Lezen

zorgwonen voor ouderen in Stockheim

Mogelijk woont u in een woning die te groot of onvoldoende aangepast is aan uw leeftijd? Het project Stockheim biedt een oplossing.   Het project Stockheim is bestemd voor ouderen die voldoende zelfredzaam zijn om, mogelijk met ondersteuning van mantelzorg of thuiszorg, zelfstandig te kunnen wonen.   Dit nieuwe woonproject is een gezamenlijke realisatie van OCMW Dilsen-Stokkem en sociale woonmaatschappij Ons Dak. Het bestaat uit 31 flats met een dienstencentrum.   De flats   De flat is ongeveer 65m⊃2; groot en is geschikt voor 1 of 2 personen. Er is een inkomhal, een leefruimte met ingerichte keukenhoek (incl. dampkap en fornuis), een ruime slaapkamer, een aangepaste badkamer met toilet en een bergruimte. De woningen zijn voorzien van een terras of balkon.   De verbrede toegangsdeur en binnendeuren geven rolstoelgebruikers vlot toegang tot de woning. De inloopdouche en aangepaste lavabo in de badkamer verhogen het comfort voor rolstoelgebruikers.   Een noodoproepsysteem draagt bij tot uw veiligheid. Via vier meldingsknoppen in de woning kan u dag en nacht een medewerker oproepen.   Elke bewoner beschikt over een oplaadpunt aan de woning om een elektrische fiets of scooter op te laden.   Gemeenschappelijke voorzieningen en dienstverlening   Alle bewoners kunnen gebruik maken van de gemeenschappelijke fietsenberging, de wasserette en de afvalberging. Er zijn enkele parkeerplaatsen aan de woningen en een grote parking.   Elke bewoner geniet van een minimale zorg– en dienstverlening door het OCMW: De garantie van een crisis– en overbruggingszorg, een noodoproepsysteem, de aanwezigheid van de woonassistent, de organisatie van een bewonersraad, de beschikbaarheid van warme maaltijden (tegen betaling) en de afvalverwerking van glas, GFT en restafval.   In het wooncomplex is een dienstencentrum geïntegreerd. Bewoners kunnen er, tegen betaling, terecht voor een middagmaal. Het dienstencentrum bevat een bibliotheek– en internethoek. In de hobbylokalen vinden informatieve en recreatieve activiteiten plaats.   De woningen liggen in een groene en veilige omgeving die uitnodigt tot een aangename wandeling of een partijtje petanque. Bewoners kunnen een volkstuintje huren om eigen groenten te telen.   Enkele bijzondere richtlijnen   Een volledig overzicht van de richtlijnen vindt u terug in het reglement van inwendige orde (RIO) voor Stockheim.   De huurprijs bestaat uit de huur van de woning, de vaste kosten, het voorschot van de gemeenschappelijke kosten van Ons Dak en het voorschot van de vaste kosten voor de minimale zorg– en dienstverlening van de het OCMW (Art. 6 RIO Stockheim).   Huisdieren zijn niet toegelaten (Art. 12 RIO Stockheim).   Het is niet toegestaan om in de woning te roken. (Art. 8 RIO Stockheim).   Bewoners en bezoekers kunnen parkeren op de openbare parking nabij de woningen (Art. 11 RIO Stockheim).   Informatie   Ons Dak                                                                                                                                                     Maastrichtersteenweg 31                                                                                       3680 Maaseik                                                                                                               089/51 84 02                                                                                                            info@onsdak.be                                                                                                        www.onsdak.be            

Noke Venken
0 0

Koningsblauw

Ik kijk hem strak aan. Ik omhels hem. Mijn ogen spijkeren zijn blik vast. Zodat hij gefixeerd is op mijn gezicht dat een reflectie biedt van zijn macht. Niet achter mij, waar de vogels zingen. Waar de anderen zijn.   Mijn kamer is koningsblauw. Slechts enkele meters lang en breed. Ontdaan van enig franje buiten de oranje gordijntjes van batist. Mijn lichaam vult de ruimte. Versiert de muren en zijn kieren. Mijn dijen zijn meubels.   Hij raakt me aan als de regen. Met zachte tikjes op mijn huid. Prikkeltjes die mijn voeten doen vergroeien met het warme hout. Zijn aanwezigheid neemt alle zuurstof weg. Zoals altijd in zijn blauw fluwelen pak. Alsof hij en de kamer een Siamese tweeling zijn. Mijn lichaam zuigt zich naar hem toe. De planken kraken onder mijn voeten als ik me op mijn tippen richt. Zijn geur zet de haren in mijn neus recht. Ik koester deze momenten net zo hevig als ik ernaar verlang. Het wachten op hem is eindeloos. Elke nieuwe dag duurt langer.   In eenzame dagen streel ik met mijn vingertoppen langs het koningsblauwe behang. Voel het verstrijken van de tijd door het papier. De putjes en bultjes van mijn bestaan. Er zijn geluiden in alle hoeken. Het oude huis kreunt in zijn voegen. Stofdeeltjes dansen viriel in de lucht. De symbiose van mijn bestaan is blauw. Soms glip ik door het raam, waar een briesje aangeeft dat ik buiten ben. Ik slik het in. Mijn handen aaien langs het hoge gras. Ik zie de anderen. Schimmen net zoals ik. We vloeien langs elkaar heen en kennen geen woorden. Mijn korte wandeling eindigt steeds bij de sloot. Blauw dat ik niet vertrouw. Slierten gifgroen trekken een tralies door het water.   Ik vlucht niet. Nu niet, nooit.   Hij glipt niet door het raam. Er is in de linkerhoek een deur in de kamer waaruit hij opduikt, het is wit met een sierlijk gouden handvat. Het heeft dezelfde zwierige krul als mijn roze strik. Het enige object dat ik bezit. Het ruikt naar mij en hem en bevat een knoop. Zijn verschijnen is steeds onaangekondigd. Hij opent en sluit de deur snel. Alsof achter de deur een gevaar schuilt. Ik zie alleen een vage schemering. Nu en dan komt hij ’s nachts, als ik uitgestrekt in het midden van de kamer lig op het donkerbruin generfde hout. Met mijn ogen toe en een wereld vol dromen. Hij verwijdert als een streling op de huid mijn strik en eigent de kamer naar zich toe. Als ik wakker word is het vergeelde en gescheurde plafond mijn gebroken eierschaal. Eenzaam in de wereld. Tot de deur op een moment weer opengaat.

Tim Berghman
0 0

Hij dacht dat hij dood was

Hij voelde een lichaam dat het zijne niet was. Vreemde materie die hij wilde afstoten. De houding waarin het lag baarde hem zorgen. Het gloeide ook. Het was gewoeld in lakens van beige. Een straaltje kwijl bengelde uit de mondhoek. Door zijn wimpers zag hij een lichtomgeven kamer met een groen bloemetjesbehang. Hij strekte langzaam zijn stramme vingers. Hoorde ze kraken. Voelde langzaam met de tippen van die vingers aan zijn andere hand die er slap bijlag. Voelde de rauwe structuur van de huid. De geharde nerven in de handpalm. Liet zijn tippen naar de pols glijden. Hij voelde een stevig kloppende hartslag. Hij dacht dat hij dood was geweest. Zo maar eventjes. Zo voelde het toch. Was er leven gisteren? Hij draaide zich langzaam om in de klamme lakens, zodat hij op zijn rug lag. Draaide zijn hoofd in één beweging mee. Een scherpe snelle pijn langs zijn slapen overviel hem. Hij sloot krampachtig de ogen en kreunde. Hij leefde, duidelijk. Dat was één. Maar hoe? Hij opende zachtjes opnieuw zijn ogen en zag een witte plafond met een oranje luster die die hem bekend leek. Iets zij hem dat hij die altijd al lelijk had gevonden. Zijn hoofd bonkte verder en drukte alsof er een baksteen op zijn wenkbrauwen lag. Breed denken ging niet. Hij kon het hier en nu niet thuisbrengen. Zijn lichaam snakte naar een vegetatieve toestand. Een slangetje dat hem kracht gaf. Een rolstoel voor dit lichaam dat niet meer bewegen wou. Een nat koud doekje voor dit hoofd dat wou openbarsten als een te hard gekookt ei. Water. Hij smakte met zijn lippen. Door de vale smaak in zijn mond kwam hem een beeld voor zijn ogen. Hoe hij met zijn neefje om het langst over de keukenvloer likte. Hij won. Het was goed dat hij zich zo’n dingen herinnerde. Ook al waren ze dertig jaar geleden gebeurd. Dan zou hij toch ook moeten weten wat hij gisteren had gedaan. Hoe hij had geleefd. Had hij wel had geleefd?   Uit het niets klotste een plas water over hem. Hij klakte met zijn kaken als een vis op het droge. Snakte naar adem. Een schel tumult bereikte zijn oren. Hij kon het niet plaatsen. Snapte niet wat de aangeregen woorden inhielden. Hij keek opzij, nam de pijnscheut in zijn hoofd voor lief, en nam de contouren waar van een vrouw. Een hysterische vrouw. Bliksem en donder zonder één seconde van tussenpauze. Als bij heldere hemel kwam het tot hem. Zijn vrouw stond aan het bed. Ze maakte groteske dramatische bewegingen met haar armen. Het continue geraas dat uit haar mond kwam kon hij niet volgen. Een correlatie tussen zijn toestand en de toestand van zijn vrouw was overduidelijk. Maar hij zag de brug niet.   Langzaamaan friemelt een duizendpoot gedachten door zijn hoofd. De bazin van café Sportvrienden die hem zoals altijd begroette met een klapzoen. De schuimende bierglazen die als een stoet mieren voorbij kwamen. Waarbij elkeen de laatste was. Het gebral met de stamgasten. De tocht naar huis langs de vele gevels van het dorp. De voordeur die met een ruk openging en hem met licht overspoelde terwijl hij op handen en knieën de sleutel onder de stenen egel zocht. Zijn vrouw die hem met enkele gerichte petsen op zijn hoofd begeleidde naar hier. Het bed, in de logeerkamer. En de belofte die hij twee dagen geleden had uitgesproken op haar verjaardag. Om eindelijk het drinken voorgoed vaarwel te zeggen.

Tim Berghman
12 0

Appartje

De klok slaat tien uur. Mijn hamer slaat een spijker. Het peertje van 40 watt geeft een warme gele gloed aan de kale kamer. Een oase van rust. De andere kamers staan reeds vol met gehamsterde meubels, verfspullen en andere werkmaterialen. In de gang hoopt het afval zich op. Als je het appartje binnenkomt, lijkt het wel een mini-containerpark. Maar de tijd dringt. Over een week ben ik jarig. Dan heb ik de gezegende leeftijd van zesentwintig jaar. Volgens mijn moeder opgestelde huisregels een reden tot een onmiddellijk uitzettingsbevel. Dus werk ik noest door van zonsopgang tot maanondergang.   Met de hamer in de hand en een glimlach bekijk ik de nieuwe plinten in de kamer, die zorgvuldig zijn gestut met allerlei houten latten. De vloer is een raderwerk van plankjes. Toch zie ik nog een plint in de hoek lichtjes buigen. Met een paar spijkers sla ik de boel recht zodat ze alle stevig tegen de muur worden gedrukt als bakstenen op zand. Klaar. Nu nog een laatste laagje verf in de keuken aanbrengen. Terwijl ik er naar toe slenter wordt er luid gebonsd op de voordeur. Ik schrik, sta stil en luister. Terwijl Eels uit het krakkemikkige oranje radiootje zijn smeekbede aanheft om eenzelfde blik te krijgen van dat meisje, hoor ik voor de tweede maal geklop. Vreemd. Normaal bellen mensen beneden aan de inkom en kloppen ze niet meteen driehoog op de deur. Ik zal maar gaan kijken, en stap de gang in met de hamer in mijn hand. Het oog van de deur ligt nog achteloos ingepakt op de grond. Dus trek ik blindelings met een ruk de deur open. Pudding.   Het flitst door mijn hoofd. Voor mij staat Johan. Man van twee meter. Beveiligingsagent bij Securitas, vertelde hij vorige week trots. Gehaaide taaie vent. Ruw en bonkig. Tot ik zijn ouders ook in diezelfde week ontmoette. En meer kwam te weten over Johannetje. Watje. Wedden dat zijn moeder nog lacteert. Nu staat hij hier. In enkel een nietige boxershort en honderdtwintig kilo onverpakt vlees. Een tapijt van korte gekrulde haren over borst en schouders. Waarschijnlijk ook over de rug doorlopend naar de bilspleet. Dat zie ik straks waarschijnlijk wel. Walgelijk. Een gouden kettinkje hangt ostentatief tussen zijn borsten. Het prijskaartje van een stuk ham. Het meest markante zijn de vetlagen die elkaar schragen en de indruk geven dat hij er in kleren gegoten gespierd uitziet. De gigantische vleesmassa bezaaid met rode schemerzones en struiken haar negeert mijn verbouwereerde blik en dramt door over het aanhoudende geklop, dat het al na tien uur is, het recht op rust, respect voor de buren en vooral dat hij morgenvroeg op moet om zijn met status doordrongen beveiligingsjob uit te oefenen. Om vier uur, snoeft hij er nog eens bij. Lul. Ik knik bevestigend en mompel een paar excuses. Ik wens hem ten slotte nog een goede nachtrust toe en sluit de deur zachtjes. Als ik me omdraai zie ik het oog op de grond liggen. Het eerste werkje voor morgenvroeg, denk ik. Het oog wil ook wat.

Tim Berghman
0 0

Oceaanbries

De frisse oceaanbries waart rond mijn hoofd. Het nevelige zwart omhult me als een schoorsteen. Ik heb geen flauw idee hoe laat het is. Vermoeid staar ik voor me uit. Gezien de verveling me prikkelt als een distel, zal het aanbreken van de dag niet lang meer duren.   En ja hoor. In de verte hoor ik gestommel. Onregelmatige voetstappen die dichterbij komen. Al snel spoelt het licht over mijn wereld. Het is Jan. Dat weet ik onmiddellijk, gezien de kracht van de waterval die neerstort. De ochtend is aangebroken. Jan kreunt van genot. Ik hul me in stilzwijgen. Die kracht valt ’s avonds ook wel eens voor, maar dan staat hij gestrekt met zijn arm tegen de muur. En soms ook met zijn hoofd.   Hij knijpt de tube af zoals elke rechtstaande mens. Enkel de staanders die niet boven de lichtschakelaar komen doen het anders. Zij beginnen driftig te rammelen alsof de tube een kapotte aansteker is. Nadat de draaikolk is gepasseerd en ik mijn geur als golven voortduw, blijft het licht. Dat gebeurt wel vaker bij Jan of de andere staanders.   Zoals de routine het betaamt is niet veel later Marieke aan de beurt. Zij sakkert altijd als het niet donker is. Zij hoort bij de steeds zittende mensen. Een roze maan trekt over mijn wereld. Voor de modderstroom die volgt en zijn witte lelies dient de draaikolk twee keer te komen. En ik bries mijn geur zo hard uit als ik kan in het walmende donkerte.   Dankzij de modderstromen ben ik de hele wereld rond geweest. Ik laat me meedrijven naar waar de dag me brengt. China, Griekenland, Turkije, Laos, Mexico (dat nooit meer), Italië en zoveel ander verre bestemmingen. Smaken van zuur, zout, zoet, bitter en umami. Ja, mijn leven is eenzaam. Buiten die momenten met eend. Samen stralen we. Ik hou ervan als ik me kan spiegelen. Ik denk dat Jan en Marieke dat ook weten, aangezien we regelmatig samen mogen zijn.   De glanzende muur is mijn weerspiegeling. Mijn voeding, mijn variatie, mijn spel. De manen zijn het gloren. Eens glad als een biljartlaken, eens pokdalig als een Vlaamse steenweg. De watervallen mijn glorie. De eenzaamheid sterkt me in wie ik ben. Een karakter geslepen uit wit porselein is hard.   Ik geur me met lavendel, citroen, dennenappel en mijn favoriet oceaanbries. Als verschillende kleuren in een regenboog. Geen zwart, grijs of wit.   Verzonken in mijn mijmering, flitst het licht opeens aan. Kleine Rik moet ook. Dringend. Marieke zet hem snel op de juiste positie. Een kleine witte maan verschijnt en geeft vloeiende wolken van modder. Eend zal snel weer langskomen.

Tim Berghman
0 0

Kerststress.

  Ieder jaar hetzelfde liedje.Een gewoonte, die ik eerlijk gezegd zelf heb aangemoedigd; de familie en soms ook vrienden bij ons thuis.Cadeautjes, gezelligheid en… moeder kookt.De stress zorgde voor de broodnodige adrenaline. De laatste twee jaar stonden de twee dochters aan mijn zij om elk iets van het diner te maken. De oudste maakt meestal een voortreffelijke soep, de jongste een verrukkelijk dessert en voor het hoofdmenu sta ik garant. De voorafjes worden meestal gezamenlijk gemaakt onder het toezicht van de vader des huizes die de moeilijke taak van het keuren op zich neemt. Waarschijnlijk nog een erfenis van onze voorouders wanneer de mannen op jacht gingen en de prooi kozen. Sommige gewoonten zijn nu eenmaal moeilijk af te leren. Alle restjes worden, letterlijk en figuurlijk, vingervlug weggewerkt tijdens de eerste ‘hongertjes’ tot alles netjes én vlotjes op het plateau past. Alle voorbereidingen nemen één à twee dagen in beslag. Het uitgebreid verorberen vier uur… Mijn eeuwige dankbaarheid gaat naar de uitvinder van ‘ons Marie’; respectievelijk de vaatwasmachine.- Stil maar doeltreffend wordt de hoop afwas deskundig af gewassen om via een Chinese vrijwilliger terug in de kast te belanden. Klokslag twaalf uur en ondergetekende vertoont de eerste tekenen van vermoeidheid. Gelukkig zijn er cadeautjes, zoentjes en knuffels om de endorfines aan te zwengelen. Een half uur en twee glazen Cava later zijn ze uitgewerkt en met pure wilskracht houd ik mijn ogen open om gezellig na te keuvelen of een spelletje te spelen én om de één of andere reden altijd verlies.Het is gezellig… en ik, denk aan mijn bed.Als de bedstede uiteindelijk mijn uitgeputte lichaam en geest ontvangt laat de slaap op zich wachten. “Oververmoeid”, zegt de medicijnvrouw in mij.Maar dit jaar worden de tradities aan de kant de kant geschoven. Er zal over gesproken worden, misschien minachtend worden beoordeeld, zelfs veroordeeld!Ongenadig houd ik het been stijf en blijf ongevoelig voor alle smeekbeden. We eten gourmet!  

Fanny Vercammen
0 0

Proefkonijnen

In het maandblad van de Gezinsbond lees ik een artikel over onvoorwaardelijk ouderschap. Alfie Kohn, de grote goeroe achter deze vooruitstrevende opvoedingsmethode, beschrijft het als volgt: “Door straffen, beloningen en complimenten verliezen kinderen hun intrinsieke motivatie om dingen te doen en te ontdekken. Het alternatief houdt in dat je je kind liefhebt en aanvaardt om wie het is, en niet om wat het doet.” Ik heb er meteen mijn twijfels over maar besluit het concept met open geest te onthalen. Toegegeven, de laatste zin spreekt me wel aan. Ik pleeg mezelf te zien als een liefhebbende en toegewijde moeder en kan me dan ook volledig verzoenen met het idee om mijn kinderen te aanvaarden als de fantastische, intelligente persoontjes die ze zijn. Waar ik het moeilijker mee heb, is de complete verloochening van het concept straffen, belonen en vooral complimenten geven. Dé basispijler van mijn opvoeding. Of Lara nu de letters van haar naam op de chocopot ontwaart of kleine Lou is erin geslaagd één maaltijd lang geen enkel object op de keukenvloer te keilen: duimen omhoog en bejubelen maar. Maar goed, ik ga ervan uit dat Alfie de boter toch ergens moet gehaald hebben en besluit zijn theorie te toetsen aan de twee praktijkvoorbeelden die nietsvermoedend door mijn woonkamer flaneren. Lara en Lou gaan volledig op in hun imaginair spel. Lara is de winkelier en Lou de winkelende moeder met kind. Om onverklaarbare redenen bestaan er in Lara’s fantasie geen winkelende vaders, al is dat net één van de huishoudelijke karweitjes die Wouter doorgaans wel gewillig voor zijn rekening neemt. Mama Lou zeult baby Basiel – een knuffelhond met knielange flaporen – mee naar de winkel en bestelt een doosje ‘kokola’ en een fles ‘ketsup’. Winkelbediende Lara rekent beleefd af en geeft tweemaal zoveel wisselgeld terug. Vervolgens keren de rollen om en is het Lara’s beurt om zich over stoute Basiel te ontfermen, die het niet kan laten in het achterste van de winkelbediende te bijten en daarop ongenadig in de hoek wordt gezwierd. Lara en Lou zijn duidelijk geen voorstander van onvoorwaardelijk ouderschap.   Bijna prijs ik hen om hun mooie samenspel. Op het nippertje slik ik de woorden echter in. Geen complimenten, houdt ik mezelf streng voor. Het is niet méér dan normaal dat ze zonder ruzie maken spelen, daar hoeven ze geen schouderklopje voor te krijgen. Ik keer hen mijn rug toe en begin aan de voorbereidingen voor het avondeten. Ik ben nog maar net bezig met aardappelen schillen als een hartverscheurende kreet uit de woonkamer schalt. Gehaast droog ik mijn handen aan mijn keukenschort en storm in de richting van het onheil. “Wat is er gebeurd?” De woorden zijn mijn gedachten te snel af en ik besef net te laat dat dit geen opvoedkundig verantwoorde vraag is. Lou draait de volumeknop van de waterlanders wagenwijd open en Lara wijst beschuldigend in zijn richting: “Hij is begonnen!” De eeuwige discussie. Ik onderdrukt een vermoeide zucht en steek een wijze redevoering af over de nutteloosheid van die opmerking. Het gaat er niet om wie er begonnen is met ruzie maken. De kern van de zaak is dat ze samen moeten spelen en onder geen beding fysiek geweld plegen. Het lijkt me een correcte samenvatting van een degelijk principe, die ze op miraculeuze wijze braafjes slikken. Het incident is gauw vergeten en ze duiken meteen een nieuw rollenspel in: twee konijnen in een hol onder de keukentafel. Basiel wordt omgedoopt tot wolf, maar krijgt verder een vergelijkbare rol toebedeeld, waarbij hij in hun wippende staartjes hapt.   Ik spoel de aardappelen en schraap de wortelen met een dunschiller. Konijnen Lou en Lara krijgen beiden een wortel, die ze vrolijk knabbelend soldaat maken in hun leger. Mijmerend neurie ik een liedje over een rode paddenstoel en bijna begin ik me af te vragen of Alfie misschien niet van Mars dan wel van Venus afkomstig is, tot de harmonie tussen de konijnen plots ontspoort. Wat de exacte toedracht van de kibbeling deze keer is, ontgaat me opnieuw – al vermoed ik dat de grijpgrage handjes van kleine Lou er voor iets tussen zitten – maar wanneer ik zie hoe Lara haar broer een duw geeft, grijp ik in en zwier de konijnen zonder pardon de hoek in. De miskende blikken en dito tranen krijg ik er gratis bij. De keukenwekker tikt – samen met de kooktijd voor de aardappelen en wortelen – de leeftijdsgebonden straftijd weg. Al moet ik eerlijkheidshalve bekennen dat ik het niet over mijn hart krijg om Lara vijf minuten en Lou slechts drie minuten in de hoek te laten staan. Ik roep hen dus gelijktijdig bij mij, hun schuldbewuste snoetjes met een zakdoek deppend en trek hen op schoot. “Wat zeggen jullie nu tegen elkaar?” “Sorry”, klinkt het simultaan, waarna de konijnen giechelend weg huppen.   Als Wouter even later thuiskomt, is het eten net klaar. Lara en Lou klauteren hongerig aan tafel. Van al dat gehuppel hebben ze trek gekregen. “Goed gedaan!”, belonen Wouter en ik hen in koor, wanneer ze flink hun bordje hebben leeg gegeten. Ik geef hen beiden een snoep, die ze met rode wangen en een glimlach van oor tot oor opzuigen. Helemaal uit eigen beweging ruimen ze hun ronddolend speelgoed op en nestelen zich in de zetel voor de televisie. Het fleecedeken trekken ze op tot aan hun kin, terwijl hun wriemelende tenen er onderaan uit piepen. Met een vertederde blik sla ik hen gade. Alfie en de kookwekker mogen dan algemeen aanvaarde theorieën zijn, mijn proefkonijnen hebben me vandaag met hun wipneusje op de feiten gedrukt: een konijn in een kippenhok, blijft een konijn.

Elfi Vandenabeele
30 1

JE SUIS EDEGEM

Op de bus, vanuit Antwerpen richting Edegem, heerste een aangename drukte. De regen kletterde tegen de ramen en de ruitenwissers zwiepten op snel tempo heen en weer. Nu en dan rinkelde een telefoon. Verschillende mensen kwetterden in hun mobieltje. Ik had geen idee waarover er uren, al rijdend,  gepraat kon worden maar, tandpis, tijden veranderen. Anderen raadpleegden facebook of luisterden naar muziek. In ieder geval, de jongelui waren allemaal, stuk voor stuk, druk bezig met dat toestelletje in hun handen. Alle zitplaatsen waren bijna bezet en in de middengang was het drummen geblazen. Kinderen stapten, na een schooldag, luid babbelend en lachend op.  Een sompige regenwarmte deed de ramen aandampen en een school- zweetgeur zweefde over onze hoofden.  Op het middenpad stond een kinderwagen met een kraaiende baby, die met mij kiekeboe deed. Aan het station van Antwerpen kwamen er plots twee mannen de bus op. Geen van beiden betaalde een buskaartje. Dit wees erop dat de integratie in Vlaanderen praktisch helemaal geslaagd was. Alleen de brave, meestal oudere generatie burgers hielpen de omzet, van de Lijn, niet verder in het rood zakken. Dus ‘het zwartrijden’ was regel nummer één, die moeiteloos overgenomen werd door alle blanke en anders getinte Antwerpenaren. Een eerste man droeg een djellaba met daarover een colbert. Een jasje dat waarschijnlijk voordien reeds door drie generaties Vlamingen of Marokkanen afgedragen was. Op zijn hoofd een gehaakte pet zonder klep. Zijn kroezelige schaamhaarbaard wiegde van links naar rechts. De tweede dikke man zat diep in een donker trainingspak weggestoken, de kap volledig over zijn hoofd getrokken. Zijn baard stond alle kanten uit, alsof hij door de bliksem getroffen was. Twee indringende zwarte koologen bekeken alle medereizigers terwijl zijn groezelige handen de busstang omklemden.  Op hun rug hingen er twee identieke rugzakken. Het duo leek op een stelletje angstaanjagende figuren, het type dat op Borgerhoutse pleintjes rondhangt en hoopt naïeve, werkloze,  nieuwe Belgjes te radicaliseren.  Plots sloeg de sfeer in de autobus om. De gesprekken verstomden en reizigers probeerden oogcontact met elkaar de leggen. De beslagen ruiten kristalliseerden onmiddellijk de geur van 50 angstzwetende passagiers. De mensen schoven ongemakkelijk heen en weer op de klevende buszetels.  Ik bedacht dat de rugzakken wel wat klein waren om kalashnikovs te verbergen maar een terreurgordeltje kon ook best modieus onder een djellaba of een ruim trainingspak verstopt zitten.  De bus reed slopend traag van halte naar halte. Auto’s bumperden als slakken de stad uit en aan elk rood verkeerslicht moest er eindeloos gewacht worden.  Bij de eerstvolgende halte liep de bus al half leeg. De kinderwagen werd in alle haasten naar de uitgang gereden. Toeval of angstreactie, wie zal het zeggen. De beide mannen schoven door het gangpad richting achterkant van de bus.  Ik kon alleen maar denken, dat als die twee nu volledig in de ban van een zelfmoordideetje waren, aan een bommengordeltje dachten en aan een touwtje onder hun djellaba of trainingspak zouden trekken,  men wel van een heel slechte timing zou kunnen spreken. Manlief lag na een longoperatie in het ziekenhuis en verwachtte van deze Florence Nightingale elke dag een bezoekje en nog minstens een maand revaliderende thuisziekenzorg. Dus als die Islamietenhandjes nog maar richting heup of  rugzakje gingen, begonnen mijn voetzolen al te zweten. We hadden nog maar net, “Je suis Charlie” en “Je suis Paris” verteerd, dus “Je suis Edegem” stond nu niet direct op mijn verlanglijstje. Misschien wachtten ze wel met hun terreurvuurwerk totdat we met de bus door een drukke winkelstraat zouden rijden. Veel ongelovige vliegen in één klap. Doemscenario’s stuiterden tegen de gesloten busdeuren. Wat zou er gebeuren als straks dat tuig de lucht in ging?  Werd het een getorpedeerde, uitgebrande karkas van een lijnbus vol met verschroeide handen die hun mobiel omklemden? Zouden wij er uitzien als blokjes stoofvlees met klodders bloedworsthersens? Zouden die mannen onmiddellijk naar die 72 maagden gekatapulteerd worden? Zou men ons nog herkennen. Ik omklemde mijn schoudertas wat steviger. Men zou al met een koevoet mijn handtas, met identiteitskaart,  uit mijn nijpende hand moeten loswringen.  Het traject scheen eindeloos te duren. Antwerpen had weer, voor de zoveelste keer op een regenachtige dag, een volledig verkeersinfarct. Een paar schoolkinderen duwden met hun boekentassen tegen de rug van de twee mannen toen ze naar de uitgang ploeterden. De twee mannen draaiden zich geërgerd om. Man, man.. uitlokking..”Jezus”, hoorde ik een medepassagier zeggen. Ja, dit was nu, op dit moment, totaal niet de juiste man om in deze situatie aan te roepen. Normaal zitten er op dit bustraject steeds een aantal moslima’s. Nu waren er echter in einde en verre geen hoofddoekvrouwtjes te bekennen die zalvende onderhandelingen konden opstarten.  Een mobieltjes schetterde plots Arabische muziek door de bus. De twee mannen keken elkaar aan en overlegden in het Marokkaans of ze zouden opnemen. Dan drukte de dikke man op het knopje en wriemelde zijn mobiel zijn trainingskap in.. Griezelig stil werd het op de bus! 30 paar oren luistervinkten mee naar de mogelijke opdracht.  “Hallo, joa Mohamed”,”Joa zeg joeng, ik moest ierst wachtte totdat dien train van Brussel aankwam oem Mohammed af ‘t haole hé! Wai staan hier al een halfuur op die bus te geeloege hé. Da verkier zit potdicht in Antwaarpe. Ik zweer et gast, wai zen oep tijd vertrokke. En ja, wij emme dat kadoke veur die kleine bij! Joa joeng wai kome direct naar de kroamafdeling. We stoan in de file gelak iederien hé. Joa doar kunne wai toch niks aandoeng da gij der in de regen stoat , hé gast. Binne vijf minute zen we doar, tot sebiet.” De trainingsman lachte naar de froesbaard: “Jao Mo, da slimmeke staot daar in de gietende regen oep ons te wachtte, in pleuts van nor binne te goan!” Hun gezichten lichtten op ze grinnikten tegen elkaar.  De bus stopte aan het Middelheim Ziekenhuis en de djellabaman en zijn kompaan stapten af. De businhoud zuchtte, ademde terug normaal en het kakelen in de mobieltjes begon opnieuw. Mogelijke terreur doet wat met een normaal vredelievende mens.. “Je suis Edegem” was nog niet voor vandaag!   Sim, 8 december 2016

Sim
0 0

Psychiatrische afdelingen vechten mee tegen taboe rond psychische problemen

Psychiatrische afdelingen vechten mee tegen taboe rond psychische problemen “De kracht van patiënten staat centraal”   “Een belangrijk onderdeel van ons werk, is mensen motiveren en hun krachten mobiliseren. Het is namelijk de bedoeling dat zij een actieve partner zijn in hun eigen zorgproces”, vertelt Ignace Michiels, psycholoog en coördinator van de dienst psychiatrie op Campus Aalst en Campus Asse van het OLV Ziekenhuis. “De tijd dat patiënten in de geestelijke gezondheidzorg louter de zorg ondergingen, ligt ver achter ons. Vandaag leggen we de nadruk op de kracht van de patiënten.”   “Op 10 oktober was het Werelddag van Geestelijke Gezondheid. Onze patiënten hebben kunstwerkjes gemaakt, ontbijtkoeken geserveerd en onze medewerkers droegen een badge die verwees naar de Vlaamse campagne ‘Samen veerkrachtig’. Alle ziekenhuispatiënten kregen bij het ontbijt ook een flyer over dat thema. De campagne wil duidelijk maken dat mensen met psychische problemen er niet alleen voor staan, dat veerkracht belangrijk is en een zaak van iedereen is. Dat is precies wat onze visie op de psychiatrische afdelingen in het OLV Ziekenhuis ook kenmerkt”, aldus Ignace Michiels.     Geen psychiatrisch kliniek Het OLV Ziekenhuis heeft een psychiatrische afdeling, PAAZ genoemd (Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis), op Campus Aalst en Campus Asse, telkens met dertig bedden. De psychiatrische afdelingen staan open voor elke volwassen patiënt die met een psychische crisis te maken heeft. “De meeste patiënten komen via de spoedafdeling op de PAAZ in Aalst of Asse terecht, meestal door stemmingsstoornissen of middelenafhankelijkheid. Onze patiënten zijn gemiddeld 45 jaar oud en verblijven meestal zo’n twee tot drie weken bij ons. Als dat nodig is, krijgen ze na de crisiszorg die wij hen gedurende die periode bieden, verdere zorg van de huisarts of worden ze doorverwezen naar een psychiatrisch kliniek of de ambulante geestelijke gezondheidszorg. “Onze opnames zijn kort en we werken laagdrempelig. Onze afdeling is ook ingebed in het ziekenhuis.”   Die laatste optie betekent dat patiënten in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg opgevolgd worden, bij een zelfstandig psycholoog verder in behandeling gaan of in de polikliniek van het OLV Ziekenhuis terechtkunnen. Het contact dat wij op een PAAZ hebben met een patiënt is relatief kort, maar onze psychiaters kunnen patiënten achteraf blijven opvolgen via de polikliniek.” De PAAZ’en van het OLV Ziekenhuis verschillen dus van psychiatrische klinieken. “Op enkele punten zit onze werking anders in elkaar. Onze opnames zijn kort en we werken laagdrempelig. Bovendien zijn onze afdelingen ingebed in het algemene ziekenhuis, wat de toegang tot andere zorg vergemakkelijkt, indien nodig. Omgekeerd is het ook zo dat de psychiaters van onze teams instaan voor de zogenoemde ‘liaison’ met de andere afdelingen dat wil zeggen dat zij vaak betrokken worden wanneer er sprake is van een psychisch probleem bij een patiënt op een andere afdeling in het ziekenhuis.” 09 Zorg op maat Als patiënten opgenomen worden op een PAAZ van het OLV Ziekenhuis, doorlopen ze meestal drie fases. Ignace Michiels: “Bij de patiënten die met stemmingsstoornissen of alcoholproblemen bij ons terechtkomen, beginnen we met een eerste, diagnostische bevraging. Daarbij brengen we de problemen in kaart. Als tweede stap geven we vooral informatie over hun problematiek. We leggen dan bijvoorbeeld uit wat een depressie precies is en wat de belangrijkste aspecten in het ontstaan van een depressie zijn. In deze fase betrekken we ook de partner en familie van de patiënt. Daar hechten we heel veel belang aan. Werken vanuit de context waarin de patiënt leeft, kan een belangrijke hefboom zijn om vooruitgang te boeken. Vaak is het ook nodig om de weerstand tegen de opname bij de patiënt zelf aan te pakken. Patiënten hebben bij hun opname soms het gevoel dat ze gefaald hebben. Wij versterken hun motivatie en maken patiënten actieve partners in hun eigen zorgproces. In de behandelingsfase gaan we aan de slag, via groepsactiviteiten, individuele activiteiten, gesprekken, het uitbreiden van de ondersteuning op sociaal vlak en waar nodig, het opstarten of wijzigen van medicatie. Dat laatste is de exclusieve bevoegdheid van de psychiaters, die ook de globale behandelingsstrategie bewaken, in samenspraak met de patiënt. In onze behandelingen vertrekken wij dus in de eerste plaats vanuit de krachten en mogelijkheden van de patiënt en proberen we zorg op maat te bieden. Het clichébeeld dat hier en daar nog leeft over geestelijke gezondheidszorg, klopt dus niet. Onze patiënten zijn niet veel anders dan andere ziekenhuispatiënten en worden echt niet de hele dag versuft met medicatie.”   Psycholoog en operationeel verantwoordelijke van de zorgzone Geestelijke Gezondheidszorg Ignace Michiels: “Het clichébeeld dat hier en daar nog leeft over geestelijke gezondheidszorg, klopt niet. Onze patiënten zijn niet veel anders dan andere ziekenhuispatiënten en worden echt niet de hele dag versuft met medicatie.”       Therapeutisch plan Als patiënten van onze afdeling het OLV Ziekenhuis verlaten, hebben ze een therapeutisch plan, met een idee over hoe ze verder aan hun problemen kunnen werken. “We zijn tevreden met een behandeling als patiënten met dit plan veilig naar huis kunnen. Dat laatste wil zeggen dat wij verwachten dat ze niet onmiddellijk in een nieuwe crisissituatie terechtkomen”, vertelt Ignace Michiels. Volgens Ignace Michiels is er vandaag nog steeds werk aan de winkel om het belang van geestelijke gezondheidszorg duidelijk te maken en de negatieve beeldvorming rond psychische problemen tegen te gaan. “Dat is een opdracht voor de hele maatschappij, voor ieder van ons. We mogen niet vergeten: no health without mental health”, besluit hij.

Greet De Winne
0 0

Zure ochtend.

  Met een hand om de plakkerige stang boven mijn hoofd maken mijn voeten een dansje op het ritme van de bochten, in de tram op weg naar mijn werk. Langzaam trekt het bloed uit mijn gezicht weg terwijl een druppel koud zweet onder mijn muts vandaan rolt. O waarom wilde ik dit zo graag. Pffffffffff, ik puf een kleffe golf misselijkheid weg. Met mijn vrije hand trek ik de prikkende muts van mijn hoofd. Focus, naar buiten kijken. Ik sper mijn ogen open en probeer mijn blik te fixeren op een punt ver voor mij maar de ramen zijn beslagen. Die man achter me heeft gisteren knoflook gegeten en staat maar in mijn nek te hijgen. Ik voel mijn mond vol speeksel lopen. Zijn imposante buik duwt in mijn rug, nog even dan kan ik dat ook. Mijn god ik moet nu naar buiten, waar is de deur. Ik klauw met een hand om me heen op zoek naar houvast op weg naar buiten, de andere houd ik voor mijn mond. ‘Au’, een meisje met angstaanjagende eyeliner kijkt me verontwaardigd aan. Sorry, probeer ik met mijn ogen te zeggen, mijn lippen stijf op elkaar. Het verdere traject leg ik af zonder tenen te pletten en mensen vast te grijpen. De deur zwaait open, ik laat me naar buiten vallen terwijl ik de trap onderkots. ‘Getver’. ‘He moet dat nou’. ‘Jezus man’. ‘Goor’. Gelukkig klappen de deuren weer dicht en wordt het verdere commentaar me bespaard. ‘He gaat het?’ Het is Kris, thank god, hij pakt me vast en trek me mee het perron af. ‘Ik ben zwanger’, Ik klap dubbel en kots op zijn schoenen. ‘Liefje wat geweldig’, hij kust me op mijn zure mond.       (C) hanneke beeld en tekst

Miss Blue Sky.
0 0

Riffen zonder vissen

  Zonder de zon zouden we niet bestaan.Onze Aarde zou een dode planeet zijn in een ‘oneindig’ kille ruimte.Dankzij die vurige bol en de geschikte plaats dat onze planeet heeft weten te bemachtigen.Niet te ver weg om te bevriezen en niet te dichtbij, zoals Mars. Wat hebben we nog nodig om de oersoep te maken? Water. In de zee ontwikkelden zich de eerste organismen van eencellige wezens die na een paar miljard jaar evolueerden met een hoger bewustzijn.Heeft God ons geschapen? Nee, dat geloof ik niet. Waar ik wel van doordrongen ben is dat we onnoemelijk veel geluk hebben gehad dat alle voorwaarden voorhanden waren om leven te ontwikkelen.Zonder slag of stoot is het voortbestaan van een soort niet gegaan.Twee belangrijke aspecten hebben er aan meegewerkt; de voortplanting en angst. Die laatste emotie zorgde er voor dat een soort zich aanpaste om te overleven. Slag- en scherpe tanden, stekels, vergif, platen en kragen ter bescherming. Kolossale dieren die op elkaar inbeukten met horens en klauwen. De planten deden hiervoor niet onder; grootte, omtrek, stekels, vergif en parasiteren behoorden al tot hun arsenaal. Onder elkaar werd er ongenadig gestreden om het meeste licht en ze moesten zich nog verdedigen tegen de vraat –en verniel zucht van de fauna. Hadden de omstandigheden zich kunnen handhaven was het onwaarschijnlijk dat dit artikel werd gelezen, laat staan geschreven.De natuur had een duwtje nodig om alles beter te ‘tunen’.Een zetje in de rug door een enorme asteroïde.Niet het uit de kluiten gewassen steentje was de oorzaak van de ommezwaai.Wat het veroorzaakte na de impact - zo een vijfenzestig miljoen jaar geleden - werd desastreus voor al wat groeide, bloeide, loeide of gromde. Tsunami’s, schokgolven, vulkaanuitbarstingen en het opgeworpen stof na de inslag werd de zwanenzang voor de toenmalige reuzen. Omdat de zon niet kon doordringen tot in de biosfeer stierven de planten af. De herbivoren vonden geen voedsel meer en de carnivoren zagen na verloop van tijd ook hun vleesvoorraad verdwijnen en stierven de hongerdood.Al wat klein was kreeg eindelijk de mogelijkheid om uit hun schuilplaatsen te komen; de voorouders van alle zoogdieren.De ‘verfijning’ was begonnen en de mensachtigen kregen ongeveer vier miljoen jaar geleden hun kans om het podium te bestijgen.De humanoïden hadden een grote voorsprong dankzij hun groeiende grijze massa en hun aanpassingsvermogen. Zij konden abstract denken en vooruitplannen! Die mogelijkheden lieten toe dat de Homo Sapiens Sapiens de aarde veroverde. En hoe! De vrouwtjes werden monogaam en dankzij die trouw waren de mannetjes zeker van nakomelingen die hun genen erfden. Mensen gingen niet langer in stamverband leven. Ze verkozen familie en zoveel duizenden jaren later scheidde koppels met hun kinderen zich af van de rest van de familie. Ze gingen alleen wonen en de weg naar individualiteit werd gelegd.Daar zit nu juist het probleem van onze huidige samenleving. Waar eerst een hele stam en daarna de familie meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, bleef er alleen ma en pa over. Beide ouders gingen na verloop van tijd uit werken en het kroost werd uit handen gegeven of leerde op zichzelf te leven.Bijgevolg; stress voor alle kampen en gebrek aan zekerheid. Alle relaxatie – en meditatie therapieën ten spijt groeit het ongenoegen en zelfmoorden zienderogen. Willen we een hoger bewustzijn bereiken, dan kan deze enkel als we terug leren samenleven. De ouders gerust zijn in hun spruiten en de kinderen steeds op iemand kunnen terugvallen om zich veilig te voelen.Daar kan geen strekking of geloof tegen op!De manier van leven van onze voorouders heeft er toe bijgedragen dat we zo succesvol werden. Miljoenen jaren van wederzijdse zorg laat zich niet zo vlug onderdrukken.Socialisering is levensnoodzakelijk voor het algemeen welzijn. We moeten terug leren leven met familie, groepen, soortgenoten en uiteindelijk met heel de wereld bevolking. We zitten nu eenmaal allemaal in hetzelfde schuitje; die groenblauwe bol waarop alle leven ontstond ‘against al odds’.  

Fanny Vercammen
7 0

Er was eens...

‘Wel, wel, wel,… Rood-harig-kapje, zo alleen in de intense diepte van dit virtuele woud.’Die stem! Abrupt bleef ik staan. Dit kon niet waar zijn. Niet vandaag, niet hier.Ik maande mijn haperende hart aan om opnieuw het juiste ritme te vinden en keek behoedzaam over mijn schouder. Ongeveer vijf meter achter me verscheen hij. Zijn robuuste linkerpoot kwam als eerste tevoorschijn uit de schaduwen die hem omringde. Een tel later stapte de Grote Boze het bospad op en stond ik oog in oog met zijn woestheid. Zijn stugge bruine vacht zat vol doornen, alsof hij er net ingerold had. Hij was graatmager, maar ik wist dat dat niets afdeed aan de kracht die hij bezat. Hoe lang was het geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hadden? Een maand of drie? Een lichte bries bespeelde zijn nekharen en zette ze rechtovereind. Ik slikte. Hij zette zich schrap, boog lichtjes door zijn voorste poten en bracht zijn kop omlaag, waarna hij zijn lip optrok. De grom die uit zijn keel opsteeg, deed de rillingen langs mijn rug lopen. Hij zette een stap naar voren, langzaam, zonder ons oogcontact te verbreken. Paniek borrelde omhoog. Wat moest ik doen? Maken dat ik wegkwam en het pad des hazen kiezen of als een idioot bevroren blijven staan? Alsof het mijn reddingsboei was, omklemde ik mijn mentale mandje steviger. Net toen mijn hersenen opnieuw leken te functioneren en me toe schreeuwden enkele bliksemschichten uit de lucht te plukken, stopte hij plots. Met zijn rechterpoot nog omhoog, keek hij me verbijsterd aan. Zijn ogen leken uit hun kassen te puilen. Het was zo vreemd om te zien dat ik me naar hem toekeerde.‘Wat heb jij grote ogen!’ zei ik.Zijn oren richten zich naar voren bij het horen van mijn stem. Pas nu viel me op hoe groot ze waren. Ik wilde er net iets van zeggen toen hij zijn enorme muil opende en oprecht gechoqueerd riep: ‘Wat heb jij in de-zeven-geiten-hun-naam aan je voeten?’Verbaast om zijn vraag keek ik omlaag naar mijn voeten. Dat was belachelijk aangezien ik heel goed wist dat ik op glazen naaldpuntige hakken stond. ‘Welke idioot draagt van die kuitenkillers in een woud? Hoe haal je het in je hoofd?’ Woest keek hij me aan, al had het niets meer te maken met de eerdere spanning. Nee, hij was gewoon kwaad.‘Wat maakt het uit dat ik…’‘Wat maakt het uit!? Ik zit hier in de-zeven-geiten-hun-naam al een hele dag tussen de doornen te stinken tot jij eindelijk komt opdagen! Niet moeilijk dat het zolang duurde. Ik mag nog van geluk spreken dat je in überhaupt hier geraakt bent. Hoe denk je dat ik me zou voelen als je je voet had verzwikt ofzo? Ik sta al maanden op sla en wortelen om er uitgemergeld uit te zien. Bij de drie biggen nog aan toe, heel deze scene is om zeep. Alle opgebouwde spanning, weg,…foetsie.’‘Sorry, ik wist niet eens dat dit een scene was…’ Ik keek om me heen. Zocht naar verborgen camera’s en belichting, maar ik zag niets. ‘Doe niet zo onnozel, elk Rood-harig-kapje heeft een Grote Boze als antagonist. Dat weet het kleinste kind.’ Nonchalant stapte hij naar me toe en zette zich zuchtend voor me. ‘Waar wilde je eigenlijk heen op die monsters?’ Hij draaide zijn kop naar zijn rechter flank en begon voorzichtig de doornen uit zijn vacht te halen. ‘Naar Grimm en Grimm,’ zei ik. Met een ruk keerde hij zich weer om, spuugde de drie doornen uit die hij tussen zijn tanden had en vernauwde zijn ogen. Vol argwaan snifte hij met zijn neus. ‘Wat moet je van die twee? Die gasten sporen niet.’‘Waarom niet?’‘Je hebt ze duidelijk nog nooit ontmoet, anders zou je dat niet vragen.’Ik wiebelde wat op mijn naaldpuntige hakken. Waarom zei hij dat? Wat wist hij van hen? ‘Laat ons zeggen dat ze in hun eigen wereldje leven,’ zei hij als antwoord op mijn vragende blik. ‘Maar Soit, waarom wil je er naar toe?’‘Ik wil een ander einde.’Wat hij ook gedacht had te zullen horen, dit was het duidelijk niet. De Grote Boze gaapte me met open muil aan. Man, wat stonk die gast uit zijn bek! De zoete walm was zo penetrant dat uit de dichtstbijzijnde struik een zwerf fruitende vliegjes opsteeg en rond zijn kop begon te dansen. ‘Je wilt een ander einde!?’ Hij schudde zijn kop en hapte naar de irritante beestjes die nu zo arrogant waren om op zijn kop neer te strijken. Mijn maag keerde toen hij een aantal inslikte. ‘Yep, ‘ zei ik alleen maar.‘Waarom wil je dat?’ Vroeg hij bruusk. Zijn toon verbaasde me. Als ik van iemand verwacht had blij te zijn met een ander einde, was hij het wel. ‘Ik had nooit gedacht dat je het leuk vond om telkens in je gat geschoten te worden. Ben jij zo eentje die kickt op pijn?’ Onwillekeurig bekeek ik zijn poten beter, zoekend naar striemen. ‘Doe niet zo belachelijk! Natuurlijk vind ik dat deel maar niks, domme gans. En stop met bogen te lopen en vertel waarom jij een ander eind wil!’Ik voelde mijn wangen gloeien en keek naar mijn glazen naaldpuntige hakken. Neeee…’ haspelde hij. ‘Dat meen je niet!’ Zijn schatterlach kwam van diep. Hij zakte door zijn poten en rolde op zijn rug van het lachen. Tranen gleden over zijn snuit. Hij snifte een paar keer, poogde zijn lach te onderdrukken maar slaagde er nauwelijks in. ‘Jij wilt een prins. Whaahahahahahaha. Wat een mop. Wat dacht je? Dat je op die naaldpuntige hakken er wel eentje aan de haak kon slaan?Schat, je kunt beter die kikker daar gaan kussen, heb je meer kans.’Ik kruiste mijn armen en keek hem diep beledigd aan. ‘Waarom zou ik geen prins mogen? Ik ben het beu om telkens met dit rotmandje te moeten sleuren. En dan deze jurk. Vreselijk, het wit is zo grauwgewassen dat het net is of ik ze al eeuwen draag.’Hij gniffelde nog een keer, haalde diep adem en zette zich recht. Met zijn kop schuin gehouden taxeerde hij me: ‘Kletskoek van Grietjes huis, jij wilt helemaal geen prins. Jij bent veel te vrijgevochten om een knapperd te willen. Vertel me nu gewoon wat er scheelt, dan kan ik helpen en kunnen we verder.’Dju, wat kende die gast me goed. Veel te goed!‘Komt er nog wat van? Ik heb honger.’ Wachtend op antwoord begon hij de haren van zijn linkerpoot schoon te likken. Ik zuchtte. Wat had het ook voor zin? Misschien deed het wel deugd om hem de waarheid te vertellen. Het gemaskerd bal was nu al een poos geleden en nog steeds droeg ik het mijne. Aarzelend en zacht liet ik de woorden van mijn tong rollen: ‘Mijn leven is een sprookje,vol trollen en gnomen die sporen op nachtelijke merries over brandende vlaktes van dagelijkse raadgegeven door draken van mensen die me smalend toejuichen:‘Laat je haren zakken Rood-harig-kapje, en spring!’in de diepe put van vrouw Holle laat ik verbrande schepen achtervol pek en goud draal ik in mijn zevenmijlslaarzen en vlucht, wegvan appels vol venijn, die blinkenin de rimpelende handen van gemaskerde mannen met monotoon getrokken zwaarden, die snijden in hopende harten van landloze wezen die zielloos dansen, om klatergoud en gebroken potten eenzaam dwaal ik over paden van er was eens en ooit.’   Ik slikte. Voelde me plots zo leeg, nu ik het eindelijk hardop had uitgesproken. Een enkele traan gleed over mijn wang. Teder veegde de Grote Boze hem weg met zijn natte snuit. Zijn blik was zacht, vol begrip, maar zijn woorden kwamen binnen:‘Staak je vruchteloze vlucht naar anderseen Rood-harig-kapje past niet in des konings paleizen, vol kale pracht en praal, gevangen in leegtegekooid als een Chinese nachtegaalIk ben het, dwars en dravend over brandende vlaktes waar ik nachtelijke merries verscheur, in kleurrijke dromendool ik doelgericht om je heen opdat trollen en gnomen je niet langer storen,dat gemaskerde mannen er niet meer in slagenmet monotoon getrokken zwaarden je hart te rakenprins noch wit paard laat ik naderbij, want jij en ikwij horen samen in dit virtuele woud.’Met open mond ademde ik de stilte tussen ons in. Hij snoof, rolde met zijn ogen en knielde voor me. Voorzichtig nam hij mijn linkerkuit vast en wrikte mijn schoentje los.     Word vervolgd,Ooit, eens….   ©tekst Karen Willekens, 2015, foto: free download  

Karen Willekens
0 0