Lezen

PMClub nieuwsbrieven + SelfArchitect promo

Beste lezers, beste leden Alhoewel het met deze buitentemperaturen misschien niet nodig is, toch willen wij graag jullie graag warm maken. Warm maken voor interessante HR topics en HR events dewelke wij samen met collega-verenigingen voor jullie opzetten.   Het sharen van ervaringen, praktijken, methodes en ideëen en dit op een continue regelmatige basis daaraan werken wij reeds meer dan 43 jaar.  Wij - Personnel Managers Club - hebben dan ook in het verleden samen met enkele andere HR keyplayers in industrie, diensten en onderwijsveld gewerkt aan een gemeenschappelijk noemer.  Een gemeenschappelijke noemer HR België waarin ieder zijn eigenheid in de teller behoud. U hebt wellicht van het recent initiatief  "HR Platform" gehoord om dit nogmaals sterk vorm te geven.  Samen met de luitenanten van dit uur VDAB, VBO, Jobat, Vlerick, KUL, WisKeys en Ronny Hoebeke zetten wij graag ons schouders mee onder het project. U, onze leden, zijn ons zeer waardevol dat is ook de reden waarom wij steeds onze goede zorgen geven aan elke communicatie en event. Warme groeten  ----------------------------------- Beste lezers, beste leden Na de fantastische zomer gaan wij graag van start met een spetterend jaarprogramma-menu.  Het eerste voorgerecht wordt geserveerd op 23 september "Werken aan de Toekomst" met als gastspreker de heer Bart Buysse, directeur-generaal VBO.   PMClub goes digital, we trekken de online kaart en gaan meer online communiceren - zonder aan overkill te doen. Samen met het nieuwe bestuur brengen we HR voor u goed in beeld.  Ons bestuur staat ook steeds voor uw ideëen en suggesties open.  Spreek ons aan, wij luisteren graag! HR en HR vereniging hand in hand - op naar een nieuw werkjaar. Ik zie je graag 23 september op de openingszitting bij onze partner Roularta in het industrieterrein te Zellik. cu ;-) ------------------------------------------ SelfArchitect   Wat wil ik verder ? Wat kan ik? Waarin zit mijn passie? Welke troeven heb ik in me? Wat wil / kan ik ermee doen?  Stuk voor stuk mogelijke vragen waarop u een antwoord wenst !   Wees uw persoonlijke zelf architect. Neem uw loopbaan in eigen handen. Samen met u neemt SelfArchitect u mee naar de mogelijkheden en kansen die u heeft om uw carrière verder vorm te geven.   Be your SelfArchitect , I’ll guide you through.   Wens je meer informatie of alvast een luisterend oor,  neem vrijblijvend contact met Inez Senecaut op 0475/255 200  

Inezz
0 0

Nr.26 (proloog deel 3)

De mensen buiten zien Nr.26 opeens te voorschijn komen. Black staat er haast naast, zo ver is hij al geraakt. De bewakers laten hem met rust en lopen zo snel mogelijk weg van Nr.26. Die heeft alleen maar oog voor Black. “Ah, jij. Jij bent geen gewone sterveling.” zegt Nr.26 ijskoud. Black rilt even, maar blijft toch staan. “Wat bedoel je daarmee?” vraagt hij. “Ik heb jou soort al eerder tegen gekomen en ook al uitgeschakeld. Bij de RedWolfs kwamen er al om me weg te drijven. Als of een sterveling tegen mijn krachten kan.” Nr.26 kijkt rond, en Black weet al waarvoor. Hij is op zoek naar de drie bewakers, maar dat ging Black niet laten gebeuren. “Oké, ik twijfelde eerst. Maar nu weet ik het zeker dat jij deze jongen niet bent. Wie ben je?” vraagt Black en Nr.26 lacht. “Een normale sterveling zou eerst vragen wat ik ben.” “Ik weet maar al te goed dat je een echt demon bent. Je hebt deze jongen zijn lichaam in genomen om verwoesting te brengen en vanaf dat iemand hem pijn doet kom jij naar boven om je woonplaats te beschermen. ” Nr.26 kijkt Black even aan, richt zich weer naar iedereen buiten.   “Jou soort zal het nooit begrijpen. Wat als ik zeg dat ik niets wil verwoesten?” Black geloofd hem niet en Nr.26 ziet het. “Zo als ik al dacht. Deze jongen is niet er niet meer, zijn geest is al twaalf jaar geleden uitgedoofd. Al wat hem nog recht houd ben ik.” “Dan houd niets me tegen om jou volledig uit te drijven.” Zegt Black en hij begint een tekst met vreemde klanken uit te spreken. Black kijkt naar Nr.26 of er verschil is, maar die kijkt hem met een hatelijke blik aan. “Dat is waarom ik jullie monks haat! Altijd die woorden en die uitspraken van ‘demonen zijn slecht’ wel ik zal je eens laten zien hoe slecht een kwade demon kan zijn!” Nr.26 wil op Black af gaan maar krimpt opeens in elkaar. “Wat gebeurd er? Wat ben jij aan het doen?” roept Nr.26 kwaad. Weer krimpt hij in elkaar en valt op zijn knieën. “Dit kan niet! Hij was al lang weg! Hoe kan hij er dan nog zijn?” Nr.26 grijpt zijn hoofd vast en slaakt een vreselijke kreet. Tot iedereen zijn verbazing veranderd Nr.26 weer in de echte jongen. De kreet verstomt en dan kijkt Nr.26 Black aan. “Wie ben jij?” vraagt hij verbaasd en valt bewusteloos op de grond.   Iedereen is opgelucht, het gevaar is geweken. de mannen in het zwart proberen de dingen weer onder controle te krijgen. De mannen, die niet weg waren gelopen, werden weer terug naar binnen gebracht. Maar Black is niet één van hen, want hij is al lang ergens anders. Nadat Nr.26 bewusteloos was gevallen had Black hem op zijn rug genomen en was in één van de wagens gestapt. Niemand hield hem tegen, want tot Blacks verbazing was Slim voor de anderen gaan staan en had hen laten weg rijden. Toen ze onderweg waren was Black nog verbaasder omdat op de stoel naast hem een bruine map lag met al de gegevens van de jongen. Zo komt het dat ze nu voor de deur van het huis waar Nr.26 ouders wonen staan. Black belt aan en een vrouw doet open. Wanneer ze Nr.26 ziet begint ze te wenen en roept ze haar man. Die komt aangerend en even staart hij alleen maar naar de jongen. "Dat is hem, na al die jaren." jammert de vrouw. Na een poosje laat de man Black binnen. Nadat ze Nr.26 in bed gestopt hebben moet Black heel het verhaal doen en dat doet hij ook. Na het verhaal staat Black recht en wil naar de voordeur stappen, maar de vrouw houd hem tegen. “Waar gaat u naar toe?” vraagt de vrouw. “Geen idee.” Zucht Black. De vrouw kijkt naar haar man. “Wat dacht u er van om als onze zoons bodyguard te komen werken? We kunnen u genoeg betalen.” Eerst aarzelt Black, maar hij neemt het toch aan. Hij is ergens wel benieuwd naar hou het nu verder zou gaan met Nr.26, of beter gezegd Rick de Vaart.

Lisbeth Donker
0 0

Nr.26 (proloog deel 2)

Zonder nog maar iets te zeggen rennen alle mannen de werkzaal uit. De bewakers proberen ze tegen te houden maar niemand luistert. “Laten we hier weg gaan, straks komt hij achter ons aan,” zegt de eerste bewaker met een bevende stem. “Jij ook met je ideeën altijd,” zegt de derde boos. “Ik denk dat we beter om versterking zullen vragen.” “Ja, vraag om Slim.” De twee anderen kijken de derde bewaker aan. “Slim is alleen voor noodgevallen.” antwoordt de derde. “Noem je dit dan geen nood geval?” Even kijken ze elkaar aan en moeten dan toch toegeven dat dit een noodgeval is. Dus neemt de eerste bewaker zijn gsm en vraagt versterking. Op dat moment zit Slim in de bewakerszaal. Slim is een man rond de dertig en is langer dan twee meter en heel erg gespierd. Opeens gaat zijn gsm. “Met Slim.” “Met de bewaker van de werkzaal, we hebben een noodgeval.” “Wat is het probleem?” “Er is er eentje op hol geslagen en valt iedereen aan. De andere mannen zijn naar de ontspannings zaal gevlucht.” Slim gelooft zijn oren niet. Al die mannen gevlucht? Daar wil hij het fijne van weten. “Waar is die ene nu en wat is er precies gebeurd?” Vraagt hij snel. “Hij staat nog bij zijn tafel in de werkzaal en…” “Hé? Waar is hij nu naar toe?” Hoort Slim een andere bewaker vragen. “Ik zei dat jullie hem in het oog moesten houden!” roept de eerste angstig. “Ja maar hij is zomaar opeens verdwenen,” zegt de andere weer. Dan hoort Slim opeens een vreemde stem. “Dus het was jullie idee geweest? Ik zal jullie eens laten voelen hoe het is om in elkaar geslagen te worden.” “Slim, Hij zit achter ons aan! Kom… Aaaah!” De verbinding is verbroken. Snel roept Slim de anderen op en haast zich naar de ontspannings zaal.   Wanneer Slim daar aankomt ziet hij alle mannen tegen de muur, die het verst van de werkzaal is, staan. Mannen die normaal met elkaar zouden vechten als de ander nog maar naar hen zou kijken, stonden nu op elkaar gepropt. “Kan iemand me uitleggen wat er hier in gods naam gebeurd is?” vraagt Slim met een donderende stem. Iedereen kijkt naar de persoon naast zich, maar niemand durft zelf naar voren te gaan. Wat als Slim te weten komt dat Joe de regel had gebroken? Dan zwaait er wat voor iedereen. Maar iedereen weet dat Slim niet tevrede gaat zijn als niemand wil antwoorden. En dat is maar al te juist, Slim geeft opdracht om één van de mannen uit de groep naar hem toe te brengen. Aan die man stelt hij nog eens de vraag en na een poosje weet Slim alles. Tot iedereen zijn verbazing word Slim niet kwaad, integendeel. Hij begint te lachen. “Hahaha, geen wonder dat jullie bang zijn. Die jongen zijn misdaden zijn niets vergeleken met die van jullie.” Legt Slim uit. Black stapt naar voren en richt zich tot Slim. “Hoe bedoelt u? Wat heeft hij dan zo al uitgespookt?” vraagt hij, maar op dat moment roepen een paar mannen iets en ze wijzen naar de doorgang die naar de werkzaal gaat. Iedereen kijkt en ze zien de drie bewakers zo snel als ze kunnen naar hun toe lopen. Een paar mannen beginnen hun aan te moedigen en al snel roept iedereen. Black doet niet mee, hij stelt nog eens de vraag aan Slim. “Als je het toch wil weten, ooit al eens van de RedWolfs gehoord?” Black knikt. “Deze jongen was de rechterhand waar iedereen zo een schrik van had. Hoe de bazen hem te pakken hebben kunnen krijgen is ook voor mij een vraag. Als ik dit voorval vergelijk met al de verhalen die rond gaan, zou ik haast ze nog geloven. Hoe bizar of onnatuurlijk zo ook zijn.” Na die woorden stapt Slim op de drie bewakers af. “Vlug vlug! Iedereen klaar staan, hij komt er aan!” roept één van de drie overstuur. Slim begint bevelen te geven en na een poos staat iedereen klaar.   Het is muisstil, bijna niemand durft adem te halen. Black denkt vlug terug aan de verhalen van de RedWolfs. Nog voor hij hier werd opgesloten waren ze al wereld nieuws. Wat zeiden ze ook al weer over die rechterhand van hen? Blacks gedachten verdwijnen als hij de man naast hem naar adem hoort happen. Dan ziet hij het ook. In de doorgang staat de zwart harige Nr.26 gewoon naar hen te staren. Slim stapt naar voren. “Jongen, we weten dat de regel is overtreden en je hebt wraak kunnen nemen op de boosdoeners. Stop nu voor je ook de anderen iets doet. Anders moet ik harde maatregelen nemen.” Iedereen is verbaasd. Nog nooit hebben ze Slim iemand iets zo vriendelijk horen vragen, laat staan dat hij over de anderen hun veiligheid bezorgd is. Even is het stil, maar dan begint Nr.26 te lachen. Maar het is een koude lach, zo één waarvan je koude rillingen krijgt. “Ben jij me nu aan het bedreigen mens? Dan moet je nog dommer zijn dan die drie daar.” en weer galmt zijn lach door de zaal. Dan is hij weer dood serieus. “Hm, eigenlijk vind ik het niet echt om te lachen. En trouwens, nu dat ik er toch ben, waarom zou ik weer weg gaan?Ik heb veel te veel plezier.” zegt Nr.26 en hij begint naar hen toe te stappen. “Dan moet je eerst voorbij mij komen.” Zegt Slim en hij neemt een bokshouding aan. De mannen beginnen Slim aan te moedigen. “Aan de kant mens, al wat ik zal nemen zijn die drie stommelingen.” De stem van Nr.26 begint geïrriteerd te klinken. Maar Slim blijft gewoon staan. “Goed, je vraagt er om mens.” zegt Nr.26 ijskoud. En van het ene moment op het ander is hij van halverwege de zaal opeens vlakvoor Slim. Die kijkt Nr.26 met grote ogen aan. “Dan schakel ik jou eerst uit.”   Nr.26 strekt zijn armen uit, polsen tegen elkaar en richt op Slim. Die ziet vol ongeloof hoe er in de handen van Nr.26 een grote vuur bal tevoorschijn komt en die word recht op hem af gevuurd. Slim duikt weg en de vuurbal vliegt vlak langs hem heen richting de muur waar al de mannen tegen staan. Iedereen probeert te vluchten. Er wordt geduwd, getrokken, mannen vallen op de grond en worden overlopen. De bal raakt de muur en maakt er een groot gat in. De mannen die hun kans zien rennen door het gat naar buiten, waar ze op gewacht worden door allemaal mannen in het zwart gekleed met schilden.   Ook Black staat er tussen en is kwaad op zich zelf. -Dom kop! Waarom vergeet ik nu net het belangrijkste?- denkt hij. Maar dan zegt de man naast hem iets waardoor hij het zich weer herinnerd. Black grijpt de man vast. “Wat zei je nu net? Kun je dat nog eens herhalen?” vraagt Black snel. De man kijkt hem even verrast aan maar ziet dat Black serieus is. “Wel, ik zei gewoon dat dat joch wel een demon moest zijn.” “Dat is het!” roept Black. De man snapt er niets van en doet teken naar zijn vrienden dat Black wel gek moest zijn. –De demon met een engelengelaat, dat was het. Dat ik dat kon vergeten.- Black schud zijn hoofd en kijkt weer naar het gat in de muur. -Als wat Slim zei waar is, dan is deze jongen niet een gewonen jongen. En ik weet precies wat ik moet doen.- denkt Black en rent uit de groep richting de muur. Daar wordt hij tegen gehouden door de bewakers. “Niemand mag naar binnen, Slim is die jongen aan het proberen tegen te houden,” zegt één van de bewakers. “Laat me door! Ik weet een manier om Nr.26 te laten stoppen.” Maar de bewakers willen hem niet door laten. “Dan maar met geweld!” en Black vecht zijn weg naar Nr.26.   Ondertussen staat Slim weer recht. “Wel wel wel, dat was me wat. Maar nu is het voor echt.” Slim haalt uit naar Nr.26, maar die ontwijkt met gemak de slag. In plaats van terug te slaan laat hij Slim zich zelf moe maken. Na een poos begint Slim zwaarder te ademen en dan ziet Nr.26 zijn kans. Met één slag in Slims maag ligt die neer. “wat zeggen jullie mensen ook al weer? Hoe groter ze zijn, hoe harder ze vallen?” zegt Nr.26 en kijkt naar Slim. Die probeert recht te staan, maar het lukt niet. “geef het op, mijn krachten zijn boven die van jullie stervelingen. Normaal zou ik je hebben kunnen doden met die ene slag, maar ik heb al te veel kracht op gemaakt. En ik wil graag die drie het betaald zetten. Dus blijf jij hier maar liggen terwijl ik daarbuiten de zaak oplos.” En weg is Nr.26.  

Lisbeth Donker
0 0

Nr.26 (Proloog deel 1)

Ergens in een dicht bos rijd er een pikzwarte wagen met verduisterde ramen over het hobbelige pad. Heel de tijd rijden ze tussen de bomen tot ze op een open plek komen waar een heel groot en goed beschermd gebouw staat. Je zou haast denken dat het een gevangenis is, zo dik zijn de muren waarop er allemaal bewaking op staat. De wagen stopt bij de bewaker die bij de reuze poort staat en het raam van de bestuurder gaat open. Er wordt een pas getoond en de bewaker geeft teken dat ze door mogen rijden. De grote poort gaat langzaam open en na een poosje verdwijnt de wagen naar binnen.   Helemaal binnen in het gebouw zijn er twee hele grote zalen waar van eentje vol zit met mannen. Je hebt er alle soorten: dik, dun, klein, groot, schuw, ruw en noem maar op. Eén van hen heet Black. Hij is vijfentwintig jaar, is vrij lang van gestalte, goed gespierd, zijn haar was bruin net als zijn ogen en op zijn linker wang heeft hij een groot litteken. Maar dat hebben bijna alle mannen daar. Iedereen die daar zit heeft iets tegen de wet in gedaan en bij iedereen stonden er opeens een groep mannen in zwarte kostuums voor de deur die hen de keus gaven om of wel met hun mee te gaan of aangegeven te worden bij de politie. Natuurlijk wou niemand naar het gevang dus de meeste kwamen dus naar hier. Wat ze daar moesten was dag in en dag uit dozen met voorwerpen in elkaar steken en dan weer inpakken. Niemand wist waar die dozen voor waren of waarom ze dat moesten doen, en niemand vroeg er ook naar.   Black zit samen met zijn vrienden in de ontspanning ruimte toen de mannen in het zwart binnen kwamen met tussen hen in… een jongen? Black geloofde zijn ogen niet. Het was nog maar een jongen, rond de vijftien a zestien jaar. De jongste waren tot nu toe al in de twintig als ze binnen kwamen. Black merkt dat ook de anderen verwonderd zijn. “Wat brengen ze nu weer binnen,” zucht er één “Denken ze dat het hier een kindertuin is of zo?” zegt een ander verontwaardigd. Black moet toe geven dat het veel te hard zal zijn voor zo een jongen, het is zelfs zwaar voor hem.   Dan ziet hij opeens één van de mannen hem wenken. Iedereen word stil als ze Black naar de groep toe zien stappen. “Black, we willen dat jij deze jongen onder je hoeden neemt.” Zegt de man. Black is stom verbaasd. Meent die dat nu echt? Black had al andere nieuwe wegwijs gemaakt in hoe de dagen verliepen, maar moest hij nu echt voor dit joch gaan zorgen? Natuurlijk was hij zo slim om niets te zeggen. Hij kijkt de man aan. “Natuurlijk kunt u op me rekenen. Hij zal alles rap door hebben.” Zegt Black zo vriendelijk mogelijk. “Dat wist ik al. Voor we hem hier bij je laten moeten we je laten weten dat je nooit, maar dan ook nooit hem mag aanraken. Dat is strikt verboden,” de man wend zich naar de andere mannen “en dat geld ook voor jullie!” “Wie hem aanraakt zal er spijt van krijgen, dat kan ik jullie verzekeren.” Zegt een andere met een gemene grijns. Na die woorden willen ze vertrekken maar Black heeft toch een vraag. “Eh, mag ik vragen wat zijn naam is?” “Noem hem maar Nr.26.” en zo blijft Black alleen achter met de jongen.   Even blijven ze daar staan. Black bekijkt de jongen, die nog geen woord gezegd heeft. Hij moest toegeven dat de jongen er niet alledaags uitzag. Voor anderen zou hij een idool kunnen zijn, met zijn witblond haar en helder blauwe ogen, maar Black ziet meer. Er zit niets van emotie in die blauwe ogen, het lijkt wel als of hij er niet is. Black kijkt nog eens naar de deur waar de mannen door waren verdwenen en zucht. “Dit is wel erg vreemd. Zo wel voor jou als voor mij.” Zegt Black dus maar en kijkt de jongen aan. “Ik moet zeggen dat ik nooit had verwacht dat ze hier iemand zo jong als jou zouden brengen. Je zou eigenlijk haast een moord moeten begaan om hier gestoken te worden als kind.” Grinnikt hij, maar Black heeft zo het gevoel dat dat ook de reden is dat deze jongen hier zit. -Wat was zijn naam ook al weer? Oh ja, Nr.26. Wie noemt nu zijn kind Nr.26?- Black schud zijn hoofd en met grote tegenzin begint hij aan de uitleg en rondleiding.   Nr.26 volgt hem en zegt geen woord. Hij staart uitdrukkingsloos naar alles, als of het hem niet kan schelen dat hij daar is. Na een tijd begint het op Blacks zenuwen te werken maar dan klinkt er een hele luide bel. -Gered door de bel, wat ben ik voor één keer blij om hem te horen- denkt Black en wenkt Nr.26. Alle mannen staan recht en verzamelen in de tweede grote zaal. Daar staan er allemaal tafels met banken en één grote loopband. Black legt uit wat ze precies moeten doen. “Iedereen is verdeeld in groepen en je hebt per groep één tafel. Op die loopband komen er dozen en je moet er steeds één pakken, de inhoud in elkaar steken en dan de doos dicht doen. Het klinkt misschien simpel, maar er zijn nog regels. Per groep krijg je een aantal dozen die moet gedaan hebben tegen de volgende pauze, als je te weinig dozen hebt gedaan volgt er straf. Meestal is het naar de koelingcellen, die zijn zo koud dat als je in slaap valt het kan zijn dat je nooit meer wakker word. In het slechtte geval…” Black word onderbroken door een bewaker. “Aan het werk jullie!” roept de bewaker. Dus pakt Black een doos van de loopband en zet zich in zijn groep en ook Nr.26 pakt er eentje en zet zich neer. Black dacht dat Nr.26 niets zou doen, maar dat heeft hij mis. Nr.26 is zelfs nog sneller dan de anderen. Nog voor de bel ging zijn ze klaar met hun aantal dozen. Nr.26 staat recht en verlaat de zaal. De bewakers doen niets, dus Black vermoed dat ook die de waarschuwing hadden gekregen om Nr.26 niet aan te raken. Waarom eigenlijk? Black is wel erg nieuwsgierig naar de reden. Waarschijnlijk heeft het iets te maken met wat hij mis gedaan heeft. Maar hij wilt het toch niet zelf uitzoeken, de woorden van die tweede man in zwart houden hem tegen. Black denkt er niet verder over na en babbelt wat met de anderen in de groep.   Zo gaan de dagen voorbij. Nr.26 zit daar nu al twee weken en alles gaat prima. Sinds dat hij er is gekomen is de groep van Black altijd vroeg klaar met de dozen en dat vind de groep natuurlijk geweldig. Weer klinkt die dag de werkbel en gaat iedereen naar de werkzaal. Iedereen is aan het werk, onder toezicht van de bewakers. Drie van die bewakers staan wat te babbelen. “Heb je het ook gemerkt? Sinds die ene er bij gekomen is is die groep altijd vroeg klaar.”zegt de eerste bewaker. “Ja, daar voor hadden we nog wat plezier met die groep, maar nu kunnen we hen niets doen.” zegt de tweede. “En die regel! We mogen dat joch niet aanraken, of er zal iets gebeuren. Denk je nu echt dat hij ons zal vermoorden?” lacht de derde. Zo staan ze praten over Nr.26. Op eens heeft één van hen een idee. “Laten we eens zien of er iets gebeurd vanaf dat we hem aanraken.” “Goed idee, maar wie raakt hem aan?” vraagt de tweede. Ze denken even na en beslissen dan om één van de mannen het te laten doen. En ze weten ook al wie. Zijn naam is Joe en omdat hij erg sterk is heeft hij een groep mannen die hem hier als baas zien. Maar ook is hij niet al te slim. De bewakers roepen hem en Joe komt bij hun staan. “Joe, wat dacht je er van om die kleine daar eens aan te raken? In ruil mag je stoppen met werken vandaag.” Zegt de derde bewaker. Joe gaat meteen akkoord en stapt op Nr.26 af. “Hé kleintje, hoe gaat die?” zegt Joe met een grijns op zijn gezicht. Maar Nr.26 blijft gewoon door werken en negeert Joe, die er niet tegen kan om genegeerd te worden. “Ik vroeg je iets, dan geef je normaal antwoord.” Zegt Joe weer, maar de grijns is nu verdwenen. Nr.26 staat recht, loopt naar de band en negeert Joe weer. Die is stil aan rood aan het worden van boosheid. Wanneer Nr.26 weer wil gaan zitten met zijn nieuwe doos grijpt Joe hem bij de kraag en tilt hem van de grond. “Mensen die me negeren sla ik tot moes. Maar omdat je nog maar een joch bent geef ik je nog één kans. Geef me antwoord op mijn vorige vraag.” Sist Joe. Ondertussen was iedereen gestopt met werken en staarde nieuwsgierig naar het schouwspel. Nog steeds geeft Nr.26 geen antwoord. Dus balt Joe zijn vuisten en geeft Nr.26 zo een harde slag in het gezicht dat die zijn hoofd laat hangen. Joe laat hem los en Nr.26 blijft roerloos op de grond liggen. “Dat gebeurd er dus met mensen die niet naar me luisteren.” Roept Joe en zijn volgelingen juichen. Joe stapt naar de bewakers toe maar stopt halverwege omdat iemand riep. “Joe! Hij staat weer recht!” Joe draait zich verrast om. Normaal zou zijn slag Nr.26 bewusteloos hebben moeten slaan. Maar ook hij ziet hoe de jongen gewoon, zonder iets te hebben, recht gaat staan en hem recht aanstaart. Joe voelt al de blikken van de mannen op zich en word kwaad. “Dat was nog maar een beginnetje, eens zien of je deze aan kunt.” En Joe stormt op Nr.26 af, die gewoon blijft staan. Black springt nu recht en wil Nr.26 weg duwen, maar stopt als Nr.26 zich naar hem keert en recht in zijn ogen kijkt. Heeft Black dat nu goed gezien? De ogen van Nr.26 waren niet meer blauw, maar blauw zwart. Black schud zijn hoofd, hij moet het verkeerd gezien hebben.   Joe slaat Nr.26 met al zijn macht. En die valt, met zijn gezicht, op de grond. Daar blijft hij ook weer even liggen, maar staat dan gewoon weer recht. Iedereen staart vol ongeloof naar de jongen. Joe begint er nu stil aan ook wat schrik van te krijgen en slikt. Dan opeens verschijnt er een grijns op Nr.26 zijn gezicht en staart die Joe recht aan. “Is dat al?” zegt Nr.26. Black gelooft zijn oren niet. -Hij spreekt? Ik dacht dat hij niet kon spreken- Schiet er door zijn hoofd heen. Stil aan begint Black een slecht gevoel te krijgen. Niet door de grijns of door dat Nr.26 kan spreken, maar door iets heel anders. Ten eerste klonk de stem van Nr.26 daarnet niet als dat van een zestien jarige, maar als dat van een twintiger, en wat er nog gebeurd is dat Nr.26 stil aan begint te veranderen. Het lijkt wel als of hij langer word en tot ieders verbazing word zijn haar pikzwart, net als zijn ogen die ook pikzwart zijn geworden. Black had het dus goed gezien, de kleine, magere en mooie jongen, met witblond haar en blauwe ogen is verranderd in een even mooie lange, goed gespierde, jongeman met pikzwarte haren en ogen. Iedereen staart naar hem en schuift zo ver mogelijk van Nr.26 weg. Alleen Joe blijft voor hem staan. Nr.26 begint naar Joe toe te stappen en stopt vlak voor hem. “Als dat alles was, is het nu mijn beurt.” Zegt Nr.26. Hij slaat in Joe’s maag en die vliegt tot iedereens verbazing door heel de zaal, tegen de muur aan de andere kant van de zaal en valt daar hij in een klein hoopje op de grond. “Ha, dacht je nu echt dat je tegen mij zou kunnen winnen? Jij die maar een gewone sterveling bent." Nr.26 spreekt het woord 'sterveling' uit als of hij er van walgde. “Baas!” roepen verschillende mannen en ze rennen naar Joe. Twee tillen hem op en haasten zich naar de ziekenboeg. De andere mannen wenden zich naar Nr.26. “Misschien kon je hem aan, maar wij zijn met meer. Grijp hem!” en ze stormen op Nr.26 af. Maar al snel liggen ze allemaal kreunend op de grond. Nr.26 kijkt naar de andere mannen, die de grijns op zijn gezicht plaats zien maken voor een moordlustige blik in zijn ogen. "wie zal de volgende zijn?” 

Lisbeth Donker
0 0

Ziek in de kop

    Op de man spelen, het is niet mijn ding. Ik hou er niet van. Nu de perfectie bestaat niet, en zo wordt gezegd, op elke regel bestaat een uitzondering.  Ik moet het hebben over het schietincident op een 14 jarig meisje in een onthaalcentrum voor bijzondere jeugdzorg. Moet dit nog echt, is alles niet gezegd? Media aandacht is er immers geweest, en het Comité P gaat een onderzoek instellen. Bovendien was kinderpsychiater Eva Kestens  klaar en duidelijk: op een kind wordt niet geschoten. En toch, er over zwijgen voelt aan als een vorm van schuldig verzuim. Wat me in de pen doet kruipen is de reactie van “burgervader “ Bart De Wever. In essentie komt het hier op neer: het interventieteam heeft juist gehandeld en het 14 jarig meisje heeft er enkel een blauwe plek aan over gehouden. Bart De Wever weet als geen ander, zijn waarheid als dé waarheid te verkopen. En toch doet zijn uitspraak mij griezelen. Op basis van welke deskundigheid kan Bart De Wever inschatten of er al dan niet psychische gevolgen zijn voor het meisje? Joost mag het weten. We hebben het hier wel over een héél kwetsbaar meisje. De buitenwereld staat er niet bij stil, maar je komt niet zomaar in een onthaalcentrum voor bijzondere jeugdzorg terecht. Er is voor haar plaats gemaakt. Een berg van bureaucratie overwonnen. Prioriteit gekregen op de wachtlijst omwille van de ernst van de problematiek, en ga zo maar door.  Als 14 jarige afgevoerd naar de volwassenpsychiatrie. Over het gebrek aan gepaste zorg is verder weinig gezegd, ook niet door de burgemeester van de grootste stad van het land. Blijkbaar geen maatschappelijke prioriteit, waarvan akte. Net zoals in de volwassen wereld dient de politie soms tussen te komen in een voorziening van bijzondere jeugdzorg. Meestal lukt het de opvoeders wonderwel. Respect, want ’s nachts en in de weekenden is de personeelsomkadering beperkt. Uitzonderlijk lukt het niet. Dan                         komt de politie tussen, conform hun maatschappelijke taak. Iets anders is het als een speciaal interventieteam, zonder enig overleg, met de betrokken voorziening tot actie overgaat. Het zal Bart De Wever worst wezen. Met deze man zijn we nog niet aan de nieuwe petatten. Ik hoorde het vandaag nog. Bart De Wever’ s grootste gevaar, is Bart De Wever zelf. De machtigste man van het land heeft eens temeer een bangelijke kant van zichzelf laten zien. In de psychiatrie zal er wel een term te vinden zijn voor het ontstellend gebrek aan empathie waarvan hij nu blijk heeft gegeven. Ik hou het liever eenvoudig. Ziek in de kop.

dirk adijns
6 0

Fuck de zwaluwen

Sproete, de kip, en Tiecelijn, de raaf, kuieren door het bos. Ze parlevinken over de zwaluwen, de onderkruipers. In de winter, wanneer er weinig voedsel voorradig is in deze contreien, vluchten ze naar betere oorden. Oorden vol voedsel en maagden. En wanneer het daar te warm wordt onder hun veren, vliegen ze terug naar hier, alwaar de voedselvoorraad en de temperatuur wederom stijgt.   “Elk nobel dier zou een plek moeten uitkiezen, dat het zijne noemen, en er blijven”, aldus Sproete. “Zo had mijn moeder, Roede, hier haar plek en haar moeder, die voor de gemakkelijkheid ook Roede werd genoemd, vertoefde hier ook haar leven lang. Als het wat minder ging, werd er wat harder gekakeld. Maar om dan zomaar betere oorden op te gaan zoeken en daar alle grondstoffen op te gaan souperen. Alsof die grondstoffen daar onbeperkter zouden zijn dan hier. Dat zouden wij niet over ons hart krijgen, al was het maar uit principe. En dan nog het lef hebben om terug te keren naar de plaats die je je rug hebt toegekeerd, wanneer het er weer wat opleeft”, tiert Sproete gezwind.   Tiecelijn knikt zo hard dat zijn bek bijna bleef steken in de grond. Daar hij zich weinig te poot voortbeweegt, is hij het niet gewoon te knikken en dan grond aan zijn kin te voelen. Maar hij kan Sproete toch niet blijven confronteren met zijn gebrek aan vliegkunsten. Op deze manier traint hij bovendien zijn beenspieren. En Sproete had verteld dat hij nog een voorraadje eten over had. Tiecelijn had al een paar dagen niet meer gegeten en deed er dus alles aan om de kip zijn gemoed gunstig te stemmen. Hij vond het wel jammer dat de plannen om Sproete zijn nek om te wringen in zijn hoofd concreter en concreter werden, onontkoombaar bijna. Het was de schuld van de zwaluwen. Zij zouden de kip haar nek zeker omgewrongen hebben vanaf ze wisten waar de voorraad zich bevond. Misschien moest hij eerst de ogen van de kip uitpikken? Dat zou het wellicht gemakkelijker maken om zijn nek om te wringen.   Sproete moest lachen met Tiecelijn die met zijn bek in de grond bleef steken. Het was eigenaardig, de raaf was nog nooit zo vriendelijk tegen haar geweest. Sproete had het nooit gemakkelijk gehad om vrienden te maken. Ze was dik en traag en geduld is een deugd die tegenwoordig niet meer uitgedeeld wordt, zelfs niet meer wordt geapprecieerd. Alles moet snel vooruitgaan en liefst zo snel mogelijk veranderen. Wat vanmorgen nieuw is, daar wordt ‘s avonds al mee gelachen. Maar gelukkig is er Tiecelijn. Die begrijpt immers dat de zwaluwen de oorzaak zijn van alle kwaad. Hopelijk worden ze goede vrienden.   Isegrim, de wolf, zat de kip en de raaf al een tijdje in het oog te houden. Alhoewel hij sympathie had voor hun standpunt omtrent de zwaluwen en hij gisteren nog een spelletje Rummikub had gespeeld met de vrouw van Tiecelijn, kon hij zich stilaan niet meer inhouden. De honger verdreef zijn ratio en maakte zo plaats voor zijn oeroude instinct. Een verre sprong en een harde beet later waren Sproete en Tiecelijn uitgepraat.

Exegeet
0 0

Ode aan de moeder van Simone Inzaghi

Peruzzi lanceert de bal richting Pessotto. Gianluca Pessotto met wat ruimte aan de linkerkant van de eigen speelhelft. Hij rukt op en vindt Di Livio. Angelo Di Livio op links, wordt onder druk gezet door Sagnol. Di Livio vindt toch Zinedine Zidane centraal. Zizou probeert zijn man af te troeven. Maar Djetou komt erin gevlogen als door waanzin gedreven en maait de Franse spelmaker onderuit. Zidane het grassprietje, Djetou de grasmachine. Edgar Davids kijkt vol bewondering toe.   Nikolay Levnikov aarzelt geen seconde, blaast op zijn fluitje en haalt de gele kaart boven. Godenkind Allessandro Del Piero is er als de kippen bij om de vrije trap op te eisen. Hij sprint sneller naar de plek van onheil dan dat hij enkele minuten geleden achter een dieptepass van Antonio Conte aanholde. Conte kijkt hem argwanend aan en fluistert een verwijtend woord. Del Piero couldn’t care less. Voetballers zoals Antonio, die geprezen worden om hun werklust en inzet, komen nog niet tot aan zijn enkels. Echte voetballegendes worden omschreven door andere bijvoeglijke naamwoorden. Allessandro concentreert zich, neemt een lange aanloop en borstelt de bal in de linkse winkelhaak. Barthez beroert het projectiel nog even, maar heeft geen verhaal tegen de snelheid en precisie van de trap. In de seconden voor Del Piero juichend wegloopt naar de cornervlag, knipoogt hij nog snel naar werkpaard Conte.   David Trezeguet heeft al enkele keren mogen centeren vandaag. Teveel eigenlijk. Het zou zwaar, zoniet onmogelijk worden om dit nog recht te zetten. Misschien kon hij beter van ploeg veranderen. Hij geeft de bal aan Ikpeba, die tovert altijd wel iets moois uit zijn sloffen. Ikpeba begint aan een solo. Vele hindernissen op de weg, maar Viktor paradeert er langs alsof het niets is. Tot het mes van Montevideo genadeloos toeslaat. Het is als een confrontatie tussen het goede en het kwade. Het kwade wint. De pitbull zit in een hoekje te gniffelen. Costinha ziet dat en roept naar de arbiter: “Zie daar Edgar zit Viktor uit te lachen!” Levnikov kan er niet mee lachen. Ex-sovjets hebben doorgaans weinig medelijden met klikspanen. Hij toont Costinha plotsklaps de gele kaart en geeft Montero een schouderklopje. “Jongens zoals jij kunnen we in Mother Russia altijd gebruiken”, gromt Levnikov in een taal die geen enkele speler op het veld begrijpt.   De arbiter fluit het eindsignaal. 4-1 voor de Italianen. Geen slechte uitslag, waarschijnlijk voor de derde keer op rij in de finale. Superpippo wordt voor de camera gehaald. Hij is blij. De ploeg heeft een goede prestatie geleverd. Hijzelf heeft evenwel geen bal geraakt. Dat maakt Inzaghi helemaal niets uit. De wedstrijd is gedaan en hij mag naar zijn mama. Want als er één ding is waarvan Pippo meer houdt dan van een beetje wandelen in zijn hof en af en toe een bal tegen de netten pissen, dan is het wel zijn moeder. Hij moest zich al drie uur voor de wedstrijd, melden op de club. Het is dus al vijf uur geleden dat hij zijn moeder nog zag. Maar nu kan hij terug naar huis. Veel beter gaat het niet worden vandaag.

Exegeet
0 0

Bier drinken op café is te duur

Een halve fles sterke de man is ontoereikend. Donderdagavond is de beurs leeg, teveel pinten genuttigd op café. Het is balanceren op een slappe koord. Een fles sterke de man is hoogmoed. De black-out slaat toe voor de cafégang begint. Soms trap je in die val. Het lichaam trekt naar het feest. De geest geborgen in bed, het lichaam treffend de volgende dag met een harde knal.   Maandagavond, café De Reisduif is zo goed als leeg. Opluchting. Vrije krukken aan de toog, niet teveel geroezemoes, geen zweterige lijven en je bestelling snel voor je neus. De Reisduif kan twee kanten op. Flesjes bier zijn er goedkoop en in de hoek staat er een klein rond tafeltje. De uitdaging ligt voor de hand: vul de tafel met lege bierflesjes. De avond vordert, de tafel groeit. De Reisduif heeft dikwijls een zwaar bier van de maand. Snugger als de cafébaas is, koppelt hij er een competitie aan. Per consumptie krijg je een stempel. Bij tien stempels krijg je een grote fles van datzelfde zware bier gratis. Die mag je wel niet in het café opdrinken, zonde.   Duvelavond in de Verlichte Geest valt samen met happy hour in de Kerfstok. De twee kroegen maakten geen afspraken over de waarborg bij Duvelglazen. De geboorte van een perfecte dinsdagavond. Café de Verlichte Geest baarde ook Duvelman. Deze legendarische figuur was te laat om zich in te schrijven voor één of andere zaak waarvoor hij zich graag wou inschrijven. Vijf Duvels ad fundum in een half uur zouden de inschrijving toch nog mogelijk maken. Het was twaalf uur ’s middags. Om half een werd de inschrijving genoteerd.   Bar De Zeven Eiken, woensdagavond, net Gold Strike ontdekt. De gouden snippers in de likeur zouden sneetjes maken in je maag waardoor de alcohol sneller wordt opgenomen. Muziek in de oren. Bestelling aan de toog. Het is cruciaal dat niemand zonder drinken in zijn handen moet staan, de sukkelaar. Iemand verspert de weg en weigert de doorgang. Een vuist zegt dat hij aan de kant moet. De deurwachters accepteren zulk gedrag niet. De donkere buitenlucht omhult een groot silhouet die beweert dat zijn neef een slag heeft gekregen en hij er nu één terug mag geven. Twee ogen en wat tanden. Een onderbouwde argumentatie om zijn redenering te ontwrichten werkt niet. alles wordt zwart.   Donderdag. Een verfrommeld pv in je broekzak. Blijkbaar klacht tegen onbekenden ingediend gisteren. De beurs is leeg. Minder op café gaan, meer sterke drinken.

Exegeet
0 0

COSTA DI FLAMINGHI

Nadat wij nu al een aantal jaren op Tenerife aan de zuidelijk gelegen Costa del Silencio overwinteren, lijkt het voor ons een beetje op een jaarlijks thuiskomen. Het hotel dat al sinds zeven jaar, na een faillissement, nog steeds in de eerste bouwfase staat, lijkt jaarlijks meer en meer op een open, skeletachtige ruïne. De Canaries mikken nog steeds hun sigarettenpeuken in de bloemperken, zodat er tussen de lavakorrels en de zorgeloos bloeiende bougainvillea, de hibiscusstruiken, de yucca’s en de palmbomen al een hele filterasbak ontstaan is. Ja, wat maakt een beetje meer of minder as uit op dit vulkaaneiland… Overal in ons vakantiecomplex hangen er grote viertalige aanplakborden waarop staat, dat op straffe van een flinke geldboete,  men de hond alleen aan de lijn mag uitlaten en de uitwerpselen door de eigenaars moeten opgeruimd worden. Zulke regelgeving wordt door de ‘locals’ finaal genegeerd. Overal zie je onaangelijnde kleine keffermormels, liefst in het midden van het witte betegelde voetpad , vrolijk hun stinkende drollen leggen. De urbanisatie is en blijft nog steeds het loslopende kattenwalhalla.  Ook de Duitse rolstoel invalide woont nog steeds aan de overkant van ons vakantiehuisje. Elk jaar wordt zijn voorhoofd groter, zijn vieze miezerige paardenstaartje langer en ziet zijn huid er meer en meer verschrompeld en grauw uit. Soms krijgt hij bezoek van een andere leegloper en denkt hij plots dat hij een diskjockey is.  Terwijl we zelf op ons terras, in de zon trachten een siësta te houden, vergast hij ons minstens één maal per week op een Woodstock- achtige plaatjesdraaierij. Nu valt de keuze van zijn muziek, die het midden houdt tussen Duitse schlagers en Englebert Humperdink,  nog min of meer mee, maar toch... Naargelang de namiddag vordert en het bier waarschijnlijk alle hersenactiviteit uitveegt, gaat het geluidsniveau stilaan over in festivalmodus. Ik denk dat de afname van zijn gehoor in evenredigheid is met zijn alcoholinname.  Ik veronderstel dat daarentegen zijn reukzin en intuïtie meer ontwikkelen, want blijkbaar ruikt hij mijn toenemende ergernis. Juist als ik vind, dat het genoeg is geweest en bijna als een Vlaamse furie wil opveren, lijkt het alsof  Tom Jones van het festivalpodium afdondert, zich in zijn “Green, green grass of home” verslikt en er volgt opeens een aangename stilte. De Costa del Silencio is het vakantiegebied naast het oorspronkelijke Tenbel (Tenerife-België) complex. De Vlamingen hebben hier vermoedelijk, in het verleden, massaal met zwart geld, witte huisjes en appartementjes, als tweede verblijf aangekocht. In het vakantiecomplex waar vroeger alleen Vlaamse, Engelse en Duitse toeristen overwinterden, wonen nu sinds de crisis meer en meer de Canaries zelf. Overal op de daken staan nu antennes naar TV Canaria en Spanje gericht en zijn wij hier de allochtonen die met vlaaien van schotelantennes TV Vlaanderen binnenhalen. Er is een Belgische bakker, een Vlaamse dokter en een Nederlandstalige tandarts. Verschillende Vlamingen hebben het druilerige België achter zich gelaten en begonnen hier een café of restaurant. In Las Galletas, het vissersdorpje op wandelafstand, staan verschillende menuborden broederlijk naast elkaar. De Engelsman kan hier voor 2.5 Euro zijn gigantisch English breakfast eten waarna hij waarschijnlijk voor de rest van de dag geen ‘porridge’ meer kan zeggen. Iedere  nieuw aangevlogen toerist kan hier, zonder problemen, zijn eigen landsdieet voortzetten. Er worden English Roast, of lambchops with mintsauce aangeprezen.  Het konijn met pruimen, frieten met stoofvlees, witlof met hesp en kaas, trekt de doorsnee ‘dagelijkse kost etende’ Belgische reiziger over de streep. Alles is voor een prikje voorhanden: een China town buffet, Wiener Schnitzel, verse Hollandse stroopwafels, pizza, paella, papas canarias con mojo, tapas, schelpdieren ,of vers gevangen en gegrilde vis, gambas en inktvissoorten.  Een kilometer voorbij Las Galletas heb je de nederzetting El Fraila. In de goedkopere huizen wonen hier alle bevolkingsgroepen die eindigen op ‘alen’ en ‘anen’. Zwarte Afrikanen, Zuid Amerikanen, Illegalen, marginalen en sinds een paar jaar, omdat wij, Vlamingen ons nog meer zouden thuis voelen, Marokkanen. Om ons geen heimwee te laten krijgen, heeft El Fraila sinds een paar weken na het ‘Charlie Hebdo’ drama, nu ook zijn eigen ‘M.terrorist’.  We mogen het kind niet meer bij de naam noemen, want dan worden wij als racistische stoorzenders aangeduid. Wij hebben ze samen mee in bad genomen, hun alle onderwijsmogelijkheden aangereikt, hen mee van onze sociale pot laten snoepen en ze langs alle kanten gepamperd. Het enige dat wij van hen verwachtten, was dat ze zouden integreren. Dat ze een zekere verdraagzaamheid zouden opbrengen voor onze westerse waarden en normen, tolerant zouden zijn voor onze vrije meningsuiting en onze soms bizarre uitdagende vorm van humor. Maar lange Arabische tenen hebben niet veel nodig. Als dan, zoals hier een dolgedraaide godsdienstwaanzinnige “Allah Akbar” roepend een medemens neersteekt, hebben ze nog het lef, om met hun gefrustreerde vinger, ons als schuldige aan te duiden. . De Tenerifse politie, kon de messentrekker na een klopjacht inrekenen en vroeg prompt hun autoriteiten om kogelvrije vesten, uit vrees dat ook hier de terreurboel zou escaleren. Op de wandeldijk van Las Galletas, zitten de meeste overwinteraars en toeristen van hun Barraquito,Sangria, Mojito of pint Duvel te genieten.  Als we op de promenade een tafeltje bemachtigd hebben en van onze ‘jarra’ een halve liter bier voor 1 Euro, zitten te genieten, kunnen we aan het becommentariëren van de stroom wandelaars  beginnen. Het is niet raadzaam deze opmerkingen te luid te verkondigen, want de Vlaamse spionkop luistert mee. Er is duidelijk verschil te bemerken tussen de half naakte zonnende Europese toeristen en de oorspronkelijke inwoners. Voor de Canaries is het nog duidelijk winter. Ze dragen laarzen, lange broeken, dikke truien en hebben meestal nog een anorak over de arm gedrapeerd. We zien ineens de hoofden van de Antwerpenaars van het terrastafeltje naast ons, dezelfde richting uitgaan. Aan het begin van de dijk komt een oudere moslima, met een hoofddoek en djellaba in een hevige grasgroene kleur aangeslenterd. “Zie naa, Marie, tis greun en twaggelt, hahaha ne Marokkaanse Kermit de Kikker!” Achter de seniorenversie,  loopt pa-Mo met een paar koters aan de hand, in een mouwloos T-shirtje van de zon te genieten. Een paar passen achter hem, drentelt ma-Fatima, met dikke buik. Ze is gesjaald en volledig omwikkeld met de overgordijnen,  zodat ze zonder veel problemen de ergste Tenerifse zandstorm zou kunnen trotseren. “Hiersè, Louisa” fezelt de Antwerpenaar: “Een poar vanachter onzenoek, hoe zouwe die hier kome?” “Assevan ’t Kiel of Borgerhout zen, mè tram 24 hé, Eugène, of mè den 12 asse van sintjansplain komennée” Miljaarde godverdoeme, Marie, hier zitte zoekkal” Deze Spaans- Marokkaanse mensen kunnen misschien de allerliefste, vriendelijkste en misschien super tolerante toekomstige buren zijn, maar van enige westerse geboortebeperking of kledingintegratie is er tot op heden nog niet veel te bespeuren. De overwinteraars beseffen maar al te goed dat de ‘grotemensenspeeltuin’, onder de lappen stof, sneller kweekt dan het babyuniversum en het pamperparadijs aankunnen. De Antwerpenaren en Brusselaars weten uit ondervinding, dat eens de theelokalen en de waterpijpcafés zich tussen de Belgische bakker en de Engelse pub in wringen en de lokale tapas bar vervangen wordt door een ‘pita-shoarma take away’ het vijf voor twaalf is. De Costa del Silencio, hun Costa di Flamingi zal binnen de kortste keren veranderen in het Hallal- paradijs. Wij laten de sakkerende Vlamingen achter ons en slenteren door de winkelstraat. In de etalage staat, onder de plakkaat ‘Rabajas’ een paspop met een prachtig, met papegaaien en palmbomen versierd, exotisch, veelkleurig afgeprijsd haltertopje. Het doet aan passionele nachten vol seks denken. Manlief blijft afwachtend voor de ingang van de boetiek rondhangen terwijl ik met een rotvaart het pashokje induik. Terwijl ik het Spaanse ‘taille unique’ bloesje over mijn hoofd wurm, verander ik terstond in een ‘jungle- bookachtige’ salami. Het niemendalletje verhult amper mijn kokosnoten en accentueert overdreven mijn Rubens spekrollen. De twee bandjes camoufleren nauwelijks de twee beginnende kippenfilets, die sinds een paar jaar onderaan mijn bovenarmen heen en weer wiebelen. Zuchtend hang ik het kleine Spaanse maatje terug in het rek. Als ik zonder aankoop buitenstap, schudt manlief vragend: “Nee?” Ik knik instemmend: “Nee de kleur stond me niet!”  Terug thuis zal ik mijn overwinteringgarderobe voor volgend jaar wel wat aanpassen en opnieuw aankopen bij mijn hofleverancier ‘Le Marinier’. Als ik bij ‘De Zeeman’ dan niets op de kop kan tikken, dan weet ik in Antwerpen nog een heleboel winkels waar ze djellaba’s, boerka’s en overgordijnen verkopen.   Sim, Costa del Silencio  29/1/2015  

Sim
166 0

WRAK OP DE SNELWEG

Als ik eerlijk tegenover mezelf ben en, als immer tegen jullie, kan ik niet anders dan het toegeven : de vent kon het gewoonweg niet weten ! Ik vertoon geen enkel teken van het Downsyndroom of zit niet de ganse tijd hardop te vloeken of schelden. Ik trek ook geen gekke bekken naar de mensen of praat niet de ganse tijd hardop tegen mezelf. En eraan toevoegen dat het niet op mijn voorhoofd staat geschreven, lijkt me helemaal overbodig. Ik had natuurlijk, net als de stoere flikken op televisie hun badge, mijn invaliditeitskaart voor zijn ogen kunnen laten flitsen en iets zeggen in de trant van : “Do you feel lucky today, punk ?”. Maar met de volledig verkeerde kaart in mijn hand en – vooral – het ontbreken van een .357 Magnum, had deze reactie tot een enigszins lachwekkende situatie geleid. En de Magnums die worden verkocht in de winkel naast mijn stamkroeg, hadden dit geenszins een ernstigere ‘touch’ gegeven. Dus toen ik mijn laptop opende bij Mady (ja, inderdaad : die Mady !), leek alles mij te verlopen als elke gewone  andere dag. Wachtend op alle shortcuts die mijn laptop rijk is, in beeld zouden verschijnen, keek mijn verder mij volledig onbekende buurman mij aan en zei met een perfect Antwerpse – en tekenen van een beschonken – tongval : “Gij zou al beter bij die andere onnozelaars in het Parlement gaan zitten !”. Kijk, als je, net als ik, reeds in het bezit bent van een kort lontje (steek het mijne aan en mijn ballen zijn al ontploft voor ik ‘Auh’ kan zeggen) en tevens de ongelukkige bezitter bent van de zwaarste vorm van ‘Borderline’, waar dan ook verkrijgbaar, dan weet je het wel. Zo’n even simpele als domme opmerking, die ieder ander weldenkend mens zou laten voor wat hij is, triggert bij mij meteen de hele reutemeteut, bestaande uit duivels en demonen, die normaal op medicinale wijze zoveel mogelijk in staat van rust worden gehouden. Laat ik voor het gemak dit even voorschotelen in beeldspraak, hierbij gebruik makend van wagens. Goed, je rijdt in een comfortabele en van alle slimme snufjes voorziene  Mercedes GLC en wordt op de snelweg, op weg naar alweer een nieuwe bestemming in je leven, onverwacht de weg afgesneden door een camion, waarvan de chauffeur de dichtstbijzijnde afrit duidelijk te laat in het vizier had gekregen. Misschien is een fel geroepen ‘klootzak !’ zijn deel en je vervolgt je weg naar het onbekende. Indien je een Seat Ibiza onder je kont hebt met bouwjaar 2004 en bij één van de hopeloze werken je wagen tot een halt moet brengen, omdat andere chauffeurs bij het woord ritsen enkel denken aan hun broek, word je misschien erg kwaad…en terecht. Een resem bekende en onbekende scheldwoorden en de onmisbare middelvinger achtervolgen de daders, die inmiddels al zowat 3 kilometer verder zijn…tot je met enige doodsverachting dan toch beslist dat het nu jouw beurt is. Wanneer je echter met (of als) een wrak je diezelfde snelweg op gaat, ben jij het niet, maar de andere chauffeurs die vloeken en tieren, woedend worden of – in sommige gevallen (jullie lezen er vast ook wel over in de plaatselijke kranten) – erger. Laten we ons terug begeven naar het café van Mady. Ik ben helaas niet de bezitter van een Mercedes GLC…zelfs niet van een 11 jaar oude Seat Ibiza. Nee, ik ben nu eenmaal dat wrak op de snelweg. En dat maakt, zoals de gebroeders Willy en Jos van ‘Vermaelen Projects’ ongetwijfeld zouden beamen, een wereld van verschil. Ik vervolg dus mijn weg niet vlotjes zoemend verder, zelfs niet met een welgemeende ‘klootzak’ uitend aan het adres van de aanwezige Antwerpenaar. Ik stop ook niet om de vent uit te schelden en hem mijn – nochtans prima onderhouden – middenvinger te tonen. Neen, dit wrak wil bewijzen dat hij, net als iedereen, nog steeds het recht heeft zich te begeven op deze snelweg die ‘leven’ heet. Dus, in plaats van de situatie even in te schatten om dan wijselijk te besluiten dat het raadzaam is de opmerking van “De lallende lul” (interesse, Studio Vandersteen ?) te laten voor de nietigheid die hij voorstelt, wordt mijn motor meteen getriggerd…om vanzelfsprekend meteen in “overdrive” te gaan. “Wat was dat ?” is – toegegeven – een overbodige vraag als je de opmerking meteen van de eerste keer hebt begrepen. En voor de man, mij wat verbaasd aankijkend, nog steeds hopend op een staande ovatie voor zijn geweldige grap (zelfs zijn ongetwijfeld Antwerpse tafelgenoten hadden hem in de steek gelaten, wegens niet één glimlach), sta ik gevaarlijk dicht, zijn comfortzone met de voeten tredend, over hem gebogen, kijk hem recht in de ogen en spreek de volgende historische woorden uit : “Dat moet je eens herhalen. Dat moet je écht nog eens een keer herhalen en deze onnozelaar geeft je een iets minder onnozele klop op je verbazend onnozele bakkes !”, dit vanzelfsprekend in nuchter, maar volledig perfect uitgesproken Antwerps dialect, dat mij nog steeds rijk is. Zijn 2 vrienden bekijken het café, alsof ze zich plots op een onbekende plaats bevinden en hun nieuwe omgeving in zich willen opnemen. En toch lijkt dat vreemd, daar de aangesproken vent het – gelukkig voor hem – niet in zijn hoofd lijkt te halen zijn eerder uitgesproken (on)zin opnieuw uit te braken en zich met een geheel ander onderwerp tot zijn niet-toehoorders keert. Mady serveert gewoon verder (zoals reeds vermeld in een vorig verhaal : ze kent mij) en de andere gesprekken komen terug op gang. Inmiddels geeft mijn ‘Asus’ al zijn geheimen prijs en kan ik aan de slag. Na enkele aanslagen, die het toetsenbord niet heeft verdiend, neemt de motor gas terug en kan dit wrak opnieuw zijn aanwezigheid op de veilige snelweg opeisen.  Eén dag later : zelfde plaats, ongeveer zelfde uur. Ik werk aan de voorbereiding van wat ooit op jullie scherm zal verschijnen als “Onafhankelijkheidsdag 2”. Wie deel 1 heeft gelezen, zal begrijpen dat hierbij elke letter, elk woord dient gewikt en gewogen te worden. Elke zin is een herinnering…elke herinnering meer dan ongewenst. Maar ik weet dat ik het moet doen…voor mezelf en duizenden andere kinderen en pubers, overlevend in dezelfde situatie in dit ‘voorbeeldige’ land. Met andere woorden : ik ben even van de wereld. Tot een vrouw van middelbare leeftijd, 2 tafels verder, mij aankijkt en ik nog nèt het woord “Paljas” hoor vallen. Ze blijft me verwachtingsvol aankijken, zonder natuurlijk te beseffen dat het sleuteltje van het wrak wordt omgedraaid en de inwoners van de slecht onderhouden cellen in mijn hoofd, zich beginnen te roeren. Maar hoe dan ook, het is een vrouw dus, weliswaar zonder zelfs maar een spoor van een glimlach, kijk ik haar aan en vraag : “Wat zei u juist, mevrouw ?”. “Oh sorry, ik wou enkel vragen of u al eens een “Paljas” hebt gedronken”, herhaalt ze (voor de leken onder jullie : een Belgisch bier van hoge gisting). Onmiddellijk springt de motor opnieuw af, de krakers van mijn hoofd begeven zich terug in hun comateuze slaap en ik antwoord met de vriendelijkste glimlach die ik op dat moment tevoorschijn kan toveren : “Nee sorry, nog nooit geprobeerd, mevrouw. Ik hou het bij pils”. Ze glimlacht even terug en keert zich opnieuw naar haar tafelgenoot…haar echtgenoot, neem ik aan. Zal ik het dan misschien toch maar op mijn voorhoofd laten tatoeëren ?

Paul Smeyers
12 1

DUIMZUIG#2 // M. Brouckaert //

Dossiers op tafel, sigaretten ernaast. Nog achtentwintig minuten en hij komt op. Zijn vijf seconden roem. Hij wacht tot zijn naam wordt afgeroepen. Tot plots,  het is weer aan hem. “Dit alles onder het toeziend oog  van gerechtsdeurwaarder Brouckaert.  Ah daar bent u al! Alles goed verlopen, meester Brouckaert?” Hij komt op: een vlotte wuif naar het publiek, handgeschud met de homofiele presentator van dienst en een beamende knik richting camera drie. De resultaten afgevend in een – meestal – gouden enveloppe. Af en toe wordt hem een bijkomstige vraag gesteld. De verplichte mediatraining leerde hem hier steevast kort en bonding – indien mogelijk liefst met ja en nee – op te antwoorden. Hoe sneller hij uit beeld is, hoe beter. Taak volbracht.   Tot op dat moment was hij telkens de enigste die de uitkomst van het spel, show of loterij kende. Die tijdelijk macht deed hem, vlak voor hij op kwam, altijd iets harder aan die laatste sigaret lurken. Het gaf hem een kick. Indien hij het wenste kon hij de resultaten vroegtijdig aan de pers lekken;  de enveloppe terplekke als een zot met zijn aansteker verbranden of de resultaten vervalsen. Enkele keren had hij overwogen zoiets radicaals te doen. Een scene te maken. Het publiek dat per bussen was afgezakt om het ‘gekolder’ live mee te maken, eindelijk eens waar voor hun geld te geven. Ook al lonkte het avontuur verschrikkelijk, het geld en de mogelijks negatieve publiciteit hielden hem tegen. Hij had het rustiger aan kunnen doen, iemand extra in de praktijk in dienst genomen en duurdere whisky kunnen kopen.     Op weg naar huis gaf hij in zijn auto steeds op dezelfde plek aardig wat plankgas. Deed hij zijn stropdas met een ruk uit, smeet die op de passagierszetel naast hem en draaide het raampje open en stak zijn hoofd helemaal door het venstertje uit. Vijf seconden lang deed hij zin ogen dicht en gaf gas bij. Hij voelde de wind langs alles en iedereen voorbij gaan en hoorde niets meer. Hij kickte van dat wakker worden. Het was een kortstondige gloed aan onverzadigbare energie. Wanneer hij de autostrade richting zijn woonst benaderde, was de stropdas allang terug aan.   Het leven ging verder in het dorp waar hij al heel zijn leven woonde en de praktijk van zijn vader had geërfd. Voor de mensen uit het gat was hij als gerechtsdeurwaarder een BA – een bekende Avergemenaar:  de bakker sprak hem de volgende ochtend altijd aan over de show, dat hij hem gezien had en dat hij dat goed deed. De postbode vroeg hem steeds over de werking van het spel. “Beroepsgeheim, Roger.” was keer op keer het antwoord. De slagersvrouw complimenteerde hem met zijn voortreffelijk voorkomen, gaf hem een extra salamietje en een vette knipoog. Hij genoot niet van de aandacht die hij kreeg. Een verplicht nummertje zonder einde. Enkel de attentie van de slagersvrouw kon hij smaken. ‘s Avonds laat, wanneer hij naast zijn eigen vrouw lag, fantaseerde hij over haar. Raakte zichzelf stiekem aan en kwam, dromend over haar slanke benen, stil naast zijn eega klaar. Daarna viel hij in slaap.   © Sam Sterckx aka AllesBehalveHaiku's

AllesBehalveHaiku's
10 0

DUIMZUIG#1 // Ohne Titel //

Ochtend. Iets voor negen. Mandarijnen worden gepeld, koffie geschonken. In het gekookte water ziet de man zijn eigen troebele zelf. Schever en ongezouten. Hij heeft nog geen tijd gehad alles van zich onder de douche af te spoelen. De avondshift kleeft aan alles wat ie vastpakt.  De feiten herhalen zich elke avond, elke ochtend.  Zonder er een woord aan vuil te maken geeft de ploegdienst hem een leven die geen enkele vrouw hem ooit schenken kon: rust en structuur troef. Groot leeft ie niet. Over de jaren heen verzamelde hij wat geld om een klein studiootje te kopen. Een bed, keuken, slaapkamer en balkonnetje.  Meer was niet nodig. Alles in het wit, hij had geen nood aan rood schreeuwerig geschilderde muren of decorelementen die verder geen enkel nut hadden dan vierkante meters op te slokken. Alles moest functioneel en  praktisch zijn.  Werkte je niet meer, dan werd je opgeknapt of vervangen. Had je geen nut, dan kwam je niet binnen. Of toch. Er was een ding dat al deze regels zou doorstaan, dat op een dag door het oog van de naald was gekropen en wel de boel mocht opfleuren. Bestaansrecht had zonder hier verder verantwoording voor af te leggen.   Op een vrije dag had hij zijn fiets genomen en de stad ingetrokken. De benen strekkend op het ritme van zijn mp3-speler die de laatste nieuwe cd van een af andere folkgroep in zijn oren fluisterde. Een genre met hoge vrouwenstemmen die zijn onbestaand seksueel  leven voor even deden vergeten. Hij kwam de stad binnen, het water aan zijn rechterkant en de drukte aan zijn linker. In de verte viel hem een rommelmarkt op. Enkele kraampjes en veel volk. Niet echt zijn combinatie – om dan nog over de rommel te zwijgen – maar de stemmen in zijn hoofd lieten hem verleiden zijn geluk voor een keer wel te beproeven. Fiets aan het slot en de drukte trotserend. “Mensen roepen altijd zo hard op markten.” Had hij bij zichzelf gedacht. Alsof het testosterongehalte hen zo opfokte om over elkander heen te bulken en als brulkikkers zoveel mogelijk volk rond zich heen te scharen. Hij voelde zich onwel worden. Geen uitweg meer vindend in een plek waar hij nooit naartoe had moeten komen. Zweetparels kregen van de huidporiën hardhandig instructies om uit te rukken. Tot plots dat ene ding zijn oogveld binnenschoot. Het lag wat verloren op de hoek van die oude tafel met schragen. Het zoog hem naar zich toe. Zijn hyperventilatie vergeten, stapte hij ernaar toe. Zijn smetvrees vergeten, pakte hij het vast. Draaide het een kwartslag naar onder, naar boven en vroeg de kraamster met valse wimpers en een boezem die nergens thuishoorde: “hoeveel vraag je ervoor?” ‘Een tientje wierp ze hem toe.” De dame met de valse wimpers en de geschminkte tache de beauté had niet verwacht het geld enkele seconden later op haar tafel met schragen terug te vinden.  Onderhandelen was hem vreemd en hij wou zo snel als ie kon met de ruwe parel de berg stront verlaten.   Thuisgekomen blonk hij het op en gaf het zijn eigen vierkantenmeter muur. Als iemand in trance, keek ie er voor de rest van de namiddag naar. De volgende weken verliep alles hetzelfde, buiten een ding: telkens als hij zijn studio verliet, raakte ie het aan. Alsof hij het leek te zeggen: “Niet wanhopen. Ik ben zo terug.” Thuis teruggekomen werd de aanraking een lieve verwelkomingsgroet. De man zonder vrienden, zonder echte vorm van sociaal leven, geraakte langzaamaan meer en meer in de ban van zijn nieuwe vriend. De parel die aan de muur voor zich uit staarde. Het leek zelfs met hem te praten, hem als de beste te verstaan. De buurman vertelde later – in een interview aan de plaatselijke krant –  dat hij van de ene dag op de andere meer gelach en stemmen bij zijn anders zo stille buur vandaan hoorde komen. Op het eerste zicht niets bijzonder, maar de goede man hoorde geen ene keer de deur in en uit het slot gaan. Hij had willen aankloppen, maar vond dat niet gepast. “Een mens hoort zich niet met iemands zaken te moeien.” stond als quote naast het artikel.   © Sam Sterckx aka AllesBehalveHaiku's  

AllesBehalveHaiku's
0 0