Lezen

De infiltrant

Ik ben niet bang. Nooit gedacht dat ik dat op een moment als dit nog helder in m’n hoofd zou kunnen prenten. Ik ben niet bang, hoewel ik meer reden heb om bang te zijn dan ooit tevoren. Terwijl mijn hoofd een zelden geziene, filosofische kant van zichzelf lijkt te hebben gevonden, duwt de zwaar behaarde vent me wat verder de container in. De geur van kleverig gedroogd fruit in combinatie met de muffe containerlucht doet m’n lege maag krimpen. Na 3 dagen lijk ik voedsel niet eens meer te missen. Een soort permanente waas van high, of hoe vasten je heel wat geld aan drugs zou kunnen besparen. De filosoof in mijn hoofd is vast een neveneffect van het acuut gebrek aan eten. Jammer, mijn vriendin had die diepzinnige ik vast interessanter gevonden de het kille lief dat ik de afgelopen maanden was geweest. Zonder veel finesse strompel ik voorover wanneer de man me met de achterkant van z’n geweer in de rug port. Hoe hard, koud en stoffig de containervloer ook mag zijn, liggen voelt als een wollige deken na een winterwandeling, dicht mijn hoofdfilosoof. Veel te gelukkig om me in deze allerminst aangename situatie te bevinden, nestel ik m’n hoofd op mijn samengevouwen handen en heel even waan ik me thuis. Thuis in ons Ikea-bed op een van onze doelloze zondagochtenden, die we vulden met croissants en seks. Amber toch, wat heb ik je aangedaan? Waarom was ik niet de man die ik eigenlijk voor je wilde zijn? Waarom moest net ik me aanbieden om deze zaak op te lossen, net nu we eindelijk weer samen gelukkig konden worden? “De aard van ’t beestje. Eens thrillseeker, altijd een thrillseeker”, had mijn moeder wel eens –trots op haar nieuwe, Engelse vocabulaire-verkondigd. Voor Amber was dit allesbehalve een troost geweest, meer een soort reden om me in al haar liefde nog meer te haten dan ze voordien al deed. God, wat zie ik haar graag. Drie dagen geleden zou ik me doodgeschaamd hebben voor de zielig onderdanige positie waarin ik me nu bevond- gelukzalig glimlachend, in foetushouding voor een gewapend strijder die me liefst zo snel mogelijk wilde afmaken. De trots is samen met mijn levenslust vertrokken. Doodgaan, hoe egoïstisch ik het van mezelf ook vind, is het mooiste wat me nu nog te wachten kan staan. De strijder roefelt wat in z’n achterzak en ik ben ervan overtuigd dat hij iets zal bovenhalen wat m’n dood alleen maar pijnlijker zal maken. Met verraad van Het Verbond, wordt bij die mannen niet gelachen. Even denk ik dat de vastenwaas me nu ook al hallucinaties bezorgt, als ik zie dat het voorwerp dat uit de zak van z’n lelijke groen-katoenen broek komt een eenvoudige iPhone is. Ik hoor mijn broer nog steeds monologen afsteken over de miserabele prijs-kwaliteitverhouding van die dingen en bedenk me dat geen broers zo verschillend konden zijn dan wij twee. Hij de econoom, ik de nuchtere infiltrant, de miseriezoeker die zo nu en dan al eens wat bendes wist op te rollen.  Met zijn vette vingers, die typen op zo’n touchscreen er waarschijnlijk niet makkelijker op maken, vormt hij aarzelend het nummer dat op de achterkant van een rekeningetje gekrabbeld staat. Een rekeningetje van Mc Donalds, merk ik verdacht helder op. Niet dat ik iets anders van deze obese, woesteling verwacht had, maar het blijft me storen dat niemand zich ook maar iets van de nutritionele waarde van voeding lijkt aan te trekken. Mijn afgedwaalde gedachten landen prompt terug op de containerbodem wanneer de vent me zijn iPhone aanreikt. Ik verwachtte de Leider te horen, die me een laatst mogelijke keer zou inwrijven dat mijn missie naar de knoppen is. Hij zou dan beschrijven hoe ze mijn dood zouden filmen, op Youtube posten en iedereen er zo van overtuigd zou zijn dat met Het Verbond niet te sollen valt. De stem die uit de speaker van de smartphone komt, lijkt in geen jaren op de hese gekir van de Leider. Ze weten wat psychologische oorlogsvoering is, die gasten, want deze stem is inderdaad dé manier om mijn laatste levensminuten pijnlijker dan mogelijk te maken. Het is haar stem, haar zachte volle stem. Lager dan de meeste mannen gepast zouden vinden voor een vrouw, maar zo vertrouwd, zo zoet. Haar stem is gezwollen van woede. Zonder ook maar iets aan mij te vragen begint ze me uit te schelden. Dingen over foto’s van een brunette op stiletto’s, scheidingspapieren en teleurstelling. Zonder dat ik ook maar een woord kan uitbrengen- in de veronderstelling dat ik daar op dit moment toe in staat zou zijn- schreeuwt ze dat ze dat ze nooit van me had mogen houden en begint schortend naar adem te happen terwijl haar uithalen afvlakt naar vermoeidheid en verdriet. Ik hoor iets te zeggen, niet? De filosoof in m’n hoofd weet het even ook niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik verdomme zo graag zou willen dat dit een film was en er me nu op miraculeuze wijze iemand de kracht gaf die dikke vent knock-out te slaan, te ontsnappen en terug te gaan. Terug naar Amber. Ik zou haar ten huwelijk vragen, er zouden een paar wilde jaren verstrijken en dan zouden we kinderen hebben en nog lang en gelukkig leven. Einde verhaal. Aftiteling en opgewekte muziek. Amber snikt nog steeds en tegen alle regels der mannelijkheid in merk ik dat machteloosheid ook tranen uit mijn ogen heeft weten te wringen. De mollige strijder lijkt het sentimenteel schouwspel niet langer te kunnen verwerken, rukt de iPhone uit m’n magere, beverige handen en duwt Amber met 1 welgemikte por op het scherm weg uit mijn leven. Mijn leven, waarvan over enkele luttele seconden niet veel meer dan wat herinneringen zullen overschieten. Met zijn hoofd al bij de Big Macs  van straks maakt hij zijn pistool klaar om de routineklus af te handelen. Ik ben niet bang. De filosoof in mijn hoofd heeft het bij het rechte eind, ik bén niet bang. Ik ben klaar. Klaar om de zoveelste, gefaalde infiltrant te zijn. Ze zullen mijn naam na deze oorlog in een muur krassen en elk jaar zullen oude vrouwen wat bloemen bij de steen leggen. Iedereen zal ons prijzen voor onze moed en onze heldendaden. Ze moesten eens weten, hoe graag wij dappere helden op het einde net als iedereen ook gewoon naar de dood snakken. De dood, het einde van die tijdsverdoenerij hier op aarde. Tijdsverdoenerij die de één vult met hoofdbrekende economische theorieën over Apple, de ander met het idealistisch bestrijden van het kwaad. Keuzes, zijn het de ware schatten van het leven, denkt de filosoof nog in m’n hoofd. Een klik, een welgemikt schot. Zalige leegte die men de dood noemt.    

Anne-Sophie
0 0

Mijn 7 jarige Baran

Mijn 7 jarige Baran,    Ben je een Turk Ben je een Koerd Ben je een Armeniër Ben je een Belg ... Ben je een aleviet Ben je een soenniet Ben je een atheïst Ben je een christen ... Ben je een man Ben je een vrouw Ben je lesbisch Ben je een gay ... Wat speelt het nu van belang, wie je bent… Waarom bevragen we elkaar al eeuwen, jaren, dagen? Mijn zwartogige toekomst, Hoe kon de soldaat dat jou toch aandoen? Of is het, dat jullie, als kind, in het oosten te snel groeien? Zodat jullie, als kind, in het oosten snel zouden kunnen sterven...  In een oorlog gaan er niet alleen mensen doodt, het mens-zijn gaat ook dood. Zwijgen is toch kant kiezen,  onze plaats zal toch altijd de vredevole mensheid moeten zijn hé. Ah Baran, je was nog zo kinds ... Was je (vader)land zo bang van jou? Zijn wij als volwassenen zo erbarmelijk geworden? Hebben we geen medeleven meer met onze toekomst?... Oh Baran, wat me stoort is dat de wereldopinie je niet ziet...  Zou dat zijn omdat je een deel bent van een onderdrukte volk?... Weet je Baran, dezer dagen verdrinken Syrische kinderen, in de zee. Omdat hun land door DAES geterroriseerd worden en omdat hun ouders zoals de jouwe een vredige toekomst willen en zoeken... Mijn vriend Baran, want huilen verdienen onze moeders zeker niet... Zoonlief Baran, laten we zeker de hoop niet verliezen, de mensheid zal zonder vergeefs halt roepen aan de vuile oorlogen... Zal de mensheid, jou fakkel, jou lust, jou drang, jou wil, jou heimwee naar de vrede kunnen realiseren?     Weet je Baran, ik zou gezegd hebben ‘Leef en laat leven’ als je nog tussen ons zou geweest zijn. Maar ik zal verder aan jou leeftijdsgenoten toch willen zeggen, dat ze het mens lief zouden hebben…Je kan toch geen liefde zaaien in een tuin van haat?   Baran, Hoeveel kinderen moeten we nu baren? Hoeveel jongens en hoeveel meisjes moeten het zijn? Hoeveel van de meisjes moet verkracht worden en daarna zwijgen? Hoeveel van onze jongens moeten nog sneuvelen, zodat de staat verder zou leven?   We willen allemaal mensen helpen, zo is de mens. We willen leven met elkaars geluk, niet met elkaars ellende. We willen elkaar niet haten of verachten. In deze wereld is er ruimte voor iedereen en deze goede aarde is rijk genoeg om iedereen te voorzien. De manier van leven kan vrij zijn en mooi maar we zijn de weg kwijt. Hebzucht heeft onze zielen vergiftigd, heeft de wereld gebarricadeerd met haat en heeft ons gestort in ellende en geweld.   Ah, hoe zou ik jou kunnen vergeten?   Tot slot wil ik jou nog zeggen; "Leven als een boom, alleen en vrij en als een bos in broederschap, dit verlangen is het onze" Wat heeft Nazim Hikmet het toch mooi verwoord… Denk je dat we vanaf nu, samen kunnen zorgen voor broederschap onder de volkeren zonder rekening te houden met een verschillende oorsprong, een verschil in taal, geloof of enig ander onderscheid?   Ik beloof je, voor mijn deel,  ben toch begin van een miljoen, zal bijdragen tot gelijkheid, broederlijkheid en een waardige toekomst!   Volwassenen zoals je ouders, die nog wat in hun geest humanitair denken en zijn, zullen jou en je lotgenoten ook niet vergeten...   Mijn lievde voor de toekomst, vergeet zeker niet om met je lotgenoten te spelen in de hemel...   Jou peter, Özgür Gümüs 30 augustus 2015       Ps: Baran is op 27 augustus 2015 tijdens het conflict tussen de ordediensten en pro-Koerdische jongeren in provintie SIRNAK (Zuidoost Turkije) onder een muur dat opgeblazen is geworden door de ordediensten omgekomen.

ozgur
0 0

MET DE KENNIS VAN NU

‘Nooit gezien,’ zegt ze. ‘Tadaaaaaa Tada! Tadaaaaaa Tada!’ Ze kijkt me een beetje meewarig aan. Misschien had ik het iets minder enthousiast moeten zingen, maar zo begint de tune van Derrick nou eenmaal: hard en snerpend, om daarna over te gaan in een licht melancholisch getingel. ‘Van Les Humphries, die muziek dan.’ ‘Zegt me niks.’ ‘Ik keek er als kind naar, maar eigenlijk was die serie helemaal niet geschikt voor kinderen. Veel te eng. O, ik weet zeker dat jij hem maar traag zult vinden. Weinig schieten, weinig actie, maar ik vond het behoorlijk eng. Zal ik eens iets bekennen … De eerste aflevering heeft jarenlang in mijn hoofd rondgespookt. Eigenlijk nog steeds. Ik was tien, misschien elf, toen ik hem zag. Waldweg, heette hij. Dat wist ik eerlijk gezegd niet meer, maar via internet … In die aflevering komt een meisje van zeventien, achttien, ‘s avonds laat aan op een klein stationnetje. Ze is zonder toestemming van haar internaat naar München geweest, om kleren te kopen en naar de bioscoop te gaan. De achterband van haar fiets staat plat. Ze gaat lopen en neemt de kortste route, door een donker bos. Daar komt ze haar leraar tegen. Hij begeleidt haar, want ze is bang: een jaar eerder werd hier een meisje van het internaat dood gevonden. Ermordet. Ze bereiken het huis waar de leraar samen met zijn bejaarde moeder woont, en hij biedt het meisje iets te drinken aan. Ze voelt daar niets voor, maar de man drijft zijn zin door. In zijn kamer doet hij de deur op slot en zet hij de muziek heel hard. Daarna wurgt hij haar.’ Ik zwijg even, maar ze kijkt onbewogen terug. ‘Wolfgang Kieling, zo heet de acteur. Ook dat heb ik opgezocht. Een griezelige kop. Steeds als ik hem in een andere film zag acteren, moest ik denken aan Waldweg. De wurgscène werd later ingekort. Te expliciet. Ze bleven het gezicht van dat arme meisje maar filmen, met op de achtergrond die lugubere kop van haar leraar. Vreselijk. Maar het ergst van alles vond ik het gebonk op de deur, door die bejaarde moeder. Als kind heeft me dat het meest van alles aangegrepen: dat die moeder niet in staat was om dat meisje te redden, dat ze haar zoon niet kon tegenhouden. Rudolf, mach auf! schreeuwde ze. Bitte, mach die Tür auf! Maar haar geschreeuw werd overstemd door die keiharde muziek.’ ‘Ja, dat is best heftig,’ geeft ze eindelijk toe. Ik glimlach opgelucht. ‘Er zijn nog 280 afleveringen gemaakt, maar Waldweg was echt de engste. Helaas worden ze niet meer uitgezonden.’ ‘Waarom niet?’ ‘In het vroege voorjaar van 2013 bleek dat hoofdrolspeler Horst Tappert ook een rol had gespeeld bij de Waffen-SS,’ zeg ik op cynische toon, maar er verschijnt slechts een frons in haar voorhoofd. ‘Division Totenkopf,’ probeer ik nog. ‘Nee.’ Ze schudt beslist haar hoofd. ‘Heb ik ook nooit gezien.’  

Grand Foulard
0 0

Schrijfopdracht

Haar kamer (opdracht Ward)   De Amerikaanse vlag houdt nauwelijks het licht en de hitte buiten. Een hoekvormige lichtbundel valt net op de papieren, een rommelhoop op haar bed. Ze liet haar notities over geschiedenis slingeren, op het eerste zicht valt er geen orde in te krijgen. De Franse revolutie is verward geraakt met de veroveringen van de Habsburgers. Op de grond naast haar bed liggen afbeeldingen van Hunebedden en de eerste aardappelen, proppen papier zijn bovendien net naast de prullenmand geland. Haar handschrift is nauwelijks nog leesbaar, het zonlicht verbleekt met al haar macht, zet in op vergetelheid. Op de schuine wand boven haar bed staan slogans en mantra’s, ze dragen dezelfde teneur: ‘You only live once’ en ‘Just gonna let go’. Het parket tegenover de schuine muur draagt geduldig halflege blikjes cola, een flesje blauw water, twee kurken prikborden. Op het ene prikbord hangt nog niets. Een bataljon flesjes en make up spullen verspreidt een mengelmoes aan geuren, na al die tijd is er nog een zweem van bergamot, citroen, een vleug patchoeli. Ergens middenin staat een handspiegel met vergrootglas, haar vingerafdrukken zitten op de staander. Ik sluit mijn ogen, probeer haar te vangen zonder iets aan te roeren. Waar mijn geheugen mij in de steek laat, vullen haar spullen de gaten. Zij zal hier nooit meer binnenstappen, mijn meisje, mijn eerstgeborene. Ze is drie jaar geleden weggemaaid door een dronken chauffeur. Ik slik en slik, mijn tranen komen niet.   Anna   Beschadigde objecten (Dorinne)   Baldadig trap ik het colablikje weg, het voetpad af. Het is nog ochtend, ik ben de enige voetganger, en ik hoor het blikje stuiteren en tot stilstand komen. Het klinkt hol. Met een wijde boog komt het op de straatstenen, meteen voel ik me licht schuldig. Wat als er een onschuldige fietser tegenaan rijdt? Nee, een fietser zal het wel opmerken, zelfs een onschuldige. Een autoband kan meer schade veroorzaken, het colablikje  kan een gevaarlijk projectiel worden als het weggeslingerd wordt door een auto of een vrachtwagen. Misschien schampt het een oude dame die op weg is naar de markt of  een heer die zijn vrouw wil bezoeken in het ziekenhuis. Ik zie hem voor me, een boeketje in de hand, misschien een zak met vers gestreken slaapkleedjes en ondergoed. Ik raap het gedeukte colablikje op en bestudeer de zwarte brandmerken. Iemand probeerde zijn frustratie te bekoelen met een sigaret of een aansteker. Littekens die ik niet ongedaan kan maken. Ik kijk besluiteloos om me heen. Nergens een vuilbak in de buurt. Neem ik het blik mee om thuis in de PMD zak te stoppen? Ben ik zo voorbeeldig? Ja, vandaag wel. Omwille van de littekens, zelfs colablikjes hebben hun trots.   Anna

Anna
0 0

'Stout' Katty Wtterwulghe

Katty Wtterwulghe                                                                                                                       versie 1 30 maart 2016   Herinnering bij foto: opdracht Kathleen voor Katty Stout Het was mijn eerste misdaad, en ik vond het verschrikkelijk spannend. Het was al avond, maar nog licht, het zomeruur stond aan, en ik ging naar de muziekschool zoals elke donderdag. Maar deze keer had ik mezelf iets voorgenomen. Ik ging grenzen verleggen, vooral mijn eigen grenzen. Want ooit zou ik toch eens iets stouts moeten gedaan hebben in mijn leven. Op mijn weg naar de muziekschool passeerde ik een kleine kruidenierswinkel. Ik moest de straat voor oversteken om dichtbij de fruitbakken te kunnen lopen: de bakken waar de appels, de druiven en de pruimen lagen te lonken: eet mij, eet mij. Honger had ik niet want de aardappelstoemp was nog niet helemaal gezakt, maar goesting had ik des te meer. Goesting om te stelen, die blauwe pruim, de dikste. Mijn hart klopte in mijn keel, mijn handen waren klam van het zweet. Ik keek naar binnen of madam van de winkel in de buurt was en of meneer de schappen aan het vullen was misschien. Ik zag niemand, niet binnen en niet buiten. Ik griste de pruim van het stapeltje en stopte hem vliegensvlug in mijn jaszak. Ik stapte stevig door en keek niet meer om. Ik zweette om zoveel moed en durf en ik was blij dat mijn neus niet groeide toen mijn moeder ’s avonds na de muziekles vroeg of alles goed verlopen was, en of er niks gebeurd was onderweg. Ik was stout geweest, heel stout, maar dat heeft zij nooit geweten! Of de pruim smaakte , weet ik niet meer.

Katty Wtterwulghe
0 0

Het sprookje Europa

Het sprookje Europa.   Er was eens een meisje dat Sneeuwwitje heette en die samen met een aantal dwergen in een klein houten huisje in het bos leefde. Sneeuwwitje en de dwergen hadden elk hun eigen slaapkamertje en deelden een keukentje en een tuintje. Helaas waren ze niet erg gelukkig. Ze konden het nooit eens worden over de huishoudelijke karweitjes en kibbelden voortdurend. Vooral Sneeuwwitje en de Kaasdwerg konden elkaar niet uitstaan en moesten wel eens uit elkaar gehaald worden. Op een dag besloot Sneeuwwitje dat ze recht had op een grotere slaapkamer. Ze overtuigde enkele dwergen om hun slaapkamer-muurtjes uit te breken. Sneeuwwitje zou dan met hen een groot bed delen. De andere dwergen waren niet overtuigd. Ze waren bang dat Sneeuwwitje al gauw zou klagen over de kousjes en onderbroekjes die de dwergen vaak lieten rond slingeren en dat ze de dwergen uit het grote bed zou gooien. Toen haar argumenten niet werkten, begon Sneeuwwitje zomaar alle slaapkamer-muurtjes uit te slaan. Het kwam tot een waar gevecht tussen Sneeuwwitje en de dwergen. De dwergen uit de omliggende huisjes konden het gevecht horen en schoten te hulp. Uiteindelijk werd Superman er zelfs bij gehaald. Toen de dwergen en Superman er eindelijk in geslaagd waren om Sneeuwwitje vast te binden op een stoel, spelden ze haar streng de les over hoe het er vanaf nu zou aan toe gaan in hun huishouden en gaven haar nog snel een paar stompen uit frustratie vooraleer ze haar weer loslieten. Een poosje leefden ze zonder ruzie samen in hun gehavende huisje. De dwergen gedroegen zich als de moedige overwinnaars en richtten zich op het schoonmaken van hun slaapkamertjes die er door het gevecht verwaarloosd bij lagen. Sneeuwwitje daarentegen voelde zich gekrenkt en begon zich al snel weer te roeren. Ze begon haar slaapkamer grondig op te knappen. Alles wat ze niet meer wou, gooide ze op een hoopje en verbrandde ze. De dwergen waren bang: maakte ze opnieuw plannen om haar slaapkamer uit te breiden? Ze vroegen het haar, maar Sneeuwwitje was de lieflijkheid zelve en stelde de dwergen gerust. Bovendien mocht Sneeuwwitje in haar slaapkamer nu eenmaal doen wat ze wilde, dat waren de huisregels. Dus lieten de dwergen haar met rust. Niet lang daarna begon ze weer met een aantal dwergen het bed te delen en gaf ze ook hun slaapkamers een grondige beurt. Pas toen ze aan de slaapkamertjes wou beginnen van de dwergen die niet met haar het bed deelden, schoten de dwergen in actie en probeerden ze haar weer vast te binden. Het gevecht dat volgde was vreselijk! Naburige dwergen, maar ook andere magische boswezens van overal in het bos moesten de dwergen te hulp schieten. En zelfs Superman kwam weer aangevlogen vanuit de andere kant van het bos. Toen het gevecht eindelijk voorbij was, keken Sneeuwwitje en de dwergen naar de schade die het gevecht had aangericht. Hun hele huis en grote delen van het bos waren vernietigd. Ze keken naar elkaar en zeiden: “Dat nooit meer!” en met de hulp van Superman stelden Sneeuwwitje en de dwergen samen nieuwe huisregels op die ze allemaal zouden respecteren. Ze zouden zelfs hun slaapkamers gelijkaardig inrichten. Opnieuw met de hulp van Superman, begonnen Sneeuwwitje en de dwergen, van nature houthakkers, een klein handeltje in luciferdoosjes. Dat zou hen een gemeenschappelijk doel geven en hen het goud bezorgen om een nieuw huisje te bouwen.   Zo geschiedde het! Hun luciferdoosjes verkochten als zoete broodjes en brachten overal in het bos licht in de duisternis. Met het goud dat ze zo vergaarden, bouwden ze een groot mooi huis uit baksteen, met een moderne keuken en een grote tuin. Voor elk van de bewoners was er een mooie, grote, gelijkaardige slaapkamer. Sneeuwwitje en de dwergen waren erg gelukkig in hun mooie nieuwe huis. Al snel kwamen de naburige dwergen vragen of ze bij hen mochten intrekken. Sneeuwwitje en de dwergen hadden zo’n mooi huis en hun luciferdoosjes-handel draaide zo goed. Ze waren maar al te blij om hun vrienden in huis te nemen. Ze bouwden een extra vleugel aan het huis met grote gelijkaardige slaapkamers en legden de nieuwe bewoners uit dat ze zich strikt aan de huisregels moesten houden. Ze besloten ook om een ringmuur rond hun prachtige huis te bouwen. Hun huis had stilaan iets weg van een kasteel en een ringmuur leek een gepaste uitbreiding. Bovendien hadden ze ondertussen al heel veel luciferdoosjes verkocht en hoewel die lucifers voor veel licht en warmte hadden gezorgd, leidden ze ook wel eens tot bosbrandjes. Dan stuurden Sneeuwwitje en de dwergen weliswaar altijd een paar emmertjes water naar het getroffen gebied, maar de ringmuur zou ervoor zorgen dat hun eigen huis en handeltje beschermd was tegen bosbrandjes die te dicht in de buurt kwamen. Er kwamen ook steeds vaker dwergen van verderop in het bos aankloppen. Sneeuwwitje en de dwergen begonnen zich af te vragen hoeveel dwergen ze nog konden huisvesten zonder hun huishouding te verstoren? Hoeveel extra vleugels konden ze nog bouwen aan hun kasteel? Samen besloten ze dat ze alleen nog de dwergen met een grote pot goud en gelijkaardige kleertjes in huis zouden opnemen. Ook andere magische bosbewoners kwamen langs. Magische wezens in allerlei gedaanten op de vlucht voor de hongerige boze wolf of een bosbrandje smeekten de bewoners om het kasteel binnen te mogen. Ze zouden in de tuin slapen of in de kelders, als ze maar binnen de veilige ringmuur mochten. Soms lieten Sneeuwwitje en de dwergen een aantal wezens binnen, op voorwaarde dat ze het kasteel netjes zouden houden en helpen met poetsen. Meestal stuurden Sneeuwwitje en de dwergen de magische wezens weer weg met een goudmuntje en een luciferdoosje of met een paar emmertjes water.   Op een dag kwam Roodkapje in paniek aankloppen. Roodkapje was een geboren verkoopster en schuimde met haar mandje het hele bos af op zoek naar kopers voor wat er op dat moment in haar mandje zat. Hierdoor was ze ook wel een beetje de heraut van dienst, altijd op de hoogte van de sappigste roddels, de recente bosbrandjes of de schuilplekken van de hongerige boze wolf. Roodkapje en Superman waren samen bij Grootmoeder op bezoek gegaan om haar een luciferdoosje te verkopen. Superman wou het oude vrouwtje de nieuwe gewoonten van het bos bij brengen, maar toen hij een lucifer aanstak, sloeg Grootmoeder in paniek en gooide ze Roodkapje en Superman de deur uit. In het tumult liet Superman de brandende lucifer echter vallen. Terwijl hij ervan door vloog, zag Roodkapje hoe Grootmoeder en het huis vuur vatte. Ze ging ervan uit dat de lucifermakers haar konden helpen het vuur te blussen. Sneeuwwitje en de dwergen keken Roodkapje meewarig aan. Hadden zij of Superman dan nooit de waarschuwingen op de luciferdoosjes gelezen? Hadden ze niet gelezen dat lucifers niet zomaar voor iedereen weggelegd waren, dat sommige bosbewoners, zeker Grootmoeders, niet met lucifers en vuur om konden? Met hun diepste spijtbetuigingen en twee emmertjes water stuurden Sneeuwwitje en de dwergen Roodkapje wandelen. Maar weldra kwamen andere wezens aankloppen: de elven. Grootmoeder was al brandend naar buiten gerend en had het bos rondom in lichterlaaie gezet. De elven, die in dat deel van het bos woonden, konden nergens nog heen. Sneeuwwitje keek de dwergen smekend aan en zette de poort open voor de bange elven, maar de dwergen mopperden. Ze hielden er niet van om hun slaapkamers te moeten delen met die ongewenste gasten in vreemde plunjes. Sommige dwergen barricadeerden zelfs hun deuren om hun kamers niet te moeten delen. Sneeuwwitje en de dwergen begonnen weer te kibbelen en al gauw ging de poort weer dicht. De bosbrand werd steeds erger en er kwamen steeds meer bange en uitgeputte elven bij het kasteel aan, op de vlucht voor het alverterende vuur en de hongerige boze wolf die zijn kans schoon zag op een makkelijke hap. Hun wanhopige kreten waren te horen tot diep in het kasteel: “Waarom helpen jullie ons niet? Waarom laten jullie ons niet binnen? Jullie brachten ons het vuur, maar helpen ons niet om het vuur te blussen! Laat ons dan tenminste binnen! Wat is er toch mis met jullie, nare dwergen?!” En sommige dwergen schreeuwden terug: “Jullie zijn elven! Jullie kunnen niet samenleven met dwergen! Jullie zullen onze huisregels niet begrijpen en onze vrede verstoren!” En andere dwergen riepen: “Jullie zijn met veel te veel! Jullie zullen al onze voorraden leegmaken, ons handeltje uitmelken en zo ons kasteel ten gronde richten!” Ondertussen verzuurde de sfeer in het kasteel. Sneeuwwitje en de dwergen bleven maar kibbelen en ruzie maken. Ze dreigden elkaar zelfs af: sommige dwergen moesten maar weer eens verhuizen! De wanhoop nabij vroegen ze om hulp aan hun buren, de drie Biggetjes. Die woonden in een groot huis wat verderop. In ruil voor een paar potten goud beloofden de drie biggetjes aan Sneeuwwitje en de dwergen om zoveel mogelijk elven op te vangen. De drie Biggetjes waren altijd al snelle bouwers geweest en konden makkelijk hun huis wat groter maken. Alleen de fundamenten van hun huis waren namelijk van beton, de muren van het huis waren van hout en het dak van stro. Daar zouden de elven dan kunnen wonen tot de bosbrand voorbij was. Sneeuwwitje en de dwergen haalden opgelucht adem nu ze eindelijk een oplossing hadden gevonden voor de elven en trokken zich stilletjes terug in hun eigen slaapkamers, biddend tot Grimm voor een spoedig einde van de bosbrand. Naar buiten gaan was beangstigend geworden. Het wanhopige geschreeuw van de elven hield nooit op en de hemel was overtrokken met dikke, zwarte rookwolken. Soms viel er zelfs as en brandend puin uit de hemel. Er waren ook al brandende toortsen over de ringmuur gegooid, waarschijnlijk door boze elven. Zowel Kaasdwerg als Chocoladedwerg waren zo gewond geraakt. Op die laffe daden hadden Sneeuwwitje en de dwergen geantwoord door op de ringmuur te gaan staan en een lucifer aan te steken. Die hadden ze laten branden tot ze hun eigen vingers verbrandden om zo aan alle boswezens duidelijk te maken: voor een paar brandwonden geven wij onze handel in luciferdoosjes nog niet op!   Zo eindigt voorlopig het sprookje van Europa. Wat er verder nog komt, staat nog niet geschreven. Sneeuwwitje noch de dwergen lijken te twijfelen aan de brandveiligheid van het kasteel, maar hoe lang kunnen ze zo kibbelend blijven samen wonen? Of blijft iedereen vanaf nu in zijn eigen slaapkamer en komt het kasteel zo tot verval? Wat met de elven? Geen van de kasteelbewoners lijkt veel te geven om het lot van de elven. De dwergen laten de elven liever branden dan dat ze tumult in het kasteel veroorzaken en zelfs Sneeuwwitje houdt zich gedeisd voor de lieve vrede. Zal het huis van de drie biggetjes door de bosbrand gespaard blijven? Zal Superman de elven te hulp schieten en de brand blussen nadat hij eerder de brand veroorzaakte? En wat zal de Hulk doen? Zal de Hulk Superman helpen of wordt het weer een wedstrijdje spierballen rollen om daarna de verschroeide aarde in twee te delen? Kunnen Sneeuwwitje en de dwergen ooit allerlei magische wezens, ook elven, in hun kasteel verwelkomen zonder angst voor de lieve vrede en het behang? Of kunnen ze nooit nog hun kasteel verlaten en moeten ze hun ringmuur steeds weer verhogen uit angst voor brandende toortsen, gegooid door elven of andere magische wezens die verminkt zijn door de bosbranden? Zullen de elven Superman en de dwergen ooit kunnen vergeven? Alleen Grimm weet het.

Annelies Degryse
18 0

De kamer boven de Noordzee

30 Maart 2016 Dorinne Olaerts Opdracht 1   Schrijf een scene over kamer naar keuze (=kamer 2)     De kamer boven de Noordzee.   Een spot werpt parallelle lichtlijnen op dit podium. De geur van gefrituurde zalm, tonijn en heilbot verzamelt zich in de kamer. Het eeuwigdurende spektakel ontleed:   Een accordeon speelt opnieuw Für Elise. Munten rammelen echter amper. Het luidkeelse gelach van terrasjes gangers verplaatst zich naar het midden van de scene. Het gezang van de wind en duiven glijdt langs de lijsten van het dakvenster. Een schooier dumpt onverstoorbaar een lege fles aan de kerk in een hoek van het plein. De klokken reageren verbolgen:   BIM, BAM, BOM BIM, BAM, BOM BIM, BAM, BOM   Dan...klopt plots iemand op de deur. Het wordt muisstil.     Opdracht 1 Dorinne Olaerts Creatieve schrijfopdrachten van A-Z Het boodschappenlijstje   Beyvoets liet Elise het boodschappenlijstje schrijven. Het door verveling overmande kind had hem verwachtingsvol aangekeken, haar hoofdje rustend op de handen. “Schrijf maar op wat je wilt eten”. “Fruit!” schreeuwde ze verzekerd terug. “En ook nog cocktailsaus voor bij de frieten “ En rozenthee, want die is er niet meer. Voor als je straks de krant leest.” De zomer duurt lang dacht Beyvoets. Lut en Mark hadden nog steeds geen teken van leven gegeven en Elise’s interesse in haar ouders leek met de dag af te nemen. Haar verveling daarentegen groeide dag na dag aan. Beyvoets begreep het niet. Sinds wanneer moeten kinderen zo geëntertaind worden? Dat was in zijn tijd toch niet zo. Hoe minder volwassenen zich lieten zien tijdens het spelen, hoe beter. Zo was Elise echter niet. Het kind dartelde al wekenlang rond Beyvoets. Ze vroeg om klusjes, opdrachten, karweitjes en vooraleer ze nog maar klaar was met het ene trok haar gezicht al samen: “wat doen we nu”? Tijdens het schrijven van het lijstje had Elise concentratievol haar tong tegen de linkerkant van haar mondhoek gedrukt. Ze had elke letter luidop voorgelezen en met haar ogen had ze aandachtig de gekrulde beweging gevolgd. Trots was ze dan ook toen ze een 10tal minuten later het lijstje overhandigde en zei “ ik haal mijn jas”. Beyvoets wilde haar gebaren dat vooral niet te doen en thuis te blijven om zich te amuseren, maar Elise verscheen reeds in haar okergele jas. Ze dook nog snel de waskamer in en toonde Beyvoets de twee gebruikte plastic Delhaize zakken. “ Die vergeet jij altijd en in de zee ligt al genoeg plastic” Beyvoets grinnikte: “ Wat zou ik toch maar zonder jou doen Elise”? “ Exact hetzelfde- maar dan zonder mij” antwoorde Elise. “Dat betwijfel ik,” glimlachte Beyvoets. Terwijl Elise de auto instapt, valt Beyvoets’ oog op de donkergrijze nissan die in de verte de Bosweidestraat inrijdt. Hij besluit de wagen nog even te negeren en vertrekt peinsend: “ Ze is nog even van mij”.    

Saffraan
2 0

Schrijfsels

Tekst voor Lode:   Bijna donker in het bos. We zitten met 25 meiden in de kring op een open plek in het gras. Overal kaarsjes om ons heen. Pater Bert zet zijn bruine koffer voor zich. Hij maakt er een altaartje van. Een kruisje, een doosje, een goudkleurige beker, dat staat erop. Meer niet. In zijn armen houdt hij zijn gitaar. Klaar om te zingen. Samen. Met elkaar. Hij zet ons liever in de natuur in plaats van in de kerk. Zodat we meer kunnen voelen. Ervaren wat we voor elkaar kunnen betekenen. En dat het leven meer is dan dure speelgoedcadeaus. Of een nieuwe auto waarmee je aan de buitenwereld kan tonen dat je daardoor ogenschijnlijk beter bent dan een ander.   Dit is waar ik van houd: samen zijn en nadenken over wat er nog meer is. Luisteren naar geluiden die je anders nooit te horen krijgt. Een speciale stilte. Blaadjes. Eekhoorntjes die met ons meezingen. Ik ben Pater Bert hier heel dankbaar voor. Ook omdat hij zo veilig is. Hij ziet ons graag. Als opgroeiende mensen. Zonder enige bijbedoelingen. Gewoon omdat hij ons iets wil bijbrengen.    Ik weet dat ik geen kerkganger zal worden. Of voor altijd in een soort van God kan geloven. Want zelfs al ben ik nog maar een kind, allang heb ik door dat het ook maar een manier is om mensen in één richting te doen kijken. Ik weet wel dat ik door dit mooie moment leer stilstaan bij wat er nog meer is in het leven en wat ons de kracht kan geven om door te zetten. En elke keer als ik in het bos zit of een gelig kaarsenvlammetje zie, dan denk ik hier aan.     Tekst voor Ariane:   De automatische deur glijdt open. De kleffe warmte in de winkel overvalt me. Het contrast kan niet groter zijn. Buiten twee graden onder nul en binnen lijkt het alsof ik een subtropisch zwembad binnenstap. Daardoor hangt er een muffe geur. Oude paddestoelen.  Ik probeer me te focussen op wat ik kom doen. Ik zoek een kat. Een pluchen kat voor mijn lievelingsnichtje. Ze vertelde me dat ik ze in deze winkel kon vinden.  Nog nooit ben ik op deze plek geweest en ik vraag me meteen af waarom niet. Overal waar ik kijk, zie ik interessante voorwerpen, die hun eigen verhalen met zich meedragen.  Een oude koffer vol krassen trekt mijn aandacht. Ik veeg het stof eraf en probeer ze te openen. ‘Er hoort een sleutel bij’ hoor ik een zware stem zeggen. Een man, rond de vijftig, met stoppelbaard en een donkere bril reikt me een sleutel aan. Wat een grote handen heeft hij, merk ik op. Maar vlug richt ik me weer op de koffer. Mijn nieuwsgierigheid is nu nog groter.  Algauw voel ik me wat teleurgesteld. De koffer is leeg. De man knort nog even iets onverstaanbaars en gaat daarna door met het sorteren van spullen. Ineens valt mijn oog op een barst aan de binnenkant van de koffer. Ik peuter het een beetje open en vind er een briefje in. Mijn hart gaat als een razende te keer. Waarom zit hier een briefje? En wie heeft het erin gestoken? Ik lees en plots besef ik dat wat ik nu lees wel eens voorgoed mijn leven zou kunnen veranderen.

Hilde Schuurmans
0 0

Tinkelbel

    Soms geloof je je eigen ogen niet en blijft een beeld je achtervolgen. Het beeld van een man in een koffiebar. Met een blik die me van mijn sokken blies. De man keek voor zich uit, met een intensiteit van wanhoop en uitzichtloosheid, die je niet voor mogelijk hield. Negen op de schaal van richter. Vanwaar die ontreddering? Hij wist het zelf niet. Hij was welgesteld, had werk, een lieve vrouw en twee kinderen die het goed deden. En toch voelde hij die leegte, een immense leegte. En bovenal hij was moe. Moe van het opstaan, moe van koortsachtig zijn agenda te vullen… om toch maar niets te moeten voelen. Hij leek te lopen op drijfzand. Zwarte gaten kwamen op hem af. ‘Er over praten lijkt het alleen maar erger te maken’, zegde hij gelaten. Ik had daar een ander gedacht over, maar zweeg, hem recht in de ogen kijkend. ‘Eigenlijk zouden we allemaal een Tinkelbel moeten hebben’, zei hij zachtjes. ‘Een Tinkelbel’? ‘Ja, weet je, dat elfje dat op de schouder van Peter Pan allerlei lieve dingen in zijn oor fluistert’. ‘Een Tinkelbel dat stop zegt tegen mijn zwarte gedachten. Die tegen mij zou zeggen, waar ben je mee bezig? Wees wat vriendelijker en milder voor jezelf’. ‘Van Tinkelbel zou ik dat misschien wel aannemen’, fluisterde hij nog. Dat zegde mij ook wel iets, een klein stemmetje op je schouder, een engelbewaarder in pocketformaat. Even scheen er licht in de ogen van de man. Even was hij Peter Pan. Met op zijn schouder, Tinkelbel.    

dirk adijns
0 0

reflectieverslag Schrijfdag

Op de schrijfdag stonden er twee activiteiten op mijn programma: in de voormiddag volgde ik de workshop ‘The Write Stuff’ van Willem Frederik Daem; in de namiddag mocht ik mee aanschuiven bij Daniel Billiet voor het literair spreekuur.   De workshop van Willem Frederik Daem stelde teleur. Nog afgezien van het feit dat de workshopgever twintig minuten te laat kwam, gaf hij de indruk totaal niet voorbereid te zijn. Hij had schrijfopdrachten uitgewerkt die niet goed afgestemd waren op het publiek van toch al enigszins ervaren schrijvers dat hij voor zich had. De omkaderende uitleg die hij gaf, was op zich wel zinvol, maar zo ongestructureerd en à l’improviste gebracht dat er in veel tijd weinig relevante informatie overgedragen werd. Ik had de indruk dat veel mensen net als ik op hun honger bleven zitten omdat Daem nauwelijks inging op datgene waar de workshop volgens de promotietekst (geschreven door Daem zelf) over zou gaan: omgaan met uitstelgedrag. Met deze workshop heb ik als schrijfdocent in spe vooral gezien hoe het niet moet. In dat opzicht was het zeer leerrijk omdat ik door de gebrekkige aanpak het belang van enkele vuistregels nu des te beter inzie. De belangrijkste vuistregel is dat je heel goed moet weten voor welk publiek je een cursus geeft: je moet je zo goed mogelijk informeren over het niveau, de voorkennis en de verwachtingen van de deelnemers. Dat betekent niet dat je iedere deelnemer op voorhand afzonderlijk moet aanschrijven, maar zonder een correct algemeen beeld van je publiek is je workshop gedoemd om te mislukken. Met dat algemeen beeld moet je je dan grondig voorbereiden en op z’n minst in je hoofd een lijn hebben van wat je tijdens de workshop allemaal wilt behandelen. Daarnaast heb ik ook geleerd dat een schrijfdocent van zijn kant correcte informatie moet geven over de inhoud van de cursus of workshop. In de aankondiging van de cursus mogen geen onderwerpen staan die uiteindelijk totaal niet aan bod komen. Anders haken mensen af.   ’s Namiddags observeerde ik het Literair spreekuur voor poëzie bij Daniel Billiet. Daarbij wil ik eerst iets opmerken over de organisatie achter het spreekuur: ik heb van twee deelnemers het spreekuur mogen bijwonen en bij alletwee waren er fouten gebeurd bij het doorgeven van de teksten. Bij de eerste was de lay-out van de gedichten dermate veranderd dat vijf afzonderlijke gedichten opeens één lang gedicht werden, wat uiteraard een heel andere interpretatie opleverde. Bij de tweede deelnemer was de inzending voor poëzie geweigerd omdat ze te prozaïsch zou zijn (wat naderhand geenszins het geval bleek te zijn); als alternatief had de deelnemer dan maar een column opgestuurd, een genre dat de organisatie blijkbaar geschikter achtte voor een spreekuur poëzie. Bij de eigenlijke observatie was ik verbaasd door de houding van Daniel Billiet. Ik ken Daniel als iemand die recht voor de raap is, maar dan vooral wanneer hij les geeft aan gevorderde schrijvers, die zelf goed weten waar ze staan en in eerste instantie willen weten hoe ze hun gedichten kunnen verbeteren. Ik had gedacht dat hij omzichtiger te werk zou gaan bij de erg beginnende schrijvers die de twee deelnemers aan het spreekuur waren, wat niet het geval bleek. Zo zou ik er niet direct aan iemand vragen hoe oud hij was toen hij een bepaalde tekst schreef, zeker niet als je door wat er in de tekst staat, ziet dat hij van recente datum is. Ik zeg niet dat de feedback an sich niet correct was, maar de manier waarop Daniel die feedback aanbracht, druiste regelrecht in tegen de principes dat je feedback stapsgewijs opbouwt, van positief naar werkpunten. Dat zou ik zelf beduidend voorzichtiger aanpakken.   Leesverslag Anna Cornelis   Je hebt een tekst geschreven over de aanslagen in Parijs en wat die bij de ‘ik’ uit het verhaal teweegbrachten. Wat mij meteen opviel, was het originele standpunt dat je de ik-figuur laat innemen inneemt. Meestal kijken we vanuit de veilige thuis omgeving naar de gruwel die er veraf gebeurt. Nu kijken we vanaf veraf naar de gruwel die er thuis gebeurt. Die omkering van de normale situatie maakte op mij als lezer een bevreemdende en daardoor krachtige indruk. Het dwong mij op een andere manier over de situatie te denken.   De eerste paragraaf (strofe?) trok mij vlot in de beleving van de ik-figuur. Je opent krachtig met een vraag die meteen een gevoel van onmacht en radeloosheid weergeeft, en mij prikkelde om verder te lezen. Ik wilde weten wat er gebeurd was. In de tweede zin keer je de vertrouwde situatie om: veraf (hotelbed) wordt dichtbij en dichtbij (thuis) wordt veraf. In de derde zin geef je het ongemak van de ik-figuur overtuigend weer met korte zinnen als gedachteflitsen. Ook bij de rest van de paragraaf (‘Misschien zit… de deur achter me dicht.’) ervaarde ik door je manier van beschrijven de onrust waar de ‘ik’ mee geconfronteerd wordt.   Vanaf de tweede paragraaf lees ik voor de verontwaardiging van de ik-figuur. Die verontwaardiging krijgt zijn neerslag in vragen die aan de lezer gericht worden. De lezer wordt ook persoonlijk aangesproken: ‘Waar bent u, 4 jaar later, wat valt nog binnen uw beeldbereik?’ Daarna volgt ‘Waar zijn wij?’. De overgang van ‘u’ naar ‘wij’ werkt retorisch zeer krachtig: de lezer wordt eerst individueel aangesproken, daarna wordt hij deel van een grote groep waar ook de spreker toe behoort. Zo trek je het gebrek aan actie van één persoon open naar een hele groep, de hele maatschappij. Met de zin ‘lijkt tijdig wegzappen het enige dat we nog kunnen doen’ leg je de link terug naar het begin van de tekst, waarin de ik-figuur zelf wegzapte.   Door je tekst heen trof ik een aantal beelden aan die indruk op mij maakten: ‘fantoomreactie’, de satirische neerzetting van ‘serieuze legerduo’s’ en de reactie van de extremisten. In de verontwaardiging die de ik-figuur uitdrukt, mis ik echter de suggestiviteit die in de eerste paragraaf wel aanwezig was. Door veel expliciete termen en grote woorden te gebruiken, zoals ‘populistische retoriek, overschilligheid, menselijkheid’ raakte de tekst mij een beetje kwijt. Die woorden en toevoegingen als ‘wist u dat’ en ‘en dat zou moeten volstaan’ maakten een erg belerende indruk op mij. Ik werd als lezer niet meer uitgedaagd om zelf te denken, zelf een mening te vormen.   Het hoofdpersonage, de ik-figuur, wil duidelijk verontwaardiging uitdrukken, maar geeft nu de indruk meegezogen te raken in de stroom van zijn eigen betoog en zelf de grote woorden en luide uitroepen te gebruiken waar hij een hekel aan heeft. Na een sterke eerste paragraaf haakte ik daar als lezer wat op af. Met enige herwerking kan dit wel een krachtig relaas zijn van de indrukken die de aanslagen in Parijs nagelaten hebben, zeker door het onverwachte standpunt.     Leesverslag Kim Pauwels   In je gedicht vertrek je vanuit een aantal beelden waar je een ik-figuur mee vergelijkt: een snaar, een ui, Orelia. Aan de hand van die beelden bouw je een verhaal uit tussen een ik-figuur en een ‘jij’.   In het deel ‘een snaar’ lees ik een zucht naar tederheid en verbondenheid. Wat mij bijbleef, waren de verzen ‘zucht, blaas, span/me niet aan’. Eerst bouw je een spanning op door te zeggen wat de ‘jij’ moet doen, daarna blijkt dat de ‘jij’ het zuchten, blazen en aanspannen vooral niet mag doen. Ook door ‘langs de sleutel/ een gebogen weg/ naar buiten.’ verraste mij. Ik vroeg alleen mij af of dat vers niet aan kracht zou winnen door ‘een gebogen weg’ weg te laten. Ik struikelde wat over het tweede vers ‘klaagt zij deemoedig’. ‘Deemoedig’ lijkt mij een vreemde combinatie bij klagen.   In het tweede deel ‘een ui’ zie ik vooral hoe de ‘ik’ zich wil blootgeven aan de ‘jij’, hoe de echte persoon worstelt met de opgehouden façade. Knap hoe je zoveel aspecten van een ui betrekt op een persoon. Je werkt geregeld met woordspelingen (‘ontwikkel wikkels, hol-bol) en dat woordspel komt ook in het de rest van het gedicht (‘Orelia’, ‘een spoorweg’) regelmatig terug. Dat leidt tot leuke vondsten, maar zoals voor alle goede dingen geldt dat je er best niet mee overdrijft. Ik wist niet goed wat ik aan moest met ‘Fruit wat groente was.’ Daarnaast had ik het moeilijk met het zeer vage begrip ‘hoedanigheid’ in je voor het overige zeer beeldend gedicht.   In ‘Orelia’ lees ik weer een ander aspect van de ‘ik’: het is iemand die brandt van passie, maar tegelijk het risico loopt daardoor op te branden. Wat ik bij ‘een ui’ over woordspel geschreven, is hier ook van kracht: leuk en intrigrerend, maar het best met mate.   In ‘een spoorweg’ daagt de ik-figuur de jij uit om uit de dagelijkse ratrace weg te sluipen en samen met hem/haar mooie momenten door te brengen. Opnieuw zie ik een aantal sterke beelden en verwoordingen: ‘koperdief’, ‘bliksem openbaar’, ‘vertraag je versperringen tot druppels’. Tussen de mooie beelden haakte ik echter een beetje af door algemene termen zoals ‘afstemming, beduidend’ en woorden die al zo veel zeggen (‘melancholie’) dat ze de lezer niet veel ruimte meer geven om zelf de sfeer van het gedicht in te vullen.   Wat ik van je gedicht zeker zal onthouden, is de beeldenrijkdom. Daarnaast blijkt uit de tekst ook een fijn gevoel voor woordspelingen. Op de plaatsen waar de tekst mij minder aanspreekt, staan bijna altijd algemene begrippen en vage woorden of juist termen die mij als lezer al te expliciet vertellen waar het over gaat. Die weglaten of vervangen door een sprekender alternatief zou de beelden nog beter tot hun recht laten komen.        

Anke Senden
2 0

Trein

Meer dan vijfentwintig jaar lang pendelde ik dagelijks met de trein naar Brussel en dat was heel dikwijls een echt avontuur.   Jarenlang ging het goed, af en toe eens een staking, af en toe eens een 'persoonlijk ongeval' (eufemisme voor iemand die het leven niet meer zag zitten en dus op het verkeerde spoor terecht kwam) maar al bij al heel betrouwbaar. Heen en weer in zo'n minuut of vijfenveertig.   En toen liep het mis. Een of andere nieuwe topman wou zijn stempel drukken op de goed geoliede machine en dat is de trein nooit meer te boven gekomen.   Een gewone ochtend in dat rampzalige treinjaar. Ik werd wakker gewekkerd om zes uur, zodat ik om acht uur kon punten op het werk. Alles verliep vlotjes en zelfs de trein vertrok op tijd. En dan begon het avontuur. Het was winter en ijskoud, maar in de trein was het lekker warm. Ik verdiepte me zoals gewoonlijk in een boek en keek niet op of om. Jarenlang reizen op hetzelfde traject geeft je een soort ingebouwde klok mee: 'Het geluid van het ondergrondse station in Mortsel', 'De tweelingbrug bij Duffel', 'Het station Van Mechelen' Zonder opkijken voel je waar je bent, hoor je waar de trein voorbijrijdt.   Ik voelde dat er iets niet goed zat, keek uit het raam en zag ... Antwerpen Noord. Nee, dit was niet het spoor naar Brussel. 'Ben ik op de verkeerde trein gestapt? Ben ik op weg naar Roosendaal?' Stilte in de luidsprekers. De trein stopte met knarsende remmen, het licht ging uit. De luidsprekers bleven zwijgen. Na tien minuten malende gedachten en vragende ogen naar de medereizigers 'Wat is hier aan de hand? Zijn we gekaapt?' Eindelijk gekraak in de luidsprekers 'Geachte reizigers, de trein is op het verkeerde spoor terecht gekomen. We kunnen pas weer vertrekken richting Brussel (toch de juiste trein) als we toelating krijgen van het seinhuis. Gelieve ons te verontschuldigen voor de opgelopen vertraging' Daar stond mijn trein naar Brussel op het rangeerstation Noord: richting Nederland. Dit station is nu het alom geroemde Park Spoor Noord. Zouden ze het rangeerstation in een park hebben veranderd om de treinen naar Brussel op het juiste spoor te houden?   Ondertussen was het bijna tijd om op het werk in te punten en de trein stond nog altijd in Antwerpen Noord. En het werd kouder en kouder, want samen met het licht was ook de verwarming uitgevallen. Ik deed mijn handschoenen en mijn jas weer aan en trappelde wat met mijn voeten om warm te blijven, maar veel hielp dat niet. Ik dook weer in mijn boek en probeerde te lezen in het halfduister om de kou te vergeten. Eindelijk, rond negen uur, floepte het licht weer aan, begon de verwarming weer te draaien en kwam de trein in beweging, traag maar zeker. Traag, want het duurde bijna een half uur voor de trein het station Antwerpen Oost passeerde om dan eindelijk in Berchem het spoor naar Brussel weer te vinden.   Aan het einde van de rit, om elf uur, vroeg de stem in de luidspreker nogmaals of we haar wilden verontschuldigen. Een waarom ook niet? Onvoorziene omstandigheden horen altijd een beetje bij het reizen, ver of dichtbij. Bovendien had ik me lekker lang in mijn boek kunnen verdiepen met dank aan de verstrooide machinist.  

Lin Jansen
0 0

Hoe ver moet je gaan?

  Ik, als westerse reiziger, wil ontsnappen aan de eeuwige ratrace en de betonnen muren om me heen als ik een land als Mongolië bezoek. Hoever moet je gaan om onze beschaving te ontvluchten?   Juni 2004: Ulaanbaatar, komt net tot leven als het internationale gezelschap waarmee ik naar de Gobiwoestijn afreis, met slaapogen uit het hotel aan het eind van de wereld druppelt. Minnie Ho uit Hong Kong staat op haar GSM te tokkelen terwijl wij de bagage naar buiten brengen. We reizen in een bizar grijs busje van oerdegelijke Russische makelij, hoog op de wielen, zes zitplaatsen en een kleine bagageruimte; de jerrycans met water en benzine, de tenten en al het kampeergerei moeten op het dak. Het duurt even voor alle passagiers, tolk en chauffeurs hun plaats hebben gevonden. Frisse slierten ochtendnevel zijn de voorbode van een bloedhete dag.   Eindelijk is het zover. Op weg naar de Gobi, waar Marco Polo zijn middeleeuwse avonturen beleefde, waar de zijdehandelaars doorheen trokken om het gulzige antieke Rome van luxe stoffen te voorzien, waar Dzjengis Khan en zijn horden heersten. Ik heb iets met woestijnen en de Gobi spreekt het meest tot mijn verbeelding.   Aan de rand van de stad gaat het asfalt onherroepelijk over in zand. De Mongoolse chauffeur oriënteert zich feilloos in een eindeloze vlakte die ons naar de prehistorie katapulteert. Dieren, veel dieren, de meeste ongetemd, kleine, vinnige paarden, schapen, geiten, kamelen, jaks migreren gestaag, niet beperkt door omheiningen. Dit is een land zonder grenzen, groots onder het helblauwe Gewelf, dat de Mongolen als een van hun goden beschouwen. Geen enkele moderne dissonant onderbreekt het landschap: geen gebouwen, geen telefoon- of elektriciteitspalen, geen wegen of wat ook, waar de mens de hand in gehad heeft.   Tegen de middag steekt een stevige wind op. Zand dat hier nog half bedekt wordt door het gras, stuift op in mini tornado's, die met hoge fluittonen een venijnige aanval uitvoeren op mijn ogen, mijn neus, mijn mond. In open lucht eten is onmogelijk. We stoppen bij een tent, de tolk stapt uit en praat met een vrouw. Even later kunnen we binnen eten. In deze barre contreien gebiedt de gastvrijheid dat een reiziger te allen tijde onderdak kan vragen en krijgen. Een tolk is echt geen overbodige luxe, want de nomaden kennen alleen Mongools. Stel je even voor dat in België een groepje Japanse toeristen bij je aanbelt en vraagt om in je huis te mogen lunchen. Ik voel me ongemakkelijk als de de familie plaats maakt voor ons gezelschap, terwijl wij ons installeren op de brede, comfortabele bedbanken. De steunpalen en het meubilair zijn traditioneel oranje gekleurd ter ere van de Zon. Minnie Ho tikt fanatiek op de toetsen van haar GSM en is hoogst verbaasd als het ding niet tot leven komt. Wanneer we opstappen geven we onze overgebleven boterhammen aan de vriendelijke familie. Wellicht zullen ze maandenlang over ons bezoek vertellen aan hun familie en vrienden.   Naarmate we verder naar het zuiden rijden, maakt de steppe plaats voor de echte woestijn. De meertjes worden kleiner en minder talrijk. Laat in de lente is na het afsmelten van de sneeuw, nog vocht genoeg in de bodem om heel de woestijn te bedekken met een orgie van bloemen, een korte periode van fertiliteit in een, voor de rest van het jaar, onvruchtbaar land. Zo ver het oog reikt is de woestijn paars gekleurd door de kleine inheemse versie van de iris.   Tegen zonsondergang bereiken we de kampplaats. Gelukkig hebben we iglotenten bij die zich bijna automatisch opzetten. In het halfduister bereiden we een maaltijd die de eerstvolgende dagen niet veel variatie zal vertonen, hooguit een andere combinatie van schapenvlees, wortelen, uien en aardappelen. Wat een contrast met de oneindige variatie in onze supermarkten. Ik ervaar aan den lijve het eentonige leven van de Mongool. Ze drinken airag, gefermenteerde en dus alcoholische paardenmelk, en wodka die hen helpen om de verveling en het keiharde bestaan te vergeten. Tussen ijzige poolwinden in de winter en vuurhete zandstormen in de zomer balanceert hun nomadenbestaan. Ik ervaar alleen de onweerstaanbare aantrekkingskracht van dit machtige natuurland.   Nog even plassen voor ik de tent induik. In het duister ben ik al na honderd meter uit het zicht verdwenen van de drinkende en zingende kring rond het vuur. Enkele uren vroeger, in helder daglicht, was er niets om me te verschuilen: de plantengroei hoogstens enkeldiep en rotspartijen vond ik er ook niet. Alleen afstand gaf hoop op enige privacy, tot er enkele Mongolen op hun paarden opdoken aan de horizon. Zij zagen mij hurken tussen de irissen en wijzigden hun parcours zodat ze, volgens hun etiquette, voldoende ver uit mijn buurt bleven om me onzichtbaar te kunnen verklaren. Ik zat daar, gegeneerd, tussen de bloemen, met het zakje voor het toiletpapier in een hand, de rol in de andere.   De volgende dag kondigt zich aan in zinderend coloriet: een rijzende Zon, die het Gewelf penseelt in alle kleuren van de regenboog. Voor ik met mijn slaapogen kan knipperen baadt de purperen vlakte in gouden licht, overkoepeld met egaal helder blauw. Er is geen water om me te wassen, laat staan een douche! De aanwijzingen voor het vertrek indachtig, heb ik enkele pakken vochtige doekjes voor babybilletjes meegebracht Mijn handen ontsmet ik met gel, mijn tanden poets ik met tandpasta op zoutbasis. Doekjes, toiletpapier, alle afval die na vertrek op onze aanwezigheid zou kunnen duiden, nemen we mee. Dit is een ecologische reis.   Zonder enige aanwijzing, ergens in deze eindeloze vlakte, opent zich aan onze voeten een kloof met zicht op Jurassic Park. Mijn fantasie over brontosaurussen die in kuddes door dit land trekken is niet zo gek. Hoewel ze goed verborgen waren, vonden ondernemende archeologen in deze godvergeten plaats de overblijfselen van allerlei sauriërs, die in de toen aanwezige moerassen zijn verdronken. De plaats heeft zelfs een museum. Daar vind ik naast enkele glazen kasten met plaatselijke flora en fauna, een opstelling over de dinosauriërs met versteende eieren en fragmenten van enorme skeletten. We naderen de zandduinen van de Gobi, ooit de paradijselijke stranden van een enorme binnenzee, de biotoop van de levende exemplaren uit het museum.   We racen in sneltreinvaart over de egaal gladde zandpiste recht naar ons doel, terwijl we luidkeels 'Highway to hell' zingen. Door de bestofte voorruit van het busje zie ik hoe zich in de verte een gelige streep aftekent, daar waar blauw en paars elkaar raken. De race wordt afgeremd door slome kuddes kamelen die op hun hoge poten ronddwalen in de hete leegte. Langzaam krijgt de streep meer vorm en begint ze te schitteren in de felle middagzon, tot ze wordt omgetoverd tot zandduinen van wel achthonderd meter hoog. In de plaatselijke taal heten ze de zingende duinen. Marco Polo heeft hun lied gehoord en vermeld in zijn kronieken. Wij moeten het stellen zonder de duinenmuziek omdat het zand volledig uitgedroogd moet zijn om de hoge fluittonen en lage bromgeluiden te kunnen opwekken. Zodra het busje stopt, klap ik mijn tent uit en hoop ik op het rulle zand een zachter bed te vinden dan op de keiharde verdroogde modder van de vorige kampplaats. Minnie is stilaan wanhopig zonder de communicatie met de rest van de wereld. Voor mij betekent het onthechting, omdat de beschaving in een pennentrek kan verdwenen zijn, zonder dat we het zouden weten.   Het is nog vroeg genoeg om nog even de duinen te verkennen en vooral om als een klein kind naar beneden te glijden op een van de afvalzakken, die we in ruime voorraad bij ons hebben. Het is laat in de namiddag en de wit-gele schittering van het zand lost op in roze en rood. Ik ploeter naar boven, mijn voeten zinken bij elke stap volledig weg in het duin. Het zweet gutst van mijn lijf, ik klauw met mijn handen op zoek naar steun. Ik wil daarboven staan en het zicht op het zandgebergte op me laten inwerken. De kracht van de zon begint te tanen, de schaduwen worden dieper, het klimmen wordt gemakkelijker. Eens ik boven aankom, tekent zich een onwaarschijnlijk, surrealistisch landschap voor mij af: rode bergen gescheiden door bijna zwarte dalen, erboven het Gewelf dat naar paars begint te neigen.   Ik keer me om, realiseer me dan dat ik lijd aan hoogtevrees, heel erge hoogtevrees en onder mij gaapt de leegte. De afvalzak hangt nutteloos aan mijn rugzak en ik versteen ter plaatse. Alleen de rustige stem van een medereiziger kan me naar beneden praten. Met oneindig geduld leidt ze me de lange, lange weg terug, terwijl de anderen vrolijk op hun afvalzak naar beneden suizen. Beneden wacht alweer een maaltijd van schapenvlees, uien, wortelen en aardappelen.   Als ik voor dag en dauw mijn hoofd naar buiten steek, staat een harige kamelenpoot op enkele centimeters van mijn neus. Iets verder zie ik dat een hele kudde kamelen het tentenkamp zonder slag of stoot heeft veroverd. De chauffeurs, die ondertussen ook wakker zijn, hebben weinig mededogen met de beesten en verjagen ze meteen met flink wat kabaal en wapperende handen. Stoïcijns hobbelen de kamelen weg naar rustiger oorden.   We reizen af naar Bulgan, een nederzetting in niemandsland. Zodra ik het dorp aan de horizon zie opdoemen, fladderen plastieken vlinders, wit, groen, geel, blauw tussen de irissen. De kleurrijke winkelzakjes van de lokale handelaars plaatsen een bom onder de gedachte dat dit een prehistorisch land zou zijn. Zelfs tot hier dringt onze maatschappij van plastiek door. De nederzetting bestaat uit houten huizen aan zandige landwegen met centraal gelegen enkele duistere winkeltjes en een markt. Hier vervliegt de illusie van een ongerept land. De markt is opgebouwd met muren van roestige, afgedankte containers vol tweedehandskleren, -schoenen en -gereedschap en plastiek, veel plastiek. In het midden op wankele houten kraampjes of op zeildoek op de grond: aardappelen, uien, wortelen. Vlees en zuivel vinden we in de winkels in koelkasten, al is het niet helemaal zeker dat die ook koelen. In het dorp zie ik dat de moderne techniek hier toch is doorgedrongen: verhakkelde vrachtwagens, blinkende zware motoren, zonnepanelen, schotelantennes. Minnie Ho hoopt hier, in het midden van de 'beschaving' op connectie met de buitenwereld. Even komt er leven in het toestel tot het begint te knarsen als de roestige deuren van de containers en de verbinding weer wegvalt. We brengen een bezoek aan de burgemeester, een visionair met meerdere universitaire titels. Hij heeft ervoor gekozen om terug te keren naar zijn dorp om daar verschillende ecologische teeltmethodes te testen. Hij heeft hiermee zo'n succes dat hij van de overschotten, die hij zelf niet gebruikt, conserven kan maken. Hij geeft zijn kennis over de beproefde methodes door aan familie, vrienden en buren die hierdoor grotere oogsten kunnen binnenhalen van andere groenten dan aardappelen, uien en wortelen.   De indrukken die ik tijdens deze reis heb opgedaan hebben mijn inzichten enorm verrijkt. Toch ben ik na het bezoek een illusie armer. Zelfs aan het eind van de 'beschaving' vind je nog altijd haar uitwassen. Hoe lang duurt het nog voor de oergrond ook hier met beton is overgoten?  

Lin Jansen
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8