n simpel van geestvolkje  geworden dat zich optrekt aan ‘the rich and the famous’ en’ the sky is the limit’- idioten? Het programma wordt abrupt voor  reclame onderbroken.  De eerste advertentie gaat over Q10 pearls-crème, die de huid van de wat rijpere vrouw er onmiddellijk 10 jaar jonger laat uitzien.  Vervolgens een jeugdig fotomodel dat beweert, dat met een gezichtscrème met hyaluronzuur de eerste lijntjes minder zichtbaar worden. Dagelijks een microfoliant onderhoudscrème is een must voor de modebewuste jonge vrouw. Met het volgende reclamefilmpje laat men zien hoe je de hele boel er weer met micellair water kan afhalen. Een heel gamma met onuitspreekbare nieuwe woorden laat men op ons los om toch maar de kassa te doen rinkelen. En geloof me vrij, hoeveel jullie er ook op smeren, in kneden of rond masseren, de rimpels en de ouderdom komen toch. Het programma begint opnieuw. In een kring zitten een aantal dokteressen, die juist van de catwalk van de verkiezing van Miss Universe  gewandeld zijn. Daarnaast een paar George Clooney dokters, volledig in groene operatie overalls met stralend wit gebleekte tanden. Zij buigen zich over de sinaasappelhuid van een juist uit het teenagerei gekomen jo- jo dieetmokkeltje…dat zelfmoordneigingen had omdat haar gladde huidje verdwenen was. Ik kan het niet meer aanzien!  Ik zap weg over, de herhalingen van Komen eten, Friends, The A-team, de kampioenen en de Nanny en zet de televisie dan maar uit. Met kerst kreeg ik van de kinderen een smartphone. Mama moest mee met de moderne technologie. Eerst zat ik een beetje verweest naar dat mini computertje te loeren, maar al snel begreep ik dat het een blijvertje zou worden. En nu heeft dat slimme apparaatje al bewezen dat het zelfs dienst kan doen om een foto te maken van die zwakzinnige liefdesverklaring op de steunpilaren van de brug onder de autostrade. “De wereld lijkt om zeep er gebeuren rare dingen rondom mij”, Urbanus had meer dan gelijk!

Sim
4 0

Stel je voor dat...

het dier tot hier was gelopen, langs het licht van straatlantaarns en geparkeerde auto’s, langs fietsen tegen de voorgevels van ingedommelde huizen, het onkruid tussen de kasseien van trottoirs besnuffelend.   Eerst lag het in een doos waarin het handje van onze peuter graaide. Naamloos en geslachtsloos liet het zich optillen en knuffelen tot het terug werd gelegd. Het had genoten van het witte neonlicht van de winkel en van de bevrijding uit de enge ruimte van karton en duisternis.   Wat was dat voor een wezen? Dat had het zich afgevraagd toen de mond van onze kleinste zich opende en er geluiden uit ontsnapten. Omdat nieuwsgierigheid aanzet tot actie, had het dier zich laten vallen uit een opverende kinderschoot en zich gerept naar de uitgang en was zo onzichtbaar mogelijk voorbij de kassa geslopen.   Het lijkt erop dat dit soort toeval niet bestaat. De zeug was ons huis binnen gedrongen voor drank en spijs want ook pluche kent dorst en honger. Op een onbewaakt ogenblik had het zich in de gang verschanst en gewacht tot de deur van de woonkamer open stond. Het is een raadsel hoe het omhoog wist te klauteren op de houten tafel, en waarom het bij de huistelefoon post ging vatten. Spreken kon het niet dus konden wij geen beroep doen op het dier als assistent waneer er een oproep binnenkwam.   Ik belde naar mezelf om te kunnen vaststellen wat het dier zou ondernemen. Zou het überhaupt iets doen? Ring, ring, ring… Het varken richtte zich op, het puntje van de staart recht omhoog, het buikje wiebelend van links naar rechts en uit de oren kwam roze stoom. Ik dacht dat ik de geur van een boeket rozen gewaar werd en kon het amper geloven dat ik deze woorden hoorde: hallo, met ik en anderen! Hallo, met ik en anderen. Hallo, met ik en anderen. De welkomstzin werd eindeloos herhaald dus moest ik ingrijpen. Ik nam de telefoon uit de houder en zei gehaast: Dag! Ik hier. Je hoorde zonet een ander. Euh, een andere ik. Een varken van Ikea. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts…   en toen kwam mijn man om het brave huisdier uit te schakelen. Hij legde zijn vinger op mijn lippen, drukte op een knopje ter hoogte van mijn staartbeen.

Ingrid Strobbe
0 0
Tip

Sorry

Ik merk dat het me steeds zwaarder begint te worden je te moeten missen. Ten eerste omdat ik nu al twee teksten op één dag moet schrijven om ze enigzins door te komen. Ten tweede voel ik dat het me echt uitput en me langzaamaan weer (permanent) ongelukkig maakt. Permanent kan natuurlijk niet want dan zou ik me nooit meer gelukkig voelen, wat ik wel doe, maar enkel als ik bij jou ben. Ooit gaat dit weer over, nadat ik weer maanden liefdesverdriet over jou heb gehad en er al een andere jongen me wil troosten. Ik wil het zo graag ontkennen maar ik weet dat het zo gaat. Zo zal het altijd zijn.   Ik gebruik dit platform eerder als een digitaal dagboek en trek me dus niks aan van het niveau van mijn teksten. Als iemand ze toch zou lezen is dat oké maar het gaat snel vervelen. Daarom, als iemand dit nu zou lezen, het spijt me maar dit is gewoon pure therapie. Waarom ik het dan niet op privé zet? Geen idee, ten eerste kan ik het dan evengoed in Word typen en ten tweede, ook dit ontken ik niet, vind ik het helemaal niet erg om mijn zorgen met anderen te delen. Zielig hoor ik je denken, en geloof me dat is het ook. Ik voed me met het medelijden van anderen. Niet dat ik jou nu om medelijden vraag want daar heb ik helemaal niets aan, ik ben het gewoon gewoon om alles open met iedereen te delen. Tot hier mijn excuses die niet echt excuses zijn maar wel zo bedoeld waren.    Je moet weten dat ik al wat heb meegemaakt op vlak van liefde en vooral liefdesverdriet. Hoe bizar het ook klinkt uit de mond van een 17-JARIGE, ik meen wat ik zeg. Al meerdere keren heb ik niets liever gewild dan het gewoon op te geven en inderdaad, te sterven. Maar zelfs dat was me te veel moeite en dat is denk ik de reden waarom ik hier nu nog rondloop. Ook omdat ik "niet echt dood wou", ja die theorie heb ik ook al gehoord en dat kan zo zijn maar dat maakt het niet minder zwaar. Als ik op de momenten dat ik mijn zelfmoord plandde, had geweten dat ik ze nooit zou uitvoeren, had ik waarschijnlijk een andere snellere manier gezocht en misschien wel gevonden. Jammer genoeg of gelukkig, hangt af van welk moment ik het bekijk, kan ik niet in de toekomst kijken. Iemand anders kan dat wel. Ik geloof helemaal niet in waarzeggerij, ik vind mezelf niet bepaald goedgelovig maar dit is echt speciaal. Een paar maanden geleden ging ik voor het eerst bij een vriendin van mijn mama langs om voor de zoveelste keer te "praten". Ze vroeg me toen nog eens terug te komen en dat deed ik ongeveer een maand later. In die periode had mijn toenmalig vriendje/lief onze relatie beëindigd. Toen ik haar dit vertelde reageerde ze dat ze dat eigenlijk al sinds onze vorige ontmoeting wist. Ik was niet onder de indruk want dit kan natuurlijk iedereen zeggen. Toen ging ze verder en vertelde dat ze had gemediteerd voor ik kwam (mediteren zal ik altijd iets bizar vinden en zeker in deze context). Tijdens die meditatie werden haar "dingen doorgegeven", je weet wel, van engelen ofzo. Nog steeds was ik niet onder de indruk. Dat was ik pas toen een paar maanden later uitkwam wat ze me toen vertelde. Ik zou een nieuwe jongen leren kennen, die ouder was en het zou niet lopen zoals ik dat gewoon was of verwachtte en dit alles zou voor nieuwjaar beginnen. Ik hield dit wel in mijn achterhoofd maar dwong mezelf er niets van te geloven. Enige tijd later, ik heb geen idee meer hoeveel tijd exact, was er een leidingsfeestje waarop ik net iets te veel gedronken had en met één van de leiders naar buiten ging. Wat er gebeurde durf ik zelfs hier niet te zeggen (daar kan je je zelf wel al wat bij voorstellen). Ik wist niet wat te doen en was verbaasd (in de zeer negatieve zin van het woord) over waar ik toe in staat was. Dat was ik gewoon niet. Toch bleef hij door mijn hoofd spoken, dagen, zelfs weken later zag ik nog steeds beelden van die avond voor mij. Ik kon niet ontkennen dat dat me hielp om mijn ex-lief uit mijn hoofd te zetten, die voor de duidelijkheid nog steeds in mijn klas zat. Meer dan een maand na dat feestje, was er nog een gelegenheid waarop ik wel even alleen met hem kon zijn en stiekem hoopte ik daarop, ook al had het me de vorige keer zo verward. Ik zat de hele avond met hem in mijn gedachten en wou niets liever dan dat hij met mij zou praten en uiteindelijk even samen weg wou gaan. Ik besefte zelf ook wel dat het mij enkel om zijn aandacht ging en niet om hemzelf, maar ik kon me niet bij hem vandaan houden. Op het einde van de avond lukte het mij dan bij hem te gaan zitten en wat in een groepje mee te praten. Uiteindelijk eindigden we samen aan de muziek en kon ik hem verbazen. Hij was zo onder de indruk dat hij die avond toch wel bij mij wou slapen, maar hij had wel enige overtuiging van mijn kant nodig. Achteraf gezien had ik daar natuurlijk spijt van want voor hem draaide het waarschijnlijk gewoon om de seks en dan is het normaal dat een jongen niet weigert als je hem vraagt of hij niet bij je wil liggen. Ik sliep verschrikkelijk slecht. De volgende ochtend was hij verward en zonder een woord te zeggen liep hij naar de grote zaal waar de anderen lagen te slapen en sliep daar gewoon verder. Mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme deuk en ik snapte zijn reactie helemaal niet. Achteraf begon hij mij vaker berichtjes te sturen en sindsdien is onze "relatie" alleen maar geëvolueerd. De andere teksten op dit profiel gaan bijna allemaal over hem en mijn niet verdwijnende twijfel of hij me gewoon gebruikt of niet. There's more to the story ofcourse, maar dat schrijf ik wel eens op als ik nog eens veel tijd en zin heb. Als ik nu aan buitenstaanders vraag wat ze hiervan vinden is de conclusie overduidelijk dat hij me gebruikt. Dat neem ik niemand kwalijk. Maar laat ik je misschien toch nog even vertellen wat er daarna gebeurde. Ik weet niet meer wanneer ik hem de derde keer heb gekust (of iets meer dan dat) want dat is ondertussen alweer een paar maand geleden. Ik weet alleen dat er al veel vordering is gekomen in wat wij hebben. Het is enkel door hoe het begonnen is en door mijn eigen onzekerheid dat ik zo vaak aan zijn oprechtheid twijfel. Wie probeer ik eigenlijk te overtuigen? Het enige dat ik zoek is geruststelling en wie kan mij die geven? Enkel hij en ikzelf. Op nieuwjaarsdag stelde hij zelf voor om aan de rest van onze leidingsgroep toe te geven dat het misschien iets kon worden. Daaruit lijkt het mij dat hij er mee bezig is en het toch zou overwegen. Het enige probleem is dat het nog lang kan duren tot hij het officieel wil maken en ik weet dus niet of ik dat zo lang volhoud. Ik zou het hem misschien moeten vragen maar ik wacht tot ik het besproken heb met iemand die er meer verstand van heeft. Ik besef dat ik dit niet had moeten typen om me beter te voelen want dat doe ik nu niet en het enige dat ik geschreven heb is het negatieve. Ik heb niks verteld over die ene keer dat hij twee uur lang gewoon naast me lag en met me praatte en lachtte en mijn arm streelde. Het spijt me.

Layla Clarke
0 0

Volvo

Hier ben ik weer met mijn gezaag. En ja, alweer gezaag over exact hetzelfde, onzekerheid. Ik twijfel zo hard aan mezelf, ik denk dat ik het toch niet aankan, hem missen en er niet over mogen praten, hem graag zien en het niet mogen toegeven, hem willen vastpakken en me steeds moeten inhouden. Ik denk echt niet dat ik dat nog lang kan. Zeker nu, na twee weken hadden we eindelijk een uurtje voor ons alleen waarvan hij na het eerste half uur eigenlijk al duidelijk maakte dat hij naar huis wou. Dat maakt me zo onzeker. Als ik hem dan zeg dat ik het blijkbaar harder nodig heb om bij hem te zijn als omgekeerd, ontkent hij het ook niet. Zucht. Hij is verdomme 5 jaar ouder en schaamt zich nog voor mij ook. Het lijkt allemaal de slechte kant op te gaan maar ik blijf er mij voor inzetten, ik blijf mijn best doen, ik blijf ervoor gaan. Want misschien is deze jongen het wel waard. Misschien passen we wel echt beter bij elkaar dan zelfs ik nu zie. Misschien ziet hij me ergens ook wel een beetje graag, maar onbewuster? Ik kan ook niet verwachten dat hij over alles evenveel nadenkt als ik. Dat is bijna onmogelijk, ik denk zelfs niet dat er veel vrouwen zijn die de zaken meer analyseren dan ik en die meer piekeren dan ik. Ik snap gewoon niet waarom het allemaal zo verdomd moeilijk moet zijn altijd. Ja, ik ben kwaad, heel kwaad en ik ben blij dat ik het even van me af kan schrijven. Ik ben blij met hoe het is, echt waar, ik hoef het niet meteen te bestempelen als serieuze relatie, maar als hij dat zou willen zou ik laaiend enthousiast zijn. Het hangt dus vooral van hem af, zoals alles dat doet. Hij bepaalt of ik hem zie, of ik blij ben, of ik verdrietig ben, of ik me graag gezien voel of net verlaten. Hij bepaalt een beetje wie ik ben en dat maakt me bang. Ik wil niet terug dezelfde fout maken als in mijn twee vorige relaties. Ik wil niet totaal afhankelijk van hem worden. Echt niet. Dat kan hij niet aan, ben ik zeker van, bijna niemand kan dat aan. Het enige wat ik wil, en ik zou hem smeken op mijn blote knieën, is dat hij me graag ziet. Dat hij me echt graag ziet zoals ik hem graag zie. En ik wil dat hij het toont, aan mij alleen is ook goed, ik wil het gewoon voelen. Ik voel het vaak hoor, maar soms verwacht ik net iets te veel en ben ik wat teleurgesteld als ik een streel over mijn wang te weinig krijg. Gisteren was hij weer opvallend afstandelijker dan anders. Seks op de achterbank was blijkbaar alles waar hij naar uitkeek en als ik niet had aangedrongen was het daar ook bij gebleven. Dat is nu net zo verwarrend aan die verdomde jongens. Maar dan soms kan hij me kriebels geven, echt kriebels over mijn hele lijf. Kriebels van opwinding, van blijdschap en vooral van verliefdheid. Daar zeg ik het goed, verliefdheid, want ik vind niet dat ik dit al liefde mag noemen. Dan moet het wederzijds zijn en duidelijk. Hij moet het me zeggen, het moet uit zijn mond komen, over zijn lippen. Ik zie u graag.    Die momentjes waar ik kriebels van krijg spoken dan dagenlang door mijn hoofd. Als ik me op school toelaat even aan hem te denken, zit ik een halve les te dagdromen. Voor gisterenavond waren dat (een pak minder als anders): strelen over mijn zij terwijl hij even op mijn borst lag, een korte kusjesaanval op mijn buik (die was het schattigst en toen hij dit deed wist ik dat het een van de momentjes ging zijn die me een hele week zouden achtervolgen) en ten slotte die paar keren dat hij mijn hoofd vastnam om me helemaal tegen hem te drukken. Dat was alles. Toen ik dan na een uur en een kwartier uit de auto stapte, zei hij nog dat het zeker twee weken ging duren voor ik hem opnieuw zag, en het leek hem zo weinig te schelen. Heb dan toch de nood om mij te zien! Wil me toch eens vastpakken en niet meer loslaten voor tenminste 5 uur, zoals ik dat bij jou heb, en heb dan na die 5 uur spijt dat je niet 6 uur hebt gezegd. Ik zal nooit genoeg van hem krijgen.

Layla Clarke
0 0

Vos

Ik hoorde de kippen kakelen. Niet verontwaardigd zoals gewoonlijk, wanneer de ene de andere op de poot getrapt had. Of wanneer ze het allemaal op hetzelfde graantje gemunt hadden. Of wanneer de hond te dichtbij kwam. Mijn kippen waren steeds verontwaardigd. Maar deze keer niet. Ze kakelden eigenlijk ook niet. Ze krijsten. IJzingwekkend, zo midden in de vriezende nacht. De hond blafte. Ik rende de trap af en trok mijn laarzen aan. De sleutel had ik gelukkig op de deur laten steken, uit schrik dat het slot anders kapot zou vriezen, want ik beefde te hard om de sleutel er in te steken. Met een grote lamp rende ik naar het kippenhok. Ik gleed bijna uit, maar kon me vasthouden aan de omheining. Het gekrijs was opgehouden. Ik trok het hok open en zag mijn kippen, morsdood. Koppen afgebeten. Verontwaardiging in hun ogen. Achter me hoorde ik gejank. Ik draaide me om en scheen met mijn lamp op de vos. Hij had Tilly in zijn bek, de kleinste en zachtaardigste kip van het hok. De vos had een grote wonde tussen zijn ogen en miste wat vacht. Hij ademde snel, zag ik aan de wolkjes die uit zijn neus kwamen. Hij rende weg, onze weide in, richting het bos. Ik rende achter hem aan, maar hij was te snel. Ik gleed uit. Waarom had ik het ook geprobeerd? Wat had die vos mij ook misdaan? Het vroor nu eenmaal, en hij had vast honger. En zijn gehavende kop en vacht bewezen dat de kippen zich verweerd hadden. Maurice, de oude haan, had zijn dames vast goed proberen te beschermen. Waar was Maurice eigenlijk? Ik had hem niet gezien tussen de slachtoffers. Ik stond op en wandelde weer naar huis. En daar lag Maurice, dood in de weide, in stukken als de kalkoen die we nog niet zo lang geleden voor kerst aten. Voor het eerst in zijn leven keek hij niet verontwaardigd. Beschaamd eerder, dat hij hen niet had kunnen redden. Ik raapte op wat ik kon. Hij was een goeie jongen, onze Maurice. Ik wilde hen ’s ochtends begraven, maar wilde hen niet nog enkele uren daar in de kou laten liggen. Misschien kwam de vos wel terug. Ik nam een spade en probeerde die in de bevroren grond te duwen. Min twaalf, zo koud is het in geen jaren geweest. Ik bleef steken tot ik een diepe put had, ook al zou ik daarna nog twee weken stijf zijn. Ik legde hen zo dicht mogelijk bij elkaar in de put en gooide de bevroren stukken zand er weer op. Daarna nam ik een stoel, en bleef zitten bij hun graf. Min twaalf. Het zijn maar kippen, zei ik mezelf. Maar waren het maar kippen? Had ik hen als kuiken niet grootgebracht en een naam gegeven? Had ik geen emotie gezien in hun ogen, en gehoord in hun gekakel? Had Tilly niet keer op keer haar hoofd tegen mijn schouder gelegd, wanneer ik haar optilde omdat ze zo dom was om in de regen te blijven zitten? Had ik hen niet telkens bedankt voor hun eieren met een krop sla of een bloemkool? Hadden de kippen en ik dan geen band waarin we elkaar voedden? Een soort natuurlijke band? In de verte hoorde ik een vos keffen. Misschien was het wel de vos die Tilly meegenomen had. Misschien riep hij zijn kinderen wel. Of zij. Dat er eindelijk nog eens eten was, na dagen van ontbering en koude. Ik stond op en wandelde naar de rand van de weide. Misschien is de natuur wreed, maar bij min twaalf is wreedheid soms de enige manier om te overleven. Als mijn kippen en ik een soort natuurlijke band hadden, heb ik hen nu teruggegeven aan de natuur.

MDB
0 0

Geronimo's Rarekiek!

Meneer Visser stond erom bekend een voorzichtig en bijzonder nauwgezet man te zijn. Ik hoorde hem weleens treffend over zichzelf zeggen: ‘Ik laat de ene riem door het water, de andere langs de oever strijken.’ Toen hij op een avond later had moeten doorwerken op kantoor, baande hij zich haastig een weg doorheen de drukke straten van de stad om op tijd het treinstation te bereiken. Uit gewoonte wist hij dat daar de laatste trein richting huiswaarts klaar stond op perron twaalf. Hij arriveerde net op tijd en helemaal buiten adem in het station. Met het zweet nog op zijn voorhoofd parelend plofte hij zich achteloos neer in de zachte zetels van een eersteklascoupé. Door het raampje keek hij toe hoe de trein het felverlichte station, en niet veel later ook de stad, verliet, in de richting van het in duisternis gehulde platteland. Tevreden slaakte hij een zucht van voldoening, waarna hij de ogen sloot en zich op het ritme van het schokkende treinstel in een ondiepe slaap liet wiegen. Dat deed hij wel vaker, zodat hij doorheen de jaren het uitzonderlijke talent had ontwikkeld om op het exacte ogenblik te ontwaken wanneer de trein zijn halte bereikte. Hij voelde aan dat het moment daar was gekomen. Zorgeloos stapte hij met een sprongetje uit het gestopte treinstel en plofte neer op het zanderige perron. De trein sloot zijn deuren weer en vertrok puffend en klagend. Voor het eerst merkte meneer Visser op hoe verschrikkelijk donker het buiten was: aan de hemel waren de sterren talrijk aanwezig, helder schitterend in afwezigheid van enige andere lichtbron. Op het eenzame geoehoe van een uil na was het stil. Argwanend fronste hij de wenkbrauwen en hij wachtte geduldig af tot zijn ogen wenden aan het donker. Na enige tijd kon hij in grote drukletters zijn fout aflezen op het blauwe stationsbord. ‘Zo, zo,’ mompelde hij tegen zichzelf, beseffend dat hij in zijn haast een verkeerde trein was opgestapt. Hij bracht nog wat woordeloze geluiden voort om zijn recente bevinding te delen met de akelige stilte rondom hem, wanneer hij plots een vaag, rood licht bemerkte; heel zwak en nauwelijks zichtbaar schijnend in de verte. Meneer Visser voelde een uitzonderlijke aantrekkingskracht om naar het licht toe te wandelen en zonder aarzelen (maar nauwlettend in de gaten houdend waar hij zijn voeten plaatste) stapte hij weg van het verlaten stationnetje, het rode licht tegemoet. Naarmate hij dichter kwam kon meneer Visser langzaam maar zeker een vorm herkennen in het licht: het was een in neonlicht gevormde hoed. Hij zag nu ook de contouren zichtbaar worden van het gebouw waarop de hoed bevestigd was. In sierlijke letters stond op de voorgevel in het groot geschreven “GERONIMO’S RAREKIEK!”. Zijn oude angst voor het onbekende weerhield hem bijna om dichterbij te komen, maar een klein papiertje achter de raam van het gebouw lokte toch zijn nieuwsgierigheid. Hij las: “Vanavond: bijzondere voorstelling! Maak een reis door het leven van je tweede zelf!” Voorzichtig opende meneer Visser de deur van het gebouw en tuurde hij binnenin. Een flauw licht verlichtte de kamer, waar op het eerste gezicht niemand te zien was. Een elektrisch orgel speelde zachte muziek. Eens binnen zag hij hoe stoelen rondom rond een centrale kijkkast opgesteld stonden. Op een van de stoelen zat een man te slapen. Hij droeg een lange jas en een hogehoed, als een oude circuseigenaar. Bij het horen van zijn bezoeker sprong hij recht uit zijn stoel en maakte hij zichzelf bekend als Geronimo. Een spraakwaterval van grootse woorden overviel meneer Visser, waaruit hij begreep dat Geronimo’s tent normaal gesproken afgeladen vol zat, maar dat het een uitzonderlijk rustige avond was gebleken. ‘O, maar ik wist zeker dat iemand zou komen,’ zei de man ten slotte mysterieus, ‘de juiste persoon.’ Geronimo ontblootte zijn witte tanden en nam meneer Visser bij de schouders vast. Hij plaatste hem op een stoel voor twee kijkgaatjes in de kijkkast en legde hij uit: ‘Maak u gereed voor een vreemde ontmoeting, meneer Visser; u zal een man te zien krijgen die geen enkele gelijkenis met uzelf treft: uw tweede zelf. U hebt uw hele leven zelfverwijtend doorgebracht, u hebt een minderwaardigheidscomplex, u voelt zichzelf geremd, u geeft zichzelf de schuld voor het niet volgen van uw impulsen. Tja, wat zijn deze impulsen? Het is de druk van uw tweede zelf op het handvat van de deur naar uw leven, meneer Visser. En nu zult u komen te herkennen waarom u deze deur gesloten houdt, waarom u remmingen heeft, waarom u uw impulsen niet volgt. Bent u er klaar voor, meneer Visser?’ Zo begon de reis doorheen het leven van zijn tweede zelf. Voor de ogen van meneer Visser verschenen een voor een twaalf beelden, elk begeleid van een onderschrift en een verklarende uitleg van de oude Geronimo, die de beelden verwisselde en tussendoor zenuwachtig heen en weer schuifelde doorheen de kamer. De onderschriften die de beelden begeleidden waren achtereenvolgens:   Het pad dat je wilde bewandelen De brief die je wilde schrijven Het leven dat je wilde redden De job die je wilde uitoefenen De vrouw die je wilde liefhebben De zin die je wilde horen De deur die je wilde openen Het pak dat je wilde dragen De vraag die je wilde stellen Het land dat je wilde bewonen De kans die je wilde grijpen   Op sommige beelden was meneer Vissers tweede zelf te zien, terwijl hij op de andere beelden enkel een situatie zag waarin zich zijn tweede zelf zou hebben ontwikkeld. Hij keek aandachtig en zweeg gedurende het hele gebeuren. Na enige tijd wierp hij zijn ogen van de kijkgaten weg en riep luid: ‘Genoeg!’ Natte tranen rolden over zijn wangen toen hij de oude Geronimo in de ogen keek. Ook Geronimo huilde, zij het stil en medelijdend. Zonder verder nog een woord te zeggen verliet meneer Visser de kamer; hij sloot de deur achter zich en zag buiten het ochtendlicht al aan de horizon verschijnen. In het verlaten treinstation wachtte hij op de eerste trein die de richting van de stad uitreed.

arnomaetens
0 1

Verboden vrucht

‘Wisten jullie,’ vroeg Matteo in slecht Engels, ‘dat de verboden vrucht geen appel maar een tomaat was?’ Hij glimlachte en wierp de rode vrucht in kwestie nonchalant op en neer. ‘Wat een onzin!’ riep Ed uit. ‘Waar haal je zoiets vandaan?’ We zaten op het terras van Matteo’s finca en dronken koffie en grappa, terwijl de gastheer druk in de weer was ons een lunch voor te bereiden. Ik stond aan het balkon en keek uit over de lager gelegen vallei, die uit wijngaarden en droge akkers bestond tot zo ver het oog reikte. De ouwe Texaan Ed Sullivan zat als enige aan het tafeltje onder de parasol en speelde een kaartspel. Naar eigen zeggen was hij op het eerste het beste vliegtuig richting Italië gestapt nadat hij een foto van Toscane zag in een Amerikaans reistijdschrift. “Net als een droom!” had hij wild enthousiast uitgeroepen toen hij met z’n koffers arriveerde op het domein van Matteo. Ik genoot van de hete koffie en was niet bepaald geïnteresseerd in een filologische discussie over een Bijbelverhaal, maar het tweetal dacht daar duidelijk anders over. ‘Luister eens hier,’ wierp Matteo op tegen Ed, ‘waarom denk jij anders dat we in Italië van een pomo d’oro spreken? Een gouden appel. En in Frankrijk spreken ze over pomme d’amour; de liefdesappel. Moet ik er nog een plaatje bij maken? Ik zeg het je, Ed, die duivelse Eva was verlekkerd op tomaten!’ Hij sneed er één in stukken en stak smaakvol een part in zijn mond. ‘En of ze gelijk had!’ grinnikte hij geamuseerd. Ed keek hem wantrouwig aan en kwam met een tegenargument aanzetten. ‘Akkoord, Matteo,’ begon hij, ‘maar die beide benamingen tonen net aan dat er éérst een appel was, alvorens men de tomaat kende. Semantisch gezien dan. Zonder Eva’s appel was er geen gouden appel of een liefdesappel, begrijp je?’  Matteo moest op mijn gezicht hebben afgelezen dat ik de redenering van Ed volgde, want hij vroeg me op de man af: ‘Dus jij denkt dat Ed gelijk heeft?’ Ik kon me nu niet langer uit de discussie onthouden. ‘Ik moet toegeven dat je een interessant punt aanhaalt, Matteo,’ zei ik, ‘maar ik volg Ed. Als we er vanuit gaan dat Eva de eerste vrouw was, moet zij toch de vrucht gegeten hebben die het eerst benoemd werd? Anderzijds,’ bedacht ik me op dat ogenblik, ‘werden tomaten nog tot laat in de negentiende eeuw als puur vergif gezien, in onze contreien. Ik bedoel, men kweekte haar toen al wel voor haar knappe kleuren, maar in gerechten meed men ze als de pest. Misschien zat het Bijbelverhaal daar dan toch wel voor iets tussen?’ ‘Ach nee, wat bewijst dat?’ vroeg Ed. ‘Die angst had puur te maken met haar verwantschap aan de uiterst giftige nachtschade, en niets met Eva’s zondeval! Bovendien weten we toch allemaal dat die appel voor iets geheel anders symbool stond in het verhaal, nietwaar?’ Hij ontblootte zijn vals gebit en schaterlachte. Matteo knipoogde en bracht de lunch op tafel.

arnomaetens
0 0

Badkuipbluess

Ella opende haar ogen onder water en keek naar het door het water dansende badkamerplafond.Met enige tegenzin kwam ze boven om adem te halen, om vervolgens zo langzaam als mogelijk weer uit te ademen en haar hele lijf mee te laten deinen alsof ze geen enkele weerstand kon bieden aan de zuurstof die haar lichaam verliet en het badwater dat hierop reageerde. De spiegels waren aangedampt en de kamer was gevuld met een mix van stoom en opgesloten sigarettenrook. Grijze wolken die bleven breken boven het licht van de van de twee blauwe kaarsen die op het oude houten handdoekenbankje naast het bad stonden te flikkeren, maakten dansende schaduwen op de muur erachter. OP de achtergrond kon je het gedempte verloop horen van de jazzplaat die in de andere kamer stond te spelen.  Met een diepe inhaal strekte Ella zich uit en ging ze rechtop liggen, het moderne meubilair en de heldere witte voegen tussen de tegels irriteerden haar.  Het verraadde de plaats en tijd waarin ze zich bevond. Ik ben in de verkeerde tijd geboren, bedacht ze zich.Met niet al te veel verbeelding kon eender wie die zich aldaar de ogen sloot, een sprong in de tijd nemen en zich in een verouderde flat in Parijs wanen.  Waar dronkenlappen en oude vrijsters zich ophielden in onderbelichte bars die stand hielden wanneer andere zaken zich sloten. Waar de oude saxofonist van een ingehuurde band bleef zitten en na enkele borrels in zijn eentje een beter  optreden gaf voor de drie overgebleven klanten, dan in de betaalde uren daarvoor.  Misschien was het typisch voor iemand van haar leeftijd om vroegere tijden te romantiseren. Om het gemakzuchtige leventje dat ze niet meer kon missen te verafschuwen en zich schuldig te maken aan de luxe om neer te kijken op de wegwerpgeneratie waar ze zelf deel van uit maakte. Misschien was het vroeger net zo. Waarschijnlijk. Toch leek het haar toen beter. De tijd voor televisie, gsm’s en internet, waar het leven simpeler was, weliswaar harder maar simpeler in eenvoud.  Waar armoede in elke huishouden tekeer ging als een wervelwind die elk gespaard korstje brood van tafel veegde , maar waar de dingen die er echt toededen nog waarde hadden. Ze draaide de kraan toe en keek naar haar handen onder het wateroppervlak. haar vingertoppen leken zichtbaar te verschrompelen alsof de tijd onder  water sneller liep. In dromen blijken uren slechts seconden, misschien was dit net zo, of misschien had het niets met water te maken. Misschien gaven haar vingers sneller toe aan de strijd in haar hoofd en wilden ze niet langer meewerken aan de leugen over jeugdigheid, die allang was verdwenen.

Esje Volter
22 0