Lezen

Het plan

Ze stak de straat over, keek al naar het terras in de verte, misschien zou ze hem herkennen. Met een greep geheugen in haar hand twijfelde ze aan het beeld: een grijze broek en zwarte pull met rolkraag. Dat had hij toen gedragen, het ondergoed onzichtbaar maar waarschijnlijk wit en van goede kwaliteit. In het glas de rode wijn van het huis. Hij maakte zijn plan bekend, wachtte haar reactie af. Slechts een glimlach gaf ze hem. Ze kon onmogelijk vragen naar het bedrag, dat zou misstaan. Er stond dus een vergoeding tegenover. 'Schrijf je veel?' 'Toch niet', zei ze. 'Gedichten?' Dat had hij onthouden, en nu wilde hij zich herinneren hoeveel jaar er voorbij was. Zij gokte. Een jaar of drie. Vier.  'Minstens vijf', beweerde hij. Maar overtuigd leek hij niet.   Zwarte pull...welke man droeg...er zat een koppel aan een tafeltje en aan drie andere zaten drie mannen. Drie types, verschillende leeftijden. Aan de oudste kon ze voorbij; hij was het zeker niet. Aan de aantrekkelijkste man, vroeg ze, aarzelend: 'Ben jij Jan?' Dat voelde alsof ze een speurhond was, klaar om van bijdschap te kwispelen. De man aan de uiterst linkse stak zijn hand voorzichtig de hoogte in. Hij had gezien dat zij op zoek was. Tussen hen is bevond zich iets génant toen ze naar een ander terras wandelden. Zij keek naar het maatpak en zijn das. 'Je bent veranderd!' 'Dat type kledij droeg ik toen niet', beaamde hij. Een lichtgroene das kreeg geen kans het grijze pak op te vrolijken. Het eerste denkbeeldig kruisje er over; ze mocht tenslotte kritisch zijn. Er moest besteld worden. De ober had de bestelling willen opnemen. De drankenkaart hadden ze niet eens aangeraakt. Het dringende van een weerzien hadden ze alle voorrang verleend, de ander in zich opnemend, wroetend in het falend geheugen. Het zonlicht brak nog niet door in deze tweede ontmoeting. Hij was gehuwd, ook daar was zij van op de hoogte. Verder werd er weinig onthuld van ieders privé, behalve dat er nood was aan affectie en aan reizen. Dat laatste konden ze met de eigen partner waarmaken. 'Hoe heet ze?' Die overbodige vraag had ze niet gesteld. Het bespreken van het plan; daar hadden ze de bus en de trein voor genomen. Hij de trein, hij de reiziger, hij de rijpere, hij de man voor wie het woord 'joepie' bij kleuters hoorde. Zij de bus, zij joepie! 'En heb je in die jaren iemand anders...?' 'Nee, niemand.' Hij keek er bij alsof ze loog, misschien ééntje om bestwil.    Toen haar moeder ooit had uitgelegd dat zulke leugentjes toegestaan zijn, had ze zich afgevraagd hoe zwaar die leugentjes van slechte wil wogen. Omdat ze geen enkel bezwaar had, licht bleef in de ogen,  claustrofobische schuld geen bezit van haar nam. Het kwam er dus op aan te achterhalen met welke blik hij keek. Welk licht, welke zwaarte? Ze kon weer rustig ademen en koos voor de mozarella en tomaat. 'Je hebt in al die jaren niemand...?' Ze schudde met het hoofd, dronk de spa rood in één keer uit. Hij is best een aardige man, dacht ze. Ik kan me niet inbeelden dat ik deze man anders zou benaderen, vaker zou toelaten, hem iets in het oor zou fluisteren of het haar op zijn armen zou voelen, dacht ze. Toen ze aanstalten maakte af te rekenen, zei hij: 'Laat maar, het is geen probleem.' Plots besefte ze dat de omgeving aan haar voorbij was gegaan. De tijd die ze had besteed zou nooit meer tikken. Met enkele blikken naar links en rechts, naar de barman en de diensters, het rode vasttapijt, de glazen bol vol paaseitjes, nam ze afscheid van een lelijk interieur. Ze stak haar hand uit.  Ze gaven nog een kus.  

Ingrid Strobbe
0 0

Chevallier de la Barre

De rossige jonge man met uitstaande oren die met gebogen schouders voor de politie commissaris zit, prutst verveeld aan een korst witte verf op zijn duim. Vanonder zijn borstelige wenkbrauwen staart hij onverschillig naar het raam. Op de vensterbank tracht een dikke duif met opgeblazen borst en uitwaaierende staart indruk te maken op een vrouwelijke soortgenoot. De jongen glimlacht. Zijn ogen volgen de vogel die zich koerend en fladderend een plaatsje zoekt op de hoogste tak van de bloeiende kastanjeboom, zo dicht mogelijk bij het vrouwtje dat hem geen enkele blik waardig gunt. “Naam?” herhaalt LeBoeuf. De jongen draait zijn hoofd weg van het liefdespaartje en kijkt de commissaris nietszeggend aan. “Jongeman, ik raad u aan om mee te werken. Het is warm vandaag en als u graag snel weer buiten wil staan dan wil ik nu een antwoord. Naam ..?” “La Barre,.. Gilles.” “Leeftijd?” “Twintig.” Agent Dufour noteert de gegevens van de ondervraagde in het dossier. Voorlopig is er geen enkele aanwijzing dat Gilles iets met de moord op Ginette te maken heeft. Hij bezit een rode wagen. Dat is alles. LeBoeuf gaat meteen in de aanval. “U zegt in uw verklaring dat u Ginette niet kent. Klopt dat?” “Ja ik ken haar niet.” “En is het uw gewoonte om op bezoek te gaan bij vrouwen die u niet kent?” De jongeman bijt op zijn lip. Zijn kortgeknipte haar hangt half voor zijn ogen, alsof hij zelf de schaar gehanteerd heeft met dit rafelige effect als gevolg. Met zijn linkerhand trekt hij de kraag van zijn afgeleefd jeansvestje recht. “U zegt deze vrouw niet te kennen en toch zijn er getuigen die verklaren dat ze uw wagen op haar oprit zagen staan. Vreemd niet?” Dufour trekt onwillekeurig een wenkbrauw op. Hij weet dat zijn baas geen enkel bewijs heeft maar de aanpak lijkt effect te hebben. Gilles La Barre schuift onwennig op zijn stoel. Zijn ogen zoeken de dappere duif die nog steeds luid koerend moeite doet om de aandacht van zijn uitverkorene te trekken. “Het is niet wat u denkt. Ik heb haar niet vermoord.” “U geeft dus toe dat u mevrouw Ginette kent..” “Ja. Maar niet echt.” “U kent haar of u kent haar niet, zo moeilijk kan dat toch niet zijn?” “Ik heb haar maar één keer gezien.” “Ok. Dus u kent haar niet maar u hebt haar wel gezien. Wanneer was dat dan?” “Een paar weken geleden. Rond moederdag.” “En waar hebt u haar gezien?” “Ik was onderweg naar huis. Ik woon in Grandville een paar kilometer verderop. Ze stond in panne met haar brommer en ik heb haar geholpen.” “En hoe hebt u dat gedaan? Kent u iets van bromfietsen?” “Nee. Niet veel. Het was warm en ik zag dat ze moeite had om de kapotte brommer de heuvel op te duwen. Toen ben ik gestopt en ik heb haar een lift naar huis aangeboden.” “En de bromfiets?” “Die hebben we in de berm onder de struiken laten liggen. Ze zou die nadien met haar buurman komen ophalen.” LeBoeuf kijkt over de tafel naar Dufour. Een kleine hoofdknik is genoeg. Terwijl Dufour de kamer verlaat om het verhaal te controleren gaat LeBoeuf verder met zijn ondervraging. De zon straalt nu ongenadig fel door het openstaande raam maar LeBoeuf stopt niet. Hij ijsbeert over en weer voor de neus van zijn slachtoffer. “Laat ons nog eens je verhaal overlopen. Je ontmoet Ginette onderweg op de heuvel. Je neemt haar mee in je auto en je brengt haar thuis. En wat heb je daarna gedaan.” “Ze vroeg mij om binnen te komen. Ze wilde me wat te drinken aanbieden. Het was snikheet.” Gilles likt met zijn tong over zijn droge lippen. “Krijg ik een glaasje water, alsjeblief?” “Straks. Eerst nog een paar vragen beantwoorden.” Gilles hangt onderuit gezakt op de harde stoel. Zijn broek plakt aan zijn billen, een zweetdruppel glijdt tergend langzaam over zijn schouderblad langs zijn ruggengraat naar beneden. Zijn antwoorden worden waziger als LeBoeuf telkens opnieuw in dwingend tempo dezelfde vragen herhaalt. ‘Waar, wanneer, hoe..’ Gilles herinnert zich de ontmoeting met Ginette nog levendig. Elk klein detail.   Het was die dag ook snikheet. Ze had hem binnen gevraagd. Ze vroeg hem in de keuken te wachten terwijl ze even naar de badkamer ging. De hond had van onder de keukentafel naar hem gegromd maar dat maakte hem niet bang. Hij hield van honden. Ze was terug gekomen in een korte short en een wit topje. Ze had mooie benen voor haar leeftijd. Lange, tot bijna aan haar nek. Ze was lief. Ze wilde hem betalen voor de lift maar daar had hij niets van willen weten. Ze hield van bloemen én van schilderen. Hij had haar kunstwerk mogen bekijken. Ze had er eentje in de living hangen, een eerste eigen werk met felle kleuren. Ze had het voor hem van de muur gehaald zodat hij het beter kon bekijken. Hij had de lijnen van haar heupen gevolgd en genoten van het zicht op haar billen maar dat kon hij hier niet vertellen. Ook niet hoe hij ’s avonds in bed genoten had van zichzelf, met haar in gedachten. Hij had sindsdien elke nacht van haar gedroomd, in steeds andere omstandigheden. Ze nam hem mee in haar wereld gevuld met kleuren en genot. Werkelijkheid en fantasie waren niet meer te scheiden. fragment uit manuscript 2015        

Annick G
4 0

De Kandidaat

’En, wat vinden we van ’m?’ ’Geweldig,’ zei Emmy. Voor haar beurt. Er werd dan ook niet op haar uitroep gereageerd. Ik was eerst, dan kwam Theo en daarna pas Emmy. ’Alex, wat vind jij?’ Jacqueline keek me aan met een blik die me weinig keuze liet: ik kon bijna niet anders dan haar enthousiasme bevestigen. Ik kuchte. ’Ik weet het niet,’ zei ik aarzelend. ’Je wéét het niet? Wat weet je niet?’ Jeroen H. beschikte over de juiste papieren, de juiste ervaring en de indruk die hij zojuist had achtergelaten was ronduit sympathiek, kundig en gedreven. Een lot uit de loterij. En dan durfde ik nog ’ik weet het niet’ te mompelen. ’Wat bevalt je niet aan hem? Zijn haardracht?’ Jacqueline lachte schamper. Waarschijnlijk dacht ze dat het zoiets primitiefs was: ik was jaloers op zijn volle bos, terwijl ik mijn schaarse hoofdhaar noodgedwongen millimeterde. Of was ik misschien bang dat Jeroen H. té goed was, vroeg ze vals. Dacht ik dat hij een bedreiging vormde, dat hij me over een jaar of twee voorbij zou streven? ’Onzin,’ zei ik, maar het klonk zwak. ’Het is een gevoel.’ ’Een gevoel.’ Ze keek me afkeurend aan en draaide haar hoofd naar Theo. ’Wat vind jij?’ ’Doen, zou ik zeggen.’ Doen, zou ik zeggen, imiteerde ik het gefleem van Theo in mijn hoofd, maar blijkbaar had ik mijn gezichtsuitdrukking niet in bedwang. ’Ja, nou moet je ophouden, Alex,’ zei Jacqueline scherp. ’Je komt nú met de reden van je twijfel op de proppen, of je houdt je mond dicht.’ Het had weinig gescheeld, of ze had ’bek’ gezegd, maar wist zich nog te beheersen. We gaan hier respectvol met elkaar om. ’Ik vond hem ook erg goed overkomen,’ zei Emmy. Opnieuw te vroeg, maar dit keer werd haar positieve reactie aangegrepen om van mijn getreuzel af te zijn. ’Goed, dan denk ik -’ ’Hij had S5,’ zei ik. ’Sorry?’ ’Jeroen H. Hij had S5.’ Alle blikken waren nu op mij gericht. Ik zag ze denken: S5, S5, S5? ’Waar heb je het in hemelsnaam over?’ ’Of eigenlijk, S3,’ zei ik, maar ik zag direct dat die correctie het begrip niet vergrootte. ’S3…’ Jacqueline keek naar haar Ipad en veegde door Jeroen H.’s sollicitatiebrief. ’Het staat niet in zijn brief,’ zei ik. ’Logisch. Als ik in zijn schoenen zou staan, zou ik dat ook niet doen. Niemand zou dat doen. Het is nou niet bepaald een aanbeveling.’ ’Kun je ons misschien even uitleggen waar je het over hebt? What the fuck is S5, of nee, S3?’ ’Als je in militaire dienst moest, werd je geestelijk en lichamelijk gekeurd. Je kreeg een onderzoek. In het leger kreeg alles een afkorting. LiBoZa stond voor linker bovenzak, een WaWa was een waterwagen… Het onderzoek kreeg de afkorting ABOHZIS: algemeen, bovenste ledematen, onderste ledematen, horen, zien, intelligentie. De S stond voor stabiliteit.’ ’Waar Jeroen H. een 5 voor scoorde, of een 3.’ Ik knikte. ’En dat is niet goed? Een 5, of een 3?’ Ik schudde mijn hoofd. Jacqueline keek me taxerend aan. ’Jij had zeker een negen of een tien?’ Het klonk niet alsof ze me complimenteerde. ’Een één. Ik had voor alles een één.’ Emmy schoot in de lach die ik met een kille blik smoorde. ’Zeven keer een één is de beste score die je kunt halen. Ik was maximaal inzetbaar, op alle fronten.’ ’Op alle fronten,’ mompelde Jacqueline. ’En hoe weet je dat, van Jeroen H.?’ ’Ik heb met hem in militaire dienst gezeten. Beter gezegd: ik zat in militaire dienst en Jeroen was er binnen twee weken weer uit. Hij heeft zich af laten keuren. Vroeger heette dat S5: voorgoed ongeschikt voor het leger. Toen ik in dienst moest, was dat begrip inmiddels veranderd in S3, verminderd plaatsbaar, maar iedereen noemde het nog steeds S5, vanwege de dramatische lading, denk ik.’ Ik keek om me heen, maar niemand scheen die dramatische lading ook maar enigszins te voelen. ’Toen ik H.’s brief las, dacht ik: hé, die naam ken ik. In een plakboek uit die tijd vond ik een lijst met namen die werd opgesteld toen we de eerste twee weken op introductie-bivak moesten. Jeroen H. staat er ook op.’ Ik trok de lijst uit mijn map en schoof hem over tafel naar Jacqueline. Ik had er beter een kopietje van kunnen maken, zag ik nu, want het ding zag er nogal smoezelig uit. Dat kon ook niet anders. De lijst was dertig jaar oud. ’Hoe weet je dat het dezelfde Jeroen H. is?’ Jacqueline raakte het papier niet eens aan. ’Het is nou niet bepaald een veelvoorkomende achternaam,’ zei ik. ’Bovendien is zijn geboortedatum identiek aan de eerste zes cijfers van zijn dienstnummer.’ ’Goed, hij heeft zich af laten keuren. S3. Weet je wat mijn dochter nu zou zeggen, Alex?’ Jacqueline keek theatraal om zich heen. ’Lekker belangrijk.’ Theo maakt een hinnikend geluid. ’Er waren jongens die alles uit de kast haalden om afgekeurd te worden,’ ging ik dapper verder. ’Ze fingeerden chronische rugpijn of slechte ogen, anderen simuleerden psychische klachten. Er waren er bij die hun moeder meenamen naar de keuring, of een schaap.’ ’Een schaap?’ Emmy maakte onbedoeld een bijpassend geluid. ’Jongens die tot zoiets in staat zijn, zullen later… Ze zijn instabiel, niet te vertrouwen, manipulatief.’ ’Maar Jeroen H. werd blijkbaar toch goedgekeurd, anders was hij toch nooit met jou op introductie-bivak gestuurd?’ Theo bloosde om zijn eigen scherpzinnigheid. ’Dat klopt, maar tijdens die eerste twee weken probeerde hij alsnog afgekeurd te worden.’ ’En met succes?’ ’Ja.’ ’Nou, dat had hij dan mooi voor elkaar,’ zei Theo. ’Dat scheelde toch weer twaalf maanden zinloos oorlogje spelen.’ ’Zestien. We werden opgeleid tot dienstplichtig officier.’ ’Officier, toe maar,’ zei Jacqueline. ’Ik wist niet dat jij ooit een hoge pief in het leger was.’ ’Tweede luitenant.’ ’Is dat hoog? Ik heb echt geen idee. Vroeger, als kind, speelde ik wel eens Stratego met mijn broers, maar de volgorde van die poppetjes ben ik even kwijt.’ ’O ja, Stratego,’ grinnikte Theo. ’Jeugdsentiment. Je had toch ook van die bommen? Die kon je alleen opruimen met speciale mannetjes… Kom, hoe heten ze nou?’ Ze keken alle drie nadenkend voor zich uit, Emmy voor de vorm, want zij wist niet eens wat Stratego was. ’Mineurs,’ zei ik. ’Ja, mineurs! En er was toch ook een spion?’ Ze glimlachten nostalgisch. ’Dus jij werd tweede luitenant en Jeroen H. werd niets. Die kreeg 3S,’ zei Jacqueline, de draad weer oppakkend. Ze keken me alle drie spottend aan. ’S3,’ corrigeerde ik kregel, ’maar daar gaat het niet om. Het gaat om de manier waarop.’ ’De manier waarop?’ ’Waarop hij zich liet afkeuren.’ ’Nam hij een schaap mee?’ opperde Emmy. ’Nee, hij ging in de latrine liggen slapen,’ zei ik stuurs. Het bleef een hele tijd stil. Ik nam aan dat ze die situatie nu visualiseerde: Jeroen H. in zijn slaapzak in die latrine. Ik deed dat in ieder geval wel. Na al die jaren trok er nog steeds een rilling over mijn rug. ’Wat is een latrine?’ vroeg Emmy. ’Een latrine is een wc,’ zei ik, ’een openbaar toilet. Stel je er niet te veel bij voor. Tijdens dat introductie-bivak was het niet meer dan een ronde kuil in het bos met een stok in het midden. Vanwege de privacy stond er een scherm omheen, een groen zeil. Jeroen H. vertrok elke nacht met zijn slaapzak naar de latrine om daar te slapen.’ Emmy knikte ernstig. ’Waar was die stok voor?’ vroeg ze. ’Om te richten. Mannen hebben graag iets om op te richten. Vergelijk het maar met zo’n vlieg in een urinoir.’ Ik zag aan haar gezicht dat ze geen benul had waar ik het over had. ’Maar goed, dan praten we over… hoelang geleden? Vijfentwintig jaar?’ vroeg Jacqueline. ’Dertig. Maar dat is niet relevant. Wat ik wil zeggen is dat hij niet goed bij z’n hoofd is. Hij heeft verdorie S5!’ ’Maar hij spéélde het toch? Hij was toch niet écht gek?’ Theo keek me aan alsof hij een kind omzichtig probeerde uit te leggen dat sinterklaas niet bestaat. ’Ja, hij deed het gewoon om niet in het leger te hoeven,’ zei Emmy dommig. ’Ik begrijp zoiets wel, hoor.’ ’Ach, stomme trut! Je weet niet waar je het over hebt! Een minuut geleden wist je niet eens wat een latrine was en nu vind je het wel begrijpelijk.’ ’Alex, ik denk niet -’ begon Theo met zijn zalvende stem. ’Hou jij je er alsjeblieft buiten? Wist je dat types als jij tot halverwege de jaren zeventig sowieso S5 kregen?’ Theo trok wit weg en keek geschokt naar Jacqueline. ’Wat bedoel je daarmee, Alex?’ vroeg ze scherp. ’Met types als jij?’ ’Ja, wat bedoel je daarmee, Alex?’ stamelde Theo. ’Dat zou ik echt heel graag willen weten.’ Ik griste het papier van tafel, schoof het terug in mijn map en stond vloekend op. Waarom zagen ze het niet? Waarom roken ze niet die afgrijselijke stank? Bij de deur draaide ik me om. ’Hij ging met zijn haar in de pis liggen. Zo liep hij de hele dag rond, met zijn gore, stinkende plakhaar. Alleen maar om afgekeurd te worden.’ Jacqueline keek me meewarig aan. Zie je wel, zag ik haar denken, dus tóch vanwege z’n haar.

Grand Foulard
2 0

Verloren - hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 - Dromen en vluchten nu Een zachte wind blies over het groene weiland waar een jonge vrouw en haar dochter aan het spelen waren. Het gras stond hoog en op sommige plekken piepten kleine madeliefjes uit de grond. De bruinharige peuter had een kroontje van de bloemetjes in haar haren en haar kleine handje schoot de hele tijd naar haar hoofd om te voelen of het nog steeds op haar lange haren hing. Een kleine lach sierde de lippen van de vrouw die toekeek hoe haar lieveling in het rond draaide. De handen van de vrouw hielden vol liefkozing de handjes van het meisje vast. Telkens als de vrouw haar optilde en hoog in de lucht zwierde, gierde het meisje het uit van het lachen. De glimlach van de jonge vrouw werd telkens groter en groter bij het zien van het lachende meisje. Na een tijdje ging het meisje moe op de grond zitten en staarde naar de lichtblauwe lucht boven zich, alsof er niets aan de hand was. Alsof niemand hen stond te bekijken. Niet veel verder van het tafereel stond ik te kijken, vanaf het donkere gedeelte aan de bosrand. Ik voelde hoe mijn lippen in een grijns gleden en hoe warmte zich door mijn lichaam verspreide. De liefde die de jonge vrouw aan haar dochter gaf, straalde uit haar ogen. Ik keek toe hoe de moeder van het meisje naast haar ging zitten en mee naar de lucht tuurde. Een steek van jaloezie gleed als een mes door mijn hart heen toen ik hen zo samen zag. Boven mijn hoofd lieten blaadjes zich als stofdeeltjes door de lucht heen zweven om daarna met zachte plofjes op de bosgrond te vallen. Zelfs de zachte neerdaling van de gekleurde bladeren liet me koud terwijl ik met een gebroken hart naar de jonge vrouw keek. Even later keek ik weg van het paar en tuurde de hemel in. Ik had het in eerste instantie niet doorgehad maar de bries die weer over het weiland had neergedaald maakte mijn wangen koud. Toen besefte ik het, dat ik aan het huilen was. Geluidloze tranen rolden als stroompjes over mijn wangen heen en maakten donkere vlekken op de witte stof waarin ik gehuld was. Ondanks dat het herfst was, stond ik in een zomerjapon op mijn blote voeten in het bos. Mijn donkere haren lagen onbewogen op mijn schouders hoewel er nog steeds een briesje waaide. Een zachte stem onderbrak mijn gestaar naar de hemel en met ogen vol kwetsbaarheid keek ik naar de persoon waarvan de stem afkomstig was. Het kleine meisje keek met grote ogen gevuld met nieuwsgierigheid naar mijn verschijning. Geschrokken zette ik een stapje naar achteren en verdween zo snel mogelijk achter een boom. “Je moet niet voor me weg rennen,” haar stem was nog zachter dan de wind. Ik knikte, nog steeds geschrokken en met wilde ogen, naar het meisje. Ondanks dat ik wat wilde zeggen, bleven de woorden in mijn keel zitten. Zonder angst zette het kindje een stapje naar voren en stak haar bleke hand uit. “Wil jij met mij spelen?” Ik keek in de blauwgroene ogen van het meisje en schudde zachtjes mijn hoofd. Teleurgesteld liet het meisje haar handje zakken en met haar grote kijkers wierp ze me een smekende blik toe. Een blik die ik maar al te goed kende. Nerveus beet ik op mijn onderste lip, een vervelende gewoonte als ik zenuwachtig was. “Lieverd? Wat doe je hier?” De stem van de vrouw liet me nog harder schrikken en als een schuw dier probeerde ik me geheel te verschuilen achter de boom. Het jonge meisje draaide zich om naar haar moeder en even dacht ik dat ze mijn schuilplaats ging verklappen, maar verassend genoeg deed ze dat niet. Ze nam de hand van de oudere vrouw vast en schonk haar een glimlach. “Lieverd, je weet dat je niet in het bos mag,” de vrouw wierp een blik naar de boom waar ik me achter verschool. Daarna verplaatste ze deze verder het bos in. “Het is gevaarlijk daar. Dat weet je.” Haar stem werd zachter en ze wreef bezorgd over de donkere haren van haar dochter. Het meisje knikte gehoorzaam en liep weg van de bosrand, met haar moeder voor zich. Maar voor ze de bosrand bereikte, draaide ze zich nog één keer om en schonk me een laatste glimlach toe. “Wacht…” Mijn hese stem was slechts een fluistering maar toch stopte het kindje en diende mij een verwachtingsvolle blik toe. Ik kwam verlegen vanachter de boom vandaan en begaf me met voorzichtige stapjes dichter naar het meisje toe. De oudere vrouw wende zich argwanend om en keek recht in mijn ogen. Mijn geopende mond klapte dicht maar toen zag ik in dat ze niet naar mij keek maar door mij heenkeek. De tranen waren in enkele seconden weer in de hoeken van mijn ogen en dreigden voor een tweede keer over mijn wangen te vallen. Met mijn laatste kracht hield ik mijn gebroken hart vast, in de hoop dat ze niet verder ging breken, en zette een allerlaatste pas naar voren. Zodat ik recht voor de vrouw stond. “Lieverd, ik denk dat het tijd wordt om naar huis te gaan.” “Maar mama…” “Liefje, er valt hier niets te zien…” Het viel me op dat de jonge vrouw haar rechterhand om een hanger rond haar nek heen sloot en prevelend naar het gebied achter mij keek. Ze nam haar dochter in haar armen en na een laatste wantrouwige blik, draaide ze zich om en liep het weiland op. “Mam…” Met mijn hand uitgestrekt liet ik de fluistering over mijn lippen heen dwalen voor het beeld van het paar in barsten uiteen spatte en mijn hart gebroken achterliet, helemaal alleen in het duister met enkel een hanger rond mijn nek die ik vurig in mijn hand drukte.   Badend in het zweet en met een wilde blik in mijn ogen schoot ik wakker. Mijn haren kleefden als natte bladeren aan mijn voorhoofd terwijl koude tranen over mijn wangen rolden. Ruw wreef ik mijn wangen droog, draaide me om en duwde mijn gezicht in het hoofdkussen. Het donkere van mijn gesloten ogen maakte me rustig en ik slaakte een gefrustreerde zucht. Ik had nog nooit in mijn hele leven zo’n levendige droom gehad, zeker niet als het om een herinnering aan mijn moeder ging. Heftig nahijgend van de droom woelde ik om even later rechtop in bed te gaan zitten. Minutenlang staarde ik mijn schemerende kamer in. Mijn gedachten kronkelden ongeloofwaardig door elkaar toen plotseling de deur openvloog en even later voelde ik hoe mijn matras een beetje inzakte en warme armen om me heen gleden die me nog geen seconde later loslieten. “Verona, waaro- waarom gilde je?” De zachte stem van mijn vader deed me ineenkrimpen en mijn ogen draaiden kort zijn kant op, zodat ik nog net zijn bezorgde blik te zien kreeg. Ik had niet eens doorgehad dat ik had geschreeuwd. “Concentreer je op je ademhaling.” Ik deed wat er van me gevraagd werd en probeerde mijn ademen onder controle te houden door telkens tot vijf te tellen. Mijn moeder had het me vroeger geleerd om mijn paniekaanvallen te minderen. Niet dat het altijd hielp, maar deze keer deed de herinnering aan mijn moeder me meer pijn dan ooit. De droom had zo realistisch geleken, alsof ik er echt deel van had uitgemaakt. Na een tijdje had ik mijn ademhaling onder controle en durfde ik mijn vader aan te kijken die ondertussen weer opgestaan was. “Ben i-ik ooit met mam naar een weiland geweest?” Aan zijn gezichtsuitdrukking te zien, wel, maar hij zei niets en sloeg zijn ogen neer. Zoals hij wel vaker deed sinds moeder verdwenen was. Het deed me pijn dat de trotse man die hij ooit geweest was, verdwenen was. Net als mijn moeder. Ik keek hem nog steeds aan, langer dan ik normaal gezien deed. “Pap?” Hij zuchtte diep voor hij zijn handen in de zakken van zijn pyjamabroek schoof: “Ja, een enkele keer. Maar dat zou je je niet kunnen herinneren. Je was vier jaar oud…” Ik slikte de opkomende woordenwaterval weg en knikte. “Waarom vraag je me dat?” “Ik euh, ik dro- ik vroeg me het af.” Zonder verder acht te slaan op mij, keerde zijn bezorgde blik om naar de afstandelijkere versie die ik minder graag had maar waar ik wel beter tegen kon praten. Hij zuchtte, in zichzelf gekeerd, en draaide zich om en liep door mijn slaapkamerdeur heen. Deze liet hij op een kier staan, dat deed hij wel vaker als hij in zichzelf was. Het antwoord van mijn vader stond me niet aan, maar vooral om de echtheid van de droom maakte ik me zorgen. Twijfelend sloeg ik de dekens van me af en trippelde naar de kleerkast. Mijn opkomende tranen inslikkend, greep mijn hand als een automatisme naar de hanger om mijn hals en toen ik de koele steen in mijn hand voelde, daalde er een gerustgesteld gevoel als een deken over me heen. Ik opende de kastdeur en tuurde in de spiegel die aan de wand hing. De hanger was gemaakt van een speciaal soort edelsteen dat mijn moeder altijd al had gefascineerd, de Apachetraansteen. Het had een donkerbruine bijna zwarte kleur die volgens mijn moeder, en vele experts, negatieve energie absorbeerde en droefheid verlichtte. Ik had er nooit met een volledige zekerheid achter gestaan, mij hielp het in ieder geval niet. Maar het was één van de enige erfstukken die ik had gekregen na de tragische verdwijning van mijn moeder. Mijn ogen gleden van mijn hanger naar mijn slanke nek om daarna naar mijn bleke gezicht te glijden om te eindigen bij mijn blauwgroene ogen. Het was een raar contrast, mijn donkere haar en de opvallende ogen. Ook mijn bleke huid deed er niet veel beter op aangezien het mijn ogen nog harder de aandacht liet trekken. Ik zuchtte terwijl mijn aandacht zich verplaatste naar de hoop kledij die zich in mijn kast had opgehoopt tot een hoogte die je kon vergelijken met die van de Mount Everest. Dat deed me eraan denken dat ik dringend de was zou moeten doen voor ik huisarrest kreeg of een andere onnuttige straf die mijn leven hier in Temple nog veel erger zou maken. Na enkele minuten getwijfeld te hebben over het ruitenrokje of de zwarte gescheurde jeans, en gekozen te hebben voor de jeans in combinatie met mijn zwarte hoodie, liep ik de trap af richting de keuken. In de gang die de hal, de keuken en de living verbond, zag je na al die jaren nog steeds de verkleurde vlekken van fotokaders op het behang die mijn stiefmoeder, wat haatte ik dat woord, had weggehaald enkele maanden nadat ze was getrouwd met mijn vader. Zij had ze weggegooid, in de hoop ze nooit meer te hoeven zien maar ik hield nog steeds van mijn moeder en de gedachte zonder haar foto’s in het huis deed pijn. Dus diezelfde dag nog ben ik elke fotokader uit de container gaan halen om ze in een doos te steken die, tot de dag van vandaag, nog steeds veilig onder mijn bed stond. Nog voor ik de deurklink had aangeraakt, hoorde ik mijn naam vallen, doordrenkt onder het sarcasme van mijn stiefzus die mij niet kon uitstaan, en noem het toeval of niet maar ik kon haar ook niet uitstaan. En ving ik net het einde van het gesprek op. “…aait om Verona! Ze hoort hier niet thuis mam, maar daar!” “Lieverd, we weten dat je bezorgd om haar bent. Maak je geen zorgen, straks zal ze de zorgen krijgen die ze nodig heeft.” Mijn mond viel open terwijl ik een diepe zucht hoorde die vermoedelijk uit de mond van mijn stiefmoeder rolde. Ik had nooit iets ergs gedaan waardoor ze op deze manier over mij zouden moeten praten. Mijn hoofd tolde en draaide overuren terwijl ik nog steeds stomverbaasd de deur aankeek. Nog geen seconde later keek ik in de woedende blauwe ogen van een meisje, iets ouder dan ik. “Ga aan de kant. En sluit je mond.” Met mijn ogen vol onbegrip staarde ik haar na nadat ze de trap was opgerend en met een luide klap haar kamerdeur had dichtgegooid. Daarna durfde ik amper de keuken weer in te kijken. “Essie liefje! Reageer zo niet overhaast!” Voor ik ook maar één voet in de kamer had gezet, duwde een mollig persoon me omver om haar dochter achterna te gaan zonder mij ook maar een blik waardig te gunnen. Voor Isabel, mijn stiefmoeder, was ik onzichtbaar, zelfs nog minder dan de lucht om haar heen. Om mijn woede te bedaren, balde ik mijn vuisten en haalde enkele keren diep adem voordat ik de keuken instapte. Aan de andere kant van de ronde ontbijttafel zat mijn vader met een kop koffie en de krant in zijn handen. Alsof hij het voorval van nog geen minuut geleden niet had bijgewoond. Ik slikte zenuwachtig terwijl ik de deur zachtjes achter me sloot om te voorkomen dat hij gestoord werd, maar ik hoorde hem de krant dichtvouwen en voelde hoe zijn zachte bruine ogen me aanstaarden. Voor het eerst in tijden zag ik in zijn ogen een glimp van triestheid die er al jarenlang niet meer was geweest. “Ga zitten Rona.” Mijn ogen schoten open wanneer ik mijn koosnaampje hoorde dat enkel mijn moeder gebruikte, toen ze nog bij ons was. Ik had in lange tijd die naam niet meer gehoord en de herinnering van de droom zat nog vers in mijn geheugen. Na enkele seconden ging ik in de stoel naast hem zitten en vouwde mijn handen in elkaar. Het bleef enige minuten stil tot hij zijn leesbril afzette en mijn hand vastnam. Mijn emoties vlogen op en ik voelde hoe dikke tranen zich in mijn ooghoeken opwelden. Ik voelde dat er iets was en niet op een positieve manier maar eentje die je naar je borst deed grijpen en je in ademnood liet zitten. “Wat is er aan de hand pap?” Hij schudde zijn hoofd en keek schuldbewust naar beneden. “Nee.” Toen keek hij op, “Wat zeg je lieverd?” “Dat gebaar, stop daarmee,” ik slikte toen ik mijn vaders gezicht zag, “Het spijt me pap maar vertel me gewoon wat er is.” Zijn adamsappel bewoog nerveus omhoog en even zei hij niets maar ik zag voor dat hij zijn mond opendeed dat het hem pijn deed om dit te vertellen, wat het ook was. Ik slikte de tranen dieper weg en probeerde zo neutraal mogelijk te kijken. Daarna overhandigde hij me een enveloppe. Mijn wenkbrauwen zonken naar beneden en met onbegrepen blik staarde ik hem aan. “Wat is dit?” “Open hem maar.” De druk in mijn borst nam toe toen ik met trillende handen een stuk papier van de enveloppe scheurde. Met een zachte plof, viel er een dik document op de het houten tafelblad neer en terwijl er enkele seconden verstreken durfde ik het niet aan te raken, bang voor wat het ging zijn. “Verona… Lees het, lieverd.” Mijn bleke hand raakte het papier aan en trillend probeerde ik het open te vouwen. Mijn ogen gleden over het officiële gebruik van mijn volledige naam naar beneden. Vaag hoorde ik mijn vader zich verontschuldigen en voelde ik een arm over me heenslaan maar de wereld rond mij heen verdween en het enige waar ik aan kon denken waren de woorden die op het papier stonden. Ik besefte enkele seconden later dat ik aan het wenen was maar niet uit verdriet maar uit woede. Als een gebeten hond vloog ik op en voor ik alles en wel besefte kletste de stoel op de grond. Met een giftige blik keek ik mijn vader aan alvorens ik de papieren in zijn gezicht smeet. “Hoe… Hoe durf je mij dit aan te doen?” Ik beefde onder zijn aanraking. “Hoe durf je!? I-“ Zijn aanraking brandde en ik kon niet in zijn ogen kijken, zijn ogen die zo vertrouwd voor me waren. Ogen van een wolf onder een lammetjesvel. “Hoe durf je… Hoe durf je jezelf een vader te noemen?” Ik zag hoe hard de woorden hem kwetsten, hoe mijn woorden in zijn ziel sneden als glasscherven maar dat liet me koud. Wat hij me had aangedaan deed pijn en liet mijn hart bloeden. “Het is voor je eige-“ “Hoe durf je? Me naar een gekkenhuis sturen? Wat heb ik je ooit misdaan?” Die woorden uitspugend rende ik de keuken uit en probeerde zoveel mogelijk lawaai te maken. Toen ik de trap op rende, voelde ik de vijandigheid van Estelle en Isabel maar voor ze ook maar één woord hadden gezegd, opende ik mijn mond voor de eerste keer in heel de zeven jaar dat ik bij hen had gewoond. “Hou je bek! Ik moet jullie lullig antwoord niet horen dus hou verdomme je bek!” Estelle nam mijn arm vast en hief haar hand om mij te slaan maar ik was sneller en sloeg haar in het gezicht. Haar ogen keken geschokt mijn kant uit en ik hoorde Isabel een verontwaardigd gilletje slaan. In normale omstandigheden zou ik nu smekend op de grond zitten bedelen om vergiffenis maar deze keer liet alles wat er gebeurde me koud. Ik voelde me voor het eerst voldaan en de moed die ik amper in me had gloeide hevig op. Voor ze konden reageren, was ik mijn kamer al in gespurt en had ik de deur op slot gedraaid. Er was geen enkele mogelijkheid dat ze naar binnen konden komen. Maar de adrenaline die even vurig was opgelaaid, viel als een harde baksteen weer neer en alvorens ik het besefte knikten mijn knieën van spanning. De woede die al jarenlang in me verborgen zat laaide als een vuurtje weer op en als een razende gek greep ik een sporttas uit een andere kast. Ik hoorde hoe mijn vader boos op de deur begon te bonken en de krijsende verwijten van Estelle afwisselend met die van Isabel. Desalniettemin begon ik lukraak kleren uit de kleerkast te trekken en in de zak te proppen. Ook stak ik enkele herinneringen aan het vroegere leven met mijn moeder erbij, een paar foto’s en enige spullen die ik nodig zou moeten hebben. Daarna nam ik de autosleutels van de auto die mijn vader voor mijn zeventiende verjaardag had gegeven en opende het raam. Na al die jaren was ik blij dat ik uiteindelijk niet de zolderkamer had gekregen. Ik sloeg de zak over mijn schouders, zwierde mijn been over de vensterbank en net voor ik klaar was om te springen, hoorde ik de scharnieren van mijn deur openknallen. Zonder nog achteruit te kijken zette ik me af en sprong vanuit de eerste verdieping op het donkergroene gras. Op weg naar mijn uiteindelijke vrijheid.

Yenna
0 0

Geheugenverlies - Een verhaal in vijfhonderd woorden.

Ik kom bij bewustzijn in de badkamer liggend in de douche. Opstaan lukt me niet, de stroom van water die naar beneden giet houdt mijn lichaam aan de grond genageld. Moeizaam breng ik een arm naar de doucheknop, vouw mijn hand eromheen en draai de kraan dicht. Ik glij uit over kotsresten terwijl ik probeer de douche uit te kruipen. Ik werk mezelf een weg uit het braaksel omhoog naar de wastafel. Ik spoel mijn gezicht met koud water en veeg de condens van de spiegel. Ik heb bloeddoorlopen ogen en ben lijkbleek. Om me heen liggen mijn met kots doordrenkte kleren. Er flitsen nachtmerrieachtige beelden door mijn hoofd. In mijn poging mezelf te kalmeren gooi ik nog wat water in mijn gezicht. De beelden wisselen elkaar in hoog tempo af. Alsof ik getuige ben van een leven dat geen chronologische volgorde kent. Is het mijn leven? Mijn hoofd duizelt, ik weet mijn eigen naam niet eens! Is dit überhaupt wel mijn huis? Het zweet breekt me uit. Strompelend loop ik de badkamer uit naar beneden. Elke krakende tree echoot door mijn hoofd. Beneden tref ik een woonkamer in complete chaos aan. De vloer is bedolven onder lege bierblikjes en etensresten. Op de salontafel in het midden van de kamer liggen de gebroken resten van enkele flessen sterke drank en een verfrommeld pakje sigaretten. Ik haal een sigaret uit het pakje op tafel en zak neer op de zwarte lederen bank. Terwijl ik het kalmerende effect van de sigaret op me in laat werken zie ik op de salontafel iets opmerkelijks liggen. Tussen de scherven liggen tientallen fel gekleurde zegeltjes met printjes erop. Lang hoef ik niet na te denken, ik heb lsd gebruikt. Geen wonder dat ik me nu zo naargeestig voel, maar ik voel tenminste nog iets. Aanwijzingen heb ik nodig, dingen die me iets kunnen vertellen over wie ik ben, over wat er gebeurd is. Bovendien moet ik schone kleren hebben. Ik struin het hele huis af, maar ik vind niets. Geen administratieve papieren, geen mobiele telefoon, geen identiteitsbewijs, geen bankpas of kleren. Alles lijkt met voorbedachte raden te zijn verwijderd. Mijn verschrikkelijke honger brengt me naar de keuken, waar ik een briefje op de koelkast zie hangen. ‘Mits het ons is gelukt ben je het overgrote deel van je geheugen kwijt. Ik spreek van ons, want ik hoop dat jij opnieuw kunt beginnen, jij draagt mijn verleden niet met je mee. Dat maakt jou fundamenteel anders dan ik, jij bent opnieuw geboren. Kijk achter de losse steen in de muur van de tuin.’ In de tuin tref ik een grote hoop as aan. Het moet geregend hebben, want een deel is niet goed verbrand. Achter de losse steen ligt een kistje met een klein vermogen erin. De erfenis van een verleden dat ik wilde kwijtraken. Ook zit er nog een briefje bij. 'Nieuwe kleren in de kelder.’ Voordat ik de kleren pak, maak ik met wasbenzine af wat de regen getracht heeft te stoppen.

Atlas
6 0

donderdagavond ben ik je man !

Langzaam kwam Hans uit zijn gehurkte positie rechtop. Zijn knietjes en zijn zwarte schoenen kraakten daarbij om ter luidst en dat was naast zijn onrustige zware ademhaling het enige geluid in de lege kamer. Op de grond voor hem lagen de briefjes waarmee hij een tijdje zoet was geweest. Als puzzelstukjes had hij die papiertjes in de juiste volgorde gelegd, op elk van die briefjes stond een woord. Nu Hans rechtop stond waren zijn bolle wangen rood als een gezonde radijs en zweetdruppeltjes parelden op zijn slapen. als het kan en het ok is voor jou ben ik elke donderdagavond je man Hij las de zin steeds opnieuw in de stille hoop er nog iets anders van te kunnen maken en tijdens dat lezen kneep hij zijn varkensoogjes tot kleine spleetjes en trok daarbij enkele rimpels in zijn grote voorhoofd. als het kan en het ok is voor jou ben ik elke donderdagavond je man Hij had verdomme liever een middeltje gevonden om uit deze kamer te ontsnappen ! Een sleutel.. een hint.. iets ! En hij had verdomme ferm honger en dorst en was de situatie waarin hij was terecht gekomen klote beu ! als het kan en het ok is voor jou… Een vermoeide, dikke volwassen man in een lege kamer. Geen in-of uitgang. Niet 1 deur of luikje of venster die hij wel met veel plezier had willen stuk stampen ! Verdomme ! Enkel grauwe muren en een gladde zwarte vloer rondom hem. Hij stond middenin een kale doos met boven hem een peertje dat reeds lange tijd treiterig een zacht roze licht op hem wierp. als het kan en het ok is.. Wat had hij daar nu aan ? Hans was stijlvol zwart gekleed maar na de avonturen die hij het voorbije etmaal mocht doorstaan waren zijn kleren reeds ferm gehavend. Het zachte licht weerkaatste in de zweetdruppeltjes die langzaam over zijn wangen naar zijn kin gleden. Hij sloot zijn ogen.  Rustig worden, kerel, zo ga je geen oplossingen vinden, dit heeft geen zin.. Diepe zucht. Het spookte in zijn kop. Hoe was hij nu weer in deze situatie terecht gekomen ? Juist ja, het begon uren geleden toen hij het leslokaal verliet en naar huis ging rijden..

Nanek
1 0

EEN HOPELOOS GEVAL ?

«Consequent gedrag is iets voor mensen zonder verbeelding.» (Oscar Wilde: °Dublin 1854 - +Parijs 1900)   “Doe geen moeite, man,” zei de vrouw op de kruk naast hem, toen Glenn haar beleefd een drankje aanbood. “Jullie mannen zijn immers allemaal hetzelfde. De besten als het erop aan­komt een vrouw het bed in te lullen. Maar eens het grote werk! Ho, maar!” Verwonderd keek hij haar aan. Ze was een bijzon­der knappe vrouw van een jaar of vijfen­twintig, hooguit dertig, met halflang blond haar dat golvend over haar schou­ders viel. Uitermate smaak­vol gekleed, droeg ze onder­meer een lange rok met huive­ring­­wek­kend hoge split, die af en toe een flink stuk van een welgevormd dijbeen onthul­de. “Nou,” reageerde Glenn, terwijl hij zijn glas oppakte en wat dichter naar haar toeschoof, “jij bent ook niet op je mondje gevallen, zeg!” “En jij?” antwoordde ze, hem geringschattend opnemend. “Als jij maar niet op wat anders bent gevallen!” “Drink je nog wat, of hoe zit het?” vroeg hij, stilaan toch wat opgelaten. “Goed, goed, als je aandringt.” Ze wenkte de barman: “Voor mij een dubbele whisky, op de rekening van meneer, hier.” Toen ze Glenn weer aankeek, glimlachte ze verontschuldigend: “Sorry, dat ik zo vervelend doe. Maar ik ben vandaag in een rothumeur.” “Oh, ja?” vroeg hij. “Daar moet wat kunnen aan gedaan worden, niet?” “Wie zal het zeggen?” antwoordde de vrouw effen, het glas dat de barman zojuist voor haar had neergezet oppakkend, en het in één teug leeg­drinkend, waarna ze het met een harde klap weer neerzette. Ze wendde zich tot de bar­man en zei op een toon of ze tegen haar stal­knecht sprak: “Doe nog maar ‘ns vol, mijn jongen. Misschien dat ik dan stilaan in de stemming geraak.” Ze keek weer naar Glenn: “Je vindt het toch niet erg, hé? Dat ik er nog eentje drink op je goeder­tieren?” “Dat hangt er maar van af.” “Waarvan dan?” “Van je verhaal.” “Ha, die is goed,” lachte ze, “en waar zou ik dan moeten beginnen met mijn euh… ver­haal?” “Je zou me kunnen vertellen hoe je heet en wat je zo in de penarie brengt.” “Wel,” zei de vrouw, “ik heet Josiane. Ik ben getrouwd, maar mijn man Willy laat gelukkig allang geen exclusieven meer op me gelden, zodat ik vrij ben te doen en te laten wat IK wil.” “Dat klinkt interessant.” Josiane haalde de schouders op. “Gisteren nog pikte een kerel me op. Ik had er echt wel zin in. Maar oh, wat een afgang!” “Afgang?” “Tja,” antwoordde ze, in een vertrouwelijk ge­baar een hand op Glenns arm leggend. “Sorry dat ik het zo zeg, maar euh… ook jij ziet er me niet bepaald uit als degene die mijn wensen kan vervullen, vrees ik.” “En waarom denk je dat, Josiane?” vroeg hij ernstig. “Omdat,” antwoordde ze, hem doordringend aan­kij­kend, “omdat ik een wel zeer aparte voorkeur heb.” “Ah, ja?” “Ja, weet je, ‘t heeft te maken met mijn jeugd. Toen ik voor de eerste keer… je weet wel. Alle mannen met wie ik sindsdien naar bed ben ge­weest, inclusief die lieve, zorgzame echtgenoot van me, zijn op dat punt in min of meerdere mate tekort geschoten. Het heeft niet zozeer te maken met seksuele potentie of zo, maar met de manier waarop ik wil dat we het doen.” Ze aarzelde even, dronk haar tweede whisky halfleeg en ging toen verder: “De eerste keer toen ik de liefde bedreef, gebeurde dat op een nogal brutale manier, met mijn oom op de boerderij. Hij was een volwas­sen kerel van over de veertig en ik net geen zestien. Sindsdien ben ik eigenlijk maar naar één ding op zoek: naar de vent die me op eenzelfde rechttoe rechtaan manier te grazen neemt. Want met minder, lieve schat, neem ik echt geen genoegen, hoor!” Glenn wist niet wat hij hierop moest antwoor­den. In plaats van recht­streeks op haar uitda­ging in te gaan, vroeg hij: “Zal ik je nog een dubbele whisky trakteren?” “Ja, schat,” zei ze, “doe dat. En laat me dan weten of je nog zoveel zin hebt me te versie­ren.”   *  *  *   Een halfuur later arriveerden ze bij Josiane thuis. “Kom,” zei ze, Glenn naar de keuken meelood­send. “Zoals ik je al zei: voor mij geen ingewik­kelde rituelen vooraf. Ik wil meteen de volle laag.” Ze maakte het licht aan en trok in één ruk het plastic kleed van de tafel. Glenn keek verrast naar het verweerde, gekraste ruwhouten tafel­blad dat fel afstak tegen de rest van het vrij nieuwe, moderne meubilair. “Heb je die speciaal in huis gehaald om euh…?” De vrouw knikte triomfantelijk, terwijl ze liefde­vol haar hand over het op vele plaat­sen zwaar bescha­digde tafelblad liet glijden. “Vrijwel identiek aan die op de boer­derij des­tijds. Ik heb ze per toeval gevonden op een rom­mel­markt.” Ze keek op terwijl ze nog steeds over het bescha­­­digde blad streek. “Weet je,” zei ze, “er zijn maar weinig mannen die eraan willen beginnen, als ze dit werkelijk te zien krijgen. Ze denken dat ik maar een grapje maak, of dat ik niet goed bij mijn hoofd ben.” Ze keek Glenn verwachtingsvol aan. “Kom,” zei hij, “kleed je uit, voor ik van gedach­te verander.” Josiane vloog hem om de hals en kuste hem. “Ik had het moeten weten,” fluisterde ze hees. “Jij bent anders dan die anderen.” Terwijl ze hem bleef aankijken, kleedde de vrouw zich vliegensvlug uit, haar kleren her en der door de keuken gooiend. “Kom, snel,” hijgde ze, nu ze op haar vlees­kleurige, zelfop­hou­dende nylons na, volledig naakt achter­waarts op de tafel klauter­de en met haar blote rug op het ruwhouten blad ging liggen, de dijen uitnodigend voor hem sprei­dend.   Glenn kon amper geloven wat hem nog geen minuut daarna overkwam. Kon het werkelijk dat ze nu al zover was? En ja, inderdaad. Josiane schokte als een wilde en schreeuwde het uit. Toen ze wat bekomen was, trok hij haar voor­zichtig weer overeind. “Oooo…” kreunde ze, “wat was dat fantastisch. Voor de eerste keer in al die jaren. Niet te gelo­ven!” Ontdaan keek de man terloops over haar mooie, naakte schouder. Wat hij toen zag, bezorg­de hem bijna een hartstilstand. Haar hele rug was van onder tot boven bedekt met oude en recentere schaafwonden, en vervaar­lijk uitziende littekens.   Eer Glenn in de gelegenheid was hierover een vraag te stellen, hoorde hij plots het geluid van een sleutel in het voordeurslot. “Oh, Jezus, dat zal mijn man zijn.” “Je man?” Josiane knikte. Jeetje, dacht Glenn. Vliegensvlug kleedde hij zich weer aan. Hij was daar nog mee bezig toen de keuken­deur al openzwaaide. Een reus van een kerel kwam naar binnen. Hij keek spottend, eerst naar zijn vrouw, en dan naar de ander: “Wel, wel,” zei hij schamper, “heeft ze jou ook zover gekregen?” “Zover gekregen?” echode Glenn. “Schat,” zei Josiane, nog naakt op haar man toelopend. “Maak dat je boven bent, slet die je bent,” sprak deze dreigend. “Met jou reken ik straks wel af. Of ben je soms vergeten wat dokter Zilvermann heeft gezegd?” De vrouw grabbelde haar kleren bij elkaar en als een zombie liep ze, zonder nog iets te zeggen, de keuken uit. “Kom mee,” zei haar echtgenoot. “Je zult wel trek hebben in een borrel, zeker?” Zonder Glenns antwoord af te wachten, liep de man hem voor naar de woonkamer, opende de barkast en schonk twee volle glazen whisky in. “Gezondheid.” “Gezondheid,” antwoordde Glenn, terwijl hij op uitnodiging van Josianes echtgenoot op een stoel plaats­­nam. De ander kwam tegenover hem zitten: “Ze heeft je natuurlijk wijsgemaakt dat ze op zoek was naar de ultieme min­naar die haar wil nemen op dat ellendige ding daar.” Hij bewoog zijn hoofd in de richting van de keukendeur. Glenn knikte. “Het probleem met haar is,” vervolgde de ander, “dat ze zo knetter is als een achter­deur, en boven­dien nymfomane ook. Ik durf wedden dat ze veel vlugger haar climax bereikte dan jij ooit kan klaarspelen.” Weer knikte Glenn. “Weet je, eigenlijk zou ik haar moeten laten opber­gen in een instelling. Ik kan mijn hielen niet lichten of ze lapt het me: tot twee, drie keer op een dag als het haar zo uitkomt.” “Ze vertelde me iets over een jeugdtrauma.” “Dat is het enige aan haar verhaal dat klopt. Ze moet in haar jonge jaren door één of andere vieze oom op zo’n afschuwelijke keukentafel zijn ver­kracht en sindsdien heeft zich dat in haar hersenpan vastgezet en wil ze op geen andere manier meer.” “Mmm…” antwoordde Glenn, “ze heeft me dus mooi beetgenomen, als ik het goed begrijp.” “Inderdaad. Iedere man die ze tegenkomt ver­telt ze hetzelfde verhaal. Wat mij betreft: ze doet maar. Ik heb allang de moed opgegeven om haar op andere gedach­ten te brengen.” “En u?” vroeg Glenn. “Als ik vragen mag, wat doet u als u met haar…” Het was een indiscrete vraag, maar hij was gewoon te nieuwsgierig om ze niet te stellen. De man nu lachte als een boer met kiespijn: “Ik…? Je denkt toch niet dat ik met haar nog seks wil hebben! Tegen­woordig met al die AIDS en zo! Nee, hoor! Dan heb ik wel een ander adres voor dit soort pleziertjes! Daarbij, ze mag me dankbaar zijn dat ik haar niet allang de straat heb opgekieperd. Nee, man. ‘t Is erg dat ik het zeggen moet, want tenslotte is ze nog altijd mijn vrouw. Maar Josiane, dat is een hopeloos geval, zoals dokter Zilvermann, haar psychiater, haar noemt.” “Een hopeloos geval?” echode Glenn. De ander knikte. Terwijl Glenn rechtstond en aanstalten maakte om weg te gaan, dacht hij nog: als jij haar maar eens nam op de manier zoals zij dat het lekkerst vindt, misschien dat ze dan op slag genezen is van haar trauma. Echter, hij zei alleen: “Nog bedankt voor de whisky.”  

Yves Taffin
36 0

Bloedmoeder

Mijn naam is één en vele. Ik ben de eerste angstschreeuw. Ik ben de laatste kreet om hulp. Ik ben een vrouw.   Verborgen in de diepste krochten van de aarde, baad ik me in de vlammen van mijn heer. Ik koester zijn vurige tongen die mijn naakte huid strelen. De hitte schroeit de donshaartjes van mijn armen. Ik geniet intens. Hij is mijn heer. Ik ben zijn dame. Wij zijn één en ondeelbaar. Er is slechts één verschil. Ik ben. Hij is.   “Ik wil een kind van je,” fluistert hij. Een vlam glijdt tussen mijn borsten, cirkelt rond mijn hals en kust dan teder mijn lippen. Sidderend van genot sluit ik mijn ogen. “Mijn lichaam mag dan lijken op dat van een aardse vrouw, mijn heer, maar kinderen baren kan het niet.” “Nee,” zucht hij, “ dat zou ik ook niet willen. Het is te mooi om bezoedeld te worden.” Hij kronkelt zich om me heen en prikkelt me op ongekende plaatsen, wat me zacht doet kreunen. “Wij zullen vannacht een kind scheppen en morgenochtend, mijn schat, moet je me verlaten en ernaar op zoek gaan. Het zal gebaard worden door een aardse vrouw wanneer de volle maan in het Huis van de Wachter staat. “Hoe zal ik het herkennen, mijn heer?” “Het zal van ons bloed zijn, schone dame.” “Ik zal een lange tijd wegblijven.” “Ah, maar de nacht is nog jong...”   Ik loop over de naad van de wereld. Een ruwe en ongetemde wereld. De nachthemel wordt gekleurd door rode en oranje schichten. De bergen vlammen purper op als de aarde zich kermend omdraait. De tijd heeft zichzelf nog maar net ontdekt.   Een frisse wind waait door mijn witte haar dat losjes samengebonden is in een lange vlecht. Onverstoorbaar loop ik verder, mijn blik van geronnen bloed vastgeklonken aan de horizon. Ik wijk geen enkele stap van mijn doel. Afwijken betekent sterven. Op dat punt is mijn heer genadeloos. Daarom houd ik ook van hem.   De bloedkoralen slang die om mijn pols gewikkeld zit, wordt wakker en slingert zich over de kille huid van mijn arm en tussen mijn donkergrijze kleding naar boven. Hij legt zich rond mijn hals als een exotisch sierraad en richt zijn kop op tot onder mijn linkeroor.   “Hoe ver nog?” “Tot de dageraad.” “Arandar is een grote stad.” “Ik zal het vinden.” “Het is slechts een kind.” “We delen hetzelfde bloed.” “De tijd haalt ons in.”   Dat wist ik. Het stond in gloeiende letters op het firmament geschreven. Nog even en dan zou de volle maan in het Zevende Huis van de Wachter staan. Het was nog slechts een kwestie van uren.   “Wat als hij niet in Arandar is? Wat als...” “Er is geen andere weg, Niminir. Als ik hem hier niet vind, dan betekent dat het einde.”   Nachtblauw verminkt zichzelf tot een bleek waas van karmozijnrood en turkoois, om dan in het absolute te worden weggedrongen door een achteloos verfrissende gouden zonsopgang. In het dal aan mijn voeten vlamt Arandar verblindend op in het eerste ochtendlicht. Ik adem oppervlakkig, om te vermijden dat mijn gevoelige neus bedwelmd wordt door de stank van duizenden op elkaar geprakte mensen en dieren, en volg het karrenspoor met zekere tred.   De man die de poort bewaakt wordt asgrauw als hij me opmerkt. Het doet me niets. Ik negeer de blik van diepgewortelde angst in zijn ogen en loop door. Hij houdt me niet tegen. Niemand had dat ooit aangedurfd. Niemand zou dat ooit doen.   Ik zoek me een weg tussen de witgekalkte huizen en laat mijn geest onderdompelen in het rumoer van de stad. Een storm van gedachten en emoties glijdt door me heen. Ik gebruik mezelf als filter om er die ene wezenlijke kern uit te halen waarnaar ik op zoek ben. Onzichtbaar voor het menselijk oog, verlaat de volle maan het zevende Huis. Niminir sist. Hij weet het. Het puntje van zijn staart trilt lichtjes en blijft dan rusten in de buurt van de kloppende ader in mijn hals. Zijn onrust haalt me uit mijn concentratie.   “Wat is er?” “Voel je iets?” “Nee en ja. Er is teveel. Arandar is te groot.” “Het kind moet ondertussen geboren zijn.” “Ja.” “Zijn moeder is bang.” “Ze is zijn moeder niet.” “Ik weet het. Het spijt me. Wat doen we nu?” “Niets.” “Niets?” “De stad wordt zich bewust van mijn aanwezigheid. We zullen wachten tot iemand zich realiseert waarom ik hier ben en dan zal het kind snel genoeg aan mij worden overhandigd.”   Ik steek het marktplein over. Mensen staren me na, springen voor me uit de weg of krimpen ineen als ik hen voorbij ga. De lucht gonst van murmelende gesprekken en aan elk van mijn voetstappen kleeft een nieuwe angst, een nieuwe nachtmerrie.   ‘...ongeluk over ons allen...’ ‘...moeder waart rond...’ ‘...de vloek van de Oudste...’ ‘...die ogen... net als die van het kind...’   Ik verstijf en draai me langzaam om. Mijn geest verstrengelt zich onwrikbaar met de opgevangen fluistering. Als een pijl volg ik de draad. De menigte mensen op het plein wijkt uiteen. Voor mij staat een man. Ik sla mijn ogen naar hem op. Hij wankelt lijkbleek achteruit.   “Waar is het kind?”   Zijn angst versteent hem, maar hij hoeft het antwoord niet meer hardop te geven. Ik pik het moeiteloos op uit de bovenlaag van zijn gedachten en draai mijn hoofd lichtjes naar links. Daar, verscholen in de massa, staat een vrouw. In haar armen houdt ze beschermend een bundeltje vast dat ze sussend heen en weer wiegt. Het duurt slechts een enkele seconde voor de vrouw beseft dat ieders ogen op haar gericht zijn. Ze kijkt op. Begrip flitst over haar gelaat, meteen gevolgd door afgrijzen en een golf van paniek. Ze krijst als men haar het kind uit de armen rukt. Met haar nagels trekt ze bloedige voren in de huid van haar gelaat.   “Niminir.”   Een enkel woord. Ongezien glipt de slang weg. Het gillen stopt abrupt. Ik haat schreeuwende mensen. Het doet pijn aan mijn oren. Het kind in mijn armen is opmerkelijk stil. Ik sla het dekentje open en bestudeer de jongen langdurig. Zijn witte huid steekt schril af tegen zijn donkere haren. Voor het eerst twijfel ik. Geen witte haren. Zwarte. Plots beweegt het kind. Het geeuwt en opent zijn ogen.   Spiegels van geronnen bloed.   Hij lacht kirrend en ik lach ook. Alles is goed. Ik til de jongen op en laat hem naar de mensen op het plein kijken. Zijn bloedrode ogen nemen het beeld geïnteresseerd in zich op. Ik weet dat hij het zal onthouden en op een dag zal hij terugkeren om te nemen wat hem rechtmatig toekomt. Bloed en leven.   “Heil, Heer van de Dood.”   De menigte beweegt in een enkele golf. Knielend in het stof herhaalt het volk van Arandar mijn woorden. Ze zijn gebonden. Elke man en vrouw in deze stad is vanaf nu niets anders dan een levend offer aan een bloedeisende god. Ze weten het. Ik proef hun angst, hun wanhoop en ik geniet.   Temidden van de biddende massa, ligt de vrouw die het kind gedragen heeft verstijfd op de grond. Haar geest gilt in blinde paniek. Niminir sist voldaan. Hij heeft zich in het kuiltje van haar hals genesteld en kijkt verwachtingsvol in mijn richting. Ik baan me voorzichtig een weg tussen de mensen door, hurk neer bij de vrouw en strek mijn hand naar de slang uit.   “Je hebt het goed gedaan, Niminir. Kom maar weer bij me.”   Mijn bloedkoralen vriend glijdt meteen naar me toe en wikkelt zich rond mijn pols. Hij spint als een jong katje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe een rilling door het verkrampte lichaam van de vrouw gaat. Ik streel teder haar haren en buig me over haar heen. Ze rilt opnieuw.   “Je hoeft niet bang te zijn, liefje. Ik heb je nog nodig. Wie kan deze boreling anders voeden dan zijn bloedeigen moeder?”   Met mijn nagel kerf ik het symbool van angst diep in haar linkerwang. Een snik ontsnapt aan de lippen van de vrouw, maar met een tik maan ik haar tot stilte. Ze zwijgt abrupt. Haar kaaklijn verstrakt en ik begrijp dat ze uit alle macht op haar tanden bijt. Dat verbaast me enigszins. Ik ben zo gewoon dat ze beginnen gillen. Mensen zijn soms onbegrijpelijk. Ik bijt in mijn linkerwijsvinger tot het bloed opwelt uit de gescheurde huid en zegen het merkteken met mijn lichaamsvocht. Nu is ze van mij. Ik glimlach haar vriendelijk toe en geef haar een klopje op de schouder.   “Sta op.”   De vrouw knippert met haar ogen en staart me aan. Ik sta recht, steek mijn hand naar haar uit en herhaal mijn bevel. Zonder glimlach deze keer. Ik hou niet van herhalen.   Zo verkrampt van angst is de vrouw, dat ze zelfs niet gemerkt heeft dat de verlamming haar lichaam ondertussen verliet. Haastig krabbelt ze overeind. Ik knik goedkeurend en overhandig haar het kind.   “Je draagt hem en voedt hem. Dat is je taak. Heb je dat begrepen?”   Opnieuw knikt de vrouw. Even vraag ik me af of ze wel spreken kán, maar ik sta er niet lang bij stil. Ze is niet belangrijk.   Het gemurmel van de mensenmassa rondom ons heeft een zangerige ondertoon gekregen. Ik neem enkele seconden de tijd om te luisteren naar hun smekende litanie. Honderden stemmen vermenigvuldigen zich in mijn hoofd tot een golvende canon van angst, berusting en wanhoop. Het laat een zoetige smaak na in mijn mond, als jong, onschuldig bloed. Ik krijg er honger van en dat verwondert me, want ik dacht dat ik die lichamelijke behoefte al lang achter me had gelaten.   Aan mijn voeten zit een jong meisje met blonde krullen en hemelsblauwe ogen. Ze heeft kuiltjes in haar wangen als ze lacht. Nu lacht ze niet. Ik ken de kleur van haar ogen, omdat ze me een snelle, nieuwsgierige blik heeft toegeworpen. Haar spichtige lichaam vertelt me dat ze haar eerste maandbloed nog niet heeft gehad. Op die leeftijd zijn ze nog heel onwetend. Onbezoedeld. Ik lik mijn lippen. Met een schop trek ik haar aandacht.   “Hoe heet je?” Ze slikt en fluistert hees. “Savannah.” “Kom overeind en geef me je hand.”   Mijn bevel wordt traag opgevolgd. Het meisje kijkt smekend naar haar ouders, maar die houden hun blikken op de grond gericht en herhalen toonloos hun gebed. Onwillig biedt het meisje me haar hand aan. Haar onderlip trilt.   “Zeg me na,” beveel ik haar. “Bloed voor de Moeder. Eer aan Arandar.”   Ze geeft een gilletje als ik mijn tanden in het zachte vlees van haar handpalm zet, maar wringt de woorden toch nog uit haar keel. Ze is dapper, dit meisje. Kansloos en onbeduidend, maar wel dapper. In een opwelling besluit ik om haar te laten leven. Mijn blik kruist de hare. Ik weet wat ze denkt en besef dan dat het geen zin heeft om haar hoop te geven. Er is voor deze mensen geen hoop meer.   Ik kijk Savannah aan terwijl ik met iedere hartenklop voel hoe het leven wegsijpelt uit het kleine lichaam. Als haar levensbloed tenslotte verstild en haar laatste gedachte in een geluidloze schreeuw vervaagt, laat ik het tengere lichaam vallen. Het is niets meer dan een bleek omhulsel waaruit de laatste warmte al verdwijnt. Morgen is het een voedingsbodem voor de maden. Vaarwel, Savannah.   Samen met de vrouw en het kind verlaat ik Arandar in het spoor van de dood. Ik markeer de weg met bloed, opdat het roestbruine pad als een rode loper zal klaarliggen voor mijn toekomstige jonge heer. Met ieder slachtoffer klinken de gezangen in de stad feller en wanhopiger. Ze hongeren naar bloed, deze offers. Ze zouden zichzelf de keel oversnijden als ik het hun vroeg. Misschien, op een dag. Vandaag neem ik ze liever zelf. Mijn honger leidt me.   Honger vormt de leidraad op de weg naar mijn heer. De eerste keer dat het kind schreeuwt om voedsel, trekt er een rilling door mijn ruggengraat. De ijselijke kreet dringt als een ijspriem tot diep in mijn geest en doet er een onverwacht verlangen ontwaken om de pasgeborene te voeden. Voor het eerst dringt het tot me door. Dit is mijn kind. Mijn!   Met een jaloerse blik kijk ik toe hoe de vrouw stilhoudt langs de kant van de weg. Teder haalt ze haar borst tevoorschijn om deze aan de hongerige mond van het kleine ding aan te bieden. Het steekt. Mijn!   “Nee.”   Het woord ontglipt me. De vrouw kijkt me vol onbegrip aan.   “Hij heeft melk nodig, geëerde,” zegt ze eerbiedig.   Ze spreekt dus inderdaad. Ik registreer dat feit in een miniem deel van mijn hersenen, maar sla er verder geen acht op. In twee stappen ben ik bij de vrouw en kniel bij haar neer, zodat ik haar recht in de ogen kan kijken. Daar was geen angst meer in te lezen. Slechts ergernis en een stil, maar koppig verzet. Kijk, kijk, kijk... Toonloos leg ik het haar uit. Ik wend mijn blik geen seconde van haar af. Ik wil dat ze het begrijpt. Niet alleen in gedachten, maar ook in hart en ziel.   “Melk alleen voldoet niet. Hij moet gevoed worden met levenskracht.”   Ik neem haar tepel tussen mijn duim en middenvinger, en pers mijn nagels diep in het tere vlees. Ze jankt. Hijgt. Gilt. Glimlachend lik ik het bloed van mijn vingers.   “Zo. Nu mag hij drinken.”   Hoewel ik het ritueel dagelijks verschillende keren herhaal, breekt het koppige verzet van de vrouw pas na enkele weken. Huilend van de pijn geeft ze zich tenslotte over aan mijn wil en ik voel hoe haar gebarsten geest zich wikkelt in een deken van zelfmedelijden en wanhoop. Het is een reactie uit zelfbehoud. Het ergert me. Haar primitieve schild zorgt ervoor dat al mijn pogingen om tot haar door te dringen mislukken. Hoe ik ook pook en peuter in haar emotionele barrière, ze houdt vol en volgt apathisch mijn voetsporen.   Ik ben geduldig. Dat zit in mijn aard. Tijd gaat voorbij. Het heeft geen vat op mij, maar ik zie hoe het grip gekregen heeft op mijn zoon. Hij is nu zes maanden oud. Het lichaam van de vrouw die hem baarde, herinnert me aan dat van de dode Savannah. Leeg. Ik weet echter dat onder die dikke lagen van gelatenheid nog ergens een harde kern verscholen zit. Ik besluit dat het tijd wordt om die aan de oppervlakte te brengen.   Die avond zoeken we een kleine grot op. Ik beveel de vrouw te gaan zitten en vertel haar koud hoe de zaken ervoor staan.   “Het wordt tijd dat hij vast voedsel krijgt.”   Er komt niet onmiddellijk een reactie. Mijn opmerking sijpelt slechts langzaam tot haar door. Ik wacht rustig af en merk plots op dat ze het kind beschermend wat dichter tegen zich aan klemt. Haar lege blik verdwijnt en ze kijkt schichtig rond terwijl haar lippen vragend mijn woorden herhalen.   “Vast voedsel?”   Ik zwijg en kijk haar lang aan. Dan lijkt ze het plots te beseffen. In een flits zie ik hoe de onrust in haar gelaat verandert in pure paniek. Ze schudt heftig het hoofd.   “Nee, alstublieft! Nee!” “Hij heeft honger.” “Niet ik! Niet zo!”   Ik grijp haar kin tussen twee vingers en kijk haar onderzoekend aan. Ze trilt over haar hele lichaam. Haar angst zorgt voor vlinders in mijn buik. Een verlangen naar bloed en dood dringt zich aan me op. Ik onderdruk het. Ze is niet voor mij. Traag laat ik mijn tong over mijn lippen glijden.   “Hij heeft nog maar weinig vlees nodig. Ik geef je de keuze. Wat geef je op?” “Nee, alstublieft, niet... Ik wil niet...” “Kies.” “Ik... Nee... Alstublieft...” “KIES!”   Ik win altijd. Er is niets zo mooi als een kleine baby die op de vingers van zijn moeder sabbelt. Ik hou van mijn zoon.   Stukje bij beetje verliezen we de vrouw onderweg. Ze vecht elke keer. Ik geniet er telkens opnieuw van. Ik laat haar pas sterven wanneer de laatste dag van onze reis is aangebroken. Op de drempel van het huis van mijn heer, eten mijn zoon en ik haar hart op. Hij kirt. Er zit een rode veeg op zijn neus. Ik veeg het bloed weg en lik het van mijn vingers. Dan til ik mijn zoon op en loop ons huis in. Het wordt tijd om hem aan zijn vader voor te stellen.   Zijn vuur sluimert blauw en wikkelt zich slaperig om mijn enkels. Ik kniel in hem neer en plaats het kind op mijn schoot.   “Mijn heer, ik ben teruggekomen.” “Liefste?” “Ja.” “Ik heb je gemist.” “Ik u ook.” “Het kind?” “Uw kind. Ons kind.”   Een vlam strengelt zich verkennend om mijn lichaam en reikt tastend naar de baby. Mijn zoon volgt het bewegende licht gefascineerd en strekt zijn handje ernaar uit. Een gil splijt de serene stilte in het huis. Geschrokken sta ik recht en hou het kind tegen me aan.   “Wat doet u?” “Niets.” “Hij heeft zich gebrand!” “Ja, want dit is niet mijn kind.” “Wat?” “Mijn kind zou zich niet aan me branden.” “Het is mijn zoon! Hij heeft mijn ogen!” “Nee. Je hebt je vergist.” “Ik geloof u niet.” “Ik lieg niet.” “Hij bezit ons bloed!” “Jouw bloed, niet het mijne.” “Onmogelijk.” “Het is zo.” “Wat nu?” “Offer het.” “Nee.” “Offer het!”   Zijn stem galmt door de ruimte. Als vanzelf ga ik door de knieën. Mijn hele wezen siddert. Ik wil niets liever dan die stem gehoorzamen. Ik hou van hem. Zo is het altijd geweest. Zo zou het voor altijd kunnen zijn.   Het kind in mijn armen beweegt rusteloos. Ik kijk de jongen aan. Hij kijkt terug. Hoe kan ik hem offeren? Hij heeft dezelfde ogen als ik. Rood als het bloed dat we samen delen. Dit is mijn kind.   “Mijn heer, ik hou van u,” fluister ik.   Dan sta ik vastberaden op, draai me om en ren het huis uit.   “NEE!”   Achter mij verzwelgen zijn vlammen ons huis. De hitte blakert de aarde onder mijn voeten. De hemel kleurt donkerpaars.   “Kom terug!”   Roept Hij. Gilt Hij. Smeekt Hij. Dreigt Hij.   Ik vlucht.   Rots verkruimelt onder mijn voeten. Water verdampt wanneer ik rivieren kruis. Gras verkoolt waar ik voorbij ren. Nergens ben ik veilig. Nergens. Zijn vlammen achtervolgen me. Bliksemschichten doorklieven de hemel en schroeien mijn pad. Hij is bereid om de hele wereld te verteren, alleen maar om mij te straffen. Ik hou van hem.   Zijn razernij duurt weken. Ik ren voort. Zonder slaap, zonder eten. Ik heb het niet nodig. Iedere prooi die Niminir voor me vangt, geef ik aan de kleine jongen in mijn armen. Mijn zoon geeft geen kik, maar neemt gulzig aan wat ik hem schenk. Mijn liefde voor hem groeit iedere dag.   Een heldere hemel bij een gouden dageraad brengt eindelijk rust. Het lijkt alsof de woede van mijn heer eindelijk bedaard is. Ik weet echter dat hij mij niet zal vergeten. Hij vergeet niets en zal uiteindelijk zijn wraak wel krijgen. Ik kan alleen hopen dat ik de tijd krijg om te genieten van het leven waar ik voor gekozen heb.   Ik reis weer naar Arandar en vestig me in een grot op de heuvel buiten de stad. Zo heb ik alles binnen handbereik, zonder dat ik erdoor wordt lastig gevallen. Er breekt een rode bladzijde aan in de geschiedenis van de stad.   De opvoeding van mijn zoon vergt vele mensenlevens. Ik lach bij de eerste stapjes die hij zet. Rode voetjes die gedrukt staan in het zand. Ik gloei van trots als hij mijn naam in bloed op de wand van de rots schrijft. En vol ongeduld wacht ik tot hij thuiskomt met zijn eerste eigen prooi. Het is een meisje. Met wit haar.   Mijn hart slaat een slag over.   “Waar heb je haar vandaan?”   Zijn blik zegt voldoende. Uit Arandar. Waar anders? Ik dwing haar mij aan te kijken en haar donkere ogen nemen me zonder angst op. Geschokt laat ik haar los, maar haar blik dwaalt niet af.   “Wie ben je? Hoe heet je?” “Ik heb nooit een naam gekregen. De mensen zijn bang van me.” “Bang? Waarom?” “Mijn huid kan niet branden.”   Ik hou mijn adem in.   “Mag ik haar nu doden, moeder?”   Ik staar mijn zoon in afgrijzen aan. Ziet hij het dan niet?   “Nee,” zeg ik scherp, “ze is je zuster.”   Ze nemen elkaar onderzoekend op. Zo, naast elkaar, zie ik hen als één. Twee helften van een appel. Twee complementaire deeltjes. Mijn kinderen. Zijn kinderen.   “Mijn vader vertelde me hoe hij en moeder onderweg waren naar de Magor voor onze naamgeving, toen de Bloedmoeder kwam en je meenam. Hij beschermde me en verdween in de menigte voor we konden opgemerkt worden.” “Hij was je vader niet. De man verdient te sterven. Jij had hier moeten zijn. Aan mijn zijde. Jij hoort bij ons.” “Dat weet ik. Ik verspilde zijn bloed vele jaren geleden al om die reden.”   Mijn hart zwelt van vreugde. Niminir worstelt zich omhoog naar zijn plaats om mijn hals. Zijn huid is geschilferd en heeft de kleur van oud bloed gekregen.   “Je taak is volbracht.” “Ja, Niminir.” “Het is tijd voor de hereniging.” “Daar heb ik bloed voor nodig.” “Het zou mij een eer zijn, Bloedmoeder.”   Het doet me verdriet, maar ik neem zijn offer aan. Mijn vriend. Met mijn nagels rijt ik zijn levende huid open en druppel zijn bloed en mijn tranen in een cirkel op de grond, terwijl ik de geheime namen van mijn heer fluister. Bij de laatste druppel kleurt de aarde zwart en withete vlammen laaien op. Ik werp mezelf in het stof en mijn kinderen volgen mijn voorbeeld.   “Mijn heer.” “Je waagt het om mij te roepen?” “Ik heb een geschenk voor u.” “Mijn offer?” “Ja.”   Ik wenk mijn weergevonden dochter en beveel haar de cirkel te betreden. Zonder een spoortje angst loopt ze het vuur in. Mijn heer kronkelt om haar heen en ze hapt naar adem.   “Vader,” kreunt ze. “Mijn dochter...”   Ik glimlach voldaan. Dit is zoals het zijn moest.   “Ik hoop dat u tevreden bent, mijn heer?” “Je hebt ons kind eindelijk gevonden.” “Nee, niet ons kind. Uw kind. Zij deelt mijn bloed niet.”   Het vuur bevriest.   “Hoe is dit mogelijk?” “In de geest zijn wij steeds één en ondeelbaar geweest, mijn Heer, maar hoe kan een menselijk lichaam zoveel liefde bevatten? Er werden twee kinderen geboren. Samen zijn zij één.”   Een vlam wiegt zacht mediterend heen en weer.   “Ja,” zegt hij, “ik zie het nu. Er was geen andere mogelijkheid. Ze horen samen.” “En samen zullen ze de wereld regeren,” vul ik hem aan. “Tot de wereld ouder is en gevuld met mensen. Dan zullen zij een kind scheppen en dat kind zal geboren worden uit een onschuldige vrouw en hij zal al onze liefde in zich dragen. Hij zal de verkondiger zijn van een nieuwe tijd en hij zal de wereld regeren.”   Even deel ik zijn toekomstbeeld en iedere vezel in mijn lichaam beeft bij het aanschouwen ervan. Wij hadden het zaad geplant voor een grootse toekomst.   “Mijn kinderen, ik zend jullie de wereld in. Toon de mensen de juiste weg. De weg van het Bloed.”   Ik kijk toe ze samen de grot verlaten. Hand in hand. Zwarte en witte haren in elkaar verstrengeld. Mijn taak is volbracht.   “Mijn heer?” “Schone dame?” “Ik verlang naar je.” “Kom dan bij me.”   Zijn hitte schroeit mijn huid en ik laat me erin verdrinken. Zijn vuur vult mijn hele wezen en ik wens dat hij me verteert, dat hij me tot as herleidt en me weer opbouwt. Ik hou van hem.   “Mijn lief, ben je bang?” “Nooit, mijn heer.” “Goed, want ik heb nog een appeltje met je te schillen...”

Fiona
9 0

Camera Obscura

Het was de laatste dag van het begin van de rest van mijn leven. Ik ontwaakte met het eentonige lawaai van de wekkerradio. Een vermoeid gebaar bracht het onding tot zwijgen. Naast me draaide Eva zich in haar slaap mompelend naar me toe. Ik legde mijn hand op haar zwangere buik en fluisterde liefkozend in haar oor. “Tot straks.” Ze opende haar mooie, grote ogen. Plotseling wakker. “Blijf nog even,” smeekte ze me. Ik schudde mijn hoofd. Niet nu. Niet vandaag. We kusten elkaar en haar ogen volgden me terwijl ik me overeind hees, mijn pantoffels aantrok en naar de badkamer slofte. Het was een grauwe dag. Alsof de zon niet besluiten kon wat ze precies van plan was. Net als mijn baard. Die twijfelde ook nog steeds tussen de stadia ‘sexy’ en ‘ruig’. Het resultaat was eerder vuil. Grauw. Het peertje boven de wasbak flikkerde. Ik hield mijn adem in. Dit was niet het moment om zonder licht te vallen. Geen licht betekende géén scheerbeurt en dat zou vast niet zo’n bijzonder goede indruk maken op m’n eerste werkdag. Van zodra ik aan werken dacht trok ik een vies gezicht naar mezelf. Ik kon honderdduizend andere dingen verzinnen om mijn dag mee te vullen, maar ik had geen keuze. Met tegenzin schoor ik gisteren weg. En eergisteren. En de dag daarvoor. Ik weigerde om mijn nieuwe ik te bekijken en ging meteen over naar de volgende fase in het toekomstige ochtendritueel. Ik glipte in mijn kleren, het kostuum, de nieuwe schoenen, de das. Het voelde onwennig aan. “Je ziet er goed uit,” merkte Eva op vanuit de deuropening. Althans in mijn verbeelding had ik dat graag gewild. De werkelijkheid was anders. De echte Eva sliep. “Ik ga niet,” mompelde ik stuurs. “Ik wil niet.” Eva-in-gedachte fronste de wenkbrauwen. “We hebben dit besproken, Thomas. Jij ging stoppen met je foto’s en fulltime werken. Ik zou thuisblijven en voor ons kindje zorgen. Dat hebben we afgesproken. Je was ermee akkoord!” Ik concentreerde me op mijn schoenveters. Eva vervaagde en met haar verdween een stukje van mezelf. Ze had gelijk. Ze had altijd gelijk. God, wat was een baby duur.   Terwijl ik naar beneden liep, kwam ik voorbij de donkere kamer die spoedig zou verbouwd worden tot kinderkamer. Ik kon het niet laten om er nog even naar binnen te gaan. Tegen de muur naast de deur stonden mijn laatste creaties. Netjes ingelijst en klaar om op te hangen, als Eva besloot waar ze ze wilde hebben. Ik liet er mijn vingers overheen dwalen. Nam afscheid. Op de tafel naast de bus ontwikkelingsvloeistof lag een digitale camera. Een handig ding dat ik voor Eva gekocht had. Soms gebruikte ik het als ik op zoek ging naar nieuwe beelden. Het was snel, goedkoop en goed genoeg voor foto’s tussendoor. Als vanzelf liet ik het in mijn zak glijden. Ik sloot er mijn hand omheen terwijl ik het licht uitknipte en de deur achter me sloot. Het verhinderde dat mijn hart brak.   Ik wierp een blik op mijn horloge en vloekte. Tijdens mijn spurtje naar de voordeur wist ik nog net mijn aktetas en regenjas te grijpen voor ik me de ochtendspits in wierp.   Ik kwam te laat. Met een verdoofde blik zag ik de pendeltrein naar Brussel van 08.02u voor m’n neus wegrijden. Ik liet me moedeloos op een bankje zakken. De volgende trein kwam pas over achttien minuten en dat betekende dat ik mijn aansluiting hopeloos zou missen. Ach, wat zou het. Die verzekeringsdossiers gingen vast niet lopen.   Een snelle beweging trok mijn aandacht. In de menigte liep een meisje. Ze had iets. Een uitstraling. Als een mespuntje zomerzon temidden van kale takken en verlepte bladeren. Voor mijn geestesoog leek ze zowaar te dansen over de kille tegels van het perron. De stationsmuziek was haar symfonie. De eentonige stem, die een vertraging meldde op spoor drie, was haar dirigent. Ze was een vlinder. Mijn hand haalde het fototoestel boven en in enkele klikken legde ik het moment vast.   Toen ik opkeek was ze weg. Nee! Daar ging ze! Nog net zag ik een glimp van haar verdwijnen op de roltrap. Mijn hart stond stil in afgrijzen. Dit kon niet. Ik moest haar weerzien! In een vlaag van verstandsverbijstering holde ik haar achterna. Op de roltrap worstelde ik me verexcuserend naar beneden. Mijn nimf zweefde verder en ik volgde haar, de stationshal door, naar buiten en in de richting van de tramhalte. Daar wachtten we en we stapten samen op. Terwijl de deuren achter me sloten, besefte ik dat mijn aktetas nog steeds bij het bankje op het perron stond. Verdorie. Dat was ik kwijt. Tenzij... Ik kon nog afstappen. Waar was ik immers mee bezig? Waar was mijn zin voor verantwoordelijkheid? Dit hoorde toch niet! Ik moest onderweg zijn naar Brussel om daar achter een bureau te gaan zitten en geld te verdienen voor mijn gezin. Dat was het plan. Het hoorde zo. Stomme idioot. Wat bezielde je toch?   Ik bewoog me in de richting van de deur toen ze zich plots omdraaide. Onze blikken kruisten elkaar. Ze glimlachte. Opnieuw stond mijn hart stil. Weg waren mijn zorgen. Ze smolten in het licht van haar ogen. Ik glimlachte onwennig terug. Ze had bloemen bij zich, merkte ik op. Chrysanten. Ze keerde zich weer om en liep naar een vrijgekomen plaats. In één tel besloot ik dat ik niet zou afstappen. Dit intrigeerde me. Zij intrigeerde me.   Ze verliet de tram aan de halte van het kerkhof. Ik ging er daar eveneens uit. Ze leek niet te merken dat ik achter haar aan kwam. We liepen het kerkhof op. Ze volgde de paden zonder te aarzelen tot bij een eenvoudige steen. Mijn vlinder knielde neer en legde de bloemen bij de spiegelende letters. Heel even verduisterde de zomerzon. Mijn hand sloot zich om de camera. Ik trok foto’s. Wilde haar niet kwijt. Wilde dit moment vangen. Een kille wind woei tussen de grafstenen en trok aan mijn lange jas. Ik rilde. Plots voelde ik me een indringer. Ik week achteruit. Haastig liep ik naar de uitgang. Ik wilde weg. Dit was een vergissing. Ik zou de tram nemen en ergens een kop koffie gaan drinken. Even tot rust komen en wie weet zelfs nog een poging ondernemen om mijn eerste werkdag te beginnen.   De tram kwam. Ik stapte op, maar net toen de chauffeur wilde vertrekken verscheen zij ook. Dit was geen toeval meer. Het trof me als de bliksem. Dit was ons lot. Ik was géén indringer. Zij en ik. Vandaag hoorden we samen. Gebiologeerd legde ik haar vast op de microchip.   De rit voerde me naar het centrum van de stad. Daar stapten we uit. Op een afstand van enkele meters liep ze voor me. Ik kon haar parfum bijna ruiken. Ze ging een café in en zette zich neer aan het raam. Ik nam een barkruk in en bestelde koffie. Zelfs hier konden mijn vingers het niet laten om op de knop van de digitale camera te drukken. Ze was zo mooi in dit vale licht.   De dag vergleed in verwondering. Elke stap die zij deed was er één die ik ook zette. Ze voerde me naar plaatsen die ik allang vergeten was. Liet me herinneringen herontdekken. We aten samen ijs, luisterden naar de beiaard en kochten een sjaal. Ik besefte weer waarom ik naar deze stad verhuisd was. Waarom ik zo graag in het oude stadscentrum vertoefde. En bovenal waarom ik er nog niet aan toe was mijn passie los te laten.   De avond viel en ik begeleidde haar naar het station. Ze liep de trappen op en wandelde naar het perron. De trein stond reeds te wachten. Voor het instappen keerde ze zich naar me toe en wuifde. Verrast wuifde ik terug. De trein vertrok. Ik bleef leeg, maar gelukkig achter.   Thuis was Eva minder aangenaam gezelschap. Ze stond me boos op te wachten. “Je baas heeft gebeld,” zei ze bijtend. “Je was er niet.” “Het spijt me,” probeerde ik haar te sussen. “Ik was er nog niet klaar voor.” “Niet klaar voor? Niet klaar voor?!” schreeuwde ze. “Wat ga je dan zeggen als de baby er is? Dat je er niet klaar voor bent?” “Nee, nee, natuurlijk niet,” zei ik lamlendig. Mijn euforie verdween bij ieder woord dat Eva naar me toe slingerde. Ze had gelijk. Ze had altijd gelijk. “Ach, Thomas,” zuchtte ze. “Wat moet ik toch met je beginnen? Waar heb je trouwens de hele dag gezeten?” “Foto’s getrokken.” Eva wierp haar handen in de lucht. “Foto’s getrokken! Natuurlijk! Ik had het kunnen denken!” “Er was een meisje...” begon ik, maar besefte meteen dat dat fout was. Eva keek me scherp aan. Haar stem won een toonhoogte. “Een meisje?” “Het was niet zozeer het meisje. Het was wat ze deed.” Opnieuw fout. Zo fout. “Wat ze dééd?!” Als ze nog hoger ging, dan zouden haar stembanden breken. Daar was ik vast van overtuigd. “Laat me die foto’s zien,” eiste Eva. Ik gaf haar het digitale toestel. Haar vingers gleden over de toetsen. Er viel een stilte, slechts onderbroken door het gebliep van de camera die foto na foto mijn gestolen momenten onthulde.   Eva keek op. Haar blik was er één van onbegrip. “Dit zijn prachtige foto’s, Thomas. Je zou ze echt aan Jacob van de galerij moeten tonen. Zulke dingen vraagt hij al zolang van je. Dit krijgt hij verkocht. Maar, over welk meisje had je het eigenlijk? Ze staat niet op de foto’s.” Ongelovig staarde ik haar aan. Ik greep de camera en liet mijn foto’s in ijltempo voorbijflitsen op het kleine scherm. Koortsachtig zocht ik naar het meisje. Ze was er niet. Nergens. “Jij gek,” glimlachte Eva. “Wat gaat er toch allemaal in dat hoofd van je om. Ach, misschien moeten we Brussel toch maar vergeten. Verzekeringen zijn niets voor een warhoofd als jij. Bovendien zie ik je liever mét stoppels op je kin.” Eva kuste me en toen wist ik het. Mijn vlinder. Mijn zomerzon. Die was altijd al bij me geweest.

Fiona
0 0
Tip

Champagne voor het einde

De gele deuren klapten open en spuugden een brancard uit die in volle vaart de spoed op reed. Het slachtoffer was een oude vrouw die eerder op de avond door haar man levenloos op de grond gevonden was. Een verpleegkundige was haar koortsachtig aan het balloneren, terwijl de arts schrijlings over haar heen zat en reanimeerde. “Ik dacht dat je gezegd had dat ze stabiel was!” riep de cardioloog, een verwilderde jongeman met zwart haar. Hij droeg een kraaknette, stijfgestreken witte jas en zijn stethoscoop hing nog glimmend van de nieuwigheid om zijn nek. “Ja, vijf minuten geleden nog wel,” antwoordde de anesthesiste giftig, terwijl ze onafgebroken doorging met de ritmische bewegingen die haar patiënt in leven hielden. Er begonnen zich zweetplekken te vormen in haar groene uniform. “Was je van plan daar te blijven staan of ga je me nog een handje helpen?” Nog voor de cardioloog kon antwoorden, kwam een spoedverpleegkundige aangesneld die vakkundig de zaak overnam. “Traumakamer één is vrij,” wees hij. Waarop iedereen verdween achter nog een stel klapdeuren en er slechts een oud, verschrompeld mannetje achterbleef dat met zijn hoed in de handen wezenloos stond rond te draaien. “Bent u familie, meneer?” wenkte de secretaresse achter de ontvangstbalie hem vriendelijk. “’t Is mijn vrouw,” knikte het mannetje aangedaan. “Al vijfenzestig jaar en ik hou nog altijd zielsveel van haar! Ze wou zo graag nog een glas champagne voor dit eindejaar, maar toen ik terugkwam van de nachtwinkel bij ons op de hoek vond ik haar op de grond. Ik heb direct gebeld, maar ’t komt precies niet meer goed.” Hij zuchtte diep en keek verdrietig naar de deuren waarachter zijn vrouw verdwenen was. Daar had men ondertussen de LUCAS opgestart, een machine die de hartmassage overnam en daarbij een luguber geluid produceerde dat nog het meest leek op een combinatie van een stempelkussen en een wc-ontstopper. “Ze doen wat ze kunnen, meneer, daar ben ik zeker van. Hebt u mevrouw haar identiteitsbewijs bij u?” “Ik haar handtas in de gauwte nog meegenomen, maar ik weet niet waar ze dat steekt hoor.” “Laat me eens kijken...”   De vreemdeling stond tegen de muur van de wachtzaal, onzichtbaar voor iedereen in een vlek schaduw, en bekeek het tafereel vanop een afstandje. Zijn contouren waren nogal onduidelijk onder de lange, zwarte mantel die hij droeg, maar hij leek toch wel heel, heel erg mager te zijn. Misschien was ‘knokig’ wel het juiste woord. Hij speelde met een zandloper. Een eenvoudig stukje vakwerk van grenenhout dat ongeveer twintig centimeter hoog was en waarvan het fijne zand vrijwel volledig was leeggelopen in het onderste glas. De digitale klok tegenover hem kroop naar middernacht. Zijn vingers tikten op het glas in het ritme van het hartmassagetoestel en hij floot zachtjes iets dat klonk als ‘Auld Long Syne’.   Er kwamen nog meer dokters aangesneld. Een arts van intensieve zorgen nam het roer over en dook de traumakamer in met een andere anesthesist en twee stagiairs in het kielzog. Een koppel verpleegkundigen kwam aangereden met het mobiele röntgenapparaat. “Marianneke,” vroeg de oudste van de twee, “heb jij een nummertje voor ons? Anders kunnen wij geen foto’s maken hoor.” De secretaresse legde de laatste hand aan het dossier en plofte het op de balie. “Hier staat alles op wat je nodig hebt, Lieve, en kan je het ineens meenemen?” “Tuurlijk, schatje.” Het gevaarte reed de artsen achterna, waarna een plotse leegloop van de kamer volgde. De dokters stonden met elkaar de situatie te overleggen, terwijl de verpleegkundigen van het moment gebruik maakten om bloednames op te sturen naar het labo en medicatie bij te halen. “Wat gebeurt er?” vroeg het mannetje. “Ze maken röntgenfoto’s, meneer, vandaar dat iedereen eventjes hier staat. De straling, begrijpt u?” Hij knikte en Marianne wenkte een stagiair die even niets om handen leek te hebben. “Kan jij meneer eventjes naar de wachtzaal brengen?” “Natuurlijk,” antwoordde het meisje en ze leidde het oude mannetje weg van de balie. De secretaresse haalde diep adem. Nog eventjes en het nieuwe jaar begon, maar het zag er niet naar uit dat er veel te vieren ging zijn.   De man telde de laatste zandkorrels af. “Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, één,...”   In de traumakamer zweeg de LUCAS. “Bon,” besloot de arts van intensieve zorgen, “tijdstip van overlijden: één minuut voor twaalf.” Een schim van de oude dame maakte zich los van haar lichaam, bekeek zichzelf eventjes verbaasd en liep toen door de muur naar de donkere gestalte bij de wachtzaal. “Ben ik dood?” vroeg ze. Ze was al net zo verschrompeld als haar echtgenoot, maar heel wat kwieker nu ze alle fysieke belemmeringen achter zich had gelaten. “Daar lijkt het wel op.” Ze wierp een blik op de klok en tuitte haar lippen. “Was ik de laatste dit jaar?” “Was u liever de eerste geweest?” “Had dat wat uitgemaakt?” “Nee, in het geheel niet. De wereld draait gewoon door. Nieuwjaar of niet.” “Het is wel jammer. Ik had nog graag met mijn lieve, oude mannetje samen naar het vuurwerk gekeken. Hij was speciaal een fles champagne voor ons gaan halen.” De benige gestalte diepte een tweede zandloper op uit de duistere oorden van zijn mantel en knikte. “Als we even wachten, dan kan dat nog.”   Marianne wierp een terloopse blik op de wachtzaal en werd lijkbleek. Ze zag het mannetje ineen krimpen van de pijn, naar zijn hart grijpen en op de grond in elkaar zakken. “Verpleging!” gilde ze uit alle macht, maar ergens wist ze dat alle hulp te laat zou komen.

Fiona
17 0