Lezen

Kleine schatten

Buren, iedereen heeft ze, niet iedereen kent ze. In de straat waar we tot vorig jaar in augustus woonden, hadden we schatten van buren. José, de alleenstaande sportieve vrouw die haar moeder thuis heeft verzorgd tot ze 96 werd. De sterke Annie, die haar zieke man Piet liefdevol steunde, ondanks zijn nukken. Die waren het gevolg van een hersenbloeding die hij kreeg net op het moment dat ze wilden beginnen genieten van het leven. Karel en Simonne, die ook al wat sukkelen met hun gezondheid maar toch alles doen om de cateringzaak van hun zoon vooruit te helpen. Het waren prachtexemplaren van buren. En ook in onze nieuwe straat hebben we het winnende lot gewonnen.   Mijn zoontje Klaas raapt de eitjes van onze kippen maar ook buurjongen Kobe helpt mee en krijgt een deel van de buit. Joke, de mama van Kobe is kinderpsycholoog en geeft al dan niet gevraagd haar opvoedingsinzichten aan mij door. Ook de opruiminzichten van Marie Kondo deelt ze met mij. Zo moet ik alles wegdoen waar ik niet blij van word. Ik besluit dat ik dat zeker ga doen, maar ik zie in gedachten al een container voor het huis staan. Ik stel het nog maar even uit.   De diepvriezer van nummer 22 verhuist wegens verbouwingswerken tijdelijk naar nummer 28, daar was achteraan in de garage nog een plaatsje vrij.  De ijskast die overbodig was op nummer 17, vindt dan weer onderdak bij ons. Eén keer per jaar heeft hij dienst tijdens de jaarlijkse straatbarbecue. Op die dag sleept de Thaise vrouw van nummer 19 de ene schotel loempia’s na de andere aan. Het lijkt alsof ze die dag wil goedmaken dat haar gepensioneerde man 364 dagen per jaar zuur kijkt naar alle buren. Maar op de straatbarbecue is hij el sympatico zelve. Of toch vergeleken met de rest van het jaar, het contrast is groot. Als de jongens zich als meisjes moeten verkleden voor school en omgekeerd, wissel ik met de mama van nummer 5 kleren uit. Handig toch.   Kinderen hollen in onze doodlopende straat naar de paardjes in de wei. Ze amuseren zich in het speelhuisje dat voor iedereen staat opgesteld op een bouwgrond. Ze lenen elkaars fietsen en go-carts, plukken onkruid en krijten de hele straat vol. Ik hou ervan. Ik voel me goed in deze straat waar je het gevoel hebt dat je overal mag aankloppen voor een bus melk of wat suiker. En waar dingen gedeeld worden alsof het de normaalste zaak is van de wereld. Waar hulp geboden wordt voor grote en kleine problemen. Voor de tweede keer jackpot dus.    

Annelies Vervoort
0 0

De hipsterbaard – en zij die er echt niet mee wegkomen

De tijd dat een hipster vooral deed denken aan een bepaald model van ondergoed is allang voorbij. Eerst waren ze met enkelingen: hipstermannen met bijbehorende trendy lichaamsbeharing. Een baard om u tegen te zeggen, eentje die je na een wandeling in een regenbui kan uitschudden zoals honden dat doen. Maar algauw palmden de hipsters heel der steden in, met hun retro koersfietsen en dure koffiebars. Met hun naar eigen zeggen speelse outfit en blaffende instagrambombardementen van de perfecte Chai Latté. Ze troepen samen in hun roedel, kwispelend blij bij de opening van de allernieuwste organische bagelshop, snuffelend doorheen een uitgestalde voorraad vintage platen.   Hipsters zijn een echte business geworden: het beroep barbier is letterlijk uit de dood herrezen. Een zichzelf respecterende hipster gaat zijn baardgroei natuurlijk niet zelf te lijf, stel je voor dat zijn weelderige kin niet getrimd is volgens de laatste mode. Dus lopen trouwe hipsters de deuren van barbiers plat.   De leefwereld van de hipster sluipt stilaan binnen in de Vlaamse cultuur. Tv-programma’s zoals Thuis of Familie voelen zich verplicht om naast transgenders, allochtonen en holebi’s nu ook plaats te ruimen voor hipsters. In tijdschriften sla je geen pagina om zonder naar een grijnzende bebaarde man te staren. Het zijn donkere tijden voor vrouwen met een gevoelige huid wanneer hun harige partner hen bespringt.   Af en toe schreeuwen krantenkoppen dat de baard weer uit is en wrijven scheermesfabrikanten zich verwachtingsvol in de handen. En toch blijven steeds meer mannen het proberen: het cultiveren van een hipsterbaard. Last van een opkomend bierbuikje? Geen haartje meer te bespeuren op je kruin? Te weinig beweging op je facebook-profiel of een acute midlifecrisis? Waag je dan ook eens aan de hipsterbaard! De instant-egoboost waarvoor je niet eens richting fitnesszaal hoeft te trippelen.   Helaas is het niet elke man gegeven: een volle baardgroei. En niets zo irritant als een halfslachtige poging. Dus vrouwen: tem je partner en houd die lichaamsbeharing aan de leiband!

Nena
0 0

Mijn tuin, mijn leven

Mijn tuin, mijn leven   Na een lange dag kan ik eindelijk mijn zetel met het volle enthousiasme groeten. De verwelkoming doet mij vermoeden dat de enthousiasme wederzijds is. Wat ben ik blij dat het vrijdagavond is. Zoals gewoonlijk check ik mijn privémails en sociale media om de dagelijkse updates niet te missen. In een mum van tijd beland ik op de Facebookpagina van een totaal onbekende persoon, een zekere Nathalie. De irritatie steekt meteen de kop op … Wat is in godsnaam mis met deze mensen?   Het is waanzinnig hoe sommige mensen de deur van hun privétuin openzetten voor heel de wereld! Ik noem dit de hypocrisie van de moderne mens. We zijn enorm bezorgd over onze privacy, we dreigen zelfs met de rechtszaken om onze waardevolle privacy te beschermen. Aan de andere kant delen we privéfoto’s, zoals foto’s van onze jonge kinderen in zwemkleren doodleuk op het internet. Onze inkomsten zijn erg “privé” en dat mag niemand weten. We zijn er echter niet vies van om op Facebook met onze nieuwe auto of huis, vakantiefoto’s, onze maandelijkse aankopen, en zelfs ons eten (op restaurant) te pronken. Met een beetje rekenwerk, kunnen we perfect afleiden hoeveel sommige Facebookgebruikers verdienen.   Het is hilarisch hoe Nathalie met volle trots de foto van een paar sokken op haar Facebookpagina deelt. De tekst die bij deze foto hoort, luidt als volgt: “Cadeautje van mijn lieve man voor mijn verjaardag. Dankjewel schatje, ik hou zoveel van jou. Je bent mijn leven!”. Er hangen nog verschillende ‘smileys’ aan deze tekst die geen twijfel overlaten aan de grote liefde tussen het koppel. Aan het aantal ‘likes’ te zien, zijn er veel mensen die het enthousiasme van Nathalie over haar nieuwe sokken delen. Tot mijn grote verbazing kan ik in commentaren onder de foto een heel persoonlijk gesprek tussen het koppel volgen. Een gesprek dat eigenlijk thuishoort in de slaapkamer. Om niets aan de verbeelding over te laten, belooft Nathalie haar grote liefde op een speciale manier te bedanken als hij straks thuiskomt … Het is heel leuk om een zwembad te hebben in je achtertuin. Het lijkt mij echter niet echt hygiënisch om je zwembad met iedereen te delen.   Ik heb mijn buik vol van Facebook en ik zet mijn smartphone opzij. Mijn ergernis maakt gauw plaats voor nieuwsgierigheid. Mijn onderzoekende geest overweldigt mij met talloze vragen. Wat beweegt deze volwassen mensen die zomaar iedereen uitnodigen om een wandeling te maken in hun achtertuin? Waarom vinden ze het ze nodig om aan de wereld te tonen dat het gras groener is in hun tuin? En is het echt zo? Of zijn ze misschien juist ongelukkig? Zijn ze eenzaam? Hebben ze aandacht en bevestiging nodig? En waarom surf ik in godsnaam naar Facebookpagina’s van onbekende mensen die alleen maar onzin posten? Ben ik op zoek naar entertainment? Misschien ben ik mentaal masochist want ik vind het irritant, maar tegelijk leuk en grappig! Mijn gedachtegang vliegt als een speelse vlinder heel snel van een vraag naar andere, zonder een bevredigend antwoord te vinden.   Google is ook niet echt behulpzaam. Ik vind geen wetenschappelijke artikels over het gedrag van volwassenen op sociale media. Daarentegen bestaat er veel informatie over de gevaren van sociale media voor jongeren. Wat voel ik mij ineens opgetogen! Volgens mij heb ik een nieuw onderzoeksthema bedacht voor de psychologiestudenten.   Lijdt de mensheid aan chronische aandacht tekort? Zijn sociale media nu een hulpmiddel geworden voor onze oer-zoektocht naar geluk?   Ik vind mezelf in mijn terras, starend naar mijn eigen favoriete tuin. Het ziet er vreedzaam en eenvoudig uit, net als mijn leven. Ik voel mij moe en lui. Ik wil niet meer filosoferen. De dag is ook moe en geeft langzaam de strijd op tegen de nacht die ontwaakt uit zijn lange droom. Duisternis claimt de macht en schildert alles in het zwart. Zelfs de volbloedige rode glas wijn in mijn hand lijkt steeds donkerder.   Ik glimlach naar de paarse Lathyrus aan het terrashek. Ze glimlacht vermoeid en fier terug. Ja, het is tijd om te rusten. Morgen is een nieuwe dag vol met ergernissen, vreugde en een grondig tuinonderhoud.

Sara
0 0

Zinnen pagina 16, 17, 18, 19 en 28

Pagina 16 De verzekeringsvoorwaarden voor arbeidsongeschiktheid /De voorwaarden om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. De commissie tegen armoedebestrijding. U bent verplicht op een geldig paspoort mee te nemen. Pagina 17 Er wonnen vandaag in elke gemeente verschillende etnisch-culturele minderheden. Het is een uitdaging voor elke gemeente om deze diversiteit een plaats te geven in zijn beleid. Hoe kunnen we de etnisch-culturele minderheden via ons beleid bereiken? De gemeenten moeten diversiteitmanagement integreren in hun dienstverlening. Bovendien moeten we allochtonen op een aangepaste manier informeren over de activiteiten in hun gemeenten. Op deze manier voelen allochtonen zich meer betrokken bij deze activiteiten in de werking van hun gemeenten. We kunnen leesbaarder schrijven door naamwoordstijl en nominalisering te vermijden. Pagina 18 Het collega van burgemeester en schepen plaatste nieuwe verkeersborden op de nieuwe aangerichte straten. Deze verkeersborden houden de vrachtwagens met een bepaalde maximumlengte tegen om de nieuwe straten in te rijden. De vrachtwagens die de verkeersborden negeren, zijn aansprakelijk voor de schade. De bewoners zijn tevreden dat de gemeente met een snelle en oplossing kwam op hun vraag. U voerde op 1 oktober onderhoudswerkzaamheden uit in de Abdijlaan. Deze werkzaamheden aan de fietspad voldoen echter niet aan de contractvoorwaarden. Pagina 19 Pas deze tips over een vlotte taal voor de lezers volgens scoren nu maar eens toe. pagina 28 Het bestuur voelt er op dit moment niets voor.  We doen er alles aan om de vermijden dat het nog eens gebeurt. We zijn echter niet verantwoordelijk voor de inhoud van de reclameboodschappen. 

Sara
0 0

Stijloefening 'Wedstrijd Rookvrije Klassen' blauw en groen

BLAUW: Logo Dender vzw zette in oktober 2015 42 klassen uit secundaire scholen aan om 6 maanden lang minstens 90% rookvrij te blijven, een mooie start van het nieuwe schooljaar! Jonge mensen zijn nu eenmaal beinvloedbaar en hoe sneller we hen kunnen sensibiliseren, hoe beter. In het middelbaar krijgen jongeren wel eens een sigaret aangeboden. Door de correcte informatie en de juiste ingesteldheid gaan kinderen minder snel beginnen roken. Dat loont want uit onderzoek blijkt dat wie start met roken tussen 12 en 14 jaar moeilijker kan stoppen op latere leeftijd. Jongeren die op hun 18 jaar nog nooit in aanraking zijn gekomen met een sigaret gaan minder snel beginnen met roken. De leeftijd tussen 12 en 14 jaar is cruciaal. Het Logo en het ViGeZ sporen jongeren dus aan om rookvrij te blijven. Dat is één ding. Maar wat met het opkomende probleem rond alcohol? Alcohol is het meest gebruikte middel in het uitgaansleven. Onderzoek in het Vlaamse uitgaansleven (2012) toont aan dat 58% van de bevraagde uitgaanders minstens een keer per week alcohol drinkt, en dat 6% dagelijks alcohol drinkt.[1] Een bewustmakingscampagne over de gevaren van alcohol is ook belangrijk. Denk aan de trend bingedrinking, een fenomeen dat in alle leeftijdscategorieën voorkomt maar steeds populairder wordt onder jongeren. We hebben het hier dan over exact dezelfde doelgroep als bij de actie ‘Wedstrijd Rookvrije Klassen’. We mogen niet vergeten dat roken en alcohol ook vaak hand in hand gaan.     GROEN (maar misschien eerder rood?):Toen ik een paar jaar geleden de school van mijn kinderen passeerde, zag ik ze: rebelse jongetjes die zich verstopten achter het lokale snoepwinkeltje om daar hun eerste peukje te roken. Ik had andere moeders er wel eens over horen roddelen aan de schoolpoort. Ik vond het echter niet de moeite om deel te nemen aan deze klaagbrigade.   Ze waren amper 13 jaar en met een sigaret in hun handen leken ze nog jonger. Zo jong en toen al verstokt aan de sigaret. Toen ik die avond mijn zonen van 9 en 11 jaar in bed legde, groeide het besef dat ook zij binnen een paar jaar in aanraking zouden komen met een eerste sigaret.   Nu, een paar jaar later, zit mijn oudste zoon in het tweede middelbaar. Afgelopen week kwam hij thuis met een contract waarin stond dat hij gedurende het hele schooljaar rookvrij zal blijven. Hij vertelde enthousiast over het project ‘Wedstrijd Rookvrije Klassen’. Een dikke pluim dus voor het Logo en het ViGeZ die de handen in elkaar slaan om ‘Wedstrijd Rookvrije Klassen’ te organiseren in de eerste graad van het secundair onderwijs. Met veel plezier kijk ik uit naar het einde van het schooljaar wanneer mijn zoon en zijn klas het diploma van ‘Rookvrije Klas’ mogen ontvangen!   [1] http://www.vad.be/alcohol-en-andere-drugs/feiten-en-cijfers/alcohol.aspx, 6 juni 2016

Jade Janssens
0 0

Herschrijf de zinnen aangeduid met 'pennetje ' die nog niet herschreven zijn. p.16-17-18-19 -28.

p. 16: Een geldig paspoort meenemen, is verplicht. / Een geldig paspoort is verplicht. p. 17: In elke gemeente wonen etnisch-culturele minderheden. De gemeentes moeten daarom deze diversiteit een plaats geven in hun beleid. Hoe schrijft een gemeente een beleid naar minderheden uit en hoe bereikt een gemeente etnisch-culturele minderheden? Gemeentes moeten meer diversiteitmanagement toepassen in de dienstverlening en effectieve methodieken voor inspraak en participatie ontwikkelen. Allochtonen hebben nood aan aangepaste info over de werking van hun gemeente. Het inzicht dat naamwoordstijl en nominalisering vermijden loont, draagt bij om leesbaarder te schrijven. / Ik zie in dat naamwoordstijl en nominalisering loont omdat het bijdraagt om leesbaarder te schrijven. / Ik schrijf leesbaarder doordat ik naamwoordstijl en nominalisering vermijd. /  p. 18: De verkeersborden weren vrachtwagens boven een bepaalde maximumlengte. De nieuw ingerichte straat is namelijk niet berekend op zulke vrachtwagens. Het college van burgemeester en schepenen plaatste de borden na reacties van onder andere bewoners. De verkeersborden kunnen nu de schade aan de nieuw ingerichte straat verhalen op de veroorzaker. U voerde op 1 oktober onderhoudswerkzaamheden uit aan het fietspad in de Abdijlaan. Deze werkzaamheden voldoen niet aan de contractwoorwaarden. p. 19: Pas deze tips over een vlotte taal op de lezer om te scoren nu maar eens toe. p. 28: Ik kies in de eerste plaats hiervoor. Het bestuur voelt er momenteel niets voor. We willen vermijden dat dit nog eens gebeurt. We zijn echter niet verantwoordelijk voor de inhoud van de reclameboodschappen.

Jade Janssens
0 0

zwart-wit

Machteld kan een glimlach niet onderdrukken wanneer de warmte van het zand door de zolen van haar voeten naar binnen dringt. Ze begint te rennen en hoopt dat ze haar niet zien. Ze weet niet of het verboden is te lachen of te rennen maar vermoedt van wel. Alles wordt bestraft. Een bepaalde kant op kijken – de verkeerde – levert een pak slaag of enkele uren afzondering op. Machteld is al een tijd opgehouden om het allemaal te willen begrijpen, ze houdt zich stil en ontwijkt op die manier meestal de toorn van de nonnen, dat is voldoende.   Ze laat zich op het warme zand vallen en woelt met de handen rondom zich, terwijl ze haar voeten zo diep mogelijk ingraaft. In tegenstelling tot de meeste van de kinderen is het voor haar niet de eerste keer dat ze de zee ziet. De eerste keer was met haar moeder en haar broer, maar niks aan die herinnering doet haar glimlachen. Ze kan zich niet heugen dat het zand warm was, of de golven indrukwekkend. Alles was toen grijs en grauw, of had zo aangevoeld.   Haar mooiste herinnering gaat ver terug, ze moet een jaar of twee geweest zijn. Ze herinnert zich een man en een vrouw, die zich lachend om haar heen bogen, een witte duif die voor haar zat en haar leek aan te kijken, een kleurige ballon in de hoek van haar oogveld. Mettertijd waren de beelden met elkaar versmolten, zodat wanneer ze zich gelukkig voelde, zoals nu, ze een beeld voor zich zag van een stel witte, breed glimlachende duiven met in de klauwen touwtjes waaraan honderden gekleurde ballonnen hingen. Die duiven zijn haar ouders, die glimlachen en haar cadeautjes geven.   Aan haar echte ouders denkt ze liever niet meer. Haar moeder zou haar aan het einde van de paasvakantie komen ophalen, dan zou het beter gaan met Machtelds astma en kon ze weer naar huis. Het is inmiddels augustus. Machtelds vader bestaat enkel in dat ene beeld uit haar herinnering.   Ze zijn weer terug ‘thuis’, bij het grote vervallen gebouw dat moet doorgaan als opvanghuis voor zieke kinderen. Machteld dacht eerst dat alle kinderen astma zouden hebben, maar eigenlijk zijn ze allemaal gezond, hooguit een beetje raar. En zij heeft van haar astma al een tijd geen last meer. Waarom ze hier dan allemaal zijn, vraagt ze zich vaak af. ‘Omdat onze ouders ons niet willen,’ wist Tommy haar onlangs te vertellen. Ze weet niet of dat waar is.   Omdat het blijkbaar Moederdag is zijn vanavond veel moeders op bezoek gekomen, om van hun kinderen de gedwongen felicitaties te ontvangen. Machteld heeft geen bezoek gekregen en mag daarom als troost een uurtje in de tuin zitten. Ze kijkt om zich heen en hoopt stiekem een witte duif te zien. Terwijl ze verlangt naar ballonnen en gelach hoort ze achter zich een krassend geluid. Wanneer ze zich omdraait staat ze oog in oog met een zwarte kraai die haar lijkt toe te schreeuwen: ‘Weg! Weg hier!’

LL Rigby
0 0

Flamenco, por favor!

FOTO 1   "Je grenzen opzoeken, dat raad ik je aan," zei de Serge, mijn loopbaanbegeleider uit het Oostvlaamse Lovendegem. "Stap eens uit je comfort zone". Met zijn handen opengesperd op de armleuningen van de fauteuil, priemden zijn ogen recht de mijne in. Ondertussen borst en zwangere mansbuik vooruit. "Ga es naar de sauna," (zot!) en "Neem es het vliegtuig naar Spanje en loop daar twee dagen alleen rond". In 2011 deed ik drie weken India voor een cursus. De laatste twee dagen in Mumbai heb ik met veel plezier in mijn eentje de weg gevraagd, logies gezocht, bedelaars afgewimpeld, afgedongen op Indische koopwaar en in het holst van de nacht een wilde taxirit beleefd. Twee dagen alleen in Spanje? Hoezo grenzen verleggen? Dus, de sauna. Maar dat is een ander verhaal, beste lezer. “Dat is een hans ander verhaal”, zou de Serge zeggen.     FOTO 2   Whatsappt een vriendin mij in maart: "Seg Esmé, hebt gij goesting om mee naar Barcelona te gaan? Ah nee, dat interesseert u nie zeker, het Zuiden." Nee inderdaad. Macho’s, droge sossissen, en siesta in de zon tot het reetzweet langs uw benen in uw sletsen drupt. No me gusta. In een ver verleden ging ik nog Engels-Spaans studeren. Algauw bleek ik geen klik te krijgen met de taal van de tapas en tortillas. Het volgend academiejaar koos ik voor een andere studie. De basis was gelegd voor een afkeer van Spanje en alles Spaans. Kanttekening: Mijn schoonmoeder-sinds-vijftien jaar is lichtelijk geobsedeerd door el sud. Haar zus is getrouwd met een Spanjaard en woont al 40 jaar in Barcelona. Mijn schoonzus danst al jaren Flamenco. Ze heeft haar lief, de broer van mijn man, leren kennen tijdens de Spaanse les. Die schoonbroer is van opleiding vertaler Engels en… SPAANS! En dan, een citytrip naar Barcelona. Met een vriendin op vakantie, een kamer delen. Vijf volle dagen met iemand anders dan mijn echtgenoot. In een land waar ik evenveel affiniteit mee had als een stier met een stierenvechter. Grensoverschrijdend genoeg voor een introverte hoogsensitieveling?   FOTO 3   Bueno, ik kan vertellen over het mooie weer, de uitstekende locatie van onze B&B, de sympathieke gastvrouw, de liters Sangría, heerlijke veggie paella, goddelijke churros con chocolate, etcetera etcetera. Maar ik wil het hebben over de ervaring die er met kop en schouders bovenuit stak. De ervaring die mijn afkeer voor Spanje enzo met de grond gelijk maakte. Flamenco, por favor!   Dankzij een plaatselijke kennis van mijn reisbuddy kreeg ik de kans om zaterdagavond mee te gaan naar een flamenco-optreden. "Zoek maar es op", zei Emanuelle de avond voordien bij een Sangría tussen de locals. “De show heet Fla.Co.Men. Ik heb nog een ticket op overschot." Oorspronkelijk wilde ik op zaterdag de gratis museum night doen. Let wel, ook buiten mijn comfort zone! Maar als het lot mij onverwacht een ander plan voor de voeten gooit, wil het universum mij iets zeggen. Ikke mee, nada opgezocht, want flamenco, dat is toch hevig opgemaakte dames in zwierige rokken, met boze gezichten, stampvoetend en kastanjettend in het rond, no?   FOTO 4   No! Of toch niet uitsluitend. Israel Galvàn dus, een vernieuwend flamencodanser, een man. Uit Sevilla, stad der Flamenco. En ik met een ticket voor op de eerste rij, pal in 't midden. Het begon vreemd. ‘t Is te zeggen, hij bracht kort enkele typetjes naar voor. Ondanks mijn weinige kennis Spaans, begreep ik dat hij zo de draak stak met de traditionele en behoudensgezinde flamencobeweging. Maar stilaan kwam de show op gang. Aye caramba, que espectàculo!   FOTO 5   Ik begon te snappen waarom mijn compagnie vond dat je flamenco vanop de eerste rij moet beleven. Met momenten kon ik de mens zijn zweet zelfs ruiken. Gestamp in mijn maag. Geklap in mijn hoofd. Opzwepende muziek met doordringende zang. En in mijn hart ontvlamde la pasión. Sta me ook wat drama toe, na al het drama op het podium: Als nadien een bus mij had overreden, was ik gelukkig gestorven! Serge, wat zeght he daar van? Als afsluiter wil ik nog graag een dikke welgemeende merci uitdelen aan: Mijn lieve vriendin Mandy, in de eerste plaats om mij mee te vragen. Maar bovenal voor de babbels en giechels, de ontboezemingen en de spiegels. Yolande en Enrique, de Spaanse tak van mijn schoonfamilie. Voor de gezellige uitstap naar Sant Cugat en jullie interessante kijk op de dingen. Emanuelle en echtgenoot, om me dat ene ticket aan te bieden en jullie gastvrijheid om me mee te nemen.

Esmé Lemmens
29 0

desnuda

Naakt sta ik naar de golven te kijken, die onder de paarse avondlucht hun ritmisch komen en gaan voltrekken. Het zout van de opgedroogde tranen op mijn kaken sluit een verbond met de zilte lucht die met een zucht over me heen waait. Ik durf me niet bewegen of om me heen te kijken, ik voel hun blikken zo ook wel. Ik wou dat het zand onder mijn voeten me zou verslinden. Ik kan geen kant op. Het donkere water beangstigt me, maar de spottende wezens achter me nog veel meer. Voorzichtig zet ik een stapje vooruit, tast met mijn tenen af hoe koud het water is. Ik voel me misselijk. Ik zou willen kotsen, schreeuwen, huilen, schuilen. Ik besef dat de golven mijn enige mogelijke schuilplaats zijn. Vaag hoor ik het gejoel achter me en breng onwillekeurig de handen naar mijn oren. Gelach. Elk zenuwuiteinde in mijn lichaam staat op barsten, ik hou het niet meer uit, ik wil uit mijn vel springen, dit lichaam achterlaten, het van me afstropen en verdwijnen in de duisternis. Ik stoot een soort oerkreet uit en begin te rennen, de golven in. De kou dringt niet door, het is alsof mijn lichaam is opgehouden met voelen. Verdwijnen is alles wat me rest. Voor ik het besef voel ik geen grond meer onder de voeten en krijg ik een eerste gulp zout water binnen. Ik ga kopje onder voor wat een eeuwigheid lijkt. Wanneer ik weer bovenkom zie ik ze daar in de verte, schemerig. Ze lijken te applaudisseren. Ik laat me weer onder water glijden. Levensdrang neemt over, mijn lichaam wil lucht en werkt zich weer naar de oppervlakte. Geschreeuw dichterbij, mijn naam. Ik zie niks dan duisternis, mijn ogen prikken van het zout. Maar ik hoor geplons. Ze komen het water in! Met de laatste resten energie die ik voel probeer ik te zwemmen, van het geluid weg. Mijn verlangen om te verdwijnen is groter dan hun wil om bij me te komen, me verder te vernederen. Ik raak verder en verder van het strand verwijderd. Ik kijk nog één keer om, en moet glimlachen om hun zielige pogingen om me te vatten. Ik duik onder, open de ogen en sper mijn mond wagenwijd open. Ik lach. Bijna thuis.

LL Rigby
0 0

de donkere kamer

Seconden voor het licht uitging, stonden ze met zijn allen zwijgend voor zich uit te staren. Ze waren op dat moment met acht; eerst waren ze met twaalf geweest, weinig voor een weekdag, hoewel, het was misschien nog wat vroeg. Omdat er genoeg ruimte was, waren ze stuk voor stuk op een veilige afstand van elkaar gaan staan, met de rug naar de enorme spiegel, blik steevast op de deuren gericht. Ieder drukte zijn respectievelijke nummertje en ging vervolgens terug naar zijn plaats om er als een standbeeld te blijven staan. De deuren gingen al dicht wanneer ze vanuit de gang nog een jonge vrouw zagen die hun richting kwam uitgerend. Te laat, de massieve deuren gleden onherroepelijk dicht. Ze konden nog net de uitdrukking van bijna-wanhoop onderscheiden op het gelaat van de vrouw. Ze was duidelijk gehaast geweest, ondanks het vroege uur. De vloer onder hun voeten zoemde lichtjes en het led-schermpje boven de deur schoot vliegensvlug van 0 naar 1, van 1 naar 2, van 2 naar 3. Een nogal zware man achteraan schuifelde wat heen en weer. Hij had een lange rit voor de boeg. Het schermpje gaf 9 aan en er weerklonk een korte ‘ping’. Een vrouw van middelbare leeftijd die vooraan stond, wachtte tot de deuren opengingen en stapte naar buiten. Zo gingen er nog drie: op 24, op 27 en op 50. Driemaal ‘ping’ en dan weer stilte. Tot plots een oorverdovend geluid doordrong tot de metalen wanden van de cabine. Het was een bloedstollend geluid geweest en ze keken allen met ogen vol verschrikking voorzichtig naar hun medepassagiers. Een fractie van een seconde was het weer muisstil, tot er een ander geluid de lucht rondom hen vulde. Gedempte kreten, krakend en scheurend materiaal. Eén van de passagiers wilde net zijn vertwijfeling uitspreken als de lift met een schok tot stilstand kwam en het licht uitviel. De woorden bleven achter in zijn keel vastzitten. De zware man achteraan had net tijd genoeg om vast te stellen dat hij enorm begon te zweten en om van schaamte nog wat verder naar achter te schuifelen. Op hetzelfde ogenblik voelden de andere zeven passagiers ook de enorme hitte en kwam er door de spleten langs de deur een vage oranje gloed naar binnen. In het vreemde licht keken ze elkaar voor de tweede keer allemaal aan. Acht paar ogen zochten angstig om zich heen naar een verklaring voor dit alles en terwijl het lawaai nog steeds hun gedachten overstemde, begonnen ze te vallen. Ze vielen, vielen, het waren slechts luttele seconden maar in een impuls grepen ze elkaar in het duister vast. Met elkaar verstrengeld stootten ze als één wezen hun laatste wanhoopskreet de leegte in. Tussen de brokstukken werden acht polshorloges teruggevonden.

LL Rigby
0 0

zonsondergang

De zon gaat onder in zijn hoofd. Net zoals bij een echte zonsondergang ziet hij een doek vol kleuren, de tinten rood maken echter snel baan voor paars en bruin-oranje, alvorens onherroepelijk af te stevenen op diepblauw-zwart. Hij gaat kopje onder in de duisternis, voelt de grond onder zijn voeten wegzinken. De fauteuil waarin hij zit wordt verzwolgen door de linoleum vloer en sleurt Patrick mee de diepte in. Met zijn ogen open ziet hij nog steeds de verduisterde kamer, het afgebladderde behang, de overvolle asbak en de lege wijnflessen. Achter zijn gesloten oogleden openbaart zich een wereld vol chaos, met gezichten die om hem heen tollen, stemmen die weerklinken uit de diepste duisternis. Waarom deed je dat nu? Je had toch kunnen weten dat ze naar buiten zou glippen? Je had toch niet verwacht dat ze zelf zou terugkomen? Waarom ben je niet verantwoordelijker? Ik had het kunnen weten, eens een loser, altijd een loser! Patrick maait om zich heen, wil de gezichten en de stemmen afweren. Terugroepen durft hij niet, hij is te beschaamd en voelt dat de verwijten zijn verdiende loon zijn, hoewel hij ze niet langer wil aanhoren. De kat. De kat van zijn buurvrouw. Zijn buurvrouw die… Ach waar te beginnen? Het is alles zo’n tumult in zijn hoofd, hoe weet hij nog waar het begon? Zijn flat op 6 hoog is zijn heiligdom, zijn rustplaats. De wereld daarbuiten een wilde jungle. Hij had vroeger altijd het gevoel dat de heer Asperger hem stuurde, bepaalde hoe hij vooral niet leefde. Na veel oefening en op maat ontworpen strategieën had hij met de jaren een manier ontwikkeld om zich door de jungle te bewegen voor de noodzakelijke dingen en zonder kleerscheuren de deur van zijn flatje weer achter hem dicht te trekken. Dat ging prima. Tot de buurvrouw er zich mee kwam bemoeien. De nieuwe buurvrouw die zich vriendelijk aan hem komt voorstellen. De buurvrouw die hem per sé wil binnenvragen voor een bakje thee. De buurvrouw die hem trots haar kat voorstelt. De buurvrouw die hij zo adembenemend vindt dat hij opeens in de weelderige stilte van zijn flatje onrustig wordt. Ondanks zichzelf (hij vermijdt mensen zoveel mogelijk; hij begrijpt hen niet en zij hem nog minder), laat hij haar binnen in zijn heiligdom, wanneer zij voor de zoveelste keer aan zijn deur staat, om te vragen of hij iets nodig heeft van de winkel, om te informeren naar zijn gezondheid, om hem kippensoep te brengen, om ‘gewoon’ even een praatje met hem te maken. Ondanks zichzelf zegt hij toe om op haar kat te passen, wanneer zij twee dagen naar haar moeder gaat. Geheel in lijn met zichzelf daarentegen, vergeet hij daarna de aanwezigheid, het bestaan van de kat – de kat die, zo vertrouwde de buurvrouw hem toe, haar hele leven is. In zijn gewone verstrooidheid, in zijn heimliche chaos doet hij gewoon zijn ding: hij eet, slaapt, rookt, verdiept zich urenlang in stripverhalen en games, bedenkt dat hij de jungle in moet om brood en sigaretten, bereidt zich zoals altijd grondig voor, staat zoals gewoonlijk ruim een half uur met zijn jas aan voor de gesloten deur op zichzelf in te praten, zodat hij niet merkt dat de kat aan zijn voeten zit en mee met hem naar buiten gaat wanneer hij dan eindelijk toch de deur opent. Teruggekeerd uit de jungle betreedt hij zijn flatje en ziet in een moment van helderheid de zak kattenbrokken in de hoek staan. Vaag gaat er ergens een belletje rinkelen, het belletje wordt langzaam een sirène, die hem in een aanval van plotse paniek als een bezetene door de flat doet rennen, op zoek naar de kat. Tevergeefs. Hij zakt in zijn fauteuil bij het besef, het volle besef van zijn daad, of veeleer zijn mis-daad. In die fauteuil probeert hij grip te krijgen op zijn gedachten. Hij redeneert niet zoals andere mensen zouden doen, de jungle in voor een zoekactie naar de kat komt niet eens in hem op. Hij redeneert enkel dat hij niet deugt voor interactie met de buitenwereld, of dat nu een kat of een aanbiddelijke buurvrouw is. Hij redeneert dat hij dat al die tijd al wist dus waarom toch de deur open, waarom de thee en de praatjes en de kippensoep… waarom de kat. In ieder geval komt hij nu weer tot inzicht. De jungle en de wilde dieren die als mensen poseren vormen een permanent gevaar, en hij duidelijk ook voor hen. Beter zich niet meer buiten wagen. Beter niet meer proberen, zelfs niet met de juiste voorbereiding en uitrusting. Hij heeft brood en blikken soep, wijn, sigaretten en… kattenvoer. Hij verroert zich niet. Slechts voor het noodzakelijke staat hij op van de fauteuil, om bij terugkomst weer een beetje dieper weg te zakken. Het geklop en geroep van de buurvrouw hoort hij al niet meer. Hij sluit de ogen en laat zich de diepte in zuigen.

LL Rigby
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 13)

Ik hijs me uit bed als Lazarus uit zijn graf: stijf, lijkbleek en graatmager. Maar waar Lazarus herboren was, voel ik me alsof ik enkel nog hoef te sterven om dood te zijn. Mijn hoofd lijkt gekneld te zitten tussen een bankschroef en mijn maag zit scheef in mijn lijf. Marianne blijft nog even liggen, zegt ze. Zij heeft alle tijd. Zij hoeft vandaag niet te werken. Ik wel. En - o, mijn god - wat was ze vannacht weer onvermoeibaar. Nadat ze urenlang de ziel uit haar lijf had gedanst, had ze nog zoveel energie over dat ze haast niet kon wachten tot we thuis waren om me te bespringen. De hele weg huiswaarts hing ze aan mijn arm alsof ze me nooit meer los zou laten. En eens op de flat scheurde ze mijn hemd haast van mijn lijf. Als ik het goed heb geteld, heeft ze vier keer de hele buurt bij elkaar geschreeuwd voor ze eindelijk voldaan was en bereid me te laten slapen. Soms vraag ik me af op welk middel ze loopt.   De douche is verkwikkend, maar lang niet toereikend om de misselijkheid uit mijn lijf te spoelen. Dat hoofd blijft maar bonzen, en die maag wil maar niet op haar plaats gaan zitten. Ik voel me ellendig. En dat met een lange boottocht in het vooruitzicht. Ik hoop dat de zee niet te woelig is, anders overleef ik het niet.   Met slepende voeten begeef ik me naar de woonkamer. Marianne heeft intussen de ontbijttafel klaargezet. De lucht siddert boven de toaster. Lief van haar. Ik laat me op mijn stoel ploffen en slaak een diepe zucht. Marianne bekijkt me vanonder haar wenkbrauwen terwijl ze de pot vegemite op tafel zet. Mijn hemel, wat ziet ze er monter uit! Fris als een hoentje! Hoe doet ze het toch om die alcohol zo makkelijk te verteren. Het lijkt geen vat op haar te hebben. Ik zou haar willen aanraden haar lichaam na haar dood af te staan aan de wetenschap. Dat metabolisme van haar is volstrekt uniek. Anatomen zouden wel eens voor vreemde verrassingen kunnen komen te staan als ze haar ingewanden ontleden. Een nieuwe kijk op het functioneren van het menselijk lichaam is gegarandeerd.   “Klaar voor de grote dag?” vraagt ze.   “Ik had toch liever een paar uur langer geslapen,” brom ik. Mijn stembanden lijken van schuurpapier.   “Ach, een jongen van jouw leeftijd kan wel wat hebben,” doet ze luchtig. “Je overleeft het wel. Neem alvast een slok van je koffie. Dat zal je opkikkeren.” Ik vraag haar of ze in het bezit is van alka seltzer. Ze haalt een doosje voor me uit de kast en laat een tablet in een glas water plonzen. Terwijl ze de toast uit het apparaat haalt, kijk ik toe hoe het tablet een bruisende dans uitvoert en langzaam oplost.     “Hoe ben je eigenlijk achter de naam van het schip gekomen?” vraag ik nadat ik het medicijn heb opgedronken en met de rug van mijn hand mijn mond droogveeg.   “Welk schip?”   “Het schip waarmee we straks naar Gold Coast varen. De Soren Larsen.” Ze reageert verwonderd. “Hoe bedoel je? Ik wist helemaal niet hoe dat schip heette!” Ik bekijk haar vernietigend en wijs haar er op dat ze de naam tijdens ons etentje heeft vernoemd. Ze haalt haar schouders op en zegt dat ze het bewuste zeilschip in dat geval misschien ooit aangemeerd heeft zien liggen en onbewust de naam heeft opgeslagen. Ik speur naar een blos op haar wangen, maar ofwel kan ze staalhard liegen, ofwel kent ze geen schaamte. Of ze vertelt de waarheid. Ik geef haar het voordeel van de twijfel.   “Hier. Eet nou maar,” zegt ze. Ze schuift me de pot vegemite toe. Ik schroef het deksel los en werp een blik op de inhoud. De geur alleen al doet me kokhalzen.   “Ik ga geen hap door mijn keel krijgen,” zeg ik.   “Nou, dan vrees ik dat je een probleem hebt,” antwoordt ze. “Als je met een nuchtere maag op een boot gaat zitten, kots je gegarandeerd je lijf uit! Daar hoeft de zee niet eens woelig voor te zijn.” Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze leedvermaak heeft. Ik vraag me af of ze me misschien met opzet de hele nacht heeft afgemat en vol alcohol gegoten. Als dat zo is, vind ik het een rotstreek van haar.   “Sjonge jonge, wat was dat een heerlijke nacht,” zegt ze plots. Ik kijk haar aan. Ze glundert bij de herinnering.   “Ik heb me in geen eeuwen zo vermaakt,” gaat ze verder. “Was ik jou maar wat jaartjes vroeger tegen het lijf gelopen. Het klikt zo verdomd goed tussen ons.” Ik bekijk haar monsterend. Meent ze wat ze zegt of neemt ze me in de maling? Een paar jaar geleden was ik nog een puber. Wat zeg ik? Een kind! Ik neem een hap van mijn droge toast en begin te kauwen. Het is net of ik op een stuk karton aan het bijten ben. Mijn mond is droog als kurk. Gelukkig is er de koffie. Ik neem een slok, laat hem in mijn mond vermengen met het brood en slik de hap door. Maar mijn maag gaat onmiddellijk in het verweer. Ik voel mijn slokdarm samentrekken, drie vier keer, tot de hele brok terug in mijn mond wordt gestuwd. De smaak van de gal doet me kokhalzen, maar ik durf niet anders dan de hap weer door te slikken. Ik wil in geen geval met een lege maag op het schip verschijnen. Ik neem de waarschuwing van Marianne ernstig. Ik neem een tweede hap van mijn toast en kauw snuivend. Mijn maag gaat tekeer als een vis in een emmer bleekwater. Dit gaat verkeerd. Ik kan echt niet verder eten of ik kots de tafel onder. De signalen van binnenuit zijn duidelijk genoeg. De hap die ik in mijn mond heb, spoel ik nog door met koffie, maar daar laat ik het bij. De rest van de toast leg ik op mijn bord en schuif het van me af.   “Wat nou? Heb je al genoeg?” vraagt Marianne. “Smaakt het je niet?”   “Het zou me misschien smaken indien je wat lekkers had om op de toast te smeren,” brom ik. Ze zucht. “Oké. Ik beloof je dat ik wat anders voor je zal voorzien tegen de tijd dat je terug bent.” Ik bekijk haar vanonder mijn zware oogleden. Denkt ze echt dat ik terugkom? Is ze zo naïef? Ik voel haast medelijden met haar. Ze staat op van haar stoel. “Nou, in ieder geval, als je niks meer gaat eten, kan ik net zo goed afruimen,” zegt ze. Ze haalt alles van de tafel. Zelf begeef ik me naar de slaapkamer en zoek mijn spullen bij elkaar. Of wat daarvoor moet doorgaan. Buiten een paar geleende kledingstukken van Marianne’s vader, een gekregen tandenborstel, een oude kam en mijn mobieltje bezit ik zo goed als niets meer. Ik ben een schooier.   Ik prop alles in mijn rugtas en ga de woonkamer in. Marianne staat me bij de voordeur op te wachten om me uitgeleide te doen. Het lijkt wel alsof ze niet snel genoeg van me af kan zijn.   “Ga je voorzichtig zijn?” vraagt ze, terwijl ze door mijn haar strijkt. Ik trek mijn hoofd weg en knik.   “Nou… tot ziens dan,” zegt ze. “Laat af en toe eens wat van je horen. Je hebt nou toch een mobieltje.” Ze opent de deur voor me.   “Bedankt voor alles,” zeg ik, terwijl ik langs haar heen loop.   “Graag gedaan,” glimlacht ze. Ze neemt me bij de arm, trekt me naar zich toe en geeft me een zoen. Vluchtig. Niet zo’n zoen die je iemand geeft waarvan je weet dat je hem of haar in geen tijden meer zult zien, zo’n zoen die alle emoties die je zit te verbijten in één klap openbaart. Een dergelijke zoen is het niet. Meer een klapzoen. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze mijn vertrek niet ernstig neemt. Jammer voor haar. Ze zou beter trachten te wennen aan de idee.   Ik loop naar de lift en druk op de knop. Terwijl ik sta te wachten hoor ik de deur van haar flat achter me dichtklappen. Ik kijk om en voel een lichte teleurstelling. Ik had verwacht dat ze tot de laatste nanoseconde zou blijven staan, met tranen in de ogen, smekend om nog wat langer te blijven. Niets daarvan. Het is een afscheid in mineur. En het maakt de smaak van de overwinning minder zoet.   Ik stap beneden uit de lift en verlaat het gebouw. Amper heb ik een voet op de stoep gezet of ik hoor een stem boven me roepen: “Bye, Boris!” Ik richt mijn blik omhoog en zie Marianne door het venster leunen, op bijna identieke wijze als Marilyn Monroe op de poster die op haar flat hangt. Ze zwaait met haar hand en lacht.   “Have fun!” roept ze. Ze werpt me een kushandje toe. Ik weet niet hoe te reageren en loop gauw door. Het is me allemaal te vreemd.   Op de kade is nog geen levende ziel te bespeuren. Het is ook nog erg vroeg. Het leger toeristen ligt nog te soezen of zit ergens aan tafel een copieus ontbijt te nuttigen. Over goed een halfuur zullen de deuren van de hotels worden opengezet en zal de stad overspoeld worden door horden vakantiegangers met fototoestellen op de buik of selfie sticks in de hand. Het is me opgevallen dat Sydney door Aziaten bezet gebied lijkt. Er hebben hier meer mensen spleetogen dan olifanten een slurf.   Ik loop tot bij het schip dat ons naar Gold Coast zal brengen en merk dat er weinig bedrijvigheid heerst. Geen mens te bespeuren. Omdat ik me allesbehalve lekker voel, besluit ik me op een bolder neer te zetten. Even de ogen sluiten kan wonderen doen. Ik wacht overigens liever op Xavier om aan boord te gaan. Hij is een stuk zelfverzekerder dan ik. Ik laat me graag door hem op sleeptouw nemen.   Ik neem plaats op een grote aanlegpaal, even verwijderd van het schip, en verberg mijn hoofd in mijn handen. Mijn hoofdpijn begint af te nemen - met dank aan de medicatie - maar mijn maag onderneemt nog steeds verwoede pogingen om zich binnenstebuiten te keren. Ik heb zin om mijn vinger in mijn keel duwen. Zou ik het durven? Ik open mijn mond en reik met mijn vingertop naar mijn huig.   “Borieseuh!” klinkt het op dat moment achter me. Ik trek mijn vinger terug en kijk om. Xavier staat me met een brede glimlach aan te kijken.   “Ready to go on board?” vraagt hij handenwringend. Zijn frisheid steekt me de ogen uit. Ik krabbel moeizaam overeind en gooi mijn rugtas over mijn schouder. Hij gaat me voor naar het prachtige schip dat aan de kade ligt te blinken als een diamant in de zon. Ik slenter een beetje moedeloos achter hem aan en voel me duizelen. Het lijkt wel alsof ik al zeeziek ben nog voor ik een voet op het schip heb gezet.   Xavier is verheugd over het feit dat we als eersten aan boord zijn. Dat laat ons toe de beste slaapplaatsen uit te kiezen, zegt hij. Hij neemt de bovenste etage van een stapelbed in. Ik wil met het onderste gedeelte genoegen nemen, maar dat raadt hij me af. Hij adviseert me het hoge gedeelte van het naburige bed te kiezen, zodat we elkaar kunnen zien wanneer we praten. Ik hijs me het wankele laddertje op en laat me op het bed vallen. Xavier blijft rechtop zitten en laat zijn benen afhangen. Onophoudelijk wiebelt hij met zijn stengels over en weer. De ene keer simultaan, dan weer ongelijkmatig. De ene keer van voren naar achteren. De andere keer van links naar rechts. Het constante gewiebel maakt me nog misselijker dan ik al was. Ik draai me op mijn andere zijde en sluit mijn ogen. Hoewel Xavier voortdurend tegen me praat, voel ik me stilaan indommelen.   Ik word uit mijn hazenslaapje gewekt door een luid gestommel. De vaste crew, die gelijktijdig aan boord komt, doet dit behoorlijk luidruchtig. Ik richt me op en rek me uit. Mijn oogleden lijken elk honderd kilo te wegen. Ik kruip slaapdronken van het laddertje en volg Xavier. Aan dek worden we hartelijk begroet door Matthew, die ons voorstelt aan de andere matrozen. Allemaal goedlachse kerels die één opvallend kenmerk gemeen hebben. Stuk voor stuk hebben ze een kleine tatoeage op de binnenkant van hun pols in de vorm van een anker. Doet me denken aan het registratienummer dat gevangenen op hun onderarm kregen in Duitse concentratiekampen. De kapitein is eveneens gearriveerd, maar schenkt niet de minste aandacht aan ons. Lijkt niet erg netjes van hem, maar alles bij elkaar gaat het hier heel wat anders aan toe dan op de walvisvaarder, waar we werden behandeld als slaven op een Romeins galei.   Terwijl de crew het schip in orde brengt om af te varen, verzamelen op de kade steeds meer toeristen die de trip naar Gold Coast zullen ondernemen. Ik hoor een mengelmoes aan talen: Frans, Duits, Engels, Japans, Spaans en nog wat jargon dat ik niet thuis kan brengen.   Iets voor acht mogen de passagiers aan boord komen en wordt de motor gestart. Ik moet helpen bij het losmaken van de trossen, een klusje dat ik ondertussen al voldoende beheers om geen figuur te slaan. Xavier wordt meegetroond door een matroos. Hij krijgt een andere taak toebedeeld. Ik voel me verweesd zonder hem in de buurt.   Nadat ik de touwen heb binnengehaald, maakt het schip zich los van de kade. De boegschroef doet het water tussen wal en schip borrelen alsof het kookt. Langzaam zet de Soren Larsen koers richting zee. Dit zou een onvergetelijk moment moeten zijn, ware het niet dat waar ik voor gevreesd had gebeurt. Amper zijn we vertrokken of het koude zweet breekt me uit. Het deinen van het schip maakt dat mijn maag samentrekt als een hartspier. Ik voel me steeds misselijker worden en slik onophoudelijk om mijn braaksel binnen te houden. Het mag niet baten. Net op tijd buig ik mijn bovenlichaam over de reling om de hele inhoud van mijn maag in zee te lozen. De vissen kunnen er hun voordeel mee doen. Wanneer ik me weer opricht, voel ik me opgelucht. Nu de rotzooi uit mijn lijf is, kan het herstel een aanvang nemen.   Ik ga op zoek naar Xavier, maar word aangesproken door een man in wijde gebloemde bermuda, rode sportschoenen en witte sokken. Zijn ontblote buik staat rond als deze van een hoogzwangere dame en hij heeft hangtieten. Sommige mensen kennen geen schaamte. Hij vraagt me of ik een foto van hem wil nemen met de skyline van Sydney op de achtergrond. Hij duwt me zijn camera in mijn handen en gaat met zijn brede behaarde rug tegen de reling staan leunen, waardoor hij een aanzienlijk deel van zijn geliefde skyline bedekt. Nadat ik heb afgedrukt, geef ik hem het fototoestel terug en wil verdergaan, maar hij klampt me aan. Hij vraagt me waar ik vandaan kom. Ik zeg hem dat ik uit België kom.   “Belgium… ” doet hij nadenkend. “Ain’t that the capital of Brussels?” Daarop steekt hij een vette poot naar mij uit en vertrouwt me vol trots toe dat hij “an American citizen” is. Alsof ik dat nog niet doorhad. Ik druk zijn hand, die klef is als een brok ossenvet, en wil verder gaan, maar hij laat me niet los. Hij staat erop dat ik verneem dat hij en zijn vrouw een rondreis maken door Australië. Als ik onwillekeurig rondkijk om te zien waar zijn eega dan wel is, voegt hij er aan toe dat ze niet aan boord is omdat ze vaarangst heeft.   “She don’t mind flying, but you can’t get her on a boat,” klinkt het. “Not even wild horses could drag her!” Ik meen hem te vragen of ze nakomt met het vliegtuig, maar bedenk me. Wat kan mij zijn vrouw schelen. Ik onttrek mijn hand aan zijn vette klauw en praat hem aan dat ik dringend op het voordek word verwacht. Hij loopt heen, zich aan alles vastklampend wat in zijn buurt komt in een poging dat zware lijf overeind te houden.   Net wanneer ik bij het voordek aankom, bereiken we Shark Island, het kleine eilandje dat zich midden in de baai bevindt. Vrijwel meteen voel ik de wind aantrekken, alsof er een reuzenventilator in gang wordt gezet, en schakelt het leven aan dek in een hogere versnelling. De crew maakt zich klaar om de zeilen te hijsen. Ik kijk toe hoe een bemanningslid zich op blote voeten langs een netwerk aan touwen omhoog hijst, als een aap die het gewend is in bomen te klimmen. Eens boven ontrolt hij, balancerend op een dwarstouw, één na één de zeilen. Onze taak is de touwen aantrekken, zodat de zeilen strak komen te staan. Zodra dat gebeurd is, wordt de motor uitgezet en treedt een betrekkelijke stilte in, het rustgevende schuimen van het zeewater daargelaten. (foto)   Statig klieft de sneeuwwitte boeg van de schoener door het donkere sop. Met een hand om een touw geslagen sta ik voor me uit te turen, terwijl de boeg van het schip rustig op en neer deint. Mijn misselijkheid heb ik net op tijd overwonnen om een heerlijke gelukzaligheid te ervaren. Het voelt alsof ik mijn oude “ik” achter me laat en koers zet naar een volstrekt nieuw leven! Vaarwel, Marianne! Vaarwel meisje met het rode haar! Ik laat jullie! Over enkele dagen meren we aan in Gold Coast, waar het vrouwelijk schoon voor het rapen zal liggen! Zoeken jullie het hier zelf maar uit! En - o, ja - mochten jullie in het bezit komen van mijn laptop en mijn hele garderobe, dan mogen jullie de hele rotzooi houden! Het kan me gestolen worden!   Langzaam vaart de indrukwekkende tweemaster de baai uit. Voor ons strekt zich nu de omvangrijkste watermassa ter wereld uit: de Grote Oceaan. Met zijn 165,2 miljoen km⊃2; is ze veruit de grootste oceaan op aarde. En tevens de diepste. Ik werp een blik achter me en zie de hoge torengebouwen van Sydney steeds kleiner worden. Een extreem gevoel van welbehagen overvalt me. Gold Coast, here we come! Echter… net wanneer mijn extase een hoogtepunt bereikt, schiet een deel van de vaste crew weer in actie. Er worden bevelen geschreeuwd en touwen losgemaakt. Even later gaan we overstag en beginnen een grote cirkel te beschrijven. Ik kijk verbaasd toe hoe we langzaam maar zeker de baai weer invaren. Paniek overvalt me en ik ga op zoek naar de Fransman, mijn steun en toeverlaat. Misschien heeft hij een idee wat er aan de hand is.   “Xavier, we are going back!” roep ik hem al van ver toe. Hij reageert vreemd. Wil me nauwelijks aankijken.   “Do you know what’s happening?” vraag ik. Hij kijkt me met een doffe blik aan en zegt droog, met één vertwijfeld opwippende schouder: “Maybe the skipper forgot to kiss his wife goodbye!” Ik sta hem onderzoekend aan te kijken. Hij houdt zich serieus, maar in zijn ogen speelt een fonkeling. En dan barst hij plots in lachen uit, een hoog en irritant geluid als het klokken van een kalkoen. Hij legt vriendschappelijk een arm om mijn schouders, en vertelt me dat het zeilschip Soren Larsen sinds járen enkel nog dienst doet als rondvaartschip. Het verlaat nimmer nog de baai van Sydney. Het opzet is: toeristen een idee geven van hoe het er destijds op zeilschepen aan toe ging. Tot vijf keer per dag wordt er uitgevaren, afhankelijk van het aantal belangstellenden dat zich aanbiedt. Ik sla zijn arm van mijn schouders en wend me woedend van hem af. Schreeuwend vraag ik waarom hij me heeft wijsgemaakt dat we naar Gold Coast voeren. Laconiek antwoordt hij dat het de enige manier was om zeker te zijn dat ik het baantje zou aanvaarden. Ik vind het een ridicuul antwoord en loop boos van hem weg.   Als we even later de haven binnenvaren en aanmeren, heb ik zin om weg te vluchten, maar ik weet niet waar naartoe. Waar kan ik heen? Marianne? Dat zou het ultieme gezichtsverlies betekenen. Een hostel? Zo lang ik geen gage heb ontvangen kan ik me niks veroorloven. En om een gage te ontvangen moet ik eerst hebben gewerkt … Noodgedwongen blijf ik aan boord. Een uur later zijn we alweer weg.   Vier tochten doen we vandaag. Telkens een nieuwe lading toeristen. Een rondje door de immense baai, zeilen hijsen, even tot aan het zeegat, overstag gaan en weer terug. Het grote avontuur is plots ver weg. Geen zeiltocht van weken. Geen meisjes in gouden bikini’s die ons staan op te wachten als met bloemenkransen getooide deernen op Hawaï. Niets van dat alles! Ik ben bruusk uit mijn droom gewekt en sta weer met beide voeten in de realiteit.   Nadat de trossen voor de laatste keer zijn vastgelegd, wil ik meteen het forecastle induiken. Ik voel me uitgeput en hoop wat slaap in te halen, maar dat wordt me niet gegund. Ik krijg een zwabber in mijn handen geduwd. De twee laagste in rang rest nog één belangrijke taak: het dek schrobben. Ik baal. Dat doet ook Xavier, maar om een andere reden dan ik. Op een groot podium tegenover het Opera House is een live concert aan de gang. Hij wil graag zo snel mogelijk een kijkje gaan nemen, maar ook dat zal even moeten wachten.   Xavier neemt achterdek en bakboord voor zijn rekening. Ik voordek en stuurboord. Hoewel ik een bloedhekel heb aan poetsen, ga ik er stevig tegenaan. Ik wil deze klus in geen tijd geklaard hebben.   Al na een paar minuten loopt het zweet me in de ogen. Ik recht mijn rug en wrijf mijn voorhoofd droog met de mouwen van mijn hemd. Terwijl ik op de steel van mijn zwabber leun, laat ik mijn blik over de massa dwalen die op het plein is samengedromd om de muziekgroep aan het werk te zien. Al gauw wordt mijn aandacht getrokken door een opvallende figuur die zich een weg baant door de menigte. Ik kijk nader toe en ontwaar een weelderige hoop krullen, massieve bakkebaarden, een forse snor en dito sik. Alsof ik de hemelpoort uitnodigend heb zien opengaan, gooi ik mijn zwabber aan de kant en haast me de loopbrug over. Ik weet haast zeker dat het Jan Byttebier betreft! In dat geval wil ik hem niet laten ontsnappen.   Op de kade kijk ik met uitgestoken nek voor me uit. De invallende duisternis en het feit dat ik nu op gelijke hoogte sta met Jan maakt het me moeilijk hem te lokaliseren. Ik maak van mijn niet geringe lichaamslengte gebruik om over de hoofden van de massa heen te kijken. Na enkele seconden krijg ik zijn wilde haardos terug in het vizier.   “Jan!” roep ik zo luid ik kan, maar de muziek overstemt me. Ik maak gebruik van mijn lange armen om me een weg te banen door de mensenmassa, als een verdwaalde toerist die zich door een oerwoud wurmt. Het komt me op een hoop kwade blikken en gevloek te staan, maar ik zet door.   Wanneer ik me aan de andere kant van de massa uit het dikke pak werk, is Jan al een heel eind de hoofdstraat ingelopen.   “Jan!” keel ik. Mijn huig trilt als een snaar. Het mag niet baten. Zonder om te kijken loopt hij verder. Ik begin te hollen, maar lang voor ik bij hem ben, slaat hij een straat in. Wanneer ik even later hetzelfde doe, zie ik niemand meer. De straat is verlaten. Ik loop verward verder en bemerk een eind verderop, in een flauw lichtschijnsel dat uit een smalle steeg valt, een schaduw die zich aftekent op de straatstenen. Menende dat Jan zich daar schuilhoudt, sluip ik behoedzaam naderbij. Maar hoe meer ik hem nader, hoe kleiner de schaduw wordt, alsof iemand zich zachtjes van me verwijdert. Ik houd halt op de hoek van de steeg en druk me met mijn rug tegen de muur. Heel voorzichtig werp ik een blik in het nauwe straatje. De schaduw is verdwenen en er is geen levende ziel te bespeuren. Ik loop het steegje in en kom uit op een klein binnenplaatsje dat wordt verlicht door het schijnsel van een enkele lantaarn. Van Jan geen spoor, maar achter één van de twee deuren, die uitgeven op het besloten plaatsje, hoor ik een zacht gestommel klinken. Ik sluip op mijn tenen naderbij, maar voel mijn haren overeind komen wanneer ik een angstaanjagend gerochel hoor opstijgen. Als even later de deur met een ijzingwekkend geknars wordt opengeduwd, ben ik zo bevangen met angst dat ik me ijlings uit de voeten maak.   Terug in de bredere straat verberg me ik me in het duistere portaal van een gebouw. Niet veel later hoor ik slepende voetstappen naderbij komen. Op de straatstenen tekent zich opnieuw een dreigende schaduw af. Ik durf me niet meer te bewegen en houd mijn adem in. Mijn hart gaat tekeer als een op hol geslagen horloge. Langzaam komt een gedrongen gedaante mijn gezichtsveld ingewandeld en houdt halt, pal voor mij. Ik druk me met mijn rug tegen de muur en huiver. De gestalte kijkt om zich heen en lijkt te snuffelen, als een dier dat het geurspoor van een prooi heeft waargenomen. Een ogenblik meen ik dat ik ontdekt ben, maar net wanneer mijn zenuwen het dreigen te begeven, zet de gedaante zich weer in beweging en loopt de straat uit.   Ik wacht tot de voetstappen volledig zijn uitgestorven, en verlaat het donkere portaal. Maar nog terwijl ik sta te bekomen van de schrik, voel ik hoe een hand op mijn schouder wordt gelegd. Ik schrik me een ongeluk en draai me vliegensvlug om. Tot mijn verbazing is het Marianne die voor me staat.   “Marianne? Wa… wat doe jij hier?” stamel ik.   “Ik zocht je,” antwoordt ze. Ze kijkt me minzaam aan en strijkt teder met haar vingers langs mijn wang.   “Is alles goed met je? Je ziet eruit alsof je net een spook hebt gezien.”   “Hoe wist je dat ik terug was in Sydney?” vraag ik. Ze glimlacht.   “Ik wist toch dat jullie niet naar Gold Coast zouden varen,” zegt ze. “Dacht je nou echt dat ik mijn licht niet was gaan opsteken. Ik wist heus wel dat jullie rondjes zouden varen.”   “Vandaar dat je de naam van het schip kende!” roep ik uit. Ze slaat betrapt haar ogen neer.   “Waarom heb je me dat dan niet gezegd?” bijt ik haar toe.   “Lieve Boris, ik wilde niet degene zijn die je droom verpeste. Ik dacht: ik haal hem vanavond wel op. Alleen… toen ik daarnet tot aan de kade liep, bleek je niet meer aan boord te zijn. Een gozer die het dek stond te schrobben wist me te zeggen dat je weggelopen was. Ik had niet de indruk dat ie het prettig vond. Hij had er duidelijk de pest in. Nou, ik ben dan maar naar je op zoek gegaan. En kijk! Ik heb je gevonden.” Ik sta haar aan te kijken als een Bosjesman die een wiskundig vraagstuk voorgeschoteld krijgt.   “Nou, wat denk je, ga je mee?” vraagt ze. Ik twijfel even, maar besef dat ingaan op haar verzoek een uitgelezen kans is om mijn gezichtsverlies te beperken. Ze haakt haar arm in de mijne. Samen gaan we op pad.   Foto: ©photosuus

Lou Van Lier
21 0

Pleinvrees

De straat leek een jungle vol kolibries, nijlpaarden, papegaaien en andere ondeugden. Links jengelende pubers op basmuziek en en rechts een dikke vrouw die een trolley vol prei met zich meesleurt. Achter haar bungelende en zwalpende dijen zie je een geheim. Jimmy. De man die als driejarige een verjaardagsfeest hield. En zich onder de tafel verstopte terwijl de andere kinderen koekjes aten en hem met hun pietepeuterige voeten schopten. De moeder nam Jimmy bij z’n nekvel en zette hem op een stoel voor de foto. Eens het kiekje genomen was, mocht hij naar zijn slaapkamer en keek hij naar de plaatjes van een stripverhaal terwijl hij de kinderen beneden hoorde spelen. Dertig jaar later keek hij in zijn fotoalbum en las hij: ‘Jimmy en zijn vriendjes op een spetterend verjaardagsfeest’. De moeder leed aan het wat-gaan-de-buren- denken-syndroom en werd later in vergane toestand uit de vaart gevist. Jimmy was toen acht. Later zou hij ongelukkig worden. Misnoegd als het hoofd van Obama wanneer Poetin weer eens sneller is met luchtaanvallen. Het ongeluk dat op kinderkopjes geschreven staat, na aanraking met kapotte knieën. Het verdriet van gebak waarvan niemand je voor de reden feliciteert. Het enkel opvreet. Enkel boert en puft. En dan weer aan het werk gaat. Zo is Jimmy’s leven. Zo zal Jimmy in de vergetelheid verdwijnen. Maar eerst zou hij dertig worden. De leeftijd waarop hij seksloos als IT’er werkt. Elke avond masturbeert bij het zien van Japanse porno. Om daarna lasagne uit blik te eten en uitgeput in slaap te vallen op de bank. Elke avond weer, in dezelfde volgorde. Met ontploffend lid aankomen thuis, trillend de porno opzoeken, masturberen, lasagne eten en slapen. De volgende ochtend opstaan in een plas bolognaise en secreties uit andere landen. Ongewassen naar het werk wandelen. En opnieuw.

Julie Beirens
11 0

ANGELA zwart

ANGELA zwart Nena De Roey   RENAULT, EDUCAM en TRAXIO of de federatie van de autohandel- en reparatie organiseerden naar jaarlijkse gewoonte de wedstrijd van de Gouden Sleutelhanger. De wedstrijd is een poging om het slechte scholingsniveau van de gemiddelde Vlaamse beroepsstudent te verhogen. Meer dan 20 deelnemende scholen uit de laagste regionen van het technisch- en het beroepsonderwijs streden samen met de dubieuze Syntra-opleidingscentra om de titel van ‘beste’ student autotechnieken. Of deze beproeving het algemene opleidingsniveau op termijn kan beïnvloeden, is maar de vraag.   Minister van Mobiliteit Ben Weyts deelt deze bekommernis en gaf daarom het startschot voor een hele reeks praktische en theoretische proeven. Na teleurstellende resultaten bleven nog amper vier kandidaten over bij wie er toch enige kennis en vaardigheid aanwezig was. Na een finale diagnoseproef mochten ze bepalen wie van hen de gloednieuwe Renault Espace full option mocht meenemen naar zijn of haar opleidingsinstelling. De auto wacht wellicht een triest einde in onbekwame studentenhanden.   De magere prijzenpot voor zij die mogelijks nog slechter scoorden, bestond uit gevulde gereedschapskoffers en andere voor ‘wannabee’ mekaniekers onontbeerlijke tools gesponsord door enkele duistere bedrijven die hun magazijn moesten opruimen.   De Gouden Autosleutelhanger wil het nijpend gebrek aan goede afstemming tussen het onderwijs en de werkvloer aankaarten. In een haast vergeefse poging stimuleert de wedstrijd daarom duaal leren of vorming op de werkvloer voor de ongeïnteresseerde puberende jongeren vanaf 15 jaar. Om te vermijden dat deze laaggeschoolde knapen vanaf hun afstuderen op de kap van de samenleving in werkloosheid belanden, ondersteunt Traxio bijkomende stimulansen zoals deze wedstrijd. Daarnaast zou het nieuwe jobportaal MOBILITY JOBS meer jongeren naar een eerste werkervaring of een stage moeten leiden. De vrees is echter dat de creatie van dit dure hoogstaande digitale platform vooral werk heeft verschaft aan het ICT-bedrijf dat het platform ontwikkelde.  

Nena
0 0