Lezen

Een mooie oude dag

“Die ene is goed ziek geweest,” wist vader me tijdens mijn wekelijks bezoekje in het rusthuis te melden. Ik groef naarstig in mijn geheugen, want als vader één ding niet verdroeg, was het niet dadelijk begrepen te worden. "Wie bedoel je?" vroeg ik omdat ik geen aanknopingspunt vond. "Die ene die me altijd komt halen," verduidelijkte hij. Ik groef nog wat dieper in mijn geheugen. Ik had weet van een kranige bejaarde die een tijdlang zo vriendelijk was geweest om vader op sleeptouw te nemen tijdens zijn wekelijkse wandeltocht door de stad, maar dat was alweer even geleden. De vriendschap was geëindigd met een hoogoplopende ruzie omdat de kranige man onophoudelijk praatte en vader de stilte verkoos. "Bedoel je Fons?" vroeg ik voor de zekerheid. "Maar nee!" klonk het ongeduldig. "Ik bedoel die ene die me altijd komt halen met de auto." Ik spitte mijn hele memorie ondersteboven en kon maar één iemand bedenken die aan de summiere beschrijving voldeed en dat was mijn broer Herman. De tweede oudste. Die had zich – sinds hij zelf met pensioen was – tot doel gesteld vader elke woensdag een uur of twee uit zijn enge kamertje te bevrijden om hem wat verstrooiing te bieden. "Bedoel je Herman?" vroeg ik. Vader bekeek me met een verwarde blik. Zijn mond leek ‘ja’ te willen zeggen, terwijl z'n hele confuse geest zich zichtbaar tegen die zekerheid verzette. De naam 'Herman' leek hem op één of andere manier even vreemd in de oren te klinken als een Arabische vloek. "Je bedoelt toch mijn broer?" probeerde ik mij te verduidelijken, maar ook het bizarre woord 'broer' deed niet meteen een licht opgaan. Uiteindelijk schudde vader het hoofd. “Nee, die niet,” zei hij vastberaden. "Wie bedoel je dan?" vroeg ik voorzichtig. Het was niet zonder gevaar dat ik doorvroeg, maar de gezondheid van een mens is geen futiliteit. Wie het ook was die goed ziek was geweest, ik kon het maar beter te weten komen. Bovendien had ik nog geen volgend onderwerp in gedachten waarmee ik de tergende stilte te lijf kon gaan. "Die ene die me elke week komt halen!!!" klonk het plots ongemeen hard. Vaders geduld was duidelijk op. "Maar dat is toch Herman," wierp ik voorzichtig op. Vader dacht even na en zei dan: "De tweede!" en om alle misverstanden te vermijden: "Jij bent de derde." Hoewel deze bewering enkel klopte als onze twee zussen buiten beschouwing werden gelaten, kon de gedachtegang van vader gezien worden als een verdienstelijke poging om het nest jongen dat hij op de wereld had gezet te reconstrueren. Ik wist nu zeker dat ik op het goede spoor zat. "Wel ja, de tweede dat is Herman," zei ik nadrukkelijk. "Heet die zo?" vroeg hij hogelijk verbaasd. Even slikken. Herman was dus ziek geweest. ‘Goed’ ziek. "Wat had hij?" vroeg ik. De afhangende schouders van vader wipten even op. ‘Wat kan een mens nu hebben’, zag ik hem denken! "Griep?" probeerde ik. Met starende blik trachtte hij de betekenis van het woord ‘griep’ te vatten. Tevergeefs. "Zoiets zeker," klonk het ontwijkende antwoord. Door zijn blik demonstratief van me af te wenden, gaf hij te kennen dat hij niets meer aan het onderwerp toe te voegen had. Meteen verzonk hij weer in zichzelf. Op slag begon de grote klok aan de muur weer wat nadrukkelijker te tikken. En ik weet haast zeker ook trager. Ik staarde verveeld door het raam en zag enkele hagelwitte plukjes wolk door het blauwe uitspansel drijven. "Het is mooi weer vandaag," opperde ik. "Hm?" deed vader met de flank van zijn hoofd naar me toegekeerd, de ogen tot spleetjes geknepen en de oorspieren gespannen. Met die houding wist hij feilloos aan te geven dat hij uit de uitgestoten klankenbrij geen woord had weten te distilleren. "Dat het mooi weer is! Mooi maar koud," bulderde ik. Ik articuleerde zo nadrukkelijk dat mijn kaak haast uit de haak ging. ‘Het weer…?’ zag ik hem denken. Dat woord deed ook niet meteen een belletje rinkelen. “De bomen hebben een prachtige kleur,” vervolgde ik. "Mooie herfstkleuren. Kijk!" Ik plantte mijn vingertop tegen het raam en wees naar de bomenkruinen wat verderop. Vader knikte vaag, maar nam niet de moeite om naar buiten te kijken. In plaats daarvan reikte hij naar het glas bruine Leffe dat ik hem had voorgezet. Vroeger had hij nooit bier gedronken, maar sinds moeder overleden was, wilde hij graag een paar keer per week zijn geest benevelen met een kleine hoeveelheid alcohol. Bevend bracht hij het glas naar zijn mond en nam een fikse teug. Er bleef een schuimsnor achter op zijn bovenlip. Uit solidariteit nam ik eveneens een slok van mijn biertje. Ik smakte luid om de loden stilte te lijf te gaan. "Zet je nooit nog eens muziek op?" vroeg ik, terwijl ik mijn glas weer op de tafel zette. "Of je nooit nog eens..." Met een onverschillig schouderophalen maakte vader me duidelijk dat hij mijn vraag ditmaal van de eerste keer begrepen had. "'t Is altijd hetzelfde," antwoordde hij kort. Ik wierp een blik op de eindeloze rij cd’s die hij in de loop der jaren verzameld had. Operettes en marsmuziek vooral. Bedoelde hij dat met ‘altijd hetzelfde’? "Maar het lichtje brandt nog altijd!" voegde hij er verheugd aan toe. Hij richtte zijn vinger op het stand-bylampje van de compacte stereoset die naast hem op de vensterbank stond. Ik begreep niet waarom hij het permanente glimmen van dit rode oogje zo wonderlijk vond. Even overwoog ik hem om nadere uitleg te vragen, maar ik besloot begrijpend te knikken. Dat leek me veiliger. Ik wilde niet nog eens in een diepe spraakverwarring met hem verzeild geraken. In de stilte die volgde, keek ik naar de klok en trachtte de wijzers met een dwingende blik vooruit te stuwen.   Klokslag drie hees ik me overeind. "Ik stap maar eens op,” zei ik. “Ik heb nog wat te doen." Ik sloeg mijn jas om, boog me over dat kromme afgeleefde ventje, dat niet meer dan een schim was van die reusachtige man waar we als kind voor beefden, en drukte drie kussen op zijn wangen. "Bedankt dat je gekomen bent, jongen," vertrouwde hij me met zachte stem toe. Hij nam mijn hand in de zijne en kneep er teder in. Een minuutlang. Alsof hij ze tot een figuurtje wilde kneden. "Graag gedaan," glimlachte ik minzaam. Ik streelde hem over het kale hoofd, maakte me van hem los en liep naar de deur. “Doe thuis de… de… deuh…” Hij krabde zich nadenkend op het voorhoofd. “De groeten?” probeerde ik. Hij knikte. “Ja! Dat!” “Zal ik doen,” zei ik. Ik glimlachte nog een laatste keer, verliet zijn kamer en sloot de deur. Als een zombie liep ik door de kale gangen van het tehuis en werd pas weer een beetje mezelf toen ik door de koude buitenlucht in mijn gezicht werd geslagen. Ik haalde diep adem en stapte op mijn fiets. Het kostte me, zoals iedere week, de hele weg naar huis om de angst en afschuw voor ’een mooie oude dag‘ enigszins van me af te schudden.

Lou Van Lier
27 0

Voor herhaling vatbaar

Terwijl Jan de pasta afgiet, hoort hij Amelia's sleutel in het slot van de voordeur. Zijn ooglid gaat spontaan aan het trillen. Na vijf dagen van stilte komt ze om te praten, weet hij. Met een zwaai schudt hij de vongole op. Amelia komt de keuken binnen en snuift aan de lucht. ‘Dag meisje,’ zegt Jan. ‘De pasta is klaar.’  Ze knikt, een afgemeten knikje, zegt dag en biedt hem haar rimpelige wang.  Hij drukt er een droge kus op. Precies zoals ze dat wenst. Mensen van een zekere leeftijd, van een zeker niveau, doen niet aan gelebber, aan gepotel. ‘Even de tafel dekken.’ Hij neemt twee borden uit de kast en kijkt haar vluchtig aan.  Zij wil praten, maar hij moet beginnen, ziet hij. ‘Amelia,’ vangt hij aan, ‘ik heb nagedacht. Je hebt gelijk: ik ben een saaie vent, slecht in verrassingen. Niet spontaan, niet romantisch, niet knap, jong of flitsend. Niets van dat alles.’ Hij neemt de pan met pasta van het vuur, draait een sliert aan zijn vork en steekt haar de vork toe. ‘Comme il faut,’ keurt ze, ‘al dente.’ De groeven om haar mond plooien zich in een iets toegeeflijker stand. ‘Is dat peper?’ Ze wijst naar de strooibus in zijn hand. ‘Om het af te werken.’ Hij schudt een beetje peper over de pan.  ‘Rustig met die bus, je hebt je bril niet op.’ Ze kijkt om zich heen en wijst met een puntige vinger naar de bril die op de tafelrand ligt. Hij zet de peperbus neer, buigt zich voorover, reikend naar de bril, en stoot zijn hoofd tegen de lamp die boven de tafel hangt. ‘Jezus, Jan, wat een kaalslag daarboven,’ zegt Amelia. Naast hem staat ze in het bungelende licht. Haar humeur slaat om. Ze kijkt op hem neer en lacht.  Hij voelt aan zijn kruin, aan het haar dat elke dag dunner wordt. Ook zijn humeur slaat om. De frustratie overspoelt hem sneller dan anders en verdringt Amelia’s lach. In zijn hoofd hoort hij die andere vrouw, de laatste dame in de rij. ‘Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Wat eet je graag?’ had ze gevraagd. Snel, ratelend, want veel tijd hadden ze niet. Gretig had hij zijn naam genoemd. ‘Jan Van Opwijck, en je bent van Deurne!’ had ze gelachen. Hij had met haar meegelachen. Zij heette Lily en ze hield van koken en van lekker eten. Dat hadden ze later die avond samen gedaan. Lekker gegeten, en lekker gekust, gelebberd, gepoteld.   ‘Jan! Wat kijk je dwaas.’ Amelia stoot hem niet al te zachtzinnig aan. Hij schept de borden vol. ‘Madame est servie,’ zegt hij, net als alle andere avonden dat Amelia hem opzocht de afgelopen vijf jaar. Er loopt een rilling over zijn rug. ‘Niet slecht,’ merkt Amelia op terwijl ze tussen twee happen door haar lippen dept.  Jan knikt. Hij zit de maaltijd uit, hij zit het dessert uit, hij zit de avond uit. Hij zegt niet veel. Amelia ook niet. Pas wanneer hij haar in haar jas helpt, kijkt ze hem veelbetekenend aan. ‘Kijk, ik probeer ermee te leven, met hoe jij bent.’ Ze draait zich om en terwijl hij de jas om haar schouders legt, streelt hij het zachte bont. ‘Voor mij hoef je dat niet meer te doen, Amelia,’ hoort hij zichzelf zeggen.      Met een ruk keert ze zich naar hem om, haar net bijgestifte lippen in een streep. ‘Ik heb iets verrassends gedaan. Flitsend, spontaan, romantisch was het. Ik kan het je aanbevelen.’ Hij reikt langs haar heen, opent de deur en duwt haar naar buiten. ‘Speeddating voor senioren. Ik heb mezelf verrast, Amelia, en dat is me prima bevallen. Voor herhaling vatbaar.’

Ines Nijs
0 0

Achid

Ik sta buiten op de stoep van het nachtcafé roken en een man klampt mij aan. Of hij twee sigaretten mag hebben. Het is te zien dat hij niet veel heeft. Zo heeft hij bijvoorbeeld maar twee tanden, linksonder. Ze staan wel nog netjes naast elkaar, alsof een dronken tandarts een misselijke grap met hem heeft uitgehaald.   ‘Wie zijde gij,’ vraag ik hem? ‘Achid,’ spuugt hij haastig en steekt een groezelige hand uit.   Ik geef hem een hand, zo heeft hij al iets. Hij blijft mij echter verwachtingsvol aankijken. Ik zucht en vis twee sigaretten uit mijn jaszak. Hij lacht zijn twee tanden bloot en slaat mij op mijn schouders.   ‘Wij zijn vrienden hè,’ zegt hij enthousiast. Twee sigaretten, zo weinig kost vriendschap tegenwoordig. Hoewel iemand toestaan zichzelf langzaam te vergiftigen niet door iedereen als een teken van vriendschap zal worden beschouwd.   Binnen trekt hij een iPod uit zijn zak. Als hij mij ontwaart komt hij meteen aangesprongen en stopt ongevraagd de twee dopjes in mijn oren. Een hels kabaal zaagt door mijn brein.   ‘Schoon hè,’ toetert hij boven de herrie uit. Ik knik en trek de dingen uit mijn oren. Ze zien er erg gedragen uit, to put it mildly. Maar goed dat hij het me niet van tevoren gevraagd had, want dan had ik een smoesje moeten verzinnen om de vettige stopjes niet in te hoeven. Als een echte vriend heeft hij me voor een leugen behoed.   Maar hij heeft dus niet veel. Al heeft hij wel een iPod. En veel dorst. Maar geen geld. Ik ook niet, maar geef hem toch een pint als hij daar even later om vraagt. Vanwege de mooie smoes dat hij nog moet pinnen.   Ik mag hangen als hij een bankkaart heeft.      

Hugo Luijten
0 0

Dumpen, dat woord!

Dumpen moet het lelijkste woord zijn in mijn woordenschat. Vandale schrijft “afval, vuil storten” en geef toe, dat klinkt nu niet bepaald als rozengeur. Ivago stort het brandbaar huisvuil in de stortbunker. Flarden van je leven hangen dan te bengelen aan de zijkant van de grijper en vallen daarna met een plop tussen de andere stinkende, brandbare fracties. Wat een troostende gedachte. De kraanman bedient mijn gevoelens uitdrukkingsloos. En misschien is dat wel de correcte definitie van dumpen. Aan gedumpt worden wen je nooit. Bovendien ontmoet ik alleen maar stuntelende dumpers op mijn weg. Zij willen dumpen, zij willen mij echt kwijt, geloof me, maar de uitvoering ervan laat ruimte voor verbetering. Sommigen vergeten te vermelden dat zij mij dumpen en verdwijnen in een zelf opgetrokken mistbank. Heel mysterieus, net zoals verdwalen in het Schotse hooggebergte. Een perfecte Houdini-uitvoering met boeien. En net dat vind ik zo onweerstaanbaar. Hoe graag ben ik de goochelassistente die met een ijzeren glimlach huppelt rond een vreemd aquarium. Anderen dumpen, maar dumpen niet echt. Een soort halfslachtige engel die je gevoelens wil sparen en het bijgevolg alleen maar erger maakt. Het is die categorie die zijn geweten sust met nog wat goede raad voor je verder leven. Wat een opluchting moet het zijn om een zevenpuntenprogramma voor de gedumpte te fabriceren. Ik zie ze al zitten aan hun schrijfmachine, koortsachtig en genoegzaam nadenkend over tips die hen, uiteraard, ook nog een zekere glans geven. Alleen ben ik het type dat de vleugels van engelen liefdevol aait.  Je hebt ook nog de mengvorm: zij verdwijnen, maar dan ook weer niet echt, en je mag iets laten horen als het wat minder gaat. Verdere specificaties krijg je niet, maar wees ervan overtuigd, je bent gedumpt. Is een blaar door mijn nieuwe schoenen een bericht “zere voeten door schoenen” waard? Ik zal het nooit te weten komen, want de operator kent het nummer niet. Ach, klink ik nu als het verzuurde, azijn pissende type dat blijft klagen, zeuren, mopperen over een leven dat nooit geweest is? Iemand die je wil deleten, weg uit je bestanden? Ik drink rosé op een terras, met glinsterende baskets, en draag een T-shirt met de tekst “truly deeply madly”. Ik gruwel van dat lied, maar zij maar zeker dat ik op een bergtop wil staan, baden in de zee, tot de hemel op mijn hoofd valt, als het maar samen is met jou. Doet dumpen mijn vel in bobbels trekken, de toekomst lacht mij toe.  

Anne-Marie De Clercq
0 0

Gelukkig zijn op nummer 32

Soms denk je dat terug gaan naar je dorp van toen een isolatielaag zal leggen op je hart en geest. Je hebt de plekken en de mensen al duizendmaal opnieuw gezien en gehoord in milliseconden stukjes film, allemaal kriskras door elkaar en op een dag, ja, dan sta je daar. Ik sta weer in mijn straat. Ik wandel naar mijn huis vanaf de hoek van de hoofdstraat. Vroeger telde ik soms, na het afscheid van mijn vrienden op de hoek van de straat, de stappen tot aan de garagepoort, maar ik ben het getal vergeten. De garagepoort stond altijd op een kier en je moest de witgeverfde deur ervan dichtslaan met een kordate duw, want, vreemd genoeg, bedenk ik nu, was er geen deurkruk aan de buitenkant van de poort. Niemand van mijn huisgenoten vond dit vreemd. En niemand kloeg ook over het openen van de poort. Die vouwde in drie delen uit elkaar met grendels in de grond. Waarschijnlijk heb ik die poort tientallen keren open en dicht gedaan, maar dat weet ik niet meer. Toch zie ik in mijn hoofd mijzelf giechelend van plezier rennen van grendel naar grendel en ik voel mij huppelend blij. Auto weg, en samen op stap naar een nieuw avontuur. Mijn vader, gebogen over de Shell wegenkaart, want die ligt nu opengevouwen over de volledige keukentafel. Zijn wijsvinger volgt een route die hij prevelt in zijn hoofd. Ik kijk toe in bewondering. Mijn vader brengt ons naar kerken, historische plekken overheen het land en bestuurt de auto met een zelfzekere, stoere houding, wat ben ik trots op hem. Ik leun met mijn ogen dicht achterover en hum mee met de motor: eerste, tweede, derde en dan vierde. Mijn vader hapert nooit. Tot hij boos snauwt dat ik er mee moet ophouden. Mijn moeder en zus klagen over mijn lawaai. Misschien dateert het wel van die tijd dat ik nu alle teksten op mijn weg luidop lees als ik passagier ben op de voorbank: wegwijzers, reclameborden, teksten op auto’s… ik lees ze allemaal luidop met de juiste intonatie. Ixina, zing ik, Bakkerij Lindàààà, want ik zie in haar etalage dat Linda best wel wat aaaa’s kan gebruiken, Deinze 7, dat is neutraal, begrafenissen Vandenabeele, zeg ik met een grafstem, alle klussen zegt de bestelwagen voor ons aan de verkeerslichten. Dat zeg ik dan weer opgewekt. Ik maak mijn medepassagiers hoorndol. Zo hield ik dat toen en hou ik het nu duizenden kilometers vol tot ik in slaap val of iemand boos snauwt dat ik ermee moet ophouden. Ik kan het huis alleen maar meer zien tussen stukjes haag. Toen ik er woonde, was alles open. Je zag door naar het bloemenperk en de moestuin van mijn vader en ook het stukje gras, waar wij op picknickten in Tiny-stijl. Oranje limonade met blauwe plastieken bekers in de picknicktas, recht uit de keukenkast. Gesmeerde boterhammen in rare doosjes. Zo zitten wij te picknicken met zicht op straat en de straat met zicht op ons. Elke struik mooi getrimd, alles afgelijnd, symmetrie, daar ben ik mee opgegroeid. En op warme zomeravonden met de hele buurt op de stoep zitten bij Adrienne. Iedereen brengt zijn stoel mee en er wordt gepraat tot het zo donker is dat je de muggen ziet cirkelen rond het straatlicht aan de stoep van nummer 30 en het meppen net te vervelend dreigt te worden. Alles altijd open. Iedereen weet alles. Tot ergernis van mijn moeder soms. Je leven onder de microscoop bij tientallen buren die je leven beter kennen dan jezelf en genadeloos oordelen. Mijn vader wil die avonden niet en blijft thuis met zijn voeten in een teiltje lauw water. Alleen, luisterend naar bomen en bloemen. Zo is hij wel.   Ik sta er nu al enige minuten. De ingang lijkt dichtgegroeid en ik durf ook niet aan te bellen. Eigenlijk zou ik dat wel willen. Ik ken de scherpe, schelle klank nog van de melkboer. Die belde langer en nerveuzer dan de groenteboer. Die kwam altijd net als de soep was uitgeschept. De running gag op zaterdagmiddag. De twee treetjes voor je binnen kon. Uren heb ik er gezeten, ineengedoken of trots de hoogte in. Te mokken, of met liefdesverdriet, of met een hart zingend van pure liefde op een troon, zichtbaar voor de hele straat. Ik was te laat, te vroeg, te lui, te luidruchtig, te speels… de buurt die wist het wel. Een buurvrouw van toen komt afgesloft. Ik ben al lang te veel verdacht. Zij was toen oud en is dat nog. Ik ben dat jonge meisje, maar zij herkent mij niet. “Ben je van hier?” vraagt zij. Jaren heb ik mij afgevraagd of je aan mij zou kunnen zien uit welk dorp ik kom, maar ik draag dus niet de tekenen. “Wiens kleine ben jij? “ vraag zij en ik zie dat haar rechterhoektand nog altijd afgebroken is. Wiens kleine je bent, bepaalt hier je volgorde in het leven. Dat was ik ook vergeten. Ik ben graag iemands kleine, maar ik wil geen antwoord geven. Mijn antwoord zou over luttele uren een lawine van halve waarheden en veroordelende genoegzaamheid kunnen veroorzaken. “Hoe is het nog met Willy?” vraag ik. “Ken jij onze Willy?” vraagt zij met een stem vol trots en tegelijkertijd grote achterdocht. Willy is haar zoon en in elk verhaal van de buurvrouw kwam hij wel drieëntwintig keer voor. Mijn stem herkent zij niet, mijn gelaatstrekken al evenmin. Dat maakt mij toch wat triest. Jaren deelden wij de straat. Ik kwam er elke dag roepend wuivend voorbij.  “Altijd goeiendag zeggen.” zeiden mijn vader en mijn moeder. En toch ben ik vergeten. Is ons hele gezin vergeten. Net alsof wij er nooit waren of in een diep gat gezogen zijn onder het huis en niemand uit de straat die zich daarover zorgen maakt. Ik antwoord niet. Wat is de zin ervan? Doet het er nog toe dat Willy, mijn zus en ik vele avonden badmintonden, aangemoedigd door de halve straat, op een denkbeeldig speelveld,? Doet het er nog toe dat Willy altijd gewild komisch krom Engels met mij sprak omdat hij gehoord had dat Engels spreken mijn hobby was en ik mijn moeder beloofd had te blijven lachen voor zijn zelfde mop ? Ik besef de zinloosheid van het staren naar je oude huis. Ons leven is er opgehouden. Alle bewegingen en geluiden zitten in mijn hoofd en niet in dat huis. Zelfs nu ik de rode baksteen zou kunnen aanraken, is het niet meer dan een foto uit het album. De foto waarover wij discussiëren of het nu 1974 was of 1976. Het is tijd om te vertrekken. De buurvrouw blijft mij aanstaren en geeft het nog niet op. “Het is hier veel veranderd”, zegt zij, “allemaal andere mensen”. Dit is mijn opening om mij voor te stellen, maar ik kan mijzelf er niet toe bewegen. Het voelt als verraad tegenover wie ik ooit zo graag zag in dat huis, net alsof ik de betovering dan voorgoed verbreek. De beelden in mijn hoofd en mijn hart moeten blijven wat zij zijn en de buurvrouw is de boze heks die mijn leven kan doen kantelen. “Het waren andere tijden vroeger”, gaat zij onverstoorbaar verder. Niemand spreekt hier nog met elkaar. Elk leeft hier nu alleen.” Haar ogen beklemtonen de eenzaamheid. “Dat was vroeger anders. Neem nu die mensen van nummer 32”, en tot mijn ontzetting wijst zij naar ons oude huis. Ik krimp in elkaar, “daar zou je veel over kunnen vertellen, maar dat ga ik niet doen. Ik roddel niet.” Net als zij adem hapt om toch te roddelen wordt het te veel voor mij. “Vindt u het normaal dat u ongegeneerd details over levens van mensen die u niet eens echt kende rondspuit aan een onbekende die toevallig eens 14 minuten voor een huis staat in uw straat? Kan u eerlijk vanuit uw hart zeggen dat u de harten en de geesten van die mensen kon lezen? Ik dacht het niet. U kon het vroeger al niet en…”. De dramatiek neemt over. Dat doet een dorp met je. “Wat bedoelt u met vroeger?” onderbreekt de buurvrouw. “Laat maar, zeg ik, ik geef het op.” Ik been ontgoocheld naar mijn auto. Dit was een slecht idee. Mijn suikerrieten idylle is nu nog eens gebroken ook. Ik had nooit mogen terug keren. Mijn buurvrouw wandelt terug naar haar huisje, maar keert zich een laatste keer om. De keukenvloer was van aarde, dat herinner ik mij nog. En er lag een bobbel net onder de tafel. Of heb ik dat gedroomd? Zij moppert luid: “Die mensen van nummer 32, zetten de vuilnisbak altijd buiten op dinsdag, maar dan ook altijd – en dat is echt wel een vette ij - en je moet weten, de vuilniskar komt op woensdag, dus die bak staat er dan veel te vroeg en dat staat daar dan maar, zo scheef aan de straat. Dat zij die dan nog recht zouden zetten, maar neen, dat is te veel gevraagd. En zij laten die dan ook nog eens staan tot donderdagavond. En dat is dus elke week zo. Er is geen respect meer.” Hoe kon ik niet langer weten dat je restfractie in mijn straat en in mijn dorp de kern kon zijn van het bestaan?

Anne-Marie De Clercq
5 0

Prins vermist bij windkracht 10

Hoe doen al die vrouwen dat toch? Die wapperen met hun wimpers, laten de r even soepel rollen, klemmen hun handtas onder de arm, en hop, daar staat de prins aan de voordeur. Paard al netjes vastgebonden aan de paal van de brievenbus en de voederbak al vol. Laat de romantiek beginnen. De zoektocht naar de prins op het witte paard verloopt bij mij, verdorie toch, immer moeizaam. Het witte paard is bovendien een oude knol geworden met zere knieën en wil alleen maar meer naar de stal en dus zeker niet mijn richting draven, nog minder in galop. De prins heeft eksterogen, eelt en twaalf mannenkwaaltjes. Ik kan ze niet genezen, meer zelfs, ik pers hem uit zijn knellende harnas, al ware hij een koene ridder, en dus blijft hij maar veilig weg. Als ik mij nu eens zou verkleden in Minnie Mouse en dan zijn hoofd zou binnen klauteren? Een beeldje uit een schijfje voor de Viewmaster. Ik zou dan heel enthousiast naar hem zwaaien tot hij niet meer bijkomt van het lachen. Uiteraard zou ik een rode bollen strik in mijn haar doen en gele pumps dragen. Nooit half werk leveren. Perfectie is wel degelijk van deze wereld. Je hebt het al geraden, het is weer windkracht 10 in mijn hoofd. Zware storm…. het grootmarszeil en de fok zullen volledig gereefd moeten worden zegt men in de scheepvaart. Dat kan niet anders bij deze zeer hoge golven. Alleen jammer dat ik niet van water hou en niet kan zwemmen. Het zal je dus maar overkomen dat het windkracht 10 is in je hoofd. De gekste dingen gebeuren in deze “frame of mind”. Het schuchtere meisje wordt de groene Hulk in luttele seconden. Als ik eenmaal een “target” in het vizier heb, neemt de windkracht over. Zeeën als spiegels daar ga ik niet voor. Zo komt het dus dat ik zijn auto versier met Keltische symbolen, gespoten in slagroom uit tientallen hand geschudde spuitbussen. De motorkap, de deuren en zeker niet de voorruit. Hij likt zich een weg naar mijn hart. Dat was het plan, helaas, symboliek is niet zijn ding en fruitvliegjes geloven niet in romantiek. Een tegenslag dat deert mij niet. Target nog altijd in vizier. Ik sta in een naar kunst ruikende winkel. Alles is daar in vakjes geordend. Duizenden kleuren papier en honderden stiften, potloden en verftubes. Ik kies een ijzeren doosje met 14 glanzende kleurpotloden, allemaal met een scherpe punt. Dan koop ik nog 5 bladen gewoon papier, A4 formaat. Een kleurboek met mandala’s maakt mij zo moedeloos. “Kan je het mooi verpakken?” vraag ik aan de winkeldame. Ik wil een echt cadeautje.” Zo eentje waar je ogen van oplichten als je het gewoon maar ziet. Eén waarvan je aan de strik wil voelen en die dan langzaam losmaakt zonder papier te scheuren. De winkeldame doet het zonder iets te zeggen. Dat hoeft ook niet. Al haar liefde zit in die strik en de naadloze verpakking. Het cadeautje is nu echt van mij, maar lang zal dat niet duren. Ik glij het in zijn brievenbus. Een briefje is er ook nog bij, geschreven op een oude nieuwjaarsbrief. “Teken mij je hart, zegt het, de kronkels en de bobbels, de groeven, de grachten en de toegangswegen en stuur het naar het mijne.” Ik heb er ook een PS bijgezet: “Gebruik zo veel mogelijk kleuren, je mag daarbij ook bomen, bloemen, huisjes en mensjes tekenen, je kan vier kladversies maken en teken zeker geen mandala’s. “De prins houdt van direct. Zo veel heb ik er wel al van begrepen. Al weken sta ik aan mijn brievenbus. De postbode wordt er moedeloos van. Ik zie het aan zijn fiets, die komt steeds trager aangereden. Geen niet-genormaliseerde zendingen voor mij in zijn tas, alhoewel dat bij mij hoort. “Kijk de lucht eens in” zegt hij bezorgd. Misschien hangt hij wel aan drie ballonnen, geblazen naar jou met net voldoende kracht om te landen aan je brievenbus. “ Wij kijken in de lucht en in de bomen rond het huis. Geen teken kunnen wij ontdekken. De postbode schuddebolt neen en rijdt weer naar een andere brievenbus. Ik blijf achter met weer een plan. Een tegenslag dat deert mij niet. Target is nog steeds in het vizier. Als ik nu eens een vliegtuig zou huren en iets laten schrijven in de lucht? Het luchtoppervlak is wel wat klein en er zijn te veel kronkels in mijn tekst, bovendien wordt dat alvast heel duur. En waarschijnlijk heeft de prins ook wel artrose in de nek en ziet hij alleen nog maar de komma’s, de punten, de uitroeptekens en de vraagtekens en is de rest van mijn tekst al weg tegen hij de lucht heeft afgespeurd. Je laat een prins toch zo niet achter. Ik zou ook nog een levende kanonskogel kunnen zijn. Dat is pas symboliek. Ik laat mij afschieten, uiteraard ontiegelijk vroeg, op een zonnige morgen aan de oostkant van zijn huis, strak ingepakt in aluminiumfolie. De zon doet mij stralen als een komeet die aan duizelingwekkende snelheid de dampkring binnen komt en zo laat ik een blauwe vlek achter op zijn ogen. Als dat geen indruk maakt, maar levende kanonskogels sterven dikwijls in de strijd. Wie weet of de prins nog wel opkijkt van een komeet die rakelings zijn trommelvlies doet trillen en hoe onmogelijk triest is het te hangen in een gehaakt vangnet met een prins die toch nog slaapt. Zelfs met prinsen moet je praktisch zijn. “Lees eens een sprookjesboek”, zegt mijn dokter van achter zijn immense computer. Mijn pols zit in het gips na nog een prinsenvalstrik die te vernederend is voor woorden. Prinsen houden nu eenmaal niet van springen in een elastiek, dat had ik moeten weten. Op de heupen ging het mis. Van acute prinsenziekte heeft hij wel al eens gehoord, een paar gevallen zijn beschreven, maar de chronische vorm, ja, dat is nog een groot mysterie. “Geneeskunde is geen exacte wetenschap”, zegt hij, “bij ons is 1 en 1 niet noodzakelijk 2. “Dat verklaart alvast waarom de prins niet echt gelooft in ons twee. “Welk boek raadt u dan precies aan?” zegt ik. “Veel schade kan je niet doen”, zegt de dokter, en doet wat verdere opzoekingen. Ik denk ook verder na. “Sorry, dokter, maar ik vind al die prinsen, ja, wat is het juiste woord, slapjanussen, en in die sprookjesboeken zal het net hetzelfde zijn. Zachtgekookte, halfslachtige, besluiteloze grieners, dat zal ik er aantreffen. Ik raak het stilaan beu. “ Dat had mijn dokter niet verwacht. Chronische prinsenziekte stopt niet eensklaps. Dat weet hij zeker uit al zijn literatuur. “Geef het nu toch nog niet op”, zegt hij welgemoed en blij. “U moedigt prinsenziekte dus aan?” vraag ik bezorgd. “In uw geval wel” zegt de dokter. “Ik hoop dat u al uw prinsenstreken zorgvuldig noteert. Dan kunnen wij aan andere extreme lijders aan de ziekte een lijstje geven van, ja, hoe zal ik het noemen, wanhopige pogingen  - niet na te doen – zegt hij met nadruk. Een “Don’t try this at home” bijsluiter, lacht hij. Zo dienen, laat ik ze uw inspanningen noemen, toch nog tot iets. Trouwens, ik zou het ook geen echte ziekte noemen”, lacht hij minzaam. Het is hoogstens een ongemak, net als aambeien en hielkloven.” Daar sta ik weer op de stoep. Doe zo voort scandeer ik telkens op de zevende tegel. Mijn hoofd staat nog niet stil. Ik zal geen sprookjesboek lezen, want prinsen hebben daar geen naam en ook geen stem. Dat is dus niets voor mij. En de prins van de koeken heet alleen Prince. Kikkers kussen daar pas ik ook al voor. Zijn er ineens twaalf prinsen en begint alles van voren af aan. Moet ik Spel zonder Grenzen organiseren en wie glibbert op de zwarte zeep mag recht naar huis. Ik kijk zorgvuldig rond. Geen prins, geen paard te bekennen. Alleen maar voorbijrazende auto’s die zelfs niet kijken naar mij, het zielig hoopje op het voetpad. Ik schop nijdig een steentje weg. Windkracht 10 zwelt aan in mijn hoofd. Het is ondertussen een windkracht die geen zeil meer kan weerstaan. In de verte hoor ik ineens gehinnik. Boven de storm heen hoor ik duidelijk een paardenstem en luid geroffel van paardenstappen: krachtdadig, niet twijfelend, vol ongeduld. De stappen komen dichter. Ik weet nog altijd niet van waar het paard zal komen. Ik blijf in het midden van het voetpad staan en draai in een cirkel om mijn as, mijn armen in negentig graden naar de hemel. Zo kan de prins mij om mijn middel tillen op het paard en zo de zonsondergang tegemoet rijden. De hemel wordt plots een oranjerode gloed. Daar is het paard. Ik zie het net om de hoek van de straat. Ik wrijf in mijn ogen. Het paard is helemaal niet wit… het is gitzwart… Niemand zal het geloven, maar het is Zorro, en die is, naar mijn weten, geen prins. Ik blijf versteend staan in verbazing. Hij tilt mij ook niet op, maar laat mij stevig staan. “Waar is de prins en zijn witte paard?” durf ik eindelijk vragen, zo onder de indruk van mijn helden, Zorro en Tornado. “Doet dat er nog toe?” vraagt Zorro. Zelfs Zorro kan mij niet verstaan.

Anne-Marie De Clercq
0 0

Veroordeeld tot levenslang giechelen

Als ik oud maar echt oud zal zijn, zal ik het vrolijkste besje zijn van uren in het ronde. Mijn stroachtige  Jommekeskapsel zal olijk in alle richtingen pieken, gelijk opspringend met mijn fonkelende oogjes. Geen spataderkousen voor mij, maar een ondeugende kousenband zal mijn dokter rode kaakjes doen krijgen. Ik zal weigeren te zingen “Och was ik maar bij moeder thuis gebleven”, maar luidkeels galmen doorheen het hele gebouw “I’m too sexy for my love” en zo de conciërge en zuster directrice doen grijpen naar hun puffer. Uiteraard zullen mijn heupslagen hierbij de gang op stelten zetten. Laat het reanimatieteam maar komen.  ‘Gooi de kruk weg, de rollator wordt ons liefdesbed’…zal ik brullen  bij het dreunend ochtendgebed. De kale pudding van het vieruurtje zal ik keilen door de kier van het venster aan de oostkant, zorgvuldig mikkend naar de kont van de bruine kippen op het erf. Ik zal sigaren smokkelen en 20-jaar oude whisky in mijn verlepte decolleté, met een pruilend lipje en neerhangend hoofdje, zodat ik moeiteloos de controle passeer. Mijn pantoffeltjes, als altijd met de tenen starend naar elkaar, worden stiletto’s waarmee ik het kurken bord met de “mededelingen van de dag” genadeloos kan doorboren met zot of ik was hier. Mijn pilletjes voor hoge bloeddruk en vergeetachtigheid zal ik stiekem kleuren in groen en blauw en in de snoepbokaal stoppen op de gang. Nog meer Treets en M&M voor als wij volgzaam zijn.  Ik zal de kinesist shockeren op een strek- en plooimoment met piercings, kettingen en oorbellen op nooit geziene plaatsen. Mijn geruit jurkje zal ik afgooien en niemand zal het zien onder de plastieken slab. En later die dag, op een zorgvuldig gekozen middernacht, een nacht zonder volle maan, zal ik door het raam kruipen, langs de regenpijp beneden, met 7 spuitbussen, allemaal in Montana black, verstopt in een gereedschapsriem gestolen van de tuinman naast de 32 rozen onder mijn raam. Zomerlied wordt The Temple of Doom. De voorgevel kent alleen maar vurige tongen.  Mijn tag zal morgenvroeg loeien aan de hoofdingang met code 007 - of was het 700? … Lessen schoonschrift hebben eindelijk zin. Miss Moneypenny, maar dan zonder James Bond. Ik zal eenzame kunstgebitten stelen, achtergelaten in hun potten in stille badkamers,  moe op het einde van de namiddag. Die laat ik trillend dansen op een versterker op 7 in een line dance of Argentijnse tango. Of misschien houden die wel meer van disco :“You and Me” van Spargo, of neen, misschien willen die toch de polonaise. Eén lange sliert op de tweede verdieping, hossend langs de brandtrap naar beneden. Eindelijk vrij en vergeet zeker de code niet. Op het einde van de lange nacht breng ik ze allemaal netjes terug en leg ze te slapen in hun wachtende potjes. Ik zal de rode wol van het knutselmomentje steken achter mijn oor in een onbewaakt moment. Om later vast te vlechten en te knopen diep beneden langs poten van stoelen.  Mijn clandestiene mazenwerk zal voedselkarren doen struikelen en uitglijden over hun veel te vette saus. Middagdutjes zullen pyjamapartijtjes worden met veel chips en cola en dekens op de grond. Zo zal ik huppelen, kwetteren en glijden in alle lange gangen, langs treurende portretten, voorbij de opgezette pauw. Ik zal hinkelen, linkerbeen en rechterbeen, de leuning is niet nodig op elke lange dag.  Niemand kan mij vangen en niemand pint mij vast.  Geen was het vroeger beter, geen heimwee naar wat was, geen spijt van foute keuzes, berouw of andere poespas. Als ik oud, maar echt oud zal zijn, zal ik nog steeds de zon zien in gordijnen, de droom van elke plant. Blije dagen, droeve dagen, mijn oogjes zullen giechelend draaien bij elk blauw schijnsel van de maan. Vooruit, laten wij de mannetjes halen uit de maan, hun laddertjes hebben zij niet nodig, en lachen, spelen, hossen, vooral als wij oud, maar echt oud zullen zijn.    

Anne-Marie De Clercq
3 0

Schijn bedriegt

Schijn bedriegt   Petrit leunde met zijn volle 130 kg tegen de gevel van zijn huis en staarde ongegeneerd naar het grote raam aan de overkant, het onze dus. Geen idee wat in zijn hoofd omging en ik hoefde het ook niet te weten. Sinds een maand of drie vormt hij samen met zijn vrouw en twee kinderen ‘de overburen’. De twee mannen in het gezin zijn meesters in het negeren van andere vrouwen. Elke poging tot oogcontact met onze nieuwe buren was een moeite voor niets. Gelukkig is de vrouw des huizes een stuk vriendelijker. Als Esmira met haar gehandicapte dochter in diens rolstoel door de straat toert, worden we altijd op een enthousiaste groet getrakteerd. Daar ze nog maar net in ons stadje wonen en onze taal niet machtig zijn, blijft een gezellig buurpraatje voorlopig achterwege. Naast dit gezin woont André, om en bij de 100 kg en zijn Paula met kleine Jens en Jonas en week om week grote broer Wim, uit het vorige huwelijk van Paula. Eenvoudige, goedbedoelende mensen met vooral in de zomer af en toe wat straatlawaai tot een uur of twee en een heuse luidspreker wanneer er van cafébezoek sprake is geweest. Een honderdtal meter verder woont de zus van Paula. Bij Lies is het net de zoete inval. Er gaat geen week voorbij of alle buurtbewoners zijn eens langs geweest. Aan de overkant woont in een riant huis de familie Li die enige jaren geleden in onze straat zijn komen wonen en altijd klaar staan voor een praatje met de buren. En dan heb je nog Lea, de plaatselijke pedicure die iedereen voorziet van mooie nageltjes, zachte voeten en leuke roddeltjes. Als ik een half uurtje later de voordeur opentrek en me naar mijn afspraak bij Lea rep, staat Petrit nog steeds tegen zijn gevel, met zijn blik strak op de andere kant van de straat gericht. Zoals ik al vermoedde is daar geen moer te zien maar alles is beter dan naar de vrouw te kijken die in het huis woont waarvan hij zojuist een hele studie heeft gemaakt. Het steunkussen ligt nog maar net onder mijn knieën of ze steekt al van wal: “Hebt ge mijn overbuur al gezien, Roza? Hij is sinds vanmorgen terug van zijn vakantie in Cannes en verkeert nog altijd in vakantiemodus aan zijn tenue te zien. Tenminste, als je dat minuscuul zwembroekje een tenue mag noemen, haha! Die gepensioneerde schoolmeester is nog fier op zijn figuur. Hij staat al uren in zijn voortuin te harken. Hij was bij al mijn klantjes het onderwerp van de dag en erg kuis waren de commentaren niet moet ik zeggen. Het leek bij sommigen wel of er een Chippen Dale aan de overkant stond te dansen” zei ze met pretlichtjes in de ogen. “Voor een Chippen Dale moet je niet in onze straat zijn. Voor zover ik weet, hebben die geen hangbuik, zijn ze sexy, strooien ze geregeld met complimentjes, geven een knipoogje op het gepaste moment en kijken je vooral recht in de ogen” antwoordde ik met een welbepaald persoon in mijn gedachten. Lea vijlde giechelend mijn nagels en bracht het gesprek als vanzelfsprekend op de negerende inwijkelingen. Ook zij had meermaals moeten constateren dat ze als lucht werd beschouwd en kon zich daar behoorlijk over opwinden. Zelfs de vrouwelijke chinezen hadden al eens laten vallen dat ze genoeg hadden van dat macho gedoe. Er viel een gespannen stilte terwijl we allebei nadachten over een geschikte sanctie. Toen kwam Lea met een briljant idee! We zouden de koppen bijeensteken en een weldoordacht plan ten uitvoer brengen. Lea contacteerde de buurvrouwen en zo zaten we die vrijdagavond voor het eerst allemaal samen rond haar manicuretafel. Zonder veel gediscussieer knutselden we onze gezamenlijke zaterdagvoormiddag in mekaar en hadden nog ruim de tijd om de rest van de avond aan gegniffel en voorpret te besteden. Lies, die schuin tegenover de kapper woont, wist te melden dat de vrouw van ons doelwit iedere zaterdagmorgen om negen uur haar haren in de juiste krul liet leggen. Dat werd dus het tijdstip waarop we zouden toeslaan. Esmira had zich die zaterdagmorgen nog geen vijftig meter van haar woning verwijderd of Lies stapte met vastberaden tred naar het huis van de nietsvermoedende buurman. Ze had een uitnodiging voor het op til staande buurtfeest bij en de inschrijvingslijst. Vastbesloten om niet weg te gaan zonder handtekening drukte ze langer dan nodig haar vinger op de knop van de bel. Pas nadat ze reeds voor de tweede keer had aangebeld, ging aarzelend de voordeur open. Met zijn blik ergens op haar schouder gericht, aanhoorde Petrit haar relaas en toen ze uiteindelijk het blad papier in zijn handen duwde met het dringende verzoek even zijn handtekening te plaatsen, kon hij enkel stamelen: “Vrouw dat zullen doen”. Nog voor Lies haar balpen weer van de straat had opgeraapt was de man alweer achter zijn deur verdwenen. Met een knikje naar Lia die al aan de overkant stond te wachten, verdween ze glimlachend uit het zicht. Het leek wel of Petrit had staan bekomen in de gang want al na het eerste belletje kwam hij schuchter te voorschijn. Lia duwde de grote mand die propvol zelfgeplooide origami stak onder zijn neus en zei enthousiast: “Dag meneel. Ik velkoop oligami vool het goede doel. Dlie eulo pel stuk. Kies maal gelust uit.” Na enige aarzeling tastte hij in zijn broekzak, gaf haar een briefje van tien euro  en stotterde: “Hou maar bij de rest!” Lichtjes van de kaart door het onverwachte bezoek stapte hij even later door zijn achtertuin. Tot zijn grote verbazing verscheen plots het gezicht van Paula boven de gezamenlijke beukenhaag. “Dag buurman. Het is de hoogste tijd dat we samen deze haag eens onder handen nemen. Wanneer schikt dit voor jou?” “Ik… ik bespreken zal met André, is goed?” mompelde hij, zich draaiend in de richting van zijn huis en zonder Paula nog een blik te gunnen. Opgelucht stapte hij zijn woonkamer binnen waar hij tot zijn schrik merkte dat Lea met haar neus tegen het raam gedrukt, ongegeneerd naar binnen stond te gluren en ongeduldig op het raam tikte. Ze overhandigde hem een gratis beurtkaartje voor een voetverzorging. Dat wou ze graag persoonlijk komen afgeven als welkomstgeschenk voor de nieuwe buren. Ikzelf, die vanachter het raam de actie, maar vooral de terugkomst van de buurvrouw in het oog moest houden, kon alleen maar constateren dat ons plannetje naar wens verliep. Het hele weekend liepen de buurvrouwen binnen voor een kopje koffie, rinkelden met bijna vaste regelmaat berichtjes op onze telefoon en werd onze facebookpagina overstelpt met dubbelzinnige praatjes. We hadden het weekend van ons leven! De maandag daarop belde Esmira bij Lea aan om de welkomstkaart te verzilveren en vertelde tijdens het kennismakingsgesprek dat ze blij verrast was met de uitnodiging maar dat haar man het niet gemakkelijk had gehad. Ze heeft een echtgenoot die zich graag als een echte macho gedraagt maar als er een vrouw in de buurt komt, klapt hij dicht. Zelfs haar zussen durft hij amper in de ogen te kijken. Daarom maakt ze zich zorgen om haar zoon. Zal die ooit een vrouwtje vinden die net als zij indertijd de eerste stap zal zetten?

Rita Goyens
0 0