Lezen

licht stofje

Ik reed van Ertvelde naar Costa Rica, maar aan het eerste rondpunt raakte ik de weg kwijt. Ik stapte uit en vroeg aan een plaatselijke landbouwer of hij de minst filegevoelige route naar de Atlantische Oceaan kende. De boer tuurde naar een windmolen in de verte. Een mengeling van tabak en speeksel sijpelde uit zijn mond toen hij sprak. Zelf was hij nog nooit buiten Ertvelde geweest - behalve die ene keer toen een suikerbiet uit zijn tractor viel en op het grondgebied van Assenede rolde - maar zijn duiven vlogen wekelijks door heel Europa. Zij konden mij met alle gemak de juiste weg wijzen. Ik haalde net mijn portefeuille boven om zijn beste duif te kopen, toen een van zijn dochters thuiskwam. Ze had blauwe ogen, lang blond haar en grote borsten. Haar glimlach was fenomenaal, haar benen eindeloos. Haar kont zag er tegelijkertijd strak en mals uit. Ze keek mij aan en vroeg of ze mij ergens mee van dienst kon zijn. Euh ja, stamelde ik, ik ben de weg kwijt. En hoe graag wil ik je borsten vastnemen en er eens goed mee schudden, dacht ik erbij. Niet veel later reden we samen op de Autoroute du Soleil, onze haren wapperden in de wind. We stopten aan een tankstation en aten een croissant. We lachten met een dikke Duitser, een luidruchtige Hollander en een achterlijke Vlaams-nationalist. Spanje was een droom. Lege snelwegen, verlaten dorpen. Voor we het wisten stonden we op een berg in Portugal te kussen alsof ons leven ervan afhing. We konden de oceaan al ruiken. Je adem kriebelde in mijn hals. De horizon trilde, of was het mijn lijf? Je gaf me jouw trui. Ik zag je tepels door je t-shirt. Licht stofje, zeker in de H&M gekocht. In volmaakt Ertvelds vroeg je of ik een kind van je wilde. Nee bitch waren wel de laatste twee woorden die op mijn tong lagen.

Maarten Verhelst
0 0

Heeft u dat ook? ' 2'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?    Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.   Ik zit alweer op de canapé in de voorplaats. Deze keer ben ik niet alleen. We zijn aanbeland halverwege de jaren zestig. Ik behoor samen met mijn jongste zus, die ouder is dan ik (snap je me?), tot de laatste van acht kinderen die nog bij ons vader en moeder inwonen. Mijn jongste broer, die ook ouder is dan ik (snap je me nu?) is voor de eerste keer op kot in Leuven gaan wonen. Voorlopig ben ik nog veertien. Binnen enkele maanden zal ik vijftien jaren op mijn levenspalmares verzameld hebben en daar kijk ik reikhalzend naar uit, want elk jaar telt, elk jaar kom je zo een beetje dichter bij volwassenheid en dichter bij ‘min of meer je eigen zin doen’.   Deze keer word ik op de zetel geflankeerd door mijn ouders die voor de eerste keer het eerste echte lief van mijn zus mogen inspecteren. Het zal nog een jaar duren eer de ‘liever-lief’-beweging definitief vanuit Amerika naar onze Lage Landen zal overwaaien, dus verwachten we ook dat het geen exemplaar van het langharig tuig zal zijn dat de deurbel zal doen rinkelen.En dat schijnt ook zo te kloppen. Mijn zusterslief is zeven jaar ouder dan zij en lid van een eveneens kroostrijk Nederlands gezin. Omdat ze een hardwerkend ouderpaar zijn die hun eigen confectiebedrijf runnen met verschillende vestigingen aan weerszijden van de grens, hebben zijn ouders besloten hun kinderen naar de kostschool te sturen. Het is daar dat het nieuwe lief kennis maakt met de piano.   Na de gebruikelijke koetjes en kalfjes, vraagt ons vader, terwijl hij naar de buffetpiano in de hoek van de kamer wijst, of dochterliefs lief geïnteresseerd is in zijn muzikale capaciteiten. Vermits muziek de zeden verzacht is er geen protest. Onze pa tovert zijn mooiste trucs uit de zwarte klankkast. Hij wisselt operettemelodieën af met zijn bewerkingen van hedendaagse liedjes. Het nieuwe lief is onder de indruk. Op de vraag van ons vader of hij misschien ook muzikaal is, zegt het lief bedeesd ‘Ik zou ook wat kunnen spelen op uw piano. Mag ik?’. ‘Maar natuurlijk’ is het antwoord.   Het nieuwe lief rookt Rothmans sigaretten, verpakt in een rood karton met witte letters. Hij steekt zijn pas opgestoken sigaret tussen de lippen, neemt de kristallen, rechthoekige asbak mee, zet deze naast het klavier en legt er zijn sigaret in. Hij zet de ronde draaikruk wat lager en trekt nog eenmaal aan zijn sigaret zonder filter. De rook kringelt naar omhoog en dat doen ook de noten die weerklinken als hij de toetsen zachtjes beroert.    ‘Last date’http://youtu.be/3fRkoa9Ek5c   Wij zijn verbluft als we die heerlijke melodie van Nashville’s piano-legende Floyd Cramer horen. Hij heeft vroeger samengewerkt met grote namen zoals Elvis Presley en Jim Reeves. De wijze waarop Floyd, en dus ook het nieuwe lief, de toetsen van de piano hanteert is zonder meer weergaloos.Mijn zus en haar lief trouwen enige tijd later. Maar zoals dat nog al eens gebeurt, besluiten zij menige pianopartituren later om te scheiden. Spijtig dat het verhaal op een valse noot moest eindigen.   N.B.: voor de geïnteresseerde en getalenteerde pianisten onder jullie. Hieronder vind je een instructievideo waar je wordt aangeleerd op welke manier je Floyds pianospel het best kunt evenaren.   ‘How to play Last date’http://youtu.be/wnNoQ8F5oXw

Marc M. Aerts
0 0

Zorgen voor elkaar - Voor de Nieuwsbrief van Ziekenzorg (CM)

Zorgen voor elkaar?                                                                                                                           Ik vind het altijd prettig getipt te worden over het thema van de volgende Nieuwsbrief omdat ik daar kan over gaan brainstormen De tip in kwestie was iets te schrijven over ‘De vermaatschappelijking van de zorg’. Kan je nog wel schrijven over maatschappelijke toestandjes als je je zo ver voelt staan van diezelfde maatschappij? Of… moet je dan net schrijven? Als je bij vermaatschappelijking als containerbegrip gaat denken aan een overname van ‘het-zorgen-voor’ ten laste van de maatschappij, dan frons ik niet eens de wenkbrauwen. Nee…. , dan buig ik het hoofd en ween bittere tranen.   Ik denk dan aan mijn ervaring als jonge vrouw, toen ik in contact kwam met Lilly, de moeder van mijn goede vriendin Gabriëlla. Lilly was al zwaar gehandicapt toen ik haar leerde kennen. Ze had een progressief evoluerende MS en werd verzorgd door haar familie en haar echtgenoot die haar heel letterlijk op handen droeg zodat de rolstoel een eenzaam leven leidde in het hoekje van de hal. Toen die echtgenoot na enkele jaren zelf overleed aan kanker en Lilly snel bergaf gleed, werd er steeds meer beroep gedaan op de familie. Gabriëlla en ik waren jonge twintigers, en we keken met lede ogen toe hoe het groepje vrijwilligers van het eerste moment steeds schraler werd naarmate de eisen van verzorging zwaarder doorwogen. Vooral ’s nachts verzorging vinden was een ontzettend probleem. Om doorligwonden te voorkomen moest men de patiënt enkele keren per nacht draaien en dat vereiste toch wel een zekere vakkennis, om nog maar te zwijgen over de fysieke vermoeidheid na zo’n waaknachtje. Meestal begonnen mensen er met volle moed en optimisme aan, maar even vaak was dat optimisme na enkele maanden als sneeuw voor de zon verdwenen. De mooie toelage die men kreeg was erg verleidelijk, maar woog nooit op tegen de last van de uitputting. Uiteindelijk heeft Gabriëlla de knoop moeten doorhakken en plaatste ze haar moeder in een rusthuis die de zorg voor Lilly op zich nam. Een moedige beslissing van alle partijen! Ondanks haar zware afhankelijkheid zag zij zichzelf niet meer als ‘lastig pakketje’ dat moest worden doorgegeven, ze werd verzorgd door vakmensen die voor dit beroep gekozen hadden. De duurzame vriendschap met een uitgetreden priester, die ook in de instelling huisde, was een kers op de taart en maakte haar laatste levensjaren oprecht gelukkig.   Het gewicht van de zorg totaal leggen in de handen van vrijwilligers werkt niet. Maar… een maatschappij met énkel structuur werkt ook niet! Dat merk je als je terugblikt op de talloze pogingen van communistisch getinte regimes doorheen onze menselijke geschiedenis. In landen waar àlles door de overheid gestructureerd wordt, verloopt de zorgverlening op papier misschien voortreffelijk, maar krijg je uitgedoofde zielen die mensen in een hokje plaatsen.   Het doet me denken aan een voorval, enkele jaren geleden, toen ik noodgedwongen stopte met mijn baan als receptioniste. Na een periode van rust en herstel voelde ik een sterke behoefte om toch nog iets te kunnen betekenen. Uiteindelijk vond ik die nieuwe uitdaging in een cursus als Natuurgids zodat ik me kon vervoegen bij de groep vrijwilligers die als gids werkzaam zijn op de Kalmthoutse Heide, hier vlakbij. De opleiding zelf was niet goedkoop en toen ik in de brochure las dat er ook een mogelijkheid bestond om de cursus te betalen door middel van opleidingscheques, trok ik mijn stoute schoenen aan en belde naar het Vlaams Fonds, in de hoop dat zij me hierin zouden steunen. Een ambtenaar, die zijn hart ergens onderweg had laten verstenen, aanhoorde mijn vraag. Er was geen tussenkomst voorzien voor chronisch zieke mensen die deze opleiding wilden volgen. Mijn stoute repliek dat dit toch onrechtvaardig was aangezien werkelozen wél recht hadden op een tussenkomst werd snedig onderbroken met woorden die ik nooit zal vergeten: “Mevrouwtje, als werkelozen deze opleiding volgen, wordt er van hen verwacht dat zij nadien een plek invullen op onze arbeidsmarkt en aldus de maatschappij nog van dienst zijn. Als wij U deze opleiding laten volgen en daarin bijdragen, ondersteunen we enkel uw behoefte aan bezigheidstherapie.” Hoeft het gezegd te worden dat ik na een jaar opleiding uiteraard toch wel met schitterende ogen en een begeesterde ziel de kindjes stond te onderwijzen over de natuur op onze wonderlijke Heide? De versteende ambtenaar zou zich moeten schamen tot onder zijn bureaustoel voor zulke verstofte gedachten. Foei.   Een zorgstructuur met een sterke, professionele fundering, gedragen door buigzame vakmensen met een inlevingsvermogen kan een hele ploeg van sprankelend vrije zielen inspireren. Op deze manier wordt het gewicht van de zorgverlening door vele bereidwillige handjes gedragen en wordt elk individu naar waarde geschat. Enkel dan zal men verbaasd staan over de veerkracht en de inspiratie van een hele groep waardevolle mensen die anders in een schrijnend nutteloze onzichtbaarheid verdwijnen. Enkel samen zijn we sterk.  

Bosfee
0 1

Familie opstellingen

Familie opstellingen                                                                                                                                                Familie… Je kiest er niet (bewust) voor en ze zijn verdorie heel bepalend voor je levensstroom. Achter de, vaak opgetrokken oppervlakkige façade, schuilen heel wat onopgeloste trauma’s die een woud van wezens beknot in hun groei. Ook voor mezelf is de familiestructuur een pijnpunt waar ik al héél m’n leven lang mee worstel. Rond m’n vijftigste besloot ik het kluwen van onuitgesproken conflicten achter me te laten, maar… bloed is dikker dan water en familiebanden zijn sterker dan je zelf beseft. Vooral de band met mijn moeder is me, ondanks de soms diepe pijn en het onbegrip, waardevol genoeg om er verder aan te werken. Waar er zo veel liefde is, bestaat toch ook een weg tot begrip en respect?   Dat oude kwalen en verkeerde gedragspatronen kunnen overgenomen worden van generatie op generatie lijkt me een reëel feit en toen ik in de Nieuwsbrief van Ziekenzorg las dat er een infonamiddag rond familie opstellingen werd georganiseerd, besloot ik om mijn blik open te stellen en eens te gaan luisteren naar dit fascinerend leerproces.   Het gebeuren werd gebracht door ‘Het Huis van Verbinding’ waar men er van uit gaat dat er in elke familie een onbewuste collectieve laag bestaat waarin vaak een kwetsuur schuilt die nog niet geheeld is en die steeds om aandacht vraagt. Johan Smets was deze dag onze therapeut en coach en vond zijn inspiratie bij Bert Hellinger die het Hellingerinstituut voor familie opstellingen oprichtte. Leermeester Hellinger had als uitgetreden priester en gewezen missionaris een diepe binding met Afrika en haalde volgens mij de kern van zijn opstellingen uit de oeroude familiewaarden die bij Afrikaanse culturen nog steeds van kracht zijn. Wat de meeste natuurvolkeren als vanzelfsprekend ervaren, is bij ons een vage herinnering geworden van waarden en normen. Het laat ons letterlijk en figuurlijk een beetje verweesd en stuurloos ronddobberen. Het is een soort van niemandsland geworden, een terrein dat bij het ‘in kaart brengen’ sommigen uitnodigt tot een soort van fanatisme waar ik absoluut niet van hou.   De familiewaarden die ex-missionaris Hellinger en onze coach Johan Smets propageren, zijn van de oude stempel. De man moet zorgen voor de basisbehoeften van het gezin en neemt de eerste plaats in. Ook de kameraadschappelijke wijze waarop veel ouders tegenwoordig met hun kinderen omgaan zijn volgens Hellinger en onze coach schadelijk. Alles wat gebeurt, is onderdeel van het grote geheel, waarin goede en kwade invloeden op hoger niveau samenwerken. De ervaringen van àlle familieleden, ook al zijn ze gestorven of nooit geboren, hebben een invloed op jouw eigen ervaringen. Uitsluiting in de familie is een vorm van straf, die misschien zijn oorsprong vindt in een dieper verleden, een trauma dat van generatie tot generatie wordt doorgegeven. Bij de uitspraak van coach Smets dat de minachtende houding van de Russische vrouwen een oorzaak is voor het drankprobleem van hun mannelijke partners, gaan mijn nekharen overeind staan. Als ik hier openlijk op repliceer, reageert de coach onmiddellijk en sleept me in het kernpunt van de aandacht met een vrij intimiderende oefening die m’n ‘ongelijk’ moet bewijzen. Ik bind in en zwijg.   De oefening die onze therapeut met enkele proefpersonen na de pauze uitvoert kan ik niet goed volgen, het gefluister gaat mijn zintuigelijke perceptie te boven. Ik voel me wel verbonden met de vrouw die zich als proefpersoon opgeeft en bij het systematisch openbreken van haar barrières vloeien haar tranen rijkelijk. Haar verdriet raakt me en als ik rondom me kijk en heel wat vochtige oogjes ontwaar, wordt het me duidelijk dat ik hierin zeker niet alleen sta. Het opstellen van de familieleden rond de proefpersoon komt me héél manipulatief over. Teksten worden fluisterend in de mond gelegd en als de coach zijn eigen dochter als ‘Boze dochter’ en een oude kennis van me - die me toevertrouwde dat hij een opleiding volgt in ‘Het Huis’- wordt uitgekozen als de ‘ Bepalende vader’, frons ik de wenkbrauwen… dit lijkt me echt wel héél erg in kaart gezet. De emoties van de vrouw echter zijn ontegensprekelijk oprecht, en ik kan niet anders dan me afvragen wat zij met al dat verdriet gaat doen nu de sluizen van haar emotionele dijken zijn doorbroken.   Dan lijkt het of er op de klok wordt gekeken. Het schouwspel kent een abrupt einde, de spelers staan plots allemaal op hun juiste plaats in de opstelling en er wordt omhelsd en vergeven. De coach tikt nog even aan dat de spelers uit hun rol moeten stappen en hun eigen identiteit terug moeten invullen. Einde voorstelling en voor mij, einde van een illusie.   Toch verwerp ik daardoor niet de gehele manier van denken. Familie opstellingen is méér dan wat de school van Hellinger er van maakt, en ik besluit de kern van de boodschap te behouden zodat ik het kind niet met het theater-badwater weggooi. Ik kan een zekere rust vinden in de gedachte dat er een rangorde bestaat waarin je een ‘evoluerende’ plaats beneemt. Het verleden bestaat – volgens mij- in dienst van wat je NU bent als mens. De kritiek en de opvoedende waarde die je als kind naar je ouders toe kan brengen geeft je enkel een grote onrust. Het is immers jouw verantwoordelijkheid niet. Zélfs al was de opvoeding die je ouders je gaven, niet zoals het hoort, dan nog heeft deze weg je gemaakt tot wie je bent en ligt het in jouw handen om er verder mee te gaan. . De rol van mijn ouders in mijn leven is, zelfs in de meest schrijnende, eenzame of gewelddadige momenten, nuttig geweest. Het heeft me de mens gemaakt die ik nu –in wording- ben, en daar kan ik hen alleen dankbaar om zijn. Familiebanden zijn belangrijk en je plaats hierin kennen helpt je om volmondig ‘JA’ te zeggen tegen het leven. En dàt is een universele boodschap die zonder strakke uitvoering méér dan de moeite waard is.        

Bosfee
88 0

Ander bier (3)

Dat Arabella op Stella rijmde, ochot so what. Ze was lief, gaf hem wat te doen en dat hield hem elders weg. Haar bril was zwaar en ze had mooie mildgele manen. Geen Shetlandpony, shit neen. Een malse merrie met welgevormde poten, hoge hakken soms. Zij werd enkel door droomprinsen bereden, durfde Somers te vermoeden. Menselijke oren had ze, waaraan hij wel eens iets vertelde, over zijn duiven, over die eenden en die konijnen, alles door elkaar zoals dat lekker mocht bij haar; dat hij het ooit in Brugge op de Potterierei gezien had : een tamme witte eend samen met wildgekleurde woerd, een exotisch koppeltje, verduveld interessant en bij die beestjes ging dat blijkbaar wel als vanzelf, maar bij die vogels : "Verdorie, postduiven doen het enkel met postduiven". En over hoe zacht een konijn wel kan zijn. Het gevoel zat hem nog in de vingers. Alhoewel, dat witte exemplaar met die rode ogen, waarvoor hij als kind eigenhandig een kotje getimmerd had, was eerder onaaibaar, zelfs behoorlijk agressief bij momenten. De kiekendraad gewoon doorgebeten door dat naamloze schepsel. Hij maar wanhopen, rondlopen, zijn padvindersogen wijd open om het (‘het’ was een ‘zij’) terug te vinden. Des avonds dan toch, en waar? Bij die holen van de wilde konijnen, ver weg achter de populieren, voorbij het kapbos, daar bij de braambesstruiken.   Enkele weten later –hij had al gemerkt dat zijn konijn zich de zachtste haartjes begon uit te trekken om iets te maken wat op een nest geleek- was het zover : een tiental kleintjes werd geworpen, alle met de kleuren van hun onder de bramen levende vader. De dominantie van de wilde genen, dacht het brein van de jonge Somers. Maar bij zijn gedomesticeerde duiven lukte dat allemaal niet : geen wilde vogel die hem aan zwarte piepers wilde helpen. Was het maar zo gemakkelijk als bij hortensia’s. Men gooide wat aluin op de wortels en hopla : de bloemen waren blauw. Of zoals bij die forellen : men gaf ze carotenen te eten en het vlees, het vissenvlees, werd zalmroze en die bedriegers konden die beesten gemakkelijk duurder verkopen als ware het in het wild gevangen zalm. "Dan geeft men best geen aluin aan forellen", lachte Arabella. Somers genoot van haar lach, die hem prikkelde en ook thuis wel eens door zijn gedachten schoot net voordat zijn linkerhand zich ging vullen met het zaad. Voor de duiven en zonder kleurstoffen. Ze vertelde nog iets over de betere bereiding, met pittige Rodenbach en pruimen, maar Somers konde zich enkel nog een voorstelling maken van haar ‘lekkere konijn’, het kroezeldier dat erin slaagde circa tachtig centimeter boven de grond te blijven zweven. Het bestaan ervan deed hem dromen, van een godsvruchtig circus en een verzwelgend mirakel.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0
Tip

Doodgaan

Doodgaan. Het overkomt de beste. Onsterfelijk is er geen een. Eenvoudig is het niet, het vergt wat doorzetting, maar wie maar hard genoeg zijn best doet of maar lang genoeg wacht, ziet zich uiteindelijk altijd beloond. Mensen sterven, zo gaat dat, het is een komen en gaan, maar lichtzinnig mag je daar niet mee omspringen, want buiten is buiten, niemand wordt geboren met een armbandje of stempel die je alleen onder UV-licht ziet. Hun uiterlijke kalmte ten spijt kan het bij dode mensen vanbinnen toch serieus gisten. Doden hebben moeite met het verwoorden van hun gevoelens. Ja, vaak voelen zij zich best wel rot, ‘s morgens ontbreekt hen de energie om op te staan, ze blijven liever liggen, sluiten zich af in een onverluchte ruimte, wat na een tijdje uiteraard niet zo fris ruikt. Ik voel me net een zombie, dat hoor je een dode wel eens denken. De meeste doden voelen zich aan hun lot overgelaten, een symptomatische jedoch onjuiste projectie, want de waarheid is natuurlijk net andersom. Het ontbreekt de dode niet zelden aan kritische zelfreflectie. Die neiging van dode mensen om zich op te sluiten is doorgaans dodelijk voor hun toch al schaarse sociale contacten, je merkt het wanneer je een gesprek met ze probeert aan te knopen, het gaat er allemaal nogal stijfjes aan toe en je krijgt gauw de indruk dat als jij niks zegt, er niet veel zou gezegd worden. Niet zelden krijgen dode mensen het stille verwijt koude zielen te zijn. Dat verwijt is onterecht. Dode mensen zijn gewoon erg trotse mensen, ze geven niet graag toe, ook niet ten overstaan van zichzelf, dat ze de controle wat kwijt zijn, dat het leven hen liggen heeft, liever steken ze de kop in het zand en zwijgen ze als vermoord dan openlijk te moeten erkennen dat zij, ja ook zij, zich hebben laten kisten, om je dood te schamen. En dus zondert de dode zich af, hij trekt zich terug achter een deur waar jij hem niet volgen kunt, althans niet zolang je zelf nog in leven bent. En wanneer het dan uiteindelijk jouw beurt is om te gaan liggen en de laatste deur voor je wordt opengedaan, dan zal ook voor jou duidelijk worden wat de anderen al lang weten: wanneer je dood bent, verga je niet van de pret.

joris
0 1

Heeft u dat ook? ' 1'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?   Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.   Ik zit in mijn eentje op het middenkussen van de canapé in onze voorplaats. De voorplaats, weet je nog wat dat is? In de huizen van vroeger kwam je regelmatig een wat langgerekte living tegen die je in twee kon delen door twee dubbele deuren uit elkaar te plooien en in het slot te draaien. In dat eerste gedeelte van de plaats, daar zat je regelmatig met de rest van de familie naar Tv te kijken, tenzij het een erg strenge winter was en je met een verlengstuk van de antennekabel het toestel in de keuken plaatste en op die manier - naast de warme kolenkachel - kon genieten van de zwart witbeelden van het wonder van de vooruitgang. Het voorste gedeelte van de living, dat grensde aan de straatkant, was echter verboden terrein, toch zeker in de wintermaanden. Het kacheltje dat er stond hoefde enkel zijn nut te bewijzen in de periode rond Allerheiligen of Maria Lichtmis, of als Pasen ons onaangenaam verraste door koud en druilerig te zijn. Maar het gietijzeren verwarmingsding bewees ten volle wat het waard was als de brede deur bleef openstaan met de winterse feestdagen: met Sinterklaas wanneer die lieve oude man op pakjesdag de uitgetrokken lange tafel drapeerde met cadeautjes, lekker suikergoed, speculaas en mandarijntjes (zeg nog eens dat mannen er geen verstand van hebben een huis gezellig in te richten); met Kerstmis, als een echte spar met flikkerlichtjes en een heuse kerststal onze living opfleurde, maar zonder geschenkjes, want die kreeg je pas een week later; met Nieuwjaar, als het thuis de zoete inval was en de familie van ons moeder, de oudste van een lange rij, ons verheugden met hun bezoek en zatte nonkels Hubert en War ieder een halve fles Elixir d’Anvers of Triple Sec voor hun rekening namen.   Ik zit dus - het is een prachtige nog vroege zondagnamiddag in april 1960 - op die zetel met kussens in oker- en donkerbruine tinten en blinkend zwartgelakt hout. Op de radio speelt een deuntje:   I’ll never fall in love againhttp://youtu.be/7R801ZTt46U   Vreemd dat dit ene liedje een onuitwisbare indruk op mij maakt, waardoor ik 55 jaar na datum, bij het opnieuw beluisteren ervan, in het verleden word geworpen. Was het de stem van de zanger of eerder het speciale arrangement met zijn schetterende trompetten, schuifelende trombones en zoemende saxofoons? Ik weet het niet. Ik kan alleen maar vaststellen dat dit liedje van Johnnie Ray vastgebrand is op de harde schijf in mijn hersenpan, mijn iTunes avant-la-lettre. En nu we het toch hebben over de computer - dat andere wonder van de vooruitgang - valt het me op dat bovenstaand filmpje de eerste en enige beelden zijn die ik ooit gezien heb van de zanger in kwestie. Voor oude rakkers, zoals ik, is Youtube dus een zegen. Vroeger hadden buitenlandse artiesten internationale successen en hitsingles zonder dat de koper van de vinylplaatjes ze ooit had zien optreden op televisie, laat staan in levende lijve. Johnnie zingt zijn zelf gecomponeerde en laatste nummer éénhit duidelijk live. Dat merk je aan twee dingen. Je ziet dat hij bepaalde aangehouden noten uit zijn mond ‘wringt’ en je merkt ook dat hij, door zijn zeer slechte gehoor - en vandaar dat duidelijk zichtbaar hoorapparaat - de muziek tweemaal iets te vlug af is.Dit doet niets af aan de kwaliteit van Johnnie, die met ‘Just walking in the rain’, ‘Cry’ en ‘Tonight Josephine’ nog andere hits heeft gescoord.

Marc M. Aerts
14 0

Ritselend riet

Het landschap waar hij naar teruggekeerd is, lijkt in geen enkel opzicht op de plaats waar hij opgegroeid is. Waar ooit talloze hutten, waaruit mensen vrolijk heen en weer liepen, tegen elkaar geplakt stonden, terwijl geluiden en heerlijke geuren zich mengden tot een gezellige drukte, is het nu onnatuurlijk stil. Zelfs het riviertje dat vroeger levendig kabbelde, stroomt traag en moeizaam.Abdul bukt zich en neemt een handvol aarde. Het voelt droog en onvruchtbaar aan. Het verwondert hem niet dat niemand zich hier opnieuw gevestigd heeft. Zij die net als hij teruggekeerd zijn, moeten zich hetzelfde gerealiseerd hebben: het land, ooit zo vol van leven, heeft het nu voorgoed opgegeven. De oorlog is er nooit in geslaagd de mensen de mond te snoeren, maar heeft het land haar stem ontnomen.De plukken riet die her en der aan het riviertje staan, zijn het enige teken van leven. Het stemt Abdul triest dat het zijn geboortedorp zo vergaan is. Hoe vaak hij als vluchteling ook verjaagd, uitgescholden of slecht behandeld is, steeds konden de herinneringen aan deze plaats hem overtuigen vol te houden. Hij wist dat hij op een dag terug zou keren. Dat had hij zichzelf beloofd toen hij het land ontvluchtte. Maar in tijden van hongersnood en onzekerheid worden beloftes vaak naar de achtergrond verdreven. Hoewel Hava toen hij met haar trouwde had aangegeven dat ze ook verlangde terug te keren naar het dorp waar hij geboren was, hadden ze het plan uitgesteld tot ze voldoende geld bijeengespaard hadden. Wellicht zouden ze wel verhuisd zijn, als zij niet al snel zwanger was geworden. Toen Fevzi geboren was, beloofden Abdul en Hava elkaar dat ze ooit wel zouden verhuizen, maar na de geboorte van de meisjes, wisten beiden dat ze niet meer zouden vertrekken.Abduls belofte aan zichzelf om terug te keren, was toen al vervaagd naar het verlangen om met zijn gezin op bezoek te gaan naar zijn geboortedorp. En ah, na de ziekte van Hava en de kosten aan het dak, werd ook dat op de lange baan geschoven. Maar het verlangen bleef. Altijd. Dat er niets zou zijn om naar terug te keren, had hij niet voorzien. Hij had zich nooit gerealiseerd dat dat ook een mogelijkheid was. Misschien is het beter, spreekt hij zichzelf toe, dat hij het nooit geweten heeft.Abdul laat zijn blik een laatste keer over het droeve landschap glijden. Al die jeugdherinneringen die hij zijn hele leven gekoesterd heeft, dringen zich aan hem op. De plaats waar zijn moeder manden maakte, het dorpsplein, de kruidenwinkeltje waarin zijn vader gewerkt had,... weg, alles is weg.Overstelpt door verdriet en heimwee naar een plek die niet meer is, sluit hij zijn ogen. Zijn mond opent zich en zijn lippen vormen de woorden van het lied dat zijn moeder voor hem zong toen hij klein was. Steeds luider zingt hij het lied. Hoewel hij nog zelden zijn moedertaal spreekt, herinnert hij zich elk woord feilloos. Het doet hem pijn hoe nergens vogels opvliegen of kinderen nieuwsgierig komen kijken, hoe niets in het landschap teken van leven geeft bij het horen van het steeds luider klinkende lied. Toch zingt hij trots verder. Het landschap werd de mond gesnoerd, maar hij zal nimmer zwijgen.Pas wanneer het donker is, keert Abdul terug. Voor de tweede keer verlaat hij zijn geboortegrond. Voorgoed deze keer, weet hij. Nooit zal hij hier weerkeren. Met het afscheid van de plaats waar hij geboren is en zijn kindertijd heeft doorgebracht, neemt hij ook afscheid van een stuk van zichzelf. Hij voelt zich verweesd, meer nog dan toen zijn ouders stierven. Langzaam slentert hij weg van de grond waarop zijn voorvaderen generaties lang geleefd hebben. Morgen rond deze tijd zal hij alweer thuis zijn, weet hij.  Zijn geboorteland draagt hij voorgoed in zijn hart, maar zijn plaats is bij zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.Bij zonsopkomst, wanneer Abduls vliegtuig opstijgt, waait de wind door het riet nabij het riviertje. Speels ritstelt het, steeds luider en luider, tot het lijkt alsof het riet neuriet. Eerst overstemd door de wind, maar nadien duidelijk hoorbaar klinkt een bekend Arabisch slaapliedje voor kinderen over het verlaten land.

Fuaran
0 0

Sophia

Natuurlijk waren we dol op het huis, maar ik denk dat de echte reden dat we het kochten, de vlaggenmast was. Die stond aan de linkerzijde van het huis en Sophia was er meteen dol op. Het was vreemd hoe snel de vlaggenmast een plaats in ons leven kreeg. We maakten er een sport van om zo veel mogelijk vlaggen te verzamelen. En hoewel ik mijn uiterste best deed, was het Jonas die elke vlag leek te kunnen bemachtigen. Ik heb nooit geweten waar hij ze vandaan bleef halen. Of het nu om Hawaï of om Oezbekistan ging, alle vlaggen kon hij vinden. We vierden de nationale feestdagen van talloze landen waarvan wij niet eens wisten waar zij zich bevonden, door hun vlag te hijsen. En Sophia genoot met volle teugen. Als de zon scheen, zat zij soms uren in haar rolstoel onder de vlaggenmast. Trots als een pauw keek ze vanaf haar plaats onder de vlag naar de voorbijrijdende auto’s, als was ze een langvergeten erfgenaam van de troon van het land in kwestie.De periodes die zij noodgedwongen in het ziekenhuis doorbracht, vroeg zij ons elke dag welke vlag er aan de vlaggenmast hing. Wij vertelden haar dan welk land zijn nationale feestdag vierde en beschreven haar de kleuren van diens vlag. Jonas probeerde zelfs haar elke dag iets over het land te vertellen. Hij vertelde haar over het klimaat, over de mensen en waar zij in geloofden, over de plaatselijke gebruiken en over de dieren die er leefden. Van tijd tot tijd verraste hij haar door enkele woorden in de taal van het land in kwestie tegen haar te spreken. Hij telde tot vijf in het Swahili en stelde zich aan haar voor in het Russisch. Of dat deed hij ons toch geloven, want natuurlijk zouden wij het niet geweten hebben mocht hij een fout maken. Maar Sophia genoot, dus waren wij tevreden. En Jonas misschien wel het meeste.De dagen dat er geen nationale feestdag werd gevierd, of we de vlag van het vierende land niet bezaten, logen we, want niemand wilde haar het plezier van de vlaggen ontzeggen.Ik herinner me nog heel goed hoe Jonas op de dag dat ze voorgoed haar ogen sloot, een witte lap stof nam en er een wereldbol op tekende. Onder de wereldbol schreef hij in grote drukletters haar naam. En wanneer ik nu, jaren later, op zonnige dagen voorbij het ouderlijke huis rijd, zit hij daar, in een tuinstoel onder zijn vlag. Fier als een pauw, alsof de wereld van hem is. En dan weet ik dat Sophia tevreden toekijkt.

Fuaran
3 0