Lezen

Tot ziens, Marianne (deel 11)

Het logge zeilschip deint rustig op en neer op de golven. In mijn verduisterde kajuit word ik zachtjes heen en weer gewiegd als een baby die te slapen is gelegd. Met een gelukzalige glimlach om mijn mond droom ik over onze naderende bestemming. Xavier heeft me de wildste verhalen verteld over Gold Coast. De superlatieven vlogen me om de oren. Misschien wat bovenmatig, maar aangezien ook Jan Byttebier me in niet mis te verstane bewoordingen over deze wonderlijke stad heeft verteld, neem ik aan dat het overdrijvingspercentage deze keer niet zo groot is. Ik ben in ieder geval razend benieuwd naar wat me te wachten staat. Ik vraag me af wat ik het eerst te zien zal krijgen wanneer we aanmeren. Bij nacht zullen het wellicht de neonreclames zijn. Bij klaarlichte dag hoop ik meteen een lading vrouwelijke vleeswaren voorgeschoteld te krijgen! Ik kan niet wachten om me aan al dat naakt te vergapen.   Statig als een zwaan baant het schip zich een weg door de vaargeul. De zeilen zijn gestreken en we varen de haven binnen op de motor. Ik wurm mijn handen onder mijn achterhoofd en glimlach tevreden, terwijl ik naar het plafond van mijn kajuit staar. Hoe mooi kan het leven zijn? België staat op de drempel van de winter. Het is er guur en de dagen worden kort. Moeder brengt haar dagen door wassend en plassend, omdat ze geen inspiratie heeft om wat anders te doen. ‘s Avonds zit ze urenlang te dommelen voor de televisie, waarna ze wakker ligt in bed omdat ze de slaap niet kan vatten. Vader slijt zijn dagen op kantoor. Na het avondeten trekt hij zich terug in zijn studeerkamer om er god-weet-wat te doen. Op zaterdag doen ze samen inkopen en lummelen wat aan. En op zondag begint de dag met een Duitse mars of een operette, waarna ze samen naar de eucharistieviering kijken op tv, om tenslotte hun namiddag door te brengen in een meubelzaak of een tuincentrum. Mijn ouders zijn de verpersoonlijking van saaiheid. En als ik thuis ben, moet ik meedraaien in die mallemolen. Tegen wil en dank. Hoe anders is mijn leven hier.   “Goedemorgen, lieverd!” Ik word door elkaar geschud, alsof het schip op de klippen loopt. Ik open mijn ogen en schrik me een ongeluk wanneer ik de uitvergrote neus van Marianne voor me zie. Ze kust me vol op de mond.   “Lekker geslapen? Wat ben jij een marmot, zeg. Je was haast niet wakker te krijgen. Ik diende je helemaal door elkaar te schudden.” Ik bekijk haar vol ongeloof. Hoe in godsnaam komt zij op de Soren Larsen terecht? Is ze ons achterna gekomen met een speedboot? Is ze aan boord geklauterd op volle zee? Ik richt me half op en kijk verdwaasd om me heen. Naarmate de mist in mijn hoofd opklaart, wordt het me duidelijk dat ik me helemaal niet op de Soren Larsen bevind. Wel integendeel. Ik heb zicht op een poster met Marilyn Monroe, een kastje vol elpees en een commode waarop idiote postuurtjes staan… Marianne plant zich met haar dikke kont op de rand van de bank en aait me moederlijk over het hoofd.   “Wat denk je? Heb ik gelogen?” vraagt ze. Ik graaf in mijn geheugen. Wat bedoelt ze? Waarover zou ze kunnen gelogen hebben?   “Over de bank,” verduidelijkt ze. “Heb ik gelogen toen ik zei dat ze comfortabel was?” Ik krijg geen woord over mijn lippen. Ten eerste hangt de onenigheid van gisterenavond nog als een donkere sluier over mijn gemoed. En ten tweede ben ik geradbraakt! Comfortabel?? Een bank is niet gemaakt om op te slapen, dat is me duidelijk geworden. Daar heeft men een bed voor bedacht. Een bank dient om op te zitten! Meer niet. Ik zet me overeind en kreun als een oude man.   “Toch niet zo comfortabel dan?” vraagt ze. Ik wrijf met mijn beide handen over mijn pijnlijke rug ter illustratie. Ze staat op.   “Nou, kom dan maar gauw aan tafel?” zegt ze. “Dan maak ik je een lekker ontbijt. Je zult wel scheuren van de honger.” Een lekker ontbijt! Huh! Een aangebrande korst belegd met een laagje gesmolten asfalt. Noemt zij dat een lekker ontbijt? Op dat punt moet ik moeder nog gelijk gaan geven. De eet- en dan vooral de ontbijtgewoontes van Australiërs laten heel wat te wensen over. Ik geloof overigens dat ik al een paar kilo kwijt ben. Die moeten er weer aan voor ik naar België terugkeer of moeder wordt gek!   Ik sta op van de bank en trekkebeen naar de tafel toe. Het voelt alsof mijn bekken gekanteld zit. Ik lijk wel een oude man die zich krom heeft gewerkt. Ik zet me aan tafel en krijg een dampende beker cappuccino voorgezet, compleet met een heerlijk laagje chocoladepoeder. Daar kijk ik van op! Da’s heel wat anders dan het gewone bakje troost dat ik de vorige ochtenden kreeg. Zou er dan toch een fatsoenlijk ontbijt zitten aan te komen?   “Wat denk je?” zegt ze trots. “Ziet er heerlijk uit, nee? En je toast komt er zo aan.” Ze zet de pot vegemite alvast voor me neer. Ik kijk nog even hoopvol uit of er nog wat volgt. Tevergeefs. Het “fatsoenlijk” ontbijt zal ook deze keer uit een korst met bruine smurrie bestaan.   “Eten jullie hier ’s morgens nooit eens iets anders?” durf ik op te werpen. Die vraag brandt al dagen op mijn lippen. Ze bekijkt me met gefronste wenkbrauwen. “Zoals?”   “Kaas, hagelslag, choco…”   “Nee! Waarom? Vegemite is lekker! En hartstikke gezond!” Ze legt de harde toast op mijn bord en gaat zitten. Ik laat twee klontjes suiker in mijn beker vallen en kijk gebiologeerd toe hoe ze zich met grote moeite door de dikke schuimlaag worstelen. Zodra ze verdwenen zijn, begin ik te roeren. Marianne zit me de hele tijd aan te staren. Dat werkt me op mijn zenuwen. Het beperkt mijn mobiliteit, alsof mijn bewegingen gehinderd worden door haar priemende blik.     “En?” vraagt ze. Ik stop met roeren en kijk haar aan. “Wat en?”   “Wat ga je vandaag doen?” Ze leunt naar me toe en kijkt me indringend aan, als een dokter die van een patiënt wil vernemen wat die zelf denkt dat aan de oorzaak van zijn kwaal ligt. Ik haal mijn schouders op. Wat kan ik doen? Deze dag is een maat voor niets. Pas morgen vertrekt de Soren Larsen. Vandaag staat er niets op het programma. Ik zou Xavier kunnen opzoeken, maar dat mag ik haar niet vertellen, want ze wil niet dat ik met hem omga. Bovendien heb ik geen idee waar de rare Fransman uithangt. En ik sta nu al voor ettelijke dollars bij hem in het krijt. Ik moet mijn schuld binnen de perken zien te houden. Ik hervat het roeren, alsof dat soelaas kan bieden.   “Misschien kun je eens langs het hostel lopen,” suggereert Marianne. “Misschien is je bagage intussen terecht.”   “Ze gingen jou toch opbellen?” zeg ik.   “Jaaa, maar je weet hoe dat gaat. Net zo goed zijn ze het vergeten...” Ik blaas en haal onverschillig mijn schouders op. Ik heb er al niet meer op gerekend dat ik mijn koffer ooit nog terugzie. Net zo min als mijn laptop.  Ze glijdt met haar hand over de tafel, als een waarzegster die een klant een kaart toeschuift, en legt de toppen van haar vingers op de mijne. Intussen blijft ze me de hele tijd strak in de ogen kijken. Ik word ongemakkelijk van haar, maar durf mijn hand niet terug te trekken. Waarom doet ze dat? Kan ze niet normaal doen? Ik krijg hier net zo min de kans mezelf zijn als bij moeder. Hoe ze op mijn huid zit. Altijd weer die blikken. Steeds weer dat commentaar. Of die zogezegde goede raad. Ik ben heus oud genoeg om te weten wat ik wel of niet moet doen.   “Boris? Is alles goed met je?” vraagt ze. Ik klop mijn lepeltje af op de rand van mijn beker en neem een fikse slok. Het is alsof zich een gloeiende kool door mijn keel wurmt. Ik haal mijn hand onder de hare uit en grijp naar mijn borst. Ik zou mijn slokdarm uit mijn lijf willen rukken, zo gloeiend heet is de koffie.   “Be careful! It’s boiling hot!” zegt ze rijkelijk laat. Ik zet de beker terug op de tafel en wrijf met mijn tong langs mijn gehemelte. Het voelt alsof de huid verschrompeld is. Pijnlijk, maar ik wil me niet aanstellen. Niet nu. Ik smeer een dun laagje vegemite uit over mijn toast en neem een hap. Ik vraag me af of de smaak van dit goedje ooit went.   “Boris, wat is er nou? Ben je boos op me?” vraagt ze, omdat ik hardnekkig haar blik vermijd. “Waarom ben je zo humeurig? Kijk es, ik had wel een hele goeie reden om je niet bij me in bed te nemen. Ik ben ongesteld. Dat verklaart overigens ook waarom ik zo emotioneel was. Begrijp je?” Ik weiger haar aan te kijken.   “Nee, natuurlijk begrijp jij dat niet,” zegt ze. “Je vindt het vast een goedkoop excuus. Maar een vrouw die ongesteld is, heeft liever geen man in de buurt. Ik in ieder geval niet. Die rotzooi moet er even uit.” Ik schep wat van het melkschuim op mijn lepeltje en werk het smakkend naar binnen. Marianne slaakt een zucht, leunt nog wat dichter naar me toe en sluit haar vingers om mijn pols… strak… als een handboei.   “Okay, fair enough,” zegt ze.  “I overreacted, okay? Maar laat ons nou geen ruzie maken. Ik heb geen zin in gedoe.”   “Dacht je ik wel?” bijt ik haar toe. Ze laat mijn pols abrupt los, alsof ik een besmettelijke ziekte heb.   “Doe nou toch niet zo hatelijk,” zegt ze.   “Jij bent degene die hatelijk doet, niet ik!” antwoord ik. Ik zie haar gezicht veranderen. Net nog stond het vriendelijk, maar er trekt een schaduw overheen. Ik nip van mijn koffie. Voorzichtig, om me niet nog eens te verbranden. Ik voel dat ze me met vurige ogen blijft aankijken.   “Boris?” zegt ze. Ik negeer haar en neem een hap van mijn toast.   “Boris!” Ik kauw snuivend. Ze gaat uit de bol.   “Godverdomme, Boris! Doe niet of ik niet besta! Dat kan ik niet hebben!” roept ze. Ik blijf haar hardnekkig negeren, tot ze plots met zo’n geweld op de tafel slaat dat het lijkt alsof er een bom ontploft en ik me verslik. Ik loop rood aan terwijl ik hoest, maar dat weerhoudt haar er niet van vreselijk tegen me uit te varen. Een hele litanie krijg ik te horen, als van een priester met Pasen. Een hoop verwijten krijg ik te slikken. Dat ik alleen maar aan mezelf denk. Dat ik narcistisch en egoïstisch ben. Onvolwassen ook. Dat ik me gedraag als een kind dat zijn zin niet krijgt. Dat ik geen respect betoon... Ik reageer niet, maar in mijn binnenste kook ik. Wat denkt ze wel? Dat ze me de les kan spellen? Dat ze mijn moeder is?? Was het al maar een dag later. Ik kan niet wachten om naar Gold Coast te vertrekken. Ze kan voor mijn part oprotten!   Nadat ik mijn laatste hap heb doorgespoeld met het kliekje cappuccino, sta ik op.   “Wat ga je doen?” vraagt ze.   “Me aankleden.”   “Moet je niet douchen dan?”   “Nee!” Ik heb zelf geen idee waarom ik niet wil douchen. Ik denk, uit een soort van protest. Thuis waren dat soort dingen ook mijn enige middel om op te staan tegen moeder. Niet dat het me baat bracht, maar gewoon de idee dat ik tegen de wens van moeder inging, gaf me voldoening. Het voelde aan als een overwinning, ook al was het dan een pyrrusoverwinning. Het bracht me in een soort van euforie: ik bén iemand! Ik besta! Ik kan me verzetten als ik wil!   Tien minuten later staan we op de stoep. Anders dan de vorige dagen neemt Marianne niet meteen afscheid van me. Ze staat te drentelen, alsof ze me iets wil zeggen, maar niet weet hoe.   “Ga je nou langs het hostel lopen?” vraagt ze. “Even horen hoe het met je bagage is gesteld. Of ze al terecht is.” Het doet me denken aan het meisje met het rode haar, dat er werkt. Zij heeft een hunkering in me wakker gemaakt die dagen later nog niet is bedaard. Ik zou het geen bezwaar vinden om haar terug te zien. Morgen mag ik dan wel naar Gold Coast vertrekken… misschien is zij een optie voor wanneer ik terugkom. Ik ben niet zinnens om dan opnieuw bij Marianne in te trekken.   “Boris?” Ze komt vlak voor me staan en kijkt me diep in mijn ogen. “Sorry van daarnet. Ik wéét dat ik humeurig ben als ik ongesteld ben. Ik kan het niet helpen. Maar jij kunt het ook hard spelen.”   “Ik heb niks gedaan,” verdedig ik me kinderlijk.   “Nee, het is goed,” antwoordt ze gelaten. “Jij hebt niks gedaan. Ik neem de schuld op mij. Maar laten we het nou bijleggen. Ik wil niet dat we zo afscheid nemen.” Ze gaat plots met haar hand in haar handtas en haalt haar mobieltje tevoorschijn. Ze lijkt iets na te kijken, bergt het dan weer op en zegt: “Weet je… ik denk dat ik vandaag een eindje met je meeloop.” Ik bekijk haar verbaasd. Moet ze dan niet naar haar werk? Ik vraag het haar. Ze zegt dat ze wel even tijd heeft. Dat er niet dadelijk iets op de planning staat. Ze wil met me meelopen naar het hostel. Om te vragen hoe het zit met mijn bagage. Dat voorstel durf ik niet af te slaan. Ze kan het een stuk beter uitleggen dan ik. Misschien is het wel nuttig dat ze meegaat.   We gaan samen op weg, alsof er niets is gebeurd. Ook deze keer hangt ze aan mijn arm als een pater om het touw van een torenklok. Het lijkt wel of ze mijn arm uit mijn lijf wil rukken om hem bij te houden terwijl ik weg ben.   Wanneer we bij het hostel aankomen, voel ik dat mijn hart sneller begint te slaan. En het koude zweet staat in mijn handpalmen. Ik hunker om het meisje met het rode haar te zien, maar tegelijk ben ik doodsbenauwd. Ik zou haar willen aanspreken, maar weet niet hoe. Bovendien maakt de aanwezigheid van Marianne het er niet eenvoudiger op.   Marianne duwt de deur open en laat me binnengaan. Ik richt meteen mijn blik op het onthaal. Tot mijn spijt is er van het roodharige meisje geen spoor. In haar plaats staat er een dame achter de balie die minstens zo oud is als Marianne, maar tien keer zo mager. In vergelijking met Marianne is zij een levend skelet. Ze is lang en zo schriel dat haar huid lijkt los te zitten om haar armen, die uit haar mouwloze jurk bengelen als de tentakels van een inktvis. Bicepsen heeft ze nauwelijks, waardoor haar bovenarmen even mager zijn als haar voorarmen. Enkel bij haar ellebogen vertonen haar bovenste ledematen een kleine verdikking. Verder heeft ze gigantische handen die bezaaid zijn met lelijke pigmentvlekken en waaraan lange, haast vleesloze vingers zitten. De huid lijkt los om de kootjes te hangen. Ook heeft ze een schier eindeloze scherpe neus en grijzend, argeloos achteruit gekamd haar, waardoor ze aan een heks doet denken. Het contrast met de roodharige schone kon niet groter zijn.   Marianne voert het woord, maar het duurt echter even voor ze tante Sidonia aan het verstand heeft gebracht wat het probleem precies is. De dame lijkt eerst te denken dat we beiden om een slaapplaats komen vragen. Daarna meent ze te begrijpen ik alleen een bed behoef. Pas nadat Marianne de uitleg een derde keer heeft gedaan, lijkt er een licht op te gaan.   “O, you want to collect your luggage!” roept ze uit. Ze zou er nog kunnen aan toevoegen: “Waarom zeg je dat dan niet?” Maar dat doet ze niet. In plaats daarvan vraagt ze me naar mijn naam en buigt zich over het computerscherm. Daarbij kromt ze haar rug zo fel dat die helemaal bol komt te staan. Na enig zoeken, met op het puntje van haar neus een ouwerwetse bril, waardoor ze haar hoofd lichtjes achteruit moet houden om door de glazen te kunnen kijken, richt ze zich tot mij.   “I’m sorry, but your name is not on the list,” zegt ze. Marianne kijkt naar mij en ik naar haar. Wat bedoelt ze, lijken we gezamenlijk te denken? Marianne vraagt om nadere uitleg. Blijkt dat mijn naam nergens in de lijst voorkomt, terwijl ik er niet heb geslapen, maar wel het volle pond heb betaald. Marianne tracht het mens uit te leggen wat er precies is gebeurd. Maar het feit dat ik betaald heb, enkel en alleen om er mijn bagage achter te laten, gaat er bij de heks niet in. De kwestie wordt zichtbaar te gecompliceerd voor haar, te oordelen aan haar magere tronie die in wel honderd rimpels trekt. Marianne gooit het dan maar over een andere boeg. Ze vraagt of de man die mijn bagage in ontvangst heeft genomen misschien aanwezig is. Ze geeft daarbij een accurate beschrijving van de kerel, maar het resultaat is enkel een nadrukkelijk hoofdschudden.   “Misschien het meisje met het rode haar,” fluister ik Marianne toe. Maar ook van de rode schone blijkt geen spoor te zijn. Sidonia stelt voor dat we op een andere dag terugkomen.   Onverrichter zake gaan we weer de straat op. Ik voel me lusteloos en moe. Maar amper hebben we enkele meters afgelegd of mijn hart springt op, wanneer ik in de verte een oude bekende zie opdoemen. Deze keer is het niet Jan Byttebier. Gelukkig ook niet Xavier, maar Jason. De man die me mijn portefeuille heeft terugbezorgd en zo vriendelijk was om me van de luchthaven naar Sydney te brengen. Hij komt onze richting uitgelopen met zijn kop in de grond. Ik laat hem nader komen en zeg dan: “Hi, Jason”. Hij richt zijn hoofd op en kijkt me aan, maar vertrekt geen spier en wil gewoon verderlopen. Ik blijf staan en draai me om. “Hi, Jason!” zeg ik weer. Luid en duidelijk. Deze keer houdt hij halt en bekijkt me beter. Van onder tot boven. Ik produceer een brede glimlach. Ik verwacht dat hij me dadelijk zal herkennen, maar dat doet hij niet. Hij bekijkt me alsof hij me voor de eerste keer in zijn leven ziet.   “Sorry, mate, do I know you?” vraagt hij. In mijn beste schoolengels leg ik hem uit dat ik degene ben wiens portefeuille hij heeft gevonden. Tot mijn verbazing zegt hij van geen portefeuille te weten. Daarop herinner ik hem eraan dat hij me een lift heeft gegeven van de luchthaven naar Sydney. Maar hij bekijkt me met een zorgelijke frons en zegt me dat hij in geen tijden op de luchthaven is geweest. En dat hij bovendien geen auto bezit.   “I don’t even have a drivers license,” beweert hij. Ik sta hem perplex aan te kijken. Is hij zo kort van memorie of speelt hij een spelletje met me?   “Your name is toch Jason?” vraag ik.  “Sorry, mate, but my name is Rick,” antwoordt hij. “And I’m not familiar with a Jason of any kind. I’m afraid you’ve taken me for some-one else.” Hij groet Marianne met een knipoog en vervolgt zijn weg. Ik sta hem met open mond na te kijken. Wanneer ik mijn blik op Marianne richt, merk ik dat ze me bezorgd aankijkt. Ze vraagt me of ik oké ben. Ik geloof echter niet in haar oprechtheid. Ik heb gezien hoe hij naar haar knipoogde en denk dat ze onder één hoedje speelden. Het zou me niet verbazen indien ze elkaar kenden. Misschien nog beter dan ik vermoed.   “Jullie kennen elkaar, hé?” vraag ik.   “Wie, jullie?”   “Jij en Jason!” Ze schudt haar hoofd als om haar hersencellen los te maken. “Hoe bedoel je…?”   “Geef het maar toe,” zeg ik. “Ik heb wel gezien zeg hoe hij naar je knipoogde!”   “Boris… ben je zeker dat alles oké met je is?” vraagt ze bezorgd. Het is de toon waarop ze die vraag stelt die me doet ontploffen. Om haar zo hard mogelijk te raken, roep ik haar toe alles haar schuld is.   “Mijn schuld?” doet ze verbijsterd. “Wat dan?”   “Alles!”   “Boris! Be reasonable!” zegt ze. Ze wil me vastpakken, maar ik sla haar handen van me af en loop weg. Ze roept me nog na, maar ik luister niet. In loodrechte lijn loop ik naar de haven, waar ik Xavier hoop te zien. Al kost het me een fortuin, ik wil de dag met hem doorbrengen. Hij is de enige die ik nog vertrouw. En ik heb geluk. Ik ben amper bij de haven aangekomen of ik zie hem.   “Borieseuh!” roept hij me al van ver toe. Hij zwaait met zijn hand alsof hij een ruit aan het zemen is. Waarom Fransen aan zowat elk woord een “euh” toevoegen, heb ik nooit begrepen. Ik loop op hem toe. Hij sluit me in zijn armen als was ik zijn broer. Marianne mag over hem zeggen wat ze wil, ik vind Xavier een geschikte kerel. Blijkt dat hij naar me op zoek was. Hij heeft het voor mekaar gekregen dat we een rondleiding krijgen op het schip. Bedoeling is dat we morgen weten wat ons te doen staat. Ik ben amper een paar minuten in zijn gezelschap en ik voel de frustraties al van me afglijden als water van een eend. Wat vind ik dit toch een fantastisch kerel! Wat hij allemaal voor me doet!   Samen lopen we naar de Soren Larsen, die aan de kade ligt te pronken als een hoer in haar etalage. De romp van het schip is hagelwit en steekt fel af tegen het roestige plaatijzer van het naburige vaartuig. Dat Xavier er in is geslaagd om ons in te lijven in het corps van deze rederij, vind ik een sterk staaltje van ondernemingslust. Hij mag dan misschien een pocher zijn, tegelijk is hij onbetaalbaar.   We worden begroet door een man in marineblauwe pantalon en wit hemd met epauletten. Hartelijk. De man, die zich voorstelt als Matthew, heeft zijn hemdskraag informeel openstaan en drukt ons amicaal de hand. Dit wekt onmiddellijk vertrouwen en lijkt een indicatie te zijn dat het er hier een stuk losser aan toe gaat dan op die vreselijke walvisboot. Matthew is de ‘crewmate’. Dat houdt in dat hij na de kapitein de hoogste in rang is. Ik vind het een hele eer om door zo’n hoge pief rondgeleid te worden. Om te beginnen krijgen we een aantal wetenswaardigheden over het schip te horen. Bouwjaar is 1949. De lengte bedraagt 44 meter. De twee masten, waaraan een wirwar aan touwen hangt te bengelen, zijn 30 meter hoog. Met zichtbare trots vertrouwt Matthew ons toe dat “the outstanding vessel” al een uitgebreide staat van dienst kan voorleggen, met reizen naar Nieuw-Zeeland als hoogtepunt. Aan boord bezoeken we om te beginnen het benedendek, dat grotendeels wordt ingenomen door kajuiten. Helemaal achteraan in het schip bevindt zich de ‘cap'tain’s cabin’, een redelijk luxueus verblijf voor de ‘skipper’. Ook Matthew zelf beschikt in dit compartiment over een ruime kajuit. De rest van de crew brengt de nacht door in het zogenoemde ‘forecastle’, dat vreemd genoeg wordt uitgesproken als ‘foksel’. Het forecastle, waarin een achttal stapelbedden staan opgesteld, bevindt zich in de boeg van het schip. Verder zijn er zowel aan stuurboord als aan bakboord een tiental cabines waarin de passagiers overnachten. Terug op het bovendek krijgen we de 'galley' te zien. Dat is de scheepskeuken waar een kok zich kan uitleven met alle ingrediënten die aan boord zijn. In de galley hangt alles aan haken of zit stevig vastgebonden met draad, wat noodzakelijk is omdat anders alles bij de minste golf tegen dek zou kletteren.  Pal voor de werktafel van de kok staat een lange eettafel opgesteld, waaraan de hele crew - inclusief wij dus - ontbijt, middag- en avondmaal zullen nuttigen. Alles lijkt er op te wijzen dat we onmiddellijk voor vol zullen worden aanzien. We mogen vanaf dag één aanschuiven bij de grote mensen. Wel drukt Matthew ons op het hart dat we tijdens de zeereis onder geen beding de skipper mogen lastigvallen. Dat is blijkbaar taboe. Elke conversatie tussen kapitein en bemanning dient via hem te verlopen. Als het maar dat is. Na onze rondleiding krijgen we nog een forse handdruk en mogen we beschikken. Xavier stelt voor om een kroeg in te duiken. Ik opper geen bezwaar. Ik zal spoedig al mijn schuld aan hem kunnen vereffenen. Onze gage zal daarvoor toereikend zijn.   Onder het nuttigen van enkele biertjes, luister ik eens te meer naar de vermakelijke verhalen van Xavier. In welke mate ze waarheid bevatten, kan me intussen geen barst meer schelen. Ik amuseer me te pletter. Wie zegt dat deze kerel niet deugt, deugt zelf niet of heeft slechte bedoelingen.   Foto: ©photosuus

Lou Van Lier
0 0

Nieuwsbrief mei 2016 + Persbericht

NIEUWSBRIEF MEI 2016Link naar nieuwsbrief: http://us9.campaign-archive1.com/?u=5fabdfb944297194e20b620bd&id=e257502059   PERSBERICHT Logo Dender vzw beloont Rookvrije Klassen met professionele filmworkshop Aalst - In oktober 2015 gingen 42 klassen uit secundaire scholen de uitdaging aan om 6 maanden lang minstens 90% rookvrij te blijven. Bij het derde en laatste registratiemoment bleek 96% van de deelnemende klassen te voldoen aan deze norm. Logo Dender vzw beloont drie klassen uit Aalst, Zele en Dendermonde met een bezoekje van ……. en een mooie prijs! In Aalst namen het Koninklijk Lyceum en DVM Handels-, technisch en beroepsonderwijs en deel aan deze wedstrijd. De twee scholen in Aalst waren op het eind voor …% rookvrij.   De 'Wedstrijd Rookvrije klassen' is een georganiseerde bewustmakingscampagne van het Lokaal Gezondheidsoverleg (Logo) in samenwerking met het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie (VIGeZ) voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Met deze campagne worden de jongeren aangemoedigd en ondersteund om rookvrij te blijven. De leerlingen van de deelnemende klassen sluiten gezamenlijk een contract af waarin ze beloven gedurende zes maanden niet te zullen roken. De leerkracht registreert op drie momenten het aantal rookvrije leerlingen. Alle klassen die in het opzet slagen, namelijk zes maanden 90% rookvrij blijven, ontvangen een diploma.   Met de campagne hoopt Logo Dender vzw de deelnemende scholen te inspireren om rond tabakspreventie aan de slag te gaan en werk te maken van een gezondheidsbeleid in de school.   Dit schooljaar ging er ook een creatieve wedstrijd door. Dit bestond uit het maken van een stop-motion of flipboek over niet (beginnen) roken. Elke geregistreerde klas kon tot einde april 2016 één stop-motion of flipboek uploaden en inzenden.  Twee klassen van DVM Handelsschool Aalst maakten een stop-motion. Op basis van de creatieve inzending en de behaalde eindscore werd de klas 2Bb uit DVM Handelsschool Aalst gekozen als lokale winnaar. Deze klas krijgt op …. het diploma overhandigd en mag een professionele workshop volgen over het maken van een animatiefilm om zo hun reeds zeer getalenteerde filmvaardigheden nog meer bij te schaven!   Meer info: www.logodender.be en www.rookvrijeklassen.be.    

Jade Janssens
0 0

Een hagelwit kostuum ?

Van de Italiaanse topontwerper Roncalli   De charismatische Angelo Roncalli was geliefd bij jong en oud. Voor zijn vernieuwende ideeën werd hij gerespecteerd door  vriend en vijand.   Inmiddels werd hij, terecht,  heilig verklaard.  Het gaat hier met name over de innemende “Man in White” die beter bekend stond onder zijn pseudoniem Johannes XXIII.   Door het samenroepen van het Tweede Vaticaans Concilie vernieuwde hij de katholieke kerk van weleer.  Een van die vernieuwingen was dat voortaan de zwarte soutane van de priester door een “clergyman” mocht worden vervangen.   Dit tot grote opluchting van vele pastoors en kapelaans maar evenzeer van hun huishoudsters (en hier en daar een koorknaap) die allen verlost werden van het langdurig "deboutonneren" van de ontelbare knoopjes.   Was het omwille van zijn omvangrijk postuur, of was hij toch wat ouderwets? Was er obstructie vanuit de Romeinse Curie (rokken tot daar aan toe, maar rode of paarse pakken!)?   Waarom heeft de man toen niet de toon gezet en is hij niet meteen in een wit kostuum verschenen op het balkon aan het Sint Pieters Plein?   Wij zullen het allicht nooit weten en van zijn meer bekrompen opvolgers kon men niet verwachten dat zij het ijs zouden breken. Voor de eveneens heilig verklaarde JP 2 zou het tijdens zijn vele wereldreizen nochtans een stuk comfortabeler geweest zijn.   J.M. Bergoglio, ook al een naam die aan een Italiaanse modeontwerper doet denken en ondertussen beter bekend als de populaire paus Franciscus, zal hij het waar maken?   Zou het inderdaad geen zegen én statement zijn deze beminnelijke man voortaan in een hagelwit maatpak te zien aantreden?  En dat hoeft geen Hugo Boss , Gucci of Zegna te wezen, een simpele Argentijnse “sastre”  zal de job wel klaren. 

Vic de Bourg
15 0

sara en de gans

Sara en haar broer Peter maken zich klaar voor een wandeling door het winterse Pajottenland. Moeder stuurt hen naar boer Haze om een gans op te halen voor het familiediner die avond. Alle nichtjes en neefjes zullen er zijn, kleine Sara kijkt al uit naar een avond vol verstoppertje, verkleedpartijtjes en leuke plagerijen van de grote neven. Moeder helpt haar bij het aantrekken van haar winterjasje en wollen muts. De wantjes die oma vorige kerst voor haar breidde, bengelen uit de mouwen van haar jasje. Sara kijkt verlangend naar het sneeuwlandschap buiten en wacht tot haar broer haar bij de hand neemt; dan gaan ze samen onder het afdak in de tuin de houten slee halen, daarop zullen ze de gans binden. Met een trotse blik op hun kindersmoeltjes slepen ze de slee achter zich aan richting boer Haze. In dit kleine dorp in het heuvelige Brabantse landschap staan de huizen allemaal ver uit elkaar, zodat het naar de dichtstbijzijnde buur wel een kwartier stappen is. Het vriest stukken van de bomen, Sara trekt gauw haar wantjes aan en vraagt aan broer of ze de slee ook eens mag trekken. “Ik heb een beter idee,” zegt Peter. “Ga jij maar achterop zitten, dan trek ik je verder.” Sara klampt zich goed vast aan de houten spalken van de slee en voelt kriebels in haar buik wanneer deze vaart begint te maken; Peter slooft zich uit, Sara geniet zoals alleen kleine kinderen dat kunnen. Rode wangetjes omlijnen haar stralende lach en de springerige krullen dansen onder haar muts in de wind. Peter wordt moe en vertraagt zijn pas. Sara klautert van de slee, gaat terug naast hem lopen en pakt zijn vrije hand. Zo lopen ze nog een tijdje hand in hand, tot ze in de verte het huis van boer Haze kunnen onderscheiden. Terwijl ze dichterbij komen, zien ze vrouw Haze op het pad verschijnen en hen toewuiven. Wanneer ze het huis bereiken, opent ze uitnodigend haar grote boerenarmen en neemt hen mee naar binnen, waar de kolenkachel kucht en rommelt. De warmte doet hun vingers tintelen, snel schuifelen ze dichterbij om zich helemaal warm te wrijven. Vrouw Haze schenkt hen allebei een hete kop chocolademelk. Ze slurpen hem langzaam leeg, tot hun magen een warmwaterblaas lijken. Ondertussen is boer Haze de gans gaan halen, hij roept de kinderen bij zich op het achterkoertje. De gans is een groot wit beest dat hopeloos gevangen zit in de greep van boer Haze. Het slaat als een wilde met zijn vleugels, maar de boer is sterk, hij houdt de gans moeiteloos met één hand in bedwang. “Geef me dat mes daar ‘ns, jongen,” zegt de boer tegen Peter. “En voorzichtig zijn hoor, neem het bij de houten greep en pas op voor je vingers. Ga jij maar wat achteruit staan, kleintje.” Sara deinst achteruit, onder de indruk van het grote mes. Ze kijkt als gehypnotiseerd naar het immense lemmet, zodat ze niet in de gaten heeft wat er gaat gebeuren. De boer neemt het mes over van broer, gebaart deze ook wat achteruit te stappen, en maakt plots een heftige beweging, het gaat zo snel dat Sara het niet goed gezien heeft. Maar het mes ziet nu rood, en de gans, die nog steeds met haar vleugels flappert, maakt een hels geluid. Het is alsof ze schreeuwt, en haar flapperbewegingen worden stuipen. Ze schudt en schokt, Sara vind het zo’n raar gezicht dat ze haar ogen niet kan afwenden. Dan ziet ze dat de boer zijn handen vrij heeft, de gans ligt op de grond. Ze schreeuwt niet meer, maar ze beweegt nog wel. “Zo, die is klaar voor de pot,” zegt de boer. Peter, die ziet dat Sara onbeweeglijk blijft staren naar het dier, fluistert zijn zusje in het oor: “De gans is dood, Saar. Laten we gaan.” Boer Haze neemt de gans bij de poten en bind ze op de slee. Hij geeft broer een schouderklop, Sara een kneep in de wang. “Groeten aan je moeder, hoor!” roept vrouw Haze nog na wanneer Sara en Peter op het pad verdwijnen. Op de weg naar huis zeggen Sara en haar broer geen van beiden een woord. Ze kijken wel af en toe om naar de slee, en naar de dode witte gans die een donkerrood spoor nalaat op de sneeuw.

LL Rigby
0 0
Tip

overschat en overroepen

Ik las onlangs ergens dat 1 op 10 Nederlanders graag een boek zou willen schrijven (en uitbrengen uiteraard). Ik weet niet hoe het met de cijfers voor België zit maar vermoedelijk zijn die van een zelfde strekking. Hoe moet een mens dan in alle ernst schrijver willen zijn? Hoe moet je je onderscheiden? Veel komt tegenwoordig – noodgedwongen – aan op zelfmarketing, tenzij je er natuurlijk op rekent gewoon een genie te zijn en ‘bij toeval’ ontdekt te worden door een uitgever, maar laat ons wel wezen, dat is zonder directe contacten eigenlijk quasi ondenkbaar. Zelfmarketing dus, een blog, facebookposts, aansluiting bij groepen over lezen, literatuur en schrijven, en maar hopen dat je er op een of andere manier uitspringt, of op den duur zoveel volgers verzamelt dat de literaire wereld je wel au serieux moét nemen. Hoe dan ook, al dat ge’kijk-eens-naar-mij-en-hoe-goed-ik-wel-ben is enorm vermoeiend en bovendien een serieuze aanval op je zelfrespect. Ik heb constant het gevoel dat ik te hard probeer en net daardoor nooit serieus zal worden genomen door een sector die misschien wel zwaar overschat want vooral erg gesloten en elitair is? En toch blijf ik proberen. Ik neem deel aan verhalen- en gedichtenwedstrijden, haal hier en daar een keer een longlist, won een keer derde plaats, niet slecht, maar ook niet bijzonder. Een kennis met kennis van zaken zei me dat het overigens niet per definitie de winnaars zijn van dat soort wedstrijden die vanzelfsprekend een kans maken op succes, misschien een beetje zoals het parcours van winnaars van talentenjachten vaak ondergeschikt blijkt aan dat van de runners-ups (is daar een goed Nederlands woord voor? want ik ben zeg maar all for taalbehoud en zo). Ik stuur mijn schrijfsels ook graag in naar de meer serieuze literaire en culturele tijdschriften, maar krijg daar voornamelijk het deksel op de neus. Niet lang genoeg, niet kort genoeg, niet literair genoeg, kortom niet goed genoeg. Ik zie ook wel dat wat vandaag als literatuur de wereld rondgaat anders is dan wat ik schrijf (of is dat weer defensieve bescheidenheid?), maar of het daarom minderwaardig is, is maar zeer de vraag. Misschien een keer een schrijfcursus volgen, is een vaak gehoord advies. Tjaaa. Om eerlijk te zijn zou mijn grootste motivatie daarvoor een opportunistische zijn – namelijk dat dat ‘wereldje’ erg klein en ons-kent-ons is. En wanneer je dan in het oog springt van de docenten, dat je makkelijk kan worden doorgeschoven aan hun achterban en zo is de bal aan het rollen, mogelijkerwijs. Maar laat ik nu een dubbel gevoel hebben over dat soort toelaatbaar nepotisme. Natuurlijk zou ik ergens willen dat ik persoonlijk bevriend was met een Tom Lanoye, een Annelies Verbeke of een Griet Op de Beeck, en dat die uit vriendschap en respect voor mijn talent (want dat heb ik, wordt mij ook meermaals verteld) hun contacten inzetten en me op die manier een duwtje kunnen geven. En aan de andere kant wil ik het godverdomme gewoon zélf doen en verdienen. Maar dan moet ik dus opboksen tegen de overige twee miljoen (pakweg, mijn snelle berekening van 10 procent Vlamingen+Nederlanders) doodgewone burgers die ook bijzonder genoeg willen zijn om hun verhaal of boek gepubliceerd te krijgen. Geen conclusies aan het eind van dit betoog. Enkel de pijnlijke waarheid: dat het verdomd moeilijk is om in jezelf te blijven geloven terwijl je jezelf ziet verloochenen door goedkope zelfpromotiestunts op facebook en watnog, om toch maar gezien, gehoord en vooral gelezen te worden. De beste oplossing lijkt me eenvoudigweg een opening vinden in het space/time continuüm en ‘Midnight in Paris’-gewijs vijftig jaar teruggaan in de tijd en de eerlijke strijd aangaan, vanuit de mogelijke illusie dat het toen allemaal makkelijker was, beter, puurder, weetikveel. Schrijven, ploeteren, uitwisselen met andere kunstenaars en een plekje bemachtigen aan het firmament van Nederlandstalige schrijvers. Als ik heel eerlijk ben weet ik ook wel dat ik me nooit had kunnen meten met de Daisnes, Couperussen,  Timmermansen, Clausen en zo verder. Maar misschien nog net met de Walschappen of Lampo’s?  (bescheidenheid is een overroepen kwaliteit) In de grond komt het er op neer dat je altijd in jezelf moet blijven geloven en moet blijven werken om je doel te bereiken, maar dat er vaak (té vaak?) momenten zijn waarop je eigen innerlijke stemmetje dat van de zogenaamde kenners met veel overtuiging echoot: niet goed genoeg, ga wat anders doen. De vraag is of je als schrijver recht hebt van bestaan op basis van je talent en het geloof in jezelf, of enkel en alleen op basis van de kredietwaardigheid die je wordt verschaft door een onafgelijnd en mogelijk overschat maar zeer reëel instituut, zijnde de ‘literaire sector’.   (Ik hoop stiekem maar gewoon dat het waar is dat de aanhouder wint en dat ik uiteindelijk moge worden geaccepteerd, gedécouvreerd, gewaardeerd, geromantiseerd, gesavoureerd, genepotiseerd en op welke manier dan ook: gepubliceerd. Zie je, ik probeer gewoon te hard.)

LL Rigby
35 0

liefdesbrief

Mijn lief! Laten we vergeten, vergeten wat ons vertroebelde, wat de maatschappij deed bepalen wie we waren. Laat ons de buitenwereld laten voor wat ze is, een context in de marge, een bureau-accessoire. Laat het ons een mooi plaatsje geven, laat het ons gebruiken in zoverre het ons van belang is, verder niks. Laat ons een eigen wereld creëren, een parallel universum, waar alles van belang is en niets praktisch. Laat ons leven van de zinloosheid, de illusie. Laat ons samen poëzie maken, onthul de poëet in mij. Mijn lief, laten we ons beider zoektochten samensmelten, laat ons niet langer tegen windmolens vechten, noch tegen elkaar… laat ons samen ontdekken wat de liefde is, laat ons twee helften zijn van één schelp. Laat ons niet malen om overdreven sentimentaliteit, laat ons teren op ons gevoel, laten we samen beseffen dat niets anders van belang is. Laat ons op ontdekkingstocht gaan, laten we weggaan van hier, laten we de zuurstof inademen en elkaar bevruchten met onze adem. Laat ons elkaar ontleden, millimeter bij millimeter lezen, voelen, smaken. Laten we niet praten, laten we woorden ons niet langer belemmeren, laten we elkaar begrijpen zonder meer. Mijn lief, laten we stoppen met afwegen, met prioriteiten stellen, laten we loslaten en alles op ons af laten komen. Laten we naakt op het gras gaan liggen en ons verwonderen, verblijden, om de nabijheid van de aarde en van mekaar. Laten we lak hebben aan normen, aan eten, aan drinken, aan het draaien van de planeet. Laten we genoeg hebben aan mekaar. Laten we elkaar liefhebben, zoals nooit iemand liefgehad heeft.  

LL Rigby
0 0

Steeds roestrood jouw geschrift

Ik had gezien hoe Elise haar schoenen aantrok, zich in de ogen wreef, een rugzak pakte, haar mond bedekte, hoe zij door het park wandelde.   Ik hoorde ook geluiden, het geluid van de donsdenken bijvoorbeeld, wanneer Elise tegen mij aan lag, haar adem, haar lach, en haar stem, natuurlijk.   Ik wou iemand vertellen over het bestaan van Elise, over haar handen, haar bewegingen, wou de bewondering van een getuige, de bewondering van een luisteraar.   Ook al wist ik dat vanaf dat moment het kijken anders zou zijn.   Ik kende de buurt, waar ze heenging, ik kende het bankje, waar ze ging zitten, en ik wist, Elise zou kort halt houden, ze zou naar hem glimlachen, zou iets zeggen, stil. Ik weet aan welke zijde het gras groener is, ik weet, met wie jij op dat bankje vertoeft, ik weet het.   Ik schreef het met vulpen, in roestrood geschrift, ik verfrommelde het papier.   Elise sprak er regelmatig af, doch nooit bleef zij bij hem de nacht doorbrengen, steeds trok ze haar rugzak weer aan, ging meestal een stuk te voet, nam dan een taxi, om naar huis te rijden. Ik wachtte dikwijls, op het licht in de badkamer, hoe zij zich het gezicht wast, meende ik dan, hoe zij zich de handdoek tegen het gezicht drukt, eenmaal lang uitademt, vervolgens in de spiegel kijkt, even maar, voor zij het licht uitdoet.   Ik zag hoe het kijken veranderde.   We spraken regelmatiger af, ik vertelde, wist op welke momenten ik moest lachen, moest zwijgen, moest glimlachen. Staat je beeldig, die rugzak, zei hij op een keer, dat wrijven in je ogen doe je dat altijd, vroeg hij op een andere keer, zoals jij naar me kijkt, zei hij steeds opnieuw, soms lachte hij om mij. Hij keek, hoe ik mijn schoenen aantrok, door het park wandelde, wat een mooie vulpen, zei hij op nog een andere keer, steeds roestrood, jouw geschrift.   Het kijken was veranderd, het was een soort obsessie geworden, Elise stelde nu vragen, waar was je gisteren, bij wie was je gisteren, vroeg ze, en ze vroeg het lachend. Bij wie was je, vroeg ze nogmaals, en ik vernoemde zijn naam, keek haar aan, terwijl zij zijn naam herhaalde, keek haar aan, terwijl ik over hem sprak. Ik beeld mij in, dat jij nu hier zou zijn, verfrommelde het papier.   We zaten op het bankje, Elise aan zijn zijde, eerst spraken we niet, dan keken we elkaar aan, de rugzak wil ik terughebben, had ze gezegd, de wijze waarop ze het zegt, meende ik, hoe het klinkt, haar lachen, haar stem.   Ik wenste, dat ik wist, hoe groen het gras aan de overzijde is, wanneer je over mij spreekt, schreef ik, verfrommelde het papier.

Sascha Beernaert
0 0

koffie, fruit en bloemen

‘Bédankt voor die bloeeemen.’ Dat waren de enige woorden die paus Johannus Paulus II ooit tot ons, arme nederlandstaligen, richtte, en enkel tijdens de jaarlijkse urbi et orbipaasmededeling van het Vaticaan. Ik vraag me af of Billy zich nog herinnert hoe we daar elk jaar met de familie Karsten een groot feest rond bouwden. Mijn vrouw Ingrid en ik nodigden dan mijn broer Jos en zus Connie uit, en dan zaten we samen uren voor de tv, te wachten tot het nieuwsbericht zou verschijnen waarin de heuglijke woorden weergalmden, om die dan in koor mee te brullen. Ingrid glimlachte stilletjes op de achtergrond, zij was niet van het uitbundige soort, maar beleefde er op haar manier ook plezier aan. Vervolgens gingen we de andere zenders af, op zoek naar hetzelfde nieuwsitem, en zo kon het een hele avond doorgaan, tot we alle nieuwsuitzendingen en herhalingen van nieuwsuitzendingen hadden gezien en tientallen maal het lof van de bloeeeemen hadden gezongen. Op die avonden vloeiden er ook ettelijke liters alcohol uiteraard, allemaal in naam van de godsdienst. Nee, Billietje zou het zich vast niet meer herinneren, hij was amper twee of drie toen de paus kwam te overlijden en de strakkere Benedictus in de plaats kwam, snel gevolgd door Franciscus. Hoewel beiden plichtbewust bedankten voor de bloemen, was het niet meer hetzelfde. Billy begrijpt waarschijnlijk niet waarom de Karstens zo nodig elk jaar rond Pasen moeten samenkomen rond de tv met een lading drank en, bij wijze van voortzetting van de olijke familietraditie, een hele avond de volledige reeks van Fawlty Towers (the next best thing) zitten kijken en luidkeels ‘Ai noow naaathing’ meebrullen met Manuel from Barcelona. Anderzijds vraag ik me af of Billy eigenlijk wel iets merkt van het rumoer en het gelach, hij leeft sowieso het grootste deel van de tijd in zijn eigen wereldje. Hij is inmiddels negen en zijn leeftijd ver vooruit. Althans dat zeggen de psychologen die hem hebben onderzocht, nadat de lerares van het eerste leerjaar na enkele maanden vermoedde dat er iets bijzonders met hem aan de hand was. Of dat ‘bijzonders’ positief of negatief was durfde ze niet te zeggen. Daarom achtte de schooldirectie het raadzaam om Billy even te laten testen. Je denkt natuurlijk meteen het ergste op zo’n moment, maar als ouder wil je het beste voor je kind dus je laat hem testen. Bleek dat hij een IQ van 165 had maar dat hij ook in de categorie ‘autistisch’ werd onderverdeeld. Niet zozeer omdat hij aan de criteria voldeed, wel omdat zijn IQ zo hoog was en omdat er verder geen land met hem te bezeilen viel. Tijdens de vragenrondes kregen de hooggeschoolde dokters en psychologen geen zinnig woord uit hem. Het enige waar hij over sprak waren sinaasappels en alles wat er ook maar in de verste verte mee te maken heeft. De kleur oranje, andere citrusvruchten, sinterklaas, Spanje, ronde voorwerpen van allerlei aard, en zo verder. Of ik zijn obsessie voor sinaasappels al eerder had opgemerkt? Ik dacht dat ze me voor het lapje hielden. Ik had Billy nooit een woord horen spreken over sinaasappels of ronde voorwerpen. En in sinterklaas was hij allerminst geïnteresseerd. Op basis van mijn reactie konden ze natuurlijk geen stap verder met hun hypotheses en theorieën, dus hebben ze in het uiteindelijke dossier maar de diagnose ‘waarschijnlijk lijdend aan een bijzondere vorm van autisme’ gezet. Maar vanwege zijn hoge IQ vond de school het wel goed dat hijvoorlopig de gewone lessen bleef volgen, om te zien hoe het liep. Mooi was dat. Toen ik Billy enkele dagen later terloops zei dat ik niet wist dat hij sinaasappels zo leuk vond, keek hij me aan met een lege blik. Hij hoorde het in Keulen donderen. Wil je dat ik sinaasappels voor je koop? Ik had eigenlijk nooit sinaasappels in huis omdat ik er zelf een hekel aan heb. Billy keek me strak aan en schudde langzaam van nee. Billy is inderdaad een beetje vreemd. Als ouder hoor je van je eigen kind te vinden dat hij god is of zo, of alleszins het meest fantastische kind op de planeet. Nu, ik kan je wel vertellen dat er gezelliger kinderen zijn dan Billy, samen spelletjes spelen heeft hij nooit leuk gevonden en hij zegt niet bijster veel. Maar soms, soms kan hij me zulke blikken toewerpen of plots mijn hand vastnemen en die secondenlang vasthouden, dat ik er koude rillingen van krijg. Maar dan in een warme zin, zeg maar. Eigenlijk krijg ik dan het gevoel alsof híj míj liefde geeft. Alsof hij een oude wijze man is. Hoe het ook zij, Billy is mijn zoon en ik hou van hem in al zijn uniekheid. Daarom jeukte het me wel erg toen die toestanden in de school hem plots veranderden in een soort freak, een mankement, alweer een misfit die niet in de samenleving zou kunnen meedraaien. Ik weiger hem zo te zien, al moet ik wel bekennen dat ik hem sindsdien nauwlettender in de gaten ben gaan houden. Inmiddels weet ik dat hij ’s ochtends bij het ontbijt het meest spraakzaam is. Dan praat hij soms ook over mama. De mama die hij eigenlijk nauwelijks heeft gekend. Hij was drieënhalf toen Ingrid stierf. Ze was plots ziek geworden en is nog plotser gestorven. Ik kan mij amper voorstellen dat Billy’s herinnering aan haar erg sterk is, toch lijkt het of ze gisteren nog bij ons aan de ontbijttafel  koffie zat te drinken, zoals Billy over haar praat. ‘Het is grappig hoe mama altijd uit die ene kop met Mickey Mouse koffie drinkt, en uit die met Donald Duck alleen maar thee. Jij haalt ze altijd door elkaar, hè papa?’ ‘Wil je niet bij ons komen zitten, jongen?’ vraag ik na twee afleveringen Fawlty Towers, wanneer we een gezamenlijke plas- en benenstrekpauze houden. Billy kijkt me een beetje schaapachtig aan en haalt zijn schouders op. Ik zie Connie naar de keuken lopen, vermoedelijk om nog meer witte wijn te halen en zeg tegen Billy: ‘Dan mag je vast wel een slokje wijn proeven van tante Connie.’ En ik geef hem een vette knipoog, maar Billy zit alweer met zijn hoofd over zijn boek gebogen. ‘Wat schrijf je? Huiswerk?’ Zonder opkijken schudt Billy van nee. Ik werp een blik over zijn schouders en zie Billy in sierlijke krullen met een groene viltstift zijn schrift volpennen met de drie woorden waar hij het meest van houdt: Billy, mama, papa. Van rechts naar links. Billy is linkshandig en vindt het – tot groot ongenoegen en frustratie van zijn lerares op school – handiger om van rechts naar links te schrijven, in spiegelbeeld dus. Zo veegt zijn hand niet over de inkt. Tja. Ijzersterke logica, als je het mij vraagt. Voor zijn schooltaken schrijft hij netjes van links naar rechts, maar zodra hij de kans ziet doet hij het omgekeerd. Van mij mag het best. Jos heeft Fawlty Towers weer aangezet en roept me om mee verder te kijken. ‘De aflevering waar Fawlty zijn nazi-loopje doet komt eraan, die mag je niet missen!’ roept hij me enthousiast toe. ‘Kom je echt niet meekijken, Billyboy?’ Hij houdt van die naam, zo noemde zijn mama hem altijd. Hij draait zich naar me toe met een grote grijns.’ Hij staat op en zet zich stilletjes op het tapijt naast tante Connie, werpt een blik op haar glas wijn en zegt in alle ernst: ‘Papa, ik zou liever een glas sinaasappelsap willen.’ Een zekere ochtend tijdens het ontbijt staat Billy plots op, alsof hij zich net iets bedenkt, iets belangrijks dat hij vergeten is. Hij staat een aantal seconden bewegingsloos voor het aanrecht. Ik kijk naar hem, observeer hem. Met gecontroleerde bewegingen komt hij terug naar de tafel, tilt zijn stoel op en sjouwt hem tot bij het aanrecht. Beheerst kruipt hij op de stoel, opent de kast en kijkt erin. ‘Wat zoek je?’ vraag ik, maar ik weet al dat ik geen antwoord zal krijgen. Vanochtend is hij opvallend stil. Niet stiller dan meestal, wel stiller dan gewoonlijk bij het ontbijt. Hij schuift wat glazen en tassen opzij en neemt dan iets achteraan uit de kast. Als hij de kastdeur weer sluit zie ik hem staan, roerloos op zijn stoel in het midden van de keuken, met zijn beide kleine handjes om de grote Mickey Mouse kop van mama. Iets binnenin mij verslikt zich, maar ik blijf onbeweeglijk naar hem zitten staren. Benieuwd naar wat hij nu gaat doen. Of zeggen. Voor wat een eeuwigheid lijkt, staat hij daar in de ogen van Mickey Mouse te kijken en te glimlachen. Dan komt hij uit zijn trance, klimt van de stoel, zet de kop op het aanrecht, heult zijn stoel weer naar de tafel en gaat de kop halen. Die hij triomfantelijk voor mijn neus zet. Ik kijk hem vragend aan en hij beantwoordt met één van zijn wijze, alwetende blikken, neemt de kop en zet hem naast zijn bord met de halfopgegeten boterham neer. En dan eet hij verder zijn boterham op met alle sereniteit van de wereld. Nadat we allebei nog twee boterhammen op hebben – Billy is een stevige eter, net als ik – vraag ik hem wat hij wil drinken vandaag: melk of chocolademelk? Hij kijkt me aan alsof ik het achterlijkste wezen van de hele wereld ben en zegt doodleuk, met de woorden van zijn mama: ‘Dommerd, je onthoudt het nooit hè, in de Míckey kop hoort koffie!’

LL Rigby
0 0

het diner

“Vroeger was hier een bar”, zegt de oude man, terwijl hij met zijn armen een gebaar maakt dat de ruimte in zijn geheel moet aanduiden. “Alles was eigenlijk precies hetzelfde, behalve het plafond. Er hing hier toen, dwars over de ruimte, een grote metalen steunbalk, die zo laag hing dat we er regelmatig ons hoofd aan stootten.” Hij grinnikt en verstilt dan plots. Misschien denkt hij aan het feit dat hij toen nog zijn hoofd kon stoten omdat hij toen nog niet aan zijn rolstoel gekluisterd was. De anderen merken zijn stilte niet op, glimlachen hem vriendelijk toe, zoals jonge mensen dat meestal doen wanneer ze verhalen aanhoren van oude mensen. “Hoe lang was dat geleden dan?”, vraagt het meisje beleefd, een oprechte interesse doeltreffend veinzend. Ze is van het lieve, zachtmoedige type, dat nooit de aandacht op zichzelf zal vestigen als dat niet nodig is. De andere twee, de jonge vrouw en de jongen met roodgelakte nagels, luisteren schijnbaar naar het antwoord, maar zitten al lang met hun gedachten bij iets anders. Bij zichzelf. Het eten wordt opgediend, iedereen behalve de oude man is dankbaar voor de afleiding. Ze bekijken hun borden goedkeurend, zeggen elkaar vrolijk “Eet smakelijk” en beginnen te eten. De oude man neemt zijn bestek in de handen, maar gaat verder met zijn verhaal. Het eten schijnt hem niet te interesseren, behalve dan als motief voor deze avond, dit samenzijn. “Mag ik nog een beetje?”, vraagt de jonge vrouw terwijl ze haar lege glas heft naar de oude man, die zichzelf als bewaker van de kruik witte wijn heeft opgeworpen. “Jazeker! Wie wil nog?” En hij bedient  iedereen vervolgens een scheut wijn van ongeveer twee vingers en vult zijn eigen glas tot de rand vol. Wanneer de oude man eindelijk op zijn eten aanvalt, kijkt de jonge vrouw een beetje beteuterd naar haar glas en neemt een slok wijn. Het meisje glimlacht haar van over de tafel onschuldig toe. De jonge vrouw beantwoordt haar blik met een frons en een schuine blik op het amper gevulde glas. Samenzweerderig knikt ze in de richting van de oude man en draait daarbij met haar ogen. Het meisje reageert echter niet beamend maar met opgetrokken wenkbrauwen en een blik van verrassing. De jonge vrouw leest een vorm van veroordeling in die ogen, die het meisje nooit bedoeld heeft, maar die zij zich wegens haar grote onzekerheid inbeeldt. Een tijdlang eten ze gevieren in verder in stilte. “En, smaakt de zalm?”, vraagt de jonge vrouw dan aan de jonge man links van haar. Ze lijkt vastberaden de avond luchtig te laten verlopen, en ontwijkt voor even de blikken van de oude man, die elk contact aangrijpt om een nieuw verhaal te beginnen, en die van het jonge meisje, die haar onzeker maken. De jonge man gaat met haar een gesprek aan over het eten van vlees en vis. Hij bekent dat hij misschien na dit bord nog een portie wil bestellen. De jonge vrouw bedenkt dat hij ondanks zijn vrouwelijke aanleg en ambities een grote eetlust heeft, maar ze zegt het niet. Ondertussen is aan de overkant van de tafel, tussen de oude man en het meisje, een gesprek ontstaan over de vrouwen en de kinderen aan de enige andere bezette tafel in het restaurant. Ze vragen zich af wie nou familie is van wie.  Ze vergelijken gezichtskenmerken en kledij. “Die vrouw met het rode haar moét wel de moeder zijn van die donkere meid, ze dragen hetzelfde jack!”, zegt de oude man vol overtuiging tegen het meisje. “Hm-mm,” beaamt het meisje inschikkelijk. “Waar slaat dat nou weer op?” komt de jonge vrouw tussenbeide, meteen haar impulsiviteit verwensend. Het gesprek interesseert haar voor geen meter, en met dit soort uitspraken jaagt ze de ouwe maar op stang. Ze beseft dat ze maar beter kan afmaken wat ze begonnen is en argumenteert “dat ze hetzelfde jack dragen is toch geen bewijs van hun familieband, integendeel! Ik zou nooit hetzelfde kledingsstuk als mijn moeder dragen, hoor. Jij wel?” vraagt ze aan het meisje, hopend haar te betrekken in haar argument zodat het gesprek weer zonder haar verder kan.  Echter, vóór het meisje kan antwoorden, komt de oude man met zijn repliek. “Dat zegt dan veel over jouw verhouding met je moeder…” “Ach, hier in het zuiden gaat dat vast allemaal anders,” komt de jonge man tussenbeide. Het meisje en de jonge vrouw kijken hem dankbaar aan. “Toch ben ik er zeker van dat dat moeder en dochter zijn, hoor,” gaat de oude ongestoord verder. Hij stoot het meisje aan en begint weinig subtiel in de richting van de tafel met de vrouwen te wijzen. “Je ziet het ook aan de neus, he!” “Ja, ze hebben wel een zelfde soort neus, dat is waar,” antwoordt het meisje met een gedweeë glimlach. De serveuse komt de borden afruimen en vraagt of iemand zin heeft in dessert. Er is vanilleijs en chocoladepudding. Iedereen bestelt chocoladepudding, behalve de jonge vrouw, die haar neus ophaalt. Voor het dessert of voor het compleet ongemakkelijke samenzijn, ze weet het zelf niet. Ze vraagt zich af of de anderen ook hopen dat het snel afgelopen mag zijn. Terwijl ze toekijkt wanneer ze hun toetjes met schijnbaar overdreven enthousiasme ontvangen en beginnen op te lepelen, vraagt ze zich ook af waarom ze zich zo ongemakkelijk voelt. Met al deze mensen heeft ze stuk voor stuk een fijne band, het zijn fijne mensen. Toch mist ze een zekere diepgang, ze mist wezenlijke aansluiting. En ze praat gewoonlijk met elk van hun over zo totaal uiteenlopende dingen, dat ze met deze groepsformatie niet veel aan kan. De jonge man stelt voor om samen een sigaretje te gaan roken. Dankbaar gaat ze op het voorstel in. “Wat een heerlijke avond, vind je niet?” vraagt hij aan de jonge vrouw, die bezig is haar sigaretje te draaien. “Mjaa,” antwoordt ze zonder overtuiging. “Ik bedoel, het is best bijzonder dat we allemaal op deze plek zijn, dat we dit samen beleven.” De jonge vrouw zegt niets en denkt hier even over na. Uiteindelijk zegt ze voorzichtig “maar denk je niet, dat als we op een andere plek zouden zijn, we elkaar nooit zouden ontmoeten, of als we elkaar zouden ontmoeten, we elkaar niks te vertellen hadden?” “Mja, mogelijk. We hebben elkaar nu ook niet zo veel te vertellen, valt me op. Maar toch delen we iets.” “Wat dan?” “Nou, wat ik zei, deze plek. Het feit dat we, toevallig of niet, allemaal hier op deze ene kleine plek op de wereld zijn beland. En dat we er allemaal heel erg van houden.” De jonge vrouw neemt nog een haal van haar sigaret en begint te glimlachen, wanneer ze beseft dat hij gelijk heeft. Verdomde wijsneus! Ze gaan weer naar binnen, de jonge vrouw ziet de scène plots met andere ogen. Ze aanschouwt het kneuterige decor, de aanwezige mensen, haar tafelgezelschap,nog steeds met de glimlach op het gezicht. Ze graait over de tafel naar de nog halfvolle karaf wijn en schenkt ieders glas flink vol. “Een toast!” zegt ze triomfantelijk. “Op het samenzijn!”

LL Rigby
11 0

heiland

Samir kijkt een beetje mistroostig naar de dorre bladeren op het grasveld voor hem. In de uren die hij op dit bankje zit kwamen verschillende mensen voorbijgewandeld op het pad terwijl ze hun best deden hem niet te zien. Hij is totaal verkleumd maar ziet geen andere mogelijkheid dan het gewoon uit te zitten. Het wordt gauw donker, dan kan hij het kleine huisje in. Eten moet morgen dan maar weer. Vanmiddag heeft hij wat broodkruimels van een voederplank voor vogels gestolen. Hij begrijpt niet precies waarvoor het huisje dient, er staat een ezel in en poppen van een man, een vrouw en een baby. Hij heeft een vaag vermoeden dat die baby Jezus moet voorstellen maar weet verder niks van de christelijke godsdienst af.   ‘Van godsdienst krijg je hoofdpijn, jongen’, zei zijn vader altijd. Zijn vader was een uitermate rationeel wezen die tot aan het einde van zijn leven probeerde het discours van religieuze leiders op logica te betrappen, in de hoop zijn eigen cynisme te kunnen ontkrachten, tevergeefs. Hij had Samir de indruk meegegeven dat imams, priesters, goeroes en hun aanhang bovenal lachwekkende wezens waren en niet bijster intelligent. Lang had Samir zich hier geen vragen bij gesteld en zich ver van eender welke religieuze praktijk af gehouden. Op school beet hij zich vast in wetenschappen en Frans, zaken met een zekere logica en een duidelijk nut. Maar in zijn zesentwintigste levensjaar hadden zich twee ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan, die hem evenwel niet tot de religie hadden doen keren, maar die hem voor het eerst met vragen hadden geconfronteerd waarop de antwoorden veelal in spirituele sferen worden gezocht. Zijn vader was ziek geworden vanuit het niets en was nauwelijks twee maanden later overleden. Als om te zeggen dat het leven toch maar door moest gaan ontmoette hij uitgerekend in het ziekenhuis zijn eerste liefde, Reda. Een zeer religieuze moslima.   Hij schudt de gedachten aan de hopeloze strijd met zichzelf en Reda van zich af, wanneer een stem hem doet opschrikken. Een vrouw van middelbare leeftijd staat voor hem en kijkt hem met een brede glimlach meewarig aan. In gebrekkig Frans vraagt ze of hij honger heeft, of hij al gegeten heeft vandaag. Hij aanvaardt met een glimlach het aanbod om bij haar mee aan tafel te schuiven. Hij vindt het niet vanzelfsprekend maar is inmiddels gewend aan dit soort uitingen van medeleven. De meeste mensen lopen hem voorbij zonder groeten, omdat ze niet weten hoe ze zich een houding moeten geven ten overstaan van zijn complete uitzichtloosheid. Anderen weten dat ze zijn leven niet wezenlijk kunnen veranderen maar kunnen hun eigen onbestemde schuldgevoel niet ontlopen en bieden hem eten aan. Of thee. Of een paar handschoenen. Een winterjas. Een hengel. Voor dat laatste had hij vriendelijk bedankt, de man in kwestie reddeloos achterlatend, beroofd van zijn goede intentie.   Gek is het dat je een geur nauwelijks in woorden kan beschrijven en dat je je hem toch voor de geest kan halen. Samir snuift in gedachten de warme geuren van zijn thuisland op en weet dat niets ooit beter zal ruiken dan die mengeling van droge aarde, vee, pruttelende stoofpotjes en een licht zure lucht. Hij zit weer op het bankje, met in de diepe zak van zijn jas een in aluminiumfolie gewikkeld pakket met etensresten. De komende 24 uur kan hij weer moeiteloos doorstaan. De duisternis is inmiddels ingevallen. Hij staat op en loopt op het sfeervol verlichte huisje toe. Hij nestelt zich op de strobalen naast de ezel.   In het kamp had hij een minder comfortabele slaapplek gehad. Stukken karton op de modderige grond, onder een gespannen zeil. Desondanks was hij er maanden gebleven. Hij wist anders ook niet waarheen. Naar Engeland oversteken, zoals de meeste van de anderen van plan waren, zag hij niet zitten. Niet in het minst omdat de overtocht niet zonder risico was. Hij was niet zo ver gekomen om in het ijskoude Kanaal te verdrinken of te stikken in de laadcabine van een vrachtwagen. Bovendien sprak hij nauwelijks Engels. Hij hoopte een kans te krijgen op onderdak en een baan in Frankrijk of België, hoewel hij geen idee had van wat voor werk hij wilde of kon doen. Hij sprak regelmatig met de hulpverleners die het kamp aandeden maar die gingen daar niet over, zeiden ze. Ze brachten enkel spullen en voedsel. Eén knul had wel aangeboden hem een lift te geven naar Parijs, als hij daar zijn kans wilde wagen. Maar dan moest hij het daar verder wel zelf uitzoeken. Samir twijfelde. Een grote stad als Parijs boezemde hem angst in. Hij kwam uit het rurale Hari Rud en was zelfs nooit in Kabul geweest. Zijn twijfel loste zichzelf op toen op een dag een lading Syriërs in het kamp toestroomden. Drie kerels namen beslag op Samirs slaapplek. Hij wilde geen problemen veroorzaken en kroop die avond in een hoekje van de geïmproviseerde tent en sliep op de vochtige grond zonder een woord van protest. Het protest kwam echter van de mannen toen ze bij het ochtendgebed merkten dat hij niet meedeed. Er ontstond een heftige discussie, ze scholden Samir uit voor ongelovige en verrader. Voordat de boel kon escaleren griste Samir naar zijn bundeltje (een trui, een jas, een boek) en liep naar de rand van het kamp, in de hoop daar de knul tegen het lijf te lopen die hem een lift naar Parijs had geboden. Het liep anders en hij kwam terecht in de Westhoek. Onderweg had hij niet de moeite genomen erachter te komen waar ze heen reden. De chauffeur, een andere hulpverlener, had aangeboden hem mee naar huis te nemen voor een maaltijd en een warme douche. Daarna moest hij het zelf uitzoeken. Terug naar het kamp of de wijde wereld in, op hoop van zege. Hij was die middag beginnen wandelen, over kleine paadjes, door de velden, langs de uitgestrekte landschappen die totaal verschilden van die van thuis maar die hem op een vreemde manier toch vertrouwd voorkwamen. Het huisje met de ezel en de aangeboden hulp van toevallige voorbijgangers hadden hem doen besluiten om te blijven waar hij was en te zien wat er zou gebeuren. Eigenlijk wist hij niet eens concreet wat hij verlangde. Een nieuw leven. Een eerste leven.   Hij was tijdens zijn studies gevlucht, op aanraden van een vriend, die hem bezwoer dat in Europa geld te verdienen was, dat de toekomst er nog bestond. Hij begreep Samirs twijfel niet, zijn hardnekkige wens om zijn studies af te maken. Waartoe? Je diploma wordt straks aan flarden geschoten. Als ze je niet eerst inlijven voor de jihad of de volgende strijd in naam van de godsdienst. Zijn vriend was wel religieus, maar niet naïef. Hij wist ook dat die hele godsdienstoorlog waarvan het Midden-Oosten in de ban was niets met Allah te maken had. Heb je naasten lief, wees goed voor elkaar. Dat predikt de imam toch? Nu, ik zeg: laten we dat in Europa doen. Komop. Samir had uiteindelijk toegezegd omdat de twijfel hem tot inertie deed verstarren. En omdat Reda en haar ‘hoezo jij bidt niet tot Allah? dan moet je ook niet verwachten mijn huis en hart te kunnen toebehoren’ hem tot wanhoop dreven.   Ironisch genoeg zit hij elke avond intens naar het kind in de kribbe te kijken. De vrouw die vandaag voor hem heeft gekookt vertelde hem het verhaal van de geboorte van Jezus. Van een man en een vrouw op zoek naar een onderkomen, op zoek naar een helpende hand van wie dan ook. Ze eindigen in een stal en brengen daar één van de belangrijkste figuren uit de geschiedenis ter wereld. Samir grinnikt. Als Jezus vanuit een armoedige stal kon opklimmen tot een bezield persoon, een leider, een redder, dan hij ook. Hij zal zichzelf bezielen, leiden, redden en met verve zijn nieuwe leven uitbouwen. Bij voorkeur eentje zonder religie! Hij schaart zich dichter tegen de ezel aan die zijn lichaamswarmte met hem deelt en valt met een glimlach in slaap.  

LL Rigby
0 0

groen

Ans zoekt de plek met de naam van een vogel. Zwaluw? Flamingo? Kolibrie? Ja, dat was het, kolibrie, of iets wat er op leek. Ze scant de gevels van de huizen, op zoek naar het uithangbord dat verlichting brengt. Ze loopt de straat twee keer op en neer, geen kolibrie te vinden. Aarzelend stapt ze op een oude man toe en vraagt hem of hij weet waar kolibrie is. Tevergeefs. Hij antwoordt met een schouderophalen. Tja, dat was misschien ook niet de beste persoon om het aan te vragen. Aan de overkant van de straat ziet ze een vrouw van haar leeftijd. Ans steekt de straat over en stelt vol goede moed dezelfde vraag. Kolibrie? De vrouw fronst de wenkbrauwen, maar dan gaat haar een licht op. Oh je bedoelt Calibri, die met die pruiken en zo! Ja hoor, die is daar net om de hoek. Ans bedankt haar en stapt op de aangewezen hoek af. Ach, daar is het! Ze ziet inderdaad een etalage vol kunstobjecten die worden opgeleukt door mannequinhoofden met de meest exuberante pruiken. Origineel, denkt Ans. Ze belt aan en onderdrukt de vlinders die komen opzetten in haar buik. Ze ademt werktuiglijk in en uit. Bij de derde uitademing staat ze oog in oog met een man van rond de vijftig, met lang haar, een verschoten hawaïhemd en een gescheurde jeans. Hij heeft een snorretje van het type flower power. Als ze durfde zou ze met haar ogen draaien, de man is een wandelend cliché. Ze schudt hem beleefd de hand en bedenkt gelijktijdig dat ze eigenlijk niet in de positie is om iemand op zijn uiterlijk te beoordelen. Stel dat ze dat straks met haar zullen doen. Ze loopt de gang in, de man achterna, en hangt haar jas aan het aangewezen haakje. Het zweet breekt haar plots uit. Moet ik dit wel doen? Het was een weddenschap met haar beste vriendin. Nu ja, eerder een soort van uitdaging, die ze durfden aangaan omwille van elkaar. Ze hadden allebei lang de heimelijke wens gekoesterd om dit een keer te doen. Toen ze ontdekten dat ze beiden hetzelfde verlangen deelden, sloten ze een pact en besloten tot actie over te gaan. Ans vond het allemaal best spannend en liet zich meedrijven op de golf van gedeelde anticipatie. Maar nu is het eerst haar beurt, Nina zou volgende week gaan. Van de leuke spanning blijft weinig over, ze is enkel nog bloednerveus. Waarom deed ze dit ook weer? Juist ja, om iets nieuws te ervaren. Omdat ze eigenlijk stiekem van zichzelf vond dat ze maar op halve toeren leefde en dat het hoog tijd was daar verandering in te brengen. De man heet Charles – op zijn Frans – en doet zijn uiterste best om haar op haar gemak te stellen. De eerste keer he? Geen zorgen, je bent in goede handen hoor. De studenten hebben twee uur om hun werk af te maken, ze zullen te geconcentreerd zijn om ook maar ergens anders aan te denken. Bovendien zijn het allemaal derdejaars, dus voor hun ben jij niet de eerste noch de laatste. Probeer te ontspannen, denk aan je plannen voor de komende week, of loop in gedachten  het recept voor spaghetti bolognèse door. Dat schijnt te helpen, hahaha! Na vijftig minuten houden we pauze. Dan kan je even  stretchen, koffie drinken en met de studenten kletsen, als je dat wil. Goed, het is bijna één uur. In de kleedkamer vind je een kamerjas. Kom maar binnen als je klaar bent. Het omkleden in het piepkleine kleedhokje valt haar niet makkelijk. Ans lijkt haar motorische vaardigheden verloren te zijn. Ze worstelt met haar te smalle broek en het haakje van haar bh. Het hart bonst haar in de keel. Geen spiegel, typisch. Hm, misschien maar beter ook. Ans ademt nog eens drie keer diep in en uit, kamt haar haren met de vingers en bindt ze samen in een paardenstaart. Ze vermant zich door haar schouders te rechten, trekt de kamerjas aan en loopt met stoere passen het lokaal binnen. Ze kijkt bewust de kamer niet rond maar focust haar aandacht op Charles, die haar met een vriendelijk gebaar een stoel in het midden van de ruimte aanwijst. Als jij klaar bent kunnen we beginnen. Ze kucht en frunnikt langer dan nodig met het lint van de badjas. Ze staat half voorovergebogen en wenst dat ze haar haar niet in een staart had gedaan, dan kon ze haar rood aanlopende gezicht misschien verbergen. Ze kucht nog een keer, trekt de kamerjas uit en legt hem behoedzaam over de stoel heen zodat ze erop kan zitten, dat lijkt haar wel zo hygiënisch. Hoewel, wie heeft die kamerjas nog allemaal gebruikt? Is hij wel gewassen? Paniek. Ze staat als versteend, naakt, voor een groep mensen die ze nooit eerder zag. Haar slapen bonzen. Van ergens ver achter zich hoort ze de stem van Charles. Je mag gaan zitten, Ans. We beginnen met een zittende pose. Kruis je benen en steun je elleboog op de stoelleuning, terwijl je over je schouder heen kijkt. Goed? Zit je gemakkelijk? Het kan zijn dat je benen gaan slapen, het komt erop aan om dat gevoel te negeren. Straks veranderen we de pose, dan kan je even kort strekken. Goed? Ans knikt nauwelijks merkbaar. Ze voelt zich verdoofd, gehoorzaamt gedwee aan Charles’ instructies en staart in de verte. Ze weet niet of ze moet glimlachen of niet, maar besluit van niet. Ze is naakt. Ze zit in een kamer vol geklede mensen, die op dit eigenste moment allemaal naar haar kijken. Het is moeilijk om rustig te blijven ademen, laat staan te blijven zitten. Maar bovenop de schaamte die ze voelt wil ze niet ook nog de vernedering aangaan van het totale falen. Ze verstrakt elke spier in haar lichaam en doet al het mogelijke om maar niet te bewegen. Ze heeft geen enkele heldere gedachte meer. Gespannen spieren, schaamte en absolute angst stromen spiraalsgewijs door haar heen. Op en neer. Ze probeert zich Charles’ tips voor de geest te halen. Iets van een recept. Het recept voor pasta carbonara? Nee, ze weet het niet meer, en kan zich met de beste wil van de wereld nu niet concentreren op eten. In plaats daarvan focust ze haar blik op een vlek op de muur en beeldt zich in dat het een gat is waar ze langzaam maar zeker naartoe gezogen wordt. Het helpt. De stem van Charles rukt Ans uit haar trance. Ans? Ans? Kan je rechtop gaan staan? Je mag even strekken! Ans? Hoi, ja, goed zo, gewoon rechtop. Armen langs je lichaam, zo recht als je kan, voeten een beetje gespreid, hoofd rechtop. Ans weet nauwelijks nog waar ze is. Ze volgt de instructies gelaten op, denkt niet meer aan haar naaktheid. Ze vindt gauw weer een nagel aan de muur om op te focussen en voor ze het weet is het tijd voor pauze. Charles komt op haar toe en gooit de badjas om haar schouders. Ze lijkt wel verlamd. Koffie? vraagt Charles vrolijk. Ze knikt, niet in staat een woord uit te brengen. Mechanisch trekt ze de badjas aan en maakt een stevige knoop in het lint. En hoe ging het? Niet te veel last van je benen? Daar hebben de meesten het het moeilijkst mee. Ans neemt de koffie van hem aan en schraapt de keel. Hm. Hm. Nee, valt wel mee. Ze kijkt naar haar benen als om na te gaan waar die ook weer zitten. Acuut voelt ze een pijnscheut door haar linkerkuit vlammen. Au! Bijna laat ze het kopje koffie vallen, ze ploft neer op de stoel en kijkt voor het eerst om zich heen. De studenten zijn allemaal in de weer met koffie en elkaar. Ze schenken geen aandacht aan haar. Wat zijn ze jong! denkt Ans.  Was het wat je ervan verwacht had? Nee, helemaal niet! antwoordt Ans iets te fel, te snel. Ahum, sorry. Ik bedoel… Ik weet het niet. Ans denkt bij zichzelf dat niks aan deze ervaring is zoals ze het zich had voorgesteld. Ze had gedacht dat het een soort meditatie zou kunnen zijn. Ze had over het algemeen geen probleem met naakte mensen of zelf naakt zijn, dus ze vond het de ultieme uitdaging voor zichzelf, om trots te zijn op haar lichaam en dat ter beschikking te stellen aan de kunst. Want ze hield ook van kunst! Maar dit alles… ze voelt geen trots over haar lichaam, ze voelt geen verbondenheid met de kunst. Ze voelt zich een instrument. Een ding. En ze moet nog een uur doorgaan! Ze voelt aan dat het niet kies zou zijn om Charles en zijn studenten nu in de steek te laten. Nog los van het geld dat ze dan vast niet zou ontvangen, vind ze dat zelf ook niet kunnen. Ans gaat er prat op een correct mens te zijn. Charles kijkt op de klok. Zo, Ans, tijd voor de tweede helft. We gaan door met de staande pose, maar telkens met een kwartdraai naar links. Zo krijgt iedereen de kans om voor -, zij- en achteraanzicht te tekenen. Ans, probeer te ontspannen. Oké. Ontspannen. Ans ademt diep in, trekt de kamerjas uit en probeert met al haar macht haar zelfvertrouwen weer uit haar tenen naar boven te trekken. Ze kan dit. Het is meditatief. Het is voor de kunst. In haar hoofd begint ze een mantra te zingen die ze kent van de yogales. Het helpt een beetje. Haar spieren lossen hun strakke spanning, ze buigt even door te knieën, beseft dan weer dat ze volledig stil moet blijven staan en onderdrukt een lach. Ze glimlacht een beetje dwaas voor zich uit, met hernieuwd vertrouwen herhaalt ze de mantra in haar hoofd. Enige tijd later hoort ze Charles zeggen Kwartdraai!, en ze draait verder door naar links. Plots staat ze oog in oog met één van de studenten. Het is onmogelijk langs hem heen te kijken, hij staat precies in de lijn van haar ogen. Ze probeert haar blik onscherp te krijgen, maar het lukt haar niet. Trekt hij zijn wenkbrauw op? Wat is dat voor grijns? De schaamte over haar naaktheid komt weer opzetten. Ze voelt zich bekeken, begluurd, bespot. Maar de jongeman is druk met zijn schets, zijn ogen springen heen en weer tussen haar lichaam en zijn ezel. Ans probeert haar gedachten te bevriezen. Een student tekent haar als object, meer niet. Maar bij elke blik op haar lichaam lijken zijn ogen doordringender te worden. Ans probeert hem in te schatten, alsof ze enkel toeschouwer was. Zoals ze met vriendinnen een kerel aan de bar zou taxeren. Ze laat haar blik subtiel over zijn gezicht glijden. Hij is gladgeschoren (of misschien niet eens geschoren? Hij ziet er erg jong uit). Zelfs van op deze afstand kan ze zien dat hij sproeten heeft. Ans houdt van sproeten. Nochtans is hij niet roodharig. Hij heeft een weelderige bos blonde lokken, die soms voor zijn groene ogen vallen en die hij dan met zijn linkerhand naar achter strijkt. Met zijn rechterhand is hij druk in de weer om haar te tekenen. Wat zou hij nu aan het schetsen zijn? Welk lichaamsdeel? Haar borsten? Ans siddert en voelt zachtjes iets in haar onderbuik kloppen. Het is werkelijk alsof hij haar met zijn potlood aanraakt. Ze heeft plots de grootste moeite om zich stil te houden, om niet haar eigen handen over de welving van haar buik te laten gaan. Werktuiglijk spreidt ze haar vingers uit. Charles kucht naast haar, Ans weet niet of dat zijn subtiele manier is om te zeggen dat ze zich stil moet houden, of dat hij gewoon een kriebel wegkucht. Er rest haar niks anders dan zich over te geven aan de blik van deze jongen. Ze kijkt hem bijna uitdagend in de grote, groene ogen, alsof ze wil zeggen Je kan me wel tekenen maar dit lichaam is van mij en niemand anders. Terwijl ze dit probeert uit te stralen met haar ogen beseft ze dat het een leugen is. Ze raakt opgewonden bij het idee dat hij haar ziet en niet mag aanraken. Ze zou willen dat hij dichterbij komt, dat ze het gekras van het potlood op het papier kan horen , zijn adem op haar lichaam voelen. Het zweet breekt haar uit. Plots houdt hij op met tekenen en kijkt haar een minuutlang onafgebroken aan. Eerst glijden zijn ogen langs haar lichaam, als om zich ervan te vergewissen dat hij alle onderdelen heeft gezien en getekend. Maar dan ontmoeten hun ogen elkaar en beiden verroeren zich niet. Ans omdat ze niet mag. Hij omdat… Tja, Ans heeft er het raden naar. Er is iets onzeglijks sensueel in de manier waarop hij daar zo staat, onbeweeglijk net als zij, zich te verdrinken in haar ogen. Alsof hij wil zeggen dat hij meer ziet dan haar lichaam alleen. Meer dan het kunstobject voor zijn opdracht. Charles kucht opnieuw, dit keer aan haar linkerkant. Ans weet nu wel zeker dat dit zijn manier van communiceren is, zonder de geconcentreerde stilte te verstoren. De boodschap is gericht aan de student, niet aan Ans. Deze houdt zijn blik nog even vast, glimlacht dan breed naar Ans en knipoogt. Dan kucht hij zelf ook en concentreert zich opnieuw op zijn schets. Ergens gaat een alarm af, de les is ten einde. Ans wendt zich ogenblikkelijk af van de jongeman, gooit de kamerjas om en loopt de ruimte uit. In het kleedhokje zit ze vijf minuten onbeweeglijk op het bankje. Ze is compleet uitgeput. Ze wil een warm bad en alleen zijn. Met moeite kleedt ze zich weer aan en als ze uit het hokje komt staat hij daar. Hoe lang staat hij daar al? Ze weet zichzelf geen houding te geven, maar hij stapt zelfverzekerd op haar toe en zegt Ik woon om de hoek, je ziet eruit alsof je wel een koffie of iets sterkers kan gebruiken. Ans is compleet overdonderd, en vol afgrijzen over het lef van deze jongen die waarschijnlijk haar zoon zou kunnen zijn. Toch hoort ze zichzelf met een klein stemmetje zeggen Oké. Zonder verder nog een woord te wisselen trekken ze beiden hun jas aan en lopen de gang door naar de deur. Charles komt hun achterna gelopen, wil Ans aanspreken maar voelt zich gecensureerd door de aanwezigheid van de student. Hij zegt alleen maar Ans, euh, dat ging goed. Je mag nog komen als je wil. Geef me maar een seintje. Het geld wordt op je rekening gestort. Oké. Dat is blijkbaar het enige woord wat ze nog kan uitbrengen. De jongen woont inderdaad om de hoek van Calibri, hij gaat haar voor naar een gerieflijke woonkamer annex slaapvertrek. Hij schenkt haar een witte wijn uit, zonder te vragen wat ze wil. Hij geeft haar het glas en zegt Drink. Zelf neemt hij niks. Ans drinkt het glas in twee keer leeg, ze merkt plots dat haar mond droog is en dat ze een ontzettende dorst heeft. Nog? vraagt hij met een schalkse glimlach. Ze knikt van nee en kijkt hem in de ogen. Ze zijn van een soort groen dat ze nog nooit eerder zag. Ze passen perfect bij de sproeten, alleen het blonde haar lijkt er niet bij te horen. Geverfd, zegt hij met een schouderophalen, wanneer hij haar ziet kijken naar zijn haar. Flauw he? Ans antwoordt niet maar tilt haar handen op en laat haar vingers door zijn haarbos glijden. Ze sluit de ogen. Hij houdt haar niet tegen maar pakt haar bij haar middel en knijpt er zachtjes in. Wanneer Ans de ogen opent ziet ze dat hij naar haar kijkt met een blik vol verlangen, zijn ogen staan bijna triest van wanhoop. Zijn lippen openen zich, maar hij verroert zich niet. Ans begrijpt dat hij door haar geïntimideerd is. Ze zal hem moeten leiden. Ze laat haar handen zakken tot ze in zijn hals rusten. Ze trekt hem naar zich toe en drukt langzaam, heel langzaam, een diepe zoen op zijn lippen. Ans heeft weinig relaties maar veel minnaars gehad. Toch denkt ze soms nog steeds niets van het liefdesspel af te weten. Elke nieuwe partner is een soort Eldorado, een paradijs vol goud dat moet ontdekt worden met veel moeite, doorzettingsvermogen en opofferingen. Elke keer denkt ze te weten hoe ze zelf in elkaar zit, elke keer weer moet ze toegeven dat ze het mis had. Net zoals de ander een oneindig labyrint van schatten en mogelijkheden bevat, is ze zelf ook ondoorgrondelijk, een te ontwarren kluwen voor de ander en voor zichzelf. Het is meestal een uitputtend maar lonend avontuur dat nooit echt een einde kent. Partners komen en gaan, er is nooit werkelijk iemand geweest waarmee ze het avontuur eindeloos kon verlengen. Deze jongeman leert haar iets heel nieuws. Ze probeert hem zo goed en zo kwaad als het kan te leiden, tenminste daar lijkt het op. Eigenlijk leidt hij haar. Hij gidst haar langs haar eigen lichaam, als waren het haar eigen handen en lippen die op onderzoek uitgingen. Ze heeft geen idee waar ze heen gaat. Hij leert haar dat ze geen dagen of weken nodig heeft om het kluwen te ontwarren, enkel overgave. Ze lijkt hem blindelings te vertrouwen, deze jonge jongen. Hun ademhalingen vertellen een verhaal, elke zin wordt aangevuld door een zin van de ander, die er naadloos bij aansluit. Geen enkel lichaamsdeel wordt gespaard, er is geen schaamte, geen angst, geen twijfel. Er is enkel… vrijheid. Ans denkt in een flits – dit is eigenlijk de werkelijke kunst. De enige echte. De kunst om lichamelijke reacties en bewegingen te genereren, te creëren, als waren het golven in de zee. Even prachtig als ongrijpbaar. Zonder wetmatigheden en toch elke keer weer de perfecte, unieke creatie. Als ze de volgende ochtend wakker wordt duurt het even voor ze weet waar ze is, wié ze is. De jongeman naast haar ligt in een diepe slaap. Ze wil hem niet wakker maken, hij ligt daar zo hemels en onbevangen. Puur. Ze ligt een tijdje naar hem te kijken, drukt dan zacht een zoen op zijn haardos en staat op. Ze zoekt haar kleren bij elkaar, kleedt zich aan en kijkt even in de spiegel aan de muur. Ze kijkt niet naar haar lichaam, maar kijkt zichzelf diep in de ogen. Haar linkermondhoek krult omhoog in een triomfantelijke grimas. Ze zoekt de woonkamer af naar pen en papier maar kan niks vinden. Bedenkt zich dan dat ze eigenlijk niets te zeggen heeft. Woorden zouden de kunst enkel verkrachten. Ze laat het erbij en loopt de straat op, voorzichtig de deur achter zich dichttrekkend. Ze weet zeker dat ze hem nooit meer zal zien, niet als tekenaar van haar vormen of anderszins. Maar ze weet ook dat ze minstens deze nacht op volle toeren heeft geleefd.

LL Rigby
0 0

tweetal persuatieve teksten. deel 1 Interview Julien Cannaerts tekst 2 webpagina tekst 3 folder activiteiten

Teksten Nena De Roey Tekst 1: uit: nieuwsbrief Kempens Landschap (april 2016)   Julien Cannaerts Passie voor militair erfgoed als fortgids in Duffel   Kempens Landschap kan rekenen op enthousiaste vrijwilligers zoals Julien Cannaerts in het fort van Duffel. Als gepassioneerde amateurhistoricus kent Julien het fort door en door. Samen met Kempens Landschap zette hij een vrijwillige gidsenwerking op poten. Ook in andere dossiers over militair erfgoed zoals het spoorlijntje tussen Kapellen en Brasschaat of het fort van Kessel is hij betrokken. Julien Cannaerts vertelt graag waar die passie vandaan komt:   Ik groeide op in de Kempen, een regio waar er overal militaire relicten zoals forten, schansen of bunkers zijn. Nogal geheimzinnig, vond ik als kind. Later verdiepte ik me in de wereld van militair erfgoed als lid van de Simon Stevin Stichting. Zo leerde ik samen met Roland Versele in 1990 ook het fort van Duffel kennen, destijds nog in eigendom van de familie Vonckx. Van bij het begin hadden we een boontje voor het militair bouwwerk omdat dit fortje echt uniek is in zijn soort. Nergens vind je een fort waar dezelfde bouwtechnieken werden toegepast of dat dezelfde vorm heeft. Hoe meer we in de archieven doken op zoek naar plannen en documenten, hoe beter we het fort leerden begrijpen en waarderen.   Toen Kempens Landschap het leegstaande en verlaten fort in 2009 aankocht, waren we betrokken bij het denktraject dat aan de openstelling vooraf ging. Voordat het fort opnieuw de deuren opende, werd er immers heel wat werk verzet! Roland zou echter het resultaat niet meer zien, hij overleed in 2011. Een jaar voor de opening is ook de gidsenwerking op het fort opgestart. Samen met Kempens Landschap hebben we bewust gekozen om een ploeg van vrijwillige fortgidsen op te leiden, zodat er een hecht team is ontstaan. Met de gidsen leiden we niet enkel groepen rond, we organiseren ook voordrachten en tentoonstellingen op het fort. Af en toe steken we ook zelf de handen uit de mouwen op het domein tijdens een ‘werkdag’. Momenteel bestaat ons team uit een 20-tal fortgidsen van 16 tot 70 jaar oud. Sinds mei 2014 leidden we ruim 5500 bezoekers rond!   ‘Wilt u ook graag een rondleiding volgen in het fort? Kijk voor meer informatie op www.fortduffel.be’   Tekst 2: webpagina over de werking van Kempens Landschap (aug 2015)   Werking   Landschap verwerven Door gericht gebieden aan te kopen, stellen we waardevol landschap veilig. Zo werd Kempens Landschap in 2012 bijvoorbeeld eigenaar van het voormalige domein van de Zusters Franciscanessen in Wuustwezel. Vaak zijn er op onze domeinen historische gebouwen en structuren zoals abdijgebouwen, een hoeve, een molen of een fort aanwezig. In totaal heeft Kempens Landschap ruim 850 ha in eigendom verspreid over 65 gemeentebesturen in de provincie. Kijk hier voor een overzicht van onze domeinen.   Landschap opwaarderen Met onze organisatie willen we het landschap opwaarderen. Zo herstellen we natuur- en bosgebieden door beheerwerken uit te voeren en wandel -en fietspaden aan te leggen. Hiervoor maken we de nodige beheerplannen op in samenwerking met betrokken overheden en instanties.  Zo zal het Philipsbos in Grobbedonk bijvoorbeeld geleidelijk aan omgevormd worden tot een gemengd loofbos met verschillende biotopen waar een rijke fauna en flora zich thuis voelt. Historische gebouwen en structuren op onze domeinen worden gerestaureerd en krijgen een nieuwe bestemming. Met respect voor de – vaak als monument beschermde – gebouwen weliswaar. Zo kreeg het fort van Duffel een zachte restauratie en kan je in de voormalige slaapzalen van het spoorwegfort terecht voor een drankje of hapje in Brasserie De Krone.   Landschap openstellen Het Kempens landschap is er voor iedereen, daarom willen we zoveel mogelijk mensen laten genieten van onze domeinen.  Dit doen we door ze open te stellen en toegankelijk te maken voor het publiek. Zo legden we een pad aan op het domein de Keiheuvel in Balen waar ook rolstoelgebruikers gebruik van kunnen maken. Niet enkel fysiek krijgen recreanten toegang tot onze domeinen, we willen jong en oud de kans geven om de boeiende geschiedenis en natuurwaarde van de gebieden te ontdekken. Zo kan je bijvoorbeeld op domein Roosendael een rondleiding volgen met gids en staan er her en der informatiepanelen op onze domeinen. Tentoonstellingen en bezoekerscentra geven nog meer uitleg.   Kempens Landschap organiseert ook allerlei activiteiten en evenementen voor jong en oud. Te voet, met de fiets, op een spoorfiets, op klompen of door de maïs: bij ons kan het allemaal! Kijk op onze kalender voor leuke uitstappen in jouw buurt.   Gemeenten adviseren  Onze organisatie adviseert aangesloten gemeentebesturen bij verschillende erfgoed- en landschapsprojecten zonder zelf gebieden aan te kopen. Zo zetten we onze ervaring in op het Ursulineninstituut in Onze-Lieve-Vrouw-Waver in Mechelen waar Kempens Landschap de oprichting van een nieuwe Stichting voor Openbaar Nut coördineerde. Ook in de ontwikkeling van Merksplas-Kolonie speelt Kempens Landschap een belangrijke rol.    Tekst 3: activiteitenbrochure   Ontdek Kempens LandschapOnze organisatie koestert waardevolle historische landschappen enopenruimtegebieden in de provincie Antwerpen. Door domeinen aan te kopen,te beheren en open te stellen voor het publiek willen we zoveel mogelijk van hetKempens landschap bewaren en toegankelijk maken. We kijken met een integralebril naar het landschap en zoeken steeds naar een evenwicht tussen cultuur,natuur, recreatie en landbouw. Ondertussen hebben we ruim 900 ha in eigendomverspreid over 65 aangesloten gemeentebesturen.   Beleef het landschap ten volle tijdens leuke momenten met familie, vriendenof collega’s! In deze brochure zetten we enkele kant en klare uitstappen voorhet hele gezin op een rij. Te voet, per spoorfiets of op klompen:ontdek wat de Kempen te bieden heeft!   Pitkamperen - word wakker in de natuur! Heb je geen last van hoogtevrees? Probeer dan eens een nachtje pitkamperen uit op zo’n drie meter hoogte! In een pit slaap je maximaal met twee volwassenen en twee kinderen. De domeinen van Kempens Landschap doen dienst als ideale kampeeromgeving.De boompitten worden in het voorjaar geïnstalleerd op een mooie rustige plek in hetgroen. Via een laddertje klim je naar de ingang van de tent. Binnenin wacht je een ronde matras met een klein bankje. Nestel je gezellig in een pit en geniet door de ramen van het prachtige uitzicht. De volgende ochtend staat een ontbijt voor je klaar. Vlakbij is er een ingerichte kampplaats met basisvoorzieningen en een BBQ-stel. Volg de route van de pitten op www.kempenslandschap.be   Spoorfietsen - in het spoor van de militairen Langs de forten van Kapellen en Brasschaat loopt een militaire spoorweg door een mooi natuurgebied. Tot voor kort lagen de sporen er verlaten bij, maar nu kan je erover denderen op speciale spoorfietsen! Stap op een gezins- of een groepsfiets en trap in totaal 10 km heen en terug. Onderweg kom je niet alleen natuur tegen maarstuit je ook op een bunker uit WOI en fiets je over de antitankgracht. Pauzeren doe je aan Kamp Noord, vlakbij het oudste militaire vliegveld van België. In dit voormalige militair kamp kan je iets drinken of een hapje eten in café Perron Noord.   Kijk voor meer informatie, vertrektijden en prijzen op www.spoorfietsen.be. Hier kanje ook meteen online een rit reserveren.   Klompenbelevingspad Laakdal: Op stap? Op klompen! Laakdal was vroeger het Mekka van de klompennijverheid. In de 19de en 20ste eeuwwerkten er vele klompenmakers. Wellicht ken je zulke houten schoenen wel, maar heb je er nog nooit op gelopen. Ben jij een held op klompen? Test het zelf op dit speciale pad! Ruil jouw schoenen even in voor een paar echte wilgenhouten klompen en trotseer een slingerend parcours door het bos.Er zijn klompen voor jong en oud. Wie wil weten hoe klompen gemaakt worden,is welkom in het Klompenmuseum. Hier kan je zelfs klompen kopen! Voor een hapje en drankje kan je terecht in brasserie ‘Den Eik’, naast de ingang van het pad.   Wordt verwacht….Bezoekerscentrum LandloperskoloniesIn Wortel en Merksplas werden in de 19de eeuw landloperskolonies opgericht: instellingen waar arme gezinnen en bedelaars uit de steden naartoe werden gebracht. Hier leerden ze de boerenstiel en ontgonnen zo maar liefst 1000 ha woeste grond. Nu zijn er op de kolonies geen landlopers meer. Wat achterblijft is het prachtige en uitgestrekte landschap waar je mooi kan wandelen. Volg de knooppunten van het wandelnetwerk Kempense Kolonies om een route uit te stippelen. Wie meer wil weten over de geschiedenis van dit gebied, kan gratis de Kolonie app downloaden.Ambassadeur Lieven Van Gils is gids van dienst en toont je de weg. Vanaf het voorjaar van 2017 ben je bovendien welkom in het nieuwe bezoekerscentrum in de Grote Hoeve van Merksplas-Kolonie. Hier word je ondergedompeld in het boeiende verhaal van de Kolonies: hoe ze zijn ontstaan, wie er leefde en welke dieren en planten er zich thuis voelen. Na een stevige wandeling of fietstocht kan je er ook terecht voor een hapje of drankje. Volg de opening van het bezoekerscentrum op de voet via de website van Kempens Landschap!  

Nena
1 0

in vijf bedrijven

hun ogen tollen gezwollen uit hun uitgeholde kassen - klievend gestaar   als asgrauw diamanten steengruis tussen de pareltranen - als dolken schitteren                                                                         robijnrood geslepen - ijzig wit geblonken                                                                                              in de groeven mensenhuid                                                                             als getatoeëerd - het lichaam guernica                                                                                                                       scar tissue week geworden mens macht verworven beest onwerkelijk weerbaar weerbarstig in ademnood en ochtendstond - hels lawaai gloren aan oorlogsfront - hemels gedonder                                                                                                      schemeren de nachten                                                                                                         als heer en meester                                                                                                              als godenzanger                                                                        hun ogen bloeden - robijnrood gedrenkt                                                                                hun tranen dwalen - in lege straten   hun magen verkrampen gezwollen van zweren en bezwering - de wederopstanding   als zeeuws kobalt ijsgeworden levenslucht tussen de lijken - van verafgoding

Daan Janssens
0 0

KLANTENREFERENTIE

SOFTWAREONTWIKKELING                                                         INFO SUPPORT HELPT PHLIPPO MET HET AUTOMATISEREN EN OPTIMALISEREN VAN ZIJN BEDRIJFSPROCESSEN   In 2015 heeft Phlippo voor het eerst beroep gedaan op de expertise van Info Support voor het opleiden van zijn ICT-manager. Sindsdien vertrouwen ze het volledige automatiseren en optimaliseren van hun bedrijfsprocessen aan Info Support toe. In zeer korte tijd heeft Info Support vier consulting projecten voor Phlippo gerealiseerd.   Phlippo bestaat uit twee dynamische divisies, Phlippo Rental & Phlippo Trading. Het bedrijf heeft meer dan 50 jaar ervaring op het gebied van verhuur en handel in professionele audio, verlichting, videoapparatuur, power & kabels en trussing & rigging materiaal voor de organisatie van alle soort evenementen. Phlippo kent in de laatste jaren een zeer sterke groei waardoor steeds de behoefte aan snelle en goedwerkende software groter werd. Er was nood aan modernisering en een duidelijke structuur in de bedrijfsprocessen.   ATB-project Tot juni 2015 werkte Phlippo met een oude software voor de aankopen die gebaseerd was op Accesss. Dit was een vrij verouderd systeem dat niet meer geschikt was voor company-wide gebruik. Dit was de reden dat de ICT-manager van Phlippo, Gert Bogaert bij Info Support een 5-daagse .NET en VC 2015 training volgde om nadien zelf te beginnen met het bouwen van ATB, Aanvraag Tot Bestelling applicatie. Door de tijdsdruk en urgentie vroeg het management van Phlippo of Info Support consultants beschikbaar had om mee te werken aan het afronden en verbeteren van de applicatie.   Het development team van Info Support is eind juni 2015 van start gegaan en binnen 3 maanden was de applicatie gebruiksklaar. De samenwerking werd door Tom Phlippo, oprichter en CEO van Phlippo zeer positief ontvangen. “ATB is een zeer gebruiksvriendelijke applicatie. Het is zodanig logisch opgebouwd dat met weinig tot geen training kan er iedereen mee werken. Zelfs als je niets van IT of onze bedrijfsprocessen kent”, vertelt Gert Bogaerts.   LS-project Na de eerste succesvolle samenwerking vertrouwt Phlippo zijn volgende softwareontwikkelingsprojecten volledig aan Info Support toe waaronder het Logistic Signage project. Logistic Singnage is een planningsysteem voor het beheer en het optimaliseren van de logistieke flow. Met behulp van dit systeem beschikken alle afdelingen van het magazijn over de nodige info in real time. De verantwoordelijke kan elke afdeling in het magazijn op de hoogte brengen over de status van inkomende en uitgaande materialen via schermen die in elke afdeling ophangen.   Access Control Met het oog op de verdere modernisering en automatisering binnen Phlippo werkt het development team van Info Support momenteel aan het derde project, Access Control.   De software is gekoppeld aan de hardware die de badges uitleest en het vervangt de standaard software van de badgelezer. Zoals de naam het zegt, verlengt dit systeem toegang voor de bepaalde personen tot de specifieke zones via de specifieke codes die live aanpasbaar zijn via het web.   De tijdregistratie van Phlippo die nu in hun ERP-systeem zit, zal ook binnenkort gekoppeld worden aan dit nieuwe badgesysteem.   Plan Naast de 50 vaste techniekers werken er ook heel veel freelancers bij Phlippo die bij de verschillende klanten werkzaam zijn. Daarnaast heeft Phlippo ook veel transportmiddelen voor het vervoeren van de evenementmaterialen. Dit vraagt uiteraard een zeer strikte planning en organisatie, zowel voor de techniekers als voor de managers.   Vroeger maakte Phlippo gebruik van een oud systeem voor het beheer van het personeel en transport. Dit systeem werd echter als heel traag en inefficiënt ervaren. De planners verloren uren tijd per dag door de trage software en aangezien ze geen alternatief op de markt hadden gevonden die aansloot bij hun bedrijfsprocessen, hebben ze ook een planningsysteem laten ontwikkelen door Info Support.   “Het project ‘Plan’ is tot nu toe het grootste project geworden en het is een heel intuïtieve software die heel gemakkelijk te gebruiken is. We moeten de gebruikers niet echt opleiden. Iets waar we heel veel belang aan hechten.”, aldus Gert Bogaerts.   Agile en iteratieve aanpak Gert Bogaert is vol lof over de kwaliteit van de ontwikkelaars van Info Support en hun agile en iteratieve manier van aanpak waarop ze de projecten leiden. “We hebben niet altijd op voorhand een volledige afgeronde scope van een project en vaak tijdens een project komen er nieuwe ideeën naar boven. We werken ook veel ad-hoc omdat de markt van ons heel veel flexibiliteit en snel reageren verwacht. Dus, we zijn heel tevreden dat de ontwikkelaars van Info Support kunnen meegaan in ons verhaal.”, vertelt Gert Bogaerts verder:    “Voor ons zijn de sterktes van Info Support dat ze heel flexibel zijn en met ons meedenken. Ze geven ons heel veel feedback en ze komen zelf met ideeën waar we niet altijd aan denken. Ze zijn niet enkel programmeurs die code schrijven, maar ze gaan net een stap verder en dit is de toegevoegde waarde.”,   Gert Bogaerts beschrijft de doelstellingen die ze bereikt hebben door de samenwerking met Info Support als volgt:   “We hebben veel aan efficiëntie gewonnen omdat we met dezelfde aantal mensen veel meer werk realiseren. We nemen ook een groot deel frustratie weg door de oude en trage software te vervangen. We proberen om het verschil te maken door heel goede producties neer te zetten met heel recent materiaal en heel goede mensen. We verwachten van de software ook precies zelfde. Het moet snel en efficiënt werken en als het niet op de markt te verkrijgen is dan is de stap gemaakt om het zelf te ontwikkelen.”    

Sara
0 0