Lezen

Daan, de man van honderdvijftig jaar.

  Daan was een man van 150 jaar. Daan woonde in een bejaardenhuis. Daan stond voor de andere bejaarden nu, en klikte zijn gebit klaar om te gaan spreken. Suzy, de verpleegster met rijke boezem, had in zijn oor gebruld: ‘Daan vertel jij eens een herinnering. Je mooiste herinnering Daan! De mooiste herinnering van hééél je leven! Wat was jou mooiste moment Daan?! Kom vertel maar op!’ En zo was Daan naar voren geschoven, schilfertjes en haar verloren.   Daan nam een grote hap adem en vertelde zijn lelijkste herinnering. Zijn stem was warm en aangenaam en was samen met zijn oren als enige niet verouderd.   Daan vertelde over hoe het allemaal begon met ijs en kleine geheimpjes. Hij had Margareta meegenomen naar de foor. Lang geleden. Dat mocht toen niet, maar hij had het toch gedaan. En Margareta moest lachen. Och ze was zo blij. Daan probeerde ook te lachen maar Daan had een rare mond en een vreemd gebit. Dus elke keer als hij moest grinniken, giechelen of bulderen, floot er een fluittoon in een bepaalde toonaard van tussen zijn tanden, hop de wereld in. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis. Nu, had Daan geen tanden meer want hij was een man van 150 jaar.   Daan was pas de tweede man aan de toog geweest, maar het had niet lang geduurd voor Margareta aan zijn arm hing. Daan was vroeger trouwens heel gespierd. Hij kon al zijn spieren orchestreren zoals hij wou. Margareta had dat graag. Vooral als hij zijn bicepsen opspande. Als hij zijn best deed, dan kon Daan er zelfs een bepaalde toon uit knijpen. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis. Nu, had Daan geen forsballen meer want hij was een man van 150 jaar.   Daan schoot een beer, en toonde zijn lid hoog boven in het reuzenrad. Allemaal voor Margareta. En Margareta moest lachen. Och ze was zo blij. Maar eens beneden, stonden er van die zwevers. Gladjanussen met goedbedoelde snorren. En allemaal keken ze naar Dirk. Dirk had een stevige kaaklijn en zong: ‘Daar liep laatst een meisje loos’, en hij verslond Margareta met zijn kleine kutkraaloogjes. En wat zong hij mooi. En eerlijk. En mooi. En weg was Margareta. Daan bleef helemaal alleen op de foor. En Daan, die was heel boos. En als Daan boos werd, dan floot er een fluittoon in een bepaalde toonaard van tussen zijn tanden, hop de wereld in. Ik ben niet zeker, maar volgens mij was het een Fa kruis.

Kapitein Wolventand
0 1

De Kaars

   De Kaars     Men zei dat ie blind was. Eén van de ergste dingen die een geleedpotige kan overkomen. Een poot of voelspriet kan een insect best missen maar wanneer het zicht verdwijnt moet je je als geleed dier zorgen beginnen maken. Naar het schijnt kon hij enkel nog horen, voelen en ruiken. Het was een avond in Juni. Een mei- en junikever zaten naast elkaar tegenover een kaars. Het waren de laatste dagen van de meikever. De junikever had zich over zijn versleten neef ontfermd.   ‘Waarde confrater’, begon de junikever, ‘klopt het dat u niet meer kan zien?’ ‘Ik zie niets meer neef, ik ben stekeblind’, antwoordde de oude meikever. ‘Zal ik het licht van de kaars voor u beschrijven?’, vroeg de junikever. ‘Ja, maar breng me eerst wat beukenbladeren en schilfers want ik rammel. Ik heb vandaag nog niets gegeten. Toen ik op het punt stond om op wat bladeren te kluiven moest er zo nodig een onozel kind met het boompje schudden. Ik viel pardoes op de grond. Het was een jong beukenboompje confrater, niet sterk genoeg om een spelend kind tegen te houden.’ ‘Hoe wist u dat? U bent toch stekeblind?’ ‘Ik heb het gevoeld en gehoord neef.’ ‘Juist, ik was vergeten dat u wel kan horen en voelen.’ ‘En ruiken. Ga nu maar die bladeren en schilfers halen.’ ‘Juist’. En de junikever vertrok.   Daar zat de meikever. Hij voelde de warmte van de kaars op zijn dekschilden. Hij had Juni mogen meemaken en dat kan niet elke meikever zeggen. Toen de junikever met spijs was teruggekeerd vroeg hij: ‘Neef, wat is dat geluid dat ik hoor?’ ‘Een mot die rond de kaars vliegt, confrater.’ ‘Vraag hem op te houden. Dat gefladder van hem stoort me mateloos.’ ‘Mot, zou u alstubllieft rond een andere kaars willen vliegen?’ ‘Ha!’, riep de mot, ‘geen denken aan! Ik zal zelfs nog wat harder gaan fladderen!’ De meikever lachtte hartelijk. De junikever voelde zich beledigd. ‘Zo zijn motten neef’, legde de meikever uit, ‘het zijn domme, ijdele, hyperactieve maar bovenal hilarische smeerlappen.’ ‘Ik ben een nachtvlinder!’, riep de mot, ‘Geen mot! Het is sinds heden strafbaar me “mot” te noemen. “Nacht-vlinder”!’ ‘Je maakt wat mee op je oude dag’, grinnikte de meikever en de junikever gaf hem wat te eten.   ‘Ik hoop dat een julikever zich later over mij ontfermd’, zei de junikever. ‘Daar moet je nu nog niet over nadenken’, antwoordde de meikever, ‘je hebt nog een hele maand.’ -‘Ja hij wel’, zei een stem van achter de kaars, ‘ik, daarentegen, ben binnen een paar dagen dood.’ ‘Wie is daar?’, vroeg de meikever. ‘Kom tevoorschijn!’, beval de junikever. Een langpootmug vloog stuntelig van achter de kaars naar de twee kevers. Hij landde hard. ‘Je kijkt zo triest’, zei de junikever, ‘Wat is er?’ ‘Ik had hier afgesproken met Francine’, zei de mug, ‘We kennen elkaar al van toen we nog larven waren. We hadden afgesproken dat we samen…nou ja…je weet wel…’ ‘Een bijdrage aan de soort zouden leveren?’, vroeg de meikever en hij gierde. ‘Jullie hebben haar toevallig niet gezien?’ ‘Ik niet want ik ben blind zie je, stekeblind‘, antwoordde de meikever en er kwam abrupt een einde aan zijn gelach. ‘Ik heb haar niet gezien’, zei de junikever. ‘Nou dan ga ik maar verder.’ De mug vloog weg. ‘Denk je dat hij haar op tijd zal vinden?’, vroeg de junikever. De meikever haalde zijn schouders op en de junikever gaf hem nog wat spijs.   In de verte klonk er een lawaai. ‘Wat is dat geluid?’, vroeg de meikever. ‘Ik kan het niet goed zien’, antwoordde de junikever, ‘maar ik geloof een school kniptorren. En aan hun kabaal te horen zijn ze juist het huis uit.’ ‘Komen ze richting de kaars?’ ‘Ik geloof van wel.’ ‘Dan krijgen we een schouwspel te zien, confrater. Jij toch alleszinds. Ik niet want ik ben blind.’ De kniptorren begonnen rond de kaars te cirkelen. Ze negeerden de twee kevers. ‘Krijgers, we zijn er!’, riep de leider plechtig, ‘Dit moet haar zijn! We hebben haar bereikt! Schrijf dat maar eens naar huis!’ Een lachsalvo. ‘Wat een drukte’, zei de junikever. De meikever antwoordde niet. Zonder waarschuwing sprongen de kniptorren één voor één in de kaarsvlam. De junikever keek vol ongeloof. ‘Geef me nog wat te gaffelen’, zei de meikever.   ‘Wat scheelt er met die ouwe?’, vroeg een krekel. ‘Hij is blind, stekeblind’, antwoordde de junikever. ‘Zwijg me van handicaps’, begon de krekel, ‘ik ben geboren zonder vleugels.’ De krekel pauzeerde maar de twee kevers reageerden niet. ‘Ik kan bijgevolg niet tsirpen. Een serieuze afknapper bij de vrouwen. Gedoemd om alleen te blijven. Maar ik vind het niet erg hoor. De status “Einzelganger” bevalt me wel.’ ‘Tsjirpen doe je toch met je poten?’, vroeg de meikever. ‘Neen, dat is juist de mythe’, antwoordde de krekel. ‘Wel, val nu dood! Wat ik nog leren mag!’, grinnikte de meikever. De drie lachten samen. De meikever en krekel iets uitbundiger dan de junikever. Ze staarden naar de kaarsvlam. ‘Confrater’, vroeg de ouwe, ‘heb je nog wat van die lekkere beukenbladeren?’ ‘Je at ze allemaal op’, antwoordde de junikever. ‘Ga er dan nog wat bijhalen. Als je zo vriendelijk zou willen zijn.’ De junikever vertrok.   Toen de junikever terugkwam, zat de krekel er nog steeds. ‘Hier zijn uw bladeren’, zei de junikever tegen de meikever. ‘Je zal ze zelf moeten opeten’, begon de krekel, ‘die ouwe is de pijp uit.’ Het was waar: De meikever was dood. ‘Heeft ie eigenlijk ooit licht gezien? Of was ie vanaf het begin al blind?’, vroeg de krekel. ‘Geen idee’, antwoordde de junikever. De kaarsvlam was gezakt en danste. De twee geleedpotigen zaten naast de meikever en hun kleine lijfjes wierpen grote schaduwen. ‘Ik zou uren in dit kaarslicht kunnen turen’, zei de krekel. ‘Ik wou hem het kaarslicht zonet beschrijven’, zei de junikever, ‘maar toen kwam er vanalles tussen.     Caspar Vanderschoot  

Kapitein Wolventand
15 0

Cowboys met een kabouterinstinct

Je kent ze vast ook. Snelle auto, gestroomlijnd pak, nieuwste smart Phone en vlotte babbel. Ze komen je bedrijf binnen. Soms tijdelijk, soms voor een langere periode. Ze nestelen zich nooit. En ze worden door alle personeelsleden met argusogen bekeken. In de wandelgangen wordt druk gespeculeerd: “Ja, wees maar op je hoede. Voor je het weet, zijn ze met jouw job ervan door.”. De cowboys van deze tijd. Weet je over wie ik het heb? Inderdaad, de ZZPer, de Zelfstandigen Zonder Personeel. Een groep waartoe ik ook behoor.   Het zelfstandig zijn, werd me met de paplepel ingegoten. Mijn ouders hadden een eigen zaak. Het laatste waaraan ikzelf dacht, was zelfstandig worden. Ja, we hadden het goed thuis. Maar ik zag ook de keerzijde: veel stress en onzekerheden. Na mijn studie ging ik aan de slag als bediende. Drie keer, drie jaar. Altijd op de afdeling marketing en communicatie. Van multinational naar kmo. Rode draad; er knaagde iets na ongeveer drie jaar. In chronologische volgorde: zin in een nieuwe uitdaging, een fusie en een oneerlijke baas. Kroop het bloed dan toch waar het niet gaan kon? Een steeds luidere stem schreeuwde om aandacht. Het was mijn innerlijke ‘ik’. In 2010 waagde ik de stap. Na een eerste Unizo bijeenkomst zette ik een globaal plan op papier. Ik stelde het voor aan mijn aller dierbaarsten. Mijn vader reageerde bezorgd, maar geloofde erin. Mijn man, ook zelfstandige, moest niet meer overtuigd worden. En onze dochter Nora, toen bijna drie jaar, oefende al op de bedrijfsnaam. We beklonken de plannen en ik brak met mijn laatste opdrachtgever.   We zijn nu vijf jaar verder. De stem in mijn hoofd is stil. Ik voel dat ik de juiste beslissing heb gemaakt. Als ik eerlijk ben, heb ik bijna nooit om werk verlegen gezeten. Er is een groeiende nood aan krachten die tijdelijk bijspringen. Vanaf mijn eerste jaar vond ik al vrij snel een evenwicht tussen het hebben van één grote opdrachtgever in combinatie met kleinere taken. Die laatsten werk ik van thuis uit. Voor grote opdrachtgevers werk ik altijd op kantoor, hun kantoor uiteraard. Meestal kom ik in een klein team terecht. Er zijn verschillende redenen waarom ik een lege stoel vul: zwangerschapsverlof, ziekte of een eenmalige opdracht. Nadat mijn taak helder is, ga ik aan de slag. Hierbij hou ik mij op de achtergrond. In het begin toch. Ik tast de collega’s af, luister naar hun gesprekken en meng me zelden. Ondertussen doe ik mijn werk. Ook tijdens de eerste vergaderingen hou ik me rustig en vertoon ik bijna ‘correct’ gedrag. Na een tijdje komen de vragen van teamleden. Er ontstaan gesprekken over het werk. En het ijs is gebroken. Ik voel het vertrouwen groeien, van hun naar mij en andersom. Langs hun kant voel ik vooral opluchting. Op de een of andere manier vormen personeelsleden zich een bepaald spookbeeld van dé ZZPer. En dat zorgt voor onrust in hun hoofd. Ik kan dat alleen wegnemen door simpelweg mezelf te blijven en beloftes na te komen.   Of ik goed verdien? Dat is een vraag die mij af en toe gesteld wordt. Ik denk dat alle zelfstandigen hetzelfde probleem delen: financiën. Als zelfstandige draag je zelf zorg voor nu én later. Daarbij volgen de kosten van ons sociaal systeem. Ja, ik worstel af en toe met rekeningen. Verzekeringen, pensioensparen, belastingen en sociale bijdragen. Het zijn maar een paar van mijn kopzorgen. Aangezien boekhouden niet mijn talent is, draag ik dit over aan mijn boekhouder. Maar ook zij stuurt elk kwartaal een rekening. Een andere uitdaging, dat mogelijk als nadeel wordt ervaren, is ‘flexibiliteit’. Je bent zelfstandig, dus opdrachtgevers verwachten ook dat je elke deadline haalt. Keer op keer. En dat voelt soms als koorddansen. Het komt voor dat ik, kort op elkaar, meerdere deadlines heb. Dan is het alles op alles zetten. ’s Nachts doorwerken en vroeg opstaan. Als het nodig is een paar dagen na elkaar. Maar gelukkig staat de boog niet altijd zo gespannen.   Als zelfstandige moet je jezelf blijven profileren. De wereld draait niet om jou. Maar de wereld heeft jou wel nodig. Dat is een dunne lijn. Misschien dat sommige zelfstandigen, uit een soort onzekerheid, zichzelf daarom een dun laagje vernis aanmeten. Zoals de cowboys. Maar de meesten lijken op mij. Ze staan dichtbij zichzelf en geven elke dag het beste. Mijn vader volgde de eerste jaren van mijn zelfstandig zijn intens op. Hij zei dat ik eigenlijk een soort kabouter was. En hij had zelfs een kaboutertheorie. De financiële crisis maakt dat bedrijven continue bezig zijn met de balans tussen vaste structuur en bijkomende kosten. De bijkomende kosten, dat zijn kabouters. Ze werken hard en vlijtig. Soms alleen, soms samen en altijd tijdelijk. Kabouters maken op hun beurt ook elke dag de balans op. De balans tussen werk en privé is essentieel voor mij. Ik werk vaak harder dan toen ik bediende was. Toch verdien ik netto niet meer. Mijn rijkdom zit in tijd. Af en toe bewust aanwezig kunnen zijn voor onze dochter. Haar van school halen bijvoorbeeld. Hand in hand naar huis lopen terwijl de verhalen van de dag uit haar mond stromen. Die momenten raken me. Dat zijn de momenten waarop ik besef dat ik al bij al een gelukkige kabouter ben. Ik vind het jammer dat sommige mensen een beperkt beeld hebben van ZZPers. Voor zij die enkel de cowboys zien, weet dat er in elke cowboy een kabouter schuilt.    

Alexandra
0 0

Reisgenoot in eigen stad

Verbazing vermengd met gêne zijn op Brams gezicht te lezen. “Dit pleintje heb ik nog nooit gezien,” roept hij uit. “En ik woon al heel mijn leven in Brussel!” Hij laat de letter r in Brussel gretig rollen, op z'n Frans, zoals zoveel rasechte Brusselaars dat doen.   “Toch ben ik daar al enkele keren naar een receptie geweest,” zegt hij verbouwereerd terwijl hij wijst naar het terras van het Hilton Hotel dat uitkijkt over het Spanje-plein.   Don Quijote en zijn sidekick Sancho Panza staan trots op hun sokkel en lijken enig misprijzen te hebben voor Brams onwetendheid. Het duurt even voor hij de hoofdrolspelers uit de wereldberoemde roman van Miguel de Cervantes herkent.   Hij haalt verontschuldigend de schouders op. “Ik kan je helaas niet vertellen hoe deze boekenpersonages in mijn stad verzeild zijn geraakt.” Hij glimlacht een beetje onzeker, maar hij blijft strijdvaardig. “Ik zoek het straks wel even voor je op!”   De sculpturen blijken een cadeau te zijn geweest van de Spaanse overheid in 1989, toen hun EU-voorzitterschap afliep.   Aan zijn schuchtere blik merk ik dat Bram ontgoocheld is in zichzelf, maar ik bespeur ook een glimp van opwinding die hoort bij een nieuwe ontdekking.   “Zo zie je maar,” zegt hij, alsof hij mijn gedachten kan lezen, “dat je in Brussel elke dag iets nieuws kan bijleren.” Er weerklinkt zelfs enige fierheid in zijn stem.   We maken rechtsomkeer om verder door Brussel te trekken en stuiten op het standbeeld van de Hongaarse componist Béla Bartók. “Euh...,” Bram kijkt beteuterd in mijn richting en wrijft zenuwachtig door z'n haar. “Ook hem had ik nog nooit gezien en veel weet ik er echt niet over te vertellen.”   “Dat geeft niet,” lach ik hem toe, “Brussel zit duidelijk vol verrassingen, ook voor rasechte Brusselaars!”   Opdracht Creatief Schrijven-cursus 'Reisverhalen schrijven'  

Larissa Wickx
0 0

BLOEDBROEDERS

“Je zal het godverdomme altijd zien”, mompelde Eric Van Gool, die net zijn toch al zo hectische leven een 10-minuten durende break had toegestaan op het toilet, toen er werd aangebeld. Eric keek naar zijn rechterzijde, waar de papierhouder hing, om pas op dat moment vast te stellen dat het kartonnen rolletje zijn dagen in eenzaamheid sleet. De verwensingen aan gans het gezin – hijzelf uitgezonderd – bleven niet uit. Gelukkig was er zijn vaste begeleider op het toilet in de vorm van het weekblad Humo, waaruit hij meteen enkele pagina’s scheurde. Helaas, besefte hij, zoals altijd ‘net iets te laat’, dat glanzend papier een enigszins ander gevolg heeft bij het vegen der kont dan hun gebruikelijke merk. En terwijl zijn hand (met papier) halverwege zijn rug eindigde, weerklonk de bel van de voordeur opnieuw. Snel trok hij zijn slip en broek omhoog en trok door, om tot zijn verbazing te moeten vaststellen dat het weekblad zich niet zomaar liet verwijderen in het kolkende water. Snel trok hij nog één keer opnieuw door en haastte zich meteen naar de geduldige persoon aan de deur. Roger Sanderse, zijn Nederlandse buurman stapte onmiddellijk de hall binnen, zijn pruik een beetje scheefgezakt door het heersende winderige weer sinds enkele dagen. Het viel Eric meteen op, maar hij besloot er niets van te zeggen. Was hijzelf trouwens ook niet enigszins winderig wegens ‘onafgehandelde zaken’ ? “Hey buurman”, begon Sanderse, “flink windje buiten, niet ?”. Gezien zijn voor de hand liggende reactie iets té intiem leek om met Roger te delen (“binnen ook”), kon hij de stelling enkel beamen. Roger stapte ongevraagd verder de hall in om intussen te melden dat het er naar ‘poep’ rook. Toen Eric hem voorging naar de woonkamer, werd hij gevolgd door de bulderlach, eigen aan Sanderse, waar hij zo’n hekel aan had. “Nou nou Eric, ik hoop maar dat het niets te maken heeft met die streep op je rug, want daarvan lijkt de afkomst me wel erg duidelijk ! Maar goed, alle gekheid op een likstokje, heb jij toevallig een lekker flesje melk in huis ?”. Eric vroeg zich af wat de woorden ‘toevallig’ en ‘lekker’ in deze vraag te betekenen hadden, maar begaf zich naar de keuken, inmiddels een achteloos weggeworpen T-shirt van Johnny van de trapleuning nemend om het aan te trekken. Hij troostte zichzelf met de gedachte dat het er evengoed één had kunnen zijn van Kenzo. Opnieuw in de woonkamer gekomen met ‘het lekker flesje melk’, veranderde de gelaatsuitdrukking van buurman Sanderse als bij donderslag. Eric voelde meteen (toen nog figuurlijke) nattigheid en keerde terug de hall in om zich te begeven naar de manshoge spiegel. Zijn ogen puilden zowat uit hun kassen toen hij het zopas aangetrokken T-shirt zag : onder de tekst “Hey guys, I had sex with this beauty”, wat niet eens zo erg was, ware het niet dat de daaronder weergegeven (naakte) foto er één was van Emma Sanderse, de 16-jarige dochter des huizes ! “Euh…luister Roger, dit shirt is niet van mij natuurlijk. Hij is van mijn zoon, Johnny hoor”, stamelde Eric, alsof dàt het teken moest zijn voor Roger om een vreugdedansje in te zetten ! Trouwens, daar zou niet eens tijd voor zijn geweest, want precies op dat moment weerklonk het geluid van een sleutel in het slot en een zich openende deur. Johnny kwam binnen, keek zijn vader even lachend aan en vroeg : “Hey pa, jij ook ?”. Inmiddels kwam vader Sanderse vloekend de woonkamer uit. “Wel godverdorie, ik moet er meteen van gaan poepen !”, schreeuwde de niet langer erg vrolijk kijkende Nederlander uit op weg naar het toilet. Johnny schrok wel even van deze plotse situatiewijziging, maar voegde er al meteen een welgemeend “Awel, ik krijg ook wel zin” aan toe.  De zo gekende bulderlach bleef deze keer uit ! Terug in de keuken bekeek Eric zijn oudste zoon. “Godverdomme, John,” (een teken dat het hem menens was) “hoe kom jij in hemelsnaam aan dat T-shirt ?”. “Die kan je gewoon laten maken, pa. De tekst is vooraf gedrukt en al wat je moet doen is een foto bezorgen van de gelukkige…et voilà.”  “Et voilà…et voilà”, riep Eric nu helemaal over zijn toeren uit, “en hoe kom jij aan die foto van euh… allez, het buurmeisje ?” Johnny keek zijn vader ietwat schaapachtig aan. “Allez pa, zeg…wat denk je nu zelf ?”. “Maar ik dacht dat jij op oudere vrouwen viel ! Emma is verdomme pas 16 !”. De verdediging liet niet lang op zich wachten ! “Jij moet toch zelf ook reeds hebben gezien dat ze er veel ouder uitziet dan dat ??” Inmiddels was blijkbaar Roger’s toiletbezoek teneinde, te horen aan zijn fel gebrulde : “Hey buurman, het papier is op !!”. Verdomme, helemaal vergeten natuurlijk. “Euh Roger, gebruik maar enkele pagina’s van het magazine dat daar ligt !” Er werd wat gemompeld, maar bleef verder stil, tot plots een enorme schreeuw weerklonk. Eric haastte zich naar het toilet. “Roger, wat is er aan de hand ?” “Aan de hand ? Niks verdomme, aan mijn kont !”, want vanzelfsprekend hielden maar weinig mensen rekening met het gevaar op nietjes bij een toiletbezoek. Inmiddels werd er doorgetrokken, maar zelfs dat verliep niet in de gebruikelijke stilte ! De reden hiervoor was niet ver te zoeken, daar buurman Sanderse met luide stem verkondigde dat dat papier niet verdween op de gebruikelijke manier. Alsof Eric daar nog op gewezen moest worden : hij stond inmiddels met zijn beide blote voeten in het gekleurde water, begeleid door enkele ferme (en vers) gedraaide drollen, onder de iets te hoog opgehangen deur, hem tegemoet zwemmen. Roger verliet het toilet en raakte Eric, die toch al niet zo stevig in zijn schoenen…nou ja, op zijn blote voeten stond, in de zij met de geopende deur, waardoor hij uitschoof en zo volledig in de aanwezige smurrie viel. Hij probeerde zich terug recht te zetten, daarmee met zijn linkerhand in een ongetwijfeld Nederlandse drol pakkend (hij was nog warm !). Nu was Eric’s maag al niet van de sterkste, maar dit overschreed de limiet van het voedsel verterende orgaan, waardoor de reeds erbarmelijke staat van de hall verder werd bevuild met een flinke hoop onverwachte kots. En terwijl de eerste  hondenpootjes duidelijk op de trap waarneembaar waren, kon Eric zich onmogelijk voorstellen dat er iemand op de wereld bestond, die er nog erger aan toe was dan hijzelf. Kon dit nog erger ? Ja, hoor…dat kon ! Inmiddels stond Brenda, Eric’s echtgenote, al zowat 15 minuten te wachten voor het huis van Nick, de vriend van hun andere 16-jarige zoon, Kenzo. Had hij niet beloofd haar buiten te treffen rond 16.00 u. ? Vloekend stapte Brenda uit haar auto, stak de straat over en belde aan. Het bleef echter doodstil in het huis. Brenda naam haar GSM en tikte het nummer van Kenzo in, dat helaas meteen op voicemail sprong. Brenda liep langs het huis heen en was opgelucht te kunnen vaststellen dat de verandadeur, die uitkwam in de keuken, wel geopend was. Ze liep voorzichtig binnen en riep, voor zover haar hese stem het toeliet (het gevolg van een spelletje ’50 shades’, helaas onderbroken door hun Cockerspaniël Rakker én beide zonen) : “Hello ! Is hier iemand?”. Terwijl haar vraag onbeantwoord bleef, nam ze toch een geluid waar op de eerste verdieping van het huis. Het luchtte haar duidelijk op. “Ach, waarschijnlijk videospelletjes aan het spelen en de tijd natuurlijk vergeten”, vergoelijkte ze haar jongste spruit. Terwijl ze de  trap beklom, klonk het geluid nu duidelijker. Het was een nummer dat ze de laatste weken verschillende keren had mogen (moeten !) aanhoren : “Writing’s on the wall” van ene Sam Smith. Het verbaasde haar niet echt : beide jongens waren fervente fans van Bond…James Bond. Eens bovengekomen op de eerste verdieping, liep ze meteen af op de deur die ongetwijfeld toegang gaf tot de bron van de muziek. Ze klopte netjes aan, maar bij alweer een gebrek aan enige reactie, ging ze de kamer binnen. De gekwelde schreeuw van Eric Van Gool klonk ei zo na op hetzelfde moment als de door merg en been gaande gil van zijn echtgenote. Het hoeft geen betoog dat de aanleidingen veel verder uit elkaar lagen ! Bij Eric was het meteen duidelijk wat de aanleiding was tot zijn schreeuw : Rakker had eindelijk de plaats des onheils bereikt en liet zich onmiddellijk vallen om ruggelings door de smurrie te wroeten. Eric probeerde hem weg te duwen, wat hem een beet opleverde tussen duim en wijsvinger van zijn toch al zo gemartelde linkerhand. Buurman Sanderse, niet van een kleintje vervaard, probeerde Rakker vast te pakken, waardoor zijn pruik nog schever op zijn hoofd terecht kwam. Dat was vanzelfsprekend het teken voor Rakker om het kleinood in zijn bek te nemen, het even te laten vallen in de inmiddels kletsnatte hall, om er dan opnieuw mee te verdwijnen naar hoger gelegen verdiepingen. Sanderse riep luidkeels : “Mijn haar ! Mijn haar !”, wat Eric een overdreven reactie vond, gezien de werkelijke afkomst ervan. En geen écht haar op zijn hoofd dat eraan dacht om het opnieuw af te pakken van de hond ! Roger Sanderse had inmiddels wel het water afgesloten, maar toch bleef zowat de ganse katern van  televisieprogramma’s voor volgende week, uit de pot stromen. Mompelend over het verlies van zijn hoofdbedekking, begon Roger Eric te helpen met de opruimingswerken. En ook Eric liet zich uit in verdekte termen.  Waar bleven Brenda en Kenzo ?  En waar was Johnny (onwetend over het vroegtijdig vertrek van zijn zoon na het aanschouwen van het rampgebied) ? Inmiddels kwam Rakker, nog voorzien van een klein plukje haar aan zijn bek, opnieuw de staat van de hall opmeten, daarbij vanzelfsprekend enkele keren door het moeras lopend. “Godverdomme, smerig kutbeest ! Ik maak je kapot ! Ik zaag je in kleine stukjes en voeder je aan de meeuwen !”, schreeuwde Eric, nu nog meer opgewonden van woede. Helaas stonden zowel alle ramen bij het gezin Van Gool (voor de stank) als die bij de andere buren, de familie Leysen (voor wat frisse lucht) helemaal open, zodat Eric’s woorden duidelijk de verschrikte buren bereikten, wat deze niet meteen gerust stelden over de mentale gezondheid van buurman Van Gool. Mevrouw Leysen hoopte maar dat hun jongste zoon niet alweer het slachtoffer was van deze tirade, na het winnen van een of ander spel. Want na de reactie op een spelletje badminton, enkele dagen geleden, had de man zich als een notoir slechte verliezer getoond ! Bij Brenda lag het enigszins anders. Want, wat haar betrof, was haar zoontje het slachtoffer van een verschrikkelijke misdaad, inclusief moord en verminking ! Haar gil weerklonk tot 3 huizen verder. De daders hadden zeker dezelfde ingang gebruikt als zijzelf ! Verder gillend en, inmiddels ook huilend, greep ze naar haar GSM om de politie, brandweer, ziekenhuis en alle andere mogelijke diensten hiervan op de hoogte te brengen. Tot ze plots zag dat er nog enige beweging in Kenzo’s hoofd leek te zitten ! Dat maakte echter in Brenda’s verstoorde brein de zaken er niet beter op : zolang Kenzo’s benen zich naast zijn eigen hoofd bevonden, was er van enig spoedig herstel zeker geen sprake ! En wat hadden die smeerlappen verdomme in zijn mond gestoken ? Veel meer kon ze niet zien, daar de rest van het bed was verborgen onder een donsdeken. Maar die grote bult in het midden deed niet meteen het beste verhopen ! Was dat het lijkje van zijn vriend Nick ? Ze ging voorzichtig de kamer in en zag tot haar ontzetting dat er tevens langs de andere kant van het bed 2 wijd open benen lagen… Brenda slaakte nog net één gil, voordat bij haar het licht helemaal uitging… Het was stil…Bijna muisstil zelfs tijdens het avondeten bij de familie Van Gool. Iedereen was boos en weigerde tegen elke andere aanwezige één woord te uiten. Niemand begreep waarom alle anderen geen enkel begrip konden opbrengen voor hun eigen situatie. Toen Brenda, nog flauw op de benen, maar woedend op Kenzo thuis was gekomen, blonk de hall weer als een spiegel. Zij was ervan overtuigd dat Eric met zijn verhaal alweer flink had overdreven ! Zelfs het aantal beten (Rakker was echt toe geweest aan een bad !) in zijn armen, kon haar niet overtuigen. En haar ‘kleine jongen’ naakt aantreffen onder het omgekeerde lichaam van Nick, had haar humeur zeker geen goed gedaan ! Eric begreep langs zijn kant dan weer niet waarom zijn vrouw zo boos was : hij had meteen met haar willen wisselen wat het doorbrengen van hun middag betrof. Kenzo was erg ontevreden over het onderbreken van zijn vreugdevolle praktijken, die zonder enig ‘happy end’ vroegtijdig waren stop gezet. Zeker nu hem een week huisarrest boven het hoofd hing ! Dezelfde straf was ook Johnny toegewezen door Eric, vanwege zijn voortijdig vertrek ten huize Van Gool ! Gelukkig werd de stilte onderbroken door de deurbel. Eric stond op en liep naar de deur (hij had inmiddels wel andere kleren aangetrokken en het T-shirt met de afbeelding van Emma laten ‘verdwijnen’). Tot zijn grote verbazing stond de volledig haarloze buurman Sanderse op de stoep. “Hey buurman”, begon hij, “heeft u toevallig dat lekker flesje melk nog in huis ?”.

Paul Smeyers
0 0

zorgwonen voor ouderen in Stockheim

Mogelijk woont u in een woning die te groot of onvoldoende aangepast is aan uw leeftijd? Het project Stockheim biedt een oplossing.   Het project Stockheim is bestemd voor ouderen die voldoende zelfredzaam zijn om, mogelijk met ondersteuning van mantelzorg of thuiszorg, zelfstandig te kunnen wonen.   Dit nieuwe woonproject is een gezamenlijke realisatie van OCMW Dilsen-Stokkem en sociale woonmaatschappij Ons Dak. Het bestaat uit 31 flats met een dienstencentrum.   De flats   De flat is ongeveer 65m⊃2; groot en is geschikt voor 1 of 2 personen. Er is een inkomhal, een leefruimte met ingerichte keukenhoek (incl. dampkap en fornuis), een ruime slaapkamer, een aangepaste badkamer met toilet en een bergruimte. De woningen zijn voorzien van een terras of balkon.   De verbrede toegangsdeur en binnendeuren geven rolstoelgebruikers vlot toegang tot de woning. De inloopdouche en aangepaste lavabo in de badkamer verhogen het comfort voor rolstoelgebruikers.   Een noodoproepsysteem draagt bij tot uw veiligheid. Via vier meldingsknoppen in de woning kan u dag en nacht een medewerker oproepen.   Elke bewoner beschikt over een oplaadpunt aan de woning om een elektrische fiets of scooter op te laden.   Gemeenschappelijke voorzieningen en dienstverlening   Alle bewoners kunnen gebruik maken van de gemeenschappelijke fietsenberging, de wasserette en de afvalberging. Er zijn enkele parkeerplaatsen aan de woningen en een grote parking.   Elke bewoner geniet van een minimale zorg– en dienstverlening door het OCMW: De garantie van een crisis– en overbruggingszorg, een noodoproepsysteem, de aanwezigheid van de woonassistent, de organisatie van een bewonersraad, de beschikbaarheid van warme maaltijden (tegen betaling) en de afvalverwerking van glas, GFT en restafval.   In het wooncomplex is een dienstencentrum geïntegreerd. Bewoners kunnen er, tegen betaling, terecht voor een middagmaal. Het dienstencentrum bevat een bibliotheek– en internethoek. In de hobbylokalen vinden informatieve en recreatieve activiteiten plaats.   De woningen liggen in een groene en veilige omgeving die uitnodigt tot een aangename wandeling of een partijtje petanque. Bewoners kunnen een volkstuintje huren om eigen groenten te telen.   Enkele bijzondere richtlijnen   Een volledig overzicht van de richtlijnen vindt u terug in het reglement van inwendige orde (RIO) voor Stockheim.   De huurprijs bestaat uit de huur van de woning, de vaste kosten, het voorschot van de gemeenschappelijke kosten van Ons Dak en het voorschot van de vaste kosten voor de minimale zorg– en dienstverlening van de het OCMW (Art. 6 RIO Stockheim).   Huisdieren zijn niet toegelaten (Art. 12 RIO Stockheim).   Het is niet toegestaan om in de woning te roken. (Art. 8 RIO Stockheim).   Bewoners en bezoekers kunnen parkeren op de openbare parking nabij de woningen (Art. 11 RIO Stockheim).   Informatie   Ons Dak                                                                                                                                                     Maastrichtersteenweg 31                                                                                       3680 Maaseik                                                                                                               089/51 84 02                                                                                                            info@onsdak.be                                                                                                        www.onsdak.be            

Noke Venken
0 0

Koningsblauw

Ik kijk hem strak aan. Ik omhels hem. Mijn ogen spijkeren zijn blik vast. Zodat hij gefixeerd is op mijn gezicht dat een reflectie biedt van zijn macht. Niet achter mij, waar de vogels zingen. Waar de anderen zijn.   Mijn kamer is koningsblauw. Slechts enkele meters lang en breed. Ontdaan van enig franje buiten de oranje gordijntjes van batist. Mijn lichaam vult de ruimte. Versiert de muren en zijn kieren. Mijn dijen zijn meubels.   Hij raakt me aan als de regen. Met zachte tikjes op mijn huid. Prikkeltjes die mijn voeten doen vergroeien met het warme hout. Zijn aanwezigheid neemt alle zuurstof weg. Zoals altijd in zijn blauw fluwelen pak. Alsof hij en de kamer een Siamese tweeling zijn. Mijn lichaam zuigt zich naar hem toe. De planken kraken onder mijn voeten als ik me op mijn tippen richt. Zijn geur zet de haren in mijn neus recht. Ik koester deze momenten net zo hevig als ik ernaar verlang. Het wachten op hem is eindeloos. Elke nieuwe dag duurt langer.   In eenzame dagen streel ik met mijn vingertoppen langs het koningsblauwe behang. Voel het verstrijken van de tijd door het papier. De putjes en bultjes van mijn bestaan. Er zijn geluiden in alle hoeken. Het oude huis kreunt in zijn voegen. Stofdeeltjes dansen viriel in de lucht. De symbiose van mijn bestaan is blauw. Soms glip ik door het raam, waar een briesje aangeeft dat ik buiten ben. Ik slik het in. Mijn handen aaien langs het hoge gras. Ik zie de anderen. Schimmen net zoals ik. We vloeien langs elkaar heen en kennen geen woorden. Mijn korte wandeling eindigt steeds bij de sloot. Blauw dat ik niet vertrouw. Slierten gifgroen trekken een tralies door het water.   Ik vlucht niet. Nu niet, nooit.   Hij glipt niet door het raam. Er is in de linkerhoek een deur in de kamer waaruit hij opduikt, het is wit met een sierlijk gouden handvat. Het heeft dezelfde zwierige krul als mijn roze strik. Het enige object dat ik bezit. Het ruikt naar mij en hem en bevat een knoop. Zijn verschijnen is steeds onaangekondigd. Hij opent en sluit de deur snel. Alsof achter de deur een gevaar schuilt. Ik zie alleen een vage schemering. Nu en dan komt hij ’s nachts, als ik uitgestrekt in het midden van de kamer lig op het donkerbruin generfde hout. Met mijn ogen toe en een wereld vol dromen. Hij verwijdert als een streling op de huid mijn strik en eigent de kamer naar zich toe. Als ik wakker word is het vergeelde en gescheurde plafond mijn gebroken eierschaal. Eenzaam in de wereld. Tot de deur op een moment weer opengaat.

Tim Berghman
0 0

Hij dacht dat hij dood was

Hij voelde een lichaam dat het zijne niet was. Vreemde materie die hij wilde afstoten. De houding waarin het lag baarde hem zorgen. Het gloeide ook. Het was gewoeld in lakens van beige. Een straaltje kwijl bengelde uit de mondhoek. Door zijn wimpers zag hij een lichtomgeven kamer met een groen bloemetjesbehang. Hij strekte langzaam zijn stramme vingers. Hoorde ze kraken. Voelde langzaam met de tippen van die vingers aan zijn andere hand die er slap bijlag. Voelde de rauwe structuur van de huid. De geharde nerven in de handpalm. Liet zijn tippen naar de pols glijden. Hij voelde een stevig kloppende hartslag. Hij dacht dat hij dood was geweest. Zo maar eventjes. Zo voelde het toch. Was er leven gisteren? Hij draaide zich langzaam om in de klamme lakens, zodat hij op zijn rug lag. Draaide zijn hoofd in één beweging mee. Een scherpe snelle pijn langs zijn slapen overviel hem. Hij sloot krampachtig de ogen en kreunde. Hij leefde, duidelijk. Dat was één. Maar hoe? Hij opende zachtjes opnieuw zijn ogen en zag een witte plafond met een oranje luster die die hem bekend leek. Iets zij hem dat hij die altijd al lelijk had gevonden. Zijn hoofd bonkte verder en drukte alsof er een baksteen op zijn wenkbrauwen lag. Breed denken ging niet. Hij kon het hier en nu niet thuisbrengen. Zijn lichaam snakte naar een vegetatieve toestand. Een slangetje dat hem kracht gaf. Een rolstoel voor dit lichaam dat niet meer bewegen wou. Een nat koud doekje voor dit hoofd dat wou openbarsten als een te hard gekookt ei. Water. Hij smakte met zijn lippen. Door de vale smaak in zijn mond kwam hem een beeld voor zijn ogen. Hoe hij met zijn neefje om het langst over de keukenvloer likte. Hij won. Het was goed dat hij zich zo’n dingen herinnerde. Ook al waren ze dertig jaar geleden gebeurd. Dan zou hij toch ook moeten weten wat hij gisteren had gedaan. Hoe hij had geleefd. Had hij wel had geleefd?   Uit het niets klotste een plas water over hem. Hij klakte met zijn kaken als een vis op het droge. Snakte naar adem. Een schel tumult bereikte zijn oren. Hij kon het niet plaatsen. Snapte niet wat de aangeregen woorden inhielden. Hij keek opzij, nam de pijnscheut in zijn hoofd voor lief, en nam de contouren waar van een vrouw. Een hysterische vrouw. Bliksem en donder zonder één seconde van tussenpauze. Als bij heldere hemel kwam het tot hem. Zijn vrouw stond aan het bed. Ze maakte groteske dramatische bewegingen met haar armen. Het continue geraas dat uit haar mond kwam kon hij niet volgen. Een correlatie tussen zijn toestand en de toestand van zijn vrouw was overduidelijk. Maar hij zag de brug niet.   Langzaamaan friemelt een duizendpoot gedachten door zijn hoofd. De bazin van café Sportvrienden die hem zoals altijd begroette met een klapzoen. De schuimende bierglazen die als een stoet mieren voorbij kwamen. Waarbij elkeen de laatste was. Het gebral met de stamgasten. De tocht naar huis langs de vele gevels van het dorp. De voordeur die met een ruk openging en hem met licht overspoelde terwijl hij op handen en knieën de sleutel onder de stenen egel zocht. Zijn vrouw die hem met enkele gerichte petsen op zijn hoofd begeleidde naar hier. Het bed, in de logeerkamer. En de belofte die hij twee dagen geleden had uitgesproken op haar verjaardag. Om eindelijk het drinken voorgoed vaarwel te zeggen.

Tim Berghman
12 0

Appartje

De klok slaat tien uur. Mijn hamer slaat een spijker. Het peertje van 40 watt geeft een warme gele gloed aan de kale kamer. Een oase van rust. De andere kamers staan reeds vol met gehamsterde meubels, verfspullen en andere werkmaterialen. In de gang hoopt het afval zich op. Als je het appartje binnenkomt, lijkt het wel een mini-containerpark. Maar de tijd dringt. Over een week ben ik jarig. Dan heb ik de gezegende leeftijd van zesentwintig jaar. Volgens mijn moeder opgestelde huisregels een reden tot een onmiddellijk uitzettingsbevel. Dus werk ik noest door van zonsopgang tot maanondergang.   Met de hamer in de hand en een glimlach bekijk ik de nieuwe plinten in de kamer, die zorgvuldig zijn gestut met allerlei houten latten. De vloer is een raderwerk van plankjes. Toch zie ik nog een plint in de hoek lichtjes buigen. Met een paar spijkers sla ik de boel recht zodat ze alle stevig tegen de muur worden gedrukt als bakstenen op zand. Klaar. Nu nog een laatste laagje verf in de keuken aanbrengen. Terwijl ik er naar toe slenter wordt er luid gebonsd op de voordeur. Ik schrik, sta stil en luister. Terwijl Eels uit het krakkemikkige oranje radiootje zijn smeekbede aanheft om eenzelfde blik te krijgen van dat meisje, hoor ik voor de tweede maal geklop. Vreemd. Normaal bellen mensen beneden aan de inkom en kloppen ze niet meteen driehoog op de deur. Ik zal maar gaan kijken, en stap de gang in met de hamer in mijn hand. Het oog van de deur ligt nog achteloos ingepakt op de grond. Dus trek ik blindelings met een ruk de deur open. Pudding.   Het flitst door mijn hoofd. Voor mij staat Johan. Man van twee meter. Beveiligingsagent bij Securitas, vertelde hij vorige week trots. Gehaaide taaie vent. Ruw en bonkig. Tot ik zijn ouders ook in diezelfde week ontmoette. En meer kwam te weten over Johannetje. Watje. Wedden dat zijn moeder nog lacteert. Nu staat hij hier. In enkel een nietige boxershort en honderdtwintig kilo onverpakt vlees. Een tapijt van korte gekrulde haren over borst en schouders. Waarschijnlijk ook over de rug doorlopend naar de bilspleet. Dat zie ik straks waarschijnlijk wel. Walgelijk. Een gouden kettinkje hangt ostentatief tussen zijn borsten. Het prijskaartje van een stuk ham. Het meest markante zijn de vetlagen die elkaar schragen en de indruk geven dat hij er in kleren gegoten gespierd uitziet. De gigantische vleesmassa bezaaid met rode schemerzones en struiken haar negeert mijn verbouwereerde blik en dramt door over het aanhoudende geklop, dat het al na tien uur is, het recht op rust, respect voor de buren en vooral dat hij morgenvroeg op moet om zijn met status doordrongen beveiligingsjob uit te oefenen. Om vier uur, snoeft hij er nog eens bij. Lul. Ik knik bevestigend en mompel een paar excuses. Ik wens hem ten slotte nog een goede nachtrust toe en sluit de deur zachtjes. Als ik me omdraai zie ik het oog op de grond liggen. Het eerste werkje voor morgenvroeg, denk ik. Het oog wil ook wat.

Tim Berghman
0 0

Oceaanbries

De frisse oceaanbries waart rond mijn hoofd. Het nevelige zwart omhult me als een schoorsteen. Ik heb geen flauw idee hoe laat het is. Vermoeid staar ik voor me uit. Gezien de verveling me prikkelt als een distel, zal het aanbreken van de dag niet lang meer duren.   En ja hoor. In de verte hoor ik gestommel. Onregelmatige voetstappen die dichterbij komen. Al snel spoelt het licht over mijn wereld. Het is Jan. Dat weet ik onmiddellijk, gezien de kracht van de waterval die neerstort. De ochtend is aangebroken. Jan kreunt van genot. Ik hul me in stilzwijgen. Die kracht valt ’s avonds ook wel eens voor, maar dan staat hij gestrekt met zijn arm tegen de muur. En soms ook met zijn hoofd.   Hij knijpt de tube af zoals elke rechtstaande mens. Enkel de staanders die niet boven de lichtschakelaar komen doen het anders. Zij beginnen driftig te rammelen alsof de tube een kapotte aansteker is. Nadat de draaikolk is gepasseerd en ik mijn geur als golven voortduw, blijft het licht. Dat gebeurt wel vaker bij Jan of de andere staanders.   Zoals de routine het betaamt is niet veel later Marieke aan de beurt. Zij sakkert altijd als het niet donker is. Zij hoort bij de steeds zittende mensen. Een roze maan trekt over mijn wereld. Voor de modderstroom die volgt en zijn witte lelies dient de draaikolk twee keer te komen. En ik bries mijn geur zo hard uit als ik kan in het walmende donkerte.   Dankzij de modderstromen ben ik de hele wereld rond geweest. Ik laat me meedrijven naar waar de dag me brengt. China, Griekenland, Turkije, Laos, Mexico (dat nooit meer), Italië en zoveel ander verre bestemmingen. Smaken van zuur, zout, zoet, bitter en umami. Ja, mijn leven is eenzaam. Buiten die momenten met eend. Samen stralen we. Ik hou ervan als ik me kan spiegelen. Ik denk dat Jan en Marieke dat ook weten, aangezien we regelmatig samen mogen zijn.   De glanzende muur is mijn weerspiegeling. Mijn voeding, mijn variatie, mijn spel. De manen zijn het gloren. Eens glad als een biljartlaken, eens pokdalig als een Vlaamse steenweg. De watervallen mijn glorie. De eenzaamheid sterkt me in wie ik ben. Een karakter geslepen uit wit porselein is hard.   Ik geur me met lavendel, citroen, dennenappel en mijn favoriet oceaanbries. Als verschillende kleuren in een regenboog. Geen zwart, grijs of wit.   Verzonken in mijn mijmering, flitst het licht opeens aan. Kleine Rik moet ook. Dringend. Marieke zet hem snel op de juiste positie. Een kleine witte maan verschijnt en geeft vloeiende wolken van modder. Eend zal snel weer langskomen.

Tim Berghman
0 0

Kerststress.

  Ieder jaar hetzelfde liedje.Een gewoonte, die ik eerlijk gezegd zelf heb aangemoedigd; de familie en soms ook vrienden bij ons thuis.Cadeautjes, gezelligheid en… moeder kookt.De stress zorgde voor de broodnodige adrenaline. De laatste twee jaar stonden de twee dochters aan mijn zij om elk iets van het diner te maken. De oudste maakt meestal een voortreffelijke soep, de jongste een verrukkelijk dessert en voor het hoofdmenu sta ik garant. De voorafjes worden meestal gezamenlijk gemaakt onder het toezicht van de vader des huizes die de moeilijke taak van het keuren op zich neemt. Waarschijnlijk nog een erfenis van onze voorouders wanneer de mannen op jacht gingen en de prooi kozen. Sommige gewoonten zijn nu eenmaal moeilijk af te leren. Alle restjes worden, letterlijk en figuurlijk, vingervlug weggewerkt tijdens de eerste ‘hongertjes’ tot alles netjes én vlotjes op het plateau past. Alle voorbereidingen nemen één à twee dagen in beslag. Het uitgebreid verorberen vier uur… Mijn eeuwige dankbaarheid gaat naar de uitvinder van ‘ons Marie’; respectievelijk de vaatwasmachine.- Stil maar doeltreffend wordt de hoop afwas deskundig af gewassen om via een Chinese vrijwilliger terug in de kast te belanden. Klokslag twaalf uur en ondergetekende vertoont de eerste tekenen van vermoeidheid. Gelukkig zijn er cadeautjes, zoentjes en knuffels om de endorfines aan te zwengelen. Een half uur en twee glazen Cava later zijn ze uitgewerkt en met pure wilskracht houd ik mijn ogen open om gezellig na te keuvelen of een spelletje te spelen én om de één of andere reden altijd verlies.Het is gezellig… en ik, denk aan mijn bed.Als de bedstede uiteindelijk mijn uitgeputte lichaam en geest ontvangt laat de slaap op zich wachten. “Oververmoeid”, zegt de medicijnvrouw in mij.Maar dit jaar worden de tradities aan de kant de kant geschoven. Er zal over gesproken worden, misschien minachtend worden beoordeeld, zelfs veroordeeld!Ongenadig houd ik het been stijf en blijf ongevoelig voor alle smeekbeden. We eten gourmet!  

Fanny Vercammen
0 0

Proefkonijnen

In het maandblad van de Gezinsbond lees ik een artikel over onvoorwaardelijk ouderschap. Alfie Kohn, de grote goeroe achter deze vooruitstrevende opvoedingsmethode, beschrijft het als volgt: “Door straffen, beloningen en complimenten verliezen kinderen hun intrinsieke motivatie om dingen te doen en te ontdekken. Het alternatief houdt in dat je je kind liefhebt en aanvaardt om wie het is, en niet om wat het doet.” Ik heb er meteen mijn twijfels over maar besluit het concept met open geest te onthalen. Toegegeven, de laatste zin spreekt me wel aan. Ik pleeg mezelf te zien als een liefhebbende en toegewijde moeder en kan me dan ook volledig verzoenen met het idee om mijn kinderen te aanvaarden als de fantastische, intelligente persoontjes die ze zijn. Waar ik het moeilijker mee heb, is de complete verloochening van het concept straffen, belonen en vooral complimenten geven. Dé basispijler van mijn opvoeding. Of Lara nu de letters van haar naam op de chocopot ontwaart of kleine Lou is erin geslaagd één maaltijd lang geen enkel object op de keukenvloer te keilen: duimen omhoog en bejubelen maar. Maar goed, ik ga ervan uit dat Alfie de boter toch ergens moet gehaald hebben en besluit zijn theorie te toetsen aan de twee praktijkvoorbeelden die nietsvermoedend door mijn woonkamer flaneren. Lara en Lou gaan volledig op in hun imaginair spel. Lara is de winkelier en Lou de winkelende moeder met kind. Om onverklaarbare redenen bestaan er in Lara’s fantasie geen winkelende vaders, al is dat net één van de huishoudelijke karweitjes die Wouter doorgaans wel gewillig voor zijn rekening neemt. Mama Lou zeult baby Basiel – een knuffelhond met knielange flaporen – mee naar de winkel en bestelt een doosje ‘kokola’ en een fles ‘ketsup’. Winkelbediende Lara rekent beleefd af en geeft tweemaal zoveel wisselgeld terug. Vervolgens keren de rollen om en is het Lara’s beurt om zich over stoute Basiel te ontfermen, die het niet kan laten in het achterste van de winkelbediende te bijten en daarop ongenadig in de hoek wordt gezwierd. Lara en Lou zijn duidelijk geen voorstander van onvoorwaardelijk ouderschap.   Bijna prijs ik hen om hun mooie samenspel. Op het nippertje slik ik de woorden echter in. Geen complimenten, houdt ik mezelf streng voor. Het is niet méér dan normaal dat ze zonder ruzie maken spelen, daar hoeven ze geen schouderklopje voor te krijgen. Ik keer hen mijn rug toe en begin aan de voorbereidingen voor het avondeten. Ik ben nog maar net bezig met aardappelen schillen als een hartverscheurende kreet uit de woonkamer schalt. Gehaast droog ik mijn handen aan mijn keukenschort en storm in de richting van het onheil. “Wat is er gebeurd?” De woorden zijn mijn gedachten te snel af en ik besef net te laat dat dit geen opvoedkundig verantwoorde vraag is. Lou draait de volumeknop van de waterlanders wagenwijd open en Lara wijst beschuldigend in zijn richting: “Hij is begonnen!” De eeuwige discussie. Ik onderdrukt een vermoeide zucht en steek een wijze redevoering af over de nutteloosheid van die opmerking. Het gaat er niet om wie er begonnen is met ruzie maken. De kern van de zaak is dat ze samen moeten spelen en onder geen beding fysiek geweld plegen. Het lijkt me een correcte samenvatting van een degelijk principe, die ze op miraculeuze wijze braafjes slikken. Het incident is gauw vergeten en ze duiken meteen een nieuw rollenspel in: twee konijnen in een hol onder de keukentafel. Basiel wordt omgedoopt tot wolf, maar krijgt verder een vergelijkbare rol toebedeeld, waarbij hij in hun wippende staartjes hapt.   Ik spoel de aardappelen en schraap de wortelen met een dunschiller. Konijnen Lou en Lara krijgen beiden een wortel, die ze vrolijk knabbelend soldaat maken in hun leger. Mijmerend neurie ik een liedje over een rode paddenstoel en bijna begin ik me af te vragen of Alfie misschien niet van Mars dan wel van Venus afkomstig is, tot de harmonie tussen de konijnen plots ontspoort. Wat de exacte toedracht van de kibbeling deze keer is, ontgaat me opnieuw – al vermoed ik dat de grijpgrage handjes van kleine Lou er voor iets tussen zitten – maar wanneer ik zie hoe Lara haar broer een duw geeft, grijp ik in en zwier de konijnen zonder pardon de hoek in. De miskende blikken en dito tranen krijg ik er gratis bij. De keukenwekker tikt – samen met de kooktijd voor de aardappelen en wortelen – de leeftijdsgebonden straftijd weg. Al moet ik eerlijkheidshalve bekennen dat ik het niet over mijn hart krijg om Lara vijf minuten en Lou slechts drie minuten in de hoek te laten staan. Ik roep hen dus gelijktijdig bij mij, hun schuldbewuste snoetjes met een zakdoek deppend en trek hen op schoot. “Wat zeggen jullie nu tegen elkaar?” “Sorry”, klinkt het simultaan, waarna de konijnen giechelend weg huppen.   Als Wouter even later thuiskomt, is het eten net klaar. Lara en Lou klauteren hongerig aan tafel. Van al dat gehuppel hebben ze trek gekregen. “Goed gedaan!”, belonen Wouter en ik hen in koor, wanneer ze flink hun bordje hebben leeg gegeten. Ik geef hen beiden een snoep, die ze met rode wangen en een glimlach van oor tot oor opzuigen. Helemaal uit eigen beweging ruimen ze hun ronddolend speelgoed op en nestelen zich in de zetel voor de televisie. Het fleecedeken trekken ze op tot aan hun kin, terwijl hun wriemelende tenen er onderaan uit piepen. Met een vertederde blik sla ik hen gade. Alfie en de kookwekker mogen dan algemeen aanvaarde theorieën zijn, mijn proefkonijnen hebben me vandaag met hun wipneusje op de feiten gedrukt: een konijn in een kippenhok, blijft een konijn.

Elfi Vandenabeele
30 1

JE SUIS EDEGEM

Op de bus, vanuit Antwerpen richting Edegem, heerste een aangename drukte. De regen kletterde tegen de ramen en de ruitenwissers zwiepten op snel tempo heen en weer. Nu en dan rinkelde een telefoon. Verschillende mensen kwetterden in hun mobieltje. Ik had geen idee waarover er uren, al rijdend,  gepraat kon worden maar, tandpis, tijden veranderen. Anderen raadpleegden facebook of luisterden naar muziek. In ieder geval, de jongelui waren allemaal, stuk voor stuk, druk bezig met dat toestelletje in hun handen. Alle zitplaatsen waren bijna bezet en in de middengang was het drummen geblazen. Kinderen stapten, na een schooldag, luid babbelend en lachend op.  Een sompige regenwarmte deed de ramen aandampen en een school- zweetgeur zweefde over onze hoofden.  Op het middenpad stond een kinderwagen met een kraaiende baby, die met mij kiekeboe deed. Aan het station van Antwerpen kwamen er plots twee mannen de bus op. Geen van beiden betaalde een buskaartje. Dit wees erop dat de integratie in Vlaanderen praktisch helemaal geslaagd was. Alleen de brave, meestal oudere generatie burgers hielpen de omzet, van de Lijn, niet verder in het rood zakken. Dus ‘het zwartrijden’ was regel nummer één, die moeiteloos overgenomen werd door alle blanke en anders getinte Antwerpenaren. Een eerste man droeg een djellaba met daarover een colbert. Een jasje dat waarschijnlijk voordien reeds door drie generaties Vlamingen of Marokkanen afgedragen was. Op zijn hoofd een gehaakte pet zonder klep. Zijn kroezelige schaamhaarbaard wiegde van links naar rechts. De tweede dikke man zat diep in een donker trainingspak weggestoken, de kap volledig over zijn hoofd getrokken. Zijn baard stond alle kanten uit, alsof hij door de bliksem getroffen was. Twee indringende zwarte koologen bekeken alle medereizigers terwijl zijn groezelige handen de busstang omklemden.  Op hun rug hingen er twee identieke rugzakken. Het duo leek op een stelletje angstaanjagende figuren, het type dat op Borgerhoutse pleintjes rondhangt en hoopt naïeve, werkloze,  nieuwe Belgjes te radicaliseren.  Plots sloeg de sfeer in de autobus om. De gesprekken verstomden en reizigers probeerden oogcontact met elkaar de leggen. De beslagen ruiten kristalliseerden onmiddellijk de geur van 50 angstzwetende passagiers. De mensen schoven ongemakkelijk heen en weer op de klevende buszetels.  Ik bedacht dat de rugzakken wel wat klein waren om kalashnikovs te verbergen maar een terreurgordeltje kon ook best modieus onder een djellaba of een ruim trainingspak verstopt zitten.  De bus reed slopend traag van halte naar halte. Auto’s bumperden als slakken de stad uit en aan elk rood verkeerslicht moest er eindeloos gewacht worden.  Bij de eerstvolgende halte liep de bus al half leeg. De kinderwagen werd in alle haasten naar de uitgang gereden. Toeval of angstreactie, wie zal het zeggen. De beide mannen schoven door het gangpad richting achterkant van de bus.  Ik kon alleen maar denken, dat als die twee nu volledig in de ban van een zelfmoordideetje waren, aan een bommengordeltje dachten en aan een touwtje onder hun djellaba of trainingspak zouden trekken,  men wel van een heel slechte timing zou kunnen spreken. Manlief lag na een longoperatie in het ziekenhuis en verwachtte van deze Florence Nightingale elke dag een bezoekje en nog minstens een maand revaliderende thuisziekenzorg. Dus als die Islamietenhandjes nog maar richting heup of  rugzakje gingen, begonnen mijn voetzolen al te zweten. We hadden nog maar net, “Je suis Charlie” en “Je suis Paris” verteerd, dus “Je suis Edegem” stond nu niet direct op mijn verlanglijstje. Misschien wachtten ze wel met hun terreurvuurwerk totdat we met de bus door een drukke winkelstraat zouden rijden. Veel ongelovige vliegen in één klap. Doemscenario’s stuiterden tegen de gesloten busdeuren. Wat zou er gebeuren als straks dat tuig de lucht in ging?  Werd het een getorpedeerde, uitgebrande karkas van een lijnbus vol met verschroeide handen die hun mobiel omklemden? Zouden wij er uitzien als blokjes stoofvlees met klodders bloedworsthersens? Zouden die mannen onmiddellijk naar die 72 maagden gekatapulteerd worden? Zou men ons nog herkennen. Ik omklemde mijn schoudertas wat steviger. Men zou al met een koevoet mijn handtas, met identiteitskaart,  uit mijn nijpende hand moeten loswringen.  Het traject scheen eindeloos te duren. Antwerpen had weer, voor de zoveelste keer op een regenachtige dag, een volledig verkeersinfarct. Een paar schoolkinderen duwden met hun boekentassen tegen de rug van de twee mannen toen ze naar de uitgang ploeterden. De twee mannen draaiden zich geërgerd om. Man, man.. uitlokking..”Jezus”, hoorde ik een medepassagier zeggen. Ja, dit was nu, op dit moment, totaal niet de juiste man om in deze situatie aan te roepen. Normaal zitten er op dit bustraject steeds een aantal moslima’s. Nu waren er echter in einde en verre geen hoofddoekvrouwtjes te bekennen die zalvende onderhandelingen konden opstarten.  Een mobieltjes schetterde plots Arabische muziek door de bus. De twee mannen keken elkaar aan en overlegden in het Marokkaans of ze zouden opnemen. Dan drukte de dikke man op het knopje en wriemelde zijn mobiel zijn trainingskap in.. Griezelig stil werd het op de bus! 30 paar oren luistervinkten mee naar de mogelijke opdracht.  “Hallo, joa Mohamed”,”Joa zeg joeng, ik moest ierst wachtte totdat dien train van Brussel aankwam oem Mohammed af ‘t haole hé! Wai staan hier al een halfuur op die bus te geeloege hé. Da verkier zit potdicht in Antwaarpe. Ik zweer et gast, wai zen oep tijd vertrokke. En ja, wij emme dat kadoke veur die kleine bij! Joa joeng wai kome direct naar de kroamafdeling. We stoan in de file gelak iederien hé. Joa doar kunne wai toch niks aandoeng da gij der in de regen stoat , hé gast. Binne vijf minute zen we doar, tot sebiet.” De trainingsman lachte naar de froesbaard: “Jao Mo, da slimmeke staot daar in de gietende regen oep ons te wachtte, in pleuts van nor binne te goan!” Hun gezichten lichtten op ze grinnikten tegen elkaar.  De bus stopte aan het Middelheim Ziekenhuis en de djellabaman en zijn kompaan stapten af. De businhoud zuchtte, ademde terug normaal en het kakelen in de mobieltjes begon opnieuw. Mogelijke terreur doet wat met een normaal vredelievende mens.. “Je suis Edegem” was nog niet voor vandaag!   Sim, 8 december 2016

Sim
0 0

Psychiatrische afdelingen vechten mee tegen taboe rond psychische problemen

Psychiatrische afdelingen vechten mee tegen taboe rond psychische problemen “De kracht van patiënten staat centraal”   “Een belangrijk onderdeel van ons werk, is mensen motiveren en hun krachten mobiliseren. Het is namelijk de bedoeling dat zij een actieve partner zijn in hun eigen zorgproces”, vertelt Ignace Michiels, psycholoog en coördinator van de dienst psychiatrie op Campus Aalst en Campus Asse van het OLV Ziekenhuis. “De tijd dat patiënten in de geestelijke gezondheidzorg louter de zorg ondergingen, ligt ver achter ons. Vandaag leggen we de nadruk op de kracht van de patiënten.”   “Op 10 oktober was het Werelddag van Geestelijke Gezondheid. Onze patiënten hebben kunstwerkjes gemaakt, ontbijtkoeken geserveerd en onze medewerkers droegen een badge die verwees naar de Vlaamse campagne ‘Samen veerkrachtig’. Alle ziekenhuispatiënten kregen bij het ontbijt ook een flyer over dat thema. De campagne wil duidelijk maken dat mensen met psychische problemen er niet alleen voor staan, dat veerkracht belangrijk is en een zaak van iedereen is. Dat is precies wat onze visie op de psychiatrische afdelingen in het OLV Ziekenhuis ook kenmerkt”, aldus Ignace Michiels.     Geen psychiatrisch kliniek Het OLV Ziekenhuis heeft een psychiatrische afdeling, PAAZ genoemd (Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis), op Campus Aalst en Campus Asse, telkens met dertig bedden. De psychiatrische afdelingen staan open voor elke volwassen patiënt die met een psychische crisis te maken heeft. “De meeste patiënten komen via de spoedafdeling op de PAAZ in Aalst of Asse terecht, meestal door stemmingsstoornissen of middelenafhankelijkheid. Onze patiënten zijn gemiddeld 45 jaar oud en verblijven meestal zo’n twee tot drie weken bij ons. Als dat nodig is, krijgen ze na de crisiszorg die wij hen gedurende die periode bieden, verdere zorg van de huisarts of worden ze doorverwezen naar een psychiatrisch kliniek of de ambulante geestelijke gezondheidszorg. “Onze opnames zijn kort en we werken laagdrempelig. Onze afdeling is ook ingebed in het ziekenhuis.”   Die laatste optie betekent dat patiënten in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg opgevolgd worden, bij een zelfstandig psycholoog verder in behandeling gaan of in de polikliniek van het OLV Ziekenhuis terechtkunnen. Het contact dat wij op een PAAZ hebben met een patiënt is relatief kort, maar onze psychiaters kunnen patiënten achteraf blijven opvolgen via de polikliniek.” De PAAZ’en van het OLV Ziekenhuis verschillen dus van psychiatrische klinieken. “Op enkele punten zit onze werking anders in elkaar. Onze opnames zijn kort en we werken laagdrempelig. Bovendien zijn onze afdelingen ingebed in het algemene ziekenhuis, wat de toegang tot andere zorg vergemakkelijkt, indien nodig. Omgekeerd is het ook zo dat de psychiaters van onze teams instaan voor de zogenoemde ‘liaison’ met de andere afdelingen dat wil zeggen dat zij vaak betrokken worden wanneer er sprake is van een psychisch probleem bij een patiënt op een andere afdeling in het ziekenhuis.” 09 Zorg op maat Als patiënten opgenomen worden op een PAAZ van het OLV Ziekenhuis, doorlopen ze meestal drie fases. Ignace Michiels: “Bij de patiënten die met stemmingsstoornissen of alcoholproblemen bij ons terechtkomen, beginnen we met een eerste, diagnostische bevraging. Daarbij brengen we de problemen in kaart. Als tweede stap geven we vooral informatie over hun problematiek. We leggen dan bijvoorbeeld uit wat een depressie precies is en wat de belangrijkste aspecten in het ontstaan van een depressie zijn. In deze fase betrekken we ook de partner en familie van de patiënt. Daar hechten we heel veel belang aan. Werken vanuit de context waarin de patiënt leeft, kan een belangrijke hefboom zijn om vooruitgang te boeken. Vaak is het ook nodig om de weerstand tegen de opname bij de patiënt zelf aan te pakken. Patiënten hebben bij hun opname soms het gevoel dat ze gefaald hebben. Wij versterken hun motivatie en maken patiënten actieve partners in hun eigen zorgproces. In de behandelingsfase gaan we aan de slag, via groepsactiviteiten, individuele activiteiten, gesprekken, het uitbreiden van de ondersteuning op sociaal vlak en waar nodig, het opstarten of wijzigen van medicatie. Dat laatste is de exclusieve bevoegdheid van de psychiaters, die ook de globale behandelingsstrategie bewaken, in samenspraak met de patiënt. In onze behandelingen vertrekken wij dus in de eerste plaats vanuit de krachten en mogelijkheden van de patiënt en proberen we zorg op maat te bieden. Het clichébeeld dat hier en daar nog leeft over geestelijke gezondheidszorg, klopt dus niet. Onze patiënten zijn niet veel anders dan andere ziekenhuispatiënten en worden echt niet de hele dag versuft met medicatie.”   Psycholoog en operationeel verantwoordelijke van de zorgzone Geestelijke Gezondheidszorg Ignace Michiels: “Het clichébeeld dat hier en daar nog leeft over geestelijke gezondheidszorg, klopt niet. Onze patiënten zijn niet veel anders dan andere ziekenhuispatiënten en worden echt niet de hele dag versuft met medicatie.”       Therapeutisch plan Als patiënten van onze afdeling het OLV Ziekenhuis verlaten, hebben ze een therapeutisch plan, met een idee over hoe ze verder aan hun problemen kunnen werken. “We zijn tevreden met een behandeling als patiënten met dit plan veilig naar huis kunnen. Dat laatste wil zeggen dat wij verwachten dat ze niet onmiddellijk in een nieuwe crisissituatie terechtkomen”, vertelt Ignace Michiels. Volgens Ignace Michiels is er vandaag nog steeds werk aan de winkel om het belang van geestelijke gezondheidszorg duidelijk te maken en de negatieve beeldvorming rond psychische problemen tegen te gaan. “Dat is een opdracht voor de hele maatschappij, voor ieder van ons. We mogen niet vergeten: no health without mental health”, besluit hij.

Greet De Winne
0 0