Lezen

De granaatappel

Ik ben net zozeer gelovig in iets dat ik niet zelf bepaal. Voor deze dat het wel zijn: Hoor mij! Ik roep u op tot revolutie. Ik heb dezelfde droom als zovelen van jullie. Help me de ‘wetten en praktische bezwaren’ te omzeilen, zodat jullie eveneens kunnen genieten van het paradijs. Wees vrij en in vrede met jezelf. Stel grenzen. Blijf verwijderd van de verboden appels. Ze vallen allen niet ver van de boom. Ze vergiftigen je gedachten, als je lui je zintuigen sluit en niet voor jezelf denkt. Ongehoorzaamheid aan jezelf brengt schaamte. Onmacht als je uit gemakzucht de gemakkelijkste weg verkiest.   ‘Verlichtte’ figuren verkopen met veel plezier ‘pink ladies’ ter verleiding. Kijk uit voor de adder in het gras, het heeft reeds zijn tehuis gevonden in je lust. Als een granaat slaat de appel in. Nog voor je het goed en wel kan beseffen, ben je bezeten door propaganda’s der pathologische parasieten. Wraaklustige en walgelijk wretende wespen die je steken, indien je ze niet hoogmoedig hun gang laat gaan.   Volgen of ‘lijden’ je kiest het zelf. Je hebt zelfs in je eigen handen of je leidt of wordt verleid. Het zit tussen je beide oren de oorlog, enkel door jezelf te vergelijken, schiet je je in je eigen been. De vergankelijkheid der echtheid , maakt plaats voor de hebzucht naar metalen. Een overgang naar een stadium erger dan de Middeleeuwen.   We zijn precies leeuwen, steeds hongerig voor meer, steeds op de loer, voor welke prooi we kunnen verzwolgen met onze tanden en klauwen van gulzigheid en afgunst, als het ons niet afgaat. We hebben deze zonden niet nodig, kortom ze zijn overbodig, dus gooi ze overboord. Het zijn de zandzakken van de luchtballon, dat je remmen te vliegen. Ze krenken je in je vrij denken, ze doen je hoofd ontploffen. Ze zijn je anker, niet enkel je woede, waardoor je in een maalstroom wordt verteerd door Neptunus dat je molesteert met zijn drietand. Verkies je echt dit boven rust en je eigen weg op Pegasus te vinden? Ga je gang.   Heb je dan helemaal niets geleerd van mijn preek en de granaatappels, die je reeds hebt getrotseerd? Verval in het negatieve ‘affect’ der Pygmalion, wordt misselijk door het draaien in je nooit eindigende spiralen.   Tenzij je mijn ‘denk wijzer’ wel hebt begrepen en je het roer in eigen handen neemt. Kan je varen uit je woeste zeeën van de amygdala, Vind je vrijheid en vrede in je eigen veilig gecreërde Eden. Het verleden kan je niet meer veranderen, verander nu! Dank  U voor het lezen.

S_Sence
3 0
Tip

Pasklare verhalen. Paasstrijd

 Zo tegen Pasen. Tijd om te snoeien. Voor mijn deur staat manshoog het pampasgras (papas-gras zei vroeger mijn dochter). Halfweg  de dikke struik kijkt nu een gebiologeerd oogje mij aan. Doodstil zit de bruine eend middenin de rietachtige stengels. Ik kan alleen maar vermoeden hoe hard dat moederhartje klopt. Zien doe ik het niet. Eenden-ogen knipperen niet, verpinken niet. Haar pluimen gaan niet uit de bol. Niet recht omhoog. Alleen stilte en onbeweeglijke roerloosheid. Hetgeen tweemaal hetzelfde is, maar dat mag. Want het is. Haar oog staart mij blijvend aan. Het zegt: ík blijf zitten. Zij blijft zitten. Ik haal een bakje water. Wat eten eenden? Als een idioot leg ik er een snee geweekt brood bij. En dan laat ik haar. Respect. Wat doet dat beest hier, voor mijn deur? Ver uit de buurt van Water of Vijver? Is ze in de war door het Pampasgras? Dacht ze hier een veilige broedplaats te vinden? Maar veilig is ze. Daar zorg ik voor. Als ik enkele uren later nog een keer ga kijken, is ze opgestaan. Er liggen twee mooie eieren. Maar ze is gauw weer terug. Om de zoveel tijd breng ik een bezoekje. Zonder woorden even mijn hoofd in de Pampas steken.  Misschien kan ik haar aan me wennen. Telkens zit ze er. Op Paasdag breng ik mijn eigen kindje naar de luchthaven. Blond eendje. Piepkuiken. Ik hou me kloek. Of hoe moeders altijd kloek blijven. ‘Je mag maar mee tot aan de gate, mama.’ Kus geven, kruisje op het voorhoofd. ‘ Maak plezier  en wees voorzichtig.’  Uitzwaaien. Zo ver waar dit uitgegroeid kuiken heen gaat. Tien uur vliegen naar India. Ik strompel naar de Starbucks voor koffie en laat mijn tranen vrijelijk stromen. (Waarschijnlijk is ‘stromen’ voldoende, maar mijn dramagehalte behoeft ‘vrijelijk’. Less is niet altijd more. Soms is more more. Soms mag het erover zijn.) Langzaam herstel ik. Luchthavens en stations:  heerlijk. Wie zijn al die mensen? Wat zeggen ze in al die vreemde talen? Waarom huilen ze? Waarom lachen ze? Zoveel mensen om ergens heen te gaan. Terroristen, zelfmoordenaars, verkrachters, vaders, moeders, kinderen. Kom veilig terug, mijn kind.   Weer thuis, wil ik me met dat andere eendje troosten. Het lege nest gaapt me aan, gebroken eierschalen  wijzen op een blijde gebeurtenis. De vogel is gevlogen. De kuikens ook. © Goedele

Goedele Billen
38 2

Zoon en vader

’Vrouwentongen.’ ’Sorry?’ ’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’ Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts. Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven? ’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan. ’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok. Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad. ’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’ Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang. Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden. ’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij. ’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster. ’En die?’ ’Die rode is kersen.’ ’En die oranje?’ ’Abrikozen.’ ’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’ ’Ja hoor. En uw zoon?’ Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’ ’Niks.’ ’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’ ’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’ Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij. ’U nog een espresso, misschien?’ ’Graag.’ ’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg. ’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen. Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht. Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van. ’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’ ’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik. Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Grand Foulard
20 0

Misschien

In onze straat, een onverharde zandweg, woonde geen chic volk, tenminste als je geen rekening hield met meneer de notaris, die net op de hoek van de steenweg naar Diest woonde. Hij deed zich echter niet poepchic voor. Zeker niet als hij zich als jager had gekleed om in de naburige bossen op konijnen te gaan schieten. Andere dieren waarop hij zijn geweer had kunnen richten zou ik niet kunnen opnoemen, want die waren er niet. Niet in deze bossen. Neen, want die kende ik door en door en buiten mijzelf, ook alle buurjongens en sommige meisjes. Niet die meisjes waarmee ik "doktertje" speelde, maar eerder de meisjes die van geen kleintje vervaard waren, zoals mijn jongste zus Paula. Zij was een kwajongen eerste klas. Haar vriendinnetje van om de hoek, Christiane, die in het huis met het strooien dak woonde, zou ik niet onder deze categorie kunnen rekenen en ook Jenny niet, ons naaste buurmeisje. Die luisterde liever naar de vijfenveertigtoerenplaatjes van Cliff Richard in plaats van te ravotten in onze bossen. Toen ze wat later een jongeman tegenkwam, die met een vuurrode Zündapp reed, kwam er van hossebossen in onze bossen helemaal niets meer in huis. Toen ze later trouwde met haar bromfietsvriend gingen beiden, net als Cliff met zijn Shadows, met vakantie, en beleefden hun ‘Summer Holiday’.   Samen met mijn vriendjes, broertjes Hubert en Marcel, ging ik elke zomer Christiane’s vader helpen. Hij slaagde elk jaar erin om een stapel grof gekliefde boomstammen, die per toeval van een camion waren gevallen, te bemachtigen. Met zijn cirkelzaag, en het daarbij horende zinderend geluid, maakte hij er hanteerbare blokjes van die zo’n veertig centimeter lang waren en die we in een kruiwagen tot onder een afdakje reden, om ze daar vakkundig te stapelen. Zijn familie zou geen kou lijden tijdens de winter die daarop zou volgen, maar hij stookte zijn vergaarde houtbuit in zijn grote open haard met zulk een passie dat het plafond in de living weliswaar niet zwart, maar toch minstens lichtgrijs geblakerd eruit begon te zien. Mijn volgende vakantiejob bij mijn buren bestond erin hun plafond grondig af te wassen. Alzo geraakte mijn spaarpotje langzamerhand vol, zodat ik een volgende aankoop van mijn Märklinspoorbaan kon overwegen. Zou ik gaan voor een nieuwe wagon, een andere locomotief, een extra stel sporen of wisselaars of een spoorovergang met slagbomen en stoplicht?   Van alle bossen was ons kleine bosje, op een steenworp van thuis - tenminste als je ver kon gooien - of laat ons zeggen, op een boogscheut van ons ouderhuis - want met een boog kan je verder schieten - onze tweede biotoop. Haast elke dag gingen we er naartoe. Om te spelen, om te klimmen in de reuzengrote eiken, die we zelfs namen hadden gegeven zoals ‘De Witte’ of ‘Sinterklaas’, om forten te bouwen, om Zorro te spelen en later om ons pakje sigaretten, die Hubert, Marcel en ik ergens onder de grond verstopt hadden, op te graven en al hoestend, op te roken. Meestal waren het Belga sigaretten, maar soms ook Tigra, want dat was wel een schoon madam die op dat pakje afgebeeld stond.In het andere bos, dat veel grotere, zaten we ook regelmatig, want daar hadden we een crossfietsomloop aangelegd. Hier speelden we ook cowboy en indiaan of we waren kruisvaarders die ten strijde trokken tegen de Saracenen. We maakten dan zelf onze bogen, pijlen, zwaarden, blaaspijpen en katapulten. De draaibank van mijn vader werd  tijdens de grote vakantiedagen bijna dagelijks gebruikt. Naast dit grote bos woonde René, een leeftijdsgenoot van mijn oudere broers. Wij hadden ontzag voor hem, want hij durfde levende regenwormen opeten. Ons kleine bosje is gelukkig altijd bewaard gebleven, maar het grote moest eraan geloven toen het Belgische leger er een ganse woonwijk voor zijn beroepsmilitairen neerpootte.   Maar mijn verhaal handelde over chic volk. De notaris was het dus niet - alhoewel heden ten dage iemand in jagersoutfit snel als zodanig zou bestempeld worden. Maar halverwege onze straat, schuin tegenover ons huis, woonde wel chic volk. Het is te zeggen, het waren voor zover ik kon vermoeden rijke mensen met een mooie auto en met een dochter die zowat het midden hield tussen Audrey Hepburn en Shirley Jones, als dat tenminste een belletje bij u laat rinkelen. Vele malen kan en zal ik hen niet gezien hebben, want zij bewoonden dit huis zelf niet. Zij verhuurden de prachtige witte villa met dito tuin en alles erop en eraan, aan buitenlandse gezinnen waarvan de man tijdelijk in het Atoomcentrum van Mol kwam werken. Eerst waren er Duitsers aan de beurt. Ze kwamen uit Leipzig. Mevrouw had altijd last van ‘Sehnsucht und Heimweh’ naar haar geboorteland. Destijds werden er op de Belgische radio vele Duitse liedjes in de ether gestuurd en als Freddy Quinn begon te zingen kwamen de waterlanders al vlug in haar ogen te staan: 'So schön, schön war die Zeit'.   Nog wat later kwamen er Fransen wonen met hun dochtertje Joëlle maar daarna waren er weer Duitsers aan de beurt. Zij hadden een zoon Hans en een dochter - nee, niet Grietje, maar - Gisèle. Op haar werd ik verliefd, zeker toen ik met haar danste  tijdens het communiefeestje van buurjongen Robert. Hij zag met lede ogen aan dat ik er met haar vandoor ging … al dansend. Haar broer was iets ouder dan ik en vooral sterker. Toen we op het grasplein achter ons kleine bosje weer riddertje aan het spelen waren, dreef hij mij achteruit (de Duitsers waren weer aan het winnen) en ik zag de niet-figuurlijke valkuil niet die mij met gapende mond opslokte. Een even gapende wond hield ik eraan over want ik viel met mijn rechterdij in een afgebroken fles. Eerst kwam er een wit vlies te voorschijn, daarna begon de snee te bloeden en totaal verschrikt en huilend van de pijn moest ik mij een weg door mijn geliefde bosje banen. Gelukkig was mijn zus Godelieve thuis en zij waste de wond uit en deed er een verband over. Naar dokters werd er toen niet gegaan of het moest wel heel penibel zijn. Het zou niet het enige litteken zijn dat ik tijdens mijn jeugd verzamelde, maar het was wel het grootste en het mooiste. Ik heb er ooit veel mee "gestoeft".   En na de Duitsers, kwamen de Amerikanen. De blanke ouders konden zelf geen kinderen krijgen, dus hadden ze een jongetje geadopteerd. En niet zomaar een jongetje. Een echt zwartje - toen mocht je dat nog zeggen en schrijven - met kroezelhaar en vinnige donkere ogen. Vijf jaar was hij en hij heette Bruce Robinson. Ik vond het een machtige, prachtige naam. Zelf was ik ondertussen twaalf geworden en ging voor de eerste maal naar de humaniora. Dus moest ik nog een jaartje wachten alvorens ik Engels zou leren. Maar toen reeds, door toedoen van enkele Amerikaanse feuilletons op televisie, zoals Bonanza, Vader weet het beter en Dennis the Menace, begon ik al wat Engels te brabbelen. Op een zaterdagmiddag stond Brucie eens aan de achterdeur. Ik moest nog eten. Ik deed de plastieken lintjes van het vliegengordijn weg en keek in zijn grote vragende ogen. ‘Do you wanna play with me?’ vroeg hij. Ik haalde mijn bovenstebeste Engels boven en antwoordde: ‘Ferhaps, I come in the afternoon’. Hij bekeek me even als een smekend hondje met gebogen hoofdje en stoof weg. Het duurde een tijdje eer ik het woord, dat ‘misschien’ betekent in het Engels, nog eens tegenkwam en toen zag ik mijn fout in. Ik had gezegd ‘ferhaps’ in plaats van ‘perhaps’. Had hij me daarom een beetje raar bekeken?Toen een jaar later op school onze leraar vroeg: 'Wie kan "misschien" in het Engels vertalen?', was ik de eerste die mijn vinger opstak. ‘Perhaps’ misschien?

Marc M. Aerts
0 0

Eric en Anna

Anna en Eric     Eric en Anna speelden verstoppertje in het grote huis. Papa stond boven op een ladder met een hand tegen het plafond. In het midden van het plafond had het pleisterwerk de vorm van een bloem. Papa noemde het een rosette. Deze rosette had allerlei kantjes en randjes en tierlantijntjes. Ze was al oud, de rosette, hier en daar was er een stukje afgebroken. Papa lijmde de kleine stukjes weer terug op hun plaats. De lijm was heel sterk, volgens de reclame op TV kon je er iemand mee aan het plafond plakken. Eric en Anna hijgden van het lopen door het grote huis. ‘Ik wil een snoepje,’ riep Eric. ‘Ik ook,’ riep Anna. ‘Nu niet,’ zei papa, ‘ik ben bezig.’ Zo bezig als ouders altijd zijn, zo bezig was papa. De snoepjes stonden boven op de bruine kast achter een grote rode vaas, de rode dop van de snoeppot blonk verleidelijk. Anna en Eric konden er onmogelijk bij. Plots zagen ze de pot met sterke lijm staan op de tweede trap van de trapladder. ‘Als we nu,’ zei Anna en ze rolde haar ogen richting lijmpot. ‘Wat,’ vroeg Eric. ‘Ik bedacht,’ zei Anna, ‘dat de afstand van de plek waar de ladder staat, vermenigvuldigd met de lengte van papa, met een zwierende beweging net genoeg kan zijn tot op de kast met de snoeppot.’ ‘Hoe bedoel je,’ vroeg Eric. ‘Als we de handen van papa insmeren met de sterke lijm en hem zover krijgen dat hij het plafond aanraakt zodat zijn handen blijven plakken, dan kunnen we, door aan zijn benen te gaan hangen met een zwiep tot op de kast geraken.’ ‘Prima idee,’ zei Eric, ‘goed gevonden Anna.’ Eric nam de pot met lijm en klom op de ladder tot hij met zijn neus tegen de achterkant van de knieën van papa stond. ‘O, help,’ riep hij, ‘de lijmpot gaat vallen.’ Net toen papa reikte naar de pot, sopte Eric de hand van papa er helemaal in. ‘Potverdorie,’ zei papa, wat eigenlijk niet mag want dat is een slecht woord, potverdorie, potverdorie. Anna trok een beetje aan de ladder, zodat papa steun zocht met zijn hand tegen het plafond. ‘Sapperloot,’ riep papa, maar het was al te laat, zijn hand zat muurvast aan het plafond. ‘Het zal wel houden met één hand,’ zei Anna, ‘de lijm is sterk.’ En ze trok de ladder weg. Daar hing papa met één hand aan het plafond. Zijn lange benen bengelden naar beneden. Anna deed twee stapjes op de ladder en sprong vervolgens naar papa’s been. ‘Nu jij,’ zei ze. Eric sprong en greep het andere been, ze zwierden samen op en neer en met een grote zwiep belandden ze beiden op de kast, naast de snoeppot. Papa hield zich vast aan zijn vastgeplakte hand, maar lang zou het niet meer duren. Het plafond was immers al oud. Plots liet het pleisterwerk los en daar ging papa. ‘Potver, potver, potver,’ zei hij, wat drie keer een slecht woord was. Hij viel met een bons op de grond. Anna had net haar hand op de rode ronde bol van het deksel van de snoeppot en trok eraan.’Plop’ deed het deksel en een heerlijke zoete geur  kwam vrij, eerst nam Eric een snoepje en  toen twee en toen stopte hij er wel vijf tegelijk in zijn mond. Anna nam voorzichtig een snoepje en zoog erop als op een zuurstok. ‘Mmmm,’ zei ze. ‘Mmmm,’ zei Eric. Samen keken ze hoe papa met zijn goede hand en de andere met pleister, probeerde om de ladder tegen de kast te zetten.

liezabeth
1 0

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0

Ergens halverwege hemel en aarde

Maurice ging het restaurant binnen met een bos lichtroze pioenrozen, blij dat hij iets bij zich had om de blikken af te leiden van zijn slechte been. Met het boeket voor zijn borst baande hij zich een eigen weg door de verstilde, felverlichte ruimte. Een zestiger met leesbril loerde even boven de rand van zijn krant en twee geföhnde vrouwen lieten hun spie slagroombiscuit fluisterend links liggen, maar Maurice gebaarde van krommenaas en hield zijn blik strak gericht op het uitgebreide buffet, helemaal aan de andere kant van de zaal. Niet dat hij honger had, want hij had die middag zelfgedraaide gehaktballen in madeirasaus gegeten en dan laat hij zich altijd net iets te veel gaan. Maar hij was hier nu, en hij wilde vooral niet aanzien worden voor een vent die zijn tijd aan een lege tafel kwam uitzitten, dus hij nam een dienblad, veegde het achtergebleven afwaswater weg met de mouw van zijn anorak en zette zichzelf een koffie met melk en een stuk broodpudding met rozijnen voor. ‘Vier en een halve euro durven ze daar tegenwoordig voor vragen’, dacht Maurice, een beetje verbolgen, en hij pikte nog snel een zakje suiker mee, hoewel hij walgde van zoete bakjes troost.   Vanop zijn stoel aan het venster op de vijfde verdieping keek Maurice toe hoe mensen als mieren kwamen en gingen. Hij kon niet uitmaken wie ziek was en wie gezond, zoals dat ook op de begane grond niet zomaar van iemands gezicht af te lezen is. Hij zette zijn tanden in de zompige homp broodpudding en vroeg zich af of hij het vandaag zou durven. De pioenrozen had hij al, hij moest alleen nog zijn moed en het wisselgeld op zijn dienblad bijeenrapen, naar een willekeurige kamer stappen en met de bloemen in huis vallen.   Hij nam een zuinige slok van zijn koffie en zag het helemaal voor zich. Hij zou ‘GOENDAG’ lachen, zoals hij altijd deed bij om het even welke ontmoeting, en hij zou proberen expliqueren dat hij Maurice heette – Maurice zoals Maeterlinck, niet zoals de man achter Lucky Luke. Zijn slechte oren zouden hem wellicht weer parten spelen maar hij zou zijn best doen om niet te hard te roepen, kwestie van patiënt noch personeel levensbedreigende stuipen op het lijf te jagen. Daarna zou hij het boeket op bed leggen, iets articuleren in de trant van ‘want je bent het waard’ en vertrekken met het gevoel zijn tijd en teveel aan genegenheid goed te hebben besteed.   Buiten begon het te schemeren. Vanop zijn stoel op het vijfde, ergens halverwege hemel en aarde, zag Maurice meer en meer auto’s aan-, af- en achteruitrijden op de parking. Wilde hij werk maken van zijn wilde plannen, dan moest hij nu iets ondernemen. Straks waren de bezoekuren voorbij en had hij nog maar eens een dag verspild in dit klinische zelfbedieningsoord.   Voor de vorm nam hij nog een laatste slok koffie. Koud. Een beetje zoals het gezicht van de vrouw tegenover hem, die niet anders dan geconstipeerd kon zijn. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad en duwde zichzelf overeind. Zijn knoken knikten, de broodpudding borrelde luid in zijn onderbuik en in zijn hart schreeuwden teveel en tekort tegen elkaar op.  

a little bit of soap
2 0

Verliefd op Suzanne

  November 1959.   Zaterdagmiddag. Over twee maandjes zal ik acht worden.   Twee grote pannen staan midden op de keukentafel. We zitten met zijn achten te smikkelen van het spek, dat zo-even nog aan het pruttelen was op de Leuvense stoof. Zoals altijd is deze lekkernij vergezeld van verse appelmoes die, nog nadampend, uitgeschept wordt uit een kasserole waarin de stoofappels, pas gekocht op de wekelijkse markt, bereid zijn. We leggen de dikke sneden roggebrood van onze favoriete bakker in het vet en de smurrie druppelt op de toile cirée tussen pan en bord. Wat is ons moeder toch een keukenprinses!   Paul Anka, een jonge Canadese zanger, heeft zopas zijn zoveelste hit te pakken en zijn ‘Put your head on my shoulder’ klinkt op de radio. Tussen twee happen door zing ik mee:“Leg je hoofd op mijn schouder …”“Wat is dat?” zegt Albert, de oudste van mijn aanwezige broers, “sinds wanneer verstaat gij Engels?”Hij weet blijkbaar niet dat ook de Vlaamse Brusselaar Ray Franky de Nederlandstalige versie op vynil heeft opgenomen. Ik hou me voor onnozel - daar heb ik geen moeite mee - en doe alsof ik de Angelsaksische taal al machtig ben.   Na dit koninklijke eten ga ik als naar gewoonte spelen bij mijn vriendjes, de twee gebroers Onraedt. Zij wonen met hun ouders, twee broers en twee zussen twee huizen verderop. Met Hubert en Marcel speel ik het meest. Ik doe dat minder met het buurjongetje aan de andere kant. Die kan bijwijlen zo onuitstaanbaar zijn dat ik hem, zoals afgelopen zomer gebeurd is, in het hospitaal zou willen slaan. Niet dat ik toen in ons speelbos zo hard toesloeg, maar hij viel wat ongelukkig in een kapotte fles met opstaande vlijmscherpe rand en moest bloedend als een rund afgevoerd worden. Het rund. Pech voor hem. Het was zeker een straf van bovenaf voor zijn voortdurende ambetantigheid. Maar ik moest de kerk in het midden houden met Robert, want zijn ouders hadden een televisietoestel en bij ons thuis hadden we dat nog niet en ik ging toch graag op woensdagnamiddag bij hen naar Nonkel Bob kijken. Dus dat in het ziekenhuis kloppen, daar moest ik in het vervolg toch mee oppassen.   Maar ik ga dus spelen bij Hubert en Marcel. De een is net iets ouder, de ander net iets jonger dan ik. Hun jongste zus Christiane is even oud als ik. Soms speel ik doktertje met haar. Af en toe ook met Wies, het andere buurmeisje, dat tussen ons twee in woont. Ze hebben altijd veel last van appendicitis. Zeggen ze. Of soms van pijn aan de binnenzijde van hun dijen. Hun lies bedoelen ze, maar dat woord kenden ze toen nog niet.  Zoals je ziet, altijd last met de vrouwen, zelfs al zijn ze slechts zeven, acht jaar.   Ik ga langs de achterdeur de keuken van huize Onraedt binnen. Niemand te zien. Dus klop ik op de volgende deur en doe deze open. Ik zeg goeiedag tegen alle aanwezigen en baan mij een weg door het rookgordijn tot aan tafel waar Hubert en Marcel aan het kaarten zijn. Pa en ma Onraedt zitten ieder in hun oude clubzetels bij de kachel en ze zijn elk aan hun tweede pakje Groene Michel zonder filter van die dag begonnen. Maar wie maakt daar een punt van in 1959? Koolputter Onraedt zou ziek worden moest hij gezonde lucht inademen.   Op de radio wordt, zoals elke zaterdag tussen halftwee en twee, de top-10 uitgezonden. Nummer 3 is aan de beurt: Fabian zingt ‘Tiger’. “Allez Marc, zing eens mee” vraagt Suzanne, de oudste van de zussen. Aan haar kan ik niets weigeren.Een jaar eerder heb ik mijn familie al versteld zien staan door mijn interpretatie van ‘Buena sera signorina’ na het eetfestijn ter ere van mijn eerste communiefeest. Suzanne had ervan gehoord en daarom vraagt ze mij deze keer voor een privé-optreden. Ik neem mijn zangerspose aan en doe mee:“Like a tiger, ooh, ooh, ooh, like a tigerOoh, ooh, ooh, just to see you smile nearly drives me wildI wanna growl wow”.Ik zing als een rockzanger en brul als een tijger. Het lijkt wel echt zoals ik optreed tussen de tabaksdampen.Ze krijgt er zelfs twee bisnummers bij want de daarop volgende liedjes, plaatsen twee en één op de hitparade, kan ik ook meezingen: ‘Personality’ van Lloyd Price en ‘Marina’ van Rocco Granata moeten er ook aan geloven.Suzanne vindt het fantastisch en mijn speelkameraadjes kijken mij verwonderd aan. Ik begrijp ongeveer wat ik zing en mijn namaak-Engels en Italiaans kunnen er ook mee door. Maar deze gave is niet weggelegd voor Suzanne’s broertjes. Op sommige gebieden, met de nadruk op sommige, ben ik een haantje-de-voorste, en zeker als het muziek betreft en het imiteren van zangers of zangeressen. Ik heb, omwille van mijn sopranostemmetje, voor komende maand zelfs de Mariarol toebedeeld gekregen in het kerstspel op school. Was ik al eerder verliefd op Suzanne of was het sinds die dag, dat ze zoveel belangstelling voor mij toonde? Ik weet het niet zeker. Maar kon dat wel, verliefd zijn? Suzanne was tien jaar ouder dan ik. Een liefde die niet kon zijn. Zeker niet toen haar latere echtgenoot op de proppen kwam. Van toen af aan moest ik mijn liefdespijlen op een ander meisje richten.

Marc M. Aerts
5 0

laat me eruit !

Het gaat allemaal traag, daar is niets meer aan te doen. Met mijn looprekje duw ik mezelf de open geschoven glazen deur door, het restaurant binnen. Met tegenzin. Ik kom hier niet graag. Het ruikt hier naar slecht gewassen sokken en Dettol en het is hier allesbehalve gezellig. Veel te veel licht, veel te koel. Ik kijk nergens naar, kijk niemand aan, wil zo vlug mogelijk aan mijn tafeltje plaats nemen en de smurrie die ze me aanbieden achter mijn vals gebit laten verdwijnen. Dan zijn ze blij, want opaatje deed alweer zijn best en dan mag ik naar mijn kamer terug. Daar wil ik zijn na de middag, dat is het mooiste moment van de dag, maar nu eerst deze kantine door naar mijn tafeltje, naast dat van Jef. Zoals steeds klinkt hier een gedempte chaos van kletterend bestek, klinkende glazen, slokkende kelen, kakelende verpleegsters en hier en daar een scheet of een boer. Mijn tafeltje staat bijna in de hoek tegen de muur en daar is het wat aangenamer toeven dan in het midden van de zaal waar ik nu door moet. Vroeger zat ik midden van die zaal, maar op een middag vroeg ik wat zout om het eten wat smaak te geven en sinds dien hebben ze me verbannen naar een uithoekje. Ik herinner me dat nog goed. Dikke Bea, ik noem haar Bella, die steeds de plak zwaait in het restaurant omdat ze de meeste ervaring heeft met eten, had me gehoord, kwam met grote ogen naast me staan, tikte met haar dikke, vuile worstenvingertjes luid op mijn tafel en riep luid "Zout ? Opaatje wenst zout ? Weet opaatje wel wat zout met gezonde mensen zoal doet ?!". Na dat gekijf werd het stil. Alle oudjes keken mijn richting uit, behalve Helga, die is doof en at rustig smekkend verder, en pas toen ik piepend en ineengekrompen mijn excuses aanbood gaf iedereen terug aandacht aan het smaakloze prakje op hun bord. Sinds dien zit ik dus hier dus, naast Jef. Jef die me steeds tussen 2 gulzige scheppen krijsend begroet met de opbeurende woorden : "Awél, zijt gij hier nog ?" waarbij een deel van zijn soep of zijn puree langs zijn kin op zijn broek belandt. Mijn eten wordt gebracht. Gezien ik een looprekje nodig heb kan ik geen bord of plateau dragen. Heb het al geprobeerd, maar het was geen succes, heb weinig gegeten die middag. Niet dat ik nu veel zal eten, dat doe ik hier in het restaurant nooit. Achteraf, ja, terug in mijn kamer, maar nu moet opaatje de verpleegsters gerust stellen en toch enkele scheppen naar binnen wurmen, dan hebben we flink gegeten, dan zijn we allemaal content en mag ik gaan. Wat op mijn bord ligt is kleurloos, zoals steeds : bijna witte puree, bijna beige kalfsblanket onder een smakeloos bijna doorzichtig sausje versiert met iets wat bijna op gekookte worteltjes lijkt. De soep in gemaakt van mos, althans zo smaakt ze, zo ziet ze eruit en zo warm is ze. Kan je al een beetje begrijpen hoe gelukkig ik hier ben ? Ik, die steeds zo graag kookte, die zo graag in restaurants mijn ogen sloot om alle geuren op te snuiven en die in gedachten netjes voor me te leggen en ervan te genieten alsof ze potloden waren met zulke sterke, warme kleuren dat je er de mooiste, vurigste tekeningen mee kon maken. Ik moet hier weg, de glazen deur door, naar mijn kamertje terug. Eerst nog even wachten op mijn glas water en ondertussen staren naar Greet. Zij is blind en doof en zit kromgebogen met haar handen in haar bord te zoeken naar iets wat nog op eten lijkt. Arm mens. Telkens zij haar bord voor zich op tafel krijgt gesmeten komen anderen de beste stukjes vlees wegprikken en verdwijnt haar dessert. Ze ziet dat niet, ze hoort dat niet. Als ze tastend haar bord heeft gevonden ligt daar alleen nog wat puree en stukgekookte groenten op. Met haar kromme dunne vingers schraapt ze dat dan samen en mikt ze dat tussen haar trillende lippen. Mijn glas is leeg, de vrijheid wenkt. Ik hijs me recht, tjok met mijn rekje richting de deur, richting mijn kamertje. Daar wacht me kleur en smaak, daar zal ik genieten. Luna, de zwarte engel die hier de animatie verzorgt houdt steeds haar middagpauze bij mij. Zij is gemaakt van bruine suiker. Zwarte ogen en een stralende glimlach maakt het plaatje compleet. Dan babbelen we honderduit over reizen en maken onmogelijke plannen om hier samen te ontsnappen.  En dat ze elke dag een kleurrijk, smaakvol fruittaartje voor me meebrengt is de hemel ! Dan leef ik, dan kriebelt het, dan vergeet ik mijn leeftijd, dan droom ik. Luna, even geduld, ik kom ! Ga open deur, ik wil eruit !

Nanek
1 0