Lezen

Tip

Het cadeau

De nacht dat mijn oma stierf wist ik niet dat het mooiste cadeau in een schoendoos op mij lag te wachten. Het was totaal onverwacht toen het ziekenhuis belde. Er waren complicaties. Een longembolie. Het had niet lang geduurd.  Ik kon het niet geloven. Hoe kon mijn oma nu doodgaan? De familie was kwaad en overlegde of ze een klacht zouden indienen. Wat ik mij vooral herinner was de machteloosheid en het immense gemis dat ons toen overviel.     De laatste groet was pijnlijk, maar ik wou er absoluut bij zijn. Ook al was ik nog maar een kind, ik moest met eigen ogen zien of het wel mijn oma was die daar lag. Op de begrafenis liet ik geen traan. Deed mij vooral stoerder voor dan ik was. Misschien ook wel onbewust, om de plaats van mijn mama in te nemen, voor haar was het emotioneel te zwaar.  Van de plechtigheid heb ik nog maar een paar vage beelden. De weg naar het kerkhof en wat er daarna gebeurde, het is allemaal weg. Alsof mijn geheugen het ergste gewist heeft.   Bij het leeghalen van het huis verdeelden mijn mama, haar zus en broer de inboedel. De kleinkinderen, waaronder ik mochten een aandenken uitkiezen. Mijn zus had vooral oog voor de porseleinen pop waar ze altijd mee gespeeld had telkens we op bezoek gingen en mijn neef koos de go-cart met houten blokken over de pedalen. Als ik had mogen kiezen, dan had ik mijn oma gekozen, maar dat ging niet zei mijn mama.    Toen dacht ik aan de brief van jaren geleden. Het was bijna Pasen. Ik had mijn oma geschreven dat ik graag bij haar paaseitjes kwam rapen, dat ik mijn best deed op school en of ze mijn brief voor altijd wilde bewaren. Of die brief er nog was, wist ik niet. Maar in haar nachtkastje stond een schoendoos. Tussen vergeelde krantenknipsels, oude bankbiljetten en enkele verkreukte doodsprentjes vond ik hem. Ik was veertien maar ik wist meteen, een mooier cadeau dan dit zou ik nooit meer krijgen.   Volgende week word ik eenenveertig. Zoals ieder jaar op mijn verjaardag lees ik dan luidop voor. Uit eerbetoon aan mijn oma, uit machteloosheid en immens gemis, maar vooral opdat mijn geheugen haar nooit zou wissen.   Diegem 18 maart 1983   Lieve oma,   Het is bijna Pasen en dan kom ik weer bij u. Dan kan ik in de tuin paaseitjes rapen maar ik mag er niet te veel eten anders word ik ziek en krijg ik misschien buikpijn. Ik doe mijn best op school en ik vraag een brief van mijn lieve oma terug. Nu sluit ik maar. Dag oma tot binnenkort. Nog vele lieve kusjes van mijn zus, mama, papa en je kapoen.   Sascha xxxxxx xxxxxx xxxxxx   Ps. Kun je mijn briefje altijd bewaren

Sascha Beernaert
34 0

Persuasieve brief CM

Mevrouw Voornaam Achternaam Adres Huisnummer Postcode Stad     16-06-2016   Uw persoonlijke aansluiting vanaf 15 juli 2015                         Geachte mevrouw Achternaam   U begon te werken op 15 juli 2015. Vanaf deze datum moet u in eigen naam aansluiten bij het ziekenfonds. Eens uw aansluiting in orde is, ontvangt u de terugbetaling van bijvoorbeeld doktersbriefjes op uw eigen rekening. Wordt u ziek, dan kunt u beroep doen op CM voor een ziekte-uitkering. Voor 6,30 euro per maand geniet u van heel wat CM-voordelen. Ontdek onze voordelen en diensten in bijgevoegde folder.   Wat moet u doen om uw aansluiting in orde te maken? Vul op het aansluitingsformulier de ontbrekende gegevens aan. Vergeet het formulier niet te ondertekenen. Als u in de toekomst de CM-bijdrage vier keer per jaar met een domiciliëring wilt betalen, vul dan het formulier mandaat SEPA - Europese domiciliëring in. Als u het niet invult, ontvangt u telkens in het begin van het jaar een overschrijving. U ontvangt binnenkort sowieso nog een overschrijving voor de CM-bijdrage die u nog moet betalen vanaf 15 juli 2015. Steek de ingevulde documenten in de bijgevoegde terugstuurenvelop. Stop de envelop in een CM-brievenbus in uw buurt. Een overzicht van de CM-brievenbussen vindt u op www.cm.be/brievenbus.   Als u nog vragen hebt, kunt u een van onze medewerkers bellen op het nummer 014 40 31 11 of e-mailen naar regiomechelenturnhout@cm.be.   Met vriendelijke groeten     Annelies Vervoort Consulent

Annelies Vervoort
0 0

Meer blauw in huis

(Column voor Charliemagazine)   Open brief aan mama Meer blauw in huis     Geachte mama   Ik eis meer blauw in huis. Nee, ik heb het niet over die laatste aflevering van de Smurfen die ik niet mocht uitkijken omdat het al zo laat was. Ik heb het over mijn persoonlijke veiligheid. Het wordt dringend tijd dat je daar meer mensen en middelen voor vrijmaakt, want na drie jaar stevent mijn engelbewaarder onmiskenbaar af op een burn-out.   Profylactische maatregelen gevraagd “Zwakke longen”, zei je, als mensen vroegen waarom ik zo vaak ziek was de eerste maanden. Of: “de tijd van het jaar”. Alsof ik voorbestemd was voor longinfecties. Heb je wel eens gedacht aan die miljoenen schadelijke eencelligen die zich permanent huisvesten in de duploblokken van mijn broer? Om nog maar te zwijgen van de broeihaard die mijn broer zelf is.  Je mag nog van geluk spreken dat het maar een banale virale infectie was waarmee ik in het ziekenhuis belandde. Het had evengoed Ebola of vogelgriep kunnen zijn.   En weet je nog, in de zomer? Ik kon niet eens op eigen benen staan maar moest toch al mee naar de speeltuin. Ik dacht dat je me ‘aapje’ noemde omdat je me schattig vond, maar blijkbaar dacht je echt dat ik in de lianen ging slingeren. Pokkeheet was het. Eén dun laagje zonnecrème moest volstaan om het zandbakzand aan mijn ledematen te plakken. Je vond het niet nodig om een body aan te doen onder mijn t-shirt. “Te warm”, vond je. Wist ik veel dat het dan geen goed idee is om op mijn buik van een hete glijbaan te gaan. Mijn buik had je zelfs niet ingesmeerd. Dacht je dat aapjes genoeg hebben aan hun zomervacht als bescherming tegen de zon?   Duurzaam dreigingsniveau Vorige week had je weer zo’n zak spullen klaargezet om naar de kringwinkel te brengen. Sinds ik schoolgerechtigd ben, kijk ik die zak altijd eerst even na voor je hem wegbrengt. Je hebt namelijk de neiging om daar dingen in te stoppen die ik zelf nog kan recycleren. Naast mijn loopeendje vond ik er een boekje van Kind en Gezin in, en een dvd van de Gezinsbond: ‘Veilig in en rond het huis’. Dat loopeendje kan ik nog gebruiken om mijn broer weg te jagen als hij zich komt moeien met mijn duploconstructies. De dvd heb ik op je bureau gelegd.  Kijk er nog maar eens goed naar als je denkt dat je het dreigingsniveau kan laten zakken. Dan hoef ik niet meer van de trap te tuimelen zoals die keer toen er op de derde trap nog een vuile onderbroek lag. Voor aapjes geen probleem misschien, maar wel voor mij als ik poepschuivend van de trap hots.     Dat van gisteren deed echt wel de deur dicht. Die van de garage nog wel. Je ging nog snel even iets uit de auto halen, zei je,  terwijl ik nietsvermoedend in de zandbak zat te spelen. De sleutel hing nog aan het haakje in de keuken. Garagedeur in het slot. Ik wou dat je terugkwam maar je bleef maar zeggen dat je dat niet kon. Met mijn 94 centimeter kon ik niet bij de deurklink, nee.  Het had dus geen zin om te blijven roepen door de spleten van de tuinomheining dat ik de deur moest open maken. Waarom je me per se die speelgoedbak naar de garage wilde laten slepen, moet je me bij gelegenheid nog eens uitleggen. Aapjes zijn geen muilezels. Veel te zwaar. Ik bleef maar roepen dat je terug moest komen en opeens hoorde ik je ook niet meer. Toen werd het me te veel. Tranen met tuiten heb ik gehuild. Mama weg.   Gezocht: nieuwe mama Beste mama, je hebt geluk dat ik nog geen stemrecht heb, want dan had ik je al lang weggestemd en ingeruild voor zo’n helikoptermama die me zomer en winter insmeert met factor 50, wekelijks al mijn speelgoed (inclusief mijn broer) wast met Dettol en die me naast een helm ook arm- en beenbeschermers aandoet als ik ga fietsen. In plaats van me achteraf te willen troosten met van die stomme pleisters van Cars. En dan ruil ik meteen ook mijn papa in voor een exemplaar dat alle kasten vast vijst in de muur en zijwieltjes aan mijn loopfiets zet.   Zo. Geef me nu maar een knuffel en een banaan.   Je aapje   P.S.: Wat deed je daar eigenlijk met de ladder van de buurman toen ik de garagedeur openduwde? Je trok wel grote ogen toen ik daar met mijn betraand en besnotterd gezicht op dat kampeerstoeltje stond te blinken. A-pe-trots was ik.

KarenC
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 14)

Bij aankomst in de flat staat me een verrassing te wachten. Tijdens onze wandeling heeft ze er met geen woord over gerept, maar voor we het appartement betreden, keert Marianne zich naar me om en vraagt of ik klaar ben voor een “surprise”. Ik kijk vreemd op. Alweer? Vorige keer had ze een telefoon voor me gekocht. Wat zal het deze keer zijn?   Ze opent de deur en laat me voorgaan. Ik betreed de ruimte als een kind op de ochtend van Sinterklaas: met speurende blik en een hart vol verwachting. Op de salontafel ligt een laptop. Mijn laptop. Mijn hart springt op en ik kijk haar blij verrast aan. Op mijn vraag hoe ze in het bezit is gekomen van mijn computer, antwoordt ze dat ze hem voor de deur vond staan toen ze thuiskwam. Boven! Voor de deur van haar flat! Ik vind het vreemd dat iemand een laptop onbeheerd achterlaat aan de deur van een flat, terwijl de bewoner afwezig is. Dat zou ik zelf nooit doen. Maar als ik er aan denk hoe het me op de luchthaven is vergaan toen ik mijn portefeuille kwijt was… In Australië is blijkbaar alles mogelijk.   Ik zet me neer op de bank, leg de laptop op mijn schoot en zet hem aan. In mijn mailbox tref ik 31 berichten aan, zonder uitzondering van moeder. Helaas is ze er weer in geslaagd alles verkeerd te doen. Nergens heeft ze een onderwerp ingevuld. En in geen enkele mail vind ik ook maar één woord terug. Het ene na het andere bericht is leeg. Hoe doet ze het toch?!   Ik klap mijn laptop weer dicht en leg hem op de salontafel. Als ik eerlijk ben met mezelf moet ik toegeven dat ik een lichte teleurstelling ervaar. Ergens mis ik vader en moeder toch wel een beetje en ik had gehoopt wat nieuws van hen te krijgen. Marianne, die haar tentakels weer op scherp heeft staan, komt naast me zitten en kijkt me onderzoekend aan.   “Geen nieuws van het thuisfront?” vraagt ze. Ik schud het hoofd.   “En dat vind je jammer?” Ik knik vaag.   “Nou, stuur dan zelf even een mail naar je ouders,” suggereert ze.   “Ik weet niet of dat zin heeft,” doe ik smalend. Ik vertel haar van de 31 mails van moeder die stuk voor stuk leeg zijn.  “Je hebt geen idee hoe vaak ik het haar heb uitgelegd,” zeg ik. “Keer op keer heb ik voorgedaan hoe ze een mail moet schrijven en opsturen. Het lukt haar gewoon niet! En een bericht openen evenmin.”   “En je vader?” Ik slaak een honende lach. “Die is nog erger. Die weigert gewoon een computer te gebruiken. Als hij een brief moet schrijven, doet hij dat nog steeds met een ouwerwetse schrijfmachine.”   “En je broers en zussen?” Ik zeg haar dat mijn zussen niet eens een e-mailadres hebben. Dat de ene in een instelling verblijft omdat ze een ernstige psychische aandoening heeft, en de andere in een caravan woont te midden van de bossen, omdat ze één wil zijn met de natuur.   “Een soort van heks?” vraagt Marianne.   “Zoiets,” knik ik.   “En je broers?” houdt ze vol. Ik zeg haar dat Bob, mijn oudste broer, de enige is waarvan ik weet dat hij thuis een computer heeft staan, zo’n oude bak met een besturingssysteem uit de vorige eeuw.   “Nou, stuur hem dan een mail,” zegt ze. Ze merkt aan mijn gezicht dat ik die gedachte niet genegen ben.   “Wat?” doet ze. Ik haal mijn schouders op en verzekeren haar dat het geen zin heeft. Ze wil weten waarom. Ik vertel haar dat Bob nooit naar me heeft omgekeken, dat ik voor hem het kleine kuiken blijf dat in de weg is komen lopen. Het lelijke eendje. De nestbevuiler.   “Dat kan allemaal best zijn,” zegt ze, “Maar dan is het nou het moment om daar wat aan te doen.” Ze grist de laptop van de tafel en legt hem op haar schoot. “Kom op. Ik zal je helpen. Zeg me wat ik moet typen.” Ze houdt haar vingers in de aanslag boven het toetsenbord. “Nou?”   “Echt… ik zou niet weten wat ik Bob zou moeten vertellen,” verzeker ik haar.   “Onzin!” Ze typt en zegt luidop: “Dear Bob...” Daarna kijkt ze me afwachtend aan. Ik maak haar met een schouderophalen duidelijk dat ik geen inspiratie heb.   “Hoe gaat het met je?” gaat ze zelf verder. Na het intikken van dat zinnetje kijkt ze me weer aan en vraagt: “Hoe heet zijn vrouw?”   “Helena.” Ze typt: “En met Helena?” Ze kijkt weer op. “Heeft ie kinderen?”   “Nee.”   “Oké. Vertel dan wat over jezelf.” Ik trek een huilerige kop.   “Boris, wat is er nou? Doe eens een beetje moeite!”   “Maar het heeft geen zin!”   “Waarom niet?”   “Omdat Bob geen interesse in me heeft!” zeg ik nadrukkelijk. Ik veer overeind en loop geagiteerd door de kamer. Ze volgt me met haar blik, maar laat me begaan. Zodra ze ziet dat ik wat kalmer word, slaat ze met haar hand enkele keren op de bank en wenkt me met haar hoofd.   “Kom,” zegt ze. “Kom eens terug naast me zitten.” Ik aarzel even, maar doe wat ze me vraagt. Ze kijkt me aan.   “Waarom denk je dat Bob geen interesse in je heeft?” vraagt ze.   “Bob, Ben, Bea, Birgit… niemand van mijn broers of zussen heeft interesse in me,” zeg ik.   “Is dat zo? En heb je je al eens afgevraagd waaraan dat ligt?” Ze kijkt me indringend aan. “Heb je daar al eens over nagedacht, Boris?”   “Ja. Maar ik weet het niet.”   “Zal ik het je zeggen? Omdat jij jezelf niet interessant vindt, Boris. Hoe wil je nou dat iemand jou interessant vindt als je dat zelf niet doet? Interesse is iets dat je moet opwekken. Je moet je broers en zussen een aanleiding geven om belang aan je te hechten. Geloof nou toch eens in jezelf. Beschouw jezelf niet als het vijfde wiel aan de wagen. Wees ervan overtuigd dat jouw mening net zo belangrijk is als de hunne en deel ze met hen. Geef hen stof tot nadenken. Bied hen de kans om met jou in discussie te gaan! Wees geen grijze muis, geen papegaai die naar de mond praat. Toon je kleurenpracht en zing je eigen lied. Dus, laat die pathetiek en dat zelfmedelijden nou maar achterwege. Schuif heel dat minderwaardigheidscomplex aan de kant en doe wat je hoort te doen. Je zult zien dat het vanzelf gaat. Kom op! Ik wed dat je gauw zult merken dat je broers en zussen wél interesse in je hebben.” Ik staar naar de tippen van mijn schoenen, als een kind dat een uitbrander heeft gekregen. Marianne zit me afwachtend aan te kijken. “Nou?”   “Het gaat niet,” zeg ik. Ze slaakt een zucht. “Oké. Dan doe ik het zelf wel,” zegt ze beslist. Ze legt haar vingers op de toetsen en begint te typen. De volgende minuten verschijnen de woorden in een razend tempo op het scherm. Ze lijkt er zelfs niet over na te hoeven denken wat ze schrijft.   Hi Bob,   Ik ben Marianne. Ik schrijf je on behalf of your little brother Boris. Sorry dat ik er wat Engels tussengooi, maar ik ben een Australische. Het Nederlands heb ik van mijn moeder. Zij was afkomstig van Hilversum. Zelf ben ik hier geboren en heb het Engels als moedertaal. De laatste tijd heb ik mijn Nederlands wel een beetje kunnen oefenen, want ik heb het geluk gehad jullie broertje te leren kennen: die lieve kleine Boris. Nou ja… klein. What’s in a name! Klein is ie allerminst. Maar wat is ie een leuke knul! En interessant! Ik heb al een hoop lol met hem beleefd. Hij zit hier trouwens naast me op de bank. Wellicht vraag je je nou af waarom hij dan niet zelf een mailtje stuurt, maar dat komt omdat hij zich inbeeldt dat jullie geen interesse in hem hebben. Nou, dat geloof ik dus niet. Volgens mij zijn jullie hartstikke benieuwd naar zijn wedervaren hier. Wel, ik kan jullie zeggen dat hij het hier heerlijk naar zijn zin heeft. Hij heeft een hele leuke job op een prachtig zeilschip, en sinds hij aangekomen is, logeert hij bij mij. De arme drommel wilde zijn intrek nemen in een hostel! Nou, dat heb ik hem mooi afgeraden. Het slaapt heus niet lekker tussen een stelletje houtzagers, neem dat maar van me aan. Ik bood hem aan om op de bank te slapen, maar je weet hoe dat gaat: we ended up in bed. We hebben nou een relatie. Ik ben wel een tikkeltje ouder dan hij - en dat “tikkeltje” mag je gerust met een korrel zout nemen -  maar ach… leeftijd en uiterlijk zijn van ondergeschikt belang. Dat weet jij vast ook. Maar genoeg over ons. Hoe gaat het met jullie? Met jou en Helena? Je ziet: Boris heeft me al heel wat over jullie verteld. Misschien weten jullie dat niet - want hij is toch zo vreselijk terughoudend - maar zijn broertjes betekenen heel veel voor hem. Hij beschouwt jullie een beetje als zijn voorbeelden; zijn inspirators. Alleen is het jammer dat hij zich tegelijk een beetje door jullie in de schaduw gesteld voelt. Maar ach, dat is het jonge-broertjessyndroom. Dat mag je hem niet aanrekenen. Maar waar het nou eigenlijk om gaat: Boris wil graag aan zijn ouders laten weten dat alles oké is met hem, maar naar verluidt zijn jullie oudjes niet zo beslagen in het hanteren van een computer. Nou, om die reden had ik jou dus willen verzoeken om die lieve mensen even in te lichten dat alles oké is met hun kakelnest. Zou je dat willen doen? En hen misschien tegelijk ook even inprenten hoe zo’n akelige moderne machine precies werkt. Want Boris zou graag nog eens een keertje met hen skypen. Wil je dat voor me doen? Nou, alvast hartstikke bedankt, hoor! Tot ziens dan maar? Ik mag hopen dat we elkaar eens tegen het lijf lopen. Misschien al één van de volgende maanden, wie weet. Jullie zijn hier altijd welkom. Of misschien kom ik wel eens een keertje naar België. In dat geval kan ik meteen Nederland even aandoen. Ik heb in Hilversum nog wel wat verre neven en nichten wonen. Lijkt me een leuk idee! Nou, we zien wel.   Lieve groetjes alvast,   Marianne   Ze kijkt me aan met een gloed van triomf in haar ogen. “Nou, wat denk je?” Ik ben sprakeloos. Wat ze durft te schrijven! Dat we een relatie hebben! En dat ze misschien wel eens naar België komt! Ik mag er niet aan denken dat moeder te weten komt dat ik met een oudere vrouw te doen heb!   “Wat is er nou?” vraagt ze wanneer ze de paniek in mijn ogen bemerkt. “Mag je mama misschien niet weten dat haar kleinste jochie intussen een man is geworden? Als ik jou was, zou ik apetrots zijn!”   “Jij kent moeder niet,” zeg ik. “Als ze dit leest, is ze in staat het eerste vliegtuig te nemen om me persoonlijk te komen halen.” Ze lijkt even na te denken en richt dan haar blik op het scherm. Met een even grote vaardigheid als voordien tikt ze een post scriptum in.   PS. Boris zit ermee verveeld dat ik heb verklapt dat we een relatie hebben. Hij is bevreesd dat jullie moeder een hartstilstand zal krijgen. Misschien is het beter om dat nieuwtje nog even voor jezelf te houden. Dat begrijp je vast.   Ze kijkt me aan. “Zo beter?” Ik knik weifelend. Voor ik nog verder bezwaar kan aanvoeren, drukt ze op verzenden en legt de laptop op mijn schoot.   “Zo,” zegt ze. ”Klaar is kees.” Ze staat op en loopt de keuken in. Ik kijk haar na als een ongelovige die net een verschijning heeft gehad.                                           *                     *                      *   Zoals ik had verwacht, is op mijn mail naar Bob geen reactie gekomen. Doodse stilte aan de andere kant van de lijn, vier dagen lang. Ik heb er geen seconde aan getwijfeld dat het vergeefse moeite zou zijn, maar Marianne wilde per se haar zin doordrukken. Voordeel is dat ze nu heeft kunnen vaststellen dat de situatie hopeloos is. Ze heeft nu medelijden met me. Ze is al een paar dagen uitzonderlijk lief en attent voor me. Vandaag, op mijn eerste vrije dag sinds ik aan de slag ben gegaan op het zeilschip, heeft ze me zelfs aangeboden de dag op haar flat door te brengen terwijl zij uit werken is. Daar was ze voordien als de dood voor. Ik heb het gebaar in dank aanvaard. Dat alles maakt dat we de laatste dagen sterk naar elkaar zijn toegegroeid. Alles welbeschouwd ben ik blij dat ik niet naar Gold Coast ben afgevaren. Ik heb me verzoend met de idee dat zij, Marianne, wellicht het hoogst haalbare voor me is. Die meisjes in monokini zouden wellicht geen interesse in me hebben. Om nog te zwijgen over die metermaids in gouden bikini. Welke onaardse schone zou in godsnaam aandacht kunnen hebben voor een lange stengel met stekkebenen en een lelijke ader die dwars over zijn voorhoofd loopt? Geen enkele! Maar er is nog een andere reden waarom ik blij ben dat ik geen weken na elkaar op dat schip hoef te zitten. Er zit namelijk een haar in de boter tussen Xavier en mij. Een dik haar. Dat ik hem die avond bij het schrobben van het dek aan zijn lot heb overgelaten, heeft hij me niet vergeven. Sinds die dag loopt hij van ’s morgens tot ’s avonds op me af te geven. Ik liet het aanvankelijk over me heen gaan. Ik dacht dat het wel zou koelen zonder blazen. Maar zijn woede was als een bosbrand die om zich heen greep. Elke dag laaide het vuur hoger op. En gisteren heeft de Apocalyps zich dan voltrokken. Toen ik na het schrobben van het dek naar huis wilde gaan, vroeg hij me of ik een biertje met hem wilde gaan drinken. Misschien lag het in zijn bedoeling de scherven te lijmen, maar ik begreep het anders. Ik had het gevoel dat hij me uit wilde dagen. Een ruzie uitlokken. Als dat zo was, slaagde hij wonderwel in zijn opzet. Marianne had namelijk beloofd lekker voor me te koken en dat zei ik hem. Onomwonden. Niet meer dan dat. Maar dat bleek genoeg te zijn om het vuur aan de lont te steken. Hij bekeek mij met de gemeenste blik ooit en snauwde: “You fool! When are you going to let go that stupid girl?” Toen ik spontaan en zonder na te denken antwoordde “Never,” hoorde ik zijn klauwen uitslaan en zag ik door zijn licht geopende lippen zijn slagtanden glinsteren. Ik weet niet wat in hem kwam, maar hij leek fysiek te veranderen. Doctor Jekyll werd mister Hyde in een fractie van een seconde. Hij kwam vlak voor me staan en spetterde me in het gezicht dat ik wellicht vergeten was dat hij dit klotebaantje voor mij had geregeld. Ik bleek plots een “ondankbare motherfucker” te zijn. Ik trachtte geen aanstoot te nemen aan zijn woorden, maar toen hij me ook nog eens verwijtend toebeet dat ik onze vriendschap op het spel zette voor een goedkope ‘fuck’, schoot ik in actie. Dat kon ik niet over me heen laten gaan. Ik beet hem toe dat Marianne helemaal geen “goedkope” fuck was, wel in tegendeel! En ik voegde er gelijk aan toe dat hij het was die onze vriendschap op het spel zette door dat belachelijke jaloerse gedrag van hem. Toen was het hek helemaal van de dam. Het gif spoot hem letterlijk uit de bek. Hij slingerde me een hoop lelijke woorden naar de kop. En even had het er zelfs schijn van dat hij me ging slaan - wat een drama zou zijn geweest, want ik zijg al neer als een bromvlieg met enige snelheid tegen me aanvliegt - maar uiteindelijk keerde hij zich om en liep van me weg. Sindsdien heb ik niks meer van hem gehoord. Opgeruimd staat netjes, dacht ik. Maar als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik spijt heb van onze aanvaring. Jan Byttebier buiten beschouwing gelaten, is hij mijn enige vriend. En aan Jan Byttebier heb ik niks, zolang die me blijft ontwijken. Ik zou dus maar beter Xavier koesteren, ook al doet hij zo vervelend. Maar hoe leg ik het weer bij…?   Ik sta op en loop door de flat om mijn zinnen te verzetten. Eigenlijk verveel ik me dood op dit onooglijk appartement waar je amper je kont kunt draaien. Ik klop onophoudelijk mijn knokkels tegen elkaar terwijl ik loop rond te kijken, op zoek naar iets waarmee ik mijn tijd kan verdoen. Wanneer mijn blik op de commode blijft rusten krijg ik een idee. Misschien moet ik maar eens doen wat iedereen zou doen in mijn plaats: mijn nieuwsgierigheid lenigen door in Marianne’s persoonlijke spulletjes te neuzen. Wat weerhoudt me? Als ik dan toch bij haar blijf, kan ik maar beter wat meer over haar te weten komen. Zelf is ze al te karig met informatie. Ik zet me op mijn knieën voor de kast en trek een willekeurig deurtje open. Spontaan reiken mijn handen naar een stapeltje fotoalbums dat naar me ligt te lonken. Plaatjes bekijken is een aangenaam en leerzaam tijdverdrijf. Ik neem de albums vast maar twijfel. Zou Marianne er bezwaar tegen hebben dat ik door haar verleden blader? Ach… als ik de albums nadien precies zo terugleg als ik ze heb gevonden, hoeft ze het zelfs niet te weten! Ik neem het stapeltje uit de kast en zet me neer op de vloer. Leunend met mijn rug tegen de commode pak ik het bovenste album van de stapel, leg het op mijn uitgestrekte benen en sla het open. De eerste foto die ik te zien krijg, toont een mooi blond meisje van een jaar of zeven. Ik kijk nader toe en herken Marianne. Niet aan haar lichaamsbouw. Zo voluptueus als ze nu is, zo schriel was ze toen. En haar haren waren lang en zaten in de krul. Maar het zijn die prachtige, sprekende ogen, die ze nu nog altijd heeft, die me verzekeren dat zij het is.   Ik sla de bladen één na één om en krijg nog meer plaatjes te zien uit nagenoeg dezelfde periode. Vaak poseert ze alleen, maar op enkele foto’s wordt ze vergezeld door twee mensen waarvan ik veronderstel dat het haar ouders zijn. Een markant stel dat niet de minste vergelijking kan doorstaan met mijn burgerlijke ouders: vader met zijn eeuwige pantalon, gesteven overhemd en das, en moeder met haar grootmoederjurken waardoor ze honderd jaar lijkt. Deze mensen lijken van een andere planeet te komen dan de mijne. De man heeft lange haren die hij in een paardenstaart draagt die tot halverwege zijn rug reikt. Op zijn neus torst hij een ouwerwetse bril met ronde glazen, en hij gaat gekleed in een versleten polo en een korte jeansshort. Zijn onderbenen zijn fel behaard en staan een beetje krom, alsof hij zijn hele leven te paard heeft gereden. Aan zijn voeten heeft hij sandalen. De vrouw is een opvallend stuk groter dan de man en gaat gehuld in sterk gecentreerde bloemenjurken die tot halverwege haar dijen reiken. Vrijwel op iedere foto draagt ze hoge witte laarzen en heeft ze om haar felrode haren een lint gespannen, als de zweetband van een sporter. Verder draagt ze op sommige plaatjes een opvallende zonnebril met blauwe glazen, en heeft ze om haar nek een vredesteken hangen.   Het volgende album beslaat een iets latere periode. Marianne is er een prille tiener. Ze is nog steeds erg slank, maar beschikt al over een stel stevige tietjes. Ze heeft nog steeds die lange blonde haren, maar de krul is eruit. Haar vader ziet er nagenoeg hetzelfde uit als in het eerste album. Nog steeds heeft hij die lange paardenstaart en draagt hij een polo en jeansshort. Enkel zijn ziekenfondsbril heeft hij geruild voor een bril met een hoornen montuur die zwaar op zijn neus leunt. Haar moeder daarentegen heeft een metamorfose ondergaan. De bloemenjurken heeft ze geruild voor stretchbroeken en glanzende, gecentreerde hemden. En de witte laarzen voor schoenen met een diepe uitsnijding en hoge hakken. Van het haarlint en het vredesteken is geen spoor meer.   Het derde album toont een Marianne die een aankomende vrouw is. Ze vertoont hier voor het eerst sporen van nakende zwaarlijvigheid. Haar borsten staan al iets te nadrukkelijk afgetekend in haar blouse en ook de welvingen van haar buik en heupen zijn al duidelijk zichtbaar. In dit album is Marianne’s aanwezigheid minder prominent. De nadruk ligt hier op haar ouders. Wat me steeds weer opvalt, is hoe gelukkig die twee er op alle plaatjes uitzien. Ze lachen, omarmen elkaar, zoenen, doen gekke dingen en lijken zich nooit om de aanwezigheid van de fotograaf te bekommeren. Hoe anders alweer dan mijn ouders, die op elke foto poseren als levende lijken en nooit eens een greintje levenslust uitstralen.   De foto’s in het volgende album tonen een Marianne die zichtbaar gebukt gaat onder een immens verdriet. Hier heeft het noodlot wellicht al toegeslagen. De levenslust heeft plaatsgemaakt voor een onmiskenbare somberte, en ze lijkt niet langer met plezier te poseren, maar wekt de indruk het fotograferen lijdzaam te ondergaan, alsof ze er toe werd gedwongen. Hier is ze qua uiterlijk al veel meer de Marianne zoals ik haar ken. Ettelijke kilo’s aangekomen en gekortwiekte haren. Het laat me niet onberoerd te zien dat ze er nog maar een schim is van zichzelf. Blad na blad, foto na foto voel ik een steeds nadrukkelijker medelijden in me opwellen… tot ik een ontdekking doe die al deze gevoelens op slag de kop indrukt. Op één enkele foto wordt ze geflankeerd door een man die haar omarmt alsof ze zijn geliefde is. Op zich niet opzienbarend, ware het niet dat ik deze man ken! Hij is er nog een stuk jonger, maar de opwippende wenkbrauw, de gitzwarte snor, de robuuste onderkaak, de sik op zijn kin… al deze kenmerken laten er geen twijfel over bestaan dat de kerel, die aan de zijde van Marianne poseert met de flair van een rokkenjager, niemand minder is dan Jan Byttebier!   Alsof ik ten prooi ben aan een verlamming zit ik minutenlang naar de bewuste foto te staren. Ik slaag er niet in te bewegen. Zelfs ademen valt me zwaar. De hele tijd zit ik me af te vragen hoe het mogelijk is dat Marianne en Jan elkaar kennen. Berust dit op toeval? Hallucineer ik? Of ben ik dan toch het slachtoffer van een complot, zoals ik eerder vermoedde? Ik klap het album dicht en leg het op de stapel. Terwijl mijn blik ergens houvast zoekt, beukt in mijn borstkas mijn hart alsof het uit wil breken.

Lou Van Lier
0 0

Mechelse Gin: Mr. Gin

Wie Mechelen zegt denkt al gauw aan brouwerij ‘Het Anker’ en een rits wereldwijd bekroonde bieren. Maar Het Anker is meer. Wist je dat brouwerij Het Anker ook een Whisky brouwt? En nog niet eens zo heel lang geleden is er een Mechelse gin op de Markt gekomen. Mr. Gin. Een warme zomeravond vraagt om een lekkere Gin Tonic. Maar hoe zit dat eigenlijk met die Mechelse Gin?   Verscholen in de Mechelse binnenstad vind je Pin’Art. Een gezellige wijn- en spiritswinkel. De ideale locatie om op onderzoek te gaan naar Mr. Gin. Vincent staat me al breedlachend op te wachten en verwelkomt me vriendelijk.   Kruit: Gin? Wat is dat? Vincent: Volgens de legende… (lacht) Is gin een klein accidentje. Engelse soldaten dronken onze graanjenevers en waren er op slag op verliefd. Terug in Engeland wilden ze dit zelf stoken en daar is het anders gelopen. Uit dit mislukte procedé is dan de gin ontstaan. Achteraf gezien is het niet zo erg mis gelopen. (lacht) De naam Gin is in ieder geval een verkorte vorm van het oude Engelse woord “genever”, dat op zijn beurt dan weer gerelateerd is aan het Frans woord “genièvre”. Je hebt 4 verschillende soorten gin, waaronder de Compound gin en de London Dry gin of potstilled gin. De Compound gin is een gin waar aroma’s of botanicals* worden toegevoegd aan een neutrale spirit. Bij een London Dry gin worden die botanicals al tijdens het stookproces bijgevoegd. Zo ontstaat er een heel andere smaak. Gin is een spirit die haar overheersende smaak ontleent aan jeneverbessen.   Kruit: Als gin gebrouwen werd door de Engelsen. Hoe komen wij dan aan een Mechelse gin? Vincent: Gin is niet langer een typisch Brits product. Het wordt ook buiten Engeland gestookt. Dus ook in Mechelen. Christophe en Manu hebben vorig jaar de stap gezet en brachten Mr. Gin op de markt, een compound gin. Christophe en Manu van The Gin Gents, zijn twee vrienden die gepassioneerd zijn door gin en zo is de bal aan het rollen gegaan. Mr Gin is een eerbetoon aan Mechelen. Op zoek naar de botanicals om de gin smaak te geven werd de link met de rozentuin van het Vrijbroekpark en de Maneblussers gelegd. Klaproos en maanzaad waren de inspiratie voor het smakenpalet van Mr. Gin. In Mechelen hebben we ondertussen twee soorten gin. Een Compound en een London Dry gin. De eerste Mechelse gin, de Compound gin is vorig jaar op de markt gekomen. Christophe en Manu brachten nu ook een London Dry gin op de markt.   Kruit: Hoe maak je nu een lekkere gin Tonic? Vincent: Een perfect served, zoals wij dat noemen, is niet zo moeilijk. Er zijn wel een aantal dingen waarop je moet letten. Het juiste glas. Een Cabernet Sauvignon glas is ideaal. Dat is zo’n groot bol wijnglas. De volgende stap is ijs, veel ijs. Echte ijs blokjes. Die doe je in het glas en roer je rond met een lepel. Zo komt je glas op temperatuur. Nu giet je het overtollig water van de ijsblokjes af. Laat de ijsblokjes in je glas. Giet nu een jigger* gin in het glas over een barspoon. Heb je geen barspoon? Een gewone lepel is prima. Op deze manier gaat je gin direct naar de bodem van je glas en verlies je minder bubbels. Voeg tot slot twee maatjes neutrale tonic bij. Geen frisdrank tonic zoals een schweppes maar wel een speciale voor gin tonic bestemde tonic. De meeste frisdranken zijn veel te zoet en dat zou afbreuk doen aan je gin. Schol!     *Botanicals: kruiden, planten, specerijen *jigger: maatbekertje voor drank     Zin in in een lekkere gin tonic? Geef dan het antwoord op volgende vraag: Wat is een London Dry Gin? Of wat is het hoofdbestandeel van Gin? En wie weet mag jij een fles gin gaan ophalen bij Pin’art in Mechelen. Stuur je antwoord aan:

Helga Van Aken
12 0

pyrrus

Vliegen zijn intelligenter dan muggen. Een ietwat onnozele observatie misschien, maar toch. Ze blijken enorm slim met hun energie om te gaan  en vooral uit te blinken in idiotie. Hoewel muggen op dat laatste punt ook behoorlijk hoog scoren, laat hun elegantie uiteindelijk te wensen over. De onbeschaamde doordouwersmentaliteit van de muggen maakt hen tot zielige wannabes, daarmee de meer stoïcijnse vliegen een zekere zege bezorgend.   Nadat ik de ventilator aanzet in de hoop beide soorten van mijn lijf te houden observeer ik wat gebeurt.   De mug vliegt vliegensvlug weg van de vervelende windhoos en verschalkt zich net buiten het blaasbereik, zij het slechts voor enkele seconden. Want, optimistisch als de mug is, vliegt ze bij het draaien van de lucht weer mijn richting uit, om daar aangekomen te beseffen dat de turbine haar alweer van de andere kant nadert. (ZIJ, ja. Steekmuggen zijn vrouwelijk, ze hebben de eiwitten nodig voor hun eiers, ha!)  Vleugelslag na vleugelslag herhaalt ze de beweging, als een onvermoeibare sisyphus. Geen bloed wordt geprikt, geen ander slachtoffer gevonden op deze korte wederkerige trektocht. Onder het motto ‘de aanhouder wint’ gaat ze zonder probleem uren door, tot ik uiteindelijk de ventilator uitzet en gezwind in mijn bed onder het muskietennet duik, waar zij vervolgens de hele nacht tegen aan blijft tikken, opgejaagd door de geur van bloed, niet te stuiten door de zinloosheid van de actie. Ik mag hopen dat ze op zijn minst tegen de ochtend tot inkeer komt en zichzelf moedwillig uit de vicieuze cirkel losscheurt, om op zoek te gaan naar misschien minder lekker maar wel beschikbaar bloed.   De vlieg vertoont een heel ander patroon, dat echter ook van geduld, maar vooral moed getuigt. Wanneer het blazen begint houdt de vlieg een minuut of wat flink stand en wurmt zich in kronkels om toch maar telkens tegen mijn hoofd of armen te kunnen ketsen. Wat daar het doel van moge zijn ontgaat me volkomen, de uitdrukking ‘een lastige vlieg’ staat in ieder geval niet voor niets; er valt voor de vlieg niks bij me te rapen, geen bloed, geen morzel voedsel, geen vertier. Na een paar zwiepende luchtstromen beraadt hij  zich (Ja HIJ. Het zou ook een zij kunnen zijn, maar ach, for the sake of contrast…) en gaat op zoek naar een veilig onderkomen om ongestoord nutteloos te kunnen zijn. De muur, de hoek van de zetel, mijn teen, aha! de ventilator zelf! Je moet er maar opkomen én er de ballen voor hebben, geef toe. Als een echte quichote vecht hij dapper tegen de windmolen en begeeft hij zich zonder angst naar het oog van de storm. Op de rand van het plastic rooster, dat genadeloos heen en weer blijft zwiepen vindt hij rust en een zekere ontspanning. In alle kalmte laat hij zich in een zentoestand wiegen. Wanneer de ventilator straks stopt – want stoppen moet die onvermijdelijk eens – zal hij barstensvol energie op zijn doel afvliegen (mij) om dan, eindelijk, in al zijn windstilheid, mij het leven weer zuur te maken van de zetel hélemaal tot aan het bed.

LL Rigby
1 0

vlucht

Terwijl ik rennend de lange meters afleg die me nog scheiden van de gate, tasten mijn vingers in plotse paniek naar de rechterzak van mijn jas, wriemelen de knop open en vinden tot mijn grote opluchting het papiertje dat tegenwoordig dienst doet als vliegticket, netjes om mijn identiteitskaart gevouwen. Het is een gewoonte die ik al jaren heb. Gezien ik regelmatig vlieg is het goed om bepaalde routines te handhaven: na het inpakken boardingpass opsnorren, identiteitskaart uit portemonnee vissen, samenvouwen en hop in de rechterjaszak. Geen kans op onnodig gewroet in de handtas bij de douane, geen kans op vergeten. Maar gisteren was ik mezelf niet, het inpakken ging moeizaam, bij elke handeling betrapte ik mezelf erop dat mijn gedachten afdreven naar de nacht voordien. Ik kon me dus ook niet herinneren dat ik de papieren volgens de standaardprocedure had opgeborgen. Regelmaat vs. verwarde harten: 1-0. In de jaszak zit nog iets, ik vis het eruit, mijn hart slaat een slag over. Het is het toegangskaartje van het concert eergisteren, met achterop het telefoonnummer van Rui gekrabbeld. Terwijl mijn vingertoppen over de letters strijken die hij geschreven heeft, voel ik zijn vingertoppen weer over mijn blote onderrug glijden. Zie ik Jan, die met me danste en zoende als een verliefde puber. Terwijl ik als eersteklas hypocriet over zijn schouder heen flirtte met de gitarist, die me geen seconde uit het oog verloor. Jan was vrolijk dronken en blind voor alles om hem heen, blind voor mij die hij zo verliefd aankeek. De gitarist vond me, rokend met mijn rug tegen de muur van de steeg, nam de peuk van me over, trok eraan, gooide hem weg, kronkelde zijn linkerarm om mijn middel, drukte me tegen zich aan, bracht zijn lippen tot vlak voor de mijne. Terwijl onze adems versmolten wist ik dat ik verloren was – en Jan de verliezer. Zonder zijn ogen van de mijne af te wenden zoende Rui me met een intensiteit die mijn knieën deed trillen. In één beweging tilde hij me op, met zijn rechterhand onder mijn jurk, vingertoppen onder de rand van mijn slip. Zonder aarzeling zocht mijn hand zijn kruis, zijn riem, zijn rits. Onze lippen bespraken wat moest gebeuren, zonder een woord. In een paar tellen en met minimale onhandigheid wisten we elkaar te vinden. Zijn vlees in het mijne, mijn vlees om het zijne. Nooit was de liefdesdaad zo statisch en tegelijk extatisch. Het kloppen van zijn geslacht werd me uiteindelijk teveel en ik kwam klaar met mijn hete adem in zijn mond. Dat ook hij was klaargekomen wist ik pas achteraf toen ik op de WC zat te kijken naar de kleverige inhoud van mijn slip. Ik rook eraan alsof het een ruiker bloemen was. Durfde niet te denken aan Wat nu?, wist alleen dat onze bewegingsloze dans slechts kon betekenen dat vanaf nu elk ander contact eraan zou gemeten worden. Dat het kaartje met zijn nummer het meest erotische voorwerp was dat ik ooit in handen had.  

LL Rigby
0 0

curves

(beeld: An impossible dialogue on repeat van Nel Aerts) Dat ik recht was en hij krom scheen er niet toe te doen, net zo min als ons verschil in kleur of het feit dat we een andere taal spraken. Ik hoorde zijn klanken en zag zijn gezicht. Begreep vanuit de lichte beweging van een neusvleugel of de trilling van een wenkbrauw de achterliggende emoties die overigens door geen enkele zin in geen enkele taal met dergelijke precisie zouden kunnen worden beschreven. Wanneer ik aan de opwaartse tendens van zijn intonatie merkte dat hij mij een vraag stelde gaf ik antwoord. In mijn eigen taal, op een willekeurige vraag. Een vraag die ik graag wilde beantwoorden, of net niet. Ik formuleerde woorden waar ik blij mee was of waarvoor ik me zo schaamde dat het me bevrijdde om ze uit te spreken tegen iemand die niet de woorden maar wel de gevoelens erachter begreep, wilde begrijpen. Een gesprek zonder enige zin, dat tegelijk het meest waarachtige was wat ik ooit had gedaan. Zwijgen en luisteren, naar klanken als houders van betekenis. Niet de eigen blik in de reflectie van de ander zijn oogbol zoeken maar kijken en de ander zien, een schets maken van diens pijn en vreugde aan de hand van de lijnen van zijn gezicht en de minuscule spiertrekkingen. Spreken zonder filter, angst of schaamte, zonder zoeken naar de juiste woorden, zonder rekening te houden met de mogelijke interpretatie van de ontvanger. De boodschap zichzelf laten vertellen. Mijn adem en zijn adem in een rustig tempo op elkaar in laten werken, met de stroming van onze emotionele hoge- en lagedrukgebieden mee. Onze harten laten kloppen op het zelfde ritme. Samen onszelf zijn, meer dan we ooit onszelf waren geweest.   Dat ik recht was en hij krom scheen er niet toe te doen, net zo min als ons verschil in kleur of het feit dat we een andere taal spraken. Ik hoorde zijn zuchten en zag zijn lichaam. Begreep vanuit de lichte beweging van een vinger of het trillen van een spier de achterliggende verlangens die overigens door geen enkele zin in geen enkele taal met dergelijke precisie zouden kunnen worden beschreven. Wanneer ik aan de vragende tendens van zijn ledematen merkte dat hij de leiding aan mij wilde geven, beantwoordde ik hem met een streling, een zoen of een krachtige afdruk van mijn vingers op zijn huid. Ik deed wat ik kende, of wat nieuw voor me was. Ik voerde liefkozingen uit die ik normaal niet durfde en net daarom over hem uit moest storten. Omdat hij ze ontving en wilde ontvangen. Een samensmelting van tegengestelde lichamen, die tegelijk zo vanzelfsprekend leek dat onze vormen tot op de millimeter in elkaar leken te passen. Stil blijven en ontvangen, nemen zonder schroom. Geven zonder remmingen, angst of schaamte, zonder denken over de juiste handelingen, me niet afvragend welke aanraking hem meer of minder zou opwinden. De lust zijn eigen dans laten voeren, op het ritme van zijn adem en mijn adem, die lyrisch en staccato om elkaar heen kronkelen tot ze uitmonden in een hijgend crescendo van passie. Onze hartslagen voelen door de huid van de ander zonder nog te weten welke beat wie toebehoort. Samen één zijn, meer dan we ooit twee waren geweest.

LL Rigby
3 0

Bijster

Pieter staart naar het immense kleurenpallet. Hoeveel verschillende soorten koffiecapsules  en smaken kunnen er in godsnaam bestaan? Hij kijkt naar de krabbels op het briefje in zijn hand en dan opnieuw naar het rek. Kobe trekt aan zijn jas. ‘Komaan papa,’ jengelt hij, ‘doorgaan!’ Pieter haalt zijn schouders op en neemt lukraak enkele doosjes beet en gooit deze naast de braadworsten en de fles witte wijn in de winkelkar. Kobe loopt de hoek om. ‘Hela, wachten hé, pruts,’ zegt Pieter. Pieter loopt zijn zoontje achterna en ziet hem een enorm pak chip dragen. ‘Leg dat maar terug,’ zegt Pieter. Kobe kijkt Pieter aan met een brede grijns en tovert een tweede kleinere zak van achter zijn rug. ‘Deze dan?’ vraagt hij poeslief. ‘Ok dan, maar dan is het ook genoeg makker.’ Kobe legt triomfantelijk de zak chips in de kar terwijl Pieter de andere terugplaatst. Hij kijkt op zijn horloge. Hij kan beter niet al te veel treuzelen met de boodschappen. Straks komt het bezoek al. Hij draait zich om en Kobe is nergens te bespeuren. Waar is dat joch nu weer gebleven? Hij voelt zijn GSM trillen in zijn broekzak. Hij kijkt geërgerd op het schermpje. Els. Wat moet die nu? Even controleren, zeker maken dat hij niets vergeet. Dat mens heeft geen greintje vertrouwen in hem. Pieter neemt niet op en stopt de GSM terug in zijn zak.  Hij duwt de kar langzaam het gangpad uit. Kobe loopt hikkend van de lach tegen hem aan.  Pieter aait over zijn hoofd. Vijf jaar. Niet te geloven. Gisteren lag hij nog te slapen op zijn buik, melkpufjes in het gelaat, nu rent hij hier rond en vult de kar met zijn eigen zinnetjes. Pieter kijkt naar zijn zoontje. Hij lijkt op zijn moeder. Zou hij haar missen? Zou hij haar überhaupt nog herinneren? Hij was amper twee jaar ten tijde van het ongeluk. Pieter voelt aan het littekenweefsel op zijn onderarm. Hij had geluk gehad. Nu ja, wat is geluk. Tot voor kort vroeg Kobe nog af en toe naar Veerle. Was ze mooi? At ze graag macaroni, zoals ik? Waar zou ze nu zijn? Komt ze misschien nog terug? Maar de laatste tijd was hij er mee gestopt. Haar beeld is bedolven onder nieuwe ervaringen. In het hoofd van een vijfjarige is er amper plaats voor nostalgie en verlies. Ze hollen door. De toekomst tegemoet. En zo moet het ook zijn. Niet te veel stilstaan, doorgaan. ‘Was dat je telefoon?’ vraagt Kobe. ‘Het was Els maar,’ zegt Pieter, ‘waarschijnlijk om te zeggen dat we geen boter of zo mogen vergeten. Kom we gaan verder.’ Kobe draait zich om en loopt opnieuw de hoek om. Pieter volgt en probeert ondertussen het gekrabbel van Els op het boodschappenlijstje te ontcijferen. Er is geen beginnen aan.  In volgende gangpad neemt hij een kratje Duvel uit het rek en staat hij even te twijfelen of hij nog een speciaal biertje zou meenemen ook. Hij laat het voor wat het is. Best geen extra munitie voor Els aanbrengen. Hij kijkt even rond. Kobe is nergens te bespeuren. ‘Kobe?’ Geen antwoord. Pieter stapt verder en plaatst een bak plat water onder aan de kar. Kobe zal vast in de koelafdeling zijn. Daar kan je meestal proeven van een kaasje of een stukje vlees. De promotie van de week. Niet te missen, artisanaal, fantastisch, probeer het hier! Twee kopen, derde gratis! Hij knoopt zijn jas toe en laveert zijn kar door de plastic flappen. Altijd een akelig gebeuren. De kaas staat klaar. Met trotst uitgesteld op het tafeltje aan de ingang. Geen Kobe te zien. Pieter krijgt het benauwd. Waar zit die nu toch? Hij parkeert zijn kar naast het demonstratietafeltje en loopt de koelruimte door. Iedereen is druk in de weer de items op zijn lijstje te verzamelen. Vijf tomaten, een broccoli, een pak gemalen kaas, smeerboter en pizzadeeg. De klanten vullen hun karren en lijken niet op te merken dat Pieter steeds zenuwachtiger zijn zoontje zoekt. Ze willen hun kar vol en de winkel uit. De rest is afleiding. Pieter laat zijn kar staan en slaat de plastic flappen opzij. Hij kijkt door het gangpad, links, rechts. Oudjes kiezen aardappelen en kruiden. Het is warm. Terwijl hij zijn jas opent loopt hij de winkel door. Eerst zwijgend, na een paar minuten begint hij te roepen. ‘Kobe?’ Nergens te bespeuren. ‘’t Is genoeg geweest jongen!’ Pieter loopt bijna een dame omver die net een pak echte Belgische frites uit de diepvriesvak nam. De zak valt op de grond. Het besje foetert. Pieter kijkt niet om en rent verder. ‘Nu hier komen!’ Pieter zijn hart begint hard in zijn keel te slaan. Aan de kassa’s ziet hij een baasje staan.  ‘Kobe?’ De moeder kijkt om en neemt het jongetje bij de hand. ‘Kom Basje, bij mama blijven.’ Pieter kijkt de ruimte rond. Alles lijkt te draaien. Het voelt alsof hij boven de grond zweeft, door de mensen en rekken heen. Hij kan bijna niet meer ademen. Hij loopt langs de kassa’s de deur uit, de parking op. Het koopvee laadt zijn wagen en brengt trouw de karretjes terug. Auto’s zoeken een plaatsje, anderen rijden opgelucht weg. Pieter ziet in zijn ooghoek een bruine bestelwagen de parking afrijden. Net iets sneller dan de doorsnee klant. Pieter denkt niet na en springt in zijn wagen. Met gierende banden zet hij de achtervolging in. Pieter klemt zijn stuur vast. De knokkels wit. Hij rijdt de parking af, de steenweg op en ziet de bestelwagen bij de volgende lichten rechts afslaan. Pieter weet dat Kobe in die bestelwagen zit. Hij voelt het. Het kan niet anders. Hij drukt het gaspedaal in en gaat er achter aan. De lichten slaan net op rood. Hij negeert ze en slaat rechtsaf. De bruine bestelwagen is nergens te zien. Pieter begint te vloeken en slaat op zijn stuur. Bij het volgende kruispunt aarzelt hij. De adrenaline giert door zijn lichaam. Hij verlamt. Vastgevroren in zijn zetel. De toeter van de wagen achter hem brengt hem terug in het hier en nu. Hij slaat linksaf en rijdt met de moed der wanhoop verder. Trager nu. Onzeker en radeloos. Hij hangt over zijn stuur en speurt tussen de wagens, fietsers en achteloze voetgangers naar de bestelwagen. Het is mooi weer en druk. Gezinnetjes gaan op uitstap, anderen doen boodschappen. Iedereen is op weg naar ergens. Zorgeloos. Geen vuiltje aan de lucht. Bij elke zijstraat hoopt hij de bestelwagen terug te zien. De minuten glijden voorbij. Pieter begint zwaar te ademen. Het zweet breekt hem uit. Hij opent het raampje van de wagen en ademt diep de frisse lucht in. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij een bruine flits. Hij remt bruusk en draait de wagen in schokkende bewegingen om. Hij vlamt naar het volgende kruispunt en kijkt rond. Hij ziet een bruine stationwagen. Geen bestelwagen. Zijn ogen schieten vol. Hij blijft stilstaan in het midden van het kruispunt.  Het claxonneren van de andere wagens klinkt ver weg. Hij stapt uit en begint te schreeuwen. ‘Kobe! Kobe! Ik…waar…Kobe?’ Alles wordt zwart.  Hij begint te duizelen. Hij valt op zijn knieën. Zijn hoofd omlaag. Hij vecht tegen de tranen. ‘Kobe?’ snikt hij. ‘Waar ben je man?’ Pieter voelt een hand op zijn schouder. Een oude man is uitgestapt en naar hem toegelopen. Zijn stem is zacht en geruststellend. Hij is niet kwaad. Hij wil Pieter helpen. ‘Rustig, jongen,’ zegt hij. ‘Alles komt in orde, laten we eerst maar even van straat gaan, nee?’  Een halfuur later rijd Pieter de parking van de winkel weer op. Hij neemt met trillende handen zijn GSM uit zijn broek. Hij selecteert de naam ‘Els’. Zijn duim blijft hangen boven het groene telefoontje. Hij haalt diep adem, stopt de GSM weg en loopt de winkel in. ‘De politie is onderweg,’ zegt Didier.  Hij ziet bleek en probeert zich een houding te geven tegenover Pieter. Pieter zit voor zich uit te staren in het kleine duffe kantoortje boven de winkel. Didier staat achter hem. Hij twijfelt of hij Pieter een schouderklopje of zo moet geven. ‘Wil je nog een kopje koffie misschien?’ vraagt hij. Pieter blijft zwijgen. Didier bijt op zijn nagels en kijkt naar de man die voor hem zit. Zijn eerste dag als winkelmanager zat er bijna op toen deze vader de winkel kwam binnengerend op zoek naar zijn zoontje.  Hij liep al een bezetene door alle gangpaden en riep de hele winkel bijeen. Didier was net de stock aan het controleren op zijn nieuwe laptop toen er op de deur werd geklopt. Of hij niet beter eens kwam kijken. ‘Ze zullen hier nu wel elk moment zijn hoor,’ zegt Didier. Meer tegen zichzelf dan tegen Pieter. ‘Moet je nog iemand anders telefoneren?’ Pieter zegt niets. Hij haalt langzaam zijn GSM boven en kijkt naar het scherm. Els haar telefoonnummer staat klaar. Hij drukt op het groene telefoontje en brengt de telefoon naar zijn oor. De woonkamer staat vol mensen. Politiemensen lopen binnen en buiten. Op de salontafel staat een halflege thermoskan en enkele vuile koppen koffie. Els zit aan de keukentafel met een agente te praten. De buurvrouw doet alsof ze onmisbaar is en loopt de hele tijd op te ruimen. Pieter wou dat ze weggingen. Hij wil alleen zijn.  Zijn hoofd is leeg. Hij kan niet meer nadenken. Hij ziet enkel die bruine bestelwagen wegscheuren. ‘Welk soort bruin?’ had de agent gevraagd. Wist hij veel. Bruin is bruin. Een gewone bruine bestelwagen. Misschien iets naar de lichte kant. ‘Waar heb je Kobe het laatst gezien?’ Pieter was beginnen twijfelen. In de groenteafdeling? Of nee daar was hij al weg. Het was net daarvoor. Of toch niet? De agent had een en ander genoteerd in een boekje en pieter alleen gelaten. Pieter staat op en loopt door het open schuifraam de tuin in. Hij zoekt in zijn zakken en haalt er een plat pakje Drumtabak eruit. Zeven maand geleden rookte hij zijn laatste sigaret. Het was op een feestje in een kroeg in de stad. Een vriend van hem werd veertig en had de tent afgehuurd. Drank a volonté en de betere platen. Pieter had zich laten overhalen. Genoeg zielig zitten doen en wegteren. Hij moest weer onder de mensen komen. Wat was zijn alternatief? Pizza, lauwe duvel en The Voice op TV. Hij stond net een biertje te bestellen aan de bar toen Els aan zijn mouw trok.  Ze was een beetje dronken. Later zou ze beweren dat ze helemaal niets gedronken had. Ze vond hem een toffe knul en het was zonde om heel de avond aan de toog te kleven. Ze trok hem op de dansvloer. Pieter liet het gebeuren, vond het ook wel fijn. Hij liet zich gaan. Het deed ergens wel een beetje deugd. Terwijl Tante Tina iets schreeuwde over Nutbusch en city limits, legde Els haar armen om zijn nek. ‘Zie je wel. Veel leuker toch?’ Hij was die nacht bij Els blijven slapen. Op weg naar haar huis had hij zijn laatste sigaret gerookt. ‘Rook jij?’, vroeg ze. Ze trok daarbij een lelijk gezicht. Pieter had het weggelachen. ‘Niet echt. Alleen op feestjes en zo.’ Maar het pakje Drum was sindsdien onaangeroerd gebleven. Pieter opent het pakje. De tabak is droog. De geur is verdwenen. Hij peutert een verfrommeld blaadje uit het pakje Rizla dat weg gepropt zit aan de zijkant. Hij rolt onhandig een sigaret en kijkt de tuin in. Waar zou Kobe nu zijn? Het is een ondraaglijke gedachte. Zijn hart begint te kloppen en het zweet breekt hem uit. Pieter neemt een trek van zijn sigaret en hoort agenten met elkaar praten met over de schutting. Ze staan op straat naast hun combi. Pieter probeert zich te concentreren op hun gesprek. Hun politieradio braakt metalige boodschappen. Cryptische aanwijzingen en opdrachten. ‘ongeval Gentse Steenweg, over,…, 2 personenwagens’ ‘Gisteren voetbal gezien?’ ‘Nee, er was badmintontraining’ ‘patrouillewagen 45 onderweg,…’ ‘Zonder Kompany gaan we op ons bakkes gaan.’ ‘Bwah, misschien,…’ ‘Melding bestelwagen, bruin, overeenkomst signalement vermoedelijke verdwijning’ Pieter bevriest. Hij haalt de sigaret langzaam uit zijn mond en luistert gespannen naar de politieradio. ‘Stationsstraat…wagen onderweg voor buurtverhoor’ Pieter staat te beven op zijn benen. Hij kijkt door het raam naar Els. Deze staat nog steeds te praten met de agente. Hij haalt diep adem en sluipt naar het poortje achteraan de tuin. Op straat loopt hij snel naar zijn wagen. Hij moet naar de Stationsstraat. Hij moet Kobe vinden. Hij wil zijn zoontje terug.  Met trillende handen steekt hij de sleutel in het contact. Pieter rijdt langzaam door de Stationsstraat. Voor de vierde keer reeds. Er is nergens een bestelwagen te zien. Laat staan een bruine. Hij zet zich aan de kant van de weg en houdt zijn stuur krampachtig vast. Het is beter om terug te keren. Iedereen vraagt zich vast af waar hij gebleven is. Hij staat op het punt naar huis te rijden als aan de overkant van de straat een poort opendraait. Een blauwe Ford rijdt de straat op. Achter de poort ligt een terreintje met daar rond garageboxen. In de hoek ziet pieter een bruine bestelwagen staan. De poort sluit langzaam. Pieter blijft enkele seconden besluiteloos zitten en stapt dan langzaam uit de wagen. Zonder op het verkeer te letten steekt hij de straat over. Net voor de poort dichtvalt, glipt hij binnen.  Het terrein is verlaten. De boxen zijn besmeurt met graffiti. Er groeit onkruid in de spleten in het asfalt. Aan de overkant gaat de garagebox voor de bestelwagen open. Een man stapt naar buiten en opent het achterportier van de wagen. Pieter begint te rennen. Zijn vuisten gebald. Pieter brult. De knie in zijn rug drukt door. Hij voelt zijn hart bonzen tegen het natte asfalt. Hij spartelt maar het heeft geen zin. De agent kent zijn vak. Jarenlange betogingen, voetbalmatchen en caféruzies hebben hem gehard. Hij houdt Pieter zijn handen tegen de grond geklemd. Pieter draait zijn hoofd. Een pijnscheut schiet door zijn hals. Hij ziet het openstaand achterportier van de bestelwagen. In het laadruim staat een oude fiets. Niets meer. Enkele meters voor hem zit een man op de grond. Zijn hoofd bloedt hevig. Hij houdt een bebloede lap stof tegen zijn hoofd en kijkt met bange ogen naar Pieter. Een tweede agent knielt bij hem neer en legt sussend zijn hand op zijn schouder. Pieter kan niet horen wat ze zeggen. De politie was net op tijd gekomen. Enkele seconden later en Pieter had de man kapot gemaakt.  De man kwam net van een fietsenwinkel. Hij had een koopje gedaan. Een mooie tweedehandsfiets. Die zou hij met zorg weer herstellen. Een beetje nieuwe lak, een nieuwe ketting, het zadel vernieuwen. Een prachtig geschenk voor zijn kleinzoon. Hij wou net de fiets uit zijn bestelwagen tillen toen hij achteraan op zijn hoofd geslagen werd. Zijn gezicht knalde tegen het openstaand portier. Hij viel bloedend op de grond. In een waas zag hij een wildeman boven zich uit torenen. Deze maakte zich op voor de finale slag. Op dat moment werd de aanvaller gegrepen door een bonkige politieman en op de grond gesmeten. De knie wordt weggehaald. Er stroomt weer lucht naar Pieter zijn longen. Hij sluit zijn ogen en drukt zijn voorhoofd op het natte asfalt. Hij ziet Kobe.  Kobe fietst en lacht naar hem. Kobe probeert zijn kousen aan te doen, het puntje van de tong uit zijn mond, in opperste concentratie. Kobe smeert een boterham. Meer choco aan het mes dan op het brood. Met pretoogjes likt hij zijn schat af. Kobe loopt door de supermarkt, hij wijst naar allerlei soorten koekjes. Pieter blijft liggen. De ogen dicht. Hij voelt twee armen hem optillen.  ‘Nog eens hetzelfde.’ Pieter zegt het zonder opkijken. Hij roert met zijn lepeltje door het bodempje koude koffie.  Het cognacglas ernaast is al een tijdje leeg. De barman neemt het weg en zet een nieuw glas voor zijn neus. Hij knalt het koffiegruis in een lade en maakt een nieuwe koffie. Pieter neemt alvast een grote slok. Een lekker warm gevoel in zijn lege borstkas. Hij zit aan de hoek van de bar. Het is nog vroeg. Het café is bijna leeg op een verdwaald koppeltje toeristen na. Deze zitten gebogen over een kaart van de stad een fruitsap te drinken. Pieter kijkt door het raam naar buiten. De eerste winkels gaan open. De mensenmassa trekt zich op gang. Koopvee. Hij denkt aan Els. Zij was er altijd als de kippen bij tijdens de solden. Zou ze hier ergens rondlopen? Waarschijnlijk wel. Met de kredietkaart van een of andere sul. Vier jaar al. Vier jaar geleden mikte ze een lege fles wodka naar zijn hoof. Hij lag dronken op de sofa lag. Pieter hoorde enkel de deur dichtslaan. Daarna had hij ze nooit meer teruggezien. Best. Pieter drinkt het glas leeg. ‘Doe nog maar eentje,’ brabbelt hij, ‘en laat de koffie maar zitten.’ Hij staart naar de mensen op straat. Een moeder met een kinderwagen. Twee tieners druk bezig met hun telefoon. Een koppeltje, arm om de schouder, hand in de achterzak. Een man met een jongetje aan de hand. Pieter schat het jongetje ongeveer tien. Kobe moet nu ook zowat tien zijn denkt hij. Hij probeert de gedachte te verdringen. De man en het jongetje staan met de rug naar Pieter. Ze wachten om de straat over te steken. Pieter blijft kijken. Hij krijgt een onbehaaglijk gevoel. Hij ziet de man de hand van het kereltje steviger vastgrijpen. Dat haar, die hals,… ‘Kobe?’ Pieter richt zich verdwaasd op. De lichten springen op groen. De man en de jongen steken de straat over. Pieter springt van zijn kruk, valt bijna op de grond en loopt naar de openstaande deur van het café. ‘Kobe!’ Pieter schreeuwt naar de overkant. Ze stoppen. Het jongetje draait zich om. Hij kijkt Pieter recht in de ogen. Pieter staat vastgenageld aan de grond en strekt zijn armen uit.  

Bernard Govaert
0 0