Lezen

Zwijgend

De akelige stem van mijn moeder vormt een telkens groter wordend contrast met haar warme, vriendelijke persoonlijkheid. Ik ben blij dat ze niet meer onophoudelijk tegen me praat. De eerste dagen na het ongeluk was het verschrikkelijk. Ik had een ontzettende hoofdpijn en het continue gekras van mijn moeders stembanden om een stroom van geruststellingen mijn kant op te sturen maakte die pijn alleen maar erger. Nu zit ze naast me en ze zwijgt. Ik zwijg ook. Ik hoor dat ze haar stoel wat dichter naar mijn bed schuift. Ze heeft zojuist een Delfts Blauw bordje -zo'n echte met golvende dunne randjes- waarop een met zwetende kaas belegde boterham ligt, naast mijn benen op de lakens gezet. Ik heb geen honger, maar hoef haar dat niet eens te vertellen. Ik voel me op mijn gemak als zij er is. Het voelt goed om niet te hoeven te praten, om niet te hoeven luisteren, om niet gezellig te hoeven te doen. Het voelt gewoon goed om samen te zijn. Vanmorgen is mijn broer nog bij me langs geweest. Ik zweefde tussen wakker en slaap. Hij ging naast me zitten, keek om zich heen in deze sfeerloze ziekenhuiskamer en schudde zacht zijn hoofd. Ik voelde dat hij mijn linkerhand pakte, er teder in kneep en dat hij daarna zocht naar mijn reactie. In mijn rozigheid kneep ik niet terug. Ik wilde zeggen dat ik blij was dat hij er was, maar ik was nog te moe. Even te ver weg. Ik kijk naar het Delfts Blauwe bordje met de boterham. Ik heb geen honger. Mijn moeder weet dat, dus zij pakt het sneetje brood en ze neemt er een flinke hap van.  Stilte. Dan springt de televisie aan en kijken we samen de favoriete serie van mijn moeder.  ‘Zo dadelijk komt dokter Berg langs om even te kijken hoe het gaat,’ zegt ze tegen me. Niet nodig, ik voel me top! wil ik zeggen, maar ik hou me in. Ik wil geen discussie en daarbij, ik weet hoe moeders zijn. Ik weet hoe mijn moeder is. Zij wil dat de dokter naar me kijkt. Komt Tim ook nog langs vandaag?  Ik zou graag hebben dat mijn broer wat vaker langskwam, ik mis hem. Mijn moeder zwijgt even en zegt: ‘Dokter Berg gaf aan dat hij me wil spreken over je herstel. Het gaat straks vast beter. Misschien met kleine stapjes, maar ik weet zeker dat je vooruit gaat. Langzaam maar zeker vooruit, toch lieverd?’ Hoezo langzaam? Ik heb een auto-ongeluk gehad! Wat denk je dan? Dat ik in twee dagen weer rondhuppel? Hoe lang is het eigenlijk precies geleden? Eén week? Twee weken? En ik voel me nu per dag weer beter. De deur aan de andere kant van mijn kamer glijdt langzaam open. Ik hoor voetstappen op de linoleum vloer. Ik hoor aan het geluid dat het dure nette schoenen zijn. Van het soort met houten hakken. Ik zit helaas niet helemaal rechtop en kan het daardoor niet goed zien. Dokter Bergman, neem ik aan? ‘Meneer Vrijman. Ik kom even kijken hoe het met u gaat.’ De dokter loopt in beeld en hij komt met zijn gezicht vlak voor me hangen. Hij houdt een soort pen vast, met aan het uiteinde een lampje. Hiermee schijnt hij in mijn ogen. Dit is een terugkerend ritueel. Hij heeft een mooie pokerface, ik kan nooit uit zijn blik opmaken wat hij ervan vindt. Ik zie hem aandachtig kijken, terwijl zijn gezicht nog iets dichterbij komt. Zijn adem stinkt naar salami. Ik vind het vreemd dat de omgeving zo'n invloed heeft op mijn beleving. Bij de lunch vind ik de geur goddelijk. Nu walg ik ervan. Ik wil er iets van zeggen, maar hou me nog net in. ‘En… ziet u iets?’ De stem van mijn moeder. ‘Onveranderd. Helaas.’ Mijn moeder barst in een hysterisch huilen uit. 'Het wordt tijd om een beslissing te nemen.' De stem van de dokter. Mijn moeder buigt zich over mij heen en ik zie haar gezicht. Mijn God, wat ziet ze er oud uit. Zou ze sinds mijn ongeluk zo slecht geslapen hebben? Nee, dat kan het niet alleen zijn. Ze lijkt wel twintig jaar ouder. Mam, wat is er met je? Wat is er gebeurd? Geen reactie. Mam! Mama!! Waarom zeg je niets? ‘Ze kan je niet horen. Dat komt door het ongeluk,’ de stem van mijn broer. Ik… Wat? Hoezo? Wij hadden een ongeluk, niet zij! ‘Precies…’ Hoorde ik mijn broer nog zeggen. Ik zoek hem in de kamer, maar zie hem niet. Ik begrijp er niets meer van. In stilte kijk ik naar de dokter en mijn moeder. Mijn moeder heeft tranen in haar ogen. Ze veegt ze ongemakkelijk zo snel als mogelijk weer weg. ‘Betekent dit echt dat hij nooit meer wakker wordt?’ ‘Dat is inderdaad wat ik u wil zeggen. De kans is in ieder geval extreem klein. Uw zoon ligt al ruim vier jaar in coma. In zo’n situatie is er vrijwel geen hoop meer op een herstel. Sterker nog, de kans dat hij wakker wordt en nog de zoon is die u kent, is nog een stuk kleiner dan één procent. Feitelijk is die kans nihil.' Het snikken van mijn moeder wordt luider. Ik wil mijn broer roepen, ik heb hem heb toch net nog gesproken? Waarom heeft hij me dit niet verteld?  Tim, waar ben je?  Dan hoor ik de wegstervende stem van mijn moeder: ‘Ik wil niet nog een zoon verliezen.’

Frank Lubbers
0 0

de stad stroomt over

Een vriendin van me was onlangs op bezoek. Een vriendin uit een ver verleden, uit de verre stille kempen. Ergens halverwege de avond merkte ze op dat ze zelf nooit in een stad zou willen wonen. Of zou ‘hoeven’ te wonen, verduidelijkte ze. Een stad is namelijk constant in beweging, heeft zoveel te bieden, er heersen zoveel stromingen, dat enkel wie op zoek is naar nieuwe dingen er iets aan heeft. Zijzelf was niet bepaald op zoek naar nieuwe dingen. Haar leven was vol en perfect genoeg zoals het was. Het zette me aan het denken. Is het zo dat mensen die in een stad wonen een absolute en onverwoestbare nood hebben aan verandering? Zijn ze misschien onrustiger? Natuurlijk is het zo dat in de stad het aanbod van ideeën en tendensen overweldigend is. Van mode tot cultuur en kunst, ze slaan er je mee om de oren. En overal waar je komt waait een andere wind. Het geweldige is dat al die winden tegelijk waaien en dat je er kan uitpikken wat je boeit en de rest laat je aan je voorbijgaan. Dan stel ik me ook de vraag of zonder die constante beweging het leven saai zou zijn. Alleszins is het in deze tijden en in onze stad het ‘niet op zoek zijn’ bijna iets uncool, ondenkbaar. De stad aan de stroom stroomt over van innovatie, ‘anders-zijn’ is misschien wel het subtiele levensdoel van de stad en haar inwoners. Nieuwe concepten in kunst, vintage kleding, multiculturele evenementen. Het is altijd wat anders. En dat is naar alle waarschijnlijkheid de reden waarom mensen in een stad willen wonen. Maar ik denk dat die drang naar verandering zwaar overschat wordt, want uiteindelijk is het niet meer dan een zoektocht naar datgene waar we ons goed bij voelen, waar we bij kunnen thuiskomen. In die zin zijn we niet op zoek naar verandering, maar naar standvastigheid. We zoeken in al die beweging gewoon naar een plaats waar we ons kunnen stilhouden. En als we die plaats gevonden hebben, nemen we het pakketje vernieuwingen en stromingen die we ons eigen gemaakt hebben op de rug… en verhuizen we naar de kempen!  

LL Rigby
0 0

tijd zonder oordeel

Het tikken van mijn armen, die 10u30 aanwijzen, lijkt de aanwezigen gerust te stellen. Eén voor één staren ze voor zich uit, lijken in hypnose. Een enkele vrouw bladert door een magazine maar schijnt de woorden nauwelijks in zich op te nemen. Af en toe werpt ze een blik op de man naast haar, de enige man in de ruimte voorzien voor vrouwen.  Een andere vrouw houdt steevast haar rechterhand om de ronding van haar buik. Ze gooit steelse blikken naar de andere vrouwen die het vooralsnog  zonder buikje moeten stellen. Zij en de man zijn de twee vreemde eenden in de bijt in deze ruimte waar de geur van ongeduld en wanhoop zich vermengt met één van hoopvolle verwachting. De lichamen van deze vrouwen laten hen in de steek, de dokter is er om daar verandering in te brengen. Met een beetje geluk. De dokter komt de volgende patiënte halen. Die gooit haar magazine opzij met een elan dat haar ongeduld verklapt. Bij de deur kijkt ze om wanneer ze merkt dat de man nog steeds op zijn stoel zit. Hulpeloos en angstig kijkt hij haar aan. ‘Ik wacht hier wel’, slaagt hij erin te mompelen. De blik van de vrouw verandert van geïrriteerd naar boos in amper een seconde; nog eentje later muteert hij tot hardheid. Verbeten draait ze zich weer om en stapt achter de dokter aan diens kabinet binnen. De man kijkt naar zijn voeten, de handen onder de dijen geklemd. Hij schrikt op wanneer de zwangere vrouw hem toespreekt. ‘Het is niet makkelijk hè. Ik begrijp het wel. Mijn man blijft ook liever thuis.’ Van onder zijn wimpers kijkt hij haar verbaasd maar dankbaar aan. Hij knikt haar een beetje onhandig toe.  Wanneer mijn wijzers vijf voor elf aangeven, kijkt hij verontwaardigd mijn richting uit, als om te zeggen dat het mijn schuld is dat zijn vrouw zo lang wegblijft. Met een zucht wendt hij zijn blik van me af en laat zijn ogen op de vrouw voor hem rusten. Heel langzaam glijdt zijn blik over haar benen, haar rokje, haar bolle buik. Tot ze blijven rusten op haar gezwollen borsten. ‘Wil je een keer voelen?’, vraagt plots de vrouw, die zijn blik niet was ontgaan. Ze wijst op haar buikje. Zonder te weten waarom knikt de man verlegen, gaat naast haar zitten en legt zijn hand op haar navel, die door het strakke truitje prijkt. Hij kijkt in haar ogen, hun hoofden nu slechts centimeters van elkaar verwijderd. De vrouw schenkt hem een warme, troostende glimlach. Moederlijk. Hij voelt haar warmte en drukt in een impuls zijn lippen op de hare. Net wanneer zij zich van hem losmaakt, met de ogen knippert en haar mond opent om te protesteren, gaat de deur open en komen de dokter en de vrouw buiten, die elkaar de hand schudden en slechts elkaar zien. De man springt recht en loopt snel op zijn vrouw toe. ‘Alles okee schat?’, waarop de vrouw hem vergevingsgezind een zoen op zijn wang drukt.  

LL Rigby
0 0

roze

Ze heeft iets voor me, zegt ze met een ietwat ondeugende glimlach, terwijl ze de handen achter de rug houdt. ‘Je mag nog niet kijken.’ Ik sluit gewillig de ogen, benieuwd met welke verrassing ze dit keer komt aanzetten. Klaartje is een kei in verrassingen, kleine ditjes en datjes, een gedroogde bloem, een gedicht, een schelp. Dit keer zal het niet anders zijn. Ik zal overdreven blij reageren, de gelukzaligheid zal uit haar ogen stromen.        Ik houd mijn handen voor me uit, handpalmen naar boven, in afwachting van het lieflijke niemendalletje dat ze erop zal leggen. Iets hards raakt mijn huid, het weegt zwaar, ik heb beide handen nodig om het te dragen. ‘Je mag je ogen opendoen!’        Ik zie een groot, plat, roze ding. Het blijkt een steen te zijn, een roze egale steen van wel vijftien centimeter doorsnee, twee centimeter dik. ‘Wow,’ zeg ik zachtjes, twijfelachtig. Het ding is zo apart dat ik niet weet wat te zeggen. Het is niet bepaald mooi, maar het lijkt ook weer niet uit de natuur te komen, het roze, de egaliteit zijn haast te gemaakt. ‘Op het strand gevonden,’ zegt Klaartje trots. ‘Ik moest meteen aan jou denken.’   Al de spulletjes die Klaartje me de afgelopen maand heeft geschonken liggen slordig in een hoek van mijn kast. Ik hou ze bij uit beleefdheid, zoals ik dat voor mijn petekind zou doen. Niet omdat de spullen mooi of waardevol zijn, maar omdat ze van haar komen, omdat zij er waarde aan schenkt. Dit keer blijf ik echter geboeid naar het ding kijken. De pretoogjes tegenover me wachten op een antwoord, een oordeel. ‘Het is echt… heel speciaal, Klaar,’ slaag ik erin te zeggen. Ik kijk haar aan, onze ogen haken zich in elkaar vast. Ze pakt de steen weer uit mijn handen en loopt ermee naar binnen. Ik weet niet of ze wil dat ik volg, besluit van niet.        ‘Ik heb hem op een bijzondere plaats gelegd, zodat je altijd aan me blijft denken.’ Klaartje vertrekt morgen weer naar huis, naar de drukte van de stad. Ik mag er niet aan denken daar zelf weer naartoe te moeten. Gelukkig heb ik dit jaar een permanente woonplek gekregen hier in Tommelein. Waarom het zo heet weet ik eigenlijk niet. Misschien betekent het iets, maar ik heb het nooit aan Jan of Els gevraagd.   Klaartje is een van de sporadische bezoekers die hier komen. Ze is ongeveer van mijn leeftijd, Els is haar tante. Ze zou een maand blijven, moest er even uit. De eerste dagen heb ik haar vanuit de verte bespied, wantrouwde haar maar bleef kijken. Ik maak niet snel contact met andere mensen. Ze had een wipneus en heel veel sproeten, wat ik erg vond voor haar. Ik was plots blij met mijn bescheiden neus en egale huid. Pas toen ze onverwacht in mijn tuin stond en met een brede glimlach ‘Hallo!’ zei, zag ik dat de sproeten haar iets bijzonders gaven. Een sfeervolle omlijsting van de lachrimpels en fonkelende ogen. De wipneus leek verder de lucht in te gaan als ze lachte. Ik vond het wel grappig.        Ik vind haar wel grappig. Ze vertelt, danst, lacht, brengt me cadeaus. Zelf zeg ik meestal weinig, luister en kijk des te meer. Haar bewegingen fascineren me, terwijl haar stem en de melodie van haar lach me bedwelmen. Algauw raak ik in de ban van de sproeten die een tekening van vele verhalen op haar gezicht lijken te schetsen. Van de wipneus ben ik nog steeds geen fan, maar neem hem op de koop toe.   Dat ik verliefd op haar ben wist ik pas toen ze een week weg was. Elke avond had ik naar de steen gekeken die ze op mijn nachtkastje had gelegd, naast de kaars die ik steevast voor het slapengaan brand, voor mezelf, voor mijn familie ver weg, en inmiddels ook voor haar. Terwijl ik het gladde oppervlak van de steen aanraakte dacht ik aan haar, besefte dat de steen zonder haar minder straalde, zijn betekenis verloor. Ik had contactgegevens maar durfde niet te schrijven. Wat moest ik zeggen? Ze zou me stom vinden als ik zei dat ik haar miste. Klaartje was iemand die in het moment leefde, ik geloof niet dat ze ‘missen’ zou begrijpen. Misschien hield ik mezelf dat maar voor, omdat ik vooral bang was van mijn eigen gevoelens. Zodra ik ze op papier zou zetten zouden ze echt zijn, onontkoombaar.        Op een avond, terwijl mijn vingers de gladde steen strelen, weet ik plots wat ik moet doen. De volgende ochtend, na een koortsachtige droom waarin haar sproeten erg dichtbij waren en haar wipneus mijn wang beroerde, kruip ik vastbesloten uit bed en neem de steen mee naar buiten. In de tuin ga ik op zoek naar iets waarmee ik mijn plan ten uitvoer kan brengen. Na een half uurtje vind ik een puntige steen en een stevig stuk hout. Ik leg de roze steen voorzichtig op de terrastegels, plaats de punt van de andere steen in het midden en beuk op de bovenkant met het stuk hout. Het lijkt niet meteen te willen lukken, maar uiteindelijk geeft het roze met een krak zijn geheimen prijs. Binnenin, langs beide zijden van de breuklijn is de steen bruinrood, als een bloedend hart. Ik weet niet of ze de boodschap zal begrijpen, misschien vindt ze het vreemd om een halve steen in haar brievenbus te vinden. Ik wacht geduldig af, raak elke avond de bruinrode kern aan, wetend dat daarin de waarheid verscholen ligt van haar gevoelens en de mijne.   Ik lig in bed, op nauwelijks vijftien centimeter van mijn gezicht liggen de sproeten en de wipneus om een gesloten mond, gesloten ogen. Ik reik er met mijn vingers naar, besluit dan om haar niet wakker te maken. Mijn hand grijpt over haar heen naar het nachtkastje, waar ik net de breuklijn kan voelen die de twee delen roze met elkaar verbindt.

LL Rigby
0 0

stel dat...

het dier tot hier was gelopen, langs het licht van straatlantaarns en geparkeerde auto’s, langs fietsen tegen de voorgevels van ingedommelde huizen, het onkruid tussen de kasseien van trottoirs besnuffelend.   Eerst lag het in een doos waarin het handje van onze peuter graaide. Naamloos en geslachtsloos liet het zich optillen en knuffelen tot het terug werd gelegd. Het had genoten van het witte neonlicht van de winkel en van de bevrijding uit de enge ruimte van karton en duisternis.   Wat was dat voor een wezen? Dat had het zich afgevraagd toen de mond van onze kleinste zich opende en er geluiden uit ontsnapten. Omdat nieuwsgierigheid aanzet tot actie, had het dier zich laten vallen uit een opverende kinderschoot en zich gerept naar de uitgang en was zo onzichtbaar mogelijk voorbij de kassa geslopen.   Het lijkt erop dat dit soort toeval niet bestaat. De zeug was ons huis binnen gedrongen voor drank en spijs want ook pluche kent dorst en honger. Op een onbewaakt ogenblik had het zich in de gang verschanst en gewacht tot de deur van de woonkamer open stond. Het is een raadsel hoe het omhoog wist te klauteren op de houten tafel, en waarom het bij de huistelefoon post ging vatten. Spreken kon het niet dus konden wij geen beroep doen op het dier als assistent waneer er een oproep binnenkwam.   Ik belde naar mezelf om te kunnen vaststellen wat het dier zou ondernemen. Zou het überhaupt iets doen? Ring, ring, ring… Het varken richtte zich op, het puntje van de staart recht omhoog, het buikje wiebelend van links naar rechts en uit de oren kwam roze stoom. Ik dacht dat ik de geur van een boeket rozen gewaar werd en kon het amper geloven dat ik deze woorden hoorde: hallo, met ik en anderen! Hallo, met ik en anderen. Hallo, met ik en anderen. De welkomstzin werd eindeloos herhaald dus moest ik ingrijpen. Ik nam de telefoon uit de houder en zei gehaast: Dag! Ik hier. Je hoorde zonet een ander. Euh, een andere ik. Een varken van Ikea. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts…   en toen kwam mijn man om het brave huisdier uit te schakelen. Hij legde zijn vinger op mijn lippen, drukte op een knopje ter hoogte van mijn staartbeen.

Ingrid Strobbe
0 0

Melanie

“De blaadjes vallen van de bomen. Blaadjes vallen van de bomen”, kirt Melanie terwijl ze met haar kleine rode laarsjes door de plassen huppelt. Haar blonde krulletjes dansen op en neer onder die grote punthoed op haar hoofd. De wind tilt het tipje van haar zwarte mantel een heel klein beetje op, alsof hij haar plechtig over het bospad tussen de bomen wil begeleiden. Maar Melanie merkt hem nieteens op. De rode dahlia’s in de tuin van de buurvrouw hebben haar aandacht al getrokken. Hmmm! Wat ruiken ze lekker. Melanie wil zoveel mogelijk van die heerlijke dahliageur door haar neusgaten laten passeren, dus buigt zich nog wat verder over het houten hek dat haar van de dahlia’s scheidt.   Hé, wat is dat daar? Tussen de dahliastruiken ziet ze plots groene tentakels opduiken. Het is een pompoenplant die zich met zijn grote bladeren en nog grotere vruchten een weg probeert te banen. Zonder aarzelen klimt Melanie over het tuinhek tussen de struiken. Ze trekt, en trekt… en knak! Een van de pompoenen breekt af en Melanie vliegt een stukje achteruit. Glunderend kijkt ze naar de pompoen in haar handen, alsof het een trofee is. Vervolgens plukt ze er nog één. En nog één… tot haar handjes elkaar nog maar amper kunnen raken om al die pompoenen heen.   “Mama zal blij zijn”, denkt ze. “En ik, ik ga heerlijke pompoenensoep mogen eten als ze ermee klaar is. Win-win!” Melanie glimlacht tevreden en loopt met een warm gevoel en flink wat pompoenen over het kille bospad, recht naar huis.

S. Gielis
5 0