Publicaties

Ik ben, mijn pen is

Eitjes in de bedpan

Oprecht voor de raap

Mandus (in 's helsnaam)

Kleine stukjes geluk

Heerlijk eerlijk

Prijzen

Teksten

De gemiste roeping

Luister, lieve kindertjes, naar het korte sprookje van het spookje. Lang, heel lang geleden, toen ik nog jong en onschuldig was, zat ik zomaar wat rond te kijken. Mama deed de was. De behendigheid waarmee ze dat deed, zal ik nooit vergeten. Zo rustgevend, dat hele proces van vies en vuil naar proper en net, van chaos naar geordend, via de wasmachine naar de wasdraad naar het strijkijzer of de tafel en uiteindelijk kreukloos opgeborgen in de kleerkast ...  Ze propte de wasmachine niet vol, maar ze 'vlijde' het wasgoed er zachtjes in. De was ophangen gebeurde niet aan een zijden draadje maar aan een ziedend tempo, in volle concentratie, met twee vliegensvlugge handen, heel af en toe met één oog dichtgeknepen en met één wasknijper in de mond. Na positieve weerberichten van haar weergoden Pien of Pelleboer op de radio was het zover. Tenzij er geen wolkje aan de lucht en dus geen risico was, al heb ik haar meer dan eens naar buiten zien spurten nadat er geheel onverwachte druppeltjes op het keukenraam pletsten. De schuld van Pien en Pelleboer, die hun goddelijke status dan 'weer' voor een tijdje verloren. De regen hield haar niet tegen om de was alsnog geordend en gestructureerd van de draad te halen. De volle wasmand waarmee ze daarna naar binnen kwam gelopen, zag er nog steeds keurig uit. Zo typisch. Bij een ander is perfectionisme goed te verdragen, bij iemand waar je van houdt is het wondermooi om te zien. Het prachtigste was het plooien. De behendigheid waarmee ze dat deed was werkelijk adembenemend. Ware kunst vond ik dat. Hoewel ze het ongelooflijk eenvoudig deed lijken, durfde ik er zelf nooit aan te beginnen. Pas nu, een paar decennia later, plooi ik af en toe hooguit een handdoekje of een paar sokken. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet de handigste ben en omdat het contrast met mijn moeder me op zulke momenten telkens weer parten speelt. Zo ben ik, de perfectionist die lijdt aan een verlammende variant. Ik kan het nooit even perfect, waarom zou ik er dan aan beginnen? Het wordt immers sowieso een teleurstelling.  Vol bewondering keek ik toe. Het stapeltje gevouwen beddengoed klom het hoogst. Ineens stropte het behaaglijke plooiritme, bij een wit laken dat aan de randjes een beetje uitgerafeld was. Ze plooide het desondanks mooi op, maar net iets minder onberispelijk dan anders. Daarna legde ze het wat apart op de rand van de tafel, bijna vlak voor m'n neus. Ondertussen mompelde ze iets over papa, knippen, vodden om zijn fiets te kuisen en dat hij toch nooit iets kon weggooien. 'Dat hij er zijn plan mee trekt,' grolde ze nog na. Ze hield ervan om tegen zichzelf pratend de was te doen, maar té lang moest het nu ook weer niet duren. Dan werd ze een tikkeltje sikkeneurig en verlangde ze naar een kopje koffie.  'Mag ik dat afgekeurde laken niet hebben?' vroeg ik plots. Ze keek me aan alsof ze niet eens gemerkt had dat ik in haar nabijheid vertoefde. Met grote ogen, alsof ik net m'n eerste woordjes had gezegd. Verrast, verbaasd en op een vreemde manier een beetje vrolijk. 'Jij? Wat kan jij daar mee doen?' 'Spookje spelen,' zei ik resoluut. 'Ik knip er gewoon twee gaten in om door te kijken. Hoe moeilijk kan het zijn?'  Het was niet zomaar een ingeving. Spoken fascineerden me. In mijn fantasie konden ze vliegen, onzichtbaar worden, door muren lopen en mensen schrik aanjagen.  Mama lachte en gooide het laken in mijn richting, waarna ik de schaar nam en naarstig en vol ongeduld aan het karweitje begon. Bij het eerste gat dat ik wilde knippen liep het al helemaal mis. Veel te groot. Ik kon er mijn hoofd wel doorheen steken. Dat deed ik dan ook.  Ik ging rechtstaan en opeens scheen de zon felle stralen op m'n gelaat. Het leek een verheven moment, hét tijdstip voor een ingeving. Ik word priester, dacht ik. Spelenderwijs.  Spook of priester, wat maakt het ook uit? In de voetsporen van Jezus kan het ook best fijn zijn. Je kon hem misschien wel vergelijken met een spook. Jezus kon ook vliegen, anders was hij nooit in de hemel geraakt. En zich onzichtbaar maken was evenmin een probleem, want tijdens eucharistievieringen zei de pastoor altijd dat hij bij ons was, terwijl ik 'm nooit heb gezien. Door muren lopen en de mensen schrik aanjagen? Piece of cake voor Jezus. Gelovige mensen zijn immers godvrezend. Dat waren ze vast niet zonder reden. Nog veel meer dan spoken kon hij. Van water wijn maken bijvoorbeeld. Kon ik dat ook maar. Verder dan druiven pletten met m'n blote voeten was ik nooit geraakt, ook al omdat ons ma pas naar de markt was geweest, me betrapte in de badkuip met de pas aangekochte tros witte druiven en me ogenblikkelijk een andere fruitsoort liet ontdekken. De muilpeer.  Daar stond ik dan. Danny de priester in zijn kazuifel. Om het helemaal af te maken haalde ik mijn vaders rode sjaal uit z'n kleerkast en drapeerde die rond m'n schouders. Dit werd serieus. Ik speelde geen priester meer, nee, ik wás een priester. Ons ma leek mijn roeping wel goed te keuren en stemde in met mijn verzoek om nog een tweede laken te gebruiken als tafelkleed voor de tuintafel, mijn altaar. Mijn dikke sprookjesboek met 365 verhalen ('Een sprookje voor elke dag van het jaar') zette ik geopend op een boekstaander. Het was de bijbel waaruit ik mijn evangelie zou voorlezen. Ik profiteerde van de situatie door een kommetje chips (normaal voorbehouden voor weekendavonden) als schaal hosties te gebruiken en de mooie pseudosacrale beker die ik van mijn meter had gekregen voor mijn eerste communie vulde ik met cola, mijn miswijn. Zo was ik er helemaal klaar voor. Daar stond ik dan. Maar wat nu? Uiteindelijk wist ik niet zo veel van eucharistievieringen. Tijdens zondagse kerkbezoeken lette ik eigenlijk nooit op. Dagdromen ja, zoals steeds, en mensen observeren. Meisjes vooral, als die er waren. Wat ik wel eens gehoord had, was dat er gesproken werd over vergeven en vergeten. Dat wist ik nog, dat je dat als goede christen moest kunnen. Vergeten had ik al lang onder de knie. Mijn hoofd speelde voortdurend met pietluttigheden en raakte soms zo vol dat de ogenschijnlijk belangrijkere dingen er af en toe pardoes uit geknikkerd werden, of ik dat nu wilde of niet. Dat vergeten zat dus wel snor.  En vergeven? Ook daar was ik een kei in. Een tijdje geleden hadden we nog Chinees gegeten. Was ik dol op. Eerst garnalen in looksaus en daarna babi pangang. Achteraf lag dat hele zootje nogal zwaar op de maag. Toen ik eindelijk een verlossend, niet zo geluidloos maar nog veel minder geurloos scheetje had geproduceerd, riep onze pa dat ik heel het huis had vergeven. Een natuurtalent, zoals ik al min of meer zei. Zo moeilijk kan zo'n mis dus niet zijn, besloot ik, en ik brabbelde en zong zomaar wat in de rondte. Met m'n handen gespreid las ik voor uit mijn grote sprookjesboek en te gepasten tijde, of om eerlijk te zijn vooral te ongepasten tijde, vrat ik van de chipserige hosties en zoop ik van de miscola.  Zonder publiek stelde het geen zak voor, dus een weekje later, na nog wat oefenen, besloot ik de missionarishouding aan te nemen om een vriendenkliekje van twee straten verderop te bekeren en te amuseren. De voorstelling in hun tuin, met tuintafel, sprookjesboek, kom chips en beker cola was een voltreffer. Ze lagen immers al in een deuk toen ik m'n kazuifel met sjaal aantrok en deed alsof mijn beker gevuld was met echte miswijn. Als priester focuste ik instinctief op de kleine kantjes van het mens-zijn met veel lust voor alcohol en vrouwelijk schoon. Ik veinsde dat ik dronken was en klokte sloten cola achterover. Wat later, net na een uitgebreide preek over zondig onzedig gedrag, wreef ik begerig over de ontblote linkerknie van een van de twee kortgerokte meisjes uit het publiek. En het mocht! Ik deed het nog een keertje, nog langzamer, met m'n tong ostentatief uit m'n bek bungelend, omdat ik zogezegd dronken was. Priestertje spelen was nog leuker dan doktertje spelen! 'Geweldig, Danny!' lachte de oudste en grootste van m'n gelovigen achteraf, toen we voor het zingen de ingebeelde kerk uitgingen. Hij sloeg z'n arm om me heen. 'Kom eens even mee.' Ik gehoorzaamde en liep hem achterna tot achter hun huis. Daar verkocht hij me een flinke stomp in m'n maag. 'Je hebt je eerste en laatste mis hier opgedragen, vies ventje, en in het vervolg blijf je met je vunzige poten van m'n zus, of je volgende mis wordt je eigen begrafenis. Begrepen?'  Dat had ik. Een paar dagen later was onze pa vodden aan het knippen van mijn priestergewaad en nu stond hij er de velgen van zijn fiets mee op te blinken.  En ik? Ik keek nog wat verder rond. Mijmerend over m'n relatief korte verleden en m'n hopelijk nog lange toekomst. Nog geen idee wat ik later worden wilde. Alleszins geen priester. Geen meisjes? Geen seks? Daar heeft niemand celibaat bij.

Danny Vandenberk
0 0

De naakte waarheid

Schrijven is een beetje als naakt lopen met je hersenen. Niet alleen lijkt het telkens weer alsof je nog nooit iets geschreven hebt, alsof het je eerste keer is, maar je laat ook nog eens iedereen zomaar lezen wat je denkt. Niets is zo puur en zo bloot als je diepste gedachten. Een nieuwe tekst is telkens weer een belevenis. Een geboorte. Naakt. Toen ik jong was wipte ik nog vaak. De grens over, bedoel ik dan vooral. Vanuit Lommel was je immers in geen tijd in Luyksgestel, Bergeyk, Valkenswaard en Eindhoven. Eigenlijk zat ik overal zo'n beetje. Op een keer, toen ik zo'n jaar of tien was, ging ik samen met mijn ouders en mijn nicht naar ergens en nergens. We stopten spontaan in het plaatsje Eersel, bij een strand waar we nog nooit eerder geweest waren: het E3 strand. Soms moet je gewoon doen en niet denken, dat leek het credo. To go where no man has gone before, al is dat misschien een beetje overdreven. Ach, een probeersel in Eersel, laat ik het zo noemen. Het zand was er parelwit en er vertoefden opvallend veel jonge mensen op het strand. Gezellig druk, maar ook weer niet té. Ik ben nooit een zwemmer geweest, noch een bouwer van zandkastelen. Voetballen ja, dat was mijn ding, maar dat vond mijn nicht dan weer niet al te lang leuk, dus keek ik na een tijdje zomaar wat rond. Vooral naar de meisjes in bikini natuurlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn.  'Ik heb trek in een ijsje, mammie! Echt hele grote trek!' Een klein blond jochie met blond haar en heel wat sproetjes. Hij lag samen met z'n mama een paar meter verderop al een tijdje luidruchtig te wezen. 'Haal dan maar een ijsje, jongen. Hier is geld.' Ik keek meteen naar mijn eigen mammie en voor we het wisten deden we een copy-paste, alleen kreeg ik een groter budget mee, alsook mijn nicht, met de opdracht om dat mannetje te volgen en voor iedereen een ijsje te kopen.  Er was haast mee gemoeid, want die kleine wist blijkbaar verdomd goed waar het koude spul te krijgen was. Zelf hadden we geen idee. Hij rende een heel eind naar een soort van uitgang. Een uitgang met een pijnlijke overgang, want het ging abrupt van mul zand naar van die puntige kiezelsteentjes. Het kleine ettertje had zelf preventief slippers aangetrokken. Wij natuurlijk niet, in onze halsoverkoppigheid en zeven haasten tegelijkertijd. Een paar tientallen meters die wel kilometers leken, trippelden we naast een soort hekwerk. We waren zo gefocust op dat steeds sneller lopende rotjoch en op onze pijnlijke poten, dat we de mooie ouderwetse ijskar pas opmerkten toen we er bijna tegenaan hinkepinkten. En toen, toen we niet meer aan de achterkant stonden, toen zagen we het pas! Een hele rij roze oude mensen. Ze ... ze hadden niks aan! Geen T-shirt, geen bikini, geen short, geen zwembroek, zelfs geen string, nee, helemaal niks! Daar stonden ze. Netjes op een rij hun beurt af te wachten. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Geen hond scheen het iets te kunnen schelen dat ze poedelnaakt waren. Buiten ons. Wat zagen we ineens veel blubberbuiken en oude uitgezakte mensenkonten in allerlei vormen en schakeringen, van marmerwit naar lichtbruin, donkerbruin tot zwart, met tussendoor ook veel pijnlijk uitziend rood. Wat staarden we naar de talrijke tieten in alle mogelijke formaten. Onze monden vielen open en onze neuzen gingen spontaan de hoogte in bij het aanschouwen van zoveel (vooral grijs) schaamhaar en verrimpelde geslachtsdelen.  Ik schrijf het helemaal niet graag, maar vooral die genitaliën zorgden bij mij voor de slappe lach. Ik hield het niet meer. Zeker toen ik de grote ogen van mijn nicht en haar opengevallen mond in het vizier kreeg.  Wij waren zo ongeveer de enigen die gêne voelden, ondanks het feit dat we 'gekleed' waren. Wat een situatie! We stonden gewoon te midden van een meute blote bejaarden. Geen woord spraken we. Mijn nicht deed haar uiterste best om niet te lachen en zelf deed ik niet anders dan hoesten, proesten, onderdrukken, piepen, mijn hand voor mijn mond houden, de tranen uit mijn ogen wrijven en voortdurend naar de grond kijken. Naar de puntige steentjes die ik blijkbaar niet meer leek te voelen.  Toen het eindelijk onze beurt was en we zo ingetogen mogelijk besteld hadden, duwde de ijsjesverkoper, die gelukkig wel helemaal aangekleed was, de ijsjes in onze handen, waar ze bijna onmiddellijk begonnen te smelten.  We likten en slikten elk dan maar twee ijsjes en net toen ik me wat kalmer voelde worden en mijn buikpijn langzamerhand verdween, zag ik net voor het betreden van het strand een bord met een pijl die naar rechts wees: 'NAAKTSTRAND'. In de verte zag ik ook weer een hele zwerm senioren komen aanlopen. Snel! Weg! Wat een bevrijding achteraf, dat warme zand en die zedige jonge mensen! Waar ik daarstraks in mijn wildste prepuberale fantasieën nog stiekem droomde dat al die mooie meisjes hun bikini zouden uitgooien om naakt te zonnen, hoefde het voor mij nu even niet meer. Ik was helemaal verzadigd.  Om een of andere reden zou ik de eerstvolgende weken ook niet meer te porren zijn voor hotdogs, tv-worstjes, thee (vanwege de zakjes), pudding (zowel vanille, mokka als chocolade), meloenen of suikerspinnen.  En jij? Je was live aanwezig bij de geboorte van een tekst. Bij de hergeboorte van een herinnering. 

Danny Vandenberk
0 0

Identiteitscrisis

Vrouw komt thuis van haar werk. Ze blaast. Haar wangetjes zijn rood aangelopen en ze stapt net iets sneller en met kleinere pasjes dan normaal. Geen goed teken. Gelukkig had ik de tafel al gedekt en twee sneetjes rozijnenbrood beboterd en keurig op haar bord gelegd. Ik gooi nog vlug een drietal spiegeleitjes vanuit mijn favoriete pannetje in het mijne, bespuit ze overvloedig met curryketchup en haal vliegensvlug de laatste vier bruine boterhammen uit de broodzak. Verder geen enerverende randgeluiden meer produceren en een actieve luisterhouding aannemen.  'Wat een dag! Zo vermoeiend! Ik ga niet in detail treden, want daar heb ik de puf niet meer voor. Kort gezegd: hier en daar probeer ik genuanceerd aan te geven dat er wat moet veranderen en niemand die het snapt! Helemaal niemand! Moet ik het dan echt vlakaf in hun gezicht zeggen? Werkt dat zo in deze mannenwereld? Hebben we dat nu nog altijd niet gehad? Iedereen draait maar in cirkeltjes terwijl de oplossingen voor de hand liggen. Maar nee, hoor, niet in HUN brein. Ze snappen het niet, of ze willen het niet snappen. Tussendoor probeer ik dan ook nog om ze subtiel uit te leggen hoe ik me daarbij voel, maar ook daar heeft niemand oren naar. Geen greintje empathie. En ik maar rekening houden met hun ego's! En maar hints geven, zodat ze achteraf denken dat ze het allemaal zelf bedacht hebben. Maar nee, ze zijn gewoon niet mee. Dat heb je als je bijna uitsluitend met mannen werkt.' In deze omstandigheden laat je haar best uitrazen. Ik knik en bevestig me suf. Bijna na elk zinnetje geef ik feedback door middel van een bevestigend knikje, een frons, een zucht die aangeeft dat ik zoiets zelf ook heel vervelend zou vinden, soms zelf een wegwerpgebaar, terwijl ik naarstig mijn boterham in de mix van ketchup en eigeel sop. 'Ach, ik zal er mij maar bij neerleggen. Volgens mij bestaat er geen enkele man die een vrouw begrijpt. Geen enkele!' Pijlsnel steek ik mijn rechterwijsvinger in de hoogte, draai mijn kin een stukje naar rechts, trek mijn wenkbrauwen op en kijk haar enigszins verwijtend aan. 'Goh, ja, jij. Ik zei geen enkele MAN!'  Mijn wijsvinger valt naar beneden en belandt met een klap op de tafel. Daar kijkt ze van op, zij het maar heel even. 'Dat is toch zo! Ik ben er nog steeds niet achter WAT jij nu precies bent. Ik denk dat de wetenschap daar nog een leemte op te vullen heeft. Seksueel gezien ben je een man, maar je denkt en gedraagt je af en toe als een wijf. Dan laat ik je vreemde loopje en je talrijke Martien Meiland-imitaties nog buiten beschouwing. En dan denk ik: is hij nu non-binair of hoe heet dat ... genderneutraal? Nee, als het bijvoorbeeld op borsten aankomt, denk je overduidelijk als een man. Twee minuten later drink je van je koffie en dan gaat dat pinkje omhoog! Nog wat later hoor ik je luidop tegen jezelf praten, lachen en vloeken en zit je jezelf voortdurend aan te sturen en dan denk ik weer: hij is niet van deze planeet. Hij is een het. Er hangt trouwens een klodder ketchup op je kin. Als je een zak popcorn zit te vreten of een zak chips uit de handen van de kinderen rukt, lijk je wel een of ander beest en een Bicky Burger eet je dan weer heel langzaam en gedistingeerd, met mes en vork. Soms staat er een grote vrachtwagen voor de deur en die heb je dan niet opgemerkt bij het binnenkomen en even later zie je vanuit de keuken dat er een fruitvliegje op de televisie in de living zit, terwijl die niet eens aanstaat. Jij bent ... raar. Echt waar. Man, of 'ding', wat ben jij raar!'  Daarna veert ze recht en loopt zo de deur uit. Boos. Haar stapjes nog kleiner dan daarstraks en haar wangetjes gloeiend. Tien seconden later hoor ik haar auto starten en wegrijden. Ik heb letterlijk geen woord gezegd. Alleen geluisterd.  En dan begin ik me vragen te stellen terwijl ik de ketchupklodder afveeg en van m'n hand lik. Zeg nu nog eens dat wij androgyne buitenaardse wezens niet kunnen multitasken. Welke vragen?  Ligt het aan mij? Moet ik me zorgen beginnen te maken? Vast niet. Waarom zit er eigenlijk verdikkingsmiddel in deze ketchup, net nu ik op dieet ben?   

Danny Vandenberk
4 1

Harige Handy

'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' Ik hoor het haar nog steeds zeggen. Zeker nu. Jarenlang deelden we, samen met nog een paar anderen, een groot kantoor. En lief. En leed. Op zich vulden we elkaar prima aan, vooral op professioneel vlak. Zij was een aanpakster. Aanvankelijk wilde ik pragmaticus schrijven, maar dat zou te intellectueel klinken. In elk geval, als er zich een probleem voordeed, loste zij het op. Meestal door, zonder de kwestie helemaal te begrijpen, meteen naar de telefoon te grijpen om hulp te vragen of, als we erachter kwamen dat iemand een fout had gemaakt , iemand op zijn plichten te wijzen. Heel af en toe brutaal of bot, bijna beledigend. Altijd recht voor z'n raap. Onomwonden, zoals een uitgepakte mummie of van die slingers toiletpapier die voetbalsupporters op het veld gooien als de spelers hun opwachting maken voor een belangrijke wedstrijd.  Zelf ben ik veel ingetogener. Ik denk meestal twee, drie of vier keer na vooraleer ik enige actie onderneem. Waarschijnlijk te veel, waardoor ik in het dagelijkse leven al eens als terughoudend of zelfs besluiteloos overkom. Het jammere is dat ik dat zelf besef, waardoor ik, om tegen mezelf te rebelleren of om aan mezelf te bewijzen dat ik geen saai of angstig mens ben, soms opzettelijk ondoordachte dingen doe.  Van de andere kant ben en was ik wel een stuk taliger dan zij. Op zich geen glansprestatie, want zij maakte er een sport van om allerlei voor de hand liggende uitdrukkingen, zegswijzen of zinsconstructies verkeerd te gebruiken of op ongewilde en bijgevolg lachwekkende wijze door elkaar te haspelen.  'Ik ben gelukkig getrouwd met een Harige Handy!' riep ze dus op een keer, nadat ik uitvoerig verteld had over mijn voorbije verlofdag, tijdens dewelke ik erin geslaagd was om al kokkerellend in mijn linkerwijsvinger te snijden, al klussend - stel je er niet te veel van voor, gewoon een fotokadertje ophangen - mijn duim én diezelfde linkerwijsvinger plat te hameren, het desbetreffende kadertje op mijn voet te laten vallen en daarna op mijn sokken in de glasscherven te trappen. 'Wij zijn ook gelukkig getrouwd,' repliceerde ik, zonder het cliché van zij gelukkig en ik getrouwd (of omgekeerd) boven te halen, 'en nee, ik ben zeker geen Handige Harry, want dat was ongetwijfeld wat je bedoelde.'  Kalf, dacht ik daarna nog. Dat zeg ik er eerlijkheidshalve even bij. Ik was een beetje boos. Dat zou me vandaag de dag niet meer overkomen, want ik heb me al decennialang neergelegd bij het feit dat ik legendarisch onhandig ben. In die mate dat ik er met gemak een titel of vermelding in het Guinness Book of Records mee zou kunnen verdienen.  Enfin, dat heb je dus met herinneringen. Soms komen ze ongewild naar boven, en soms, als je in de mood bent of er echt behoefte aan hebt, lukt het niet om ze op te halen. Een herkenbaar probleem voor ouder wordende mannen en hun aanpalende of naastliggende lichaamsdelen, doch dit terzijde.  Zoals je ongetwijfeld weet, heeft alles een oorzaak. Deze keer was die het feit dat ik al ontbijtend, net nadat ik vrolijk en energiek had geopperd dat het een zonovergoten dag zou worden, per ongeluk met mijn mespunt achter het oor van mijn kopje koffie haakte, waardoor ik het onopzettelijk kantelde en heel de tafel onder de koffie kliederde. 'Volgens mij wordt het eerder een koffie-overgoten dag,' grinnikte mijn wederhelft terwijl ik met vaatdoek en stukjes keukenrol heel het boeltje zat te deppen en weg te vegen.  Onze jongste dochter deed er nog een schepje bovenop: 'Jakkes, papa, ik zie nu pas voor het eerst dat er haar op je vingers groeit! Ie-juw!' 'Wist je dat dan niet? Dat heeft hij al lang, op beide linkerhanden!' Mijn vrouw weer. Hilariteit alom.  Ze beseft niet eens hoe gelukkig ze getrouwd is. Harig ben ik al, maar dat handy zal er nooit van komen, vrees ik.  

Danny Vandenberk
4 0

Haakjesdagen

Of het nu ochtend, middag, avond of nacht is, met hangende pootjes, van een koude kermis of een gezellig feest ... Ik hou van thuiskomen. Ik doe het nooit langs de voordeur. Die is immers voor officiële bezoekers, desnoods voor pizza- en pakjesbezorgers. Thuiskomen doe ik langs de zijdeur. Huppelend de trapjes op, sleutel in het sleutelgat, drie draaitjes en hupsakee.  In het donker doe ik alles op de tast. Achter mij de deur weer sluiten en pas daarna gaat het licht aan. Wie thuiskomt in het donker en vermoedt dat alle andere gezinsleden er al zijn, sluit de deur en hangt de sleutel aan het haakje aan de muur. Dat is een huisregel. Niet dat officieuze bezoekers 's avonds niet meer welkom zijn, maar regels zijn regels. Ze zijn de sleutel tot succes. Daar valt niet over te discussiëren. Het zijn gewoontes die uitgegroeid zijn tot wetten, eens ze hun nut bewezen hebben.  Gewoonten zijn nog losjes, zoals het woord zelf. Daarom heeft het woord ook twee meervoudsvormen. Gewoontes en gewoonten. Ze zijn gewoon, je wordt ze gewoon. Een gewoonte impliceert vrijheid. Kies maar. Wat je ook doet, het is nooit fout. Mensen die je kennen zullen bij afwijkingen hooguit de wenkbrauwen even fronsen en denken: dat is niet van zijn gewoonte. Op zich nog geen reden tot paniek. Huisregels daarentegen zijn wetten. Hard en onwrikbaar. Die overtreed je niet. Die leef je na. 'Hou je haaks,' zeg ik telkens tegen de sleutel, nadat ik hem gezwind aan het haakje heb gehangen. Hij lijkt er altijd mee te schuddebuiken, wiebelend van links naar rechts. Pas als hij uitgedanst is, loop ik door. Als het licht is, gaat het er veel losser aan toe. In de zomer staat de zijdeur bij wijze van spreken altijd open. Ze is de actiefste deur van heel het huis. Ze is binnen en buiten. De sociale deur, die in principe altijd en voor iedereen openstaat. De deur waarlangs je welkom bent. Het toegangspoortje tot ons knusse huis, onze veilige thuis en tegelijkertijd de grote poort naar de buitenwereld.  En toch ... Toch zijn er van die dagen ... Kerstdag is al een paar keer zo'n dag geweest. Soms gebeurt het maar één keer op een jaar en meestal besef je pas 's avonds dat het zo was, met een glimlach. Een dag waarop de sleutel niet van het haakje komt. Een haakjesdag, een dag waarop niemand van het gezin nood had aan de buitenwereld. Alleen aan elkaar. Een gezinsonderonsje. Ongeveer het tegenovergestelde van een gezinsuitstap. Een dag waarop je beseft dat je gezin je alles is. Een dag die voorbereid is en tegelijkertijd verrassend verloopt. Een genietdag die letterlijk en figuurlijk alles in huis heeft om gezellig te zijn, ook al omdat je de dagen ervoor alles in huis hebt gehaald qua mondvoorraad.  Waar ik nu ineens aan moet denken ... Als je een vogeltje als huisdier hebt, opgesloten in een kooitje, weet je nooit of het vogeltje echt van je houdt. Open je het deurtje, en blijft het toch altijd bij je in de buurt, dan weet je 't zeker.  Een haakjesdag is een dag waarop we opgesloten zitten, zonder het te beseffen. Cocoonend, zoals dat heet, zo met elkaar verweven dat we ons ontpoppen als vrolijk fladderende vlinders. Smullend van elkaars gezelschap en eventueel af en toe van een hapje uit de oven. Huismusserij en toch vrij. Niet dat we dan constant aan het haardvuur zeemzoete liedjes zitten te zingen uit The Sound of Music, samen wafels bakken of ganzenbord spelen. Zo romantisch is het nu ook weer niet. En dat afgeslotene van de buitenwereld neem je best ook met een flinke korrel zout, want via het internet haal je heel de wereld naar binnen, ook als het buiten naar is. Maar we amuseren ons, ongedwongen. En niemand haakt af. Zelfs de sleutel geniet in stilte mee.  Tussen haakjes, ze zijn zeldzaam, haakjesdagen. Echt veel te zeldzaam.             

Danny Vandenberk
0 0
Tip

De schrik van de schrijver

Mensen die mij graag lezen, vragen zich weleens af of alles wat ik schrijf autobiografisch is.  Sta me toe dat ik heel even filosofisch word. De kwaliteit van je leven hangt af van de kwaliteit van je gedachten. Die hoeven heus niet altijd even verheven of hoogstaand te zijn, maar hoe positiever je denkt over jezelf, hoe leuker de wereld om je heen lijkt en hoe fijner je ervaringen worden. Misschien bepalen je eigen gedachten wel welke wereld je aantreft. Misschien is de wereld die je elke dag waarneemt gewoon de echo van hoe je denkt.  Tot zover de theorie. Het leven is zo afwisselend en onvoorspelbaar dat het fantastisch fijn en even later onrechtvaardig en keihard kan zijn. Dat is het hele aardappelen eten. Soms kan je van het ene moment op het andere in de puree raken en dan prakt de praktijk heel de theorie door mekaar. Wel, het leven van de schrijver is ook niet altijd een lolletje. De lezer hoeft daar niet per se van op de hoogte te zijn. De fan tast in het duister, maar de fantast in het duister ben ik. Ik overdrijf. Ik verdrijf doorgaans donkere gedachten. Doorgaans mag je letterlijk nemen. Een mens moet doorgaan. Altijd. Het kan heel bevredigend zijn om rechttoe rechtaan te schrijven over jezelf en over je leven. Dat doe ik dan ook heel frequent en met heel veel plezier. Als schrijver heb je nochtans de keuze. Of je schrijft over je leven zoals het is, of je vermijdt en leukt de boel wat op, of je wentelt jezelf in de negativiteit en maakt alles nog wat erger dan het in werkelijkheid is, of je vlucht in de fantasie. Dat zijn op z’n minst vier keuzes. Zoals een schilder over een palet beschikt om zijn verf te mengen, kan je als schrijver met enkele pennenstreken je eigen wereld creëren door bijvoorbeeld naar hartenlust te mengen met die vier keuzemogelijkheden. Ik zeg maar wat.  Dat vluchten in je fantasie doe je best niet overhaast of halsoverkop. Je verzint eer je begint. Niet panikerend, niet in het wild weglopend, maar stappend, anders ‘loop’ je het risico dat hetgeen je bedenkt van een bedenkelijk niveau is. Beredeneerd vluchten, dat is het. Er is immers geen dreiging. Je zit aan je schrijftafel en je ontsnapt terwijl je ontspant. Dat kan mentaal of met taal. Ik kan mezelf immers zo in taal verliezen dat het mentale als vanzelf op de achtergrond verzeild raakt. Ik ben een player. Niet met gevoelens, maar met taal. Schrijven is spelen. Met gedachten, met woorden ... Soms zo intens dat je min of meer in extase bent. Schrijven is vrijheid. Jezelf verliezen, spelen en vliegen, terwijl je schijnbaar saai op een stoel zit. Schrijven is dubbel, want terwijl je innerlijk volop leeft en beleeft, lijkt de wereld rondom je aan je voorbij te gaan en kan het aanvoelen alsof je iets mist, als je uit de trance van het schrijven komt en je merkt dat alles en iedereen een heel kleine beetje geëvolueerd is. Alsof het ware leven aan je voorbijgaat. Dat maakt me angstig. En de keuze tussen schrijven en niet schrijven enorm moeilijk. Passie voor het schrijven en passie voor het leven ... Ook al ben ik een man van uitersten, ik bewandel de gulden middenweg. En tussendoor beschrijf ik ‘m.         

Danny Vandenberk
105 6