Lezen

HYPOCRITISTAN

Gisteren vernamen wij via de satelliet- televisie, dat er in Vlaanderen, voor het Islamitische offerfeest, niet meer onverdoofd ritueel geslacht mag worden. Op deze manier zou een einde gemaakt moeten worden aan het dierenleed.  Het is te zeggen, overal krijgen de beestjes eerst een spuitje toegediend, alleen bij de erkende slachterijen mag het halal- mesje nog vrolijk rondzwiepen. U leest het goed! Twee maten en twee gewichten. Typisch hypocriet gemekker. Tegen het dierenleed? De schapen in kwestie hebben natuurlijk helemaal niets in de schapenpap te brokken waar ze het liefst hun hoofd zouden verliezen. De meeste ingeburgerde moslims, die hun schaapjes ondertussen op het Europese droge hebben, sturen geld naar hun thuisland om daar het rituele slachten in stand te houden. Toen er op het journaal ook nog de uitleg over het offerfeest achteraankwam en waarom die schaapjes massaal op een Arabische harakiri aan hun einde moesten komen, vonden we helemaal, dat het eens tijd zou worden dat er hier eens een duchtig woordje zou gesproken worden met die geloof- en dierenbarbaren. Om Abraham zijn geloof op proef te stellen, vroeg God hem het onmogelijke. Als teken van volledige goddelijke overgave, moest Abraham zijn enige zoon aan God offeren. Gewoon de diepgelovige man eerst een paar dagen lastigvallen en slapeloze nachten bezorgen in de hoop dat hij toch als een mak schaap zijn nageslacht de berg op zou sleuren. Als het mes zich bijna in de zoon geboord had, kwam God op zijn sadistische woorden terug en met een hemelse vergevensgezindheid nam hij toen genoegen met een schaap. En door dit sprookje worden er nu nog steeds, anno 2015, niet alleen in de moslimwereld maar ook in de ‘beschaafde’ westerse wereld, miljoenen halal- schaapjes onverdoofd ritueel geslacht. Hypocriet Vlaanderen!   Toen het terreuralarm in België afgekondigd werd, vroeg de Antwerpse burgemeester aan de regering om soldaten aan alle mogelijke doelwitten te plaatsen. Het plaatselijke politiekorps had andere prioriteiten, zoals snelheidsduivels flitsen, Wodkacontroles houden en verkeerd parkeerders beboeten. Dus de regering stemde toe en aan alle synagogen, Joodse scholen, diamantairs- wijken, stations en andere belangrijke gebouwen zag men zwaarbewapende soldaten de zaak bewaken. De Antwerpse bevolking was er gerust in, het terreur werd serieus genomen. Niemand stoorde zich aan de militaire bewaking. Men voelde zich veiliger. Alleen een tjeef, uit diezelfde regering, die anders bijna nooit een stap in Antwerpen zette,  kwam heel hypocriet, samen met zijn christelijke madame en een ‘toevallig’ opgetrommelde nest persmuskieten, de Antwerpse Meir afwandelen, om aan te tonen dat de soldaatjes veel te duur waren en hier helemaal niet nodig waren. Hypo-crisis-stan. En dan wil ik nog een woordje schrijven over ons voormalig koningshuis. Hoe hypocriet kan je zijn, als je na een Delphineke gedaan te hebben, de ring van de paus gaat kussen? Ik zie ze nog op de televisie, zij de heilige Koninklijke boon met een kanten niemendalleke…op haar hoofd en hij met zijn doorzondige blik, neerknielen voor die jurkenman om door die kus al hun zonden af te kopen. Ik dacht dat de voltallige roddel- en rioolpers gierend van het lachen achter hun computer zouden kruipen om ons opnieuw een smeuïg verhaal over ‘papillon’ te brengen en minstens ons geheugen nog eventjes zouden opfrissen, maar niets daarvan. Kappersblaadjes vol knielende devote majesteiten. Hoe gaat dat dan in zijn werk, zo’n audiëntie? Praat de ene geheelonthouder dan met een vermanend vingertje de schuinsmarcheerder toe, alvorens de verlossende kus mag gegeven worden? Vraagt deze mijterman dan: “Sire, vertel het mij eens allemaal in geuren en pornokleuren!” “Ach U weet, of weet het niet monseigneur, maar het vlees is zwak en toen ik net over de grens zag, dat een prins met wat Lockheed- centjes er een minnares op kon nahouden, dacht ik, hé bien pour moi la même chose. Het was tenslotte niet helemaal alleen mijn fout, dat ik na jaren uitgedoofde Italiaanse passie, mijn Koninklijke staf in het verkeerde paleis parkeerde. Ik maakte van mijn dotatie een beetje een natuurlijke donatie. ’t Was tenslotte maar één letter verschillend hé!” Knipoogt die seksloze sinterklaas dan en vertelt die dan op een Alzheimer-light timbre: “Denkt U Sire, dat wij nooit in de verleiding komen? Dat onze jurk niet nu en dan omhoog komt, omdat onze kruisgang geprikkeld wordt? Wij bidden dan tot onze Heer, dat onze kleine heer van purperrode schaamte ineen zou schrompelen! Onze Heer hoort ons soms niet en dan behelpen wij ons met nu en dan een neefje, een misdienaartje of een koorknaapje op onze schoot te trekken. Voor een paar extra ouweltjes en een likstok krijgen we ze soms zo ver, dat ze ook onder onze jurk het wijwater gaan zoeken. Ach Sire, waarom denkt U dat wij in sommige kloosters de volledige zwijgplicht afgeroepen hebben,  als er daar één zijn mond zou opendoen, enfin om te praten, dan had je de godsdienstige poppen aan het dansen. Dus Sire, kus straks samen met Uw madame mijn goddelijke ring en al Uw zonden zullen vergeven worden!”  Hypochristusstan!  

Sim
5 0

tekst 1: CONCOURIOSO en tekst 2: GIVING IS LIVING!

Tekst 1:   CONCOURIOSO… ... zoekt Oost-Vlaams aanstormend muzikaal talent!Een muziekconcours dat nieuwsgierig is naar Oost-Vlaams aanstormend talent dat hunkert om naam te maken en voor een groot publiek te spelen. Een muziekconcours voor IEDEREEN die van muziek houdt, maar (nog) niet van muziek leeft.Reeds enkele jaren bieden we een podium aan befaamde artiesten op VOLTA en 1 mei. In 2015 gaan we een stap verder en investeren we in onbekend talent. CONCOURIOSO biedt de gelukkigen een podium aan! Alle genres en alle leeftijden kunnen deelnemen.Een professionele jury selecteert zorgvuldig 5 winnaars die kunnen meedingen voor de hoofdprijs tijdens de finale in de concertzaal van Trefpunt op 13 maart. Op 30 april speelt de winnaar in een uitverkochte Vooruit op VOLTA. De dag erna is hij te bewonderen onder de Gentse Stadshal op 1 mei. De winnaars krijgen er 2 dagen studio én een professionele producer bovenop. Meer info op de website.CONCOURIOSO is een organisatie van Curieus Oost-Vlaanderen i.s.m. Poppunt, ABVV, Linx+, Trefpunt vzw, Bond Moyson, Joetz vzw, sp.a, Jong Socialisten en Studio Boma.  Goesting? Schrijf je in voor 23 februari via vi.be!       Tekst 2:   Curieus Oost-Vlaanderen organiseert:   GIVING IS LIVING!   Snuister. Repareer. Ontmoet. Deel. Drink. Eet. Dans.   Gezelligheid, solidariteit, duurzaamheid... Wees welkom om het principe van geven en nemen nieuw leven in te blazen op ons GEEFPLEIN!   Breng mee om te geven... en neem mee wat je kunt gebruiken. Dit alles gratis en voor niets!   Alles van huis-, tuin- en keukenmateriaal tot kledij, boeken, speelgoed of andere verbruiksgoederen is welkom. Voor grotere stukken zoals meubelen voorzien we borden voor foto's met je contactgegevens.   Niets te geven? Kom gewoon langs, drink iets op ons terras en snuif de heerlijke geefsfeer op!   Nog vragen? charlotte.lootens@curieus.be of 09 265 79 48.

Charlotte Lootens
0 0

OVER WORSTENBROOD EN ORANJEGEKTE

Het leven op onze aarde hangt aan elkaar met een hoop tradities. Zo komen wij, in onze westerse wereld nog maar net op de wereld of we krijgen al, als baby, een geut doopwater over onze hersens. Sommige kinderen worden via de communie de volwassen, religieuze wereld binnengehaald. Wij trekken onze maagdelijk witte slepen bij huwelijken de kerk in en laten ons door een menigte huilende mensen op het einde van ons leven soms de kerk uitdragen, zonder dat wij of de rouwende familie ooit eender, dan bij vorige beschreven gebeurtenissen, ook maar in een God geloofd en één stap in de kerk gezet hebben.  Maar het is en blijft voor sommigen nog steeds traditie. Uit al deze religieuze toestanden heeft men wel een paar traditionele familiefeesten overgehouden. Moesten die er niet zijn, dan liet de familiestamboom prompt zijn bladeren vallen en vielen de meeste gezinsfeestjes zonder pardon in het water. Met Pasen eten we ons massaal een ei- en chocolade-infarct. Met Kerstmis, om de zo gezegde geboortedatum van Jezus te vieren, slachten wij massaal kalkoenen, drinken we ons een delirium tremens en vreten we ons een cholesterolverstopping. Met Driekoningen kan je de tanden stukbijten op de verstopte boon in de taart. Op het Suikerfeest proppen sommigen zich tot een diabetesaanval vol baklava  en tijdens het Offerfeest drijft het vet op de schapenstoofpotjes de indigestiestatistieken de hoogte in. De Joodse gemeenschap viert dan weer in december Chanoeka  (lichtfeest) met aardappelkoeken en latkes. Met Verloren Maandag, ‘verliest’ de Antwerpse bevolking zich in worstenbrood en appelbollen. Met oudejaarsavond schrokt men in België kreeft en kaviaar, kiept men flessen champagne binnen, alsof het allemaal gratis is, en zijn er in het zuinigere Nederland oliebollen. Dit alles met of zonder vuurwerk. Veel tradities gaan van generatie op generatie over. Zo heb je het gansrijden in sommige Vlaamse polderdorpen. Vroeger werd een levende gans met olie besmeerd, ondersteboven aan een paal opgehangen. De mannen reden er te paard  onderdoor en moesten er, in één keer, de kop van de gans kunnen aftrekken. Misschien heette die gans wel ‘Jut’ en komt daar de uitdrukking; ‘ De kop van jut zijn’ wel van? De traditie bestaat nog steeds, maar gelukkig werd de levende gans door een namaak exemplaar vervangen. In Vlaanderen had men blijkbaar toen er tijd  een middel gevonden om het dierenasielaanbod behoorlijk te verminderen door het afmaken van levende beesten. Vroeger dronk men in Geraardsbergen levende visjes en smeet men in Ieper spartelende katten van de belforttoren. Goddank heeft men ook deze vervangen door pluche speelgoedpoezen en heeft Gaia het aquariumborreltje kunnen verbieden. Eén april is ook zo’n aloude traditie. Overal ter wereld tracht men op die dag iemand te foppen. De één april fopdag is ontstaan, omdat juist op deze dag een visser de zogezegd grootste vis in de geschiedenis met een simpele hengel bovengehaald had.  Daar komt dus ook de benaming aprilvis van…hahaha, neen hoor gefopt! De juiste verklaring van deze traditie is tot op heden nog steeds niet helemaal achterhaald, maar het is en blijft één van de leukste dagen van het jaar. Een hoop nieuwe tradities komen echter vanuit Amerika onze kant uitwaaien. Zo hebben wij ondertussen een secretaressedag, waarop elke typemadame van haar baas een bloemetje verwacht. Oh wee als deze dag vergeten of overgeslagen wordt, want dan kan je het, als chef, de rest van het jaar wel schudden. Halloween is ook zo’n ‘transocean’- debielenfeestje, waarbij we met zijn allen als lugubere gekken, verkleed in skeletten, monsters of satanische moordenaars met uitgeholde pompoenkoppen bij elkaar op de stoep belletje- trek gaan doen en om snoep gaan bedelen. En wat dacht U van de ondertussen ingeburgerde traditie, om ondanks de fors uit de pan rijzende elektriciteitsprijzen, tijdens de kerstperiode onze voortuinen en gevels overmatig lichtgevend te versieren. Sinds we al jaren, in de aanloop van het kerstgebeuren, met suikerzoete Amerikaanse happy end versies van White Christmas- films overspoeld worden, hebben wij nu ook in België verschillende malloten die hun gans huis met hevig gekleurde flikkerlichtjes, glinsterende blauwe kerstsleeën, fonkelende groene en roze kerstbomen en schitterende Kerstmannen optuigen. Vanuit een ruimtecapsule kan men het energieverslindende straatje probleemloos in de donkere nacht zien oplichten. De volgende traditie zou ik eender onder de noemer carnavalsgekte willen catalogeren. De Nederlandse oranjegekte. Wie hiermee begonnen is mag Joost  weten, maar blijkbaar weet Joost dus ook niet alles. Bij alle mogelijke traditionele optochten, zoals de circusvertoning op Koning(inne)dag , tooit heel Nederland zich eensgezind in oranje. Heel der straten worden oranje geverfd en sinaasappelkleurige idioten zwaaien zichzelf een tenniselleboog als de Koninklijke poppenkast in een gouden koets voorbij komt rijden. Erger wordt nog de oranjegekte bij voetbalwedstrijden. Hier tooien ze zich met kaasbolhoeden, façon Beatrix, allerhande petten met Hollandse molentjes en hup, Holland hup bustehouders. De oranjemeute gaat, met de Hollandse driekleur op het aangezicht geschilderd, op het oorlogspad. Ze drinken zich het apelazarus, slopen vervolgens na de voetbalnederlaag, bloeddorstig, hele stadscentrums en laten een oranje vernielspoor achter zich. Mogelijk krijgt dit soort tradities stilaan ook voet aan wal in België, want toen de Rode Duivels weer als ‘de Belgische super glue’ opgevoerd werden, scandeerden, riepen, vochten en zopen, een heleboel als duiveltjes verklede en met de Belgische driekleur vol gekliederde Vlamingen en Walen, zich gebroederlijk onder tafel. In Thailand heeft men de traditionele Long Neck vrouwen. Hier hangen de moeders nog steeds gouden ringen rond de hals van de meisjes, zodat hun schouders naar beneden gedrukt worden en hun hals langer lijkt, dit alles om de  toeristen te plezieren en geld in het laatje te krijgen In Afrikaanse landen is de vrouwenbesnijdenis nog steeds een overleveringsritueel en in sommige grauwe en enge moslimlanden zijn een partijtje vrouwensteniging en homo’s ophangen nog steeds traditionele toppers. In Spanje vinden we de jaarlijkse traditionele stierenloop. De stieren worden door een hoop haantjes opgejut en door de straten van Pamplona gejaagd. Deze dieren beleven hier misschien de stierenvechterwraak van hun leven. Soms worden er machojongens door de stieren vertrappeld en een overmoedige wordt somtijds op de horens de straat in gecatapulteerd. Een enkeling met toreadorallures krijgt een punt van de hoornen tussen zijn Spaanse klokkenspel en wordt onder luid applaus en Olé-Olé- gejuich van de menigte met de ambulance afgevoerd. Ik ben er zeker van dat deze, nu voortplantingsloze,  corrida- man nog lang over deze traditie zal nadenken. En dan is er nog de traditionele kleding. We moeten niet ver meer reizen om al die verschillende klederdrachten te zien.  Bij ons in Antwerpen zie je ze allemaal rondwandelen. Je kan hier Duitsers met Lederhosen en het bekende pluimpje op de hoed, gearmd met de Trachtendirnd- vrouw zien rondstampen en tulbandmannen en prachtige Indische schonen, met in de wind opbollende pastelkleurige zijden sarongs, zien flaneren. Afrikaanse vrouwen met ingevlochten wolvlechtjes en vrolijke gekleurde kledingprints,die vrolijk tegen hun zwarte huid afsteken,  slenteren kakelend en lachend door de straten.  Op een straathoek staat een Peruviaan panfluit te spelen in een poncho in allerlei kleuren van de regenboog. In andere wijken zie je vooral sombere zwartglanzende Jodenkostuums, pruikendames en djellaba’s in allerlei soorten en maten, alleen het provocerende islamitisch hoofddoekje roept bij sommige Belgen en Nederlanders nog wat controversie op. Alleen toeristen met Schotse kilts, Vietnamese hoedjes, Mexicaanse sombrero’s en Nederlandse klompen zie je hier niet rond kuieren, maar we weten dat deze attributen in het land van herkomst nog vrolijk gedragen worden. Zo heeft iedereen zijn eigenheid, zijn tradities, geloof , bijgeloof  en feesten. Terwijl U dit leest, gaat het leven op aarde gewoon zijn gangetje. Er wordt nog steeds gedoopt, gevreeën, gehuwd, gescheiden, gevochten, gemoord en gestorven. Er wordt nog steeds traditioneel gekookt, gegeten, gefeest en gedanst. Kunnen wij God, Jezus, Allah, Mohammed, Jahweh en al die andere aanbeden goden en de horrorsprookjes van de Bijbel, de Koran en de Thora niet eens, als proef, voor een jaartje of twee afschaffen? Eens kijken wat dit met de mensheid doet?  Misschien vindt de wereldbevolking het leven zonder die vermanende geloofsdwang wel heel bevrijdend en fijn. We schaffen alle religieus getinte tradities en etentjes af. Alleen voor 1 april, de stierenloop en het gansrijden willen wij nog een uitzondering maken. Ik probeer nog ‘traditiegetrouw’ elke week een verhaaltje te schrijven, gewoon om jullie te laten glimlachen en sommige te doen nadenken. Maar of ik het nu meen of niet, schrijf of niet, de wereld draait nog steeds om zijn as en alles bleef zoals het was.

Sim
508 0

United Cowboys (4)

    Benjamin was al die tijd Sprite blijven drinken, aardbeienyoghurt blijven eten en Florian was me werk blijven geven, opdrachten waarbij ik me wel eens achter de oren krabde maar ik kloeg nooit en werd elke vrijdag netjes uitbetaald. Cash.   Op die vrijdag in mei had Florence de sleutel van het geldkistje een halve toer naar links gedraaid, het deksel geopend en er achtduizend tweehonderd frank uitgenomen. Maar ze had de centen op haar bureau neergelegd, met tien vingers de rug van zijn uitgestoken hand twee seconden lang vastgehouden en de biljetten weggeblazen.   In het daarop volgende weekend had Roeland enkel koek-en-ei-met-konijnepoten gegeten, en ‘s maandags zou hij de middagpauze doorbrengen in het magazijn van de aanpalende houthandel, samen met Florence. Daar zouden de nogal schaars belegde broodjes net iets malser worden, desalniettemin onaangeroerd blijven; de stilte zou er prikkelen en het gloeiende voorgerecht dat in de lucht hing, kon niet afgeslagen worden door de innerlijke mens.   Roeland was dus blijven dromen en Florian had in januari al de nodige twijfel gezaaid bij Snotsio. "Dat een serieuze herstructurering zich opdrong om break even te kunnen draaien," was hij er gaan verkondigen.   Tegen Bart Smiths, de financiële man, had ik hem nu, vier maand later, horen zeggen dat "het stilaan tijd werd om die boel van Snotsio te verkassen, dat hij nog twijfelde tussen Polen en Slovakije" en ’s zondags belde hij me op, zei dat "we ’s anderendaags naar Kaltenberg zouden vertrekken en van daaruit naar Myjava zouden doorrijden en dat ik om half één moest klaarstaan aan de buro’s te Wetteren."   De ganse weg liet Florian me aan het stuur van de Volvo en zat hij achterin haast constant te bellen. Ook met jakhalzen in Roemenië, "of de betonvloer al gegoten was, dat de machines uit Pineau-de-Ré al onderweg waren, of ze al genoeg mieren geselecteerd hadden om direct in twee ploegen te kunnen draaien, of er al afspraken gemaakt waren met de douane voor de tijdelijke invoer van de Chinese elektronica..." Zo ging dat maar door tot we toekwamen in Kaltenberg waar we niet lang zijn gebleven. "Dat de buro’s al redelijk aan het leeglopen waren," had ie tegen me gezegd toen we er wegreden, richting Rozvadov.   Er stond een lange rij wachtende auto’s aan de grens en Florian glimlachte toen Roeland die ganse file voorbijreed. Hij maakte de douanier wijs dat Florian F. een gezant was van de Europese Commissie en Florian stak met strenge blik zijn paspoort uit het raam. De Tsjechische douanier groette hen en ze scheurden verder richting Plzen, Brno, en zo naar Myjava.   Zestig kronen om vier uur te slapen in Penzion Hutnik en ’s morgens heeft Roeland Florian afgezet aan het bedrijventerrein van Slovenská Armatúrka Myjava, waar één van de jakhalzen hem stond op te wachten. Florian zou wel terugvliegen vanuit Wenen en Roeland moest op de terugreis stoppen in Lotharingen, bij Lulding in Pineau-de-Ré, om er een inventaris te maken van de overgebleven voorraden, en dan aan ene jakhals in Timida Soara laten weten hoeveel vrachtwagens er nog nodig waren om de restjes naar Roemenië te voeren.   Opdracht volbracht en het was toen ik België weer binnenreed, die lamlendige cd van Simply Red uit het raam keilde, Nightingale and the Wolf oplegde, dat ik het besefte, dat het weggesmeten geld geweest was om onderweg die Penthouse te kopen en ik het nu helemaal zeker was. Ik kon Florence echt overal ruiken. Overal in Europa. Als pittige soep in de mist.          Soep voor de wolf deel 4 van het documentaire kortverhaal 'United Cowboys' uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
3 0

Roeltje Gaat Naar School

Down had hij niet, zo werd beslist, hij was gewoon ontzettend lelijk. Een rotkop als het achtereind van een varken, maar dat betekende dus niet dat hij ook zo lomp was. En zo werd Roeltje uit de klas voor specials gegooid en belandde hij, pardoes, in het gewone onderwijs. Buitengewoon was hij immers niet, behalve dan buitengewoon lelijk. Daar moest zelfs een geheel nieuwe categorie voor worden bedacht. Zelfs 'lelijk als de nacht' was dan nog een eufemisme.Het enige wat hem zonder kleerscheuren door de lagere school had kunnen halen, was street credibility, maar dat verleende niemand hem, al had hij littekens te over, van wonden gekerfd door passerpunten, gebrand door sigaretten, gedeukt door dichtslaande deuren.Maar opgeven stond niet in zijn woordenboek. Eigenlijk stonden er best weinig woorden in zijn woordenboek. Roeltje was namelijk niet van de slimste en daarom zaten zijn ouders met de handen in het haar. Alles was immers zo eenvoudig toen Roeltje nog gewoon Down had, maar die zekerheid was hen ondertussen al lang ontnomen. Wat nu gezongen?Roeltje moest zijn jaar dan maar overdoen, het teken voor papa en mama om toch nog eens langs de psychiater te passeren. Je weet maar nooit. En wat bleek nu? De zielenknijper en zijn vele assistenten hadden zich destijds schromelijk vergist, zo was hun besluit na vele nieuwe onderzoeken, en dat gaven ze dus met enige schaamte toe.Niet alleen was Roeltje belachelijk lelijk, hij had ook nog eens het syndroom van Down. En alles werd weer zoals het was, en de rust daalde weer op de familie van Roeltje neer, als een doek over een papegaaienkooi.

Gert Vanlerberghe
3 0

HOLLAND BELGIE

Mijn eerste boekje ‘Het scharnierend schuurtje’ wordt door een Nederlandse uitgeverij uitgegeven. Op zich is daar totaal niets mis mee, ware het niet dat ik van hen de opdracht kreeg om mijn Vlaamse zinnen en uitdrukkingen wat te vernederlandsen.   De Vlaamse lezers lezen ‘plezante’ verhalen. Hollanders moeten ze ‘leuk’ vinden. Vermits de uitgeverij niet alleen op mijn Vlaamse achterban mikt, maar tevens mijn schrijfsels in Nederland gaat promoten, zal ik een Hollands tandje moeten bijsteken.  Uit statistieken blijkt dat Nederlanders nog steeds fervente boekenkopers zijn. De Vlamingen echter hinkelen ergens krenterig (kijk, nu al komen er Nederlandse woorden uit mijn pc ) achterop. Tijdens al mijn uitgeversopdrachten liep hier, in Antwerpen, inmiddels de  jaarlijkse Boekenbeurs. In Vlaanderen werden nog nooit zoveel afhaalmaaltijden, afhaalchinees of thuis geleverde pizza’s besteld en gegeten. Duizend voorbereide schotels werden ’s avonds snel in de microgolfoven geschoven, want half  België zat tijdens het kookuurtje voor de buis. In plaats van in de keuken in de potten te staan roeren, zapten zij van het ene kookprogramma naar het andere.  Wat de Vlaamse boekenbeursbezoeker dan ook hoofdzakelijk maar interesseerde op deze beurs waren de BV’s en de BK’s. De ‘Bekende Vlamingen’, de ‘Bekende Voetballers’ en de ‘Bekende Koks’. ‘Lees minnend’ Vlaanderen verdrong zich in rijen van 10 voor de signeerstanden van de televisiekoks. Als er een uitgeverij aankondigde dat er een televisienitwit zijn opwachting zou maken en weeral een nieuw kookboek  zou komen handtekenen, ontstond er gegarandeerd een lezersfile voor deze stand. Er was ook massale belangstelling aan de stand waar een gesigneerde biografie over een Belgisch miljonairsvoetballertje van 23 jaar te koop was. U leest het goed! De aanvallende middenvelder van 23 is amper de tienerjaren voorbij en er werd al een levensloop over hem geschreven. De fans stonden reeds anderhalf uur op voorhand aan de boekenstanden te wachten om hun ‘vedettes’ te zien. Het boek was bijzaak, het werd gekocht en vermoedelijk nooit gelezen noch in de keuken gebruikt. Het enige wat deze ‘boekenbeursgangers’ uiteindelijk wilden, was gewoon allemaal met de tv-koks, de soapsterren en/of hun Rode Duivel op de foto gaan. De echte auteurs, met de pen in aanslag, achter het bureau van de lege uitgeversstand, keken dit met lede ogen aan… Ik dwaal af. Ik had het dus over de Vlaamse- en Nederlandse taal en mijn columns, die met het oog op de promotie bij onze noorderburen, eventjes onder handen genomen moesten worden. Zo liet ik manlief, in mijn boekje, met ‘peper in zijn holleke’ naar het sanitair spurten. Geef nu toe, dit klinkt toch veel liefelijker dan ‘peper in zijn reet’. Het ‘anusgebeuren’ klinkt in het Nederlands toch een pak heftiger. Zo komt er bij de Vlamingen ‘verdunde speculoospasta’ uit hun achterste terwijl ze in Holland ‘zeven kleuren bagger schijten’. Hun grote boodschap noemen ze ook ‘poepen’. Bij de Vlamingen komt er met het woord ‘poepen’ niets uit, maar gaat er daarentegen iets in. Zo hebben wij, hier in het zuiden, ‘goesting’ in muizenstrontjes en zwarte jappen en hebben ze daarboven zin in hagelslag en zoute drop.  Echte zwarte en bruine muizenstrontjes lijken volgens mij dus veel meer op die chocoladelekkernij dan hagel. Hebben jullie al eens bruine hagel gezien? Zwarte sneeuw, figuurlijk, dat kan, maar zwarte hagel?? Ze zijn daarboven volledig in de war. Zo geven ze beschuit met muisjes. Dit zijn witte en roze anijsbolletjes op een beschuit. Geef  nu toe dat dit totaal niets met muizen te maken heeft maar dat dit eerder op hagel lijkt. In Nederland speelt men verstoppertje en in Vlaanderen noemt men dit kinderspelletje ‘bedot’. Onze grootouders, de bomma’s en bompa’s worden meer noordelijker oma’s en opa’s en onze nonkel is een oom.  Hollanders nemen een kiekje, maar Vlamingen trekken nog steeds een foto.  Wij zijn met onze taal blijkbaar nog in het tijdperk van de beginnende fotografie blijven steken. Toen ‘trok’ men nog een glazen plaat uit het fototoestel omhoog. Onze koffer is de belaadbare ruimte in onze auto, boven de noordelijke grens is dit de kofferbak. Een koffer is dan bij hen weer een stuk bagage en bij ons een valies.  Wij Vlamingen hebben een ‘curieuzeneuzemosterdpot’ en Nederland heeft een nieuwsgierig Aagje! Wij ‘verschieten’ ons een ongeluk en in Nederland schrikt men zich ‘het apelazarus’?? Terwijl de Nederlanders iets te vrezen hebben, zitten wij in Vlaanderen ‘met de poepers’. Wat een Babylonische spraakverwarring! Nochtans spreken wij dezelfde taal, of niet? Zo had ik een jaar geleden een misverstand met mijn Amsterdamse vriendin. Zij vertelde mij dat ze bij het overlijden van haar 90 jarige tante, bij het opruimen van de kleerkasten, een kleedje voor mij achtergehouden had. Ik begreep er helemaal niets van. Wat moest ik mogelijkerwijs met een oubollig kleed van een antieke suikertante aanvangen? Ik reageerde lauwtjes want ik wou geen ‘ambras’… sorry ruzie,  met mijn vrienden.  Bij het eerstvolgende bezoek in Almere kreeg ik ongevraagd toch een plastiekzak in de hand geduwd met daarin het bewuste ‘kleed’. Het bleek een mooi tafelkleedje! Wat wij hier kleedje noemen, is bij de noorderburen een jurk. Een kleed is een tafelkleed of een vloerkleed. Bij ons is een vloerkleed een tapijt. Bij hen is een tapijt, een vast tapijt, iets wat over het ganse oppervlakte van de kamervloer gelegd wordt. Dit noemen wij dan weer ‘tapis plein’, voltapijt. Om zot van te worden niet? Ho, ho nee hoor..om gek van te worden! Ook de klemtoon wordt bij sommige woorden door onze Nederlandse vrienden totaal anders gelegd. Neem nu bijvoorbeeld het woordje PIJAMA. We schrijven het beiden op identieke wijze. Als wij het uitspreken, wordt het op één of andere manier een totaal ander woord. Wat bij ons met de franse slag als ‘pisjamma’ met een p dan een korte ‘i’, gevolgd wordt door een ‘ssjj-klank’, daarna een ‘a’, een goed hoorbare dubbele ‘mm’ om dan te eindigen met een korte ‘a’ uitgesproken wordt, roept bij de Nederlanders twee grote vraagtekens op: “Wat wil die Vlaming ons nu weer vertellen?” Bij hen moet pijama als ‘PIE- JAA- MAA’ klinken. Onderweg naar het zuiden, stoppen wij op een camping in ‘Langres’. Fonetisch uitgesproken Langre. Onze noorderburen kamperen in Langrès…Wij rijden over de brug van Millau, die op zijn Frans klinkt als Mijo, maar Nederlanders blijven het viaduct van Milllaauu   nemen.   Hierna schrijf ik dus een verhaaltje over een ‘Vlaams weekeindje weg en daarna volgt de vernederlandste versie!   Vlaams weekeindje weg : Wij werden door onze Amsterdamse vrienden uitgenodigd om het weekeinde bij hen door te brengen. Ik trok dus mijn schoonste kleedje aan en mijn nieuwe botten. Mijn pelsjas legde ik achter in de auto. Manlief draagt sinds zijn pensionering al lang geen kostuums en plastrons meer, maar blazers. Voor we de deur van onze bel-etage woning  in het slot trokken, zette manlief nog rap de vuilbak buiten. Hij keek in de brievenbus of de facteur er de gazet al ingestoken had.  Ik opende de koffer van de wagen en legde hier de valiezen in. In de appartementen rondom ons stonden de buren ons vertrek in de mot te houden.  Ik had voor onderweg alleen een fles plat water en wat appelsienen ingepakt. Wij zouden op weg naar Almere, de autostrade nemen tot de afrit Breda. Hier in het centrum wilden we nog geld uit de muur halen. Wij wilden bij de beenhouwer eventueel een broodje met hesp kopen. Misschien was er wel een leuk cafeetje waar we een croque-monsieur met een tas koffie konden bestellen. In de viswinkel konden wij dan wat maatjes, met ajuin en stukjes zoetzure augurk, aanschaffen. Dat vonden onze vrienden lekker als aperitiefhapje. We kwamen niet in de verleiding om nog bij een frietkot te stoppen en een pak frieten met stoofvleessaus te bestellen. Mijn vriendin had ons verzekerd dat het geen afhaalchinees in de microgolfoven zou worden maar dat zij voor ons weer die lekkere ‘pekesstoemp’ met stoofvlees zou klaarmaken. Daar had ik nu al zo’n goesting in! Toen we Breda uitreden, zou ik mijn vriendin met onze GSM opbellen en haar verwittigen dat we eraan kwamen. Op weg naar Nederland. Wij werden door onze Amsterdamse vrienden uitgenodigd om bij hen te komen logeren. Ik trok dus mijn mooiste jurk aan en mijn nieuwe laarzen. Mijn bontjas legde ik achter in de auto. Manlief draagt sinds hij in de AOW is, al lang geen maatpakken en dassen meer, maar colbertjes. Voor we de deur van onze aanleunwoning in het slot trokken, zette manlief nog snel de vuilnisbak buiten. Hij keek in de brievenbus of de postbode de krant er al ingestoken had. Ik opende de kofferbak van de wagen en legde hier de koffers in. In de flats rondom ons stonden de buren ons vertrek in het oog te houden. Ik had voor onderweg alleen een flesje Spa blauw en een paar sinaasappels ingepakt. Wij zouden op weg naar Almere, de snelweg nemen tot de uit naar Breda. Hier in het centrum wilden wij nog ergens wat geld pinnen. (Ja het enige wat een Nederlander uit de muur haalt, zijn kroketten) We wilden, bij de slager eventueel een kadetje met ham kopen.  Misschien was er wel een leuk kroegje waar we een tosti en een kopje koffie konden bestellen. Bij de visboer konden wij dan wat jonge haringen, met ui en gesnipperde zure bom kopen. Onze vrienden vonden dit lekker bij de borrel. We kwamen niet in de verleiding om nog bij een patatzaak te stoppen en een bakje patat met stoverijsaus te bestellen. Mijn vriendin had ons verzekerd, dat het geen afhaalchinees in de magnetron zou worden, maar dat zij weer die lekkere wortelstamppot met draadjesvlees zou klaarmaken.  Daar had ik nu al zo’n zin in! Toen we Breda uitreden, zou ik mijn vriendin nog eventjes met het mobieltje bellen en haar verwittigen dat we eraan kwamen. Vermoeiend hé. Beste uitgever, ik zal mijn best doen. Nu geef ik de pijp aan Maarten...Aan wie? Juist, ik stop ermee, het is hartstikke leuk geweest. Doei!      

Sim
36 0

United Cowboys (3)

    Terwijl Roeland van Florence droomde en daarbij zijn lakens wel eens danig bevuilde, viel forse groei Florian zowat in de schoot. Het betrof producten en technologieën waarvan de ingenieurs bij Snotsyo, Lulding en co. maar al te goed wisten dat ze binnen enkele jaren volledig end of life zouden zijn en ze ontdeden zich in één relatief eenvoudige transactie van hetgeen ze al lang niet meer als core business beschouwden.   Als volgt ging het. United Cowboys International N.V., de holding van Florian F., nam een West-Europese vestiging van bijvoorbeeld Snotsyo over. Meestal gewoon alles, de gronden, de boekhoudkundig zo goed als afgeschreven gebouwen, de verouderde productielijnen, ook het personeel. Win-win was het. De managers van Snotsyo ontdeden zich van sociaal passief in een land met hoge lonen, verkochten activa boven boekwaarde, realiseerden zo een uitzonderlijke winst en gingen ongetwijfeld een extra bonus binnenrijven.   Ook Florian deed telkens een goede zaak. Op korte termijn zou de omzet van zijn holding weer flink stijgen en hij had de activa dan wel iets boven boekwaarde betaald, toch was de prijs ver beneden de marktwaarde gebleven. De gebouwen bevonden zich in de meeste gevallen dicht bij een stadskern, waar decennia geleden deze lichte, maar intussen verouderde industrieën opgestart waren en hij kon ze gemakkelijk met winst verpatsen aan één of andere bouwpromotor, die er lofts in ging maken of de boel platsmeet en verkavelde.   Het overgenomen personeel zou voortaan voor Florian werken en niet langer voor Snotsyo, maar telkens onder één voorwaarde, nl. dat ze tijdens de transitieperiode via een interimkantoor tewerk gesteld gingen worden. Op die manier verloor elk personeelslid zijn of haar anciënniteit. Of men deze juridische consequentie altijd goed besefte, weet ik niet, maar de vakbonden stemden daar doorgans wel mee in. Anders ging de overname niet door, werd de fabriek misschien gewoon gesloten en verloren ze allen hun werk.   "Florian F. was de enige die de vestiging wilde overnemen", hadden de managers van Snotsyo aan de vakbonden laten weten, en Florian had daarbij verzekerd dat de productie er gewoon voortgezet ging worden, meer nog : "de omzet zou zelfs toenemen omdat er veel synergieën waren met al de andere bedrijven van zijn groeiende industriële groep", zo had hij op een vergadering met de vakbonden verklaard.         Florian takes it all deel 3 van het documentaire kortverhaal 'Cowboys United' uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

United Cowboys (2)

    Dit is een wereld waar de leugen regeert en er heeft nooit ene Applejack voor Florian gewerkt. Er was ook geen kantine en Florence deed op haar eentje de personeelsadministratie van het handjevol jakhalzen en de paar Belgische werknemers. Ieder at zijn of haar broodje op aan zijn of haar eigenste bureau en de cola-automaat fungeerde als verzamelpunt, als palaverpaal.   Er werden ook nooit geen advertenties geplaatst om personeel aan te werven. Het ging zeer eenvoudig. Een headhunter bracht de jakhalzen aan en Florian besliste na één gesprek of hij ze al dan niet een contract gaf, stuurde de gelukkigen naar Oost-Europa en zij wierven daar de mieren aan, die tegen weinig geld gedwee het repetitieve werk kwamen uitvoeren. In die landen was kort na de Val van de Muur grote werkloosheid en eenmaal het gerucht de ronde deed dat er een nieuwe fabriek zou komen naast de stad, kwamen de mieren zich al vrij snel en in groten getale als vanzelf aanbieden.     Benjamin dronk ’s middags altijd Sprite en lepelde iedere morgen om tien uur stipt een pot yoghurt leeg. Aardbeien, 500gr allicht en de houten vloer die ooit rond de anodisatielijn gelegen had, was daags voordien volledig afgebroken. “Misschien ontbijt hij nooit”, vroeg ik me af terwijl ik de smurrie in een kruiwagen schepte.   Chemische restanten, grotendeels opgedroogd, een giftige brij had zich decennialang onder de houten vloer gevormd. Chroomzuur, zwavelzuur, trichloorethyleen en soortgelijk spul. Niet dat Roeland wist met welke stoffen hij in aanraking kwam. Het is nu ik de gebeurtenissen aan de hand van zijn verhaal probeer te reconstrueren en ‘anodisatie’ gegoogled heb, dat ik besef met welke smerigheid hij toen in aanraking gekomen is, om nog te zwijgen van de olie die hij op een dag met een emmer uit de grote PCB-houdende transformator overhevelde in twee blauwe vaten.   Die vaten heb ik toen op een zaterdag met de Ford Sierra van mijn stiefvader, in de Saris remorque, naar een steenbakkerij in Zuid-Oost-Vlaanderen gebracht waar mijn nonkel Arsène de stoker was. Florian heeft er toen voor gezorgd dat ik die week duizend frank meer uitbetaald kreeg omdat ik dat zo goed gearrangeerd had. “Of hij me geen vaste job kon geven”, heb ik hem diezelfde week gevraagd.  “Wat ik gestudeerd had?” vroeg ie me. “Criminologie”, had ik snel geantwoord.   Ja, in dit land van halve waarheden had ik me weliswaar ooit ingeschreven aan de faculteit pol & soc te Leuven, maar ik had het ook daar niet ver geschopt en hij had ook niet naar een diploma gevraagd. Dus, echt gelogen had ik niet. Maar of hij me in de toekomst nog nodig zou hebben, daarop kon hij me op dat moment geen antwoord geven. Hij beloofde erover na te denken en is daarna in snel tempo naar zijn Volvo 960 V8 gestapt terwijl ik de laatste kruiwagen 'anodisatiekoek' naar de container voerde.         Zwavelzuur met aardbeien, deel 2 van het documentaire kortverhaal 'United Cowboys' uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

United Cowboys (1)

    Als jakhalzen joegen ze op groei, in het Oostblok waar de nieuwe vestigingen als paddestoelen uit de grond rezen. Vele Polen, Tsjechen, Slovaken, Hongaren en Roemenen werkten er gedwee als mieren in twee, vaak drie shiften. Assemblage, componenten uit staal, aluminium, plastiek, voor de apparaten met de merken die u vast bekend in de oren klinken : Arsus, Insomnia, Lulding, Snotsushita, Syfilips...   “Het bedrijf is toonaangevend en in elke vestiging is er een ruimte die veel weg heeft van een mortuarium, met diep lades waarin men liggen kan, zeer comfortabel en ter ontspanning want het management staat onder grote druk. Bedieningsknopjes zijn er, voor het sfeerlicht, de muziek en de temperatuur. Er is ook een ruimte met een biljart, een pingpongtafel, er is een eigen restaurant met sojabonen, tofu, ecologisch geteeld fruit, met vele verse groentjes en er is een frivool vertrek met een vrouw, zoals Florence Nachtegaele, bij wie men steeds het hart kan luchten.”   Applejack was de nieuwe human resource manager op de hoofdzetel, waar afgebroken en gebouwd werd. Nieuwe bureaus en een extra wc, voor het coördinatiecentrum en Applejack was een man met flair, een kraaihaan met toekomstvisie. Hij zat samen met Benjamin in het oude labo dat tijdelijk als bureel fungeerde. Benjamin was ook nieuw maar lang niet zo breedsprakig, verdiepte zich dag na dag in dezelfde stapel papier en maakte regelmatig aantekeningen in een blauw Atoma schriftje.   Het was via mijn stiefvader, een Tsjech die ooit, na de Praagse Lente naar België gevlucht was en die voor Applejack en co. vertaalwerk deed, dat ik aan dit werk geraakt was en terwijl Applejack aan de telefoon met bravoure gesticuleerde, terwijl Benjamin vlijtig notuleerde, brak ik samen met twee andere gasten een anodisatielijn af in de ruimte ernaast.   Het stonk er en ik zag zwart als een gespierde aubergine, toen ze voorbijstapte op haar lederen zooltjes, Florence, van de personeelsadministratie, die me die eerste vrijdag éénenveertig uren uitbetaalde. “Hier, gij zwarte Guust, zevenduizend driehonderdtachtig frank voor éénenveertig uur”, had ze gezegd terwijl ze me de biljetten en de vier stukken van twintig toestopte.  “Roeland Deroover. Met twee o’s”, had ik gezegd terwijl ik in naar die rosse krullen keek. “Met drie o's”, sprak haar tong, die daarop het topje liet zien en weer verdween tussen die magnifieke lippen.   Het brein achter dit bedrijf was ene Florian F., kortweg FF, zoals gedrukt staat op de fast forwardknop van mijn Syfilips cassetterecorder. FF was groot van postuur en een man met een charisma waar men niet omheen kon.   Die vrijdagmiddag was Florian ook op de hoofdzetel aan de Expansielaan te Wetteren en Roeland had ze bezig gehoord in de aftandse kantine waar ze hun door een broodjeszaak geleverde baguetten aan het opeten waren, Bart en Leen van de boekhouding, samen met Florian, Florence, Appeljack en Benjamin.   FF had net een grote hap uit zijn broodje met filet américain préparé genomen en zat krachtig te kauwen, toen Applejack zijn relaas begon, jonglerend met Engelse termen. Over “creating spaces for work and play”, over futuristische ruimtes waar de jakhalzen zouden kunnen pauzeren, over pingpongtafels en de groenste salades. FF verslikte zich haast en was in een luid lachen uitgebarsten, tewijl de anderen grinnikten.   Ik heb Applejack daarna nooit meer terug gezien. Hij was door het gelach van Florian blijkbaar ferm in zijn gat gebeten. Hij had hoofdschuddend de kantine verlaten, was in zijn Renault Vel Satis gekropen en veel gas gevend weggereden, richting het rijk van Adonis en Aphrodite, langs de Leie en de Suikerrui naar het land met de boterbergen, bakbananen en de gratis marmelade.           Exit Applejack deel 1 van het documentaire kortverhaal ‘United Cowboys’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Wij hadden onze namen nog [fragment]

Klasfoto. Ik ben al namen vergeten. Er zijn doden bij, dat weet ik. Wij blijven over. Daar sta ik, links. Ik lachte want dat hoorde zo. Ik droeg een afdragertje van een trui, van mijn vader godbetert. De kleuren van de sixties en hij prikte. En ik had het nog steeds koud.Afdragertjes moeten kunnen, vind ik nu, maar ook werken. Moest ik kinderen hebben, ik zou ze de kunst van het afdragen leren, als ze dat maar willen. Als ik mijn familiekleren vroeger zelf mocht kiezen, vond ik het nog wel leuk. Een voetbalbroek van mijn oom werd mijn paar nieuwe clownspijpen, met de oude handschoenen van oma was ik Michael Jackson en ik heb me nog maar zelden zo’n echte man gevoeld als toen ik voor het eerst de bretellen van mijn grootvader omdeed.Breed hadden ze het niet, mijn ouders, maar ze deden wat ze konden en ze deden het samen. Daar staat zij, bij het midden. Ook zij lachte, maar dan echt en soms naar mij. Daar moest ik het gaan zoeken, wist ik toen. Dat dacht ik wel vaker, maar dat was anders. Daar wilde ik het gaan zoeken, en durfde. En daar vond ik het ook. De ware liefde. Toen wist ik niet wat dat was.Verder dan af en toe een heel klein zoentje bestond niet, niet voor ons. En hand vasthouden zo lang we konden. En samen spelen, toen dat spelen nog een spel was voor iedereen en ook voor ons.Ik hield van haar. Dat durf ik nu wel zeggen. Toen was dat iets voor grote mensen en die geloofde ik niet. Wij wisten beter. Wij waren beter. Wij waren klein. Ik ben niet helemaal geworden wie ik toen dacht te willen zijn, maar als kind was ik ook wel eens mis.Groter nu, en zwaarder, en schouders die gedragen hebben en een hoofd dat voller zit, vanbinnen en vanbuiten. En een baard die er anders uitziet dan de baard die ik mezelf vroeger gaf met stift, penseel of potlood, maar waar ik best tevreden over ben zoals grote mensen tevreden kunnen zijn: genoegen nemen met een trapje lager dan geluk, want overdaad schaadt. Altijd.

Jürgen NaKielski
23 1

Raguza Blues

En jazz kleurt de straten waardoor ik zwerf, de nacht domineert en de dag lijkt slechts een sluwe belofte in een verre toekomst. Maar jazz is het heden, zo ook de desolate mirages ingebakken in de stenen en de steegjes, waar de eeuwen langs de treden de rots afglijden, op zoek naar een riool donker genoeg om ze te vergeten. De leegte lonkt nog steeds en de wijn is nog niet op, maar doe alvast nog maar een fles. Hernieuw de radeloze roes, en leng de bodemloosheid van mijn bestaan nog wat aan met lekke dromen, praatjes die gaatjes al lang niet meer stoppen, maar de houdbaarheidsdatum van alweer een vat vol leugens alsnog probeert te verstoppen. Van de oude haven tot aan de kathedraal weerklinken piano en tromgeroffel, tot ver over de zee, zo lijkt het wel. Een heilige stad verketterd tot jazz en drank en de kille kreet die in mijn botten kruipt en daar nog even blijft zitten om te rijpen tot het kan verkondigen wat het al lang niet meer verkondigen wil. Bovendien zijn alle vensterluiken gesloten, net als elke ziel, ik sta alleen als enige getuige van het debacle van de nacht, waarmee elke dageraad wordt verward. De nacht is uit de stad gewassen, de jazz is gaan liggen, samen met de zoute zeebries. De knagende kever bezweert nu slechts mijn lever, maar ik ben de kater alweer bijna ontgroeid. En de zon verguldt de daken en de zee verzilverd door de zon, vleermuis ruimt baan voor zwaluw, en mijn hart, buiten adem, maakt plaats voor een nieuwe dag.

Gert Vanlerberghe
0 0

VOICEMAIL

Ik geraak stilaan verward van al die berichten over het geloof. Ik lees in kranten  en zie en hoor via de televisie allerlei idioterieën. Ik weet dat ik met mijn kruistochtverhaaltjes tegen de religies, kleine successen boek bij atheïsten en agnosten, maar ook dat ik tegen de schenen stamp van de meeste gelovige mensen. Toch ben ik er van overtuigd, dat de wereld door het geloof  volledig over de rooie gaat en dat de mensheid afstevent op totale vernietiging. Ik begrijp nu al lang niet meer hoe intelligente mensen achter zo’n Roomse lange jurkenmaffia blijven aanlopen. Hoe sommigen zich op korte tijd kunnen laten indoctrineren door religieuze fanatici, die in het bezit zijn van een lidkaart van het IS- tuig en de Taliban fanclub. Wat gaat er in de mensen hun geest om, om op bedevaart te gaan naar grotten en kathedralen en daar devoot neer te knielen en te bidden voor plaasteren en houten beelden. Het is onbegrijpelijk hoe miljoenen Joden nog steeds hun ganse leven in functie van het hiernamaals verkwanselen, voor een God, die zogezegd samen met hen geleden heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen maar hen destijds toch schromelijk verlaten heeft. Hoe groot moet een geloof zijn, om arme mensen ertoe te brengen hun laatste geld uit te geven aan wierrook en bladgoud om op de Boeddhabeelden te kleven. Hoe sterk is een religie om mensen ervan te overtuigen dat ze minstens één keer in hun leven, zich rond een steen in trance te moeten cirkelen. Hoe diep geworteld moeten die sprookjes zijn, om ondanks al je religieuze pogingen en gebeden , nooit enig resultaat te zien en gewoon te blijven geloven? Denkt U niet, dat als ik nu, de dag van vandaag, met een verhaal op de proppen zou komen, dat ik zonder seks zwanger geraakte, dat ik na de bevalling nog steeds maagd gebleven was, dat mijn zoon over water kan lopen, dat hij brood vermenigvuldigt, water in wijn kan veranderen en de zieken en kreupelen kan genezen door handoplegging en een gebed, dat men mij dan onverwijld zou afvoeren naar één of andere psychiatrische kliniek? Of dat mijn zoon een podiumplaats zou krijgen tussen alle andere Nobelprijswinnaars?   Zo las ik in de krant, dat drie Marokkaanse jongens in Marrakech op het Djemaa el Fna plein aangehouden werden omdat ze tijdens de ramadan, met temperaturen boven de 40 graden in de schaduw, elk een glas vers geperst sinaasappelsap gedronken hadden. De tien kraampjes met het geperste sap staan er tijdens de ramadan klaarblijkelijk alleen maar voor de verkoop aan de ongelovige toeristen. In plaats van de Islamietjes te wijzen op het verbod,( zoiets zoals bij ons; onder de 18 jaar schenken wij geen alcohol)  had de sinaasappelsapverkoper eerst aan de ramadammers drie glazen sap verkocht, ze die laten uitdrinken en vervolgens de politie opgebeld.  Leuke laffe achterbakse daad. De drie moslims riskeren nu een gevangenisstraf van 3 maanden! Vroeger had men bij de Rooms katholieken ook een vastenmaand. Op vrijdag mocht er geen vlees, alleen vis gegeten worden. Ongedoopte baby’s die stierven gingen zonder pardon naar het voorgeborchte en geraakten nooit bij onze “Lieve” Heer die hen vroegtijdig tot zich geroepen had. De pastoor predikte, nacht en ontij van op de kansel als er gezondigd werd. Jaren heeft men de mensen met al deze onzin onderdrukt. Is de kerk of de mensheid dan geëvolueerd? En cours de route werden ineens een aantal christelijke zekerheden afgeschaft. Vasten was ineens niet meer nodig en we mogen nu alle dagen vlees of vis eten. Plots is dit geen zonde meer?? Voor elke gedoopte baby kreeg en krijgt nu nog, de katholieke kerk subsidie. Het was en is in hun eigen belang dat de kindjes allemaal, zo vlug mogelijk een drens doopwater over zich kregen en de namen in de gelovige analen werden opgeschreven, alvorens ze ongesubsidieerd  het tijdelijke voor het eeuwige verwisselden. Dus om de ouders wat aan te sporen om zo snel mogelijk te dopen,creëerde men het babyvoorgeborchte.  Vermits er minder kindersterfte was en de moderne mens problemen had met het idee dat die kleine schatten eeuwig voor de hemelpoort zouden moeten rondzwalpen, heeft men onder druk, het voorgeborchte maar ineens afgeschaft. Hoe kan dat dan? Als je ziet hoe hypocriet dat katholicisme was en is. Als je rijk was, kon je de zonden afkopen met aflaten. Hopen kaarsen worden gebrand, heel der bergen en markten worden op de knieën op- over- en afgekropen om er zeker van te zijn dat die ene heel grote zonde toch maar vergeven wordt, alvorens je jezelf aan de hemelpoort aanbiedt. Nu mag je overspel plegen, fraude plegen, liegen, corrupt zijn, moorden, de ene zonde op de andere opstapelen en vloeken à volonté, als je maar regelmatig gaat biechten. Tien minuten in de biechtstoel bij mijnheer pastoor, en na het stamelen van drie ‘weesgegroetjes’ en vijf ‘onze vaders, die in de hemelen zijt’, is je religieus curriculum vitae weer stralend Dash wit! Je volledige zondige gedrag wordt door God vergeven en je kan er weer opnieuw tegenaan. Geloven die religiepredikers, nadat ze alle miserie in de wereld zien, nog zelf in hun verhaaltjes, of blijven ze dit gewoon stug volhouden alleen voor de macht? Kunnen zo’n katholieke pausen, die al deze veranderingen en tegemoetkomingen, in het geloof doorgevoerd hebben, dan niet eens gaan onderhandelen met andere godsdienstpredikers? De Roomse Paus heeft echter andere prioriteiten. Op de televisie zag ik dat hij in Zuid Amerika als een rockster binnengehaald werd. Mensen sparen daar het eten uit hun mond om toch maar genoeg centen bij elkaar te krijgen om de tocht naar het geloofsfestival te kunnen maken. Dagen kamperen zij in kleine gammele tentjes en slapen in of zonder een slaapzak onder de blote hemel om vooral niets van die religieuze poppenkast te moeten missen. Zij luisteren ademloos naar die, met goudbrokaat opgedirkte jurkenman, die toevallig in het rijkste staatje van de wereld resideert. Hij oreert, dat alhoewel zij arm zijn, zij troost moeten blijven vinden in hun geloof, dat ze vooral moeten blijven bidden tot de Heer. Hij spelt hun het sprookje van de zoon Jezus op de mouw, die naar de aarde gestuurd werd om al de menselijke zonden af te kopen. Dat de zoon ook arm was, maar toch met een simpele truc de hongerige van brood voorzag en de dorstige wijn aanbood. Als de gelovigen zich dan, later op de avond als schapen vol geloofsadrenaline maar met lege geldbeugels en knorrende magen, biddend terug naar de sloppenwijk begeven, hopen zij alleen maar dat de goudgetooide herder gelijk heeft en dat God zijn zoon ook eens bij hen zal laten langskomen. Maar ik begrijp het niet helemaal!  Krijgt God soms katarakt en ziet hij sommige delen van de wereld niet meer duidelijk? Merkt hij niet dat in India en Bangladesh, mensen onder kartonnen dozen wonen en onder plastiek zakken sterven? Of moet Ganesha en Shiva daar maar hun plan mee trekken?  Wordt God doof en moet hij misschien langs Audionova om zich een hoorapparaat aan te schaffen. Hoort hij al die biddende en van honger creperende Afrikanen niet? Is dit werelddeel voor hem één zwart gat? Waarom stuurt hij zijn zoon niet eens die richting uit om wat brood te vermenigvuldigen en wat vervuild rioolwater tot een Saint Petrus of een Chateauneuf du Paapje om te toveren? Misschien dat een vrouw het beter zou aangepakt hebben, dan zo’n halfgare predikkende hippie, die zich constant door zo’n twaalfkoppige nichtgenbrigade liet omringen. Zo’n gigantische problemen los je niet op met een vrouw als Maria in een grot aan een verhongerde, menstruerende puber te laten verschijnen. Misschien heeft God nog ergens een dochter rondzweven, die eventjes orde op zaken kan komen stellen. Een vrouw die de broek draagt, een vrouw met ballen, die van wanten weet.  Die onmiddellijk de regen op aarde eerlijk verdeelt, die de rijst- en de graanoogsten laat lukken, die het water drinkbaar maakt en het eventueel wijzigt in melk. Een dochter, die en passant de kindersterfte, het kastenverschil en de vrouwenbesnijdenis uitroeit. Dat zou maar eerst het juiste gebaar van God zijn! Wat ik ook niet helemaal kan bevatten, is waarom de Goden, hier op aarde, zich allemaal door zo’n carnavaleske randdebielen moeten laten vertegenwoordigen. Kunnen zij zich, in het digitale tijdperk niet via Facebook manifesteren of ons allemaal gewoon hun rechtstreeks telefoonnummer doormailen. Poepsimpel, je toetst 7 (van de zevende hemel) en vervolgens 001. Tuut, tuut..   U spreekt met de voice mail van de goddelijke familie.  Indien U Joods bent en het is toevallig sabbat, dan bent U nu al in de fout door op deze knoppen te drukken Indien U meer informatie wenst over godsdiensten - druk 1 Om op de hoogte te blijven over eventuele Maria verschijningen – druk 2 Wenst U informatie over creationisme of evolutieleer – druk 3 Had U een vraag over besnijdenissen, vrouwenverminking, files en spoorstakingen - druk 4 Wilt U een mirakel meemaken- druk 5 Wenst U informatie over de vastenperiode, de ramadan en laffe sinaasappelsapverkopers – druk 6 Wilt U aan eender welke kerk, moskee, tempel of synagoge een donatie doen, of Uw zonden financieel afkopen, houdt Uw bankkaart klaar - druk 7 Wilt U weten hoe en in welke hemel U opgevangen wordt na Uw zelfdoding, Uw zelfmoordterroristische aanslag of als martelaar- druk 8 Wenst U informatie over condoomgebruik, abortus of euthanasie, gelieve U tot een andere dienst te wenden. Hebt U last van klokkengelui, Allah geroep, bedelmonniken, wierookstank, het krijsen van schapen voor het offerfeest, getuigen van Jehova en Scientology-bekeerlingen - druk 87 Had U graag een digitaal kaarsje gebrand in een kerk naar keuze, houdt Uw creditkaart bij de hand en - druk 88 Wordt U graag geïnformeerd over door de Goden geplande rampen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, tsunami’s of aardbevingen – druk 89 Indien U meer dan 80 jaar oud bent en in het bezit van een slapjanus en U wilt weten wat U nu nog met die 70 maagden in de hemel kan aanvangen – druk 90 Als U informatie wenst over doop, communie, Bar Mitswa, Jom Kippoer, Pasen, Ons Heer Hemelvaart,  Loy Krathong, Kerstmis, het Suikerfeest of allerlei heilige feestdagen- druk 91 Wenst U klacht neer te leggen over homofiele en pedofiele geloofsvertegenwoordigers – druk 92 Hebt U last van flatulentie tijdens de gebedsdienst en wenst U dat een andere houding bespreekbaar wordt – druk 93 Wilt U meer informatie over de voortgang van Uw wensbriefjes, die U in de Klaagmuur stopte – druk 94 Denkt U dat U per toeval één van Uw voorouders, die als insect op de wereld teruggekeerd was, hebt ingeslikt of doodgemept – druk 95 Wenst U op de hoogte gehouden worden van de nieuwe modekleuren voor kazuifels, nonnenoutfits, pastoorskostuums, priesterboorden, bisschopkleden, djellaba’s, burka’s, hoofddoeken, tulbanden, pruiken en keppels - druk 96 Hebt U opmerkingen over de onverstaanbare teksten in de Bijbel, de Koran of de Thora en wenst U ons hiervan op de hoogte stellen – druk 97 Wilt U informatie over bevruchting door de Heilige Geest, seks voor het huwelijk of na het huwelijk, verkrachting of pedofilie – druk 98 Hebt U vragen over de hemel, de hel, het vagevuur, genocide, terreurindoctrinatie, of geloofsfanatisme – druk 99 Indien voor U geen enkele vraag in onze bovenstaande lijst van toepassing is en U één van de Goden persoonlijk wilt spreken – druk 100     Tok, tok tok…1OO  klik   Al onze lijnen zijn bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Muziekje ; Halelulia, halelulia halelulia haleluuuu uuu lia…Al onze lijnen zijn bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Muziekje; wie heb ik aan de lijn, halo, halo… Al onze lijnen zijn nog steeds bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Arabische muziek weerklinkt. Er zijn nog 75 miljoen wachtende voor U en de wachttijd kan oplopen tot 9 jaar, 5 maanden, drie weken, twee dagen en 7 uren.. Indische sitarmuziek jengelt door de hoorn.  Probeert U het later nog eens. Al onze lijnen zijn bezet… Wij danken U alvast voor het vertrouwen dat U, ondanks alles, in het geloof blijft hebben…piep, piep, piep bezettoon….

Sim
3 0

DE REUZEKENS VAN BORGERHOUT

Ik weet zeker dat jullie dit al eens allemaal meegemaakt hebben. Je staat in je potten te roeren of je wast de auto en je neuriet mee met de radio en dan is er plots dat liedje, dat niet meer uit je hoofd weg te branden is. Eerst heb je het nog niet volledig door maar als je ’s avonds naar bed gaat, dreunt het nog steeds door je hersenpan. Zo liep ik vorige week, ganse dagen van; “Wie heb ik aan de lijn, halo, halo”, te zingen. Niet dat ik zo’n fan van K3 ben, maar het pinnetje van de platendraaier in mijn bovenkamer bleef constant op de Télé Romeo hangen. Gek werd ik van dat gekweel in mijn hoofd! Net toen ik dacht dat ik overnacht het deuntje kwijtgeraakt was, hoorde ik het ’s morgens opnieuw op de radio en wat dachten jullie…De oorworm had zich in mijn hersenen gedraaid. Het K3 trio fietste met me mee naar de markt en zelfs winkelen ging op het tempo van een geneuriede of luidop zingende: “ Halo, halo!” Soms keken de mensen mij een beetje vragend aan, met zo’n blik van: “Wie is die vrouw die mij goedendag zegt, ik ken haar helemaal niet!” Een enkeling zei wat aarzelend een halo terug, een beetje beschaamd, dat hij mijn naam vergeten was en mijn gezicht bij hem totaal geen herkenning opriep. Als ik het wandeltempo op polonaise niveau bracht, keek manlief me soms een beetje geërgerd aan.  Ik deed nog juist niet de ingestudeerde showdanspasjes na. Tik, tik met de wandelstokken op “Halo, halo, mijn télé Romeo…” Ach, ik zat zelf een beetje verveeld met mijn repertoire. Ik probeerde allerlei andere liedjes te fluiten of hardop te zingen in de hoop de meidengroep voor eens en voor altijd uit te drijven. Zelfs “The show must go on” en de “Power of Love” twee van mijn lievelingsnummers, die normaal toch echt als een paardenmiddel zouden moeten werken, kregen het kindergezang van de Rosse, Blonde en de Zwarte niet uit mijn kop. K3 bleef maar in mijn schedel ronddreunen. Zodra ik ’s morgens de ogen opende, waren ze daar en lieten mij op een uptempo van: “Wie heb ik aan de lijn…” de traptreden naar beneden huppelen. Ze waren onuitroeibaar. Het was natuurlijk een ongelijke strijd, drie tegen één. …” Ze overleefden nu al bijna een ganse week in mijn schedeldak. Ik had een onvernietigbare muzikale kronkel in mijn hersens gekweekt. En dan, op het moment dat je denkt dat je kierewiet wordt en overweegt om hulp te zoeken of toe te treden tot de zelfhulpgroep “Hoe krijg ik dat lied eruit” verdwijnt het deuntje in je persoonlijke dampkring.  De vrijgekomen stilte in mijn hoofd was oorverdovend en plots waren daar weer alle geluiden van de dag. Wat mij het meeste opviel was opnieuw het zoemen van manlief. Als een vrolijke dikke hommel loopt hij zoemend naast mij. Toen ik dit fenomeen enkele jaren geleden voor het eerst waarnam, wist ik niet goed wat ik hoorde. Het begon op momenten van stress en onzekerheid. Als het klusje boven zijn pet groeide, zoemde hij een oplossing bij elkaar. Maar nu zoemt manlief op alle mogelijke onverwachte momenten vrolijk door het leven..Toen wij elkaar pas kenden zong hij nog uit volle borst, minstens één keer in de week zijn echte lijflied. Op de fanfaretonen van ‘Stars and Stripes forever’ zong hij: “Wij gaan naar het land van Hawaai. Naar het land van de wiegende wijven. Daar lopen ze bloot in de wei. En van a 1 en van a 2, ze kunnen me krijgen!” Met het ouder worden, verdwenen de zwoele buikdanseressen met de strooien rokjes uit zijn hoofd en kwamen er vier dikke reuzen voor in de plaats; De Reuzekes van Borgerhout. Op stressmomenten steekt de reus zijn kop boven water. Nu zingt manlief niet, hij neuriet niet, hij fluit niet, mijn echtgenoot zoemt het liedje. Ik weet het, jullie worden best jaloers want een knoopjesafdraaiende en gonzende partner, dat heeft niet iedereen. Ik wilde dus wel eens weten waar dit zoemverschijnsel plots vandaan kwam. Volgens manlief zat het al jaren in de familiestamboom rond te gonzen en had zijn grootvader dit zoemgedrag ook. Dus zonder meer met de genen meegekregen. Het spijtige van de zaak is dat manlief zijn zoemrepertoire nu al jaren uit één enkel liedje bestaat: “De reuzekes van Borgerhout”. Al wie daar zegt, de reus die komt, de reus die komt, ze liegen daarom, kere weer om, reuzeke, reuzeke, kereweerom reuzegom…”Maar dan  woordeloos,  alleen een neuzelig gezoem. Al meer dan 300 jaar, telkens in september worden de Reuzen van Borgerhout weer van stal gehaald en stappen en draaien ze in een optocht door de straten. Mijn grootouders, langs vaders kant woonden hun hele leven in Borgerhout. Dus kan ik mij nog levendig voorstellen hoe ik als klein kind met ma, pa, bompa en bomma naar deze optocht ging kijken. Borgerhout had een hele brede winkelstraat die vanuit de volkse levendige gemeente helemaal tot in het centrum van Antwerpen doorliep. Borgerhout had een eigen bioscoopzaal, een heel bekend ijssalon en er waren diverse stijlvolle tapijt- meubel- schoenen- en kledingwinkels. In de jaren zeventig verdwenen al deze chique handelszaken één voor één. Ze werden vervangen door pita/shoarma- restaurantjes, thee/drugshuizen, waterpijpcafés en multiculturele kasbahwinkeltjes. Ik zou niet weten waarom, maar Borgerhout werd vanaf toen in de Antwerpse volksmond Borgerocco genoemd. Ik heb me zelfs laten wijsmaken dat in één van de laatste optochten grote Fatima reuze poppen mee opstapten. Maar dit terzijde. Van zo lang wij samen zijn, gingen manlief en ik nog nooit samen naar deze Reuzenstoet kijken en behoort dit optochtmelodietje niet tot de klassiekers in onze CD verzameling . Ik vermoed dus dat dit Reuzenliedje nog een overblijfsel van een onverwerkt jeugdtrauma moet zijn dat ergens in de krochten van zijn brein gestockeerd bleef. Enfin, ik kan mij levendig voorstellen hoe tegemoet komende wandelaars, ons vorige week over straat zagen lopen: Zoem zoem, kere weer om reuzeke, reuzeke, halo, halo mijn télé Romeo, reuzeke, reuzeke…zoem zoem.. We waren met onze kleinzoon een weekje aan zee toen die plots aan manlief vroeg: “Bompa waarom doe je dat?” “Wat Matteo?” “Awel bompa, zo zoemen!” Manlief  lachte en keek mij eerst bestraffend aan omdat hij dacht dat ik kleinzoontje een hint gegeven had. Niet dus.”Heu, dat is zingen hé.” De kleine opdonder keek echter met een vragend engelengezichtje naar bompa op:  “Bompa, dat is toch niet zingen hé, het is net of Maya de Bij rond mijn hoofd zoemt! En bompa waarom brom jij steeds hetzelfde liedje? Altijd datzelfde melodietje is keivervelend hoor!” Ja, de waarheid komt uit een kindermond! Sindsdien probeert manlief van zijn reuzenlied af te kicken en komt er soms wel al eens een ander melodietje uitgezoemd maar van enige grote vooruitgang in het zoemrepertoire is tot op heden alsnog geen sprake. Vanmorgen zette ik de radio luid terwijl ik met stofvod en swiffer rondliep. Ramsey Shaffy zong vanuit het hiernamaals: “Laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan..” En ik kweelde mee! Ik zong het de ganse dag. Bij het uitruimen van de afwasmachine, bij het tafeldekken, onder de douche en op weg naar bed. Misschien geeft Ramsey het al na één dag op maar ik vrees ervoor. Dus als straks de vrienden komen barbecueën, moeten ze niet schrikken als ik, bij het ronddelen van de sla, het vlees en het dessert luidop zing van “Laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan.. laa aat me, laaaat me, ik heb het altijd zo gedaan!”  Dat betekent dan niet dat ik alle hulp weiger hoor, maar gewoon dat Ramsey, K3 eruit gewipt heeft en hij zich nu in mijn bovenkamer gesetteld heeft.   Sim,   laat me, laat me….

Sim
468 0

Een knikje en een glimlach.

Een knikje en een glimlach. Dat kreeg ik van haar op een ochtend enkele maanden geleden toen we elkaar kruisten op de weg naar school. Ze duwde een kinderwagen voort met erin een kind van enkele maanden oud. Ik pijnigde mijn hersens maar kon haar niet plaatsen in mijn brede kennissenkring. Moest ik deze jongedame kennen ? Ik zette mijn twee spruiten van negen en zes jaar af aan de schoolpoort en wandelde in gedachten verzonken terug huiswaarts. Weer kruisten we elkaar maar ditmaal was haar kinderwagen leeg. Een knikje en een glimlach en ik beantwoordde haar gebaar. En zo gaat het elke keer als ik haar tegenkom.  Als ik na de grote schoolvakantie van de schoolpoort terug naar huis wandel fietst ze me voorbij met het kleine kind achterop in een kinderstoeltje. Ze stopt bij het huis van de onthaalmoeder en zet het kindje op de stoep. Het verwondert me dat op twee maanden tijd het ukje rechtop kan zitten en aan de hand van de moeder zelfs kan stappen maar zo gaat dat met jong leven. En weer is daar die vriendelijke knik met glimlach. Ik ben ondertussen tot de conclusie gekomen dat ik haar van haar noch pluim ken en vraag me af waarom ze steeds vriendelijk is tegen me. Voor mijn uiterlijk zal het zeker niet zijn, ik was in mijn jonge jaren al geen adonis en de tijd heeft niet voor verbetering gezorgd, integendeel. Trouwens met mijn één en vijftig jaar ben ik oud genoeg om haar vader te kunnen zijn. Misschien is het dat wel, valt ze op oudere mannen, op zoek naar een vaderfiguur die ze zelf nooit heeft gehad. Deze  gedachte geeft me een oncomfortabel gevoel en telkens ik haar tegenkom ben ik alerter dan anders , speurend naar iets dat mijn vermoeden bevestigd. Maar met de beste wil van de wereld kan ik nooit iets bemerken dat in die richting wijst. Elke keer weer dat knikje en die glimlach, meer niet. Op een helder moment schiet er plots iets in mijn hoofd, iets dat het schaamrood tot achter mijn oren doet lopen. Hoe heb ik zulke lelijke dingen kunnen denken over haar! Ze is gewoon zo, welopgevoed, vriendelijk en positief van nature. Niet zoals vele van haar leeftijdgenoten die zich meer zorgen maken over wat er op hun smartphone gebeurd dan wie die mens is die ze juist zijn gepasseerd. Of die zich liever afvragen of hun handtas wel bij hun schoenen past dan iemand vriendelijk te begroeten. Maar zij niet, zij loopt rechtop en in het rond kijkend is ze vriendelijk tegen iedereen op straat. Mijn besluit staat vast, volgende keer ik ze tegenkom beperk ik me niet tot een lichte beweging van mijn hoofd en een grimas rond mijn lippen maar zeg ik goeie morgen, of beter nog, een goeie dag. Want dat wens ik haar, een goeie dag, met een knikje en een glimlach.

Hans Roofthooft
47 0

Oesters op het menu van de huisvrouw?

Napoleon, Marie-Antoinette, Shakespeare en Charles Dickens zijn maar enkele van de vele beroemdheden met een voorliefde voor oesters, de truffels van de zee. Oesters eten is zoals de zee inslikken. En dat is ook zo. De smaak van de oester hangt samen met het water waarin hij groeit. Hoe hoger het zoutgehalte van het water, des te hartiger de smaak. Ook het plaatselijke plankton en opgeloste mineralen beïnvloeden deze. Tenslotte bepaalt ook de oestersoort een deel van de smaak. Zo hebben de platte Europese oesters (Ostrea edulis) een milde en licht metalige smaak. Japanse holle oesters (Crassostrea gigas) proeven zacht naar meloen en komkommer, en de Amerikaanse holle oesters (Crassostrea virginica) naar groene blaadjes. Er zijn vandaag wel meer dan 25 variëteiten die culinair interessant zijn.[i] Oesters kennen een lange traditie in de keuken, maar lagen ze ook in het bereik van de gewone huisvrouw? Vis was lange tijd heel beperkt aanwezig in de maaltijd. Dit veranderde onder invloed van religie. De katholieken aten eeuwenlang op vrijdagen en in de vasten op vrijdag én woensdag geen vlees. Vis en eieren vervingen deze op het menu. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mede dankzij deze traditie vis een vaste waarde kreeg in de maaltijd. Maar gold dit ook voor de oesters?   Koken voor alledag Reeds in de 17de eeuw, en daarvoor, werden oesters in onze contreien gesmaakt. Tijdens het twaalfjarig bestand keerde in de Zuidelijke Nederlanden de rust terug en was er weer tijd om handel te drijven én uitgebreid te tafelen voor de rijkere klasse. In 1612 verscheen te Leuven het eerste Nederlandstalige kookboek in druk. Dit was het Koocboec oft familieren keukenboec van Antonius Magirus, een man die kon stoelen op 24 jaar kookervaring. Magirus betekent kok in het Grieks en was wellicht een pseudoniem van iemand uit het universitaire milieu. Hij richtte zijn kookboek tot een conservatief publiek: vooral dames van lagere adel en de gegoede burgerij. Met zijn recepten wilde hij hen op een zuinige manier lekkere gerechten laten bereiden voor hun gasten, maar in de eerste plaats voor hun echtgenoot. Zijn inspiratie haalde hij uit Opera van Bartolomeo Scappi (1570), de persoonlijke kok van paus Pius V, en beschouwd als het belangrijkste kookboek uit de Italiaanse renaissance. Deze Italiaanse invloed keerde duidelijk terug in zijn recepten. Magirus begon zijn kookboek met wat er in huis voorradig moest zijn. Hij raadde hierbij aan om vooruitziend te zijn en ook voedingsmiddelen in voorraad te hebben voor wanneer een onverwachte gast zou langskomen die men alle eer wou aandoen. Wat er dan volgens hem zeker niet mocht ontbreken waren onder meer: gerookte Westfaalse beenham, worsten en pensen, gezouten of gedroogde zalm, maar ook op diverse manieren ingelegde oesters. In een apart hoofdstukje haalde hij aan hoe men oesters moest koken. Alvorens dit toe te lichten, gaf hij het recept van zijn voorkeur: De oesters woren in veelderhande manieren toegherecht: vele ende ick onder andere, etese liever rouw opengedaen, ende schoongemaeckt, gelijc dat behoort, met sout, peper, ende sap van limoenen, oft in plaetse, oragnen. Zoals oesters waren ook citrusvruchten in die tijd een gegeerd product. Beiden stonden symbool voor hartstocht en lust. In deze eeuw ontwikkelde men trouwens in heel Europa een passie voor de kweek van citrusbomen. Ze verschenen op vele grote domeinen samen met de eerste volwaardige oranjeries. Het gebruik van citrusvruchten in gerechten duidde dan ook op welstand. Naast gekookte oesters, gaf Magirius ook de bereiding van in hun schelpen gestoofde oesters met wat wijn, boter, peper en zout, en erna wat sinaasappelsap erover heen. Hij haalde verder aan dat nog vele andere bereidingen wijd verspreid waren in ons land en daarom niet de moeite waard om nogmaals op te nemen. Hij benadrukte dat hij hier enkel de aller gezondste recepten beschreef, omdat oude mensen hier meer rekening mee moesten houden. Hij eindigde met het volgende: Naerdatse schoongemaeckt syn, wenteltse in bloeme, ende fruytse dan in de panne in olie, is seer goet. Helemaal op het einde haalde hij oesters nogmaals aan als één van de voedingsmiddelen die de man apprecieerde en dus zeker op tafel dienden te komen.[ii] De Franse keuken was toonaangevend voor Europa. Eén van de belangrijkste en bekendste koks in Frankrijk was François Pierre La Varenne (1615–1678). In zijn kookboek Le Cuisinier François, uitgegeven in 1651, beschreef hij een tiental recepten met oesters. Naast geroosterde oesters, verwerkte hij ook oesters in beignets, ragout, bouillons en soep. In zijn kookboek lichtte hij toe hoe je oesters kon bewaren. De oesters werden uit de schelp gehaald, geblancheerd en op smaak gebracht door middel van zout, peper gemalen, kruidnagel en enkele laurierbladen. In een gesloten vat bleven ze enige tijd goed bewaard. Wanneer men zin had in een oester, volstond het om het zout er af te spoelen met lauw water en meteen te nuttigen of indien gewenst eerst op één van de diverse wijzen te bereiden .   Karre-oesters Aangezien er geen wilde oesterbanken aan de Vlaamse kust voorkwamen, dienden ze te worden ingevoerd. Grote ladingen Franse, Engelse en Zeeuwse oesters vonden gemakkelijk hun weg naar onze keuken. Zo waren circa 1640-1650 in Parijs wel duizenden oesterhandelaars actief. De Fransen vervoerden hele ladingen oesters, in hun schelpen, in vaten gevuld met zout en zeewater met karren over land. Ze hadden de reputatie om verser te zijn dan die oesters die met de boot werden getransporteerd. Om het transport te vergemakkelijken voerden ze ze ook zonder schaal in gevlochten manden aan. Deze laatsten beschouwden ze evenwel als minder smaakvol en dienden vooral om te stoven. [iii] Ze waren ook veel goedkoper. Zo betaalde men in de 18de eeuw slechts 10 tot 20 stuivers voor honderd oesters, terwijl hetzelfde aantal met schelp circa 3 pond waard waren. Door het weinige vlees per schelp, werden oesters in grote aantallen verorberd. De Franse schrijver Saint Evermond (1610-1703) at op zijn gezegende leeftijd van 88 jaar elke ochtend oesters. Ze zouden de eetlust opwekken en waren daarom aan te raden bij de oudere bevolking.[iv] De steden Brussel en Antwerpen, belangrijke doorgangs- en handelsplaatsen, bestonden uit een mengelmoes van autochtonen, inwijkelingen en buitenlanders. De hoge concentratie aan vermogende families vormde een ideale afzetmarkt. Er was een voortdurende toevoer van voedingsmiddelen uit de omliggende dorpen, maar ook van veel verder. Gegeerde producten vonden hier snel hun weg naar de consument. De oesters vormden geen uitzondering. Via het waternetwerk kwamen ook ladingen verse zeevis in verschillende steden toe waar ze meteen werden verkocht op de vlakbij gelegen vismarkt. Voor het binnenland waren vis en oesters luxeproducten omwille van het moeilijke transport en het bewaarprobleem. Toen bestonden er namelijk nog geen koelinstallaties om vis langer te bewaren. Op het platteland werden door diegenen die het zich konden veroorloven de goedkopere gezouten, gedroogde en gerookte vis gegeten op de vleesloze vrijdagen en vaste dagen.[v] Vlees ontbrak trouwens vaak op het menu. Door een te lange transportduur kwam de versheid van oesters meermaals in het gedrang. Een Franse ordonnantie van 1779 stipuleerde daarom dat het transport niet langer dan vijf dagen mocht duren.[vi] De Nederlandse oesters deden er gemiddeld zes dagen over om tot bij ons te geraken. Beide landen en ook Groot-Brittannië hadden schijnbaar onuitputtelijke wilde oesterbanken. Door hun grote aantallen bleef de prijs laag en waren oesters ook bij ons betaalbaar.[vii] De oesters werden vaak verwerkt in pasteien en gebruikt voor vleesvullingen.[viii] De oesters bleven een aanvulling op het menu. Hoe rijker, hoe ingewikkelder de bereidingen en hoe hoger de aantallen die verorberd werden. De minst bedeelden konden zich nauwelijks vis of vlees veroorloven. Hun menu was eentonig waarbij aardappelen het hoofdbestanddeel uitmaakten. Aan de kust verzamelden de armen mosselen bij laagtij als aanvulling op het menu.   De glorie van de Ostendaise De Zuidelijke Nederlanden voerden enorm veel oesters in. Tussen 1763 en 1765 ging het over jaarlijks wel meer dan 7 miljoen! De handelaars zagen dan ook het enorme winstpotentieel van een inlandse oesterkweek. Het duurde niet lang alvorens in Oostende in 1765 het eerste bedrijfje van start ging. In 1767 volgde onder Oostenrijks bewind een invoerverbod op buitenlandse consumptieklare oesters waardoor de Ostendaise oester vrij spel had. Dankzij de goede uitbouw van het transportnetwerk te water en te land, bereikten de oesters al binnen de drie dagen de belangrijkste afzetmarkten in Brussel, Leuven, Antwerpen en Mechelen. Verser hadden de stedelingen ze nog niet gegeten. De Oostendse oester was vlezig, blank en sappig. Ze vielen in de smaak en kregen al snel faam in binnen- en buitenland. De industriële revolutie bracht heel wat teweeg. De eerste en rechtstreekse spoorlijn met Oostende in 1840 garandeerde een constante en snelle aanvoer van verse zeevis en dus ook van de Oostendse oesters naar Brussel. Het stadsbestuur van Brugge keek lijdzaam toe hoe “de beste visch word verzonden per ijzerweg ten allen kante, waer de zelve meer weerde heeft dan te Brugge”.[ix] De sterke uitbouw van het sporennet zorgde al snel voor dat verse vis in alle steden van België te verkrijgen was. Dankzij de directe spoorverbinding in 1847 was Brussel daarenboven ook snel bereikbaar vanuit Parijs.[x] Het aantal oesters per maaltijd was gigantisch. Zo at de Franse koning Lodewijk XVIII, die naar Gent was gevlucht in 1814, wel 100 oesters ter afsluiting van zijn maaltijd. Rauwe oesters at men niet zonder gevaar. Indien de versheid te wensen liet, kon men enorm ziek van worden. De geneesheer Blankaart raadde in zijn publicatie De borgelijke tafel, om lang gesond sonder ziekten te leven (1866) aan om de oester slechts in matige hoeveelheden te eten en gaf de voorkeur voor gebraden oesters in plaats van rauw. Ook de lijfarts van Lodewijk XIV schreef ongeveer een eeuw eerder dat deze schelpdieren niet rauw mochten worden gegeten, maar wel gekookt, geroosterd of gebakken.[xi] Niet alleen in Oostende, maar ook in Oostduinkerk en Blankenberge verschenen tijdens de tweede helft van de 19de eeuw steeds meer oesterfirma’s. De gekweekte oesters werden allen verhandeld onder de naam Ostendaise. Ze transporteerden jaarlijks miljoenen oesters naar binnen- en buitenland. In 1822 betaalde men voor 600 oesters dezelfde prijs als die van één gevulde kalkoen.[xii] Hierbij dienen we wel een kanttekening te maken dat in die periode gevogelte prijzig was en niet of nauwelijks op tafel kwam bij de gewone bevolking. In Oostende opende het hotel-restaurant Pavillon du Rhin in 1857 haar deuren. Uniek was de beleving die centraal stond. De klanten konden tijdens het eten vanop het terras de werkzaamheden in de oester- en kreeftenput volgen.[xiii] Omdat vis en schaaldieren maar een zeer beperkte bewaartijd hadden, zorgde de uitvinding van industrieel vervaardigd ijs een doorbraak in de visserij en bij de oesterkwekers. Vanaf 1874 gebruikten de eerste vissersboten ijs om hun vers gevangen vis te bewaren en in 1884 verscheen de eerste ijsfabriek te Oostende om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Een nog ruimere verspreiding was het gevolg . Verse vis bleef evenwel voor velen een luxe die ze zich niet konden veroorloven.[xiv] Door de toegenomen populariteit geraakten de Europese oesterbanken in de tweede helft van de 19de eeuw uitgeput. In Zeeland werden bijvoorbeeld in 1861 nog drie miljoen oesters verwerkt. Drie jaar later kwamen nog slechts 50000 dieren op de markt.[xv] Dit spiegelde zich in de markt door stijgende prijzen. De Oostendse oester had deze problemen niet en was wel nog voorradig. Philippe Cauderlier, voordien traiteur en kok te Gent, schreef negen kookboeken tussen 1861 en 1882. Zijn kookboeken waren toonaangevend en beïnvloedden zeker tot begin jaren 1930 de keuken van de burgerij. Cauderlier stond synoniem voor eenvoud en spaarzaamheid. Hij gaf in zijn eerste kookboek verschillende streekgebonden gerechten weer. In zijn werken mochten uiteraard ook de oesters niet ontbreken. Hij combineerde ze met tarbot en tongfilet, beide dure vissen, of verwerkte ze in schelpen als gerecht. Zijn oestersaus bevatte 30 oesters. De zeer grote oesters die afkomstig waren van de warme zeeën raadde hij aan om te bakken indien ze rauw niet appetijtelijk waren. In zijn kookboek Les 52 menus du gourmet (1877) gaf hij onder meer een recept van Brussels kieken, met oester. Het luxueuze gerecht bevatte naast een mesthoen ook 12 hanenkammen, 24 nieren en drie dozijn oesters die pas op het laatst werden toegevoegd alvorens het geheel op te dienen.[xvi] De Franse literair Alexandre Dumas, beroemd voor zijn alom gekende roman De drie musketiers (1844), schreef op het einde van zijn leven het kookboek Grand Dictionnaire de Cuisine, postuum gepubliceerd in 1873. Zijn encyclopedie vatte hij op als een verhalend kookboek. Ook aan de oester besteedde hij grote aandacht. Naast een geschiedkundige schets gaf hij acht verschillende bereidingen zoals gevulde oesters en oesters met Parmezaanse kaas. De gemakkelijkste manier was volgens hem om de oester rauw, besprenkeld met enkele druppels citroen, te eten of ze eerst in een saus van azijn, peper en sjalotten te dompelen alvorens in te slikken.[xvii] Alexandre Dumas vertoefde vaak in Brussel en spendeerde hier heel wat geld aan drinken, eten en feesten. De Brusselse restaurants richtten zich naar de Franse keuken, die de norm bepaalde van een uitstekende keuken.[xviii] Tijdens één van zijn restaurantbezoeken bestelde hij onder meer 24 dozijn Oostendse oesters met een fles Johannisberg voor twee personen. Hij betaalde voor de oesters 30 franken en 24 voor de fles wijn. Ter vergelijking, tijdens diezelfde maaltijd betaalde hij voor biefstuk met aardappelen 2 franken, voor asperges 15 en voor de fazant met truffels 40 Franse francs.[xix] De geserveerde oesters in de Brusselse restaurants kwamen steeds vaker uit Oostende. Het Belgische hof speelde een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling van de Belgische keuken. Zo opende het diner van 27 november 1888 met soep, potage julienne- creme d'orge à la royale, gevolgd door oesters. In het menu werd niet gespecifieerd waar ze vandaan kwamen. Vervolgens kwam nog een heel scala aan gerechten aan bod. Bij de geserveerde eetwaren ging het steeds om eetwaren die met rijkdom werden geassocieerd. Zo ook de oester.[xx] Mosselen, de oesters van de armen Circa 1900 betaalde men voor 50 stuks ruim drie frank, wat overeenkwam met het dagloon van een arbeider. Mosselen daarentegen waren wel typisch volksvoedsel en de mensen nuttigden ze zelfs rauw op straat bij mosselkramen.[xxi] De Oostendse oester maakte een moeilijke periode door omwille van een onterechte beschuldiging als veroorzaker van buiktyfus in 1906. De oesterconsumptie daalde mede hierdoor drastisch, maar herleefde tot voor de Eerste Wereldoorlog om vervolgens teloor te gaan.[xxii] De oorlog maakte de oestervangst, net als andere zeevisserij, quasi onmogelijk. De oester die in de vorige eeuwen zo populair was bij de adel en rijke burgerij verloor zijn vaste plaats bovenaan het menu na de Eerste Wereldoorlog. Na 1919 kwamen oesters slechts nog sporadisch voor op de spijskaarten. Ze maakten plaats voor iets nieuws: de koude voorgerechten, hors-d'oeuvres. Die werden steeds populairder.[xxiii] Dit betekende niet dat de oester niet meer werd gegeten. Een diner in het Brusselse stadhuis ter gelegenheid van een bezoek van de Parijse gemeenteraad in 1935 bood bijvoorbeeld als voorafje Huître de Zélande aan.[xxiv] In het begin van de 20ste eeuw verschenen talloze kookboekjes gericht naar de huisvrouwen. Hier was geen spoor van de befaamde schaaldieren terug te vinden. Bereidingen met garnalen en mosselen kwamen daarentegen wel voor. Het was wachten tot de tweede helft van de 20ste eeuw wanneer de koopkracht toenam en de bevolking zich meer en luxueuzer voedsel kon veroorloven alvorens de oester schoorvoetend verscheen. Eten diende niet alleen meer om de maag te vullen, maar ook om te genieten. Zo is er de Brusselse familie Goris die op vrijdag soms wel oesters serveerden aan uitgenodigde zakenmensen.[xxv] Toch zal het tot 1965 duren alvorens het eerste populaire kookboek, Het kookboek Rijk der vrouw, de bereiding van oesters vermeld. Oesters werden hier verwerkt in deeggebakjes, gebakken, gespiesd of gegratineerd. Naar analogie van de garnalencocktail verscheen nu ook de oestercocktail. In een klein cocktail- of Madeira glas legde men enkele zeer verse oesters. Die werden vervolgens besprenkeld met 2 à 3 druppels tabasco, 1 eetlepel tomatenketchup of Worcestersaus en een scheutje citroensap alvorens zeer koud op te dienen. In het opmerkelijke recept haalde men aan dat de genoemde sausen kant en klaar te koop waren.[xxvi] Oesters kwamen voornamelijk enkel bij feestelijke gelegenheden op tafel. Ze werden voor de soep opgediend. Men rekende circa 6 oesters per persoon, een groot verschil met de voorgaande eeuwen. In 1965 ging de voorkeur uit naar rauwe oesters geserveerd op een open schaal met gestampt ijs, vers gemalen peper, partjes citroen en zeer dunne sneetjes bruin brood. Andere variaties waren oesters met fijngehakte sjalotjes of een pikante saus. In combinatie met een champagne brut, een witte Bourgogne, witte Bordeaux of een droge Elzasser wijn zorgden de gastheer en –vrouw dat het geheel nog feestelijker was. De etiquette bleef belangrijk: het oestervorkje lag in de holte van de soeplepel, met de steel schuin overliggend en de vingerkommen plaatste men links boven het bord. Deze werden voor de helft gevuld met water waarop een schijfje citroen dreef.[xxvii] Ons kookboek van de Boerinnenbond en het kookboek Koken voor elke dag van de Katholieke Arbeid Vereniging vermeldden de oesters pas voor het eerst in de jaren 1980. Naast rauwe oesters stond ook het recept van gegratineerde oesters vermeld. Het waren weinig creatieve gerechten. Oesters bleven standaard op het menu van de Belgische restaurants staan. Vaker werden ze op restaurant of tijdens banketten genuttigd dan thuis klaargemaakt, mede omwille van de moeilijkheid van het openen van de oesters.[xxviii] Vandaag liggen oesters in het bereik van een heel groot deel van de bevolking, maar nog steeds worden ze vooral bij feestelijke gelegenheden of op restaurant in beperkte aantallen geconsumeerd. Terzelfdertijd wordt dat andere schelpdier, de mossel, nog steeds in grote hoeveelheden verorberd.   [i] H. McGee, Over eten en koken, Wetenschap en cultuur in de keuken, Amsterdam, 2006, p. 450. [ii] A. Magirus, Koocboec oft familieren keukenboec, Leuven, 1612, p.134-135. http://www.kookhistorie.nl/index.htm [iii] Larousse Gastronomique, Antwerpen, 2006, p. 1563 en p. 359. [iv] L. Moulin, Europa aan tafel, een cultuurgeschiedenis van eten en drinken, Antwerpen, 2002, p. 359. [v] H. Sels en J. Schildermans, De verstandige kok: de Zuidnederlandse kookboeken van 1500-1800 : een cultuurhistorische benadering, ASG, 6, 2, april 1988, p.66. en Boek 359! [vi] L. Moulin, Europa aan tafel, een cultuurgeschiedenis van eten en drinken, Antwerpen, 2002. [vii] E. Cocks-Indestege en L. Depauw, Europa aan tafel in de Zuidelijke Nederlanden (15de eeuw – ca. 1650): catalogus van handschriften, gedrukte werken en prenten, in: Europa aan tafel. Een verkenning van onze eet-en tafelcultuur, Antwerpen, 1993, p. 186. [viii] H. Sels en J. Schildermans, De verstandige kok: de Zuidnederlandse kookboeken van 1500-1800 : een cultuurhistorische benadering, ASG, 6, 2, april 1988, p.23. [ix] Segers, Y., 'Oysters and Rye Bread: Polarising Living Standards in Flanders, 1800-1860', in: European Review of Economic History, 3, 2001, 301-336 (p.315), (p. 16-17 België kookt, de eeuw van Cauderlier) [x] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p. 60. [xi] Larousse Gastronomique, Antwerpen, 2006, p. 1563. [xii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 6. [xiii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 5. [xiv][xiv] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B., België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xv] M. Kurlansky, Oesters van New York, een stadsgeschiedenis, Amsterdam, 2006, p. 200. [xvi] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B., België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xvii] http://www.dumaspere.com/pages/bibliotheque/chapitrecuisine.php?lid=c1&cid=459 [xviii] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p. 60 en 66. [xix] http://www.dumaspere.com/pages/bibliotheque/chapitrecuisine.php?lid=c1&cid=1 [xx] P. Scholliers Arm en rijk aan Tafel, tweehonderd jaar eetcultuur in België, Berchem, 1993, p. 77. [xxi] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B.,België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xxii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 6 [xxiii] D. De Keyzer, De Keuken van Meesters en Meiden, Klassenverschillen aan tafel, Leuven, 2009, p. [xxiv] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p.70. [xxv]D. De Keyzer, De Keuken van Meesters en Meiden, Klassenverschillen aan tafel, Leuven, 2009, p. 308-311. [xxvi] Het Kookboek van het Rijk der Vrouw. Deel 2. Vis, schaaldieren, schelpdieren, eieren, kaasgerechten, 1965, p. 99. [xxvii] Gazette van Aelst, 24 december 1965, p. 6/8. [xxviii] P. Scholliers Arm en rijk aan Tafel, tweehonderd jaar eetcultuur in België, Berchem, 1993, p. 242.

Sarah Luyten
0 0