Lezen

Zondebloemen (4)

Door het hek. Gladys roodt zich de lippen nog een keer en Lewis heeft een deur, waarop men kloppen kan, hetgeen gebeurt en Lewis is thuis, Roeland nog lang niet. Gladys vertelt Lewis iets over bloed en beuling, over schuimbrood en een brand. Ze gaat dan vlak voor hem staan, op haar tenen, alsof ze achter hem ook brandweerwagens gehoord heeft en over zijn kop wil kijken om ze te tellen. Ze geeft Lewis een zoen op het voorhoofd en een afdruk van haar mond prijkt boven zijn wenkbrauwen. Slechts vel, wat bot en een hersenvlies scheiden de rode smak van zijn frontale kwab. “En waag het af te vegen,” lacht ze de slaperige man toe, wiens huis op een volgestouwd arsenaal lijkt:   beitels, magazines, raspen duimspijkers, vingerschroeven, affiches rolletjes, kwasten en filmbanden prenten, boeken, uitgescheurde billen vijlen, velletjes en blokken hout   Krabbelpennen en een rol wc-papier liggen op een schrijfbureau; in de hoek van de enige kamer staat een ezel met een blanco doek. Overal waar Roeland kijkt hangt wel wat schaamhaar uit de stapels (op vergeeld papier); tepels en borsten hangen her en der, als te veel abrikozen in dezelfde boom, te veel bomen in hetzelfde bos. Gladys merkt dat Roeland niet weet waar eerst te kijken en zegt: “Op den duur let je er niet meer op. Hij verzamelt die dingen als reservenaalden voor die ene roze den die maar niet groeien wil.”   Roeland durft te lachen en Lewis schudt het hoofd: “dat doet ze nu elke keer, de draak steken met mijn collectie”. Hij zet een kan rozenbottelthee, en drie tassen bovenop een toren prenten en tijdschrijften, waarvan de bovenste mammeloesjes (die van Ann ‘bang bang’ Arbor) het al snel warm zullen krijgen, denkt Roeland.   “Of schenken we die knaap iets sterkers in?”, zegt Lewis. “We zien wel”, antwoordt Gladys, die Roeland op de dij klopt. De thee verdwijnt in hun keel en Lewis werpt Roeland een goedkeurende blik wanneer hij in één van de magazines begint te bladeren. Dude Magazine, March 1965, The Russian Bared or one day in The Life of Tanja Tolstoj.   Gladys staat op, zegt dat ze dringend moet, trekt wat velletjes van de rol wc-papier, verlaat de bungalow en stapt naar het vertrek op de achterkoer. Als onderweg haar hak in een verdwaalde dennenvrucht blijft steken, trekt ze het muiltje uit en slingert het naar het hoofd van de blauwe kabouter, die het projectiel niet ontwijken kan.   Twee mannen, temidden massa’s bloot en naakt. Lewis moet het kwijt aan Roeland: “Duizend borsten en granaatappelen! Dat is me wel een tantetje dat jij hebt. Dat ze al die jaren lang quasi onaangeroerd gebleven is?” “Geef mij toch maar een dreupel”, zegt Roeland, want straks komt ze terug met in haar hart de ziel van Iokaste, met een lege blaas, met niets aan en zonder muiltjes.           Duizend borsten en granaten deel 4 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Iets uit niets.

Dikwijls komt er niks van.   Het voornemen in mijn blikveld leek even wat te worden maar strandt op ongefundeerde weerstand of twijfel.  Morgen dan misschien? Of anders? Iets anders?  Vaak blijft het bij onuitgewerkte ideeën of onuitgekristaliseerde bedenksels.  Proefdrukken van begeesterende opwellingen.   Analyses van mogelijke invalshoeken en vage personnages en hun karakteristieken. Staren naar de regels op een wit blad! Scenario's leiden nergens naar toe en resulteren in scrips zonder clou. De wezenlijke essentie mankeert. Gaat het ergens naar toe? Komt er een besluit?   Of blijft de mythe ronddolen zoals rusteloze geesten in een spookvilla die af en toe toch "boe" roepen als een te nieuwgierige bezoeker plots, ongewild het pand betreedt? (Positief) resultaat hing te vaak af van puur toeval.  Van ingebeelde druk van buitenaf of van inspanningen, interesse en curieuze vragen van mensen die als ze even mochten binnen piepen, wel aangestoken werden door mijn wild gepeins, gepieker en gezoek. Nergens naartoe leidende kronkels.  Zo ging het heel vaak! Althans dat is het tot nu toe geweest. Niets uit niets. Niets voor niets, echter. Zo weet ik nu. Sedert kort ga ik er niet meer al te diep op in.  Want het helpt geen zier. Het leidt ook tot niets. Ik tracht me niet te laten meesleuren in de beperking van ongefundeerde voorwaarden die leiden tot excuus- en uitstelgedrag. Ik zie wel en bekijk het als toeschouwer. Even van op afstand.  Ik beschrijf mijn gedachten en portretteer het proces als een proclamatie van mijn theoriën en vooronderstellingen. Wat gebeurt er? Wat voltrekt zich in mijn spinsels? Wat is er wel? Wat is er al? Niet wat per C "zou moeten worden" in een ideaal scenario. Ik treed uit mezelf en laat betijen zonder doelloos te graven en naar oorzaken te zoeken of aan gevolgen te denken. Ik ga verder. Ik ga vooruit.  Ik produceer. (R)evolutie.   Ik evolueer ... van aap naar mezelf. Darwin is er niets tegen.     

jan pultau
0 1

Zondebloemen (3)

Het is als in een elektrische slow motion western. Ze springen uit de trein en komen in een dorre berm terecht met enkel grint, een poppenpoot en een halve neonbuis. Zij het dan op een druilerige zaterdag want in Amerikaanse cowboyfilms schijnt altijd de zon en tante Gladys neemt hem bij de hand, in een poging zijn aarzelende tred te versnellen.   “Niet bang zijn, Roeland. Niets staat op het spel. Ik heb al eerder voor Lewis geposeerd. Laatst schilderde hij me als Artemis temidden een toom krielkippen. ‘Breng de volgende keer een jonge knaap mee’, zei hij en ik dacht onmiddellijk aan jou.” “Is het de bedoeling dat we samen iets doen op dat schilderij?”, vraagt Roeland. “In een schilderij leeft hoogstens ongrijpbaar verlangen, maar wat Lewis precies voor ogen heeft, weet ik niet”, zegt Gladys die haast een hak omslaat op enkele grove keien. Ze stopt bij een paal die zonder geweld de bovenleiding zweven doet, neemt lippenstift uit haar handtas, zoent de lucht om haar lippen wat extra te kunnen roden en tekent daarna een even rode smiley op de paal. “Ik heb aan je moeder beloofd goed voor te zorgen, je verder op te opvoeden, ver weg van die beul,” gaat ze verder, “ik wil dat binnen enkele jaren elke vrouw van je zou zeggen: dit is nu pas een man!”   Zij kijkt hem aan, hij in haar ogen. “Ik zal straks de ganse tijd bij je zijn, lieverd, en Lewis is een vrijdenkend man. Hij heeft ook een aardige collectie oude filmpjes. Harrison Marks. Zegt dat ik de ziel van June Palmer in me draag.” “Nooit van gehoord,” zegt Roeland terwijl hij vijf cent op de sporen legt. “Ik breng je wel op tijd op de juiste gedachten,” stelt ze hem gerust, “of misschien juist op andere gedachten en fluister ik wat in je oor, misschien wel een verhaal over je vader, die zich in een hazelaar verbergt, naast een edelweissjesveld, vlakbij een kleine Noorse nederzetting met falurode huisjes. De gevels zijn er geschilderd met walvisbloed en in het witte veldje heeft hij een val gezet, met knalrode bessen erin, om een zwerm lijsters te vangen en ze daarna met blote handen één voor één de kop af te rukken.” “Niet grappig,” zegt Roeland, “maar het zou een ongepaste opwinding wel snel naar de wip helpen.” “Ongepast is relatief”, spreken haar lippen, terwijl haar duim en wijsvinger een glimlach vormen en hem bij de kin vasthouden. Ze kijkt hem opnieuw prangend aan en wanneer ze loslaat, zegt hij: “Je klinkt net als een wijze filosoof, een oude Griek met witte krullen.”   “Straks zal je wel merken dat ik geen witte krullen heb,” plaagt ze hem, “we moeten doorstappen. Hij woont ginds in een bungalow, in een naaldbos.” In de verte zien ze de dennen al. Er loopt een pad tussen stammen, hars en een laag afgevallen naalden, die met de jaren de grond en het leven van de bosbloemen zuur gemaakt heeft. Dan moeten ze nog door het smeedijzeren hek en voorbij die blauwe kabouter, zonder broek en zonder ogen.         Vijf cent voor twee ogen deel 3 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Lief en stil

ik zal lief en stil zijn, stil als... stil zoals alleen een schaduw stil kan zijn als een vlieg op de muur als een vlo zo klein niemand hoeft te weten dat ik hier zou zijn zeg niet nee nee nee niet dit keer ik kan niet meer allerliefste ik wil je zo verschrikkelijk graag ik wil je meer dan ooit meer dan wat dan ook ik wil je meer dan ik verdraag ik zal lief en stil zijn, stil als... stil zoals alleen een schaduw stil kan zijn als een vlieg op de muur als een vlo zo klein niemand hoeft te weten dat ik hier zou zijn zeg niet nee nee nee niet dit keer ik kan niet meer   Lief en stil - Kommil Foo   Daar staat hij dan, in het midden van haar living. Stil zal hij binnengeglipt zijn, zoals alleen hij dat kan. Met de sleutel die hij al lang niet meer zou mogen hebben, of gewoon door het kelderraam. Ze zucht, grabbelt naar de wasmand en loopt opnieuw naar buiten om de zongedroogde was van de wasdraad te halen. Ze zal morgenvroeg niet nog eens met een hart dat meer overloopt van spijt dan van liefde naar de druppels op haar slaapkamerraam staan kijken en plots beseffen dat ze de was die ze de vorige dag buiten te drogen had gehangen vergeten was omdat hij weer aan haar voeten lag. Spijt zal ze wel hebben, maar deze keer tenminste ook een paar droge sokken. Ze houdt ervan hoe de stof door haar handen glijdt als ze de kleren rudimentair opvouwt en op een langzaam hoger en onstabieler wordend hoopje in de wasmand dropt. Als ze weer binnenwandelt staat hij nog steeds op dezelfde plek. Een brok ellende, wachtend op een troostende hand die hem geleidelijk laat leeglopen. Ze stelt het zo lang mogelijk uit omdat ze weet dat ze zichzelf morgen weer zal haten en omdat ze weet dat ze op steeds minder begrip kan rekenen bij de steeds kleiner wordende groep vrienden die ze nog in vertrouwen durft nemen. Het lijkt misschien egoïstisch maar het is zuiver zelfbehoud voor ze toegeeft aan aan iets dat haar de komende dagen weer zal verteren. Want toegeven doet ze toch. Hij kent heer zwakke plek, hij is haar zwakke plek. Hoe hij zo afhankelijk kan zijn van haar en dan weer plots verdwijnen omdat zijn ego weer genoeg opgepompt is om toch maar weer een gedoemde poging te wagen om dan na verloop van tijd weer voor haar neus te staan. Nu haar praktische omzwervingen uitgeput zijn grijpt ze zijn hand en trekt hem naast zich op de zetel. Tegen zich aan. Daarvoor is hij hier. Troost en afleiding. Dat is alles wat hij wil maar zoveel minder dan wat ze te bieden heeft. Maar ze geeft wat hij wil nemen en haat zichzelf elke keer een beetje meer.

Juffrouw Vee
34 0

De vos

Kortverhaal                       De vos                                                                                                                     Ingeborg Daniëls   Achteraf gezien was het een voorteken geweest dat ze van al haar porseleinen diertjes juist de vos aan diggelen had laten vallen. Zoals altijd moet de tijd erover neerstrijken om aan een voorteken betekenis te geven.    In haar knoestige handen houdt ze het stapeltje bidprentjes dat ze verzameld heeft  na een leven van zondagse missen. Op elk prentje prijkt vooraan een heilige, de Maagd Maria met boreling, naar obesitas neigende cherubijnen, een lijdende Christus of een oplichtend kruis op een donkere achtergrond. Op de achterkant staan gebeden en bezinningsteksten die aanmanen tot christelijk leven en het te allen tijde vermijden van de katholieke hoofdzonden. Het papier is intussen verweerd tot leer. De klok op de marmeren schouw tikt gedurig voort.    Terwijl ze de gebeden prevelt, dwalen haar ogen door de ommuurde tuin. De hagen van beuk en de palmstruikjes heeft George nog geplant en 40 jaar lang plichtsbewust gesnoeid. De gele rozen, salvia’s, geraniums en afrikaantjes worden nu verzorgd door Roger van op de hoek, die zijn kleine pensioen aanvult met het onderhouden van de hofjes in de straat. Ze mag straks niet vergeten te zeggen tegen George dat hij het gras moet afrijden. Nee, dat mag ze in geen geval vergeten.    Haar gedachten zijn opeens afgeleid van de prentjes. Er beweegt iets tussen de onderste takken van de rododendron. In een flits ziet ze een witte vlek en een roodbruine vacht. Dan oplichtende ogen.  Een gele blik pint haar aandacht vast en heel even voelt ze haar hart verkrampen. Dan verdwijnt het dier even snel als het verschenen is. Versteend kijkt ze naar de zwiepende takken van de struik. Een vos! Een vos in haar hof! Even twijfelt ze. Was het geen hond? Nee, de honden uit de straat kent ze bij ras, naam en vachtkleur. Hoe komt Reynaert dan in haar ommuurde stadstuin terecht? Het dier moet vanuit het natuurdomein zijn territorium hebben uitgebreid of misschien is het wel een moervos met hongerige pups. Ze tast met haar voeten naar haar pantoffels onder de tafel en duwt zich recht. Even blijft ze zo staan met haar ogen strak op de struik gericht, dan schuifelt ze naar de achterdeur.   De oktoberlucht waait haar vochtig en onaangenaam tegemoet. Buiten het geluid van een paar mussen is er geen spoor meer van de vlammende aanwezigheid van de vos. De tuin is weer stil en in zichzelf gekeerd. Ze moet plots denken aan de oude dorpspastoor.    ‘Geluk is een tuin en een goed boek.’ ‘En het geloof natuurlijk’, voegde hij er dan aan toe, voor het geval we zouden denken dat hij in een onachtzame bui aardse zaken boven de Heer verkoos.     De hele avond blijft ze stil voor het raam zitten onder haar zelf gebreide dekentje. Zou hij terug komen? De verschijning van de vos heeft haar geraakt tot diep onder haar ribbenkas. Ze voelt hem nog trillen tussen haar longen en hart, op de plaats waar ze ook andere dingen heeft gevoeld, zoals liefde en doodsangst.   De komst van het dier projecteert beelden van lang geleden op de binnenkant van haar netvlies.    Als schoolmeisje was ze graag bij haar grootouders in het lemen huisje met het rieten dak, al ontzag haar grootmoeder haar niet als het op werk aankwam. In de hoek achter de deur stond grootvaders wandelstok. In het eikenhout had hij afbeeldingen gekerfd die haar kinderlijke fantasieën hadden gevoed. Een draak, een boer met zeis, een melkmeisje, een zwijn en de heilige Castulus die -om redenen die ze zich niet meer kon herinneren- zijn favoriete heilige was geweest. Maar het allermooist vond ze de pluimstaart die aan het handvat hing. Ze herinnert zich hoe zacht hij had geleken, maar hoe stug de haren aanvoelden als ze hem streelde. Het had haar grootvader een zeker aanzien gegeven als hij met die wandelstok, laarzen en een pet over het erf wandelde. De vossenstaart bungelde tot halfweg de stok als een trofee. Dat de staart inderdaad van een dier afkomstig was, had ze pas later beseft. Grootvader had een vossenkadaver op tafel gesmeten. Hij had het beest in een klem bij het kippenhok gevangen en de doodsstrijd was duidelijk lang en hevig geweest. De aanblik van de bebloede tong en de gebroken ogen hadden haar maag doen keren. Toen grootvader met één trefzekere slag de staart van het dier kapte, kon haar verbijstering niet groter zijn. Nu had hij twee staarten voor zijn wandelstok, had hij lachend gezegd. Zijn zichtbare minachting voor dit dier had haar evidente bewondering voor haar grootvader op slag van alle naïviteit ontdaan.   Voor de rododendron ligt een opengevouwen pakje van de slager met daarop twee sneetjes hesp en wat kaaskorsten. Die heeft ze tussen de klaargemaakte sneetjes brood uit gepeuterd en apart gehouden als aas voor de vos. Misschien verleidt de geur van het welkomstgeschenk hem wel. Ze heeft moeite om zich te concentreren op de gebedsprentjes die ze routineus leest en op een stapeltje legt. Haar kaartspel met God kan haar vandaag maar moeilijk tot rust brengen. Wanneer ze de gebeden voor de derde keer wil doorploegen, verrast een plotse beweging in haar linkerooghoek haar. Een roodbruine vos met zwarte poten schrokt in een paar seconden het vlees naar binnen en grist dan het witte inpakpapier met zich mee de struik in.  Ze spert haar ogen open naar de plek waar ze vanmorgen nog stond. Op doorweekte pantoffels en in haar nachtkleed, probeerde ze tussen de takken te turen. Haar knieën hadden zich krakend verzet. Het moet de Heer zijn die haar met dit magische wezen zijn goedkeuring toont!    ‘Dank, Heer’, prevelt ze. ‘Dank!’ De rest van de avond tintelt het in haar maag en gloeien haar oren.   Ook de volgende dagen verschijnt de vos in haar tuin, steeds op hetzelfde moment, na haar gebeden. Eerst waagt hij zich maar enkele seconden van onder de beschermende takken vandaan. Na enkele dagen blijft hij een paar minuten zitten om zijn presentje te verorberen. Hij gunt haar een blik op zijn glanzende vacht die het herfstlicht nu eens bruin, dan weer oranje kleurt. Boven zijn zwarte, slanke voorpoten valt zijn witte bef des te feller op. Alsof hij de jagers uitdaagt:    'Hier is het te doen! Schiet maar in de roos!'    Ze wil zich verzekeren van zijn terugkomst en na enige tijd offert ze niet alleen haar broodbeleg, maar ook haar middagmaal op. Reikhalzend kijkt ze uit naar de komst van haar roofvriend, het ijkpunt van haar dag. De felle verschijning vervult haar met een warmte die nog het meest lijkt op verliefdheid, een gevoel dat ze zich met moeite kan herinneren. De vos is haar minnaar. Iemand die haar apathie doorbreekt. Iemand om naar uit te kijken. Dat ze hem gadeslaat, beseft de vos duidelijk. Op het moment dat hij zich op het voedsel stort en hij tegelijk zijn priemende blik naar omhoog richt, naar haar, achter het raam, houdt ze telkens haar adem in. In zijn pupillen schitteren arrogantie en ontembare honger. Terwijl de tijd haar voordien voorkwam als lijm waar ze doorheen moest waden, vloeien de dagen nu door elkaar. Wanneer ze 's morgens de ogen opent en haar stramme knoken uitrekt, is de vos haar eerste gedachte.    Ze weet niet meer hoeveel weken of maanden het geleden is sinds hij zich voor het eerst vertoonde. In elk geval  vriest het en zit de ijsgrijze lucht vol sneeuw wanneer ze op een morgen beslist om buiten te blijven zitten. In haar dikke kamerjas en pantoffels met schapenwol sleurt ze een plastic stoel van het terras. Tot naast het eten, bij de rododendron.     Ze moet ingedommeld zijn, want het schemert al wanneer ze uiteindelijk geritsel hoort. Ze moet geen moeite te doen om doodstil te blijven zitten. Haar lijf is een ijsklomp. De vos lijkt niet verrast en kijkt haar recht aan met zijn brandende ogen. Onmiddellijk voelt ze zijn warmte. Ze wil iets geruststellends zeggen, maar durft niet. Bang dat haar krakende stembanden hem zullen verjagen. Ze glimlacht alleen maar. Ik ben ongevaarlijk. Ik ben geen jager. Ze denkt het en hoopt dat de vos het begrijpt. Hij buigt zijn kop, snuffelt aan de kaas en kalkoenfilet en eet alles op zonder schrokken. Daarna likkebaardt hij en wast rustig zijn poten. Tijd en ruimte vallen samen, ze versmelt met de vos. Hij kijkt haar aan en slaat zijn staart rond zijn voorpoten. Dan grijnst hij. Vosje Vos Rent door het bos Met tanden die blikkeren En ogen die flikkeren Slacht nu het konijn Vosje mijn.    ’s Nachts ziet ze zijn gele ogen en voelt ze de aanraking van zijn staart tussen haar benen.   De vos is nu altijd aanwezig in haar tuin. Ze wijkt niet meer van zijn zijde, al vriest het stenen en soppen haar pantoffels van het water.    Ze zingt voor hem, terwijl hij op haar schoot slaapt. Haar handen strelen de sneeuwvlokken van zijn stugge vacht. Wanneer hij uitgeslapen is, geeuwt hij zijn tanden bloot en richt zijn blik op haar. Het verbaast haar geenszins dat hij spreekt.    ‘Wilma’, zegt hij. ‘Wilma, George wacht.’  

Ingeborg Daniëls
3 2

Zondebloemen (2)

  Zaterdagochtend, in zijn kamer met aan de muur één poster van Darlene Bubbles en één van Skinny Puppy. Roeland opent het raam. Gisteren was het nog een hot-and-shiny-borsten-worsten-dag, waarop de zon een vermeende vrolijkheid uitstraalde; vandaag is het kil en bewolkt. Een schimmelpaardje trekt een grijze koets door de lucht. Het ding drijft dichterbij en vervoert twee schapen, met of zonder kop, want ogen of oren kan hij niet onderscheiden van de rest. Het gevaarte vliegt gevaarlijk laag, zal straks misschien blijven haperen aan de appelaar. Dan vallen de schimmel en de schapen in de groenselhof om daar een hoop vuile sneeuw te vormen.   Ja, sneeuw op een ochtend in september en mijn vader, Florimond Wittebolle, heeft deze nacht allicht weer enkele stervende koeien in zijn Magirus getakeld om ze naar Van Hoornweder te voeren, naar dat kleine Sijseelse slachtkot waar ze nog snel in stoofvlees versneden werden.   Aan de horizon ziet Roeland rode voertuigen, rijdende ladders en blauwe zwaailichten. Misschien hebben enkele van die getikte Lotjes het gesticht van Onze-Lieve-Vrouw in de fik gestoken, en staan Lieselotje, Charlotje, Lancelotje en Lorelei buiten naar de vlammen te kijken, allen met de handen in het verwarde haar en de voeten in pantoffels van konijnenpels.   Als Roeland de keuken binnenkomt, staat tante Gladys blootvoets voor het aanrecht, op haar tenen, om alles beter te kunnen zien. Ze leunt voorover waardoor haar benieuwde tepels de vensterbank bijna raken. Zeven brandweerwagens telt ze en op haar negligé prijken ongeplukte anjers, eronder leeft dat zachte vel   Snel! Koffie moet ik zetten. Deze ochtend geen gepluimde kippen in de keuken! Anders gaat ze klappertandend rondlopen, om ze te vangen, en verschijnen er rode vlekken op de muur, bloed dat uit hun koploze nek spettert.   “Daar had ik nu zo’n trek in”, zegt ze met een stem als warme melk, terwijl ze met beide handen de tas streelt en wat koffiedamp in zijn richting blaast, “neem ook een tas en trek straks iets warms aan.” “Waarom?”, wil Roeland weten. “Vertel ik je straks wel, op de trein naar Paardenput.” “Paardenput?’ “Ja, Paardenput”, glimlachte ze. Ze drinken en ze zwijgen. Tante Gladys laat een hemels boertje. Haar kop is leeg (de tas, bedoelt hij) en spoelt hem in de pompbak.   "Ti-da-ti-da-ti-da..." Zingend als een blijde ambulance, loopt ze de trap op terwijl haar flinterdunne negligé zonder twijfel openvalt en als een verkwikkende sliert ochtendnevel achter haar aandrijft. Roeland probeert nog aan een eeuwige zomer te denken maar haalt dan toch een pullover uit de wasmand en trekt die aan boven een losse jeansbroek. Een onderbroek vindt hij niet.   Ze gooit een elastiek naar hem voor ze de fiets opkruipt: “om boven je rechter enkel te doen, anders draait je broek in de ketting” ...en komt die slurf uit zijn broek te hangen, denkt zijn scrotum. Onderweg naar het station van Brugge, passeren ze de nasmeulende, platgebrande, brood- en boterkoekenfabriek. “Dit stond dus in lichter laaie deze ochtend. Vaarwel tonnen schuimbrood en vettigheden!”, zegt tante Gladys met een stem die harder klinkt dan hij gewoon is en ze test haar fietsbel wanneer ze de laatste brandweerman voorbijrijdt. Blusschuim hangt hem tussen de benen.   De fietsen maken ze 1-2-3 met een cijferslot vast aan een ursusdraad, die een hondenkakperkje scheidt van het trottoir. Op het perron wacht een trein, op sporen, wissels, bruggen en tunnels. “Die nemen we,” weet ze, “de boemeltrein naar Brussel. Die zal wel stoppen in het station van Paardenput.” “Als jij het zegt...” en Roeland neemt een krantje van de grond, begint uit de rubriek ‘vakantie en tijdverdrijf’ luidop voor te lezen:   driedaagse sauna in Helsinki helend bubblebad in Bollywood treinreis door een Ijslands paradijs weekendje in Willy Wankerland slurffestijn in Florida   Gladys lacht waardoor haar bolle welpjes weer wakker schrikken. Terwijl hij een slapertje uit zijn oog rechter oogput peutert, neemt zij de gratis krant van hem af, mept er een wesp mee dood en het zwartgele wezen valt op het oranje tafeltje. “Moordenaar,” zegt Roeland zonder enige verontwaardiging in zijn stem. “Ben ik allergisch aan, aan bijensteken, wespensteken, breisteken en bereid je maar voor, mijn jongen. Straks te Paardenput moeten we volledig uit de kleren. Warm is het niet vandaag”. “Geloof ik niet”, zegt Roeland, terwijl zijn slurf het tegendeel beweert. “Echt. Oidipous en Iokaste. Bij een schilder. Model staan. Maar ik ben je moeder niet, dus maak je geen zorgen, lieverd. Gewoon jezelf blijven, poseren, eigenlijk een stilleven, want een schilderij is maar een momentopname.” Als jij het zegt, denkt Roeland terwijl hij de schuin naar onderen wegdruipende regendruppels op het raam volgt; ze kruipen gelukkig door de wand van de wagon en hopelijk slaagt hun koelte erin zijn zestienjarige willy weer wat kleiner te krijgen.   Dit alles terwijl er niet eens een station is te Paardenput en ze niet eens op een stoptrein zitten. Het is een intercity en eenmaal voorbij Aalst stopt die pas in Brussel-Zuid. Maar er is een stroompanne, net voorbij de bocht bij Paardenput. Een kraan is bij een overweg in de buurt van Erembodegem tegen de bovenleiding gereden. Enfin, de conducteur komt langs en vraagt de reizigers om uit te stappen en zich te voet westwaarts, naar de bushalte ‘Paardenput’ te begeven. “Daar zullen vervangbussen U dan afhalen”, stelt hij gerust.   De wesp lijkt definitief dood te zijn. Geen stuiptrekking zal die angel nog in beweging krijgen, denkt Roeland. Met zijn hand veegt hij de wesp in de krant, die hij als een lijkverbrandingsbootje onder het tafeltje bij het raam houdt, legt de wesp daarna te rusten in de kleine assenbak en sluit het dekseltje. “Kom we gaan,” en Gladys trekt Roeland bij de mouw, “Lewis wacht op ons. Straks is zijn verf al droog.”         Stroompanne te Paardenput deel 2 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
50 0

Zondebloemen (1)

  yoghurt op Griekse wijze schuimzeep pitloze pruimen honing konijn kaaskroketten     Roeland overloopt het boodschappenlijstje en vermoedt dat hij het konijn met rode ogen niet zal kunnen vinden, ook niet slapend, de oren naar beneden, onderin het rek bij de kassa, onder de kauwgom, doosjes tic tac en condooms met de fletse smaak van vroeggeplukte aardbeien. Hij stapt verder tot hij voor een koeltoog staat, waar ze roerloos liggen, in een kunststof schaaltje onder vershoudfolie, lepeltje-lepeltje, telkens een bruine bloedworst tegen een witte pens aangedrukt.   Krijg je lichtbruine stoelgang van en de kaaskroketten van den Aldi zijn beter. Supersmeuïg. Goudbruine korst. Geloof me. Terwijl er helemaal geen Aldi is in Tillegem en tante Galdys geen frietpot heeft, duwt Roeland met zijn wijsvinger krachtig op één van die gevulde varkensdarmen. Geen leven in die neger te krijgen! Een vrouw achter de koeltoog kijkt argwanend toe. "Of je ook placenta hebt, het liefst die van Adam of Eva?", is de vraag die hem op de lippen zwelt, maar hij zwijgt, legt één schaaltje worsten in het karretje en als hij de pamperafdeling voorbijrijdt, denkt hij aan zijn oudste nicht Vanessa.   Toen die haar melkbusjes na het baren en zogen van twee mollige dochters volledig wilden wegkwijnen, heeft ze nog Franse implantaten laten inbrengen, maar tevergeefs. De rek bleek volledig uit haar huwelijk te zijn en toen kocht haar man Kevin zich een BMW-brommer met twee voorwielen. Hij verhuisde, ging alleen wonen in de plooien van het Heuvelland om daar elk weekend gezwind bergop-bergaf te crossen; de lucht gierde hem als een zuiverende zeebries door zijn leeggesnoten neusgaten.   Na het vergeefs afschuimen van verschillende datingsites -alleen is maar alleen- heeft Vanessa een reis naar Cuba geboekt, werd daar halsoverkop verliefd op een bruine Adonis. Vanessa hertrouwde. Het werd een feest met rum, rommeltoetjes en roombotergebak. Adonis kreeg na enkele weken zijn verblijfs- en werkvergunning en nachten-, weken-, maandenlang, van heilige Justinus tot heilige Libertus, lagen ze bij elk ochtendgloren, net als een beulink tegen een witte braadworst, bloot in het schaaltje van het hete bed te bekomen van hun daden.   Maar toen het lente werd, kocht ook Adonis kocht zich een brommer, één met één voorwiel minder dan Kevin en is er mee weggereden naar god weet waar, de vergunningen veilig in zijn achterzak, om nooit meer terug te keren.     Roeland nadert de kassa. Het bleke meisje, dat er voor een rek vol met korte drank zit, heeft vier knoopjes van haar lichtblauwe schort openstaan, waardoor ze zichtbaar worden, het spannende shirt met rolkraag, een kruisjeshanger, ketting en borsten die als peren, als ferme muilpeertjes hangen te rijpen.   Zwijgend scant ze, terwijl ze passeren: de Griekse wijze die zich de buik volspoot met eigen yoghurt, kinderschuim, een valse baard, honing achter zuiver glas en in hun rayon blijven ze onaangeroerd liggen, pruimen in zakkjes naast rozijnen voor de sultan.   De Griekse wijze neuriet moeilijk hoorbaar en Roeland staart naar de kleine glasplaat met die rode schijn, wacht telkens op de volgende 'piep' van een gescande barcode. Had hij maar geen lege doos met opschrift Lucky Dog genomen. De hondenbrokkengeur, die uit het karton opstijgt, overheerst alles, het parfum van de kassierster, de smaak van weerbarstige pruimen of van honingkoekjes in de vestzakken van een kruimeldief.   Als hij buitenkomt, wacht diezelfde vrijdag hem weer op, aarzelt hij om naar de kassierster te wuiven. Met zijn rekker bindt hij de doos op de fietsstaander en vertrekt, rijdt door een onwel, naar berkenwants riekende dreef naar het huis van tante Gladys. Het poortje van de tuin staat open en tante Gladys trekt onkruid in de voorhof. Haar kale kameeltje bengelt in een los zomerkleedje. "Alles gevonden?", vraagt ze en Roeland denkt terug aan het meisje bij de kassa.   "Bijna, neen, niet alles. Het konijn was nergens te bespeuren en die pruimen heb ik dan ook maar niet gekocht", zegt hij, terwijl hij het schaaltje met de worsten uit de Luck-Dog-doos neemt en met zijn wijsvinger twee putjes als oogkassen in elk van de worsten duwt. "Roeland met vlezige worsten in z’n pollen?", zegt Gladys met een bedenkelijke blik, "en toen je het konijn niet kon vinden heb je die worsten maar gekocht?". "Omdat ze zo zorgeloos tegen elkander lagen, die ene is precies een blanke meisjesworst met biosproeten". "En die andere?", vraagt tante Gladys. "Dat is een neger", antwoordt hij. "Een zwarte, zal je bedoelen en die kaaskroketten bakken we wel in een casserole. Een flinke scheut olie erin. Maar een blanke meisjesworst, gij malle loeder. Hoe kom je erbij?".   Roeland zweet nog van het fietsen en in de badkamer gaat hij zijn tronie wat spoelen. Als hij de deur opentrekt, ziet hij hem daar languit liggen in een bad vol schuim. De Griekse wijze met zeepbellenbaard staart hem aan, haalt van onder het schuim een bloedworst tevoorschijn, prikt er wat bellen mee dood en tante Gladys is intussen ook de badkamer binnengekomen. Poedelnaakt. Haar rosse schaamhaar prijkt als een bermudadriehoek op haar onderbuik.   Ze zet zich neer op de rand van het bad, spreidt de benen en strijkt met haar rechter middelvinger door de klonters yoghurt, die als gestold eiwit aan de borstharen van die ouwe geilaard kleven. Daarna likt ze de vinger binnensmonds schoon en brengt haar hand naar haar dief, duwt de schaamlippen wat open en zegt spottend: "Hier groeit echt geen blanke meisjesworst, mijn lieve Roeland, eerder het puntje van een hete peper".   De ouwe bok met saterkop richt zich op en brengt de bloedworst over de verraderlijke bermudadriehoek tot bij die glimmende dief om, na wat heen en weer gefrot met die ronde dichtgeknoopte top, hem bijna volledig in de hongerige poes van tante Gladys te laten verdwijnen. Enkel het knoopje dat aan de andere van de worst zit, ziet Roeland nog. De vunzige bellenbaardemaker trekt er wat aan en wrijft het knoopje heftig tegen het puntje van haar pepertje. Haar buik- en mosselspieren spannen zich meer en meer op. Tante Gladys sluit de ogen, houdt haar adem in en schreeuwt dan enkele seconden lang, als een dolle duivelsdochter, als een vurig lam dat net de staart afgehakt werd.   Roeland wendt zijn blik af, schudt zich de natte kop voor de blinde spiegel, wrijft de waterspatten van zijn gezicht en kijkt daarna opnieuw naar het bad. Het bad is leeg en als hij terugkomt in de keuken, is Gladys appels aan het schillen. "Van eigen boom, compote, voor bij de worst," zegt ze vrolijk, "proef alvast een kaaskroketje". Hij neemt er één tussen duim en wijsvinger, bijt door de krokante bast en al gauw voelt hij de kaas smelten op zijn tong terwijl zij naar een beha grijpt in de wasmand. Haar armen haalt ze uit kleedje met motief van doornloze rozen en het valt op haar heupen. Ze draait zich om, steekt haar armen in de frisgewassen soutien en heft haar rijke natuur erin, kijkt over een schouder eerst naar Roeland en dan naar de haakjes van haar beha. Roeland knikt, springt recht, veegt zijn vette vingers en de chapelurekruimels af aan zijn broek, haakt de beha dicht, legt de wreef van zijn hand even op die wervels waarin het liefste merg van de ganse wereld zich schuilhoudt, en gaat dan weer zitten. Ze verlegt haar puppy’s nog wat en de rozen kruipen terug omhoog, over haar rug en schouders.   Het vuur zet ze snel op een lager pitje en roerend door de kokende appelen, zegt ze warm: "Straks worst met compote en als dessert honing op een kwakje Griekse yoghurt".         Yoghurt op Griekse wijze deel 1 van 'Zondebloemen' uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Tijd heelt altijd te laat

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ vroeg Marcel die net de sleutel in de deur van de pastorie had gestopt. ‘Meneer pastoor, dit is voor jou,’ zei de vrouw met hijgende stem en een lichtjes rood aangelopen hoofd. Verbouwereerd nam hij het boek aan. Nog voor hij iets kon zeggen, was ze al geruisloos in de uitgestorven straat verdwenen.   Het boek Het huis van de moskee had een bibliotheeksticker op de rug. Toen hij het boek wou neerleggen op het glazen tafeltje in de hal, merkte hij tussen de vergeelde pagina’s een klein, wit driehoekje op dat als een handje van een drenkeling omhoog stak, schreeuwend om gered te worden. Het bleek het uitleenticket van de vorige ontlener. Sabrina De Cock. Onder Het huis van de moskee had ze een getallenreeks gekrabbeld: 22  39  29  32  36  25. Ze had nog een boek ontleend: Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Dat is wel heel veel vloeken voor een titel van een boek, dacht hij. Onder al dat gevloek weer een reeks getallen:   52   35   46   29   40   23. Het verbaasde hem hoe hij plots gebiologeerd was door een vrouwennaam, twee boeken en twaalf getallen. De gedachte dat ook zij dit stukje papier aangeraakt had, ontlokte hem een siddering van genot. Hij rook eraan met zijn ogen dicht. Hij ademde niet zozeer de geur van papier in, maar het aroma van streelzachte vingers en een snuifje kersenrode lippen. Al wist hij dat het niet kon. Dat het niet mocht. Hoe meer hij het wou loslaten, hoe dwingender de gedachten werden. Zijn geest maakte vreemde bokkensprongen van een verhitte omstrengeling over losgerukte kleren tot verrukking in de hoogste graad. Hij zat als een gladiator zonder teugels in een strijdkar achter losgeslagen paarden, paarden van verlangens naar de intimiteit met een vrouw. Maar een verzonnen vuur verwatert snel. Marcel zuchtte eens diep en legde het briefje in de onderste la van zijn bureau, onder wat dikke dossiers. De inleverdatum van het boek noteerde hij keurig in zijn agenda. Dagen gingen voorbij, weken gingen voorbij. Traag, maar ze gingen voorbij. Hij doopte een kindje met dezelfde verwondering als voorheen. Hij zegende huwelijken in geheel eigen stijl in. Met veel beeldspraak, veel humor en tomeloze passie. De koppels keken hem dankbaar aan alsof ze de zegen van een engel hadden ontvangen. Als een zingend kind op een fiets trok hij elke dag een spoor van blijdschap door de stad. Hij straalde een vorm van zorgeloosheid uit waar anderen hem om benijdden. Ware geluk is elke avond gaan slapen met een gerust gemoed, zo formuleerde hij dat. Hoewel hij af en toe eens een nachtje wakker lag, had hij zijn leven weer helemaal onder controle.   Tot een artikel in het Brugsch Handelsblad zijn nieuwsgierigheid opnieuw had geprikkeld. Een speling van het lot. Ja, daar kon Marcel het op afschuiven. Het artikel handelde over bijzondere trouwdata. Een koppel uit het naburige Assebroek was getrouwd op woensdag 11 december 2013, om 14 uur 15 minuten en 16 seconden. Omwille van de rekenkundige reeks 11 12 13 14 15 16. Zes getallen! Een rekenkundige reeks, dat hij daar niet aan gedacht had! Hij haastte zich naar zijn bureau, deed de onderste la open en diepte het ticketje vanonder de dossiers op. Hij bestudeerde opnieuw de reeks getallen: 22   39   29  32  36   25. Nu pas zag hij twee fijne puntjes achter de getallenreeks staan. Hij moest de rij aanvullen met twee andere getallen, natuurlijk. Maar welke? Uit zijn hoofd lukte het niet, dan maar op papier. Rusteloos zocht hij alle mogelijke verbanden, kraste en telde. Tot hij opeens het licht zag alsof God hem persoonlijk de code toefluisterde. Het eerste, derde en vijfde getal wordt telkens met 7 verhoogd, de andere getallen met 7 verminderd: 36 + 7 = 43, 25 – 7 = 18. Twee getallen: 43 en 18. Pagina 43, regel 18, net als psalmen en verzen. Vlug bladerde hij in het boek, naar pagina 43, regel 18: Ik geloof niet in toeval. Sabrina gelooft niet in toeval. Dus ze heeft dit spel bewust opgezet. De andere getallen, 52  35  46  29  40  23, alweer gevolgd door twee puntjes. Natuurlijk, de oneven getallen min zes, de even getallen ook. Dus 40 - 6 = 34, 23 – 6 = 17. Pagina 34, regel 17 uit de Godverdomse dagen. Vlug rende hij naar de bibliotheek. Wie of wat hij onderweg tegenkwam, zag hij niet, hoorde hij niet. Hij had Sabrina in zijn hoofd. En veel fantasieën. En ook een angst die hij niet kon verklaren. Zoeken bij VERH van Verhulst. Hij vond het boek. Hij bladerde gejaagd door naar pagina 34 en las regel 17: Bloot blijft altijd mode. Zijn ogen bleven een tijdje kleven op bloot. Nieuwsgierig las hij verder. Enkele regels later: Priester is een schone stiel. En onderaan in potlood geschreven: ‘Molenweg 102 – elke dinsdag 10 uur’. De adrenaline gierde als een gek door heel zijn lijf. Daar stond hij in de bibliotheek, een geile priester met het boek Godverdomse dagen in zijn handen. En een spoor naar Sabrina. Hij had het hierbij kunnen laten maar de vlam waarvan hij dacht dat die gedoofd was, wakkerde opnieuw aan. Ook al wist hij dat één kaars een heel huis in de as kan leggen, zelfs die onheilspellende gedachte kon het monster van de begeerte niet verdrijven.   Elke dag, vanaf de woensdag dat hij haar adres gezien had tot de volgende dinsdag, duurde wel een eeuwigheid. Hij genoot van het vuur dat door zijn aderen stroomde, hij gaf voor het eerst in zijn leven een tournée générale in het café dat niet bekend stond om een katholieke geloofsovertuiging. Hij speelde er zelfs tafelvoetbal met de frivole dochter van de kroegbaas. Hij had zichzelf heruitgevonden. Als je beseft wie je bent, dacht hij, heb je twee keuzes: of je begint te leven, of je begint te sterven. Hij koos voor het eerste.   Uiteindelijk, na zes lange dagen en nog langere slapeloze nachten stond hij voor het huis van Sabrina. Hij keek nog eens links en rechts – alsof hij zich daar onzichtbaar mee zou maken – en belde aan. De seconden tot zijn ontmoeting met Sabrina leken wel uren. Zou het dan toch waar zijn dat het meest angstige moment het moment is waarop je een droom kunt realiseren? Hij keek nog eens opzij in de straat. Niemand te zien. De deur ging open. Hij stond oog in oog met een man van tussen de dertig en de veertig jaar. Zijn scherp gezicht kwam hem niet onbekend voor. Toch kon Marcel hem niet thuisbrengen. ‘En?’ vroeg hij. ‘Euh… ik kom eigenlijk voor Sabrina,’ stamelde Marcel. ‘Wat wil je dan?’ Marcel zweeg. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. ‘Wil je misschien weten of Sabrina buiten mag spelen? Dat zul je aan haar mama moeten vragen,’ zei hij. Deze situatie had hij zich niet voorgesteld. ‘Euh… ja, neen… ik denk dat ik me vergist heb. Sorry voor het storen.’ ‘Ach, doe niet zo gek. Kom binnen, ik ging toch juist vertrekken. Het is boven te doen. Eerste deur rechts.’ Hij trok Marcel nogal hardhandig aan zijn arm zodat hij in een fractie van een seconde in de hal stond, alleen, in een onbekend huis en niets anders voor hem dan een uitdagende wenteltrap. Danig in de war door het vreemde gesprek, aarzelde hij om naar boven te gaan. Hij kon nog terug, dat was zeker. Maar hij kon ook naar boven. Naar het paradijs. Of naar de hel. ‘Kom maar,’ riep een lieve vrouwenstem. Dat het niet de stem van een kind was, was al een hele opluchting. Op de trap hield hij de leuning goed vast. Zijn flanellen benen boden nauwelijks nog steun. De eerste deur rechts stond op een kier. Zijn opgewondenheid haalde het van zijn zenuwachtigheid, zijn lust won het van zijn verstand. Hij duwde voorzichtig de deur open. Hij zag een groot bed, maar geen Sabrina. Schuifelend, voetje voor voetje, trad hij dit heiligdom binnen. De warmte overviel hem meedogenloos. Hij keek rond maar zag niemand. Op het nachttafeltje een Boeddhabeeldje. Het lachte Marcel toe, maar stelde hem niet gerust. Was dit een grap? Of een val? Hij moest daar weg, er klopte iets niet. Hij draaide zich om en keek recht in de donkere ogen van een beeldschone vrouw. Zwarte krullen, bruine teint, vuurrode lippen. Haar purperen kimono viel net niet open, maar onthulde toch al genoeg. Ze glimlachte. Alle onrust maakte plaats voor een heftig hunkeren. Ze deed de deur dicht, ze liet haar kimono van haar lichaam glijden en kuste zacht zijn mond. Nog geen half uur later verliet Sabrina de kamer. Marcel lag naakt op het bed. Er werd op de deur geklopt. Hard. Nog voor Marcel kon reageren, kwam er een man binnen, die zonder aarzelen naast hem op het bed ging zitten. ‘Je herkent me niet hé?’ vroeg de jongeman. ‘Ja, van daarstraks… beneden,’ zei Marcel die ondertussen rechtop zat, met een hoofdkussen tussen zijn opgetrokken knieën. ‘Don Boscocollege… internaat… 1979… misschien was ik niet memorabel genoeg… of was ik een van de zo velen,’ zei hij. Hij bleef Marcel stuurs aankijken. ‘Een leerling?’ vroeg Marcel. ‘Zo kun je het stellen. Alleen heb ik iets te veel van jou geleerd. Iets wat niet in het lessenpakket zat.’ Zijn bitsigheid verlamde Marcel. ‘Wat er hier gebeurd is, heb ik opgenomen op video.’ Hij wees naar een piepklein oogje aan het plafond. ‘Sabrina is nu onderweg naar de politie. Hoe lang staat er op verkrachting, denk je?’ Marcel werd lijkbleek en voelde zich misselijk worden. Angsttranen schoten in zijn ogen. ‘Ge zijt een zielig ventje. Ze moesten je in een diepe put steken. Ge hebt zelfs mijn moeder niet herkend, ja, diegene die het boek is komen geven. Zij haat je evenveel als ik. Maar nu is het definitief gedaan.’ Marcel probeerde tevergeefs zijn bijtende klanken weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. Hij werd overwoekerd door gedachten, als een muur vol klimop. Vluchten uit deze vretende gedachtestroom kon hij niet. Hij voelde hoe zijn vuisten zich opspanden. Zijn vingernagels sneden in zijn handpalm. Met alle macht die hem restte, greep hij naar het lachende Boeddhabeeldje.  

Gino Dekeyzer
0 0