Lezen

Stalen hart

Ik weet dat jij de sleutel bent van mijn ongesloten tralies. Maar je bent ook mijn buur van de duistere gangen. De uitspraak was al lang gemaakt, voor we samen vast zaten. Toen we onze handen tussen de tralies hielden. Hoop in onze handen aan elkaar doorgaven. Voor het eerst voelde ik warmte door al dat staal. Maar we werden gek tussen die vier muren. De waan dat de muren in elkaar schoven, onze handen elkaar niet meer bereikten. Nu de tralies in een stalen muur is verandert... Is de stilte nog killer dan de koude die ik uitblaas in de wind. Ik mis je, en ik weet dat jij me ook mist. We weten maar al te goed dat de deur openen geen moeite vraagt. Ik ben het wachten moe, ik vat kou zonder jou. Je kreeg alle kansen maar je keek liever naar een wit blad. Ik begrijp niet dat we zoveel excuses maken over één oordeel. Nu er zoveel tijd voorbij is gegaan, weet ik niet of je nog naast me zit. Ik ben je aan het opgeven, nu de winter is aangekomen. Twee verkeerde handen houden me vast, dat had jij kunnen zijn. Het zijn vooral in de eenzame avonden dat ik naar je me mijmer. Maar die tijd vul ik op nu, het is genoeg geweest. Vanavond schreeuw ik tegen die vervloekte muren. In de hoop dat je me voor het eerst eens kan horen huilen, want ik wordt ook gemarteld door die stilte. We kunnen zo gelukkig zijn samen, maar we zijn geboren voor het ongelukt. Verslaafd aan de pijnstillers. Binnen een paar maanden gaan we weer voor elkaar staan. Ik vraag me af of we de tijd samen zullen nemen, Of vrijwillig onze cel weer binnengaan.  

Lisa T.
0 0

14.12.2016

Weet ge wat ge eens moet doen? Ge moet eens, als ge vanavond laat gaat slapen, en als ge in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge eens denken aan de zee. Die grote plas vol water, ergens ginder buiten in het donker. Ziet ge ze voor u, die zee? ’t Is een mooie zee, zo eentje om naartoe op vakantie te gaan. ’t Is, laat ons zeggen, de Middellandse Zee. Van ergens in de lucht kijkt ge neer op de Middellandse Zee. Een enorme watermassa. Een zwarte, glanzende plas, zo ver als ge kunt kijken. De kusten kunt ge niet zien. Veel kunt ge sowieso niet zien, want ’t is een donkere nacht en de maan is maar half. Maar goed, zoals ik zei: alleen maar water. En kom nu eens langzaam naar beneden. Laat u voorzichtig zakken... Rustig... Zijt ge daar? Ge zit nu in een bootje. Een houten sloep. Met vooraan en achteraan een dwarse plank om op te zitten. Met twee roeispanen en een kleine benzinemotor. Een kleine boot. Laat ons zeggen: voor een man of tien, twaalf max. Ziet ge dat bootje? Zit ge d’r in? Het drijft langzaam voort. Heel langzaam. (Tja, ik wou dat het anders was, maar de benzine is al een tijdje op. En de roeispanen zijt ge kwijtgespeeld. Eerst de ene. Dan, vanmorgen in een te grote golf, de andere.) Uw bootje drijft langzaam voort. Weet ge waarom ge hier zit? Ge zit hier omdat ge moet. Ge hadt geen keuze. Ge hebt alles achtergelaten en ge weet in feite bij god niet naar waar ge nu op weg zijt. Het is allemaal veel te ingewikkeld om op één-twee-drie uit te leggen, maar geloof mij, ge hadt geen keuze. Het was dat of doodgaan. Ge vraagt u af hoe diep de zee is. En wat ge gaat doen als ge erin valt. Ge vraagt u ook af hoe ver het nog is, want zo ver als ge kunt kijken, ziet ge alleen maar dat zwarte, koude water. Nergens een vuurtoren of ander licht dat op een kustlijn wijst. Het is misschien een magere troost, maar ge zit hier niet alleen. Bij lange niet. Ge zit hier met minstens vijfendertig, veertig man. In een bootje voor tien. Een mens voelt zich altijd een beetje sterker als hij zijn miserie met anderen kan delen, toch? Al blijft het natuurlijk miserie. Ge zijt bang. En ’t bootje begint alweer serieus te schommelen. Ge zit op de rand en er is niet veel om u aan vast te houden. Voelt ge het bootje schommelen? Voelt ge het? En gij die dacht van rustig te gaan slapen... Eigenlijk is dat geen ding om mee op volle zee te gaan. Veel te gevaarlijk. Ge moet zot zijn om zoiets te doen. Of ge moet zijn zoals gij en al die anderen hier met u: zonder keuze. Gelukkig weet ge dat er een eind aan komt. Enfin, als het bootje niet zinkt en zo, maar aan zulke dingen probeert ge niet te denken. Ge weet dat er een eind aan komt, want ge hebt op een kaart de vorm van de zee gezien, en als ge altijd rechtdoor blijft varen, dan komt ge vanzelf aan de overkant uit. Waar dat precies gaat zijn, weet ge niet. Zo een bootje vaart natuurlijk nooit helemaal rechtdoor. Maar ergens aan de overkant, daar kunt ge redelijk zeker van zijn. Ergens waar ge nog kunt leven. Ergens waar ge weer veilig aan land kunt gaan. En ge hoopt dat daar iemand zal zijn die u een beetje kan helpen. Maar dat zal wel, zeker? Ja, toch? En stel nu… Stel nu dat daar niemand is die u kan helpen … Dan kunt ge het altijd nog anders proberen… Stel nu dat daar niemand is die kan helpen, dan moet ge eens, als ge dan toch gaat slapen, vanavond laat, en als ge dan toch in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge u eens voorstellen dat gij zelf zo iemand zijt die kan helpen. Zo iemand die misschien op de kade heeft staan wachten, omdat hij heeft gehoord dat er een bootje op komst is. In elk geval, iemand die kan helpen. Voor ge 't weet bekijkt ge de dingen van de overkant. Serieus. Ge moet dat eens doen.  

Lode Demetter
0 0

Steenezelig.

Koppigheid wordt me wel eens verweten.... Ik kan er niet onderuit.   Mezelf kan ik nauwelijks als rechtlijnig of consequent bestempen, integendeel. ik ben  eerder nonchalant wispelturig.  Onberekenbaar inconsequent. Soms neemt mijn onredelijke, eigengereidse tegendraadsheid zulke proporties aan dat zelfs ik me er ongemakkelijk bij voel.  Meestal gaat er wel een tijdje over vooraleer ik die ongemakkelijkheid ervaar.  Zoals bij het plotse bezef dat je bad koud geworden is. Bij anderen valt me stijhoofdigheid om een of andere reden meer op dan bij mezelf.  Vaak zijn mensen die dicht bij mij staan mijn gemakkelijkste slachtoffer. In hun nabijheid wordt mijn onredelijkheid dan zeer illustratief en plots word ik een prototype van stringente star-en stijheid. Als ik mezelf al eens een kans geef gelijk te hebben wil ik dat gelijk nog krijgen ook. Beeldt je in! Deze onhebbenlijkheid steekt naar mate ik langer op deze kluit ronddool vaker de kop op dan me lief is.  Onhandige bokkigheid maakt zich dan van mij meester en krijgt overhand op redelijke tollerantie. Ik metamorfeer in een onaangenaam, te mijden, niet nader te willen definiëren "iets".   Ben ik nu moedwillig misverstaan of uitdagend geprovoceerd? Arrogant wijsneuzerig misleid? Werd mijn minzame hulpvaardigheid misbruikt?   Of is het eerder dat zielige, miezerige zelfbeklag dat de kop opstak net omdat ik me zopas even beter, slimmer of handiger waande dan jij? Jij, met wie ik me normaal gesproken steeds op gelijke hoogte waan. Zeer goed beseffend dat dit gevoel meestal hoofdzakelijk gebaseerd is op zelfoverschatting. En dan daal ik langzaam een paar etages. Ik kom voorzichtig, verlegen van mijn troon! Neerdalen uit de verheven hovaardigheid. Heel stilletjes beseffend dat de arrogantie en de moedwilligheid  die ik "hen" verweet precies de projectie was van hoe ik zelf naar het zaakje keek.  

jan pultau
0 0

Allemaal een beetje Hillary

Er bestond geen twijfel over: ze zou winnen. Ik ging dus met een gerust gemoed slapen op dinsdag acht november. Hillary Clinton zou samen met haar Bill weer naar het Witte Huis trekken. De ochtend nadien werd ik wakker in een andere wereld. Ik die dacht dat ik in het breeddenkende Westen leefde, werd ineens geconfronteerd met het feit dat mijn buurman daar wel eens anders over zou durven denken. Aan de reacties op Trumps overwinning op sociale media te zien, was ik niet de enige die een wake up call van jewelste kreeg. De in mij langzaam ingedommelde voor ruimdenkendheid strevende mens, schoot bruusk wakker. Eerlijk is eerlijk, als blanke hetero heb ik relatief weinig last van discriminatie. Wat ik dan wél weer ben, is een vrouw. Erger nog: ik ben een zelfstandige vrouw. Zo eentje die opkomt voor haarzelf. Grab me by the pussy and your balls will be just a good memory. Jawel dames en heren, ik behoor tot de feministen van mijn tijd. Een groep waar Trump en, helaas zo blijkt, heel wat andere mannen het nog steeds moeilijk mee hebben. Soms zijn ze er erg openlijk over, maar nog vaker zit hun seksisme onderhuids. Zo gebeurt het vaak dat een vrouw die zichzelf in eerste instantie niet als feministe beschouwde, er uiteindelijk toch één wordt. Ik ben best een kritische ziel. Als vrouw in deze maatschappij, is dat niet altijd een pluspunt. Begin jaren tachtig werd ik geboren. In die tijd leerde Madonna meisjes ‘to express yourself’. Madge was meteen mijn idool. De impact van de pracht en praal van tutu’s en schitterende oorbellen op de kleine Ans waren groot. Bijgevolg stond ik op als kind in een veel te groot onderhemdje met de paternoster van mijn tante nonneke van ‘Like a prayer’ te doen. De toon was gezet. In de jaren ’90 werd werd er nog een schep bovenop gedaan. De muziekwereld vuurde een fenomeen genaamd ‘The Spice Girls’ op ons meisjes af. Dit was ook meteen het startschot van de ‘Girlpower’. Na het rebelse feminisme dat ik al van Madonna had meegekregen, werd nu de boodschap van onafhankelijkheid voor de tweede keer door mijn puberale strot geramd. Slikken deed ik het maar al te graag. Ik kleurde mijn haar rood zoals Ginger Spice en liep rond in kledij waar Gwen Stefani alleen maar met een goedkeurende blik naar had gekeken mocht ze mij ooit in het echte leven zijn tegengekomen.Dat ik op mijn achttiende met een scriptie over ‘feminisme’ afstudeerde aan het middelbaar, is dan ook geen al te grote verrassing. Maar wat is dat nu net, dat feminisme? Wel eigenlijk is het heel simpel:  “Feminism is the radical notion that women are people” (red. Cheris Kramarae – Paula Treichler)Vrouwen zijn dus mensen, net zoals ook mannen dat zijn. Natuurlijk zijn er verschillen en heeft deze soort mens haar sterke en zwakke punten. Dat hoeft niet per se te betekenen dat het ene geslacht de meerdere is van het andere. En dan ben je een dertiger en staat de grootste staat ter wereld op het punt een vrouw aan het hoofd te krijgen. Eindelijk.Toch gebeurt het dan nét niet en word je wakker in een maatschappij waar het glazen plafond van gewapend glas blijkt te zijn. Het wordt je ineens duidelijk dat het niet voor iedereen normaal is dat Peter en Rik gaan trouwen. Je beseft dat Sumaya elke dag met de vraag worstelt of ze nu wel of niet een hoofddoek mag of in andere gevallen moet dragen. Je komt tot de constatatie dat niet iedereen denkt zoals jij denkt en dat die ‘iedereen’ dichter bij je staat dan dan je had gedacht.Laat ons dus alsjeblief niet op onze lauweren rusten en denken dat de strijd voor verdraagzaamheid reeds gestreden is. Het recht voor iedereen om gewoon te mogen ‘zijn’ moet je blijven verdedigen, elke dag opnieuw.

Ans DB
0 0