Fien

Gebruikersnaam Fien

Teksten

Ongeduld

"We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten" hoor ik een jongen zeggen tegen zijn vriend wanneer ik door de Belfortstraat fiets. Ze komen uit een nachtwinkel die blijkbaar ook bij valavond open is en dragen beide een krat wijn.Normaal zit het hier vol met duo's als die twee, en ik bedenk me dat het pleintje waar ik net overheen reed waarschijnlijk voor het eerst in decennia niet stinkt zo midden in de week eind juli. Dat vind ik triest, eigenlijk, maar ook wel mooi zo, gezien de omstandigheden.Die omstandigheden, daar ga ik niet over schrijven. Bleekwater biedt geen genezing, inkt - zo bleek de voorbije maanden - evenmin. Ongeduld dan.Ik ben een ongeduldig persoon. 'Alles komt goed' vind ik een vreselijke mededeling.Ofwel is het goed, ofwel moet er iets veranderen.'We zullen wel zien' antwoord ik dan. En ik denk: we zullen niks zien, we regelen dat hier gewoon even.Maar ik schreef een doctoraat de voorbije jaren, dus ik heb het eigenlijk wel wat getraind, dat geduld. Heel erg goed zelfs. Ik zei 'We zien wel' terwijl ik dacht 'Fuck dit, ik heb geen been om op te staan en geen enkel beetje fut meer om verder te zoeken'. Ik knikte begrijpend bij 'Alles komt goed' en hoorde in mijn achterhoofd niks dan een cynische 'HA.HA.HA'.Ik werd een heel erg geduldig persoon. En dat was goed blijkbaar, want ik kreeg het diploma, ik heb het papiertje in mijn bureaulade liggen. Ik ontving de instemmende knikjes en de speech.Dat ik onderweg niet enkel mijn ongeduld verloor, maar ook mijn nieuwsgierigheid, mijn interesse, mijn geloof in heel de academische wereld en mijn plezier in het sociale leven dat me ooit zo lief was, staat niet op mijn diploma, noch in het ellenlange supplement.Maar goed misschien, want ik zou het zo weer inruilen. En wat dan nu? We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten.

Fien
14 0
Tip

"Ne kus van de facteur en een bank vooruit"

Het was in de herfst van vorig kalenderjaar dat An Apers, de postbode van het Oost-Vlaamse Donkmeer, werd ingewisseld voor een jongere en mannelijke collega. Zij kreeg een autoronde in Melse, hij mocht haar fietstocht door het dorp op zich nemen. Het ging om een routinewissel die amper ophef kon uitlokken, dacht men op het hoofdkantoor in Meergem-Waas. Maar dat was buiten de Donkermerenaren gerekend, die al voor minder politieke brandjes hadden gesticht. Reden voor het ophef deze keer was niet zozeer de nieuwe brievenbezorger – Patrick V. was een goedlachse dertiger met een sterk fysiek gestel en goede bedoelingen - maar wel het feit dat de man hen door het kantoor in Meergem was toegewezen. “Die hoge pieten daar in Meergem peizen weer da ze ‘t hier allemaal voor ‘t zeggen hebben” klonk het in de deelgemeente die zich in de volksmond van de bijstelling ‘Op zijn eigen’ bediende. Een petitie werd opgesteld en uitgehangen bij ‘Den Biechtstoel’, het café dat zijn naam deelde met het daartegenover liggende kerkelijke instituut. Het was daar, tussen pot en pint en in licht beschonken toestand dat Koen B. voor het eerst op het idee kwam om een spreekwoordelijke stok in de wielen van die nieuwe facteur te steken, want ze hadden hem zijn Anneke afgepakt.   “Ik miste ons Anneke.” Zou hij vijf maand later in de politierechtbank jammeren. “Zij was altijd al onze facteur geweest, en dan van vandaag op morgen moest ze weg. Ik stak dat in mijn kop. En zij ook, madam de rechter. Ze was er kapot van. In Hoogmeerbeek moest ze gaan werken, kan u dat geloven? Da is verdomme aan de andere kant van de expresweg. Als u bij ons in Donkermeer had gewoond dan zoudt u begrijpen dat dat een brug te ver is.”   Koen B. had altijd al een kort lontje gehad, en nu hij daar niet meer bij ons Anneke mee terecht kon zat er behoorlijk wat vuur aan de pit. Zo gebeurde het dat Jeanine De Wit plots de post van Miel Weyenberg kreeg en bakker Vermeylen met een bestelling boterkoeken aan de deur stond bij uitgerekend de enige suikerpatiënt van het dorp. Het kwam zelfs zo ver dat  tandarts Daneels bij het vullen van een gat in het gebit van de genoemde bakker zonder licht kwam te zitten omdat de elektriciteit werd afgesloten na een maandenlange wantbetaling waar hij zelf niks van afwist. De rekeningen bleken in de bus van een leegstaande woning in de nieuwe wijk te zitten.   “Ik begon die nieuwe wat te koeioneren, madam de rechter. Wat brieven verwisselen, wat adressen veranderen. Ik wil dat niet goed spreken. Ik had die onnozelheden niet moeten uitsteken, maar eigenlijk was dat uiteindelijk ook maar om te lachen. ‘t Was er wat over, oké. Maar langs de andere kant, ‘t waren ook weer die hoge pieten van Meergem die peisden dat ze het in Donkermeer allemaal voor ’t zeggen hadden. Geen vinger hebben wij daar eigenlijk in de pap te brokken. Daar zouden ze hier eigenlijk eens een zaak voor moeten starten, maar allez kom...”     Toen hij na zijn vierde alternatieve brievenronde nog steeds de nieuwe facteur zag fietsen, besliste Koen B. dat het tijd was voor zwaardere maatregelen. Hij vatte de  koe bij de horens met een telefoontje naar het postkantoor vanuit de laatste nog werkende telefooncel in het dorp– en bij uitbreiding het noordelijke halfrond.  Dat hij klacht wou indienen tegen de nieuwe facteur, zei hij, want het liep de spuigaten uit.   “Maar allez, om een lang verhaal kort te maken, dan heb ik dat telefoontje naar de post gedaan. Ja, ik had nu eerlijk gezegd niet kunnen peizen dat dat die andere daar zo over zijn toeren ging doen gaan. Dat was eigenlijk gewoon bedoeld als een goeie mop. Gelijk dat ze dat op den tv zeggen: a practical joke.”   Maar lachen deed de nieuwe facteur allerminst wanneer hij in Meergem-Waas op het matje werd geroepen en twee dagen lang door een controleur werd vergezeld. Op het einde van de rit werd hij echter niet vervangen, en dus ging Koen B. gewoon door. Van pure frustratie zette hij zich dit keer aan het schrijven. Vier vellen van zijn schoonste hanenpoten belandden in de rode brievenbus, zonder postzegel of geadresseerde, maar de boodschap kwam aan.    “Ik weet het, die brief, zwart op wit op papier, dat had ik met mijn stomme kop niet moeten doen. Maar effenaf, madam, dat hebben ze mij ondertussen ook wel al goed ingepeperd, die twee flikken van u die daar ineens aan mijn deur stonden.”   Het was zijn Anneke geweest die de deur had opengedaan voor die flikken. Verrast door de uniformen had de voormalige dorpsfacteur gestameld dat ze een oude, verloren geraakte rekening kwam bezorgen. Aan haar nog openstaande blouse te zien had ze er samen met Koen B. danig achter moeten zoeken.    “Ik moet grif toegeven, ik had een boon voor ons Anneke, madam de rechter.” luidde de minimalistische verklaring voor het voorval.   Over die boon van Koen B. werd uitgebreid gespeculeerd in de plaatselijke pers. Zonder opzet en op zijn eentje redde hij het weekblad van buurtdorp Koutergem van een gewis faillissement. Het blad zette die week zijn eerste stappen buiten het Waasland en wist zo zelfs als inspiratie te dienen voor de betere kwaliteitskrant.    “Maar dat Donkermeer daardoor nu zo slecht in de gazet komt, da is voor mij de ergste straf.”   Toch kreeg de man daarbovenop nog een werkstraf van 60 uur bij de post en een geldboete van 200 euro. Die laatste had hij te danken aan zijn eenmansachterban, die luidkeels en ditmaal met toegeknoopte blouse zijn verdediging besloot met de slagzin:   “Ne kus van de facteur en een bank vooruit!”

Fien
88 4
Tip

Het interview

Zij mocht als eerste naar binnen, een ongewone toegeving op vaders trots en moeders bemoeizuchtigheid. Of ze blij moest zijn met die plotse aanvaarding van haar meerderjarigheid wist ze niet. Ze probeerde een vaste tred aan te houden terwijl ze door de gang liep. De naaldhakken waarop ze zich voortbewoog maakten het er niet bepaald gemakkelijk op. Had ze toch voor die zwarte bottines moeten kiezen? Nee, die hadden iets militairs, dat kon een verkeerde indruk wekken. Hakken waren de juiste keuze geweest. Toen het tweedehandswinkeltje van het opvangcentrum het rode paar etaleerde, had ze zich de schoenen zonder aarzelen toegeëigend. Ze hadden haar doen denken aan een paar dat ze een blanke vrouw had zien dragen op een filmposter vlakbij het centrum. De assistent die haar begeleidde had breed gegrijnsd toen hij haar ernaar zag staren. In het rode schoeisel zag ze de bevestiging van haar integratie, van de mogelijke rol die ze zou kunnen opnemen in deze samenleving.   Klikklak, klikklak, klikklak.   De geur van oud gebouw had zich vermengd met die van het okselzweet van haar voorganger. Aan de andere kant van een grijsgroen bureau dat zijn gloriedagen vermoedelijk omstreeks de jaren zeventig had gekend, nam de dossierbehandelaar plaats. Rechts van hem zat een vrouw die vriendelijk glimlachte. Zij droeg geen hakken. Had ze zelf toch ook niet voor onopvallender schoeisel moeten gaan? De idee dat die rode stiletto’s haar zouden neerzetten als een te zelfzeker, ja zelfs obsceen schepsel, deed haar opeens toch in angstzweet uitbreken. In haar zomerjurk, daar op die plastieken stoel tegenover haar blauw  gekostumeerde ondervrager, voelde ze zich een overdaad aan kwetsbaar, zwetend vlees: te veel been, te veel borst, te veel voet gemurwd in felrode schoen.    “Wat is uw naam, juffrouw?”   Zei hij nu iets?    “Uw naam, alstublieft.” zei de man opnieuw, het eenlettergrepige substantief overdreven articulerend.   Sherine schrok op.   “Sherine Abd el-Tawfiq Habbal”   “Nationaliteit?”   “Van Syrië, meneer.”    “Waar in Syrië woonden jij en je familie precies?”   “In Damascus, meneer, de hoofdstad van mijn land.”   “In Damascus? En wat denkt u dat er zal gebeuren als u zou moeten terugkeren naar uw thuisstad?”   Een druppel zweet gleed nu uit haar knieholte langs haar kuit naar beneden. Haar keel voelde droog aan. De man in het pak scheen niet te zweten. Hij leek wel een sprekend uniform, standvastig en kalm. Sherine sloeg haar klamme armen over elkaar.     De man herhaalde de vraag    “Ik weet het niet, meneer. Elke dag hoorden wij bommen in de buurt. Wij zouden in gevaar zijn, meneer.”   “Vertel me eens hoe jullie naar België zijn gekomen, Sherine.”   “Mijn ouders, mijn broer en ik namen samen de bus naar Beiroet. Beiroet is in Libanon, niet ver van onze stad. Daar namen wij de bus naar Turkije. We kwamen in een dorp, het was aan zee. Daar moesten we een kleine boot op. Mijn broer wou niet...” Haar stem stokte.   “Hebben jullie nog enig bewijs van die busritten, een ticket bijvoorbeeld?”   “Nee, meneer. De bus in Syrië heeft geen tickets. Mijn vader betaalde gewoon bij de chauffeur vooraan toen wij opstapten.”   “Ok, dus jullie namen die boot?”   Ze knikte kort. Haar oren suisden, iets wat de laatste tijd wel vaker gebeurde. In een poging zich erover te zetten focuste ze haar blik op een schroeivlek in de balatum vloerbedekking.   “Naar de Griekse eilanden, neem ik aan?”   “Naar Kos, meneer.”   Het ruisen zwol aan. Ze werd misselijk bij het vooruitzicht op de rest van het verhaal.   “En wat gebeurde er daar?”   “Daar stierf mijn broer meneer.”   “Wat was de naam van je broer?”   “…” Ze slikte moeizaam.   “Hoe lang bleven jullie in Kos?”   “Een  maand, misschien twee. Ik weet het niet goed, ik had koorts.”   “En daarna?”   “We namen een boot, een grotere deze keer, opnieuw was het donker. Ik was bang, meneer. We waren met veel. We waren met heel veel en we reisden naar Athene. Daar ontmoette mijn vader Jamaal. Hij kende veel mensen. Hij heeft ons geholpen.”   Het suizen was intussen zo luid geworden dat ze moeite had om de dossierbehandelaar te horen. Ze had erop aangestuurd dat een tolk niet nodig was om te tonen dat haar Nederlands al een behoorlijk niveau had bereikt. Nu wou ze dat ze de vragen op zijn minst een tweede keer had kunnen horen, in welke taal dan ook.   “En daarvoor vroeg hij geld in de plaats neem ik aan?”   “Mijn moeder betaalde, meneer. Hij was een goede man.”   “En waar bracht hij jullie?”   “...”    “Jullie kwamen niet in een keer naar België, neem ik aan? Via welke landen zijn jullie gereisd?”   Zwarte cirkels dansten voor haar ogen terwijl er in haar hersenen nerveus naar de schakels voor haar spraak werd gezocht. Alle bloed dat daarvoor nodig was liet haar gezicht bleek en bezweet achter.   “Mijn broer is in Griekenland.”   “Sherine, kan je me vertellen via welke landen jullie zijn gevlucht?”   “Nee, meneer.”   Haar bewustzijn capituleerde en het plakkerige, zwetende lijf dat haar net nog zo in de weg had gezeten zeeg neer bij de schroeiplek op de grijsgroene vloer.

Fien
25 1

Een vreemde reflex

De professor keert zich naar zijn studenten. In een poging om zijn bordschema te verduidelijken opent hij zijn mond. En dan gebeurt het. Een indringer pakt het strotklepje op snelheid. De man hapt naar adem. De haartjes in zijn luchtpijp krijsen het uit bij het vaststellen van de ongenode gast. Elektrische impulsen flitsen door zijn zenuwvezels, worden chemisch doorgegeven van synaps naar synaps, van insnoering naar insnoering om dan weer elektrisch  op weg te gaan naar het centrale zenuwstelsel. De reflexboog staat gespannen, zijn nekspieren ook. Aan zijn slapen verschijnen wild pulserende aders. Achter het nalatige kraakbeenklepje klappen zijn stembanden spastisch open en dicht. “Hukh, ukh, kh” brengt hij uit. Een traan rolt over zijn wang.   De hoest is een reflexmatige explosieve uitademing die ontstaat bij prikkeling van de luchtwegen en deze reinigt van slijm en vreemde voorwerpen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de enkelvoudige kniereflex is de hoestreflex complex van aard. Bij de receptie van een sensorische impuls –de prikkeling van het slijmvlies in de luchtwegen - wordt een signaal doorgegeven via afferente zenuwvezels naar het ganglion, een bundel zenuwcellen naast het ruggenmerg. Van daaruit worden twee soorten efferente zenuwvezels aangestuurd die de reflex in gang zetten. Complexe reflexen zijn langzamer dan enkelvoudige, er ontstaat een korte tijdspanne tussen receptie en reflex. Zij worden derhalve ook wel vreemde reflexen genoemd.   Wat volgt is een briesende luchtstoot die zich met een kracht van jewelste en een vlaag van kleverig slijm de ruimte in stort. De professor kijkt beduusd naar het snot op de tafels van zijn studenten op de eerste rij. In het midden plakt een zwart schepseltje met poten. “Excuseer” herpakt hij zich. “Er zat een vlieg in mijn keel. Ze is eruit nu.”

Fien
12 0

Vakantiefoto / Center Parcs 1998

Ik ben het kleedhokje nog niet uit of de weeë geur van chloor en frieten draait mijn maag al in een knoop. Ik slik de koffiekoek van vanochtend weer door en wankel me een weg over de glibberige zwembadtegels. Het geroffel van de regen op het glazen dak zwelt aan in een  verwoede poging de kinderstemmen daaronder te smoren. Tevergeefs. De natuur delft wel vaker het onderspit in parken als deze. De bruine bladeren van de tropische planten zijn daar stil getuige van, hun wortels onder de tegelvloer gekneld als Chinese vrouwenvoetjes.   Naarstig nippen mama en papa al aan een moezelwijn bij de bar. Het afval op tafel verraadt de reeds verorberde kaaskroketten.  Voedsel is een mooie uitvlucht om geen woorden in de mond te moeten nemen. Moezelwijnen om wat niet gezegd wordt door te spoelen. Ik plof neer op een van de witte strandstoelen die ze bezet houden. Ilse zit naast me, mokkend ingeduffeld in twee strandlakens. Ze wou eigenlijk al niet mee gaan zwemmen. De buik was te groot en de bikini te klein. Mijn verwoede pogingen om haar van dat idee af te brengen bleven onbeantwoord. Ook de jongste was met haar kinderkleren het spreken ontgroeid.   Ik zak onderuit en maak oogcontact met de clown in het plonsbad. Er spuit water uit zijn oren en een troep kinderen hangt  huilerig aan de glijbaan die zijn buik met de bodem van het badje verbindt. Zijn belachelijk brede grijns trekt de knoop in mijn maag wat strakker. Ik wend mijn blik af. Ondertussen komt ook Daan aangelopen, enthousiast gesticulerend dat de golven in het grote bad weer begonnen zijn. Ik hoor nu pas de sirene galmen die hen aankondigt. “Eerst nog een familiefoto” oppert vader. Zuchtend komt Daan naast mama staan. Papa houdt de camera omgekeerd voor zich uit en telt af.  Op de achtergrond grijnst de clown meewarig mee.    

Fien
10 0

Bestaan is weerstand bieden

Bestaan is weerstand bieden in Bethlehem. Het staat er op de muur geschreven. To exist is to resist. Tegen die muur. Tegen de waardigheid die die muur tracht te ontnemen. Tegen de opkomende wanhoop, het opborrelende cynisme aan  de checkpoints die de lange grijze betonmassa splijten om ze in haar betekenis te bevestigen. Een van twee kanten, twee maten, twee gewichten. Van Wij en zij, van een eigen identiteit die ligt in de negatie van de ander. Bestaan is weerstand bieden. In de vorm van die graffiti die dat grijze vlak breekt, de vorm van woorden die de  ogenschijnlijk zelfverklaarde betekenis van de muur ondergraven. Bestaan is weerstand bieden, tegen de werkelijkheid van alledag, tegen het uitzicht op die muur. Het is het bestaan van de muur in vraag stellen, weigeren ze te zien zoals ze je wordt opgedrongen, mogelijkheden creëren, alternatieven. Bestaan is weerstand bieden tegen de idee dat muren bestaan uit koud beton en groepen scheiden eerder dan creëren.  Bestaan is weerstand bieden tegen de Palestijnen en de Israëli’s in ons denken, tegen de imagoverlagende en respectabele winkels in de binnenstad, tegen profiteurs en harde werkers, tegen monsters die onze waarden ondermijnen en ridders die ze hoog in het vaandel dragen, tegen economische groei en ondergang, tegen waanzin en rede. Bestaan is weerstand bieden tegen de aanname dat categorieën natuurgegevens zijn, tegen de veronderstelling dat muren bestaan uit stenen in plaats van de weerstand die hen bijeen houdt. Bestaan is weerstand bieden. 

Fien
10 1