Lezen

hier

"Hee, waar is die jurk naartoe? Die stond je zo goed! "Zeker beter dan... eh... dit. Je was er zo mooi mee."   Het ding is, die jurk, daar stond ik helemaal niet mee. Het was namelijk nooit mij die die jurk droeg.   Zie je, ik ben niet dit 'meisje' dat je ziet. Je zal het nooit zien, de manier dat ding brandt in mijn huid. Hoe ik het voel jeuken voor dagen achter elkaar, lang nadat ik het heb ongeruild voor iets meer ik en iets minder 'meisje'.   Je gaat nooit zien wat die jurk achterlaat op me. Dat zie je alleen aan de binnenkant, niet op de huid.Oh deze huid, die voelt niet van mij. Ik heb al geprobeerd om hem open te snijden   maar   het lijkt maar niet te werken, ik -   Ik kan dit niet meer, mam.Ik kan dit niet meer, zus.   Ik kan dit niet meer, iedereen.Het is genoeg geweest.Ik voel me vastgezet in deze kooi die je 'meisje' moet noemen.Je ziet me er niet achter, dus het kan je niets schelen.Je misinterpreteert mijn lichaam, je ziet het aan voor iets dat het niet is. Mijn lichaam wordt constant vertaald uit de verkeerde tongval. Je denkt dat je weet wat het betekent, maar eigenlijk is het het omgekeerde van dat.Ik zeg wel dat ik oké ben, maar oké is het omgekeerde van hier. Hier voel ik me niet veilig, dit lichaam is niet iets waar ik dankbaar voor ben maar het is het enige dat ik kan veranderen.Misschien dat de mensen dan eindelijk zullen snappen wat ik bedoel.Ze kennen me niet.Ze kennen dit meisje, maar 'dit meisje' ben ik nooit. Het is eerder een uniform in de verkeerde maat, toegewezen bij de geboorte maar nooit om gevraagd en in de plaats van gewoon te vragen of ik liever een andere maat heb,   Is het enige dat mensen doen proberen me te krimpen zodat de afbeelding past.

lassodemaan
2 0

Vaartfietsen

Hier, aan het kanaal dat zich plooit rond het met uitsterven bedreigde boerenlandschap, lijkt het ruisen van de bomen verwant te zijn aan het klankspel van de eindeloze omwentelingen van het zeewater. Hetzelfde geluid dat men je als kind wijsmaakt in schelpen te horen, maar dan tastbaar dichtbij. Enkel nog het gezoem van kriebelend kleine beestjes en het zingen van vogelcorrespondentie weerhouden een hoorbare hegemonie van bladeren en wind. Mijn zeurende, ranke benen stampen op de trappers van mijn fiets alsof ze ook de godganse planeet op haar as moeten voortstuwen. De achterband heeft besloten dat ie het voor bekeken houdt maar ik blijf steevast ontkennen dat de band z`n laatste adem al uitgeblazen heeft, blijf koppig de tandwielen bestaansreden toekennen met het cirkelen van mijn benen. Eerlijk gezegd deert het me bitter weinig dat mijn transport aan efficiëntie verliest. Het gestaag voorbijglijden van het landschap troost me, strijkt de strubbelingen van m`n nerveuze gedachtekronkels glad. Een uitstel van afscheid is dus even welkom als het onweer op een zwoele zomeravond, net zo verlossend ook. Het zonlicht, dat zich fonkelend op het wateroppervlak neerlegt, draagt dezelfde verbijstering van een heldere sterrennacht met zich mee. Ik blijf het wonderbaarlijk vinden, hoe tegengestelden vaak toch zo gelijkaardig zijn.In zekere zin, geven het omringende schouwspel van natuurkrachten en de plotse traagheid van mijn fiets een verrassend subliem karakter aan een anders onbenoemenswaardig transport. Ook al is het niet het soort verrassing dat je op de knieën dwingt en de mond & ogen wijd openspert om mirakelen te aanschouwen, toch voel ik me aangenaam overmeesterd. Ik adem, onverwachts moeiteloos, en voel dat het gewicht van de Aarde niet langer op m`n borst en schouders rust. Ik ben Atlas, van z`n last verlost.

Louche Loesje
2 0

Vaartfietsen

Hier, aan het kanaal dat zich plooit rond het met uitsterven bedreigde boerenlandschap, lijkt het ruisen van de bomen verwant te zijn aan het klankspel van de eindeloze omwentelingen van het zeewater. Hetzelfde geluid dat men je als kind wijsmaakt in schelpen te horen, maar dan tastbaar dichtbij. Enkel nog het gezoem van kriebelend kleine beestjes en het zingen van vogelcorrespondentie weerhouden een hoorbare hegemonie van bladeren en wind. Mijn zeurende, ranke benen stampen op de trappers van mijn fiets alsof ze ook de godganse planeet op haar as moeten voortstuwen. De achterband heeft besloten dat ie het voor bekeken houdt maar ik blijf steevast ontkennen dat de band z`n laatste adem al uitgeblazen heeft, blijf koppig de tandwielen bestaansreden toekennen met het cirkelen van mijn benen. Eerlijk gezegd deert het me bitter weinig dat mijn transport aan efficiëntie verliest. Het gestaag voorbijglijden van het landschap troost me, strijkt de strubbelingen van m`n nerveuze gedachtekronkels glad. Een uitstel van afscheid is dus even welkom als het onweer op een zwoele zomeravond, net zo verlossend ook. Het zonlicht, dat zich fonkelend op het wateroppervlak neerlegt, draagt dezelfde verbijstering van een heldere sterrennacht met zich mee. Ik blijf het wonderbaarlijk vinden, hoe tegengestelden vaak toch zo gelijkaardig zijn.In zekere zin, geven het omringende schouwspel van natuurkrachten en de plotse traagheid van mijn fiets een verrassend subliem karakter aan een anders onbenoemenswaardig transport. Ook al is het niet het soort verrassing dat je op de knieën dwingt en de mond & ogen wijd openspert om mirakelen te aanschouwen, toch voel ik me aangenaam overmeesterd. Ik adem, onverwachts moeiteloos, en voel dat het gewicht van de Aarde niet langer op m`n borst en schouders rust. Ik ben Atlas, van z`n last verlost.

Louche Loesje
0 0

de Schrik van het Katelijneplein

Een tijdje geleden ging ik op café met een vriendin van mij die nog maar pas in Brussel woont. We spraken al een paar keer af, maar elke keer komt de vraag terug. “Ben je niet bang, ’s avonds alleen in Brussel?” Zelfverzekerd schud ik mijn hoofd. Ze kijkt alsof er iets mis is met mij. Brussel is groot, eng en gevaarlijk. Zeker wanneer je als meisje ’s avonds alleen over straat loopt, dan moét je schrik hebben. Maar ik niet. Ik ben de Schrik van het Katelijneplein - ik breek je hart, ik breek je benen.   Misschien komt het door mijn geweldige en allesoverheersende badassness. Ik ben waarschijnlijk het toonvoorbeeld van hashtag whitegirlproblems, maar als ik De Jeugd van Tegenwoordig luister, word ik Queen Bitch. Dan ben ik de zwarte Afrikaanse met gouden kettingen, opzichtige schmink en een sigaret in haar mond die de buurt doet bibberen door enkel en alleen haar rechterwenkbrauw te heffen. Ik ben de Schrik van het Katelijneplein - ik breek je hart ik breek je benen.   Diezelfde avond wandel ik haar van centrum Brussel naar huis richting Marollen en terug. Een wandeling van drie kwartier, het andere gezelschap verklaart me getikt. Maar het is allemaal een kwestie van attitude. Geen kort rokje maar een badass broek. Geen hakken, maar stoere sneakers. Geen bling bling, maar een donkere jas en hopen stoere praat in mijn hoofd. Ik kom de hele tent bakken, slet. We raken zonder problemen op haar bestemming en ik vertrek zonder problemen terug richting die van mij. Nog vijfentwintig minuten. Ik ben de Schrik van het Katelijneplein - ik breek je hart, ik breek je benen.   Het begint lichtjes te regenen. Niemand op straat, geen probleem. Maar plots lijkt het alsof iemand mijn naam roept. ‘Evelien’, midden in de Marollen? Yeah right. Ik draai mijn hoofd en kijk recht in de ogen van een kaalgeschoren veertiger. Mannelijk. Mijn ogen neergeslagen, stap ik snel verder. Een opmerkelijk hoger tempo dan voorheen. Ik steek De Jeugd in mijn oren en kalmeer. Ik ben de Schrik van het Katelijneplein - ik breek je hart, ik breek je benen.   Op een smal stuk kruis ik iemand -onschadelijk omwille van zijn 1m40- en terwijl voel ik zijn hand op mijn knie. Daarna heeft hij mijn knie niet meer in de hand, maar op een plek waar hij die liever niet heeft en vervolgens ligt hij neer op de grond. In mijn hoofd, want lichamelijk ben ik al naar de overkant van de straat gesneld.   Vanbinnen bibber ik ook. Soms. Maar gelukkig heb ik De Jeugd van Tegenwoordig om mijn badassness te triggeren. Vuistje.

Evelien
1 0

Aeroplot

opgelucht en hoog boven de grond oh yeah do believe   queen mab’s tupolev I steer   want ik ben de bloedrode muskiet piloot in zwarte jas haar schamele koetsier   dat is gelogen weet u toch oef! morgen eet ik weer gewoon een trouwe buis   pirato chips met zout hopend dat het komt vanuit de doodste zee   fresh filtered coffee now on board ik koop ze nooit niet meer    die pringles kijk dan toch die afgebeelde opgezwollen kop die louche snor is vast   hercule poirot maar dan obees geraspte koolrabi meneer een tupperware pot vol ovale peppillen   voor mij alleen ik huiver knabbel hoor aldoor gekonkelfoes ik klappertand bestel een versgeschoren   airhostess die poes ze hunkert naar gelogen dromen en gestreel   heeft u een neusdeksel één setje hoofdwormen of bipolaire rupsen in een hoekje   ligt een rammelaar vergeten mensloos het bestaan was stil ik lees een boekje   over koudvuur warme drankjes gisteren was ik nog thuis en bang de post   werd in de bus gegooid ik kroop omdat de vloer betegeld was met angsten die   ik te goed ken een proefdruk lag er van een zelfmoordboek want mijn geschrift het is   erbarmelijk als hanepoten lelijk als die haast fatale dagen zonder foxy lady   here I come no sex no drugs no rock & roltabak verkoopt men niet op deze vlucht ze   vliegt over de secundaire wegen in de weide staat la vache qui rit met stokjes   dipplezier een leefkarwei and who the hell wrote this shit oh gosh! ik vergat het    ben slechts een muskiet queen mab besprenkelt elke nacht mijn grijze cellen willen goddamn heaven's feel   ze kruipen uit mijn schedel liggen op een kussentje verlangen naar de zuurste frisheid chot   het schiet me nu tebinnen dat ik echt hield van vuurtoornroosjes nek en   princess lullebite had scherpe tandjes wat een gesel heerlijkheid   ik zit hier nu gereed te wachten op het verse   bloed de vloed warrige wezens   deze nacht ben ik gewoon weer een soldaat met nachtmerries geen handen   zullen zweet deppen op malle donderdagen wil ik het weer voelen hoe ik ooit werd   geboren half doof blind onbewust een tepel lekker in de mond die voetjes o zo klein   mijn toekomst was al weggesmeten en de nageboorte lag nog   rustig op de grond in de gebakken lucht           uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
5 0

Zuignappen en druipsporen

Zoetemelk is zonder twijfel de bekendste, vraag het maar aan Merckx. Maar er zijn tal van andere voorbeelden. Ze zijn immers van alle tijden: de wieltjeszuigers. De mindere goden. De jongens met het net-niet-talent die in het doorgedreven aanklampen hun enige mogelijkheid zien om af en toe, zij het steels en met diepliggende ogen en schuimbekkend van de inspanning, een overwinning weg te kapen. Een verwerpelijke staaltje van plat opportunisme dat zijn oorsprong vindt in de hunker naar een vette prijzenpot. Mindere goden willen zich ook wel eens wat luxe kunnen veroorloven. Enig begrip is daarvoor op te brengen, zij het dat men van deze derderangscoureurs zou mogen verwachten dat zij tijdens de koers op z'n minst de indruk wekken met aanvalslust begiftigd te zijn. Ter eer en glorie van zichzelf! Zelfs al draagt een occasionele demarrage niet verder dan enkele tientallen meters en wordt de onbezonnen aanvaller aanstonds door de superhelden met huid en haar verslonden, dan nog kan hij na één zo’n aanval bogen op een zekere status. De doorsnee wielerfan sluit underdogs die gezegend zijn met een onstuimige aanvalsdrift graag in de armen. Daar was de Belg Ludo Dierckxsens het perfecte voorbeeld van. Een nog verwerpelijker soort van wieltjeszuigers vind je in het dagelijks leven, waar geen prijzen te rapen vallen. Als gewoontefietser word ik er haast iedere dag mee geconfronteerd. Je bent rustig naar je werk aan het peddelen en plots word je gewaar dat je schaduw vlees geworden is. Op een zucht van jezelf, alsof je snelbinder in het stuur van een achterligger verstrikt is geraakt, word je gevolgd door een man (heel soms een vrouw) die er alles aan doet om in je zog te blijven. Doel: zichzelf uit de wind zetten. Erg hinderlijk. Niet omdat ik aan een milde vorm van achtervolgingswaan lijd, maar omdat de wereld plaats genoeg biedt om in een aanvaardbare ruimte voor ieders aura te voorzien. Bovendien zijn spatbordklevers levensgevaarlijk. Eén kleine stuurfout van jezelf of je achtervolger kan een vreselijke, misschien wel fatale valpartij tot gevolg hebben. Telkens ik zo'n zuignap aan mijn wiel voel hangen, ga ik feller op de trappers beuken in een poging de schaduw af te schudden. Soms lukt dat, maar net zo vaak zit je opgescheept met een pitbull die niet zinnens is zijn beet te lossen. Je hoort hem kreunen als een barende vrouw en voelt zijn hijgende adem je nek. Na afloop moet hij wellicht aan de zuurstoffles, maar lossen doet hij niet.   Laatst had ik de idiootste sukkel van allemaal achter me aan. Kilometerslang hing de uitslover op millimeters van mijn achterwiel. Het leek wel alsof we op een tandem reden! Nadat ik tot vijf keer toe een onsuccesvolle demarrage had geplaatst, werd het me duidelijk dat ik mijn silhouet niet kon afschudden. Ik hield in. Kun je een wieltjeszuiger niet losrijden, dan is hem laten voorbijrijden een betere optie. Maar ook daarvan wilde dit exemplaar niet weten. Net als ik hield hij de pedalen stil. Ik keek geërgerd om. “Doe maar, doe maar, doe maar, doe maar!” spoorde hij me aan, terwijl hij zich surplacend in evenwicht trachtte te houden. Een halve seconde dacht ik met een vurige fan van Hennie Vrienten te maken te hebben. Maar aangezien ik voor geen meter op deze begenadigde liedjeszanger lijk, bande ik de gedachte uit mijn hoofd. “Wat, doe maar?” snauwde ik hem toe. “Heb je nooit naar het wielrennen gekeken?" vroeg de wieltjeszuiger, met een vanzelfsprekendheid die me met verstomming sloeg. "Daar doen ze dat allemaal!”   Ik schudde mijn hoofd om mijn hersencellen in een rotatie te brengen, in de hoop dat dit mijn begripsvermogen zou verhogen. Het mocht niet baten. Deze repliek was niet te vatten, laat staan van een gevat antwoord te voorzien. Omdat ik het surplacen nooit langer dan een halve minuut volhoud, trok ik me terug op gang. De man meteen weer in mijn wiel. Ik voelde me een deel van een Siamese tweeling. Twee kilometers lang bleef ik mijn tempo gestaag opvoeren tot ik het spuugzat was en de remmen bruusk dichttrok. De pseudo-Zoetemelk scheurde rakelings langs me heen, keek vernietigend naar me om en riep: “Halve gare!!!”   Een ander slag idiote fietsers waar je af en toe mee te maken krijgt, is 'de bewijzer'. Het haantje dat graag wil tonen dat zijn lellen de roodste van het kippenhok zijn. Dit soort macho komt je met haast supersonische snelheid voorbij geijld om even verder halfdood over zijn stuur te hangen omdat hij zijn krachten schromelijk overschat heeft en zijn recuperatievermogen ontoereikend is. Wat later haal je hem daardoor, rustig peddelend, vanzelf weer in. Uit die "vernedering" puurt de bewijzer zijn tweede adem om je opnieuw als een ziedende vuurpijl voorbij te stuiven. Om even verder nogmaals een stille dood te sterven. Zo kan het kilometers doorgaan. Jaren geleden vocht ik ongewild een robbertje uit met zo'n sujet. Tot vijf keer toe zag ik me genoodzaakt hem terug in te halen omdat hij van de inspanning als een deeg in elkaar was gezakt. Bij mijn laatste inhaalmanoeuvre hoorde ik hem tot mijn afgrijzen van pure frustratie het zware geschut bovenhalen. Met een vervaarlijk keelgeluid zoog hij zijn sinusholte vacuüm en mikte het opgehaalde slijm met onvermoede kracht achter me aan. Ik trapte mijn fietsketting zowat aan diggelen om het ranzige projectiel voor te blijven. In één moeite door reed ik daarbij mijn belager uit het wiel. Klus geklaard, dacht ik… tot ik een half uur later thuiskwam, en op de rugzijde van mijn jas een walgelijke kwak afdruipend slijm aantrof. Het venijn van mijn antagonist was bezig een gat in de stof te vreten. De aanschaf van zo’n carnavaleske fietshelm heb ik nooit overwogen, maar een beschermend pak lijkt me geen overbodige luxe.

Lou Van Lier
4 0

Krukje

Als ik thuiskom zit ze op een krukje. In de keuken. Waar ze anders rechtstaat en fluks tussen potten en pannen, schuiven, kasten en couverts laveert. Of beter huppelt. Danst. Alsof haar voeten de grond niet raken, en ze met een vingerknip en een glimlach de dingen kan laten doen die ze graag wil dat ze doen...   Vandaag weegt alles lood, en werkt alles tegen. Gaat het ontzettend traag of helemaal niet. Lopen en springen de spulletjes van haar weg, naar de grond toe om daar te versplinteren en weg te schieten onder alle hoekjes en kantjes...En toch kookt ze. Omdat het zo afgesproken was, en omdat ze het wil. Omdat het moet. - Er moet niets, zeg ik en gebruik haar woorden.- Nee... Ze zucht.- Ik weet wel. Maar toch.- Wat maak je?- Pannenkoeken. Ik had in niets anders zin.   De rest kan ik verzinnen. Hoe ze vandaag nog niets gegeten heeft omdat haar maag overhoop ligt. Ik vraag me af of ze kunnen douchen heeft vandaag, en of ze daarna niet boven de pot gehangen heeft. En in hoeveel keer ze de trap naar beneden is geraakt... Minstens twee keer uitrusten, denk ik. 18 treden.- Pannenkoeken zijn geweldig, lach ik. Ik vind het leuk, de kinderen vinden het leuk.   Ze kijkt me aan en glimlacht. Haar putjes in haar wangen lachen mee, maar haar ogen niet. Die zijn vochtig en mat. Ze stelt zich recht en komt een knuffel halen. Als ik mijn armen rond haar heen sla en haar hoofd op mijn schouder ligt, snikt ze. Eén keer. Ik voel hoe haar hand mijn schouder lost. Ze kijkt me aan, ademt diep in, gaat terug op haar krukje zitten en draait de pannenkoek om.- Die was bijna teveel gebakken.Ze kijkt me terug aan.- wil jij koffie zetten? En de tafel? We kunnen bijna eten.

Benoit
1 0

Volgende halte: Antwerpen-Berchem.

De trein doet alsof er niets aan de hand is. Hij rijdt, zoals treinen rijden, luid denderend over het spoor en net iets te laat. Het landschap schuift voorbij, de blikken van verveelde reizigers zijn gericht op boerderijen die ooit the middle of nowhere toebehoorden. Nu moeten ze het met de lijn Gent-Antwerpen in hun achtertuin stellen. De koeien grazen, alsof er niets gebeurde.   Ik zit in een rustige wagon, maar mijn hart klopt in mijn keel. Mensen praten amper. Zij laten hun pupillen over de huizen hoppen. Zij scrollen door hun Facebook-feed op veel te grote smartphoneschermen. Zij sluiten hun ogen, maar proberen niet in slaap te vallen. Zij lezen de krant of een boek. Mijn boek.   Ik stootte mijn voet tegen die van een medepassagier toen ik tegenover hem plaatsnam. Ik stamelde ‘excuseer’, maar de man bleef verdiept in zijn boek. Op de paperback cover staat een foto van de schrijfster. Verbaasd kijk ik mijn breed glimlachende zelf in de ogen. Deze man heeft in de boekhandel naar het coverontwerp gegrepen dat ik zorgvuldig heb uitgekozen, hij heeft de achterflap gelezen en besloten het boek een kans te geven. Misschien las hij enkele dagen eerder het onopvallende artikeltje in het regionale dagblad waarin m’n debuut kort werd besproken.   Hij heeft me niet herkend. Hij heeft me nog niet eens aangekeken. Zijn ogen glijden over de bladzijden, zuigen de woorden op. Ik ben verstijfd van een gevoel dat het midden houdt tussen angst en pure blijdschap. Hij leest mijn boek! Moet ik me voorstellen? Hem de hand schudden? Hem lachend in de armen vallen en bedanken? Zou hij vriendelijk mijn verhaal bejubelen of eerlijk en doordacht zijn mening geven? Hij is nog niet halfweg. Heeft hij zijn oordeel al klaar?   De trein stopt in het station Gent-Dampoort. De man staart enkele seconden naar buiten terwijl hij zijn wijsvinger tussen het boek houdt, op de juiste pagina. Hij werpt een blik op zijn polshorloge. Hij laat zijn kaken vollopen met lucht en laat die met een diepe puf ontsnappen. Zijn blik kruist grijnzend de mijne. Ik krimp ineen. Hij opent het boek en geeuwt bescheiden. Ik zie zijn ogen weer over de pagina’s gaan. Snel. Sneller en sneller. De ene bladzijde na de andere lijkt hij in een wip om te slaan. Ik wil opstaan en wegrennen. Op naar een andere wagon, maar mijnen benen zijn als spaghettislieren zo slap. Ik duik weg in mijn grote sjaal en zit maar wat naar mijn smartphone te staren.   Hij is m’n boek beu. Iets meer dan een derde heeft hij gelezen en de verveling slaat genadeloos toe. Hij leest niet meer. Hij scant. Hooguit nog op zoek naar een ontknoping. Dat ene ding over dat ene personage wilde hij toch nog te weten komen, alvorens het boek in de boekenkast te duwen, tussen andere werken van andere schrijvers, en het er nooit meer tussenuit te halen. Nooit aanraden of uitlenen. En op een dag, om plaats te maken, zal hij het wegschenken. Misschien wil iemand het wel hebben om te verkopen op de rommelmarkt of om de pagina’s te gebruiken voor een knutselwerk. In het beste geval maakt hij er op een dag het haardvuur mee aan. Krijgt hij het toch nog warm van mijn bloed, zweet en tranen.   We naderen Antwerpen-Berchem. Ik richt mijn blik op en mijn verbazing kan niet groter zijn. De man glimlacht. Hij glimlacht breed terwijl hij met zijn rechterwijsvinger de pagina’s van mijn boek streelt. Ik kan bedenken welke scene hij nu leest. Ik schreef ze op een herfstdag, toen de regen een hele zondag met bakken uit de lucht viel en mijn man bij vrienden naar het wielrennen keek. Ik had thee en gebak en rust. Het ruisen van de regen vertaalde zich naar een melancholische woordenstroom. Ik had aan deze passage later haast niets meer aangepast. Ik zag de man gretig woorden verslinden en een kwartseconde zenuwachtig naar buiten kijken. Ik zag hoe hij nu niet de trein wilde verlaten, het boek niet wilde dichtklappen. Niet wegvluchten uit die fictieve wereld waarin hij gevangen zat.   “Dames en heren, zo dadelijk komen wij aan in Antwerpen. Deze trein heeft haltes in Antwerpen-Berchem en Antwerpen-Centraal, tevens het eindstation van deze trein.” De bladwijzer wordt geplaatst, een reclameflyer, en haastig trekt de man zijn vest aan. Ik haal opgelucht adem. Het perron schuift in beeld. De trein houdt halt. Voor ik het weet is de man verdwenen. Ik zie hem nooit meer terug. Ik zal nooit weten wat hij er écht van denkt, maar vind dat best. Ik sla mijn ogen neer en zie mezelf, op de achterflap van een boek dat achteloos met de rug naar boven op de zetel is blijven liggen. Ik zie de man, mijn lezer, door het raam passeren. Gehaast.  

cielien
13 0

waar het niet kruipen kan

ze zegt dat ik veilig moet vrijen en het wordt stil in de kamer. ondanks alle rotzooi vind ik mijn leven beter dan het hare. getrouwd met de eerste man met wie ze gevreeën heeft. ik kan het mij niet eens voorstellen. dat soort dromen is al lang kapot. het is een cliché, maar ik benader iedereen met afstand. de laatste tijd is het moeilijk te vallen op mannen die het beste met me voor hebben. ik zoek bevestiging in seks, wat lukt. al die andere dingen blijken moeilijker te zijn. mijn platonische liefde is altijd te veel, te hebberig, te intens. ik vorm keer op keer een belemmering voor iemands persoonlijkheid.    vandaag zag ik iemand die op hem leek, ik viel bijna flauw. ik liep één keer voorbij en voelde dat hij keek. verder kwam ik niet. ik voelde me bitter, maar ook dankbaar voor zoveel schoonheid. als het kon, stopte ik die man in een kooi op mijn kamer om naar te kijken. nee dat zou ik waarschijnlijk nooit echt doen, maar het is een leuke fantasie. wie schoon is, verdient het te lijden. moest ik een oudere man zijn, zouden dat de woorden zijn van een verkrachter. gelukkig ben ik 24/V. het zijn woorden die me bang maken, die me naar de keel grijpen. ik ben bang dat ik ooit krijg wat ik verdien.   mama probeert me te waarschuwen voor het leven door mij de laatste verkrachtingsverhalen uit de krant door te spelen. inclusief gruwelijke details. ik word er kwaad van als ze dit doet, omdat ze lijkt te willen zeggen dat ik zoiets gemakkelijk kan voorkomen. en dat het dus aan het meisje zelf lag. en dat het aan mij zou liggen als zoiets zou gebeuren.   als ze daarna een pakje koekjes en een stuk fruit klaar legt op tafel om mee te nemen naar Antwerpen, word ik vertederd en verdrietig. 

Elke De Schacht
15 0