TonyCoppo

Gebruikersnaam TonyCoppo

Over TonyCoppo

Ondernemer, vader, echtgenoot, surfer, reiziger, speler, tekenaar, schrijver.

Teksten

De waarheid: Hoe de Tip Van De Week van M. De Ridder over MCH tot stand kwam

Ianthe wreef in haar ogen, gaapte naar een griet in rode lange jas die voor haar verscheen, staarde naar de witte bloemen in haar haar, glimlachte zuinig, zag dat het bloemenmeisje naar de vrije stoel aan haar tafeltje wees en nam schuifelend plaats. Wat doet een bloemennimf in Café Sport? ‘Ik ben Marjan,’ zei ze met een stem als een boterbloem. ‘Marjan De Ridder. Ik ben dichter -slash- rapper, schrijver, illustrator en leerkracht.’ Ianthe schudde haar hand, een hand met op de nagels bloemetjes getekend. Nagelillustraties? Een klasjufje dus. Wat moest die van haar? Ianthe zei niets en liet de hand met de bloemennagels los. ‘Je vraagt je waarschijnlijk af, wat ik hier kom doen? En waarom ik naar jou vroeg?’  Asjemenou, een helderziende dichter -slash- rapper! Ianthe kon een zucht door haar tanden niet onderdrukken. Ze keek Café Sport rond, zag geen bekenden en bracht haar hoofd dichter bij Marjan. ‘Mevrouw De Ridder, dichter -slash- rapper, waar kan ik jou mee helpen, want dat doe ik graag als altruïst -slash- Wereldverbeteraarster. Wist je dat er mensen zijn die beweren dat altruïsme niet bestaat? Dat anderen helpen, de straat oversteken bijvoorbeeld, puur egoïsme is? Maar dat is niet waar, mensen streven niet het puur maximale na, ze laten graag nog iets over voor anderen.’ Marjan leek even van haar stuk, herpakte zich, haalde een A4-tje uit haar aktetas en schoof het op tafel, richting Ianthe. ‘Lees dit,’ zei ze dwingend. “Wie is er gek? of One step d'r out!' van MCH” stond als titel gedrukt. Wie is er niet gek, dacht Ianthe. ‘Je moet mij helpen,’ zei Marjan, ‘ik zit helemaal vast. Ik hoorde van de redactie van AZF dat jij hier expert in bent. Ghostwriter zelfs.’ ‘AZF… die klotebende, rotmongolen,’ mompelde Ianthe. ‘Ben ik mee gestopt,’ herpakte ze zich, ‘bracht niets op.’ ‘Ik heb geld, veel geld,’ zei Marjan. Ianthe trok een wenkbrauw op. Veel geld? Als leerkrachtje zeker, dacht Ianthe, met nagels illustreren zal het ook niet binnenstromen.  ‘Ik geef je tweeduizend als je een recensie over dit topstukje schrijft.’ Dit wijf is gek, dacht Ianthe, tweeduizend lire? Of roebels? Kusjes? Ze is niet mis, misschien een trio met Alberto? Werkt ze als lichtekooi? Daarom zoveel geld? ‘Euro?’ vroeg Ianthe. ‘Wat anders?’ Dit wijf meende het. ‘Voor een paar lijntjes?’ Misschien bedoelt ze drugs? ‘Ianthe, het is een meesterwerk. En van MCH!’  Who the fuck is MCH, dacht Ianthe? Dit kind snuift lijm, of flipt van de boterkoekjes. ‘Doe je het?’ vroeg ze smekend, met lippen als een eend. Smeken als een eend? Duckface flowergirl kent de poses niet. Gelukkig waant ze zich geen actrice. Ik laat deze malloot vooraf betalen, dacht ze. ‘Isgoe,’ zei Ianthe, ‘het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid is voor mij belangrijk.’ Tweeduizend flappen ook, dacht ze. ‘Oh, kan je vooraf betalen? Handje contantje?’ Marjan De Ridder haalde vier briefjes van vijfhonderd uit haar portemonnee alsof het briefjes van vijf euro waren. Mevrouw De Ridder is loaded! Ianthe nam de briefjes aan, plooide ze in vier en stak ze in haar decolleté.  ‘Deal! Je topstukje krijgt een recensie van jouw hand, enfin de mijne, maar in jouw naam. Had je al iets bedacht?’ Marjan nam een tweede vel papier uit haar tas en legde het bovenop het eerste. ‘Nog niet veel,’ zei ze blozend. “One step beyond. MCH kopt in het kortverhaal “Wie is er gek? Of One step d’r out” meteen binnen met impressies van een verhouding tussen huurder en verhuurder.” ‘Niet slecht,’ mompelde Ianthe, ‘helemaal niet slecht.’ Ze schraapte haar keel. ‘Ik snap waarom je mij verzocht. Deze openingszin is loos, platjes, droog, niet fleurig, zou jij moeten weten, met je bloemetjes in je haar.’ ‘Ik weet het Ianthe, het mist bloemetjes.’ ‘Precies,’ zei Ianthe smalend, ‘impressies is te gewoontjes, maak er sfeerische impressies van, dat verstaat geen kat, maar toont dat jij niet gewoontjes bent, speciaal bent, dat je niet gewoon een dichter bent, of een rapper, maar een dichter -slash- rapper, begrijp je?’ De bloemen op haar kop knikten. ‘Zelfde probleem met verhouding, enfin, omgekeerde probleem, dat woord is te zwaar, te heftig, heeft iets nodig, iets zachter, bijvoorbeeld banaal, maak er banale verhouding van en je openingszin is af.’ ‘Wow,’ zei Marjan, ‘ze overdreven niet.’ ‘Die losers van AZF?’ vroeg Ianthe, dacht aan de tweeduizend op haar tieten en las de tweede zin. “Elke zin is een vuist.”  ‘Serieus, mevrouw de Ridder?’ zei Ianthe. ‘Dit lukt misschien in het eerste leerjaar, of geef je les in de peuterklas? Zinnen in een recensie verdienen lengte. Doe bijvoorbeeld volgende.’ Ianthe schrapte vuist, verving het door gebalde vuist en vulde de zin aan zodat ie klonk als een klepel: “Elke zin is een gebalde vuist in een aanslepende ruzie tussen de twee hoofdpersonages.” ‘En dat kan jij zonder de tekst gelezen te hebben?’ schrok Marjan. Ianthe haalde haar schouders op. Ik kan alles voor tweeduizend ballen, dacht ze. Meer had Marjan niet.  ‘Dus zover zat je?’ vroeg Ianthe nodeloos, meer om haar belang te onderstrepen, te benadrukken dat ze die tweeduizend waard was. ‘Hier zit ik vast,’ zei Marjan. ‘Het is een kortverhaal, juist?’ zei Ianthe. ‘Dus het is een verhaal, maar toch is er ruimte, en omdat er te weinig gezegd wordt, weet de lezer niet alles, juist?’ Marjan knikte instemmend. ‘En er is conflict, dat is er altijd? In een tijdspanne?’ ‘Weet ik niet,’ zei Marjan. ‘Doet er niet toe,’ zei Ianthe, ‘wat denk je van volgende: “Het kortverhaal is compleet maar laat ruimte voor mijmeren, laat de lezer twijfelen over wie of wat nu de meeste olie op het vuur gooit. In enkele zinnen toont de schrijver hoe waanzin in de mentale toestand van beide betrokkenen sluipt. Doordat de schrijver verschillende highlights in de week van de figuren opgooit en handige schijnbewegingen maakt in de tijd-ruimte interpretaties doorheen het verhaal krijgt de eigenlijke inhoud van de verhaallijn nog meer gewicht.” Marjans mond viel open. Ze staarde naar Ianthe al zag ze een geest verrijzen, op de muur kloppen en driemaal naar de wc gaan zonder doorspoelen. ‘Die MCH,’ zei Ianthe toen Marjan bijgekomen was, ‘heeft hij iets van een eigennaam gebruikt?’ ‘Madness, dacht ik,’ zei Marjan. ‘Madness?’ herhaalde Ianthe. ‘Dacht ik toch, wacht, check de tekst.’ Marjan greep het blad onder het vel papier waar Ianthe op schreef. ‘Niet nodig,’ zei Ianthe en hield haar tegen. ‘Madness will do.’ Ze schreef verder: “Toch weten we niet wie Madness is en of de gekte in het huis zit, in het hoofd van de verteller, de sfeer of de personages. De woorden hebben nog laagjes.” Laagjes, dacht Ianthe, dat werkt altijd. Toujours, dacht ze, een Frans of Engelstalig woordje gebruiken, dat werkt ook altijd. Maar is misschien hier niet nodig. Het is een ijzersterke tekst, vond Marjan. Dan mag dat nog eens gezegd. ‘Viel er je nog iets bijzonders op, aan die tekst, bedoel ik, niet aan het leven in het algemeen, of aan de stand van de maan, of aan hoe hier in café Sport de mannen scheef aan de toog hangen.’ Marjan keek naar de mannen aan de toog, likte haar lippen en tuurde opnieuw naar het blad waar Ianthe zo meteen nog een zin op zou kliederen. ‘Wel, euh,’ stamelde Marjan, ‘eigenlijk wel. Ik begreep niet goed waarom MCH op het einde er plots twee andere figuren bijsleurde. Dat leek me overbodig.’ ‘Overbodig,’ herhaalde Ianthe, ‘daar kunnen we wat mee.’ “Wanneer de schrijver dan op de valreep nog twee extra personages introduceert, klikken alle zinnen in een context en krijgt de lezer pas een resoluut besluit op zijn bord.” Ianthe las de recensiezin voor en Marjan lachte hardop, als een manische patiënt die te horen kreeg dat er nieuwe pillen uitgevonden werden, en dat zij als testcase uitgekozen werd. ‘Prachtig,’ siste Marjan. ‘Waarlijk prachtig, echt prachtig, zeer prachtig.’ Voor een dichter -slash- rapper toch arm van woordenschat, dacht Ianthe. Ach wat, rijk met geld, niets dat met euro's niet opgelost kan worden. Essentie vinden, daar kwam het nu op aan. ‘In drie woorden, Marjan, waar gaat dit stuk over?’ vroeg Ianthe. ‘Drie woorden?’ De bloemen in haar haar leken te verwelken, drooggezet door de moeilijke taak. ‘Of vier, maar niet meer, gewoon wat is de essentie, als er al een is, want essentieschrijvers, dat vind je niet veel meer, en al zeker niet op AZF. Je vond dat verhaaltje toch daar? Of heb je stiekem het uitgeknipt van een echte literatuursite? Alhoewel, met die start: One step beyond.’ Ianthe gniffelde even, tokkelde met haar vingers op de tafel als waren de vingers astronauten die de maanlanding oefenden, schraapte haar keel en herhaalde haar vraag. ‘Drie à vier woordjes dus, Marjan, over dit topstukje.’ ‘Goh,’ zei Marjan, ‘iets over een dakappartement en dat die kerel rare dingen doet om geen lawaai te maken en met een oud wijf die hem weg wil of zo.’ Tellen geeft ze niet, dacht Ianthe. Een, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van. Spuwt dat kind hier zowaar de langste zin uit in het hele gesprek, terwijl duidelijk drie á vier woorden gevraagd werden. Die leraresjes luisteren niet. Of verzon ze dat lerares zijn ook op haar cv? Schrijver en illustrator, dat is iedereen met een pen en papier. Maar moet je voor lerares geen opleiding genieten? Is dat geen beschermd beroep? Zou het wel moeten zijn, vond Ianthe. Voor de toekomst van de kinderen, en dergelijke. ‘Let op,’ zei Ianthe, schreef en las daarna voor: “Dit verhaal klimt tot in de nokjes van een fantastisch-realistisch studioappartement, vernielt de onschuld van oma’s en verkent de mentaal ongezonde compromissen die vaak voorkomen in een ongelijke machtsrelatie. De schrijver doet dit op zo een vrije en amusante manier dat ik het flitsverhaal graag zou zien doorgroeien tot een novelle of roman.” ‘Tot een novelle of roman?’ vroeg Marjan. ‘Weet ik veel,’ zei Ianthe, ‘is dat niet een mooi compliment, en tegelijk gebruik je de magische ik-zin, trek je jouw wil erbij, over wat jij - want daar gaat het toch om - wil. Dat jij verdomme wil dat die MCH jou een novelle schrijft, of God betert het, als hij echt wil, als hij echt jou wil plezieren, als de muze met bloemetjes in je haren die je draagt, een roman!’ De ogen van Marjan glinsterden, de kaken bloosden, en mocht Ianthe niet beter weten, ze leek te dompen op haar stoel. Dit grietje werd hier geil van. En Ianthe werd ervoor betaald. Betekende dit dat ze… Aan wat anders denken, dacht ze. Kan ik hier nog meer geld uitsleuren? Zoals het een echte professional betaamd? ‘Vind je dit goed genoeg?’  ‘Goed genoeg? Het is meesterlijk, Ianthe!’ Marjan klapte in haar handen. ‘Dit is de beste recensie ooit verschenen op AZF.’ ‘Dat kan wel zijn,’ zei Ianthe, ‘maar voor vijfhonderd extra, word jij de held van de recensie?’ ‘Vijfhonderd is geen probleem, maar hoe dan, hoe ga je dat flikkeren?’ Ianthe stak haar hand uit en vormde een kommetje. ‘Handje contantje?’ ‘Tuurlijk, dom van me,’ zei Marjan, nam nog een briefje, plooide het in vier, leek zich even te bedenken of ze het in Ianthes decolleté zou proppen, maar besloot dan toch het gewoon in het kommetje te leggen. Ze liet niet na Ianthes hand te strelen. ‘Thanks,’ zei Ianthe, ‘watch and learn. One step beyond!’ Ze nam haar pen en in één vloeiende beweging schreef ze: “Ik kon alleen maar denken: heerlijk toch zo een beetje drijven tussen absurdisme, ruzie en geluidsoverlast. En vond als podiumdichter (slampoëet) een soort punchline in een kortverhaal, maar daar zoekt u zelf maar naar. Eén ding is zeker: MCH maakt in dit verhaal geen enkel ongezond compromis.” Ze bekeek het vel papier. Best slordig handschrift heb je Ianthe, dacht ze. Ooit wordt dit ingekaderd, opgehangen in Tate Modern en zullen duizenden ernaar staren en de goddelijkheid bewonderen. Ianthe draaide het vel papier naar Marjan, die het gretig vastnam en luidop las. Toen ze slampoëet bereikte, schokte haar stem en liep een traan over haar wang. ‘Bedankt Ianthe,’ ze stond op, omhelsde Ianthe, kuste haar vol op de mond en probeerde haar tong binnen te wurmen. Ianthe beet op haar tanden. ‘Sorry Ridder,’ zei Ianthe, ‘dat is voor Alberto.’ ‘Ken ik Alberto?’ vroeg Marjan. ‘Neem je werkje, ga naar huis en typ het over.’ Ianthe keek hoe Marjan haar spullen pakte en Café Sport buitenwandelde. Geen foute kont, dacht Ianthe, waarom ben ik zo trouw aan Alberto?  Ze streelde de briefjes door haar borstenhouders. Tweeduizend vijfhonderd flappen.     (De personages in dit fragment zijn verzonnen; elke gelijkenis met bestaande plaatsen, met gebeurtenissen, met levende en/of dode personen, berust louter op toeval.) (Vrij naar 'Tip van de week van 30/03' in opdracht van MCH)

TonyCoppo
69 4

Iets onnozels met pompoenen

Als Grote Gele Eend haar bek opentrekt, spannen de rimpels van de vijver strak, spitsen de spitsmuizen de oren en staakt Lacherige Langpoot het lachen.    ‘De oplossing,’ zei Grote Gele Eend, ‘voor jullie kwakkelende verkoop, is vannacht tot mij gekomen.’ Kleine Kiet, de slimste kikker van de plas, tuurde kwijlend naar Grote Gele Eend. Dat Kleine Kiet op Grote Gele Eend zinde, wist iedereen en vandaag stonden zijn begerige ogen nog begeriger. ‘Wie van jullie uilskuikens ooit op het idee kwam, weten jullie vast zelf niet meer,’ ging ze verder. ‘Feit is dat er een berg maffe hoedjes en bezemstelen schimmelen onder de oude eik. Geen sufferd vindt jullie webshop, behalve die van Azerty, en zelfs die retourneerden hun pakket!’ Ze trapte, om haar woorden extra kracht bij te zetten, op een eikel die in de vijver plonsde.    ‘Dát weten we,’ sjirpte Kleine Kiet, ‘En dat moet je er niet opnieuw inwrijven. Ga je poseren met onze brol en pleuren we die foto’s online?’ Kleine Kiet trok zijn roodstreepbroekje recht. ‘Dat zou wel marcheren: Grote Gele Eend op Onlyfans, vijftien euro voor een exclusieve stream uit jouw douche.’ Lacherige Langpoot brulde zijn lach. ‘Tip van de dag, gegarandeerd!’    Grote Gele Eend schudde haar kont alsof ze zo Kleine Kiets vuilbekkerij van zich wilde schokken.     ‘Hou je kop, schuine kikker,’ kakelde Sjors Spikkelbeen, de dikste kip van de plas, ‘straks wil ze haar oplossing niet meer vertellen, en kan ik muggen blijven zuigen. Ik wil een rollende webshop, dan kunnen we kreeft eten in de Seychellen, of bungeespringen op Kreta, of, als ie echt lekker loopt, naar Disneyland in Orlando.’    ‘Disneyland,’ kwaakten de kikkers wild. ‘Bibberen in The Haunted Mansion!’    ‘Kreeft,’ mijmerde Kleine Kiet, ‘met champagne!’    ‘Jullie moeten het natuurlijk goed marketen,’ zei Grote Gele Eend, ‘niks verkoopt zichzelf. Goede backlinking, een beetje SEO, Adwords, Facebook pixels, de hele chickenbak...’ Ze strekte haar hals wat hoger, glom haar snavel en kuchte tweemaal. ‘De oplossing...’ zei ze, ’is geniaal eenvoudig.’    ‘Kom op,’ zei Kleine Kiet, ‘je speelt ermee.’    ‘Je maakt witte cijfertjes,’ zei Grote Gele Eend. ‘Nul Zes Acht bijvoorbeeld, die plak je op een groene jumpsuit, of een rode. Meer niet. En je tekent een witte cirkel, vierkant of driehoek op een zwarte schermhelm. Uitverkocht voor je halloweenfestijn kan zeggen.’    'Halloweenfestijn?’ vroeg Kleine Kiet.    ‘Iets onnozels,’ zei Grote Gele Eend, ‘met pompoenen.’ 

TonyCoppo
15 2

Op zoek naar wiet, drank en pillen

‘Nancy,’ zei Guido tegen het blonde grietje aan kassa drie bij de Lidl in de Langestraat van Poperinge, ‘ik ben op zoek naar wiet, drank en pillen.’     Het meisje nam een komkommer van de rolband, scande het etiket, keek terloops naar mijn banaan en fles Chateau De Paupe uit 2012, trok haar geëpileerde wenkbrauwen op en legde de komkommer in de metalen ‘gescande artikelen’ bak. Ze krabde met een slanke wijsvinger met drie zilveren ringen aan haar bovenlip, controleerde de vingertop of er lipstick aanhing, keek naar Guido en glimlachte met haar blauwe ogen.     ‘Guido,’ zei ze en tikte met diezelfde wijsvinger op het naamplaatje op haar boezem, ‘Ik heet Naëma.’ Iedereen in Poperinge kende Guido.    Guido bewoog zijn hoofd dichter naar het naamkaartje en deed alsof hij het trachtte te lezen, staarde naar haar boezem en hoopte door de Lidl-blouse heen te gluren. Uiteraard. Naëma was als het liefdeskind van Claudia Schiffer en Bradley Cooper of de vrucht van passioneel fleppen van David Beckham met Bella Hadid. Of nee, schrap dat tweede voorbeeld. Beckham blondeert zijn haren en Bella’s haar is zo zwart als Nelson Mandela.     Naëma was beeldschoon, af, perfect, mocht er niet geprutst zijn op haar lijf. Waarom besloot Naëma ooit Tattoo Bert binnen te stappen en te roepen: ‘Ik wil een wolk sterretjes op mijn perfecte kop en een ratelslang die van mijn schouder over mijn rug, langs mijn hals, naar mijn kin sist? En waarom vond Bert dat ‘een prachtig idee’ en Naëma een geschikt canvas om uit testen of tatoeëren iets voor hem was?   Een casting directeur voor catwalks, een Miss Universe rekruteerder of een regisseur van miljoenenblockbusters had haar zonder die verminkingen al lang van de Lidl-kruk getrokken, rechtgezet, van kop tot teen bekeken, schaamteloos gevraagd of ze lingerie aanhad en indien ze ja knikte, die afgrijselijke Lidl-blouse van haar ranke schouders gerukt. Om dan te fluiten en, luid, zodat iedereen het kon horen, haar te complimenteren, ‘Milaan, Japan, New York èn Dubai’ beloven, een bundel papieren uit het kostuum toveren en haar het exclusiviteitscontract doen tekenen. Die man, of vrouw, dat kon ook natuurlijk, rukte haar microfoontje uit de kassa, riep ‘Jos aan kassa drie gevraagd’ waarna Jos naar kassa drie huppelde, hij, of zij,  de arm over Naëmas schouders vleide en zei: ‘Jos, ik neem Naëma mee. Kijk nog eens goed want als je dit juweeltje volgend jaar in de krant ziet blinken, en je “Ahmaneezeg, da’s ons Naëmaatje van kassa drie, hoe ist mogelijk?” tegen je vrouw roept. Je wijf de krant uit je poten sleurt, Naëma bewondert en zegt dat ze een ferm schoon kind is. Salut Jos! Kom Naëma, we zijn weg!’ Allemaal niet gebeurd, door Bert met zijn klungelige hand. Guido hing met zijn lijf over de kassa, wiebelde, grabbelde naar zijn kar maar miste en zat bijna met zijn tronie tegen haar borsten. Hij snoof alsof hij aan de onderkant van een meloen de rijpheid peilde en veerde terug in de normale ‘aan de kassa’ pose. Hij veerde te vlot, te sierlijk voor een grijze vijftiger, maar veerde zoals je kon verwachten van een yogateacher. Waarom vroeg Guido, de joga guru, naar wiet, drank en pillen? Hier in de Lidl? De Lidl staat vol met liters Jupiler, kratten Veuve Clicquot, rosé á volonté maar iedereen weet toch dat je wiet en pillen hier niet kan krijgen?    Vroeg hij misschien in codewoorden naar oudemannenpampers? Of werd Guido seniel?    Gunther zei er gisteren niets over aan de bar van Café Sport na het kleiduifschieten. ‘Hoe ist nog met uwe pa?’ vroeg ik. ‘Goed,’ zei Gunther, ‘onze guru heeft weeral een nieuwe vlam.’ We lulden nog wat over hoe hij alles van zijn pa geleerd had om iedereen in bed te praten en welke specimen hij laatst scoorde. Gezwans, gezever en allemaal lulkoek, Gunther zat elke nacht te programmeren aan zijn Tinder clone, maar zei niets over gele druppels in zijn pa’s onderbroek.    ‘Drie euro twintig,’ zei Naëma, ‘spaart u zegeltjes, Guido?’ Haar neus en naamkaartje wipten.      ‘Wie spaart er nog zegeltjes?’ zei Guido, krabde met zijn rechterhand aan zijn bil door zijn joga pantalon en legde zijn andere hand op de rolband. Hij wilde zijn pose standvastig doen lijken. Mocht Naëma met haar voet op het knopje drukken die de rolband activeert, joga Guido zou omvallen, opnieuw naar zijn kar grabbelen en slungelig tegen het plexiglas bonzen.     ‘Als je iets gratis bij elkaar kan sparen, kan je niet snel genoeg vreten om de spaarkaart tijdig vol te plakken,’ zei Guido, ‘en als je er wel in slaagt genoeg zegels af te likken en ze binnen de lijntjes in dat boekje te duwen, betaal je nog teveel voor prul dat je nooit wilde kopen.’ Hij legde zijn bankkaart op de betaalterminal en tuurde opnieuw naar haar naamkaartje. Of haar borsten. De terminal piepte tweemaal als teken dat de betaling gelukt was.    ‘Trouwens, … Naëma… ,’ ging hij verder, ‘Naëma is geen naam voor een blondje met blauwe ogen. Alice, Lilly, Ella, Wilma, Maja of zo iets Zweeds, Noors of Deens past beter . Agneta bijvoorbeeld. Of Nancy, vandaar mijn verwarring. Ach ja, wat zou het, daar kan je zelf niets aan doen. Je kiest je naam niet zelf. Verwachtte je moeder een mulatje? Dacht ze dat na het slippertje met Big George, zijn zwarte zwemmers de oorlog met je vaders soldaten onmogelijk kon verliezen?’     Guido werd gemeen. ‘Verleidingstruc numero uno uit Guido’s Grote Verleidersboek’ volgens Gunther. Mooie meisjes verleid je niet met complimenten, want dat weten ze al. ‘Je pa liep al weg voordat jij uit je moeder floepte, hé?’ vroeg Guido. ‘En met George is het ook niets geworden, die gozer werkt bij Rode Mien.’    Naëma keek plotsklaps anders naar hem. Ze snikte en knikte traag haar hoofd. De sterretjes bewogen mee. Haar blik rustte op de komkommer.    ‘Het is niet jouw fout, Nancy’ zei Guido, legde zijn linkerhand op de hare en streelde met zijn rechterhand de komkommer. ‘Jij bent ook op zoek naar wiet, drank en pillen. Kom met me mee!’     Maar allée, Guido flipte. En dat voor een jogaleraar?    ‘Drank met hopen hier te koop, ouwe,’ zei ik. ‘Wiet kan je krijgen bij de Groene Boerenjongens,  en je Viagra haal je bij Apotheek Fillemon.’    Naëma en Guido staarden me aan alsof ik net uit een vliegende schotel sprong en de weg naar het toilet vroeg.    Wist ik veel dat Wietdranq Ken Pillen in Poperinge op tournee was.     U weet wel, die befaamde yoga guru.

TonyCoppo
58 2

Jaap, de ballen, heeft ie last van, in de mond, niet slikken!

'Misschien padellen?' zei zijn vrouw. Frank bouwde met zijn vork een dam in de aardappelpuree om de vleessaus te verhinderen de erwten te overspoelen. Hij keek op. De tijd trok rimpels in haar zoals de zee in het zand wanneer eb vloed aflost. Het leek tachtig jaar geleden dat ze discotheken platwalsten, hoewel hij morgen pas zijn veertig kaarsjes uitblies. Hij frunnikte aan het plastieken heft van het Ikeavork - het zilveren bestek bewaarde ze in de dressoir voor kerst met haar ouders. Hij wilde een gehaktbal prikken, bedacht zich en zwaaide zijn vork wild in de lucht. 'Wat zeik je? Je weet dat ik niet graag speel,' hij onderbrak zijn zin. "Met ballen" ging hij zeggen. Hij was wèl een ballenman. Hij hield van witte, zwarte, gele, oranje, rode en bruine. Maar dat kon niet meer. 'Het zou je goed doen,' zei ze. Met haar vork prikte ze naar een erwt die angstig wegrolde en de tanden ontvluchtte. 'Terug onder de mannen.' Wat een lef. 'Jaap,' zei Frank, 'heb ik vermoord met een harde stoot.' Hij liet zijn vork vallen van een hoogte die - volgens de normale werking van het universum -  het Ikeabord zou breken. Het Zweeds ding gaf geen kick.  Hij haatte zichzelf sinds die noodlottige nacht. Gretig stootte hij, maar na vijf Duvels was zijn zicht troebel, en zijn jarenlange ervaring zoek. Zijn banaan mislukte compleet: De bal drong in Jaaps keel en net zo snel als die in zijn strottehoofd drong, viel Jaap omver en knalde met zijn hoofd tegen de rand van de tafel. Hij stierf op slag, zei de schouwarts achteraf. 'Je vriend stierf een jaar geleden,' zei zijn vrouw monotoon, net als duizend keer eerder. 'Jaap zijn grote bakkes was niet jouw probleem.' Jaaps tronie hing, sinds zijn vrouw hem sloeg, als een vuilbak in een pretpark die op negenvoltbatterijen schreeuwde: 'Vuil hier, mijn plezier.' Toch kon Frank er zich niet overzetten. Sinds die ambulanciers vloekten en hij zijn verhaal vijf keer bracht - de eerste keer tegen cafébaas Ronny, de tweede keer tegen de ambulanciers, de derde keer tegen zijn advocaat, de vierde keer tegen de rechter en de vijfde keer tegen zijn vrouw achter glas met gaten - geloofde hij er zelf niet meer in. Hij vermoordde Jaap, welwillend, met een trick waar hij drie jaar op zolder stiekem op oefende en hij die nacht voor de eerste keer mee uitpakte. 'Ronny,' snikte hij, 'moedigde me aan.' Ronny bood hem die vierde en de vijfde Duvel aan van het huis - niet van zijn gewoonte. Ronny huurde een detective om te zoeken met wie zijn vrouw hem bedroog. Van dat bedriegen was Ronny niet zeker maar omdat zij op de eerste zondag van de maand niet meer met hem naar boven wilde, vermoedde hij het ergste. Die Sherlock Holmes kwam snel met conclusies. Het was iemand die hij kende, een dichte vriend. Plots vielen de puzzelstukjes in mekaar - lange uitleg kort - Ronny's vrouw smoste met Jaap. Toen Frank die avond met Jaap aan de toog hing en opschepte over zijn nieuwe trick, greep Ronny zijn kans. De cafébaas spoorde Frank aan zijn risicovolle act te demonstreren, gaf Jaap zijn mobiel om vanuit een speciale hoek alles te filmen en beiden stonken er met vier dronken ogen in. 'Voor mij geen ballen meer,' zei Frank, '‘T zijn vuile dingen.' Hij knipperde, veegde zijn droge mond droger met zijn servet en merkte dat zijn erwten in een quasi perfecte driehoek als spelbegin lagen. De gehaktballen op zijn bord lachten hem uit en riepen: 'Knal ons in haar strot.' Hij onderdrukte de drang om met de steel van zijn lepel als keu een trekstoot uit te halen.  Franks vrouw staarde verlangend naar de gehaktballen, nam haar mes, hakte er één doormidden en zuchtte. 'Iets zonder ballen? Hardlopen? Windsurfen?' Ze keek misprijzend naar het hoopje miserie aan de overzijde. 'Darts?' Frank tuurde naar haar baard, vroeg zich af waarom ze gelebloemenblouses droeg, zag ze huppelen in een strak, zwart lederen topje in de Zillion. Eénentwintig jaar jonger en drieëndertig kilo lichter kon ze nog huppelen, nu stampt ze de dansvloer kapot. Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd, krabde aan zijn bierbuik, voelde zijn ballen jeuken en dacht aan Jaap aan de biljarttafel. Die Jaap kon ze potten.

TonyCoppo
33 2

Zorgen van de guru

'Zorgen,' schreeuwt hij in de microfoon, 'maken we ons allemaal, maar dat is zinloos! Zorgen bestaan niet!'  De aula zit barstensvol, alle zitjes ingenomen en enkele laatkomers op de trappen. Duizend ogen loeren naar hem in kakelvers Versace kostuum. Speciaal op maat gemaakt in Milaan. Drieduizend driehonderd euro. Hij had moeten brullen: slechts drie tickets dekken zijn extravagant kostuum. Zijn levensverbeterende cursus verkocht in geen tijd uit. Het buitenzwembad met poolhouse aan zijn villa in Spanje kan dubbel zo groot bij de komende verbouwing.  Hij pauzeert voor het dramatische effect en scant de zaal. Opmerkelijk veel vrouwen. Enkele stokoude, de meeste rond zijn leeftijd. Ook een paar onbelegen exemplaren. Op de eerste rij zit een prachtig specimen. Hij ontbloot zijn gebleachte tanden en knikt. Ze haalt haar kauwgum uit haar mond, rolt hem tussen haar vingers en knipoogt verleidelijk. 'Heb je geen problemen in het leven?' vraagt hij zonder een antwoord te verwachten. Een vrouwelijke aardappelzak achteraan links hoest. Het klinkt alsof er bloed meekomt. Bijna dood, zal niet misstaan op de composthoop. 'Zijn er hier, onder jullie, mensen zonder problemen?' vraagt hij terwijl hij naar zijn prooi koekeloert. Zijn publiek heeft veel problemen. Waarom betalen ze anders meer dan duizend euro om naar hem te luisteren. Hij weet dat velen leningen aangingen om hier te kunnen zijn. Hij biedt dat aan. Met waanzinnige interestvoet. 'Als je geen problemen hebt, waarom zou je je zorgen maken? Dan bestaan zorgen niet voor jou? Toch?' Gegniffel. Hij analyseert de hele zaal maar zijn blik kleeft op haar als de naald van een kompas op het noorden. Blond, blauwe ogen, slank en een boezem. Haar lederen topje ontbloot de bovenkant van haar bollen. 'Heb je een probleem,' zegt hij, 'dan heb je twee mogelijkheden.' Hij toont twee vingers met gouden ringen. Altijd twee opties. Blauwe zwembadtegels of groene? Verwarmd of niet verwarmd? Met afdekzeil of zonder? Tegenstroomsysteem met drie spuigaten of vijf? Infinity langs één zijde of alle drie? Ze draait haar lokken rond haar ranke wijsvinger met rode nagel als zoekt ze houvast zodat haar hoofd niet van haar slanke hals valt. 'Je hebt een probleem én je kan er iets aan doen?' Hij verheft zijn stem. De spanning in de zaal maakt haar stil. 'Waarom zou je je dan zorgen maken?' zegt hij op een toon alsof hij het zelf uitvond. Er weerklinkt ingehouden gelach zoals pubers grinniken die stiekem de Playboy doorbladeren. Haar ogen stralen. Zij weet dat zij zich geen zorgen moet maken. Hij spreekt haar straks aan en zij geeft hem complimenten die hij afwimpelt om de afstand tussen hen te verkleinen.  'Heb je een probleem,' zegt hij, 'én kan je er niets aan doen?' Zoveel problemen bezitten een oplossing maar deze groep ziet het niet. Domheid belet actie. Zij ademt rustig, tuit haar lippen en tuurt naar zijn kruis. 'Dan moet je je geen zorgen maken,' roept hij. 'Simpel!' De zaal lacht opgelucht en de rest van de namiddag debiteert hij meer goedkope oneliners, tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien. Het licht wordt lichter. Zij zien het nu. Zijn licht. Applaus. Hij strekt zijn nek en toont de palmen van zijn handen, dat toont verbinding en vertrouwen.  'Zorgen maken is zinloos. Stop ermee!' Meer applaus. Standing ovation.   Ze duwt hem ruw zijn loge in en draait de sleutel in het slot. Zijn vrouw heeft hier een probleem mee maar kan er niets aan doen. Ze moet zich dus geen zorgen maken.

TonyCoppo
17 4

De makelaar en het pronkstuk

“Eindelijk bent u daar. Kom binnen. Dit moet snel beklonken zijn!”Het eerste wat Tony zag toen de massief eiken voordeur opendraaide, waren niet haar ellenlange benen, haar blauwe ogen geaccentueerd door mascara of haar blonde haren die krulden tot haar rijke boezem. Het eerste wat zijn adem benam, waren de kolossale ramen die vanaf een etage lager tot het plafond reikten. Zeker vijftien meter hoog en twintig meter breed. Of beter gezegd: het eerste wat zijn hart deed overslaan was het ononderbroken uitzicht dat die vensters boden op de baai van Alcudia, de witte vissersbootjes en twee megajachten cruisend wat verderop. Deze villa was gebouwd op de flank van een berg. Een flank die zijn geheimen verborg vanaf de straatzijde, maar eenmaal men de voordeur open zwaaide, al zijn pracht majestueus tentoonspreidde. Een meesterwerk van de New Yorkse architect die speciaal voor de bekende eigenaars naar Mallorca overvloog. Dat had hij gelezen in het dossier.   “Sta niet zo te gapen, meneer Coppo, u bent met exclusiviteiten toch bekend?”   Haar stem met een slavisch accent klonk als die van een presidentsvrouw: gereserveerd. Haar man was een vermaard kunstverzamelaar: een dikke pater die van klooster tot nonnenhuis hobbelde om vader en moeder overste van hun iconen af te helpen. Als een dwaas liet hij haar hier, gehuld in een gouden jurk die evenveel been toonde al droeg ze een bikini. Haar hakken tikten op de trap naar de zitruimte. Er kon geen toepasselijker woord bestaan: zitruimte: ruimte om te zitten. Veel ruimte om te verpozen. De witte leren fauteuils vormden een grote U zodat makkelijk tien volwassenen pasten met inachtname van de afstandsregels. Of vijftig in een meer intieme setting. Zou zij hier met vijftig ooit gepartyd hebben? Vijftig vrienden die samen staren naar het uitzicht, nippen van een glas Moët Chandon en knabbelen op gefrituurde kaaskroketjes en vers aangesneden Iberico Bellota?   “Ik geniet van een uitmuntend zicht, mevrouw…”   “Katja,” zei ze terwijl ze staarde naar haar voeten, “Voor heren zoals u, is het Katja.” Ze streelde het leder van de immense zetel en stak een kussen achter haar rug waardoor ze haar tepels dwong naar het plafond te wijzen. Hoewel deze grote open ruimte met glazen zijde meer leek op een koninklijke broeikas dan een woning en het buiten vijfendertig graden was, fonkelde een meterslange gashaard achter de fauteuils vlammen over hen. Toch zweette Tony niet, de airconditioning blies met een noordelijke straalstroom over zijn rug.   “Uw optrekje past perfect bij mijn clientèle. Ik heb alvast een kandidaat die op zoek is naar zo’n pronkstuk,” zei hij terwijl hij diep in haar ogen keek, “Een man die onbevangen beslist en schoonheid kan appreciëren.”   “Schat u ook spontaniteit naar waarde?” vroeg ze en krabde aan het kussen alsof ze de kwaliteit van het italiaanse leder wilde illustreren.   “Professionaliteit is waar ik garant voor sta,” zei hij op de toon van een radiospot, “Coppo & Partners heeft geen ontevreden klanten. Ik ga tot het uiterste.” Een helikopter scheerde over de villa, zakte laag over de Middellandse Zee en stevende recht op het grootste megajacht. “Verse kaviaar en wodka,” mompelde hij, “Decadente Russen!”   “Wat zei u, mijnheer Coppo?” vroeg Katja met een tronie als Edvard Munch’s Schreeuw.   “Dat u niet hoeft te twijfelen,” zei hij terwijl hij zich naast haar vleide en zacht haar hand streelde. Ze geurde opgewonden en hij werd ongeduldig als een wolf die zijn prooi rook en wacht op het beste moment om aan te vallen. “Ik ben uw man voor de job.”   Haar blik rolde van zijn zwarte haren, langs zijn neus, over zijn lippen, naar zijn Rolex. Hij wist hoe laat het was. Ze schudde even met haar hand, waardoor twee gouden kettingen rinkelden als de bel voor Pavlov’s hond. Het water liep hem in de mond.   Ze stond op, flaneerde naar de bar, trok een koelkast open, graaide een fles Dom Pérignon met haar linkerhand en twee champagneglazen met haar rechterhand.   “Komt u het uitzicht in de masterbedroom inspecteren?” vroeg ze zonder het een vraag te laten klinken. Haar tong rolde over haar vuurrode lippen en haar heupen wiegden de trap op.  Tony krabde aan zijn kruis, liet een champagneboer, stak zijn overhemd in zijn broek, merkte dat er twee knopen misten, rook aan zijn vingers en stapte in zijn Porsche Panamera. Het grind van de oprit knetterde rond zijn banden. Het contract was getekend. Driehonderdduizend commissie. En het waterbed in de masterbedroom was goedgekeurd. Een pronkstuk voor de liefhebber met kluiten.

TonyCoppo
28 2

Terminaal

“Frank is terminaal,” zei Sonja tegen Gisèle die net haar nieuwe vakantievilla in Spanje aankondigde met zwembad, vijf slaapkamers en plaats voor een butler én een Thaïs dienstmeisje. Gisèle was een slanke, lange, rimpelige, oude pannelat die straffer kon opscheppen dan Donald Trump.  “Een cappuutje en misschien een tostietje met glaasje wit bij de Pain Quotidien.” Waarom had Sonja ingestemd? Gisèles onderonsjes waren monologen waar haar grootsprekende bek nooit op pauze stond. Het ergerde Sonja zo dat ze de drie woorden eruit smeet als een hulpkreet, een ultieme poging om Gisèles woordenstroom te stoppen.    “Frank?” vroeg Gisèle en ze nipte van haar cappuccino, “Terminaal?”    Tijdens het tuinfeest vorige zomer wilde Frank rattenvergif in de groenteburger van Gisèle stoppen. Of salpeterzuur in haar glas rosé. “Moet je opletten of Gisèle nog zo een grote waffel trekt,” zei hij. Sonja glimlachte om de gedachte, dat hij het eigenlijk had moeten doen.    “Wat lach je?” vroeg Giséle, eerder als bevel dan als vraag.  Sonja trok haar lippen in een streep. “OMG! Jullie komen snel op bezoek naar Spanje. Anders ziet hij het nooit. Klimt hij nog trappen? We hebben een bejaardenkamer op het gelijkvloers, de butler vliegt zolang naar het rommelhok.”    Sonja staarde naar de enge draak die zich haar vriendin noemde. Trok ze werkelijk meteen de aandacht naar haar klotevilla? Gunde ze haar niet even haar verhaal? Wat moest ze erger verzinnen? Frank was niet terminaal, of toch niet meer dan anderen. “Uiteindelijk zijn we allemaal terminaal,” mompelde Sonja.    “Je doet een moord voor de Dorada a la plancha in de Fan Farronear en op de oprit maakt een straatschilder Van Goghs. Die moét een portret maken van Frank, kan je later op je schouw zetten als herdenking,” zei Gisèle. Ze roerde in haar koffietas en liet bij elke vervolmaakte cirkel even het porselein rinkelen. Ze leek niet verbaasd te horen dat Franks laatste dagen geteld waren.     “Neem je snel een nieuwe?” vroeg ze zonder te wachten op een antwoord, “Ik vraag me dat vaak af: Als Jacques sterft, zou ik snel een nieuwe in huis nemen? Jij zit al een tijdje in de meno hé? Een nieuwe man? Ik denk dat ik een jonkie neem, mijn mossel lust er nog van en aan het nieuwe huis in Spanje zal er een zeilboot liggen. Een stoere schipper misschien. Met een kriebelbaard, dat is genieten.”    Sonja zuchtte en stond op: “Ik moet naar de plee.”    “Schat, alweer?” zei Gisèle, “In de dagkliniek repareren ze dat in een uurtje. Ik heb dat niet nodig, maar zou er niet over twijfelen. Niet handig, aandrang krijgen, als je mosseltje net naar adem hapt en klingelt op een boot. En maak het meteen wat strakker, daar houden jonge mosselvissers van.” Gisèle wees met haar magere vingers naar de plekken die gelift konden worden.    Sonja schudde haar hoofd en bedacht zich dat ze onmogelijk zichzelf kon doorspoelen. Straks nog even afzien en Gisèles gedraaf aanhoren, haar uitnodigen voor een tuinfeest volgend weekend, een dringend telefoongesprek faken, excuseren dat ze weg moet en Frank in de Brico rattenvergif en salpeterzuur doen kopen.   -- TIP VAN DE WEEK -- Tony Coppo tipt deze week 'Terminaal' van Tony Coppo.  "De tekst nodigde mij uit om meer te lezen van de auteur. Ik vroeg me af: Is 'Terminaal’ een toevalstreffer of spetteren zijn andere teksten ook van het scherm in beeld en gelaagdheid? Ja hoor, ze zijn heel goed. De bijpassende foto's maken de tekst veel sterker. Bij 'Terminaal' gebruikt Tony Coppo een slechte foto, wat ik jammer vind.Mijn tip: Proza en fotografie gaan hand in hand. Blijf dit consequent doen en kom aub met een bundel (tekst én foto's). Ik ben alvast fan! Ik werk in de maritieme sector aan de middellandse zee en ik weet dat heel wat cliënten op leeftijd, maar kwiek en hupsig troost en hoop kunnen halen uit de teksten van Tony Coppo."

TonyCoppo
28 2

Plastic drugs

“Komt daar weer een nozem buiten,” zei Marcel tegen zijn vrouw die opgeblazen het laatste cijfer in haar soduko invulde en voor de vierde keer vandaag een papiertje demonstratief afscheurde en het opgeloste raadseltje in de lucht zwaaide al was het een winnend loterijbiljet. Hij wees door het raam naar de voordeur van het huis aan de andere kant van de straat. Twee weken geleden loste een vrachtwagen daar eindeloze rijen dozen. Na drie dagen zonder dat de nieuwe overbuur zich liet zien, begon het: een altijddurend komen en gaan van psychiatrische sans-papiers. “Verslaafde maffioso's“ noemde zijn vrouw ze. Ze vermoedde dat de kersverse overbuur handelt in hasj, wiet, XTC en crystal meth, maar Marcel wist het niet zeker: Een uur binnen blijven om dan met een smile en een grote plastic zak weg te wandelen? Een veel te grote zak voor drugs.     “Moet je zien,” zei hij, “Nog éne.” De politie nam zijn vrouw niet meer serieus nadat ze voor de tiende keer paniekerig belde en smeekte om die bende op te rollen. De smerissen beweerden dat ze spoken zag vliegen. Verontwaardigd schold Marcel ze uit voor achterlijke gladiolen, sneuneuzen en onbekwame drollenvangers. Wilden ze hèm oppakken in plaats van die drugsdealer! Hij moest beloven hen niet meer te contacteren.     “Ik moet ’t weten!” Hij kon zijn curiositeit niet meer de baas.     Hij trok zijn vuilste broek, oudste jas en stoffigste schoenen aan alsof hij een dakloze is. “Zo val je niet op bij dat gespuis,” zei zijn vrouw. “Om zes uur eten we, hè!”     Met stevige tred stak hij de straat over. Het regende en het was al duister want de novembernacht zou weldra vallen. Hij sloop rond het grote raam en probeerde binnen te gluren maar zwarte gordijnen beletten alle inkijk. Deze bende was uitstekend georganiseerd en op hun privacy gesteld! Even aarzelde hij wanneer zijn vinger naar de deurbel reikte. Hij ademde diep in en versteende wanneer de bel rinkelde als een ijskreemkar.     “Kom binnen, vriend.” Sterke handen drukten de zijne en sleurden hem binnen. De voordeur knalde dicht in het slot. Hij kon niet meer terug? Help. Wit licht van TL lampen verblindden hem en deden zijn ogen knipperen. Vijf gekleurde plastic tafeltjes met telkens vier krukjes: rode, gele, paarse en oranje. Aan één van de tafeltjes zaten vier vreemdelingen voorovergebogen rond een aardewerken vaas die razendsnel tolde en hun handen met bruine drek besmeurde. In hun bedwelming keken ze zelfs niet naar hem op.     “Doe je jas uit, kies een stoeltje, ik kom zo met mijn karretje.” De grote buurman met tatoeages en dreadlocks glimlachte vals. Marcel beefde maar trok zijn jas uit en ging zitten. Wat een linke boel was dit? De witte muren van dit lab waren besmeurd met posters van zebra’s die vechten met een hyena, walvissen die springen uit de zee en beren die zalm graaien in een rivier. Een foto van een meerkat knipoogde en zei ‘Stay calm and do the thing”. Was dit hun leuze? Marcel was niet kalm en wilde ‘the thing’ niet doen. Nooit raakte hij drugs aan! Was dit het zenuwcentrum van hun kartel? In de films hingen er minder tierlantijntjes en droegen de bazen geen smerige bundels vervilt haar. Een chill pianodeuntje speelde door luidsprekers ingewerkt in het plafond maar het leek niet op zijn plaats. Geniale afleidingsmanoeuvres. Hij mocht ze niet onderschatten!     De buurman rolde een ijzeren karretje naar Marcels tafeltje. Het ding glom en deed Marcel denken aan zijn zeventigste verjaardag. Zijn vrouw trakteerde op een veel te chique diner in de Comme Chez Soi. Daar bolden ze zo kaas naar hun tafel - drie minuscule sneetjes aan vijfenveertig euro! - furieus had hij ze naar de ober zijn hoofd gesmeten. Maar dit karretje geurde niet naar kaas. Rook hij wasco?     “Wil je kleuren, tekenen of boetseren?” vroeg de buurman. Dit was codetaal. Kleuren is LSD? Boetseren hasj? Op het karretje lagen kleurboekjes van K3, leesboekjes van Alice in Wonderland en tientallen barbiepoppen in een houten kist. Eén was onthoofd. Gebruikten ze dit om te trippen? Gaapten ze hiernaar om hun roes te versterken? Zijn vrouw had gelijk: de buurman runt een schunnig drugskot!     “Ik wil niets,” fluisterde Marcel angstig met een schorre stem, “En ik heb geen geld.” Gelukkig lag zijn portefeuille thuis. Deze criminele gang wilde hem zeker bestelen. Naast zijn tafel stond een rek met potten klei, dozen stiften, flessen white-spirit en glazen bokalen vol glitters in felle kleuren. Wat een lef! De ingrediënten zomaar uitstallen? “Zie je wel, ze kochten de politie om,” mompelde hij, “Waarom negeerden die anders mijn waarschuwingen?” Eén van de vreemdelingen keek om en staarde achterdochtig met bloeddoorlopen ogen naar Marcel, die rood kleurde en hoopte dat hij niet ontmaskerd werd.     “Meneer Marcel, relax. Ik stel voor dat u begint met een mooie tekening. Dat ontspant.”     De drugsbaas schoof over het tafeltje een groot vel papier met lijntekeningen van een olifant die parmantig water spuit met zijn slurf en zette een doos kleurpotloden en een schaar voor de neus van Marcel. Was dit een test? Wilden ze dat hij coke versneed met een papierschaar? “Psychotherapeutisch centrum De Sleutel” prijkte in gedrukte letters bovenaan het blad. “Hoe verzinnen ze het?” siste Marcel, “Een creatieve dekmantel voor hun drugshandel!”     “Hier is alvast een plastic zak,” zei een assistent in witte laboratoriumjas, “Kan je straks je kunstwerkjes mee naar je kamertje nemen en aan je vrouwtje tonen.”     “Ik ben succesvol geïnfiltreerd,” dacht Marcel terwijl hij naarstig de poten van de olifant grijs kleurde, “Ooit rol ik dit netwerk op.”

TonyCoppo
82 3

Jij streelt de wereld + recensie Tip Van De Week

Jij streelt de wereld Jij streelt De wereld zacht Haar naam Op het papier gedrukt Lachende hondjes Zonder leiband iets Tekenen op je arm   -- recensie Tip Van De Week -- Tony Coppo tipt deze week “Jij streelt de wereld” van “Tony Coppo”.  "Tussen alle fantasierijke, bombastische en uitbundige teksten op dit platform, grijpt de eenvoud van het gedicht van Tony Coppo naar de keel. Met ‘Jij streelt de wereld’ schrijft hij een bedrieglijk simpele tekst, die niettemin een hele wereld aan betekenis oproept. Een oppervlakkige lezing laat indrukken na van identiteitscrisis, de strijd tussen mens en het woord en het verval dat daarmee gepaard gaat. Maar snel wordt duidelijk dat dit een veel persoonlijker gedicht is. De leiband in de laatste regel is een verwijzing naar ballast of trauma: mentaal afval waar de ‘jij-persoon’ geen afscheid van kan of wil nemen. De arm in dit gedicht doelt dus op het onleefbare leven van een mens. Actief en passief worden hier erg goed gebruikt. Alle werkwoorden zijn actief.  Ook de eerste zin zit vol leven en daadkracht: de aangesproken persoon streelt uit angst dat er schade zou zijn aan zijn of haar ego. Dit alles staat in contrast met het passieve vervolg van het gedicht, waarin de jij-figuur ondergaat, ‘gedrukt’ is zoals een stempel of een te vaak gebruikte stylo. De naam en het papier nemen hier de hoofdrol op en verzieken ‘de hondjes’. De versregel ‘Zonder leiband iets tekenen op jouw arm.‘ doet denken aan Willem Elsschot. Tony Coppo gebruikt materiaalmetaforen en het stadsleven om iets te zeggen over de aard van de mens. Slim om in deze zin hier het lidwoord te gebruiken en het woord ‘tattoo’ slechts te evoceren en niet daadwerkelijk neer te schrijven. Het ‘iets’ dat tekent, roept associaties op met een bloedend of rottend lichaam dat daarmee de hondjes onrustig maakt. Een kleine suggestie. In de laatste versregel was ‘jouw’ arm volgens mij treffender geweest. Het expliciet toewijzen van de arm aan de hoofdpersoon, maakt het gedicht des te pijnlijker. De draad van de eerste ( ‘jij streelt) naar de laatste versregel (‘jouw arm’) wordt hierdoor strakker gespannen. Niet alleen klankmatig [αu] is er zo een sterkere link , maar ook het contrast tussen de niet-ambigue ‘jij’ en ‘jouw’ enerzijds en het gebruik van ‘je’ (dat zowel als persoonlijk en als bezittelijk voornaamwoord kan worden gebruikt) in de rest van de tekst anderzijds wordt hier spannender. Kortom, een straf gedicht, dat door zijn lengte en eenvoud doet verlangen naar meer." Disclaimers: - Gedicht: voorpublicatie uit 'Tony Coppo - Het gat gedicht' (2022 - De Bezige Bij) - Recensie vrij naar 'Tip Van De Week' (02-06-21 Uschi Cop - Azertyfactor.be) - Literaire foto van Tony Coppo gegenereerd door GeneratePhotos (AI GAN)

TonyCoppo
83 4

Blond in de skilift

“Wat ski jij goed!” zegt ze terwijl ze bij mij in de lift springt. Het is nochtans niet druk en ze kan de volgende lege cabine nemen. Ze doet dat niet! Mijn tenen jeuken en knellen in de koude plastic botten die gemaakt lijken zodat de wintersportervaring me weken bijblijft.    Blonde lokken ontsnappen uit haar groene POC helm. Ze schuift haar sneeuwbril van haar gelaat naar de bovenkant van haar hardshell stormhoed. Haar blauwe kijkers reflecteren de winterzon en stralen haar warmte terug naar mij. Hoewel het vriest, krijg ik het tropisch warm.    “Dank je voor je compliment,” zeg ik.    Ik bloos. Toch blijf ik haar aanstaren. Haar pupillen spiegelen de Alpen levendiger dan zij echt zijn. Een gebreien sjaal verstopt haar slanke hals en verraadt fijne schouders. Ik moet wat slims toevoegen. Neen. Ik moet dat niet! Morgen neemt de bus me terug naar mijn vrouw en kinderen. Ze vouwt langzaam haar rood gestifte lippen open. Parelwitte tanden tonen zich fier.   ‘Wat ben jij lekker?’ kan ik toch niet zeggen? Ik zou haar jonge vader kunnen zijn. Kleine sproetjes dansen op haar wang als bij een vermenigvuldigingsdans op een huwelijk. Een feest met hamburgers, bier en ijsjes. Geen stijf banket. ‘Jij kan ook goed skiën,’ zou gelogen zijn. Ik had haar niet zien skiën.     Ik besluit: “Ik hou van jouw stijl.”    Oef. Dat kwam er vlotter uit dan ik had verwacht. Ik ben tevreden met mezelf en kan een voldane glimlach niet onderdrukken. De spieren in mijn nek ontspannen als vieren ze een overwinning. Zij schaterlacht.    “Jij bent grappig! Ik geef jou een compliment en jij houdt van mijn stijl?” Ze draait haar stokken in het rond alsof er een bij haar belaagt. We glijden over een bergriviertje bevroren tot stuk ijs. Zou het nog stromen? Of is het vloeien tijdelijk gepauzeerd? Sporen van wild zijn zichtbaar. Een beer gromt maar laat zich niet zien. Het is geen beer maar mijn maag die roept dat ze honger heeft.    “Ik vind je lekker... “    Ik staar dwaas naar haar. Droom ik nu? Begeert zij me ook? Zij vormde toch deze woorden? Vindt dit seksueel ontwakende wezentje mij aantrekkelijk? Mijn brein ziet ons al samen dingen doen die het niet mag verzinnen.     “... lekker skiën hé!”  Ze knipoogt en schuift wat dichterbij. Weer giert haar lach jeugdig opgewekt in de kleine cabine. Ze trekt haar handschoenen uit en legt haar vingers op de mijne. Een rilling glijdt over mijn rug. Mijn maagbeer blijft stil.    “Ik ben in voor een avontuur.” Ik hoor het mezelf zeggen, maar het voelt alsof zij het uitvond.     Haar lippen zijn om op te eten. Om van te smikkelen en te peuzelen zoals een kippenpootje waarvan het laatste vlees op is maar je toch probeert meer te krijgen. Ze wiebelt met haar Rossignol botten onwennig als een debutant aan een piano. Klaar om het geoefende stuk te spelen, maar toch weifelend om de eerste toets in te drukken. Ijsbrokjes glijden van haar broek op de metalen vloer van de lift. De sneeuw heeft vannacht meters wit geschapen. Weilanden verbergen zich onder dikke lagen zacht donsdeken. Het berglandschap vond zich heruit. Ik kan dat ook.    “Jij ruikt naar alpenweelde!” Het zijn mijn woorden die uit mijn mond komen waar ik me over verbaas. Ik heb geen idee hoe alpenweelde ruikt. Ik veronderstel aanminnig en verlokkend. Vertrouwen veinzend draai ik mijn hoofd dichter naar haar. Het eindstation komt in zicht.    Stoer steekt ze haar hand in mijn skibroek en zoent me. Haar lippen brandmerken de mijne. Mijn bretellen sputteren tegen maar blijken geen bescherming. Mijn tong verstijft wanneer ze ruw een haartje van mijn bil ontvreemdt. Ik voel me als een tijger die door een brandende hoepel springt met als beloning een mals stuk vlees. Ze bijt op mijn lip, in het kuiltje van mijn kin en hard in mijn hals.     De laatste examenuitslagen van mijn oudste dochter schieten door mijn hoofd. Zij zal haar eerste bachelor moeten overdoen. Mijn vrouw had gehuild. Ik was kwaad om dat verloren jaar maar nu voel ik genegenheid en vergeving. Ik wil dit overdoen. Dit mag, neen, moet levenslang duren. De ramen van de cabine zijn bedampt en echoën gehijg en gelukskreetjes. Ik sluit mijn ogen en glijd weg in een nieuwe dimensie.    Een snerpend geluid schuift de liftdeuren open. Met dezelfde sierlijkheid hoe ze in de lift wipte, joept ze er uit. Ze neemt haar ski’s, pleurt ze in de sneeuw, springt in haar bindingen en lanceert zich met haar stokken. Zonder om te kijken, skiet ze gracieus van de flank. Ik zit gebonden in mijn stoel. Zwitsers gevloek zet de werking van de lift bruusk stop. Slungelig hangt mijn broek vast aan de sluitingen van mijn botten. Mijn stok is geplooid door het mechanisme. Twee dikke mecaniciens in skibotten bevrijden me uit mijn geknelde positie. In mijn ooghoek zoeft ze met een sprongetje naar een volgende lift. Met mijn reiskoffers in mijn hand en mijn boots om mijn schouders staar ik naar de bergen. De buschauffeur roept dat de bus vertrekt.

TonyCoppo
21 2

De dt-fout

We drinken Dom Pérignon bij de nagelnieuwe drukpers van uitgeverij De Bezige Bij terwijl een exemplaar van mijn boek ervan rolt. ‘Tony Coppo grijpt je bij de tiet’ in grote sierlijke letters op de flap. De assistente van de uitgever drukt haar boezem in mijn nek en zoent me op de mond. “Ik vind je ge-wel-dig, Tony,” fluistert ze terwijl ze zich uitrekt naar mijn oor. Heeft ze mijn boek gelezen? Mijn boek is niet vriendelijk over secretaresses in korte rokjes. Mijn werk gaat hard in tegen hoe zij zijn.       “Jij wordt ons goudhaantje!” De uitgever streelt zijn baard en knipoogt naar mijn vrouw. Zij lijkt zich er niks van aan te trekken en neemt nog een oester uit de schaal met ijs. Ik schud mijn hoofd want ik zie de oesters haar maag aanvallen, en haar zoals vorig jaar in Zeeland drie dagen over de pot hangen. Ik bestudeer de omslag en schrik: Er staat een dt-fout in de slagzin: ‘Genommineert voor De Gouden Boekenuil.’ Ik panikeer.        Ben ik de enige die dit opmerkte? Dit kan toch niet? Ostentatief slinger ik het boek in de hoek van de kamer en roep dat het shit is. Mijn vrouw verslikt zich in haar vijfde oester, mijn uitgever in zijn derde glas champagne en de assistente in haar rode lipstick. Ze kijken me verschrikt aan. Ik hef wild mijn armen.     “Wat zijn jullie een stelletje losers!” Het zijn prutsers. De uitgever zijn toupet hangt scheef op zijn hoofd. Hij zweet, stinkt als een vliegenzwam, krabt aan het schaamhaar op zijn kin en kijkt paniekerig naar zijn secretaresse die radeloos aan haar goedkope jurk frunnikt. Mijn vrouw vlucht naar het toilet.     “Jullie kunnen niets goed. Tienduizend boeken zitten in dozen en zijn allemaal verkloot!” Ik snuif. Mijn keel voelt droog en ik slurp het glas champagne in één teug binnen om het lege kristallen glas daarna op de vloer te keilen. Het springt in duizend stukjes.     “Jullie zijn sukkels. Jullie zuigen!” Uitgeverij Lannoo verliet ik om een gelijkaardig voorval. Pascale Naessens beschimpte me. “Waarom kies je voor die oudbakken club? Het gaat je geen goed doen,” voorspelde zij, “Zij kunnen niets!”.     Toch geloofde ik in de visie van de onderneming. Ze leken ambitieus en betaalden bakken om mijn controversieel werk te mogen uitgeven, verdelen en promoten. En ook de secretaresse overtuigde met bijzondere argumenten. Mijn boek gaat over verkrachting. Verkrachting van een domme man, van de foute taal, van een zieke wens en van grote ambities. De universele tegenstelling tussen man en vrouw eindelijk verklaard. Heel gelaagd en minutieus geschreven. Ik schreef er vijf jaar aan, het was mijn levenswerk, mijn opus magnum. De nobelprijs Literatuur was binnen. Die voor de vrede ook.     En nu verkrachtten zij mij. Ik neem een ander exemplaar van de stapel en lees opnieuw:    “Genomineerd voor de Gouden Boekenuil.”     Het staat er correct. Ik drink te veel. Al vijf dagen op een rij niet meer nuchter geweest. Excuses zouden aan de orde zijn, maar daar doe ik niet aan mee, ik heb mijn imago te bewaken.     “Bij deze, gaf ik jullie inspiratie voor de persvoorstelling! Geen dank.”     Mijn vrouw keert terug van het toilet. Ze kijkt pijnlijk, duwt op haar buik en hoest als een zeehond die door een kind neergeknuppeld wordt.     “‘t Fokschaap,” zeg ik tegen de secretaresse, “Dat trucje moet je onthouden.” (Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.)

TonyCoppo
45 4

Pokerhart

“Tuurlijk! Zij is mijn godin.”De mannen proesten het uit. Toch meende ik het. Ik keek misschien te serieus, maar waarom vroegen mijn beste vrienden of ik van Anke hield? “Ze heeft lekkere benen,” snoeft Piet, de zelfverklaarde vrouwenkenner, maar toch steeds single en drinkt van zijn pint. Hij lonkt vaak naar mijn Anke. Anke heeft de langste benen van de wereld. En twee voeten met vijf tenen. Als ze haar hakken draagt, danst haar poep. “En dikke tieten,” vult Jos aan. Hij steekt een nieuwe sigaret op. Zijn vrouw is een oud wijf, hoewel ze niet ouder is dan wij. Haar nagels zijn oranje van de paprikachips en haar tanden bruin van de liters Cola. Hij deelt de kaarten opnieuw. De stapels chips zijn hoog geworden, torens van duizenden per persoon.  “Een godin misschien, maar een heilige?” knipoogt Jos naar Piet. Naast Piet staat een meter lege flesjes Jupiler. Hij krabt aan zijn neus en stoot een flesje om, dat op de vloer knalt maar wonderwel niet stuk springt. Hij hangt dronken in zijn stoel, zoals altijd. Ik bekijk mijn kaarten. Twee azen. Wow. Ik zet driehonderd in. “Anke en ik zijn het perfecte koppel. Ik zweer het je. Ik wil haar nooit kwijt.” Iedereen volgt en drie open kaarten worden op de tafel gelegd. Drie lage klaveren. Piet schuift rommelig vijfhonderd naar het midden, in twee niet zo vloeiende bewegingen. “Durf je te wedden?” Jos kijkt me in de ogen als een wolf die zijn prooi heeft geroken. Drie lage kaarten liggen open op tafel en ik zit met pocket aces. De pot is duizend. Wat denkt Jos wel? Zijn blauwe spencer hangt rond zijn hals over een wit hemdje als een posterboy uit Knokke. Ik verhoog. “Raise naar tweeduizend”, roep ik zelfverzekerd. Anke is de laatste tijd wel meer afwezig en haar telefoon trilt vaak. Waarom laten die berichtjes haar zo blozen? Ik durf er niet naar te vragen. Iedereen volgt. Hartenaas is de vierde kaart. “Ik ga all-in!” Jos schuift smalend vijfduizend chips over tafel. Zijn handen beven. Drie azen heb ik nu. Three of a kind. Anke weet niet dat ik speel. En zeker niet voor zoveel geld. Zij wil graag ver op reis. Als ik dit win, vliegen we samen naar de Seychellen. “Bandiet! Ik fold,” lispelt Piet. Ik word kwaad. Jos heeft het zeker niet. Ik heb geen vijfduizend, maar ruik de eerste klasse. Nu stoppen betekent dat ik verlies. “Ik call. Alles. Ik zet Anke erbij in. Ik wil al jouw geld.” Ik snuif en mijn hand trilt. Wat heb ik net gedaan? Ik kan niet verliezen, toch? Toch? “Okee,” zegt Jos verlekkerd, “Als ik win mag ik haar neuken. En ik zet jou op een stoel naast het bed, dan kan je leren hoe een echte vent zijn paard berijdt!” Hij lacht als een duivel en streelt zijn broek. Piet kijkt me angstig aan. Hij weet niet dat ik drie azen heb. Maar Jos kan een flush hebben. Het duizelt. Mijn hoofd tolt en ik grijp naar de tafel om niet te vallen. De muziek staat stil. De rookwolk die Piet uitblaast lijkt gloeiend gas uit een vulkaan in uitbarsting. Ik moet plassen. Ik wil wegvluchten. Is er een undo-knop? Ik wil Anke niet verliezen. Dit vergeeft ze me nooit. Al ons spaargeld en die dwaze belofte. Ik bezit haar niet. Ik kan haar niet dwingen. Ze jaagt mij haar huis uit. Haar vader ontslaat me ogenblikkelijk. Haar moeder zal mijn moeder bellen. Wat haat ik die smeerlap van een Jos. Zijn hautain gedoe deed me haar inzetten. En Piet is een lafaard. Hij beschermt me nooit. Mijn koelkast leeg drinken, dat kan hij goed. Wat een klote vrienden heb ik. De dronken vingers van Piet peuteren met moeite de laatste kaart van de stapel. Na drie pogingen krijgt hij ze omgedraaid. Klaveren aas. Ik heb vier azen! Ik ben onoverwinnelijk. Jos toont fier zijn flush met de klaveren heer. “Ik ga ze achterwaarts naaien, kameraad. Je zal haar voor het eerst horen schreeuwen van genot!” Jos viert zijn overwinning door met zijn vuisten door de lucht te zwaaien. Ik laat hem drie seconden genieten, om dan mokerhard zijn pokerhart te verwoesten. “Four of a kind, baby!”  Morgen boek ik onze reis naar de Seychellen en zoek ik nieuwe vrienden.

TonyCoppo
27 2

Mevrouw Appelmans komt niet

“Mevrouw Appelmans zal vandaag niet aanwezig zijn.” De directeur zegt het nadat het geroezemoes in het lokaal uitdooft. Al vijftien minuten hingen we allemaal verveeld op onze bank te wachten op onze lerares, maar nu weerklinkt er gejuich. Bart en Floris applaudiseren luid. Kim high-fived Sabine. Ik neem meteen een Suske en Wiske uit mijn boekentas. Een dagje chillen. “Stilte! Respect graag. Mevrouw Appelmans heeft deze ochtend een ongeval gehad.” De directeur staart mij kwaad aan. Iedereen was toch aan het vieren? Eén keer deed ik iets doms en nu ben ik altijd de pineut. Vorig jaar stak ik - niet expres - de toiletten in brand. Een verdwaald peukje. Sindsdien maakte ik elke week strafstudie voor nieuwe feiten waar ik niks mee te maken heb. Ik had het protesteren opgegeven. Kim vraagt poeslief wat er onze geliefde leerkracht is overkomen. Kim verheft schijnheiligheid tot kunst. Bij de nationale verkiezing voor ‘vals wijf van het jaar’, wint ze goud, zilver én brons. “Naar wat ik vernam, vloog er een vogel in haar fietswiel.” Bart fluit tussen zijn tanden en wappert met zijn handen. Floris giert het uit. De directeur vuurt laserstralen naar mij. Ocharme die vogel. Was het een klein meesje? Of een dikke duif. Mevrouw Appelmans is zelf geen lichtgewicht te noemen. Misschien een wilde gans? Ik durf het niet te vragen, maar wens dat Kim het waagt. Hoopvol knik ik naar haar. Sabine, de schat, heeft het begrepen. “Was het een grote dikke vogel, mijnheer de directeur?” Floris proest het uit. Ik roffel op mijn dijen. De directeur krabt aan zijn neus en drukt zijn snor. “Welke vogel het was, weet ik niet, jongedame. Wat ik wel weet is dat mevrouw Appelmans’ wiel blokkeerde en dat zij meters ver werd weggeslingerd.” Niemand lacht. Ik zie het zo voor me: Mevrouw Appelmans in haar gele bloemenjurk vliegt als een bol wol over haar stuur en belandt met een smak in de gracht. Haar streng gelaat in de modder. Haar fluovest besmeurd. ”Mevrouw Appelmans gaat,” hij kijkt op zijn horloge, “Over tien minuten onder het mes.”   Kim en Sabine kijken verschrikt. Een operatie? Het is muisstil. Bart laat zijn potlood vallen. Het rolt traag naar de schoenen van de directeur.  “Een vrachtwagen kon niet meer remmen en reed over haar benen.”   Ik slik. Mevrouw Appelmans verdient dit niet. Meneer Appelmans is al kreupel. Straks zitten ze beiden in een rolstoel. Eén mindervalidenkaart is handig voor het parkeren, maar met twee kaarten ben je niets extra. Sabine snikt. Kim laat krokodillentranen stromen. Bij de nationale wedstrijd voor ‘wijf die op commando kan huilen’ wint ze goud en zilver. Sabine brons. “Komt het nog goed?” kermt Kim. De directeur staart sip naar de vloer. Zijn handen beven. De stilte voelt pijnlijk. “Een half blaadje papier, onverwachte overhoring!”   Mevrouw Appelmans rent de klas binnen in een propere bloemenjurk. De directeur laat zijn doorrookte lach bulderen. “Eén april, losers!” zegt de directeur, “Jullie zijn te gemakkelijk!”   Mevrouw Appelmans elbow-bumped de directeur. Kim en Sabine kijken als naar een spook. Floris doet zijn denkbeeldige petje af. Ik zucht en laat mijn ogen draaien. Bende malloten! “En u, meneer Coppo, woensdag strafstudie.”

TonyCoppo
50 5