Lezen

DROOMTIJD

  Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Gedragen door de thermiek boven de gloeiend rode kiezel, Uluru genaamd, ontketen ik het eerste volk van dit continent. Ik vlieg. Ik droom. Hete wind raast in mijn oren. Schitterend licht lokt me hoger en hoger in het blauwe. Het rood is nu ver weg. Het blauw verdonkert, wordt indigo, wordt zwart. De Melkweg leidt me naar de diepste spelonken van de ruimte, waar de dromen ontstaan die de aarde hebben gevormd. In de ruimte ben ik niets, ik weeg niets, materie verdwijnt in het zwarte gat en ik zweef in het spoor van mijn droom. Lachvogels lokken me terug naar de aarde, naar de rode kiezel. Het zwart vervaagt, wordt weer indigo, de sterren vervagen, het licht keert terug en ik duik als een arend naar zijn prooi, naar Uluru. Rond de rots staan de stammen van Australië. Uit duizend didgeridoos klinkt de oertoon van Gaia, de diepe toon die je doet zinderen in harmonie met de aarde. Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Ik ben elk element van de droomtijd. Elke breuk, elke groef, elke holte in de heilige rots is een spoor van mijn verhaal. Ik wijs de weg terwijl ik droom. Ik word wakker in een houten hut op de camping nabij Ayers Rock. Ik ben een blanke westerling, een reiziger, een gast. Voor ik hierheen kwam voedden lectuur en films mijn nieuwsgierigheid naar het oervolk dat hier tot tweehonderd jaar geleden ongestoord heeft geleefd. De droom brengt me wel heel dicht bij de aboriginal, die me zal begeleiden tijdens een wandeling rond de rots. We ontmoeten mekaar aan de voet van Uluru, waar hordes toeristen zich verdringen aan 'The Climb', het spoor dat ze tekenen terwijl ze de top proberen te bereiken. Hun prestatie wordt beloond met een glas champagne en een T-shirt met 'I climbed Ayers Rock' erop. Renita is een Anangu, lid van de clan die enkele tientallen jaren geleden de rots heeft teruggekregen van de Australische overheid. Ze zal me meenemen in het traditionele leven van haar stam. Ze draagt het uniform van een park ranger, een toegeving aan de eisen van haar functie. Haar traditionele uiterlijk met de enorme donkere ogen in haar zacht, ronde gelaat, omkranst met een warrige bos blonde haren, haar brede glimlach, stellen me meteen op mijn gemak. We verwijderen ons van het hysterische circus bij 'The Climb' en stilaan nemen de geluiden van de woestijn bezit van Renita en mij. Ze zegt niets en ook ik zwijg. Als hoogpotige reigers proberen we de staalharde naalden van het spinifex gras te vermijden. De rode muur altijd dichtbij, overheersend maar niet bedreigend. Wat maakt dat schuifelend geluid? Een slang? Een hagedis? Een vogel lacht in een eenzame boom. Een koel briesje verzacht de hitte en kietelt mijn oren. Ik imiteer Renita als ik de opdringerige, alomtegenwoordige zoemende vliegen met een lome handbeweging voor mijn mond en ogen probeer te verjagen. We gaan zitten in het rulle, rode zand, in de schaduw, vlak bij de rots. De tjukurpa, de droomtijd, draagt me naar een oeroude herinnering. Ik ben Kuniya, de slang. De afdruk van mijn slingerend lijf staat in de rots gegrift en vertelt mijn verhaal. Ik leefde heel lang geleden in tjukurpa,. Op een dag werd ik aangevallen met speren door een groep Liru, mythische vijanden van de slang. Lang duurde mijn strijd terwijl ik kronkelend de scherpe punten probeerde te ontwijken. Mijn verhaal en de ontelbare pijnscheuten staan als diepe gaten in steen gebeiteld naast de slingerende lijn van mijn doodstrijd. Renita neuriet voor mij de gezangen van het landschap, het lied van de droomtijd, die haar de weg wijzen in de woestijn. Ik leg mijn vingertoppen op de heilige rots en voel de diepe trilling van dit oeroude continent. De vogel lacht en de wind zingt een lied in de groeven en spleten van dit magisch symbool.   Ik ben Japara, de kangoeroe. Ooit leefde ik in de zee tot een krachtige wervelwind me optilde en me over het land blies. Over wouden en bergketens werd ik gedragen naar de plaats die nu Uluru wordt genoemd. Daar kon ik met mijn staart en achterpoten houvast vinden aan een boom. De wind rukte en trok aan mijn lichaam en ik voelde mijn staart en poten uitrekken tot ze leken te scheuren. Plots loste de boom zijn greep op de aarde, zijn wortels openden de bodem en vormden een bron bij de rots. Ik lag uitgeput onder de boom: poten en staart verlengd en vervormd. Zo werd ik de kangoeroe die iedereen nu kent.   Zachtjes zingend, plukt Renita een besje hier, enkele blaadjes daar. Ik luister naar haar aangename, diepe stem en ik dompel mezelf onder in de restanten van de oeroude wereld die zij vertegenwoordigt. Wat ze plukt mag ik proeven: het zuur-zoete bushtomaatje, het eucalyptusblad met de citroensmaak, de pepersmaak van een wortel. In de schaduw van een boom houden we halt.   Ik ben Linga, de hagedis. Ooit maakte ik een boemerang, een perfecte boemerang, de beste die ik ooit had gemaakt. In die tijd was Uluru nog een zandige heuvel en toen ik mijn boemerang wierp, kwam hij niet terug, maar verdween hij in het zand. Ik moest en zou die boemerang terugvinden. Ik groef diepe holen in het zand, schraapte met mijn tenen aan de rand in mijn zoektocht naar het verloren kleinood. Ik kon het niet vinden. Mettertijd versteende het zand en bleven de gaten, holen en verticale kloven het zichtbare resultaat van mijn queeste.   Het water in de bron staat enkelhoog, maar we toch laten we ons met de kleren aan in het water vallen. In de hete middagzon gooien we lachend handenvol water naar mekaar toe, als kleine kinderen, tot we afgekoeld en uitgerust verder kunnen. Een nat spoor van de druipende kleren en voeten achtervolgt ons.   Ik ben Lungkata, de dingo. Bij aboriginals bestaat een wet die verbiedt dat ze vrouwtjes en pups van de dingo doden. Lang geleden doodde de jager, Kapiri, twee dingopups en at ze op. Die daad werd wreed gewroken door de dingo's zodra ze het gehuil van de moeder hoorden. De boosdoener zag de dingo's van alle kanten komen aanlopen en klom in de dichtstbijzijnde boom. Lungkata, uitzinnig van verdriet om haar pups, moedigde de dingo's aan om wraak te nemen. De hele meute begon aan de boom te schudden tot hij werd ontworteld. Met een smak viel hij op de grond en het lichaam van Kapiri viel in duizend stukken. De dingo-pups kwamen levend tevoorschijn en huppelden keffend naar hun moeder terug. In de grond gaapt nu een groot gat. De grond er rond ligt bezaaid met rode rotsblokken: het gestolde bloed van de jager die de wet had geschonden.     Mijn gids leidt me weg van Uluru, verder de woestijn in. Het is middag en de zon staat hoog aan een zinderende hemel. De hete lucht trilt en siddert voor mijn ogen, schildert de vormen en kleuren in een waas van oranjerood en grijsgroen. Zonder dat ik het heb gemerkt, hebben we een schuilhut, een wiltja, bereikt. Die zal ons enige bescherming bieden tegen de vurige zon. Handig draait Renita een puntig stokje in een houten plank. Al vlug ontsnapt door de wrijving een rookwolkje. Enkele pluisjes op de rokende plank, een zuchtje adem erbij en er brandt een vuur. Uit het niets, lijkt het wel, komen een man en een vrouw naar ons toe. De vrouw draagt een houten schaal met eten, de man heeft enkele gietijzeren potten bij zich. Renita legt haar oogst van bessen en bladeren op de schaal. Ze geven kruiding met het aroma van peper of citroen aan het gerecht. Terwijl de man en de vrouw boven het vuur het eten klaarmaken, laat mijn gids me proeven van geroosterde stukjes boomlarve. Die zijn een heerlijk nootachtig aperitiefhapje in afwachting van de stoofpot van slang. Door de ongewone maar samen passende smaken waan ik me in een westers gastronomisch restaurant. Een brede glimlach tovert zich op het gelaat van de koks als Renita mijn opmerking vertaalt. Net zo mysterieus als ze gekomen zijn, verdwijnen ze terug in de woestijn.   Door een koele bries en een schaduw voor de zon komen we uit de wiltja. Een donkere wolk bolt op boven Uluru. Achter onze schuilplaats wordt het zonlicht verduisterd door een tweede wolk. Een derde wolk verschijnt achter de eenzame boom. De lachvogel zwijgt. De hagedis kruipt weg onder de versteende resten van de dingo. De ogen van de kangoeroe lichten op in één van de holen in de rots. Stilte voor de storm.   Een strakke wind steekt op en drijft de dreigende luchtmassa's samen boven Uluru. Van wit en lichtgrijs, verdonkeren ze naar een groenig donkergrijs. De rots verkleurt van gelig oranje naar een vuil-paarse tint. De lucht knettert van een ingehouden energie die toch nog onverwacht uitbarst in een veelarmige flits, meteen gevolgd door de knal van de eerste donder. Wij schuilen onder de takkenbossen van de wiltja, die amper boven de vlakte opbolt. De eenzame boom splijt onder de kracht van het natuurgeweld. De hevige windvlagen borstelen over de woestijnbodem en spuiten het rode zand in mini tornado's hoog in de lucht, terwijl alle losse takken en bladeren over de grond worden meegesleurd in de woeste dans der elementen. Ook in mijn lijf knettert een tomeloze energie, de kick, de opwinding bij het ondergaan van dit natuurfenomeen. Na het vuur komt het water: onstuitbaar, met de kracht van een waterval. Bliksem en donder laten mekaar los en verdwijnen in de verte. Het water blijft de dorstige woestijn laven.   Als een Siamese tweeling komen Renita en ik uit de schuilplaats, we kijken elkaar aan, staan onder dezelfde spanning, en beginnen te dansen in de nog altijd gutsende regen. De armen hoog in de lucht, de benen wijd, het bekken schommelend in een aloude ode aan de vruchtbaarheid. Onze kleren doorweekt, het hoofd in de nek, geven we ons over aan de elementen. Wij zijn Anangu, de mens. De levenbrengende stortvloed dondert door de groeven en spleten van de rots, schuurt zich dieper in de steen en schrijft opnieuw geschiedenis. De sporen van champagne slurpende blanke kolonisators worden weggewassen. Uluru wordt herboren en morgen is de woestijn een bloemenzee.  

Lin Jansen
20 0

B van Betty

(uit “verhalen van A tot Z”)   Een bloedhete zomer in het Limburgse Eigenbilzen.  Wij trokken over Vlaamse wegen Rob, Ludo, Romain en ikzelf. De vier Lau’s of Arabia, stervend van de dorst. Voor deze trektocht waren de instructies van de leiding duidelijk geweest : nérgens binnengaan! Wie kon ons echter zien in dit godvergeten landschap met in de verte een als een oase opduikend dorpscafeetje? Sterven of drinken ? Drinken dus. Het op dit zwoele middaguur lege dranklokaal had de typische geverniste hoge toog waarachter na ons binnentreden de waardin opdook, het blonde haar hoog opgestoken als een korenschoof op de zinderende velden. Vier limonadeflesjes waren er niet meer, wel nog grote flessen, niet gekoeld maar daar kon aan verholpen worden. In de vroege jaren zestig had men namelijk het kunstijs gedemocratiseerd, dat vroeger de ijskelders van de kastelen van de hoge adel koel hield. Voortaan vond men deze magische koelstof ook in zinken koelbakken op Vlaamse kermissen en in de kelders van menig drankgelegenheid. Zo ook in deze oase. Het voorstel om onze dranken te “coolen” werd gretig aanvaard waarna de waardin een luik opende achter de toog en verdween in de kelder met biervaten. Wij hoorden haar hakken in het ijs en even later verscheen zij terug aan de oppervlakte met hamer, bijtel en … vier enorme “ice-cubes”,  die zij fier in onze glazen deponeerde.  “So far, so good” ! Precies één jaar later werden alweer Rob, Ludo, Romain en ikzelf geloot uit een groep van vijftien kerels om samen een trektocht te maken. Wie heeft in Limburg niet de Ponderosa gekend, het etablissement tussen Eksel en Kerkhoven waar er zoals in de beroemde TV-serie Bonanza authentieke houten afrasteringen stonden waaraan men zijn paard kon vastknopen? Menig late cafébezoeker zonder paard heeft er in het donker bij het verlaten van het café zijn onderbuik aan bezeerd. Onze tocht op een alweer snikhete zomerdag leidde voorbij deze drankinstelling en u raadt het: wij kregen dorst. Bier stond (nog) niet op ons verlanglijstje. De uit voorraad zijnde Coca werd willens nillens vervangen door limonade. Maar oh jee, de gezette blonde waardin met opgestoken haren achter de geverniste toog had enkel grote ongekoelde flessen … of wij er een ijsblokje in wilden, hamer en bijtel, luik open, hakken van ijs....... Dit was onze eerste déja-vu lang vooraleer wij het woord leerden kennen.  Wij keken elkaar aan en proestten het uit van het lachen: dezelfde hitte, dezelfde brede dame, het blonde opgestoken haar, de toog, het luik, de drank, de kelder, het ijs en…….onze eeuwige vriendschap. Later vernamen wij dat dit soort ijs nooit ofte nimmer mocht geconsumeerd worden. De maagpijn is al lang vergeten maar wat blijft zijn de zoete herinneringen aan deze goede oude tijd. “So what” ? Voor het dagelijkse Radio 1 middagprogramma “het Vermoeden” dat Betty Mellaerts bijna tien jaar lang presenteerde was er een rubriek die het “toevalsverhaal” werd genoemd. Ik stuurde dit verhaaltje in en kreeg respons.  Een heuse reporter kwam mij interviewen.  De opname zou nooit worden uitgezonden omdat de hoofdredacteur later besloot dat de toevalsfactor niet voldoende sterk was. En wat als de beide waardinnen nu eens Betty hadden geheten ?  

Vic de Bourg
0 1

Onbeschrijfbaar, maar toch

Onbeschrijfbaar. Ik zou het zo kunnen noemen maar het is wel perfect uit te leggen dus slechte woordkeuze. Ik kan er zo veel over vertellen en maar blijven doorratelen. Miljoenen woorden zullen over mijn tong rollen maar dan nog zal je er niks van begrijpen. Daarom is onbeschrijfbaar dan toch nog toepasselijk. In mijn hoofd klopt het allemaal maar in een ander zijn hoofd zal het eeuwen duren tegen zoiets een plaatsje heeft verdiend en dan nog mogen we niet op zekerheid hopen. Juist zoals nu; een hele uitleg maar niemand die weet waarover ik het in godsnaam heb. Ik zal het proberen vertellen maar ik waarschuw nu al dat het ingewikkeld, onbegrijpelijk, afschuwelijk en ongelofelijk zal zijn. Je zal het gewoon niet willen geloven. Maar ik moet eerlijk zijn. Voor één keer moet ik volledig eerlijk zijn, ook tegen mezelf.  En dat laatste zal de moeilijkste klus worden hoogstwaarschijnlijk.   Misschien kan ik beginnen met een opbiechting. En door dit nu te zeggen – nu jullie nog onwetend zijn – zal het nog niet zo choquerend zijn. Ik wou dat het nooit was uitgekomen. Dat alles nu nog aan de gang zou zijn. Maar dat is het niet. Acht februari kan je noteren als toch wel één van de slechtste dagen die ik tot nu toe meegemaakt heb in mijn bijna negentienjarig bestaan. Dit gezegd zijnde zal ik maar eens beginnen aan mijn verhaal want ik kan me goed inbeelden dat het tot nu al behoorlijk chaotisch en onverstaanbaar was.   Ik weet niet meer de exacte begindatum maar laten we zeggen dat het toch wel meer dan een goed jaar geleden is dat het allemaal begonnen is. Ik was enig opzoekwerk aan het verrichten omtrent persoonlijke zaken – geen vulgaire situaties inbeelden – toen ik botste op een toch wel aantrekkelijke blonde jongen.  Ik kwam hem tegen op die welgekende fotosite ‘Instagram’. Ik klikte zijn profiel even aan en scrollde eens snel doorheen zijn nog knappere foto’s. Dat moet je enigszins wel verstaan toch? Wie zou nu niet het profiel checken van iemand die je aantrekkelijk vindt. Ik weet niet wat er precies gebeurde maar iets veranderde bij het zien van dit profiel, ik veranderde. Ik begon hem te volgen en per foto die er bijkwam, was ik toch voor een miniscule seconde even gelukkiger dan die seconde daarvoor. Oh ik was het bijna vergeten melden! Hij volgde mij dus weldegelijk terug! Nog gelukkiger gewoon! Sorry dit moest ik even kwijt. Misschien dat ik nu iets minder vreemd overkom of juist nog meer? Gohja, niet dat de mens zo gemaakt is om perfect te zijn.  Maar het bleef niet enkel bij het leuk vinden van zijn nieuwe foto’s. Zoals ik eerder al zei, veranderde er iets.   Ik kan dit onderwerp op geen enkele manier inleiden dus smijt ik het maar direct in de groep: ik gebruikte deze knappe jongen zijn foto’s en creërde er een nieuw Facebookaccount mee. Nu had FB er weer een nieuwe klant bij. Deze blonde knapperd maar achter de schermen een minder aantrekkelijk dingetje, zowat het heel tegenovergestelde van het account.   Velen zullen hier al afhaken van dit verhaal met verbijstering. Verafschuwing zal ook wel bij een aantal naar boven komen. Maar nieuwsgierigheid zal ook wel parten spelen. De mens is dan ook het nieuwsgierigste wezen ter wereld. En uit die nieuwsgierigheid zullen er toch wel nog enkele verder willen lezen – hopelijk – anders is dit voor niks.         Dus laten we anderhalf jaar geleden zeggen dat alles begonnen is. Het account is actief en aliasnaam Harold voegt mensen toe. Jongens, meisjes, jongeren, ouderen, echte vrienden van mij, onbekenden, met andere woorden een goed gevarieerde vriendengroep. En tussen die verschillende menselijke wezens zat dus ook die ene. ‘Die ene’ onbeschoft gezegd, nene, zij. Zij zat er ook tussen, laten we haar Camille noemen. Harold voegde Camille ook toe. In mijn echte leventje een totaal onbekend persoon. Hij begon op zijn beurt naar haar te sturen, zo de basisgesprekken, een hallo, hoe gaat het en salut. Maar ik heb het er al over gehad: mensen zijn nieuwsgierig. Camille is niet anders. Nieuwsgierig naar wat die jongen nog meer te bieden heeft dan zijn simpele hallo. Zij ging dus in op zijn kort maar krachtige en toch mysterieuze gedag. Natuurlijk gaf ze niet van eerste keer alles prijs en soms werd het haar ook wat te veel waardoor Harold behoorlijk stalkerig overkwam. Maar de doorzetter die hij is, bleef hij haar lastigvallen. Hij had zijn zinnen op Camille gezet en hij zal kost wat kost ook die aandacht krijgen die hij wenste. En daar was het, het moment van de waarheid, de vis hapte toe! Camille begon meer in te gaan op Harold. De simpele hallo-salut gesprekken veranderde in conversaties met interessante vragen langs beide kanten. Anders gezegd, ze leerden elkaar beter kennen, ze stelde zich open voor een nieuwigheidje in hun leven. Ik spreek hier wel over al maanden die gepasseerd zijn hoor! Stel dat Harold is ontstaan rond september dan zitten we nu rond de paasvakantie die daar maanden nadien op volgt. Vanaf dat moment begon Camille meer en meer geinteresseerd te worden in Harold.   Ondertussen zijn er al heel wat gesprekken uitgewisseld. Ze kennen elkaar al een pak beter. En de conversaties beginnen ook meer om plezier te draaien. Beiden kunnen toch wel al eens lachen met elkaar. Doordat de gesprekken vorderen, gaat het vertrouwen er ook op vooruit. En elke realtie is gebouwd op vertrouwen toch? Dus laten we concluderen dat deze twee op de goede weg zijn voor iets moois. Althans moest alles zich afspelen in de gewone wereld.   Eenmaal de maandelijkse conversaties dagelijks werden, duurde het niet snel dat de twee meer verwachtten. Ik spreek niet over liefde maar het werd toch ingewikkelder. Harold wou niet dat Camille iets deed met een jongen maar Camille wou ook niet dat Harold iets deed met een ander meisje. Hoe kunnen we zo een relatie dan noemen? Juist, niks anders dan ingewikkeld. Ingewikkeld omdat de twee elkaar nog nooit gezien hebben. Wat er tussen hun gaande is, draait puur om wat er tot nu toe gezegd geweest is. We kunnen er dus van uitgaan dat beiden zich duidelijk op hun gemak voelen bij de ander.  Maar niet alles bleef rozengeur en maneschijn. Niets in het leven verloopt altijd de volle honderd procent zoals men zou willen. Ook niet hier. De zomervakantie is in het zicht. We zitten volop in de examens. Harold maakt zijn laatste jaar af terwijl Camille hard moet blokken om in haar laatste jaar te geraken. Ik kan momenteel enkel in naam van Harold spreken maar deze periode was zwaar met momenten. Voor sommige vakken zou hij er volledig voor moeten gaan of hij mocht zijn 100-dagen nog eens vieren. Maar ondanks de wat hardere periode moest en zou hij Camille blijven horen. Om de twee seconde zie je hem wel naar zijn GSM staren om te zien of er nog geen smsje is binnengekomen van haar. Maar ook zij moet studeren. Al ging hij er wel vanuit dat ze dit jaar met gemak zou afronden omdat ze in zijn ogen haar vorige richting, wetenschappen ASO, wel zou aankunnen. Maar dat zijn slechts details. Tijdens deze periode kwam ook de vraag om te bellen aan bod. Iets uitleggen over geschiedenis. Als ik het mij goed herinner, zou het dan over de wereldoorlogen moeten gaan, voornamelijk de eerste. Er waren slechts twee problemen. Probleem één: geschiedenis is allesbehalve zijn sterkste vak; en probleem twee: Harold bestaat helemaal niet, enkel mogelijk gemaakt door dat minder aantrekkelijke ding, ik. Tot nu toe had ik nog nooit stilgestaan bij het feit om te bellen. Ik moest dus een uitvlucht zoeken. Redelijk aarzelend en teleurgesteld had Camille geen andere keuze dan er haar bij neer te leggen. Ik weet niet meer wat ik als excuus heb gebruikt maar blijkbaar goed genoeg om dat even uit de weg te leggen. We hebben het dan ook een tijdje daar niet meer over gehad. Ons contact bleef gewoon zijn weg vinden door de duizenden smsen. De Harold in mij kwam meer in de zone terecht waar hij haar moest horen. Het voelde gewoon goed aan. Niks was geforceerd, het liep allemaal zo vlot. Te mooi om waar te zijn inderdaad.   Daar was ze dan, de langverwachte zomervakantie! Met een mooi diploma op zak en nog mooiere plannen voor na de vakantie kon ik gerust aan mijn drie maanden niks doen beginnen. Wel dat niks doen, is nu ook niet helemaal waar… Juni zou lekker een maandje werken worden. Gohja geld verdienen om enkele dagen later het dan weer uit te geven, waarom niet? Dat werk was maar een saaie bedoening en aangezien Camille en ik al toch van kennissen gevorderd waren naar vrij goede vrienden, hoopte ik dat mijn saaie dagen wat kon opfleuren door met haar te sturen. Mijn werk kwam op de tweede plaats. Vanaf ik een antwoord kreeg van haar liet ik alles vallen en stuurde meteen terug. Maar na twee weken liet ze me al in de steek. Zij ging van het leven gaan genieten in Spanje terwijl ik nog een halve maand mocht doorbrengen op het werk.   De situatie verandere al snel. Ze was misschien nog geen dag in Spanje toen ik iets ontdekte. Mij was er tot nu toe verteld dat ze single was. De relatie met haar ex was volledig gedaan. We hadden ook de afspraak gemaakt om beiden niemand anders te doen tijdens de vakantie maar zoals juist gezegd: situaties kunnen snel veranderen. Ik kwam per toeval te weten dat ze helemaal niet zo single was als ze beweerde. Haar zogezegde ex was toch gewoon haar vriendje. Mooi voorgelogen wel. Ik had niks door. (Ik ben niet degene die hier iemand op de vingers mag tikken als die liegt maar laten we er nu vanuit gaan dat dit nog niet geweten is en dat Harold echt is.) Niet alleen kwam ik te weten dat ze wel een relatie heeft maar eerder deze vakantie had ze toch eens lekker wat speeksel uitgewisseld met een jongen op een festival. Waarvoor moet ik nu het viest worden op haar? Om het feit dat ze gelogen heeft over die ene muiling of over die relatie? Eerlijk gezegd, ik was er echt door geraakt. Het vertrouwen waarop een relatie, vriendschappelijk of iets anders, is gebouwd, is volledig weg. Dus eigenlijk is er helemaal niks meer. Maar het straffe moet nog komen. In de normale gang van zaken zou ik redenen hebben om vies te zijn op haar maar de rollen zijn hier omgedraaid. Zij doet vies tegen mij. Vies omdat ik haar lief heb gestuurd omdat ik meer wou weten. Dus nu moest ik sorry zeggen voor iets dat zij eigenlijk achtergehouden heeft? Dat deed ik ook. Na enkele dagen wel. We hebben even geen contact gehad, ook doordat zij amper kon sturen vanuit Spanje. Maar uiteindelijk heb ik sorry gezegd. Ik had hem ook niet mogen sturen maar soms verlies ik mijzelf eens en dan doe ik dingen waar ik later spijt van heb. Dat zal wel nog veel terug keren hierin.  Alles is nu terug bijgelegd en we waren terug vriendjes. Het heeft wel nog even in mijn hoofd rondgedwaald maar ik probeerde er mij zo snel mogelijk over te zetten. Ik wou die losse gesprekken terug met haar dus ik had ook geen andere keuze. Het duurde niet echt lang vooraleer we weer konden lachen met elkaar en die problemen achter ons konden laten. De eerste maand was over. Mijn werk zat er op. Rechstreeks naar een festival. Een mijlpaal in de band die we hadden. De eerste dag op het festival. Mijn vrienden waren er al vroeger en waren zo vriendelijk geweest om mijn tent op te zetten, minder of geen  werk voor mij meer. Zo een maandje werken, ja, het is toch wel nog vermoeiend. Maar een echte feester laat zich niet doen door een kantoorjobke. “Ge ga hard of ge ga nie”. Het was prachtig weer dus nog eens extra genieten van de vakantie. Rond 2 uur begon ik toch wel mijn klop te krijgen en ging ik naar mijn tentje. Stiekem was het niet enkel om te gaan slapen. Ik had eindelijk die denkbeeldige ballen gevonden aan mijn lijf om die verdomde telefoon te pakken en Camille te bellen. Ok, kleine balletjes dan want direct zo bellen, was toch niet echt weggelegd voor mij. Het werd een voicemailberichtje. Toch wel al een behoorlijke stap want dit zal de eerste keer zijn dat ze mijn stem zal horen. Het was dus wel angstaanjagend wat haar reactie zou zijn. We zijn er nog niet helemaal uit maar laten we er nu vanuit gaan dat zij gelijk heeft en ik dus zat genoeg was. Ik weet dan ook niet meer wat ik gezegd heb maar aangezien ik toch wel meer dan licht aangeschoten was, zal het vrij genant zijn. Toen ik het berichtje ingesproken had, kroop ik mijn slaapzak in en begon ik aan mijn dutje. Een slaapje dat niet lang duurde want drie uur later lag ik daar al weer, wakker. Nog steeds geen bericht van haar, shit. Nog wat proberen slapen dan. Tien uur. Het was deze keer 10 uur toen ik wakker werd. Wacht, wat?! Ik zie Camille haar naam verschijnen op mijn scherm met een gemiste oproep en dan nog een berihcht dat mij vertelt dat ik een voicemailbericht heb, spannend! Ik denk dat ik nog nooit zo snel in mijn leven mijn gsm geopend heb en in mijn voicemail zat. Haar bericht. Ik moet het wel duizend keer opnieuw beluisterd hebben. Dat Antwerps toch. Het heeft nog zijn charmes. ik heb op haar voicemail geantwoord met een andere voicemail uiteraard en daarop had zij ook nog ééntje geantwoord maar zo kon het niet verder gaan. Ik moest die ballen bij elkaar rapen die ik gisteren ontdekt heb en haar echt bellen. Op het gemak. Niet nu. Vanavond misschien. Eerst genieten van het mooie weer en al die drank dat hier ligt te staren naar mij, wachtende tot iemand ze opdrinkt. Nog een dagje genieten van de muziek en alles er rond. De avond viel al snel. Ik had haar gedurende de dag af en toe gehoord maar nu was het tijd om te bellen. Het was rond elf uur in de avond geloof ik. Ik ben weggeglipt bij mijn vrienden met een excuus dat ik naar het toilet ging en dan naar een andere tent. Maar wat zij nie weten, is dat ik eigelijk gewoon wil bellen met haar. ik liep helemaal naar de ingang van het festival en stelde mij daar in een hoekje. Daar is het minste lawaai dus daar kan ik dat Antwerps het beste horen. Ik kan u garanderen dat je nog nooit zo een awkward telefoongesprek gehad hebt. Ik wist helemaal niet wat zeggen. Gek genoeg hebben we wel een uur staan bellen. Ik was echt gelukkig op dat moment.   Dit veranderde dus alles! Logisch ook. Eindelijk heeft zij een stem bij ‘haar’ Harold. En ik een mooie, licht Antwerps getinte stem bij ‘mijn’ Camille. Vanaf nu is alles een pak serieuzer. Geen tijd voor bullshit meer. En dat enkel door een telefoontje. Moet je kunnen he?

Harold Vdp
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 5)

  “Goodmorning. Welcome on board, sir,” begroet een stewardess van Singapore Airlines me. Ik neem aan dat het een stewardess is, want haar uniform is érg atypisch. Ze draagt geen stijf mantelpakje, wel een soort van veredelde pyjama. Of juister: een kruising tussen een pyjama en een nachtjapon. Het bovenstuk is een nauw aansluitend vest en het onderstuk een lange rok die tot op de voeten reikt. De blauwe satijnachtige stof, waaruit beide zijn vervaardigd, is overvloedig bedrukt met rode, turquoise en lila bloemen. Heel apart. Ik knik haar gedag en duik de cabine in, waar ik al na enkele passen door een tweede kleurige dame word staande gehouden. Deze Aziatische versie van de harlekijn murmelt me iets toe in een taal die met wat goede wil enige gelijkenissen vertoont met het Engels. Als ze doorkrijgt dat ik haar niet begrijp, draait ze haar hoofd haast ondersteboven om het stoelnummer van mijn ticket af te kunnen lezen. Wanneer haar hoofd weer rechtop staat, wijst ze me de juiste richting aan.   Terwijl ik op mijn plaats toeloop, kijk ik om me heen. Het vliegtuig lijkt wel een kerk, met een brede beuk in het midden en twee smallere opzij. Enkel de pilaren ontbreken. En een altaar natuurlijk. Waar Jan zich bevindt, kan ik niet zo dadelijk uitmaken omdat het een hectische bedoening is aan boord. Mensen verdringen elkaar in de gangpaden om eerst bij hun plaats te raken. Ik zal wel op zoek gaan naar mijn kersverse vriend als we hoog in de lucht hangen. Dan is er tijd en gelegenheid genoeg.   Mijn zitje bevindt zich in de rechterzijbeuk en blijkt het middelste van drie te zijn. Verdomd jammer vind ik dat. Ik had graag aan het raampje gezeten, maar daar zit al een vent. Op de stoel naast het gangpad zit overigens een andere vent. Geflankeerd worden door twee bloedmooie jongedames had me lekkerder gezeten. Maar een mens heeft niet altijd te kiezen.   Ik moffel mijn handbagage weg en neem plaats tussen mijn bodyguards. In de wetenschap verkerend dat ik ettelijke uren in deze kerels hun gezelschap zal vertoeven, onderwerp ik hen vanuit mijn ooghoeken aan een grondige keuring. De man aan het raampje lijkt me een zakenman. Uitgedost in een keurig maatpak is hij voortdurend in de weer met een iPhone en een tablet. Hij heeft het te druk om ook maar enige aandacht aan me te besteden. De kerel langs het gangpad is van een heel andere soort. Met zijn afgesleten jeans en ruim houthakkershemd lijkt hij op een cowboy die uit een oude Hollywoodfilm is ontsnapt. Hij zweet als een rund, ademt een misselijkmakende alcohollucht uit en slaakt om de twee minuten een ergerlijke zucht die vanuit zijn tenen lijkt te komen. Net een neushoorn die op sterven ligt. Maar wat me vooral niet lekker zit, is de beenruimte die hij nodig heeft. Ik zit amper neer of hij duwt zijn knokige knie al tegen de mijne aan. Ik háát het aangeraakt te worden. En het helpt niet dat ik wegtrek, want hoe meer ik plaats maak, hoe breder zijn spreidzit wordt.   Na het verplichte circusnummertje dat door de stewardessen mooi synchroon wordt uitgevoerd, taxiet het toestel naar de startbaan, waarna we het luchtruim kiezen. Mijn twee buurmannen zijn allesbehalve vermakelijk gezelschap: de ene is kort na het opstijgen alweer druk doende met zijn batterij aan informaticatoestellen - alsof hij op kantoor zit - terwijl de andere zijn roes ligt uit te slapen. Snurken doet hij gelukkig niet. Zijn ademhaling lijkt eerder op het repetitieve gehijg van een automatische luchtpomp.   Zodra we onze maximumhoogte hebben bereikt en het seatbelt sign uitfloept, gesp ik mijn gordel los. Ik zit op hete kolen om op zoek te gaan naar Jan Byttebier. Maar zolang die uitgerafelde cowboy naast mij onderuitgezakt ligt, zie ik mijn weg versperd door twee horden. Wil ik ontsnappen, dan zie ik me verplicht om over zijn benen te klauteren, want wakker worden wil hij kenbaar niet. Ik sta op uit mijn zitje en hijs mijn been voorzichtig over het zijne. Ik waak ervoor hem niet te raken, want een dronkenlap die wakker schrikt, kan lelijk uithalen. Ik heb zijn knokkels eens bekeken. Het vel lijkt niet de tijd te krijgen er overheen te groeien. Ik tracht zo voorzichtig te zijn dat ik zelfs de lucht onbewogen laat. Desondanks lijkt hij toch iets gewaar te worden, want net wanneer ik me met mijn beide benen tussen zijn grand écart bevind, krijgt hij een soort van stuiptrekking waarbij hij zijn wolfsklem sluit. Ik verlies mijn evenwicht en kan me nog net aan de rugleuning voor hem vastklampen om niet op zijn schoot te belanden. Als een luiaard om een tak, hang ik te bengelen, zachtjes meedeinend op de golving van het luchtschip. Nadat hij een diepe zucht heeft geslaakt en zijn bezwete kop van links naar rechts heeft laten overrollen, spert hij zijn benen terug wijd open, waarna ik de tweede horde neem. Eindelijk bevrijd, begin ik aan mijn zoektocht. Ik heb geen idee met hoeveel we de overtocht maken, maar het zijn er te veel om in één oogopslag te overschouwen. Langzaam loop ik het gangpad door, voortdurend links en rechts kijkend. Al gauw zie ik mijn weg versperd door een paar dames in pyjama die met een cateringkarretje rondhossen. Zij nemen aardig hun tijd om iedere passagier van een maaltijd te voorzien. Ik denk dat je een rotje in hun kont moet duwen om ze vooruit te krijgen.   Ik blijf een hemels geduld oefenen, tot ik plots een eind naar het staartstuk toe een man uit zijn zitje zie oprijzen met een stevige bos krullen. Ik heb zijn gezicht niet kunnen zien, maar zijn haardracht en kleding laten er geen twijfel over bestaan dat het Jan betreft. Eindelijk heb ik hem gelokaliseerd! Ik denk overigens dat hij een plas moet maken, want hij stevent af op het toilet dat zich in de staart van het vliegtuig bevindt.   “Excuse me,” hijg ik de stewardess, die met haar rug naar me toegekeerd staat, in haar nek. Ze kijkt om. “Yes?”   “I have to go to the toilet,” zeg ik, wijzend op het wc in het achtereind van het toestel.   “There’s another toilet in the front, sir!” antwoordt ze hulpvaardig, waarna ze verder gaat met het uitdelen van maaltijden. Ik vloek in mezelf, maar geef me niet gewonnen. Ik tik haar op de schouder en zeg haar dat het toilet vooraan bezet is. Ze kijkt verbaasd om.   “No, it isn’t, sir,” antwoordt ze. “Look!” Ze richt haar vinger op het groene oplichtende mannetje boven de deur. “If the sign is green, it means it’s free!” Fuck! Dat mens laat zich niet in de luren leggen.   Ik blijf nog even staan wachten. Maar wanneer we enkele minuten later nog geen millimeter zijn opgeschoven, onderneem ik een poging om me voorbij het karretje te wringen. Helaas heb ik mijn rankheid overschat en kom knel te zitten. Dat op zich zorgt al voor commotie, maar dat ik daarbij ook nog eens een teen van een medepassagier plet onder mijn hiel, maakt het circus compleet. Er worden me wat onaardigheden in de maag gesplitst. Woorden die ik niet begrijp, maar de intonatie is duidelijk genoeg. Uiteindelijk weet de pyjamadame met een behendig manoeuvre het cateringkarretje even uit de weg te rijden, waardoor ik mezelf kan bevrijden. Onder een regen van afkeurende blikken vervolg ik mijn weg.   Vijf minuten later sta ik nog steeds te wachten bij de deur van het toilet. Ik begin me af te vragen of Jan misschien problemen heeft met zijn voorstanderklier. Ik besluit aan te kloppen. Maar net dan hoor ik het toilet doorspoelen. Wanneer de deur opengaat, is het echter niet Jan die verschijnt, wel een hoogblonde dame die een weinig verkwikkelijk aroma achter zich aan sleept. Alsof in heel Egypte alle grafkelders tegelijk zijn opengelegd. Ik slaak een vloek, die gelukkig verloren gaat in het geruis van de motoren, en keer op mijn stappen terug. Opnieuw zwiept mijn blik de hele tijd over en weer, als de lichtstraal van een vuurtoren. Ergens moet die krullenbol toch te zien zijn! En ja, hoor! Halverwege het vliegtuig ontwaar ik hem. Zijn hoofd komt net genoeg boven de rugleuning uit om zijn locatie prijs te geven. Eindelijk! Deze keer kan Jan me niet meer ontsnappen!   Ik sluip naderbij en klem mijn hand rond zijn schouder. “Dag Jan!” zeg ik.   Het volgende ogenblik deins ik geschrokken achteruit. De man die me vanonder de weelderige bos krullen aankijkt, lijkt in geen mijlen op Jan Byttebier!   “Can I help you, mate?” klinkt het in onvervalst Australisch Engels. Ik krijg geen letter uit mijn strot en maak me gauw uit de voeten.   Amper zit ik weer tussen mijn twee kompanen of er wordt me een maaltijd aangeboden. Of toch iets wat daarvoor moet doorgaan. Het ziet er niet uit, maar veel keuze is er niet. Ik moet het stellen met een bord noedels waar een smaakje aanzit en een stuk vlees waarvan ik vermoed dat het aan een straathond heeft toebehoord. De Aziatische keuken draagt niet meteen mijn voorkeur weg. Reken daarbij dat ook grootkeukens zelden hun weg naar mijn persoonlijke sterrengids vinden en je weet wat voor een marteling ik onderga. Ik slaag er nauwelijks in een kwart van de smurrie door mijn keel te krijgen. Om mijn honger te stillen, verzoek ik één der pyjamadames om een sandwich, maar die blijken op. Ik moet het stellen met een appel van Sneeuwwitje, rood als een kers, maar gelukkig niet giftig.   Op de luchthaven van Singapore, waar ik enkele uren op mijn aansluiting moet wachten, is het eerste wat ik doe een eettent zoeken. Bedoeling is een doodsimpel broodje kaas te scoren. Maar Gouda lijkt niet in de Aziatische atlassen te staan. Niks broodje kaas! Dan maar wat ongedierte uit de zee tot mij genomen. Niks dat me euforisch maakt, maar alles is beter dan hond. Zelfs zeehond. Na het verorberen van mijn zeevruchten even de darmen geledigd. Vertering is pure chemie, kan ik olfactorisch waarnemen. Ik ontvlucht het bouquet van mijn darminhoud vooraleer mijn neusbeentje aan het rotten slaat. Ik hoop dat de straathond, waarvan ik een klein deel tot mij heb genomen, niet aan een overdraagbare aandoening leed.   Bij de gate, waar ik ellendig lang op mijn aansluiting moet wachten, laat ik me moedeloos op een zitje ploffen. Ik heb amper twee derde van de afstand tussen Brussel en Sydney afgelegd, maar word nu reeds verteerd door heimwee. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Wat heb ik in mijn hoofd gehaald? Ik ben er de jongen niet naar om alleen op stap te gaan. Dat is iets voor kerels die vrienden maken alsof het niets is. Even hun hengel uitgooien en er hangen vijf vissen aan hun lijn! Ik sla met een hijskraan nog geen sprotje aan de haak! En de droom dat Jan mee is op het vliegtuig kan ik nu wel opbergen. Tenzij hij zich schuilhoudt in het ruim, maar dan vrees ik dat hij intussen wel diepgevroren is. Nee, het was niet meer dan een illusie. Jammer.   Terwijl ik half ingedommeld onderuit geleund op mijn zitje hang, zie ik plots een meterslange blondine komen aanwandelen met de gratie van een middeleeuwse koningin. Op slag ben ik klaarwakker en zet me overeind. WTF is dit?!? Nooit eerder in mijn twintigjarig bestaan heb ik zo’n gracieuze verschijning gezien. De omgeving rond haar lijkt op te lichten, alsof haar aura baadt in een neongloed. Haar lange blonde haren heeft ze in een paardenstaart geknoopt, die tot halverwege haar rug reikt, en haar gelaatstrekken zijn zo verfijnd dat je zou geloven dat ze van de hand van een meester-beeldhouwer zijn. De nauwe spijkerbroek die ze omheeft en waarvan de pijpen in halfhoge lederen laarsjes verdwijnen, zit als een tweede huid rond haar kont. Verder draagt ze een rode sous-pull met opstaande col, en hangt over haar heupen losjes een brede ceintuur met koperen gesp te bengelen. Een korte jas met lederen mouwen en een modieuze hoed vormen de kers op de taart. Dit goddelijke wezen voldoet werkelijk aan elk denkbaar schoonheidsideaal. Eender welke beweging ze maakt, de gratie straalt er vanaf. Met een mond als een tochtgat zit ik toe te kijken hoe ze precies tegenover mij komt zitten, omdat zich daar toevallig het enige nog onbezette zitje bevindt. Ik smelt van verlangen haast door mijn plastic stoel.   Het volgende halfuur lijk ik als in een droom te beleven. Ik zie hoe miss Universe, als een koningin die van op haar troon haar volk aanschouwt, haar blik over de wachtende passagiers laat dwalen. Uit haar oogopslag spreekt een zekere zelfingenomenheid, maar dat is haar verwaardigd. Goden hóren zich boven de mensheid verheven te voelen. Daarom zijn het ook goden! Daar hoeven we niet kleingeestig over te doen.   Hoe langer ik naar haar kijk, hoe meer ik door haar gebiologeerd raak, tot ik me zelfs mijn eigen naam niet meer kan herinneren. Het valt me op dat ook zij met de minuut vaker - zogezegd toevallig - naar me kijkt. Telkens onze blikken elkaar kruisen, voel ik mijn ziel verwarmen. Haar blik heeft de kracht van een röntgenstraal! En iedere keer is er die aarzeling, alsof het haar moeilijk valt haar blik weer af te wenden.   Na een tijdje graait ze plots in haar handtas en diept haar telefoon op. Ik kijk als in trance toe hoe ze, met duimen als spechtensnavels, op het kleine klaviertje een bericht intikt… tot mijn trillend mobieltje in mijn broekzak me met een ruk uit mijn extase haalt. Ik diep het toestel op en kijk naar het oplichtende display. Net als vorige keer is het bericht afkomstig van een onbekend nummer. Ik duw op ontgrendelen en lees: 'Are you experienced?'. Ik voel mijn adem stokken en kijk van mijn toestel naar de blondine en weer terug. Hoe…? Ik voel me rood kleuren tot in mijn nek en durf haar niet meer aan te kijken. Maar dan staat ze plots op, gooit met een geroutineerde handbeweging haar paardenstaart los en hangt de riem van haar handtas over haar schouder. Nog even kijkt ze me indringend aan en zet dan koers richting toiletten. Alsof ik ontheven word aan de zwaartekracht, word ik uit mijn stoeltje gelicht en ga achter haar aan. Ik ben er me nauwelijks van bewust wat ik doe. Mijn lichaam lijkt een eigen leven te leiden. Nadat ze me nog een laatste zwoele blik van over haar schouder heeft toegeworpen, duikt ze de toiletten in. Vervreemd van iedere realiteitszin, ga ik haar achterna.     “Excuse me, young man, this is the ladies room,” klinkt het scherp. Ik kijk op en zie een lelijke vrouw van middelbare leeftijd via de spiegel naar me staan kijken. Ze heeft haar onderste ooglid met een wijsvinger naar beneden getrokken en houdt een zwart potlood in de aanslag. De betekenis van haar woorden dringt niet tot me door en ik loop verder. Van de blondine geen spoor. Zij zit wellicht reeds een klaterende gouden straal in een toiletpot te mikken.   “Son, now you get the hell out of here, or I call the security!” krijst het lelijke mens. Ik draai me om en sta oog in oog met haar. Ze heeft zich naar mij toegekeerd en houdt haar potlood als een puntige dolk naar mij toe gericht. Uit lijfsbehoud keer ik me vliegensvlug om en hol de toiletten uit. Buiten wachten lijkt me veiliger.   Enkele minuten later verschijnt de blondine opnieuw. Terwijl ze me voorbij loopt, werpt ze me een indringende blik toe. Opnieuw huppel ik in een soort van trance achter haar aan.   Onze zitplaatsen blijken intussen ingenomen te zijn. Noodgedwongen blijven we rechtstaan, zij ter hoogte van het raam, ik een meter of tien van haar vandaan. Ze steunt om beurten op haar linker- en rechterbeen en houdt dan telkens de knie van het andere been nonchalant gebogen, alsof ze poseert voor een foto. Ik kom haast klaar in mijn broek van verlangen en besluit nog wat dichter bij haar te gaan staan. Ik nader haar tot op een kleine meter en laaf me aan haar zoete parfum. Eerst doet ze nog even of ze me niet opmerkt, maar dan draait ze plots het hoofd naar me toe en kijkt me doordringend aan.   “Are you stalking me?” vraagt ze.   “W… wat?” stamel ik.   “Are you stalking me?” herhaalt ze. “Leave me alone, will you. Pervert!” Ze heft haar goddelijke lichaam van haar steunbeen en loopt van me weg.   De grond lijkt onder mijn voeten weg te zakken. Nu de zeepbel om mijn hoofd is ontploft, daagt het me dat ik me als een gek heb aangesteld. Hoe idioot moet ik zijn geweest om te denken dat deze godin het met mij zou aanleggen? Ik weet niet waar te kruipen van schaamte.   Een dik uur later, bij het inschepen, merk ik dat ze twee rijen voor mij zit. Dat laat me toe te zien dat ze zich erg hooghartig gedraagt tegenover het cabinepersoneel en ieder contact met medepassagiers vermijdt. Geen koningin zo mooi of haar troon is aangevreten door houtworm.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0