Lezen

Gerookte zalm

Dit weekend was ik met het gezin op wandel in de duinen. Eind februari, staalblauwe hemel, felle zon en een gure noordoosten wind, mijn favoriete winterwandelweer. Het teveel aan zand in de schoenen van onze zoon is de aanleiding voor een rustpauze en meteen ook een rookpauze van mijn wederhelft. Hij installeert zich op de top van een duin, hoog genoeg om de zee te zien en toch voldoende beschut voor de wind. Na 20 jaar samenzijn smelt ik nog steeds bij dat aangezicht en ik diep mijn gsm uit mijn zakken om dat beeld vast te leggen, maar zodra hij door heeft dat ik hem in mijn vizier hou verkrampt zijn pose, als ware het een geweerloop die op hem gericht werd. De sigaret verdwijnt ergens achter zijn zijde en helemaal onwennig en betrapt perst hij de rook zo onzichtbaar mogelijk tussen zijn lippen. Samen met het ontspannen beeld van mijn rebelse roker verdwijnt meteen ook het verliefde gevoel in mijn buik. “Je zat daar zo mooi met je sigaret, ik wou een foto nemen”, zeg ik nog in de hoop dat ogenblik te herstellen. “Toch niet met een sigaret”, is zijn antwoord. “Ah, zijn we in zo’n tijdperk aanbeland?”, reageer ik teleurgesteld. De gsm gaat terug in mijn zak en ik vlei me neer in het zand, als een schaapherder in de weide, ogen half dicht en hoofd op waakstand. Mijn zalm is een schaap geworden. Gerookte zalm schotelde mama vaak voor als voorgerecht. Mama die zo graag feestjes gaf en iedereen volgestouwd en gemarineerd in de vroege uurtjes naar huis liet gaan. Wat verlang ik naar die grote living van mijn ouderlijk huis waar in de wintermaanden elk weekend een mist van sigarettenrook hing, een mist die een hoop geheimen verhulde en waar enkel luid gelach en felle stemmen doorheen schalden. Zoals de stem van tante Zjet, wiens echte naam ik pas op latere leeftijd heb leren kennen, Georgette. Tante Zjet leek voor mij recht uit de 19de eeuws luxueuze paleizen van de Russische tsaren te komen, een opvallende vastberaden verschijning. Zij was voor mij een voorbeeld van rebellie, een vrouw naar mijn hart. Een grote struise dame met witte korte haren, die zodanig opgekruld waren dat het leek alsof ze nog een mooie haardos had terwijl je er los doorheen kon kijken en die naargelang de successen van de kapper bovenaan een ietwat gelige schijn vertoonden zoals de vergeelde muren van rokersruimten, wat wel heel toepasselijk was. In mijn hoofd zit tante Zjet met haar immens robuuste lichaam, fel rood getinte lippen en wit gepoederd gezicht in een waas van rook aan tafel en weergalmt haar rauwe maar opgewekte stem doorheen de hele living. Tante Zjet was niet lijkbleek, maar rookwit tot grauwgrijs, door haar haar- en huidskleur, de poeder en de sigaretten. Ik had nog nooit een lijk gezien, maar als mijn nonkel de begrafenisondernemer lijkenverhalen boven haalde aan die rokerige feesttafels dan zag ik steevast de kleur van tante Zjet. Nochtans kon geen dame zo vol leven zitten als zij. Ze droeg opvallende kleren, had een uitgesproken mening en liet die steevast horen. Zagen en klagen deed ze niet, ze wou vooral lachen en genieten. En dat kon je als zij aan tafel zat. Zeker wanneer iemand over de katholieken begon. Dan rukte ze hevig aan haar sigaret, hief haar hoofd lichtjes rechtop en produceerde de opvallendste rooksignalen alvorens ze haar, tegen dan van de rook dooraderde, blauwe ogen groot opzette om met een diepe bas stem “zwiegt mien over die zot mè z'n crèmekerre” te roepen terwijl haar vuist op tafel belandde. Als de paus zo over haar rood gestifte lippen kwam was het de uren daarop hilariteit alom, zwol de dompige waas van rook alleen maar verder aan en werden de feestvierders nog meer gemarineerd. Helaas zijn al die sterke dames met hun flair en optimisme van de jaren 20 en de schrijnende ervaringen uit de jaren 40 intussen uit mijn leven verdwenen. De één al vroeger dan de andere, maar ze lieten allen hun afdruk op mijn bestaan. Tot mijn eigen verbazing in die mate dat deze dames tijdens een alledaags zondagnamiddaguitstapje in de duinen alweer een monoloog met mezelf uitlokken. Wat is er fout gegaan bedenk ik dan? Die hypocrisie waar Tante Zjet een hekel aan had lijkt wel alom aanwezig. We halen standbeelden naar beneden, op de stadsscholen worden de maaltijden vegetarisch, we organiseren fit-challenges op het werk en schamen ons zo erg voor onze verslavingen dat we het alsmaar stiekemer en gejaagder gaan doen. Intussen gaan we gewoon door met overal oorlog voeren en grondstoffen in andere landen plunderen, massaal vlees produceren en zitten we 10 uren per dag aan ons scherm gekluisterd zogezegd om genoeg te verdienen om vrij te zijn, terwijl we de vrije uren die ons resten toegeven aan onze verslavingen zonder ervan te genieten omdat het door de westerse maatschappij ingebakken schuldgevoel elke vorm van genot onderuit haalt. Dat ook mijn wederhelft zijn rebellie heeft laten varen en zich schuldig voelde over een sigaret waar hij zichtbaar van genoot doet me panikeren. Als we hier in de natuurlijke duinen omringd door een zee van zand, met een handvol wandelaars aan de vloedlijn en een paar kiters tussen de schuimende golven, dat wijzende vingertje en die bekritiserende blikken voelen, waar kunnen we dan wel nog vrij zijn? Waaraan denk je vraagt hij omdat ik te lang stil ben. “Aan de rokerige living en uitgerookte treinwagons” zeg ik terwijl ik opsta. Ik klop het zand van mijn kleren, knipper de dromerige rook uit mijn ogen en sla een arm om onze dochter. “Kom we gaan naar huis”. “Wat eten we vanavond?”, vraagt ze. “Gerookte zalm”, zegt mijn wederhelft. “Zolang het maar geen schaap is”, denk ik.  

Fien SB
98 1

Vormen van landen (6)

Ge zit op de tram en ge kijkt door het raampje naar buiten.De zon schijnt eindelijk helemaal doorheen het mistgezicht van de stad.De lucht heeft alle buien van gisteren uitgewist en is een heldere aanmoediging geworden om op zoek te gaan naar zoveel mogelijk innerlijke veerkracht.Laag in de lucht ziet ge een passagiersvliegtuig voorbij komen.Het toestel zit al volop in landingsmodus. De wielen zijn naar buiten geklapt, in minder dan tien minuten zal het vliegtuig in de luchthaven op de grond staan.Rond u zitten verschillende mensen met een smartphone in de handen. Ze kijken niet naar buiten, maar swipen er op hun schermpje duchtig op los.Hoewel ze met hun lichaam wel op de tram zitten, zijn ze niet aanwezig.Buiten glijden de vertrouwde beelden voorbij: kinderen die op weg zijn naar school, het verkeer dat opnieuw gestremd zit, een doorkijkkantoor dat u onbelemmerd zicht geeft op mensen die verdieping na verdieping schijnbaar onbewegelijk aan een bureau zitten en deel uitmaken van één of andere kosten baten analyse die meer resultaat zal moeten opleveren dan het jaar ervoor en op zijn beurt in de komende jaren telkens opnieuw overtroffen moet worden. De tram begint steeds harder te rijden. Hoe sneller hij rijdt, hoe moeilijker het wordt om datgene waar ge door het raampje naar kijkt écht in uw blikveld vast te houden.Hoe sneller de dingen voorbij flitsen, hoe vlugger ze aan betekenis beginnen te verliezen.Ge weet dat dit fenomeen, méér dan dat ge aan uzelf wilt toegeven, uw leven aan het bepalen is. Dan valt uw blik op een jong koppeltje vooraan in de tram. Ze zijn zonet ingestapt.Omdat alle zitplaatsen inmiddels ingenomen werden, zijn ze recht blijven staan. Hij houdt zich vast aan een lus die uit het plafond van de tram bengelt.Zij houdt zich vast aan hem, haar armen rond zijn middel, haar hoofd rust tegen zijn borst.Af en toe fluistert hij haar enkele woorden toe en dan knikt ze.Bij elke bocht die de tram neemt, wiegt het ene lichaam dat ze samen vormen zacht heen en weer. Het is zo’n zuiver en vredig beeld dat ge uw ogen onmogelijk van hen kunt afhouden.Ge laat u voeden door wat ge ziet. Als ge er voor openstaat, kunt ge dagelijks mini-taferelenvan een dergelijke onverwoordbare schoonheid observeren. Meestal gaat het om gebeurtenissen die zich afspelen tussen twee oogopslagen in: bijvoorbeeld een jonge moeder die onbeschrijfelijk liefdevol een baby uit de kinderwagen tilt. Of, gewoon, iemand die u plots met een heerlijk ontwapenende glimlach tegemoet komt. Maar zoals het wel vaker in het leven gaat: elk tafereel van schoonheid heeft zijn tegenhanger dat vroeg of laat uw pad kruist. Wat uw eigen leven betreft, laat het tegenbeeld gewoonlijk nooit erg lang op zich wachten. Het jonge koppeltje heeft intussen de tram verlaten. Op het bankje voor u is een man komen neerploffen. Onmiddellijk dringt een afschuwelijke geur tot u door: de penetrante stank van iemand die zich al héél lang niet meer gewassen heeft.Met uw hand voor uw mond balanceert ge op het punt dat ge zult moeten kokhalzen, een reflex die ge nog enigszins in bedwang kunt houden door een tijdlang niet in te ademen, maar dan moet ge dat tóch en net op het moment dat ge overweegt om op te staan en uzelf zo snel mogelijk te bevrijden uit deze afgrijselijke damp, komt de man zélf overeind en stapt hij uit.Maar boven het zitbankje is onmiskenbaar de geur van vlees in ontbinding blijven hangen.Een jonge vrouw is nu op die plaats gaan zitten. Nog vóór de tram zich opnieuw in beweging zet, draait ze zich met een verontwaardigde blik naar u om en staat ze op om een andere zitplaats te zoeken, vér uit uw buurt. ‘Ik was het niet!’, wilt ge haar naroepen, maar ge houdt u in en door de inspanning die u dat kost, begint ge luidop te lachen.Enkele kilometers verderop raken de wielen van het vliegtuig, na een eerste vluchtig contact met de landingsbaan, nu definitief de grond.

Andreas Raven
78 1

Dat huis van mijn jeugd

Waar is dat huis waar de deur nooit opengaat Waar het wachten blijft op warmte en blijheid De vreugde altijd zoek is en altijd laat En het enige kind zwijgt en lijdt Hier waar vader met strenge hand regeert En moeder kuisziek de liefde wist Waar mijn maag zich ommekeert En iedereen gaat lopen met leugen en list Waar ik mijzelf niet eens kan zijn Mijn vader ontsnapt en de koersfiets neemt Met een strenge hand het kind de hoek indrijft En mijn moeder een tweede claimed Waar geborgenheid en een knuffel verborgen blijft En moeder mij naar de school toestuurt Met rode muts met witte pompon Waar pesten duurt en voortduurt Lachen om mijn anders, mijn dikke ton Snel met mijn fiets op de vlucht Verdwalen op grootmoeders’ boerderij Om te ademen, om vrijheid en lucht Met de dieren aan mijn zij Waar is dat huis Waar mijn moeder flikflooide in de kelder Waar is dat huis Waar spanningen vertroebelden het leven helder Daar wil ik niet langer naartoe Waar in de living het ziekenbed van moeder lag Na vier jaar behandelingen en kanker moe Waar ik stelende zussen bezig zag Met handen vol parels en juwelen En kleren en meer van dat fraais Waarvan kinderwonden niet meer helen Zoals vissersboten werkloos aan de kaai Een huis waar ik nooit mijzelf kon zijn Omdat flikkers nu eenmaal niet in hun kerk pasten Ik stelden hen zwaar teleur, echt niet fijn Omdat ik simpelweg viel op gasten Waarom kan een thuis zo moeilijk zijn Waarom kan ik niet gewoon de zoon zijn Die anders is dan iedereen Als een tomaat naast een winterpeen Het huis waar ik niet wil komen Niet wonen Waar vader nog wat wou toelichten aan haar sterfbed Een nieuw gegeven, een nieuwe aanzet Maar dat huis heeft nu afgedaan Ik woon nu elders Gelukkig voortaan   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
4 0

Kat in het bakkie

Toen Romina op de overloop de stofzuiger tot stilte dwong, werd ze opgeschrikt door niet-aflatend gebons op de voordeur. Verschrikt stormde ze naar de keuken, de living, de bureau, maar trof niemand aan. ‘Mienier, miefrouw?’ Het enige antwoord kwam van haar eigen echo die als een pingpongbal tegen de muren botste. Het gebons bleef aanhouden, dus ze besloot toch voorzichtig de deur op een kier te openen. ‘Ja?’ vroeg ze achterdochtig. ‘Goeiedag mevrouw, ik kom voor de wasmachine?’ Zijn zakelijke toon en vastberaden blik maakten duidelijk dat hij verwacht werd. Omdat Romina wist dat mevrouw eergisteren haar rug had bezeerd toen ze twee emmers water van onder de machine had moeten opdweilen, vermoedde ze dat ze wellicht een hersteller hadden gebeld, maar vergeten waren haar in te lichten. ‘Okie, voolgt oe maar.’ En dat deed de man. Alleen niet tot aan de wasmachine. Nog voor ze aan het keukeneiland kwamen, had de man haar omgedraaid, tegen de muur gedrukt en haar zwaar hijgend aangekeken. ‘Hebben ze je al es verteld hoe verrukkelijk je bent?’ Hij likte aan zijn lippen en ze werd vastgepind door de begeerte in zijn broek. Vreemd genoeg voelde ze zich niet bang. Integendeel, de man had op één of andere manier een ongelooflijk betoverende uitwerking op haar. Ze besloot zich roekeloos over te geven aan de wellust waarmee hij haar had aangestoken en gooide haar hoofd in haar nek, terwijl hij haar schortje losknoopte en met een ruk de knoopjes van haar bloesje als confetti in het rond liet spuiten. Hij dook op zijn knieën, trok haar slipje over haar enkels, en terwijl ze met haar handen door zijn verrukkelijk ruikende haardos woelde, merkte ze dat hij haar rok omhoog stroopte en haar op het keukeneiland tilde. De daad was kort maar krachtig. Zoals wel vaker als mannen op springen staan. Ze had niet verwacht dat hij zou blijven tot ook haar vuur geblust was, maar ja, hij was loodgieter, geen brandweerman. ‘Waar staat ie?’ Met zijn handen de laatste hemdsplooien terug goed strijkend, was hij in één tel terug naar de hem toegewezen taak. ‘Hierachter.’ Ze volgde hem tot aan de oorzaak van zijn aanwezigheid en polste of hij hem kon repareren. ‘O tuurlijk!’ antwoordde hij vrolijk. ‘Kat in het bakkie!’ Verschrikt keek ze hem aan. ‘Maar… maar… mievrouw doet eir altaid Dreft ien. Zij ebben ier gien kat…’ Een paar tellen was het stil en keek de man haar met verstomming aan. Toen gierde hij het uit. ‘Niet letterlijk natuurlijk! Ik ga heus geen kat in het bakje voor het wasmiddel duwen. Daar is ie toch veel te klein voor?’ Amper bijkomend van het lachen vervolgde hij. ‘En dan zou ik ook de dierenbescherming op mijn dak krijgen!’ ‘Maar… maar… waat moet er dan kebeuren?’ Romina begreep er niks van. ‘Ik bedoelde dat ik al zie wat het probleem is, en dat ik het eenvoudig en snel kan oplossen.’ ‘Oh…’ Romina voelde het bloed naar haar wangen stijgen. Hoe lang ze ook al Nederlandse les volgde, die rare spreekwoorden deden haar altijd de das om. Maar ze gaf niet op. ‘Jij... jij ook kat in het bakkie zijn!’ Haar brede grijns werd nog groter toen hij haar poging met een heftige salsa van zijn heupen beantwoordde.

Vlechtenmeisje
17 1

Covid (hoofdstuk 19)

Gisterenavond moest ik van mijn vriendin inkopen doen dus heb ik met ingang van de nieuwe lockdown mijn fiets genomen op weg naar de winkel leken de zebrapaden de Processie van Echternach om de drie strepen stonden er twee aan te schuiven met mondkapje dampten de glazen van mijn bril onherroepelijk  aan het einde van de straat begon het niezen    Later in de badkamer kriebelde het een eerste keer zonder noemenswaardig keelgeluid en speekseloverschotten  verloor ik alle geur- en smaakzin na het injecteren van wat chloorwater  in een droom waarin iedereen onaangekondigd knuffelde voelde het alsof een hardleerse horecahoer mij zonder QR-code vol op de mond kuste het zweet in mijn bilnaad verdoofde het enige witte laken dat niet uit het raam hing   Rond middernacht hamsterde een mug het behangpapier de luchtverplaatsing van een droge scheet bracht de bubbels in het voor de helft met zuurstof gevulde toilet tot leven de resonantie in opwellende hoestbuien wiste het spic en span van vluchtig gewassen vingernagels met stijgende curves in gedachten verscheen het noodlot voor de ogen van de middenstand kleurde het scherm overlijdens van menig rusthuisbewoner rood   Het was na het ochtendgloren dat de nood aan informatie opkwam van 07u32 tot 09u54 heb ik gegoogeld om te achterhalen waarom ik ondersteboven in een veel te klein geworden leven ontwaakte                G5-netwerken van het plafond streamde neerslachtigheid en depressie zijn het resultaat én niet het gevolg              van het streven naar synchroniciteit tussen lichaamstemperatuur              en avondklok met de buurvrouw van nummer 36 en een half   Een verloren gewaande schilfer afkomstig van Pipi Langkous'      ongewassen schaamhaar behoort tot de mogelijkheden of de vleermuis uit China die iemand in een opwelling van dierenliefde opat Corona is een Mexicaans biermerk zegt Wikipedia veel liever zie ik Ebola, SARS en Hendra nog een keer op blote voeten door de lagere school rennen of Nipah de astmatische lerares met haar honderdtwintig kilo in mijn ogen staren tijdens de les seksuele opvoeding  niemand die het aandurft te vragen of bloedgroep O positief is voor de menstruele cyclus van een wereldleider genaamd Trump   Tot voor kort was ik bang voor de komst van de buikgriep nu vrees ik  een overaanbod van broodbakmachines en het gebrek aan kleurshampoos op anderhalve meter van bijna 50 miljoen broeihaarden blijft er nog altijd het equivalent van 16 miljard te ontsmetten handen huidhonger is het aangeboren verlangen om aangeraakt te worden  enkel wie de kracht van het nietsdoen ambieert weet dat luchtverplaatsingen in de kamer een mug niet onoverkomelijk maakt

Sascha Beernaert
36 0

Een nieuw begin

Ik wil geen slaaf zijn van het lot en mijn leven in eigen handen nemen, maar ik vrees dat er geen keuze is. Alles kent een begin. En waar een begin is, is een einde. Het is onmogelijk het ene los te koppelen van het andere. Het zijn natuurlijke tegenhangers van elkaar die elkaar in balans houden en elkaar nodig hebben om te kunnen bestaan. Ying en yang. Geen goed zonder kwaad, geen zoet zonder zuur, geen genot zonder pijn, geen liefde zonder haat. Die balans is een bijzonder merkwaardig, maar onmiskenbaar universeel gegeven. Als we de idee dat alles in balans moet zijn doortrekken, dan wil dat zeggen dat waar een einde is, ook een begin moet zijn. In de natuur zijn er bijzonder veel voorbeelden van micro- of macroscopische processen die zichzelf in stand houden door cirkelbewegingen. Het duidelijkste en meteen ook belangrijkste voorbeeld daarvan is water, dat in al haar vormen (vloeistof, gas, ijs) globaal circuleert en nooit stopt met bestaan; het neemt alleen maar een nieuwe vorm aan. Ook nagenoeg alle godsdiensten bekrachtigen het idee van een nieuw begin door te beweren dat ons leven niet stopt als ons lichamelijk omhulsel sterft. Meestal wordt daar dan een paradijselijk, maar vooral voorwaardelijk, hiernamaals aan gekoppeld dat ons moet stimuleren om de door hen opgelegde moraliteit en zeden na te leven, maar misschien is het allemaal niet zo groots en ingewikkeld. Misschien starten we gewoon opnieuw, zoals reïncarnatie dat poneert, maar dan willekeurig, zonder hiërarchie en zonder dat een hogere macht zich met ons bezig houdt. Een eindeloze lus die volautomatisch draait. Een perpetuum mobile waarbij elk tandwieltje elk andere tandwieltjes draaiende houdt in een oneindig proces zonder wrijving. Elk leven, of dat nu een mens, een dier of plant is, is daarbij niet meer of minder belangrijk in het grote geheel. Een boom van 1000 jaar oud is minstens even significant als een pasgeboren baby. De boom sterft, de baby wordt oud, en telkens opnieuw worden ze vervangen door iets nieuws. Alles heeft belang, maar niets heeft echt betekenis. De machine blijft immers draaien en houdt zichzelf in gang. Tot in de oneindigheid. Als ons leven, hoe onbelangrijk ook, deel uitmaakt van zulk  een kringloop, dan hebben ook alle ogenschijnlijke toevalligheden die onze levensloop bepalen een vooraf gedetermineerd patroon waar niet van kan afgeweken worden. De indruk dat gebeurtenissen onvoorspelbaar zijn, lijkt dan in feite enkel zo omwille van hun ingewikkeldheid of door de verscheidenheid van factoren die veranderingen teweegbrengen. De meest gekende metafoor in die zin is dat een vleugelslag van een vlinder een orkaan kan veroorzaken aan de andere kant van de wereld. Tevens zal elk gevolg van een handeling als positieve terugkoppelingsfactor uiteindelijk haar oorzaak in stand houden. Tot op het punt waarop oorzaak en gevolg terug samenvallen. Wanneer alles samenkomt om opnieuw te beginnen. Dat is waar ik nu sta. Maak je dus maar geen zorgen. Ik ga niet dood, ik begin alleen maar opnieuw.  

Iljavdb
5 1

Proloog

Met twee treden tegelijk vloog Emma Baines het trapje naar de voordeur op, zo’n haast had ze om uit de regen te raken. De deur zwaaide open en Marie stond klaar om haar te begroeten. ‘Hier is ons Emma!’ ‘Goeiemorgen, Marie. Wat is het nat vandaag!’ ‘Zeg dat wel. En wie gaat er weer alle goten moeten nazien?’ Emma vluchtte snel verder het gebouw in en de trap op, voor Marie de kans kreeg haar gebruikelijke litanie van onprettige taken af te ratelen. Achter haar hoorde ze Theresa binnenkomen en de fatale fout maken te stoppen tijdens het goeiemorgen zeggen – ach ja, Theresa was nog redelijk nieuw, ze zou het snel genoeg leren. Tim was vandaag eerst aangekomen en zat al achter zijn bureau. ‘Morgen, Emma. Ik dacht dat het eindelijk lente aan het worden was en nu is het weer zo vreselijk aan het regenen.’ ‘Ik weet het Tim, maar eigenlijk is dat wel normaal voor april.’ Emma zette haar computer aan, hing haar drijfnatte jas aan de kapstok en begon met sorteren van het verrassend grote aantal e-mails dat er sinds de vorige dag in haar inbox waren bijgekomen. ‘Olivia vraagt of je eerst naar deze brief kan kijken; ze zegt dat het dringend is.’ Tim gaf Emma een envelop en ging dan naar het personeelskeukentje om voor hen beide thee te zetten. Emma keek de brief snel door: niets bijzonders, maar gestuurd door een professor van een of andere Amerikaanse universiteit, waardoor Olivia het natuurlijk als een prioriteit zag. Dat het een ouderwetse, met de hand geschreven brief was, had haar zeker ook gecharmeerd. Terwijl ze voorzichtige slokjes hete groene thee dronk, zocht Emma in de database van de catalogus naar de juiste locatie van de documenten die ze nodig had. Haar kop halfvol achterlatend begon ze de tocht naar de kelderverdieping, ervan overtuigd dat ze terug zou zijn lang voor de rest van de thee koud was.   Eén minuutje – of drie trappen en een lange gang – later, stak Emma het licht van de archiefkamer aan, tikte ze de juiste code in op het slot van de deur en ging ze de grote ruimte binnen. Nog voor de flikkerende buislampen licht begonnen te geven was ze al naar rechts gedraaid; de doos die ze nodig had stond op een van de schabben uiterst rechts. Ze liet haar blik glijden langs de rij robuuste wielen om te zien waar de verrijdbare kasten open stonden – helemaal het andere einde van de kamer, natuurlijk. Zachtjes vloekend wandelde ze terug tot in het midden van de ruimte, greep een van de wielen vast en begon er uit alle macht aan te draaien: negen zware rijen kasten propvol beladen met dozen manuscripten en oude boeken begonnen krakend te bewegen en rolden naar opzij. Maar dan stopten ze. Dat leek veel te snel, dus Emma keek nog eens goed – ja hoor, er was nog altijd een redelijk grote opening te zien. Ze rukte weer ferm aan het wiel, het gat verminderde aanzienlijk, maar ze kon voelen dat er een obstructie zat. Een veel stevigere vloek ontsnapte uit haar mond – wie was zo idioot geweest om iets tussen de kasten te laten staan? De laatste keer dat dit gebeurd was hadden ze een ferme vermaning gekregen omdat een kleine trapladder was vernietigd. Het obstakel voelde echter niet hard genoeg voor iets zo stevig als een ladder. Er had toch zeker niemand een doos documenten op de grond laten staan? Jennifer ging woedend zijn! Emma rolde elke kast opzij terwijl ze er langsliep, boos draaiend aan elk wiel tot ze de juiste plaats bereikte. Zodra de metalen schabben trillend tot stilstand kwamen keek ze bezorgd in de opening en haar hele omgeving vervaagde; het enige dat ze nog zag was het bloed op de vloer. Zo veel bloed. Ze greep het koele ijzer van de kast vast als steun en probeerde weg te kijken van de rode smurrie op de grond. Met afstandelijke verbaasdheid stelde ze vast dat ze niet had gegild of was flauwgevallen. Langzaamaan overtuigde ze haar benen om te bewegen, eerst traag, dan sneller, die kamer uit, langs conservatie, de trap op, naar het licht toe. Haar stem haalde haar een paar seconden later in en de langverwachte gil galmde door het gebouw.  

LienMatlock
13 1

Pochemuchka

Mariska had altijd al voor de klas willen staan. Dus had ze op haar achttiende vol overtuiging gekozen voor een bachelor leraar lager onderwijs. Na drie jaar haar hersenpannen vol te zuigen met kennis, om die vervolgens tijdens haar stage voorzichtig te toetsen aan een kleine klasgroep, was ze op één september mogen starten als interim voor het tweede leerjaar in het gezellige dorpje waar ze woonde. Uiteraard waren ze begonnen met de obligate gouden weken; een korte periode waarin elk kind gezalfd werd wanneer het eens over de schreef ging. Gezalfd met de smeuïge in onschuld gedoopte crème die absolutie heette. Stapje voor stapje had ze de kleine groep kinderen leren kennen die achter de gretige ogen schuilgingen, en stapje voor stapje had ze hen ook deelgenoot gemaakt van de regels die voor haar belangrijk waren om te overleven tussen al dat jonge geweld. Begin oktober waren ze helemaal op elkaar afgestemd, en hadden de lessen een vaart genomen waar ze zelf stond van te kijken. Maar er was één iets waar ze niet op voorbereid was. Of beter: één iemand. Jantje… De piepkleine jongen met zijn hoogblonde piekhaar, scheef hangend ziekenfondsbrilletje, guitige sproetjes en de fijnste lippen die ze ooit had gezien. Maar het was niet zozeer zijn uiterlijk dat haar aandacht alsmaar naar hem afleidde. Het was wat er binnen in dat kleine hoofdje van hem omging. De kleine hersenen in dat kleine hoofd die hem zo leergierig maakten, dat hij wat dat betreft met kop en schouders boven de andere kinderen uitstak. Wanneer ze de klas probeerde onder te dompelen in een bad vol nieuwe leerstof, werd haar blik als een magneet elke keer weer aangetrokken door de meest oprecht geïnteresseerde ogen van het kind in het midden van de tweede rij. Ze moest alert blijven wist ze, want haar relaas werd door zijn priemende vinger minstens tien keer per dag onderbroken. Als hij zijn magere, bleke handen wegnam vanonder zijn kin, de handen waarmee hij de ballast van zijn kennis steunend op zijn ellebogen probeerde omhoog te houden, hield ze onwillekeurig elke keer haar adem in. Als Jantje niet wilde weten waarom ik nooit thee drink, dan wilde hij wel weten hoe het kwam dat zebrapaden uit een patroon van zwart en witte rechthoeken gemaakt werden. Als hij zich niet afvroeg of de juf hen misschien per vergissing een droom had verteld toen ze hen had ingewijd over Jezus en het lopen over de zee, dan vroeg de pientere jongen zich stellig af waarom iemand in ’s hemelsnaam in een toekomstige job nood zou kunnen hebben aan het kunnen maken van een koprol. In het begin was het vrij grappig geweest, die continue regen van vragen die door de klas spetterde. Na twee weken was ze er ongeveer aan gewend geraakt, en de andere kinderen van de klas ook. Maar tegen dat de herfstvakantie was aangebroken, was haar vatje vol en werd ze helemaal horendol van al dat bestoken. Ze had gedacht dat het alleen kleuters waren die om de haverklap de grote-waarom-vragen stellen, en had daarom bewust niet voor de bachelor kleuteronderwijs gekozen. Maar dit, dit had ze echt niet verwacht. Een kleine Pochemuchka…

Tinkelbel
3 0

Katoennatie

De tweede job die haar werd aangeboden was die van orderpicker.Ella had hier nog nooit eerder van gehoord, maar de jongen van het uitzendkantoor had het erg leuk omschreven.“Als je graag actief bezig bent, de handen uit de mouwen kan steken en te vinden bent voor een beetje competitiegevoel, zal je t reuze naar je zin hebben” had ie gezegd.Met het gevriesdroogde gelatineverhaal nog glibberig koud navoelend in haar achterhoofd en nek, verheugde ze zich enorm.Om kwart na vijf s morgens moest ze aan het interimkantoor staan waar een speciaal busje voor mensen zonder vervoer haar en de anderen voor de ochtendshift op zou pikken. Van zes tot 14 zou ze dan in de hallen van katoennatie worden voorgesteld aan de wondere wereld van de orderpickingbussiness. De jongen had niet gelogen.. Actief was het zeker. Al leek hij er een heel andere smaak op na te houden wat betreft situaties die het je naar de zin moeten maken. Je hebt een hal van 200 op 300 meter, ingedeeld in gangen. Elke gang was voorzien van een gangnummer, binnen die gang had je rijen, 300 meter lange rijen, met vier op elkaar bevestigde rekken. Op elk rek was plaats voor drie dozen. Elk afzonderlijke plaats voor zo’n doos had een locatienaam, die bestond uit: het gangnummer, de rijnummer, de hoogte letter, en tot slot de romeins geformuleerde doosplaats.Bijvoorbeeld : 19-34-A-III Tot dusver de uitleg over wat een locatie is.Vervolgens kreeg je een sticker en een scanner in de handen geduwd en een kartonnen doos. Ella herinderde zich die eerste sticker nog goed, met een enthousiaste nieuwgierigheid, ging ze de gangen in , vond de juiste doos, haalde er het correct aantal op de sticker vermelde , platsicverpakt items uit. Scande de locatie, vervolgens de sticker. Stopte de items in de doos en liep trots terug naar de instructeur. “Heel goed” zei die. Hij gaf Ella een kar met daarop 8 lege dozen, draaide zich vervolgens om en gaf haar een bundel van 250 stickers. Hij wees naar een groot digitaal uithangbord waarop allerlei rode en groene nummers stonden te verspringen. Jou scannummer is 078. Zorg dat je groen blijft staan.Volle dozen zet je af aan de pakplaats, de stickers van de gescande items leg je er bovenin, nieuwe dozen haal je aan gang 1.Om de grap compleet te maken voegde hij daaraan toe, als je niet te veel tijd wilt verliezen met nieuwe stickers ophalen kan je best telkens een nieuw stapeltje meenemen als je voorbij het kantoortje komt…Ella had de man misbegrepen, wat haar als grapje overkwam bleek bittere ernst. Van zodra het ijna zes uur was, stond de ruimte tussen de gangen en de paktafels vol met orderpickers en hun karren, die vergelijkbaar met eens trijdvaardigheid van woeste vikingen, voorbereidingen stonden te treffen voor de aanval. In de voorlinie zag je de ervaren lieden rllen ductape over hun polsen wringen om deze steeds voorradig te hebben,aan de ijzeren bars werden kartonnen ophangingen geimproviseerd om scanners of pennen in kwijt te kunnen. En van hen vouwd zijn stikers zo dat deze in zigzagbeweging plaat konden houden in een gleuf van de kartonnen plaat die aand e voorzijde van zijn kar was gemonteerd met behulp van spanbandjes. Een vrouw van midveertig had een touw rond haar nek met daaraan een pen, alcoholstift en een cuttermes. Scanners werden overal voor gebruik ingesteld wat een druk gebliep-bliep door de hallen liet klinken. Wat Ella vrijwel onmiddellijk opviel was dat de duidelijk voelbare opbouowende spanning niet naar de gangen werd gericht , maar naar elkaar. Het werd haar duidelijk dat ze iets mistte. De enorme luidspreker maakte een hoorngeluid. Als ratten die op de vlucht sloegen voor een tsunami vlogend e karren de gangen in. Het digitale bord, dat dezelfde grootte had van schermen die vertrek- en aankomsttijden aangeven in vliegvelden, gaf een vijftigtal nummers weer.. Hoewel er nog geen minuut gewerkt was, stonden er toch al een stuk of tien nummers in het rood. Ella zou later leren dat de gemiddelde snelheid als noemer werd gebruikt, aardoor trager werken, voor een veel realistischer tempozou hebben gezorgd. Hoe sneller iedereen werkte, hoe hoger alsud het tempo dat moest worden behaald en behouden. Al gauw werd Ella duidelijk waar al die voorbereiding toe diende. Het zou fantastisch zijn geweest moesten de orders zo gerangschikt zijn dat ze op de weg van de gangen waren afgestemd, maar dat was niet het geval. Vermelde de eerste sticker 34-19a-II moest je voor het tweede order naar locatie 1-15b-III en terug naar 29-46a-II. Een tweede factor, die eigen haar uittrekkende frustratie veroorzaakte, was de totale onmogelijkheid om mekaar te kunnen kruisen.. De gangen waren namelijk net twaalf centimeter smaller dan twee karren naast elkaar, waardoor er dus telkens achetr- of vooruit moet worden gemanouevreerd door één van de twee karren, in gangen waar standaard vijf karren tegelijk in en uit reden. Het wasd niet anders te beschrijven of mee te vergelijken, apocalyptische chaos , waar de gangen en dozen werden aangevallen als waren het waterkonvooienin een gebied dat maandenlange extreme droogte had gekend;  EDlla sloeg alles gade met een ongeloof dat haar deed vergeten haar mond te sluiten, waardoor ze al gapendmet verstomming geslagen aan de kant sto nd me haar lege kar. Een man die er werkelijk uitzag alsof hij in maanden geen water had gezien, vloog met zijn kar Ella's neus voorbij, miste de afslag voorde gang die hij in moest, en belande door het te zware gewicht van zijn al volgeladen kar tegen te willen houden met zijn gezicht een van de betonnen constructie palen die het dak van de enorme hal ondersteunden. Rchtstrompelend met eenzelfde overschot aan resultaatmissende bewegigen als die van een op hol geslagen kat die van richting wil verwisselen op een zonet geboende vloer , kwam het individu recht, met een verwilderde blik die deed denken aan zombiefilms. In één vloeiende beweging snoot hij het bloed uit zijn neus op de grond, dij hij afveegde met zijn mouw terwijl hij met zijn andere hand een kokertje losdraaide dat hij voor het andere neusgat hield. De inhoud ervan osnuivend met eenzelfde dramatische hulpeloosheid als die van een atmapatient die net op tijd zijn terugvindt, herstelde de man van de paniek die hem eerder had bevangen en even plotseling als de man was gecraht , was hij terug uit Ella's gezichtsveld , op weg naar diens volgende order. De schim die zonet voorrang hadf gegeven aan het ophalen van zeventien decathlon riemen , boven het verzorgen van zijn gebroken neus, heete Danny. Maar zijn gedrag had hem de alliterernde bijnaam Danny Dyson opgeleverd. Ella dacht aanvankelijk dat dit lag aan de slecht geette tattoos in zijn gezicht, als verwijzing naar Mike Tyson, de bokser maar na een week legde de vrouw met het handige nekkoord haar uit dat het verwees naar Dyson, de stofzuiger die niets aan zuigkracht verliest. Een andere collega coegde daar nog aan toe " vaccumvolk... hooveren alles op in hun snuit" waarna voor Ella pas duidelijk wrd wat er in dat kokertje had gezeten. Hoe kon ze dat nu niet eerder gesnapt hebben. Het ge bruik van speed was helemaal niet zo ongewoon, zou later blijken. Wat aanvankelijk leek op een tot leven gekomen scene uit een film, verloor al snel die het eerst op Ella had gehad, na het om de iedere gang herhaald te zien. Niemand werd orderpicker uit overtuiging, of omdat dat deel uitmaakte van een oude kinderwens.  Het door consulent Hanz uitegelegde " competitiegevoel" dreef vele oudere pickers ot hun grenzen, maar de kokertjes sped hielpen hen er enkele meters over heen. Wat complete waanzin leek op Ellas eerste dag, bleek uiteindelijk kwestie van gewenning. Na drie weken lukte het haar om geen o ngewenste aandacht op de hals te halen door rood te staanen vloog ook zij als een hondsdole rat met groene score door de hallen me zeven katonnen dozen. Een vriendelijke jongen uit een andere hal had haar geholpen met de gouden tip om één van de onderste dozen te vullen met stenen. het gewicht ervan liet dan toe om op de kar te gaan staan en waardoorze, zichzelf afduwend zoals bij een step, al rijdens langere afstanden kon afleggen. Ze lerde ook dat als je een uur vroeger kwam, je het enorme voordeel had om je orders per gang te kunnen sorteren en ook zij liep nu met een schrijf- en snijdgereihangkoord rond haar nek. Wanneer je scannummer in een van de vijf bivenste van het scorebord verscheen, moest je gaan roken. Stiekem weliswaar maar de al langer werkendn hadden begrepen hoe het tempo werd bepaald voor de dag erop, en dit was de belangrijkste van vele tegenmaatregelen die door de werknemers het leven werden ingeroepen. Met een zelfde elegantie als die van ee n gemidddelde dokwerker , hoorde Ella zichzelfdoor de gangen " 75 Op rop" roepen, als melding aan orderpicker 75 , voor diens top 5 weergave tot ergens uit die gangen iemand "OWKEEEEJ3 TERUGBRULDE; Wat op het eerste gezicht een geniale zet leek , had in werkelijkheid een tegenovergesteld effect . nieuwelingen die nog niet gebrieft waren over de achterliggende reden , interpreteerden dit fenomeen als het bestaan van een wedtsridj die gretig werd aangegaan door de nietsvermoedende idioten, die het horen scanderen van hun scannummer als doel stelden en zich niet zomaar van hun troon wilde laten stoten; De enige twee die zich niet lieten opjagen en met het grootste plezier kwamen werken waren karim en Mamhud, de twee marokkaanse broertjes die zoals het ware zakenlui betaamt, opportuniteiten zien waar anderen problemen opmerken, en intussen een heel erg uitgebreid klantenbestand hadden opgeblouwd vopr hun handeltje in filmkokertjes vol speed.  Vooral hun briljante zet om om enkele van de aalverantwoordelijken tot hun "intieme vriendnkring  te rekenene, die logischerwijs aan vriendeprijs werden verder geholpen , maakte dat geen van beide zich moesten druk maken in scanscores. Beide hadden iedere dag opnieuw de pech een toestel te krijgen waarvan de resultaten niet op he bord verschenen. Its waar het duo, dat steevats samen ergens tegnaan leunend stond te lachen, vaak over graptentegen de al zwetend voorbijvliegende pickers. "Komaan ze Danny! zotten belg, ge sta bijna eerst" of " Als mijne scanner het nu eens zou doen he , ik ou u zo voorbijsteken" Waarop de andere dan antwoorde: " Nee Karim, ge moet den Danny niet onderschatten, dat is de slimste hier, he Danny? "  Hilariteit die iederen ontging , simpleweg omdat niemand de ijd had om met iets anders bezig te zijn dan met locaties , scanningen, items , replenish, items, tellen, sluiproutes bedenken, en bovenal score halen. Mdt elk mogelijk op te noemen, maffiafilm als voorbeeld en de inhoudelijke dialogen overnemend en uitstrooiend als bijbelse preken, was het de twee Am capones geluklt om al die opgedane hollywood wijsheden in de praktijk te den slagen;  Ze regeerden hun microwereldje als ware godfathers van de katoennatie. Als letterlijke verdelers en heersres , waren ze net zoals de untouchables, ongenaakbaar .Niets bracht hen van hun stuk . Althans Totaan matteo..

Esje Volter
28 1

Callcenters

Ella had het gehele weekend getobd over de succesvolle sollicitatie die ze tegen beter weten in,(sterker dan zichzelf) zo goed als ze kon had doorstaan en getwijfeld of ze er daadwerkelijk mee door zou gaan. Los van de noodzaak aan inkomen , walgde ze van het idee te werken voor HET bedrijf dat prestige aureerde bij andere callcenters, maar professionele zelfmoord inhield als het een te lange periode op prominente plek in nam op iemands cv.Niet dat ze hoop koesterde op veel betere functies.. Maar een onbereikbare droom niet nagaan, is iets anders dan de mogelijkheid aan gruzzelen slaan nog voor je eraan begint. Het was een medaille met twee keerzijden. Als een medaille die je verstopt voor vrienden en waar je enkel tegen een partner over begint nadat je hem laat beloven er nooit over te spreken..  Zoals tweede plaats majoretten in de caranavalstoet van Berchemse bradderij. Of die van winnaar hotdogeten op de benefiet ten voordele van de mentaal gehandicapten van st Alosianus. Het was een prestatie binnen een niche die an sich niets voorstelde. Maar gaf vooral ook blijk van een commitment dat niet op zen plaats was en nog minder moet worden toegejuicht. Wat callcenters zo vreselijk maakt is niet zozeer dat ze allemaal hetzelfde zijn, maar wel de reden waarom dat zo is. Callcenters zijn in veel opzichten vergelijkbaar met gevangenissen. Vooral door hoe de werknemers ervan onderling roteerden zoals veroordeelden dat ook doen. Er bestaat zo’n immens verloop onder het steeds wisselende personeel, dat een ontslag even zeker was als een contract. Na zes maanden kon men zich steeds opnieuw aanmelden omdat dan toch iedereen was ingewisseld, en tijdens die periode kon men altijd bij andere callcenters terecht, waar iedereen die bekend was met de job  steeds andere bekenden tegenkwam. Dat resulteerde dan in gesprekken die onmogelijk veel kunnen verschillen van twee gedetineerden, die bij hun weerzien bij elkaar polsen over vroegere cipiers en andere nog steeds ingezetenen en hun verdere overplaatsingen. Anekdotes die als broodje aap, van mond tot mond gaan alsof elke spreker erbij was, met details die even verzonnen waren als de personages die iedereen, maar eigenlijk niemand kende.  Een echte subcultuur, die enkel is voorbestemd voor het selecte groepje ongeschoolde figuren dat net niet de diploma’s had die de meeste tewerkstellingen minimum vereisten maar te verbaal was om aan de band te werken. Een soort van cult waarvan de leden, net zoals die van rivaliserende bendes , trouw zijn aan eigen soort, zolang het loont, maar wel allemaal eenzelfde eigen taal spreken. Net zoals de Cribbs en the bloods zich gingen verwoorden als zakenlui, ging ook het telefonsicheverkoopplebs plots gebruik maken van “vakjargon”. Een taalsoort even aanstekelijk als afschuwelijk, die daardoor aan succes won en schaamteloos mee verhuisde met elke afgedankte en elders aangenomen bel-seller. Wie zich wil specialiseren in psychologie en graag allerlei verschillende soorten mensen bij elkaar zou willen zien, hoeft niet lang te zoeken naar casestudy. Het eerste beste callcenter binnenlopen is voldoende.  Het maakt niet uit welk nutteloos product of enerverende dienst er telefonisch door de strot wordt geduwd, je vindt er telkens weer hetzelfde bont allegaartje stereotypes bij elkaar. De corpulente en thuis-onderdrukte-vrouwslaafjes die op het werk elke richtlijn bewaken alsof zij zelf eindverantwoordelijke zijn.  De oude topverkoper die niets meer verkoopt en “vrijwillig” een stap terug heeft gedaan uit de wereld van de harde sales, zogezegd om de jeugd een kans te geven. De kantoorslet die met valse tieten , valse wimpers, 5cm make up, luipaard motiefjes, doorkijkblouses en zwarte uitgroei zichzelf en iedereen anders wijsmaakt zich lekker zichzelf te voelen. De snotneus die twee Armani hemden bezit, net de fitness heeft ontdekt en geloofd vrouwen uit te kunnen kleden met een blik die in werkelijkheid enkel walging of medelijden opwekt. En tot slot een supervisor die er eigenlijk geen is, maar enkel als buffer werkt tussen de kudde en de baas. Dan heb je nog een select groepje die-harders die “de vasten” worden genoemd. In theorie werd iedereen na één jaar vast aangenomen, maar het vereiste een speciaal soort afgestomptheid om niet na één maand te vertrekken.  Zij die het een jaar volhouden, zouden niet meer weggaan, nooit. Voor zij die begonnen was er een duidelijk vast systeem dat op alle centers werd gehanteerd. De nieuwste nieuwelingen noemden men groen voer. Groen voer dat bleef plakken noemden ze mos. Vanaf twee maanden kreeg je een persoonlijke bijnaam die vaak op zich al reden gaf tot vertrek. Vertrok je niet, begaf je je op  een waar slagveld. Vergeet targets en cijfers, belminuten, orders, manuele afboekingen en leverdata, planningen en administratie. De ware strijd werd tussen de lijnen door gevoerd. Enkel zij die langer dan zes maanden onder de radar bleven zowel als schietschijf als met cijfers had de tijd om dit onzichtbaar geweven spelletje van pesterijen, tegenwerk, manipulaties, hiërarchisch geslijm, gifzure collegialiteit en eeuwige concurrentie te volgen.Als een partijtje schaak dat onder de tafel werd gespeeld, met enkel pionnen, die even plotseling verschenen of verdwenen als bij mens erger je niet.  Dit was op alle callcenters het geval.  Maar Sellpoint daarentegen stond  alom bekend voor zijn geheel eigen verzameling aan inzetbare figuren, truuken, vreemde voorwaarden en werkmethodiek. Ella voelde op een vreemde manier evenveel aantrekking als weerzin tegenover haar nieuwe job, en hield zichzelf voor dat kapitein eenoog in het land der blinden, meer gemeen had met de kapitein in het land der zienden, dan met de volgzame twee-ogigen die daar leefden. Ze hield zichzelf voor dat de overeenkomsten die ze deelden met de anciens, niet opwogen tegen de verschillen. Het zou haar heus niet hetzelfde vergaan. Dit kon perfect iets tijdelijks zijn. Een noodzakelijke stap naar iets beters… dat zich bevond op een andere trap. Sellpoint.   Een callcenter zoals elk ander maar door zijn immense grootte ingedeeld in verschillende floors, met op elke floor , floor medewerkers en een floormanager aan het hoofd.  In dit geval werd deze broedhaard van uilskuikens geleid door Raoul, de Florerende schreewlelijk. Een floor, of vloer, was een hal die zodanig was ingedeeld dat deze optimaal benut kon worden. Vergelijkbaar met een honingraam, waren de eilanden in bogen gesteld om per eiland zoveel mogelijk werkhokjes kwijt te kunnen. Deze hokjes werden cubicles genoemd. Een soort van omschermd kantoortje dat net genoeg ruimte gaf om de taken die je diende uit te voeren mogelijk te maken, zonder dat je zou kunnen worden afgeleid door collega’s die rondom rond de3mm dikke scheidingswand naast en voor jou hetzelfde deden.  Ella bevond zich op “Inquiry one”.  Een Inbound floor, waar in tegenstelling tot de outbound-vloeren, niet werd uitgebeld met het doel tot verkopen, maar werd binnengebeld met vragen.Klantendiensten van postorderbedrijven, inlichtingendiensten voor het opzoeken van bepaalde gegevens, antwoorddiensten voor bedrijven, advieslijnen voor  allerhande fast-moving-consumer-goods, (die meestal enkel gebeld werden door jongeren die na 3 joints plots een telefoonnummer opmerkten op de zak chips) antwoordlijnen voor kruiswoordpuzzelwedstrijden enzoverder. Inquiry one was zogezegd bedoeld om beginnelingen vertrouwd te maken, met de job. In werkelijkheid was het vooral het BSP- computerprogramma en het beltempo waaraan gewend moest worden gemaakt. Dit om er zeker van te zijn dat enthousiastelingen die het klaar speelden in  hun eerste week iets te verkopen, die verkoop niet zouden misslaan, door plots stemverlies omwille van het vele bellen. Een echt vakprobleem, waar elke doorwinterde callagent op was voorbereid. Net zoals marathonlopers nergens heen gaan zonder hun busje reflexspray en rehydrataiegels, vond je bij elke gemiddelde televerkoper steevast een doosje strepfen in de schuif. Dat en een flesje water, want enkel beginnelingen maken de fout om gebruik te maken van de koffie die steevast, als gemene grap, op alle telecenters gratis wordt aangeboden. Na drie tassen, is het niet meer mogelijk om voldoende speeksel aan te maken om een uur langer door te tateren, laat staan zes of zeven. Laat dat ook meteen de duidelijke reden zijn waarom de slechtste karakters die je op de floor terugvindt, iedereen die start op een eerste dag zo vriendelijk de weg naar het koffieapparaat wijzen. Nog erger dan een bon missen omwille van stemverlies is het onvoldoende kennen van het computersysteem. Dit wordt speciaal zo ontworpen opdat jazeggende correspondenten nadien niet in de mogelijkheid zouden verkeren om op later tijdstip terug te kunnen krabbelen. Vanzelfsprekend was dit het kleine stukje waar het bij bedrijven als sellpoint om ging, hierop werd hun winst gemaakt, en het hoeft geen verdere uitleg dat daar dus geen fouten op konden worden veroorloofd. Zo moest men na een ja, op de opnameknop klikken en een voorgekauwde tekst opzeggen die kort overliep wat er zonet was voorgesteld, en die zo geschreven was, dat de aanhoorder er bijna onvrijwillig niets anders dan ja op kon antwoorden. Kwam ook die tweede ja, diende je de opnameknop terug af te klikken, waardoor zo een audiobestand van het kortste verkoopsgesprek ooit ontstond: recordklik“ Wel meneer Peeters, ik dank u alvast voor uw interesse in wat ik u zonet heb voorgesteld. Ik overloop graag even kort opnieuw dat u bij het uitproberen van drie gratis edities van kruiswoordwinnaar, u geheel gratis 1 van de 50 parkerpennen ontvangt. Bent u nadien volledig overtuigd van onze puzzels, hoeft u helemaal niets te doen en geniet u een jaar lang van een eliteabonnement waarbij u aan 50 % korting iedere maand opnieuw de editie krijgt thuisbezorgd, met wedstrijden en tal van mooie prijzen die u daarmee kan winnen. Mag de pen met de post komen? “euh ja” Klik. Alles wat erna of ervoor kwam mocht klinkare onzin zijn, je mocht liegen wat je wou. Als je dat stukje maar in opname had, had je een sale. Niet zomaar één.. een ctP. je had drie soorten Ctp’s. de nieuwe klant, de oude teruggewonnen klant, of de tevreden klant. In die volgorde werden ook de waardering voor desbetreffende klant uitgedrukt. Nieuwe klanten waren nog vrij van slechte ervaringen nadien en dus een 1.0 waard. teruggewonnen klanten waren ooit al eerder weggelopen en dus kritischer: 0.5. tevreden klanten waren doorgaans oude klanten, aan oude voorwaarden die niet konden worden gewijzigd en dus waardeloos 0.25.  Bedoeling was wekelijks minimaal op 16.0 te komen. Maar dit was voor later. Net zoals Raoul, de schreeuwlelijk eerder al aangaf, was Sellpoint geen ordinair callcenter.  Eerdere ervaring elders was geen referentie die voor hen enige waarde inhield. Enkel sellpoint-opleidingen telden als voorbereiding op sellpointsales. Ongeacht diploma’s, cv, eerdere werkervaringen , of bewijs van behaalde resultaten, verkoop gerelateerd of anders.. iedereen die een job bij Sellpoint startte, begon die op inquiry one.

Esje Volter
23 1

Schrijversroes

Tussen de twee pijlers van al wat mij doet verlangen, en al wat mij doet walgen, is een wankele brug opgehangen met alles wat mij verscheurt. Maar zelfs met alle kennis in handen om een weloverwogen keuze te maken, ben ik nergens liever dan daar in het midden. Hopeloos inconsequent twijfelend tussen twee extreme uitersten. Daar ligt mijn thuis. Mijn plek, waar ik me in al mijn lelijkheid kan omwentelen in een zelf vergoelijkte vorm van medelijden en blinde hypocrisie. In het land der blinden is kapitein éénoog koning en zo ben ook ik heerser van mijn eigen hersenspinsels. Mijn troon bevindt zich in het midden van mijn eigen conflicterend kruispunt waar alle hersenkronkels zich verenigen en zich met elkaar verzoenen als ragdraden in de kern van een spinnenweb. En mijn zitvlak kan ik, net zoals de spin, nergens anders kwijt dan in het midden waar alle gesponnen tegenstrijdigheid niet plakt.  Gevangen in mijn eigen web van twijfels, perceptie, onwetendheid en overtuiging ben ik het slachtoffer van haaks op elkaar staande stellingen. Toch ben ik nergens liever dan daar. Hier trek ik me terug.Hier vind ik invalshoeken, behoud ik het strategische overzicht over al mijn personages en ontwikkel ik het verdere verloop van hun verhaal.Enkel daar vind ik voer voor mijn niets stillende honger naar doel voorbijstrevende gevechten die nooit worden beslecht, wilde taferelen die mijn schrijftafel nooit zullen verlaten en verhitte discussies die sniperscherp dialogerend in nederlaag eindigen en op mijn netvlies worden gebrand. Spektakels die ik in detail verwoord wil bewerkelijken in zinnen die nooit eerder zijn verzonnen. Het gaat hierbij niet zozeer om de overwinning, wel om de strijd. Men onthoudt ook nooit het orgasme maar wel de seks, en dus focus ook ik me niet op het boek, enkel op het schrijven. De slapeloze nachten waarin bloed, zweet en tranen de tijd doen verdrinken in inkt. De dansende letters op het blad die elk woord vormen behalve datgene ik zoek.. De helse poging om het innerlijke geschreeuw dat nooit gehoor krijgt vast te pennen, om dat roepend monster los te rukken uit mijn gedachten en het op te sluiten binnen de vier zijden van mijn blad papier. Maar zodra het krijsen gestopt is en ik achterblijf met de plotse oorverdovende stilte, word ik overvallen door angst, angst dat ik nu niets rijker, maar armer ben…  Ik kijk naar het blad voor me en besef plots wat het inhoudt.. Dat nare luide monstertje.. Nu stil, verstomd, naakt, hulpeloos, gevangen, letter per letter aards leven ingeblazen en zichtbaar voor iedereen die lezen kan.Om dan alles uit te willen gommen! Elke geschreven regel terug te willen nemen, om ze niet stuk voor stuk aan te voelen als een aanranding op het diepst van mijn ziel. Als een raam dat ik niet meer van binnenuit kan sluiten probeer ik alles letter per letter terug in mijn hoofd te steken, hopend op de terugkeer van het gekrijs dat ik eerst wou verstommen. Maar na het blad in vieren gescheurd te hebben stop ik, want ik sloop niet enkel de muren van deze denkbeeldige gevangenis, maar ook de inzittende.Van me afgeschreven.. heeft het zich van me afgekeerd. Ik heb een nieuw monster nodig…  Dus daal ik opnieuw af naar het midden van mijn wankele brug, waar hemelsmooie duivels me maar al te graag willen verleiden tot een partijtje schaak aan de rand van de afgrond. Waar lust en liefde zich in spiegelbeeld met elkaar vermengen. Een gelukzalige roes van vleselijk genot, onvergetelijke blikken, drugs- en drank overstijgende bedwelming, muziek die alle emoties inkleurt en omkadert en gesprekken die alle geloof bewijzen en tegelijk alle kennis op losse schroeven zet. Een ongekende ervaring, maar waar al gauw abrupt een einde aankomt wanneer die wordt verstoord door het nuchtere daglicht aan de andere kant. Het eerste ochtendlicht dat beginnende schrijvers wereldwijd het zwijgen oplegt. Het licht dat verlichte geesten tot de schaduw verdoemt, de gefantaseerde losbandigheid aan banden legt en hen pijnlijk herinnert aan bandwerk, bestellingen, deadlines en targets.Om dan als mensaap in de jungle van de stad, niet in juiste volgorde volgend, opgeslokt te worden door de stroom.  Als een slaaf van het licht vervoeg ik de horde ongeletterde zombies zonder ziel, die zich voortbewegen op roltrappen, met hun dode blik gefixeerd op hun gedigitaliseerde gadgets, en verstop ik me in een gelijkaardige houding tussen hen.  Maar in de kater van slaapschaarste en onafgewerkte teksten, dwaal ik in gedachten af naar de periode van Hemingway, Fitzgerald en Ts. Eliot, en mijn eigen geromantiseerd beeld van het 's nachts tot leven komend bestaan met koperen blaker, ganzenveren schrijfgerij, ellenlange perfect verwoordde brieven met in vettig rode gesmolten lak gedrukte zegelringen. Dromend in melancholie van tijden die ik nooit heb gekend en die wellicht nooit hebben plaatsgevonden en tegelijk walgend van de vernieuwing die automatisering heeft gebracht, beweeg ik me zo goed ik kan voort op deze goed geoliede machine, alsof ik hink-stap-spring van het ene tandwiel naar het andere, maar nooit op het juiste tempo. Verscheurd tussen wat ik wil en wat ik kan, blijf ik hangen in het verschil.  Fysiek aanwezig maar in gedachten vol heimwee naar mijn plekje op het midden van mijn brug. De met dromen en waan verweefde overspanning boven het ravijn, waar al het nodige voorhanden is, en ik al het overbodige overboord kan werpen. Waar woord en daad niet werkelijk samen hoeven komen, zolang het maar tot uitdrukking komt. Waar al het verzonnen zin krijgt, en dichterlijke vrijheid zijn grenzen verlegd, ver over alle taalbarrières heen, waar het ontsporen van de spreekwoordelijke train of thought vleugels geeft die verlangen vervangen met inzicht.  Ik wil geen geluk, ik wil geluk meten aan ongeluk, pijn om opluchting te voelen, verlies om te compenseren, verdriet om te verwerken, vrij zijn ruiten in te gooien, bruggen en schepen te verbranden, ladders af te dalen om dichter bij de bron te komen, ladders op te bouwen bij doodlopende dalen en een duik in het diepe te maken op stille eenzame toppen. Ik wil drama en tranen want enkel uit tristesse wordt troost geboren. Ver boven het plebs verheven, vlieg ik verder. Zonder het vermoeiende armzwierlijke opstijgen dat tergend traag op gang komt, vlieg ik zonder enige vereiste vorm van aandrijving hoger dan ik in mijn slapende dromen kan,en ik sla hen allen gade, de niet lezers, de bekrompen dagjesmensen, met hun zondagsmarkt, karakollen en nylonkousen, rechts-, links- en liberaal-denkende  beursvolgers met hun godgeklaag over belastingen, overuren en vijfde-hands opinies over de derde wereld, hun mond tot mond mening-overname, het riemgeroei op leven en dood om niet uit de boot te vallen. Maar ik zie ook mezelf, die ochtend, verrast door de tijd overijld beseffen dat er dagtaken wachten en nerveus als een betrapte heroïne junk, alle restanten van de wakkergebleven nacht opruim als bewijslast die dient te worden verborgen. Volgekribbelde stukjes geschrift die ik, ingehaald door de tijd, in haast beoordeel in twijfel over ze weg te gooien of bij te houden voor een volgende sessie.  Ik zie mezelf ontwaken uit mijn schrijversroes, en terwijl ik dagdroom over de acht mogelijke alternatieve manieren waarop ik dat beter had gekund, wordt mijn vlucht onderbroken en val ik figuurlijk te pletter door het geluid van duimdikke dossiers die door de kantoorverantwoordelijke op het desk van mijn cubicle worden gesmeten. "Als je klaar bent met het werk dat je vorige week in moest leveren, kan je misschien beginnen met deze hoop die gisteren binnen moest... Time is money!"Aan elf euro zeventig bruto per uur, bereken ik dat ze gelijk heeft. Ik ben op slag nuchter.

Esje Volter
50 2