Lezen

AFSCHEID

Afscheid                                                                                November 2004   Mechelen statie, maandagavond, 22 november 2004.                                                                        Met een luide snok worden de wagons ontkoppeld. De trein Leuven- Mechelen is nu opgesplitst: de voorste wagons rijden naar Antwerpen, de achterste naar Sint Niklaas. De jonge Oostblokker met het baseball petje komt me nogmaals vragen: ” Antwerrrrrpen yes???” “Yes, yes” knik ik hem geruststellend toe. Hij tikt opgelucht tegen zijn pet en gaat terug naar zijn vader waar zij hun, voor mij onverstaanbare conversatie, voortzetten. Mijn blik glijdt naar buiten, het lijkt me koud daar, een typische november avond. Op het donkere perron, op één van de lege banken, zit een jong stel romantisch te tortelen. Op mijn gezicht vormt zich een warme glimlach terwijl ik hen, als een stiekeme voyeur, begluur. Het meisje nestelt zich op de schoot van haar vriend en buigt haar hoofd in een tedere kus. Speels grijpt de jonge man haar handen en duwt haar van zich af en al snel ontstaat er een sensuele worstelpartij zoals alleen bij verliefden kan. De hele wereld mag hun geluk aanschouwen. Zij hebben die gekende rebellie over zich, dat superieur gevoel van uniek te zijn, overtuigd van een samenhorigheid die eeuwig zal standhouden. Een gevoel dat je enkel hebt als de endorfine van een nieuwe liefde door je lijf raast. Een gevoel dat nooit blijft duren.   Zullen zij er zijn voor elkaar, binnen veertig jaar? Zal hij aan haar sterfbed zitten, met een blik die dezelfde warmte uitstraalt als vandaag? Zal hij haar mond verfrissen met gemalen ijs in het tedere schenken van een laatste stukje comfort? Haar handen af en toe verfrissen? De dekens herschikken? Bij haar blijven in die laatste nachten tot het tijd is om afscheid te nemen van dit leven? Of zullen zij die overgang alleen moeten maken, beroofd van hun illusies, in volledige afhankelijkheid en verzorging van een buitenstaander. Ik slik mijn tranen weg. De trein zet zich met een schok in gang en versnelt zijn vaart. We rijden de nacht in en opgeslokt door die duisternis dwalen mijn gedachten af naar de gebeurtenissen van die dag. ... “Sofieke !!! Yoehoe !!!” Ik draai me om en zie mijn elegant vriendinneke zwaaien met haar paraplu. “Yolanda!” Roep ik opgetogen, en rep me op een drafje naar haar toe om af te remmen met een frisse duik, in een onstuimige omhelzing. Ik ruik haar heerlijke parfum en hou haar een eindje van me af. “Je ziet er weer super uit, Joke, hoe doe je dat toch altijd?” Ze ziet er inderdaad stralend uit, met haar negenzestig lentes… Terwijl deze laatste dagen toch erg zwaar moeten geweest zijn. “Hoe is het met haar, Jo?” We wandelen snel het station van Leuven uit, geen oog voor de nieuwste verfraaiingen en haasten ons naar de Busterminal. “Niet zo best, Schatteke, eerlijk gezegd, helemaal niet goed, het is nu een kwestie van dagen.” Ik trek mijn gezicht in een vastberaden frons :”Dan is het goed dat ik vandaag gekomen ben, elke dag telt nu.” Joke bekijkt me, zoekt naar woorden, en wordt gered door onze bus die aan komt rijden. In de bus tracht ik mijn opkomende misselijkheid weg te slikken, wat heb ik een hekel aan dat duwen, trekken en zigzaggen… Bah. Joke vertelt: “De laatste dagen zijn supersnel gegaan, lieve. Weet je nog dat we vijf weken geleden je veertigste verjaardag vierden in dat Griekse Restaurantje op de Paardemarkt? Wel toen zagen we al wel dat ons Liesje wat snel moe was hé. Ze at haar bord niet leeg en leek naar het einde van de avond toe uitgeput.” Ik knikte.   Joke had me toevertrouwd dat er bij Liesje kanker was vastgesteld aan de Niemand mocht het weten. Liesbeth was een belangrijke zakenvrouw in het Leuvense en nieuws als dit zou een ramp zijn voor het Imperium dat ze van haar Catering bedrijf gemaakt had. Haar zaak was haar leven, een opbouw van meer dan veertig jaar in een wereld die op dat niveau, nog steeds door mannen geregeerd werd. Eén vonk van dit nieuws zou heel die opbouw waardeloos maken, klaar voor een troepje hyena’s die alles voor een appel en ei zouden opkopen. Het was Liesbeth’s wens dit te vermijden. Een wens met vele gevolgen.   Ze veroordeelde zichzelf tot de eenzaamheid van het niet- afscheid kunnen nemen. Ze was verplicht het spel van de dagelijkse routine tot de laatste snik uit te spelen. Een hypocriet stukje theater dat dwars lag met mijn instelling van absolute openheid. Maar ik hou van mijn vriendin. En ik respecteerde haar wens hierin en speelde het spel mee. Officieel wist ik nergens van. Joke had de belofte tot zwijgen uiteindelijk moeten verbreken, ook zij moest als gevoelig mens een kanaal creëren om haar verdriet te kunnen draineren, en ik had de eer dat kanaal te mogen zijn. Ze belde me regelmatig met nieuws en we organiseerden tal van ‘toevallige’ ontmoetingen en grepen elk excuus aan om de bloemetjes buiten te zetten en te gaan feesten. En Liesbeth…Liesje ging met een laatste levenshonger gretig in op al die ‘spontane’ afspraakjes. In haar wijsheid moet zij geweten hebben wat er gaande was. Onze gretigheid voor elk moment was te groot. Mijn gekende knuffelwoede overdreven. Onze blikken te intens. Maar er werd nooit over gesproken. Dat was haar wens, en ik leerde een respect krijgen voor dat anders zijn, het was immers Wie Zij Was. Alhoewel ik er helemaal niet mee eens was.     Onze vriendschap overbrugde de generatiekloof tussen ons moeiteloos. Ik amuseerde me te pletter met mijn 65-plussers, die ik had leren kennen op een georganiseerde reis in Corsica. De organisatoren hadden een rally dwars door Corsica uitgestippeld en op één of andere manier kozen Joke en Liesje mij uit als hun reisgenoot op deze trip. En ik zei geen neen… Het was een veel te mooi excuus om rond te rijden in een prachtige gele Peugeot 306 cabrio, met dan nog het elegante gevoel dat ik de ‘dames’ er een dienst mee bewees. De mannen in onze groep stoven weg terwijl wij nog aan het sleutelen waren aan de knopjes van het elektrische dak, en na wat geklungel en gegiechel vertrokken we ‘al wandelend’ door het prachtige Corsica. De ‘Eerste Prijs’ kon ons gestolen worden. We genoten van de prachtige natuur, de everzwijnen die los over de weg liepen (en vaak geen zin hadden om een pasje op zij te zetten voor enkele dames in een geel blitsend autoke), de herders die met hun kudde geitjes klingelend over het landschap kuierden, de prachtige kloven met hun azuurblauwe meren… te veel op allemaal te bevatten. We stopten bij elk mooi plekje en maakten uitgebreid foto’s terwijl we verrukte kreten slaakten in ontembare bewondering voor al dat moois. Corsica is ruw, mooi, ongerept wild, mysterieus en soms passioneel woedend. Tegen de middag aan waren we al hopeloos verdwaald, gelukkig zaten we op een Eiland, dus echt mis kon het niet lopen. Na wat zoeken zagen we op een afgelegen parking onze reisleider, eveneens hopeloos verdwaald (iets wat hij nooit heeft willen toegeven, neen hij wilde :”De spanning van het spel bewaren..!?”) Nadat die Oen ons dan ook nog het verkeerde uur had ingefluisterd op de eindafspraak, vertrokken we opnieuw in de door hem aangeduide (foute) richting, om verder hopeloos te verdwalen. Maar! We zagen wél de prachtigste dingen, én dat, zo verzekerden we elkaar, zouden die haastige rallyrijders ons toch niet kunnen nadoen. We aten op ons gemak in een landelijke taverne met een horde gevaarlijk uitziende half wilde honden, die vol littekens stonden van het vechten. Ik ben altijd al een ‘hondenmens’ geweest en miste mijn lieve Milou ( die ik even in België had moeten achterlaten) dus was het vanzelfsprekend dat ik na enkele minuten uitgelaten lag te knuffelvechten met een grote witte bullterïer. Het strenge, verweerde gezicht van de waard transformeerde zich tot een fontein van lachrimpeltjes en met een forse glimlach om zijn tandloze mond, serveerde hij ons onze lunch. We aten het zwijnenvlees dat we eerder op de weg hadden zien paraderen( de varkens waren gemeenschappelijk bezit van de eilandbewoners) en dronken kruidige Corsicaanse wijn. Ik voelde me thuis op dit ruwe eiland, met zijn ruig volk dat op een eigen wijze rebelleerde tegen die gemene Franse bezetting die nu al zo lang standhield. Joke en Liesje genoten… De dagdagelijkse stress van hun drukke bestaan viel weg en ze legden hun lot volledig in mijn handen, zonder enige twijfel dat ik hen veilig op de eindbestemming zou brengen. Het werd tijd om verder te gaan. Met een waardeloos giechelende kaartlezer (Joke) en een Liesje met de slappe lach, zag ik me verplicht te rijden én kaart te lezen tegelijkertijd… De twee dames kwàmen er niet meer uit toen ze mijn pogingen aanschouwden: Telkens ik de berg op wou, weg van de zee, reden we op één of andere manier naar beneden, richting water, en wanneer ik naar zee wou, naar beneden, klommen we bocht na bocht naar boven… Hopeloos!!! Enfin, tot slot kwamen we toch op onze eindbestemming, ik al rijdend met de kaart op mijn schoot, Joke en Liesje nog nahikkend van hun slappe lach. Om geconfronteerd te worden met een bus vol chagrijnige medereizigers die al anderhalf uur op ons wachtten. De locale Franse gidsen schoten in hun befaamde nationale colère en sleurden ons hardhandig uit de auto. En wanneer die Paterachtige Oen van een Belgische reisleider ons nog wat belachelijk maakte terwijl we op de bus stapten, was voor mij de maat vol en schoot ik in MIJN inheemse colère. Ik vertelde het gezelschap ongezouten dat onze ‘bekwame’ Gids blijkbaar moeite had om Franse cijfers te vertalen naar het Nederlands. Er was ons een ander uur gemeld. Basta! De reisleider stotterde, de bus grinnikte en een vriendschap was vereeuwigd… De rest van de vakantie trokken we samen op en beleefden we ontelbare mooie momenten, momenten om jarenlang uit te knauwen…     Op een bepaald moment in je leven is leeftijd absoluut onbelangrijk, het is de jeugdigheid van de geest die lotgenoten opzoekt. En we hebben in die veel te korte jaren van intense vriendschap wat afgelachen hoor…eindelijk had ik eens vriendinnen die niet in vernietigende rivaliteit, gehaaid zaten te wachten om me weg te duwen wanneer ze nog maar dachten dat ik schaduw zou kunnen werpen op hun eigenheid. Uiterlijkheden waren geen competitie, enkel aanmoedigend en steeds opbouwend. Zeldzaam, en heerlijk…   Toch was ik me bewust dat die enkele decennia jonger me op andere vlakken minder rechten gaven. Zo was er de kwestie van Gerda, Liesbeth’s dochter, die net zo oud was als ik, en met wie ze al jaren in onmin leefde, ook daar wist ik officieel niets van af, er werd nooit over gepraat. Het maakte Yolande’s pleidooien enkel stugger: vol vuur en volharding trachtte ze Liesbeth er van te overtuigen deze laatste maanden nog te gebruiken voor een heilzame verzoening. Ik was haar stille supporter. Hoe kon een vrouw, die me zo omarmde met haar warme vriendschap, zich zo genadeloos opstellen tegenover mijn onbekende leeftijdsgenote? Liesbeth bleef koppig weigeren. Emoties waren er om verdrongen te worden. De afstomping van vele jaren geld vergaren…   De stadsbus vervolgt zijn weg door de prachtige straten van Joke’s geliefde Leuven. “Weet je wel zeker of ik welkom zal zijn Jo?” vraag ik onzeker “Liesje was duidelijk in haar wens, géén bezoek…” Joke legt haar gehandschoende hand in een warm en elegant gebaar op mijn been en knijpt even. “Jij bent toch niet zo maar iemand… ze gaat héél blij zijn.” Ik slik. “In het slechtste geval blijf ik maar tien minuten, maar ik moet het toch proberen niet, het is de laatste kans om haar nog te zien…” Joke knikt me bemoedigend toe. “Oei, we zijn er lieverd, dit is onze halte, kijk dat grijs gebouw is Gasthuisberg.” Ik stap uit en houdt me duizelig even vast aan mijn oudere vriendin die kwiek voortstapt… die verdomde bus! “Wacht even Jo, ik wil nog bloemen kopen voor haar.” Yolande schudt afkeurend haar hoofd, ze weet dat ik het financieel niet al te breed heb. “OK, er is een bloemenwinkel hier vlakbij, kijk we zijn er al, koop iets klein Sophieke, haar kamer staat al vol bloemen en ach, het is allemaal zo vergankelijk.” “Het is het laatste dat ik haar iets kan schenken Jo, laat me nu maar”. In de winkel vraagt de eigenaar tot mijn verbazing onmiddellijk naar de toestand van Liesje. Leuven volgt het wel en wee van zijn grote figuren, het is een warme gemeenschap.   In het Ziekenhuis moeten we acht hoog. Yolande klampt zich aan me vast en knijpt mijn arm haast blauw. In haar anders zo guitige blik lees ik nu razende paniek: Haar claustrofobie! Jeezes, dat moet een marteling voor haar zijn, elke dag opnieuw! Normaal gezien neemt ze nooit een lift, maar Acht verdiepingen? Arme Jo... De liftdeuren gaan open. Jo laat me los uit haar wurggreep en opgelucht wipt ze als een jonge hinde naar de veilige overkant. Op onze tippen lopen we door de gang. Dit is de afdeling Palliatieven van Gasthuisberg. De inkom van de afdeling is versierd met groene kunsttakken en gekleurde bloemen. Alles kan en mag hier. Het oude en ongezellige gebouw is met allerlei middelen omgetoverd tot een warm, knus en huiselijk oord waar de patiënt en zijn familie zich kunnen thuis voelen, zonder zich te moeten bekommeren over al te veel praktische beslommeringen. Zo is er een kleine keuken waar zowel het personeel als het bezoek gebruik mag van maken, er staat steeds koffie klaar en de ijskast is gevuld met de favoriete hapjes van de patiënten. Er is een kleine lounge waar men wat kan mijmeren, rusten, bidden, schrijven, muziek beluisteren… Alles ademt een sfeer uit van sereniteit en respect.     Op het einde van de gang bevindt zich Liesje’s kamer. Aan de deur kleeft een briefje:”Niet meer dan tien minuten bezoek aub”. Verschrikt kijk ik naar Yolande, was het wel gepast om…Zachtjes duwt Yolande me de kleine kamer in, en dan zie ik ons Liesje…   Het beeld treft me niet echt. Ik WEET wat kanker kan doen aan het menselijke lichaam. Enkele jaren geleden stierf mijn vader aan diezelfde, vreselijke ziekte. Op zes weken tijd teerde de kanker zijn krachtige lichaam volledig uit. We beseften nauwelijks wat ons overkwam, ons gezin overleefde de gevolgen van die destructie niet. Zonder het fundament van Vader’s liefde brokkelde het wezenloos uit mekaar.   Ik ben dus niet verbaasd te zien hoe Liesje is getransformeerd tot een fragiel oud vrouwke op enkele weken tijd, haar fiere elegante gestalte weggesmolten tot een mager lichaampje dat in absolute kwetsbaarheid opgerold ligt te slapen. Haar keurig ‘Chignon’, hét handelsmerk van haar zaak als ‘Madameke Van Ro” is uitgedund tot enkele slierten haar, nog steeds keurig bijeengebonden. De vele lijnen die nu zichtbaar geworden zijn op haar lieve gezicht, verraden haar stille strijd. En nu begrijp ik haar. Haar hele leven lang heeft ze een sterk imago opgebouwd . Een felle zakenvrouw in een harde mannenwereld. Geen tijd om zwak te zijn, geen tijd om emoties te uiten, geen tijd om moeder te wezen… Werken, werken, werken en NOOIT toestaan dat de wereld die andere, kwetsbare kant van je aanschouwt, ook niet op deze laatste dagen. Zéker niet op deze laatste dagen. En ik besefte hoe bevoorrecht ik hierin geweest ben. Onze unieke vriendschapsband was een oase van rust voor Liesje. Een tuin van Eden waar ze even kon zijn wie ze ook was: Een lieve vrouw met een geweldig gevoel voor humor. Onze uitjes waren vast een verademing voor haar in hun eenvoud. Zowel Yoke als ikzelf hadden NIETS van haar nodig, we gaven haar wat we zelf terugvorderden: onbaatzuchtige vriendschap.   Joke biedt me een stoel aan. We schuiven ons dicht tegen het bed en genieten van deze laatste uren samen. Mijn ogen verslinden elk detail van die slapende gestalte in dat witte ziekenhuisbed. Dit is de laatste keer dat ik haar kan aanschouwen, en ik wil haar beeld op mijn netvlies griffen, en elke lijn in haar gezicht onthouden… Haar slanke handen, ringenloos maar nog steeds elegant, die ontspannen rusten op de smetteloos witte lakens. Haar versleten polsbandhorloge, dat aan een schakel van haar ‘Papegaai’ bengelt, en vooral: haar rustige ademhaling en de sereniteit waar mee ze dit lot aanvaard. Joke en ik voeren een fluisterend gesprek en vertellen elkaar verhalen, anekdotes, en de hardere realiteit van de afgelopen weken.   De ruzie met haar dochter Gerda is Godzijdank bijgelegd. Gerda zal de zaak overnemen, iets wat niet zo eenvoudig is, er is zo veel tijd verloren en van enige voorbereiding is geen sprake meer. Gerda wordt in het water geworpen zonder zwemvest. Het is erop of eronder, zwemmen of verzuipen. Liesje heeft, in haar koppigheid, de tijd maar laten voortkabbelen en op die manier haar einde niet grondig voorbereid, althans, toch niet voor haar dochter. Enkel tegen Yolande heeft ze op een rustig moment bekend dat ze met deze uiteindelijke verzoening nog een jaartje verder had willen genieten van de vernieuwde band met haar dochter. ‘De Meester’, Liesjes vervreemde wederhelft, speelt zijn eigen rol in dit drama. De jaren van vervreemding kunnen deze laatste dagen niet ongedaan gemaakt worden. Zij hebben een vreemd soort van Relatie, die twee… Ze leven al decennia lang elk hun eigen leven, Liesje als een bezetene in haar zaakje, en ‘De Meester’, een vroeg gepensioneerd schoolhoofd, als welgestelde rentenier. Liesje reed rond in een aftands klein bestelwagentje, zuinig en makkelijk om al de ‘marchandise’ in op te laden. De meester rijdt in een Mercedes of Landrover, afhankelijk van zijn plannen, en geniet van de uitgestrektheid van hun Privé bossen, waar hij het wildbestand beheert en de dagen al kuierend ziet voorbijglijden. Toch is er een wederzijdse sterke band, en Liesje schijnt zijn ‘magere’ aanwezigheid niet als teleurstellend aan te voelen. Ze steunt op de aanwezigheid van Yolanda en Erika, haar twee vriendinnen die elkaar aflossen en haar bijstaan in deze laatste dagen. Een zware taak voor de twee vrouwen, die niet piepjong meer zijn en hun ‘wake’ moeten combineren met een nog steeds professioneel druk bestaan. De Meester komt, op zijn beurt, sporadisch binnengevallen, als een nerveuze wervelwind, niet opgewassen tegen de beklemmende stilte van een stervende mens. De talloze faciliteiten van de Palliatieve Dienst blijven ongebruikt. De Meester is te fel gehecht aan zijn eigen dagelijkse noden, Gerda kan haar zelfstandig opgebouwd leventje niet zo maar afbouwen, ze heeft haar verplichtingen en de plotse omwenteling in haar leven brengt héél wat geloop met zich mee. Yolanda is haar baken. Een ode van wat vriendschap tussen vrouwen kàn betekenen.   Ik verplicht me even mijn blik los te koppelen en kijk de kamer rond. De talrijke bloemen met hoopvolle boodschappen vertellen me dat niemand de ernst van de situatie kent. Wat me opvalt, is dat haast iedereen hetzelfde boeket heeft uitgekozen: Witte rozen en Lelies… Hoop en Verfijning. Liesje beweegt… Ze kreunt even, rekt zich als een jong poesje en opent haar ogen. Die blik! Zo vertrouwd. In haar magere gezicht stralen die blauwe kijkers van haar nog dezelfde kracht uit, met een contrasterende helderheid in dat gehavende lichaam. “Sophieke…” Fluistert ze verrast. “Dat is nog al eens een verassing hé mateke”, snikt Joke ontroerd. “ Ik heb naar ons Sophie getelefoneerd en kon ze niet meer tegenhouden, ze wilde je komen bezoeken, fijn hm?” Ik sta recht en buig me naar het bed. “Ben je blij, Liesje? Ik bedoel, vind je het ok dat ik hier ben, ik wil je niet storen maar ik kon het niet…” “Natuurlijk ben ik blij… natuurlijk, kom hier” haar stem kraakt verzwakt maar haar omhelzing en verwelkoming zijn nog met een oude kracht die me verbaasd. Yoke begint op een stille toon het hele verhaal van mijn onaangekondigd bezoek af te ratelen maar Liesje zakt terug weg in een slaap-droom-toestand die voor haar beslist pijnloos en noodzakelijk is. Een loden last valt me van de schouders, pffff, ze is blij me te zien, ik kan hier stillekes blijven zitten, ik ben welkom. Opgelucht luister ik verder naar Jokes gefluisterde verhalen. Liesje blijft verder sluimeren in die droom-waak-toestand, met af en toe korte momenten van glasheldere realiteit waarin we elkaar intens bekijken en Yolande haar een brokje gemalen ijs aanbiedt, als snoepje voor haar verdroogde mond. De avond valt in de kleine kamer.   Een zware stap davert in het gebouw, een beleefde groet weergalmt in de anders zo stille gang: De Meester is op komst. Joke zucht geërgerd: “Kan die man nou niet gewoon stil zijn?” fluistert ze. Een geblokte, stevig gebouwde zeventiger doet zijn intrede. De Meester blaakt van gezondheid, zijn frisse kaken onthullen de vele uren in de open natuur. Het gedisciplineerde kapsel in combinatie met een vlekkeloos geruit kostuum zijn nog een duidelijke erfenis uit de strakke schoolmeestertijd. In zijn grote handen draagt hij een plastiek tasje met een Fles …Champagne! Champagne? Joke volgt mijn vragende blik:” Een kleine wens van Liesje, ze wilt de intraveneuze voeding afgesloten, maar wil nog een glas heffen om de verzoening met Gerda te vieren.” “En, hoe is de situatie vandaag?” buldert de meester met luide stem, me met een achterdochtige blik vorsend. Ik reik hem mijn hand. “Sophie Selleslaghs, mijnheer, ik ontmoette U twee jaar geleden bij U thuis.” Een verbaasde blik van herkenning. “Natuurlijk, Sophieke, je haar ziet er wat anders uit,...goed dat je gekomen bent…” “Helemaal vanuit Kalmthout met de trein” vult Joke aan. De Meester knikt kort en wendt zich tot het ziektebed:”Mijn God wat is ze achteruitgegaan sinds gisteren” oordeelt hij onelegant, hij houdt het boodschappentasje voor zich uit, “dit zal niet meer kunnen, ik zal het maar terug mee…” “Geen sprake van”, sist Joke onverwacht heftig, en ze grist de fles uit de handen van de verbouwereerde man. “Dat zal nog prima lukken” en met een kordaat gebaar plaatst ze de fles in de kleine koelkast. “Kom Sophieke, we gaan nog wat ijs malen in de keuken” Gewekt door al het tumult, opent Liesje haar ogen en schenkt haar wederhelft een liefdevolle glimlach. Joke graait me bij de arm en duwt me naar buiten. “Ach die man, als het niet voor haar was dan zou ik hem…” Ik kijk mijn vriendin begrijpend aan, ook ik ben gechoqueerd bij het aanschouwen van zulk een kil gedrag. En toch… Liesje is blijkbaar écht wel blij met zijn wervelende aanwezigheid. Blijkbaar hebben zij een evenwicht in hun relatie gecreëerd waar Joke en ikzelf, als vastgeroeste singles, niet bij kunnen. In de keuken malen we nog wat ijs, en bekijken de accommodatie van deze bijzondere dienst. “Mijn Pa is nooit uit de dienst ‘Hart en Bloedvaten’ geraakt, het ging allemaal zo snel.” Joke leunt tegen het aanrecht en luistert. “Mama bleef de laatste weken bij hem kamperen, op een uitklapbaar veldbeddeke, ze liet hem geen minuut meer alleen, die twee zagen mekaar zo graag Joke, het verplegend personeel was aangedaan door het aanschouwen van zo veel liefde, nu begrijp ik meer waarom, blijkbaar kan het ook anders.” Nadenkend vervolg ik, “Neen, Jo, liever alleen dan met zulk een partner, stel je voor dat je die teleurstelling dan nog moet verwerken, zo op het laatste van je leven”. Joke knikt instemmend. “En toch is ze blij dat ze hem ziet, gek hé” frons ik. “Ja, kindje, daar kan ik ook niet helemaal bij, die twee leven al zoveel jaren hun eigen leven, dat is voor ons zo een vreemde wereld hm.” Ik grijp haar bij de schouder en omhels haar warm: “Ik ben zo blij dat ze jou heeft, Jo, je bent een goede vriendin hoor, de beste!” “Ach lieverd, dat is toch normaal.” Joke snuft een beetje ontroerd en trippelt terug op haar tenen door de gang naar Liesjes’kamer. “Zo! Zijn jullie daar weer!” buldert de meester. Liesje zit glimlachend en klaarwakker recht in haar ziekenhuis bed. En terwijl de meester Joke opeist om wat praktische zaken te bespreken, besef ik dat dit een goed moment is om afscheid te nemen...   Ik buig me naar Liesje en kruip even in een warme omhelzing tegen haar aan. Haar armen drukken me stevig tegen haar vermoeide lichaam. Ook zij weet dat dit de laatste keer is dat we elkaar in deze wereld zullen treffen. “Ik zie je graag Liesje…” fluister ik met een hese snik in haar oor. Ze brengt haar lippen dicht tegen mijn oor, verstevigt haar greep en antwoordt: “Ik U ook, maar dat weet ge wel hé…”. Ik sluit mijn ogen en slik, en snuif nog even haar vertrouwde geur op. ’Neen Liesje’ denk ik vertederd ‘ Dat wist ik niet…’ We bekijken elkaar nog éénmaal indringend aan en dan draait ze me de rug toe, volledige geconcentreerd op een nieuw relaas van de meester,die zich op een stoel naast haar heeft geïnstalleerd met de nodige documenten. Ik ruk mijn ogen van dat laatste beeld en loop de kamer uit. Stille tranen druppen van mijn wangen. ’Huil nu maar meid’ spreek ik mezelf in gedachten toe. ‘Huil! Krop niet op! Maak niet diezelfde fout als met Papa… laat je emoties los! Laat los!!!’   Maar sterke vrouwen mogen niet huilen. En wanneer Joke in de gang komt en me met mijn tranen tegen de muur ziet aanleunen, smeekt ze me: “ Aub, Sophieke, huil niet, doe me dat niet aan, aub… ik moet nog even sterk zijn. En jou verdrietig zien zal me breken, toe…” Een verpleegster komt naar ons toe. “Ze heeft net afscheid genomen,” hoor, ik Joke zeggen met beverige stem “ het zal de laatste keer zijn hé…” De verpleegster kijkt ons begripvol aan en ik tracht me zo goed ik kan te beheersen… eens de emotionele sluis geopend is het moeilijk terug een dam op te trekken.   De daaropvolgende dagen bel ik elke avond met Joke. De toestand van Liesje verslechtert snel. Ik mag mezelf echt gelukkig prijzen met ons prachtige afscheid. Het is net op tijd geweest. Liesje heeft gevraagd de intraveneuze voeding af te sluiten en teert nu op haar dieet van kleine slokjes Champagne. Joke vertelt dat ze, de weinige momenten dat ze nog echt bij is, met beetjes van haar glas nipt terwijl ze goedkeurend haar duim omhoog steekt. Stijl tot het laatste moment.   Op woensdag 24 november sta ik rond zes uur half uitgekleed in een kleed cabine van het gemeentelijk zwembad, een metaalachtig geluid weerklinkt: mijn Gsm! “Hallo?” hijg ik geschrokken. Aan de andere kant van de lijn hoor ik hartverscheurend gesnik: “Sophieke, Joke hier”…”Om je te melden dat ons vriendinneke om twee uur deze middag gestorven is en…” Batterij plat. “Grrrrrrtverdorrrrrie” Vloek ik luidop. Waarom had ik dat nu beter nagekeken? Ik gooi het toestel met een venijnige zwier in mijn zwemtas en begin me als een gek terug aan te kleden. Mijn mateke heeft me nodig en ze kan me niet bereiken! ‘Die toestellen werken ook nooit als je ze nodig hebt’ bedenk ik razend terwijl ik het zwembad uitsnel, een stomverbaasde kassierster voorbij ren en in mijn auto wegscheur. Thuis gekomen haast ik me naar mijn vast toestel en bel naar Yolanda. Het half uurtje wachten heeft haar gekalmeerd, maar ze klinkt volledig uitgedoofd: de waarheid is nog niet doorgedrongen. Ik luister naar het relaas van die laatste momenten en tracht haar te steunen in volledig besef dat ik de leegte die Liesje zal teweeg brengen, nooit zal kunnen opvullen. Ik kan alleen maar luisteren en er zijn voor haar, zoals zij er al die dagen is geweest voor Liesbeth, als een uniek goede vriendin.   Die avond stap ik, zoals altijd, met Milou nog even de nachtelijke koude in, voor een korte wandeling in mijn prachtige bos. Terwijl Milou rondsnuffelt, kijk ik naar donkere, bewolkte hemel. Geen sterren… Ik sluit mijn ogen en prevel een stil gebed: “Papa, waar je ook bent, help Liesje, begeleid haar. Je kent haar niet maar je zult haar herkennen in haar warmte en weten dat ze bijzonder voor me was. Sta klaar voor haar aan die andere kant, zodat ze geen moment eenzaam is,… ze is me zo dierbaar.” Ik open mijn ogen en zie een fonkelende hemel vol sterren.   Ik hoef niet verdrietig te zijn, alles is zoals het hoort. Een rauwe snik welt op vanuit mijn buik en de bevrijdende tranen stromen ongestoord over mijn gezicht.   “Goede Reis, Liesje, ik hou van je en zal je nooit vergeten.”   Carine  

Bosfee
0 0

We Zien Wel

Vandaag ben ik heel erg vrij want het is een Belgische feestdag. Wapenstilstandsdag.Dan vieren we het einde van de Eerste Wereldoorlog.Ik heb niets met wapens.Wel met stilstand en dan vooral de horizontale variant.Dus zeg maar dat ik gewoon een vrije dag vier.En wel eentje met onfatsoenlijk veel zon voor november.Opwarming van de wat?Met al mijn feestvreugde besluit ik er op uit te trekken.Beetje casual door de stad dwalen.Ik trek m’n stoute sneakers aan, stift m’n lippen rood en hop.Eerst ga ik maar eens wat chlorofyl snuiven in het stadspark.Dat valt tegen want het meeste groen is nu wel vergaan en je kan het overigens niet snuiven.Niettemin een mooie plek om even te reflecteren over de stinkende vijver en het florissante zwerfafval.Al snel zet ik mijn dooltocht verder.Na de parade van gesloten winkels en ontredderde toeristen kom ik aan bij de Schelde.Hier maak ik rechtsomkeert want ik kan niet over water lopen. Op de terugweg ga ik een straat in die ik zo goed ken dat we elkaar bij de voornaam aanspreken.Er is wat veranderd.“Is het je haar? Nieuwe bril? Ben je vermagerd?” vraag ik.“Nee” fluistert het asfalt “het is die koffiebar op nummer 12”.Nu je’t zegt, ja!Die ga ik checken want ik ben niet vies van het zwarte goud en het past in mijn ongeplande plan.De bar ziet er gezellig en hipstervriendelijk uit.Op het vrolijk beletterde raam lees ik “pop up koffiebar”.Zucht. Zeitgeist ook.Op het begin was het nog “Pop up? Ken ik niet? Vertel me meer over dat magische woord…”Nu geeuw ik “Uhu, ga maar in de pop up rij staan, ‘t is toch maar voor even”.Pop up hotels, pop up restaurants, pop up galerijen, pop up winkels, pop up relaties, pop up levens, pop up realiteit.AL-LES is tegenwoordig pop up. #wezienwel.Maar…niets is voor eeuwig.Dat wisten we toch al?Hoezo heeft tijdelijkheid plots zo’n stompzinnige naam nodig?Alsof bindingsangst een bedrijf is geworden.Nog zo’n buzzword.IE-DE-REEN heeft tegenwoordig bindingsangst. #ba.Zo van; “Heb jij al bindingsangst?”“Nee, ik weet nog niet of ik er al aan toe ben om het toe te laten” Ook ik lijd er aan, hoor.Ik heb moeite met veters en vind maïzena huiveringwekkend.Terwijl ik de menukaart bekijk, komt een oude bekende binnenwaaien.Het is Joost. Met Joost had ik ooit een hele leuke tijd tot hij zijn geheime wapen bovenhaalde.Je raadt het al. Bindingsangst.Hij ziet mij en m’n rode lippen ook en komt casual naar me toe gelopen.Hij neemt heel casual plaats tegenover me en we voeren een casual gesprek om te bewijzen hoe vrij we in het leven staan.Dan stelt hij de vraag.“Weet jij wat hier de wi-fi code is?”Ik zeg dat Joost het mag weten.“Oh haha..ik ga het even vragen dan. Ik ben liefst altijd verbonden”.Bindingsangst en verbindingsobsessie. #generatiedingetje.

Jasmine Tomballe
0 0

Letterbetoging

letterbetoging wij willen respectwij verwoorden ideeën uit je hoofdvervangen leegte op dit eigenste bladwij tonen zwart op wit aanwat jij grijs beweertschool heeft je dat geleerd wij eisen respectjij hebt ons immers nodigom klaar en duidelijk te zijn want zie wat je nu met ons doetwxcvbnqsdfghjklmazertyuiopwe zijn hier allemaalgroot, klein, oud en jongwoedend en onverstaanbaaromdat jij ons niet langer begrijpt ja je kent symboliek°†€$¥£!?:-)                                                                                                                     ja je hebt lay-out ja je gebruikt kleurja je musiceert♪♭♫♪♭♫♪♭♫♪♭en e zal dan wel emceekwadraat zijnja je googelt een vertaling尊重                                                          уважение                                                     احترام maar vandaag is jouw gereedschap voor ons handigwij tekenen LUID protest op dit blad akkoord ook wij kennen onze gebrekenbij jouw gevoelens, dromen en jouw cameramaar wij eisen wel begrip!erkenning voor ons bestaan wij zijn immers de overtuigende factor wanneer je ons religieus misbruiktons opnieuw wiskundig verkr8ons vergankelijk vertaaltons promotioneel ♫ dirigeert ♫ons onkundig wetenschappelijk √s-p-e-l-tons vakkundig, geschiedkundig verdraaitons liefdevol poëtisch tekentons €conomi$ch begraaft terwijl jij en jij alleenvrije meningsuiting geniet

KLAAS
0 0
Tip

Het huis van vertrouwen

Bavo installeert zich met dampende koffie aan zijn bureau. Door het raam ziet hij Charlotte nog net achter de witte haag verdwijnen. Het wordt al licht. ‘Zo’, denkt Bavo, ‘de eerste echte thuiswerkdag is een feit.’ Het heeft lang genoeg geduurd voordat de vakbonden en het bedrijf op één lijn stonden over thuiswerk. Tijdens een proefproject in de zomer heeft Bavo van collega's geruchten gehoord over inbreuken op de privacy. De indianenverhalen gingen over valse koeriers en spyware via de camera op de laptop. Natuurlijk konden de heethoofden niets bewijzen, zelf heeft hij ook niks gemerkt. Maar gelukkig is er nu eindelijk weer voldoende vertrouwen om echt van start te gaan. Bavo nipt van zijn koffie en tuurt naar de uitgestrekte winterse tuin. Dan klapt hij z'n laptop open. Acht uur, hij is klaar voor de wondere wereld van het boekhouden. Charlotte heeft nog geprobeerd om hem op te zadelen met een lijst taakjes 'want je zit toch thuis’. Maar Bavo heeft haar kordaat duidelijk gemaakt dat thuiswerken nog altijd werken is, niet prutsen. Hij logt aan, opent het boekhoudprogramma en begraaft zich al snel in een stroom facturen. Wanneer hij een uurtje op dreef is, valt de stilte hem plots op. Hij rekt zich krakend uit en kijkt naar buiten. Intussen schijnt er een melkzonnetje over de sneeuw. Kristallen glinsteren op de dunne twijgjes van de struiken en de ranke takken van een meterslange rij druivelaars buigen onder een laagje poedersneeuw. Netjes opgeknoopt en ingeknot staan ze te wachten op de volgende zomer. Bavo trekt een wenkbrauw op. Net achter de rij wijnstokken groeit iets ongewoons, ongeveer daar waar het vijvertje lag dat zijn zoon deze zomer heeft dichtgegooid. De plant heeft dezelfde hoogte als de wijnstokken maar is veel dikker. Platter ook. Vreemd. Plichtsbewust kijkt Bavo opnieuw naar zijn scherm om een factuurnummer in te geven, maar onwillekeurig drijft zijn blik weer naar buiten. Wat is dat vreemde dikke ding tussen de wijnstokken? Wanneer hij de schuifdeur opent komt de krakend koude lucht hem meteen tegemoet. Zijn adem vormt wolkjes terwijl hij moeizaam enkele meters door de diepe sneeuw waadt. Van hieruit lijkt het ding op een groot uitgevallen grijze meetlat, dik en plat, van onbestemd materiaal. Bavo aarzelt. Hij heeft nog een goede vijf meter te gaan, maar beslist rillend om te keren want de sneeuw smelt tegen zijn enkels en straaltjes ijswater lopen in zijn pantoffels tot op zijn warme blote huid. In de keuken trekt Bavo de natte pantoffels uit. Hij haalt boven dikke sokken en trekt ze hoog op zodat ze goed blijven zitten in zijn sneeuwlaarzen. Nadat hij een dikke fleece trui over zijn hoofd heeft getrokken, beent hij gehaast tot helemaal achteraan in de tuin. Bavo inspecteert het vreemde voorwerp. Het is een lange metalen staaf, helemaal afgeplat. Hij geeft er een ruk aan, de lat voelt als een bevroren lemmet. Hoewel het ding muurvast in de bodem zit, lijkt het wel beweeglijk, bijna flexibel. Bavo omklemt het metaal, zet zich schrap en probeert het los te wrikken, maar een pijnscheut schiet door zijn verkleumde vingers. Gefrustreerd loopt hij terug om wanten, een schop en een houweel te halen. De vrieslucht doet zijn neus lopen terwijl hij driftig de sneeuw rond de basis van de lat weghaalt. Minutenlang probeert hij met het materiaal een inkeping te maken om de lat uit te graven, maar de bovenste laag is steenhard bevroren. ‘Dedju’, vloekt Bavo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb zwaarder materiaal nodig’. Weer binnen is de keukenvloer herschapen tot een poel van vuile gesmolten sneeuw. Terwijl Bavo z'n laarzen uitschopt, kijkt hij door het keukenraam. De lat staat parmantig in de tuin, als een uitroepteken. Bavo snuit zijn neus, neemt zijn gsm en belt Luc, zijn broer en aannemer op rust. Niet veel later parkeert de witte bestelwagen van Luc voor het huis. Samen lopen ze zwijgend de tuin in. Luc bekijkt de lat aandachtig en geeft er een snok aan. ‘Die zit muurvast. Je hebt zwaarder materiaal nodig,’ stelt hij vast. Bavo knikt. ‘Ik heb in de camionette wel wat gerief, maar je hebt een bobcat nodig’, gaat hij verder. Luc kijkt bedachtzaam naar de grond, ‘Volgens mij zit het vast aan iets groters.’ ‘Ja, dat dacht ik ook al’, mompelt Bavo. ‘Wat doen we?’ ‘Luister,’ beslist Luc, ‘stap in, we halen er direct één van bij Daniëls. Ik heb daar nog ’t een en ‘t ander tegoed.’ De bobcat wordt een uur later via de straat achteraan de tuin geleverd. De mannen van Daniëls rijden het toestel tot vlakbij de lat, en vertrekken. Luc klopt goedkeurend op de bobcat, ‘Bavo, jongen, ik moet ervandoor. Tegels gaan plaatsen in de badkamer van ons An. Succes ermee.’ ‘Ja, merci nog’, stamelt Bavo, terwijl Luc naar het tuinhek loopt. Bavo bestudeert een poosje hulpeloos de dure machine. Net voor Luc in zijn bestelwagen stapt, draait hij zich om. Door de ijle vrieslucht roept hij: ‘Als het niet lukt met die bobcat, ken ik wel een paar Polen. Ik sms je hun nummer.’ Nadat Luc vertrokken is, klimt Bavo op de bobcat. Het is stil in de tuin. De sneeuw is platgetrapt en de bobcat staat te glimmen in de zon, net als de lat. Bavo haalt diep adem, start de machine en begint voorzichtig te graven. Al snel blijkt de grond lang niet zo hard bevroren als hij had gedacht, enkel de eerste paar centimeters zijn lastig. Het gaat vlotter dan met de schop maar toch werkt hij langzaam en voorzichtig. Wanneer hij een put van een goede kubieke meter heeft blootgelegd, en niets bijzonders tegenkomt behalve nog meer lat, stoot hij plots op een hard voorwerp met een bolle vorm. Net op dat moment stopt een groene bestelwagen aan de haag. Bavo zet de motor van de bobcat uit en knijpt zijn ogen dicht tegen zon. Hij ontwaart aan het hek een grote, brede man in overall. ‘Bonjour monsieur, je suis Marek. Je suis appelé par votre frère. Ça avance?’ ‘Oui, oui, ça va’, antwoordt hij. ‘Je viens de toucher quelque chose.’ ‘Vous permettez? ‘ gebaart Marek naar de bobcat. Hij neemt plaats en schraapt met gevoel voor precisie nog een laag weg. ‘Aidez-moi avec votre pioche, il y des parties plus délicates, l'objet a des courbes.’ Zo werken de mannen twee uur om het ding minutieus bloot te leggen, enkel onderbroken door een kleine pauze met twee pilsjes en boterhammen met kaas. Tot Bavo’s verbijstering blijkt de lat een wiek te zijn. De wiek zit vast aan een intacte helikopter, die, neus vooruit, in de grond geboord zit. Geen modelbouw, maar een kleine versie van een echte helikopter. Eerder het formaat voor een eend of eventueel voor een kleine zwaan, als gevogelte helikopters zou besturen. Bavo trekt zijn modderige handschoenen uit en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat doet die helikopter hier? Hij springt in de put, hurkt neer en poetst met zijn mouw de modder van de glazen zijkant die al bloot ligt om naar binnen te kijken. Waanzin. Er is geen zitje, dus het moet een onbemand toestel zijn, en de meest moderne technologie is aan boord. Uitgesloten dat dit toestel al lang onder de grond zit. Zou zijn zoon hem hier begraven hebben? Maar waarom? Of is het ding misschien maanden geleden gecrashed tot diep in de vijver en hebben ze al die tijd niks gemerkt? ‘Meneer?’ klinkt het plots scherp. Bavo kijkt omhoog. De zon schijnt nog steeds genadeloos in zijn ogen. Hij heft zijn hand boven zijn ogen om iets te zien en ontwaart het silhouet van een agent. Er staat een politiewagen geparkeerd achter de camionette van Marek en die laatste is plots nergens meer te bespeuren. ‘Wat is hier de bedoeling van?’, snauwt de agent. ‘Heeft u een vergunning om die helikopter te begraven?’ ‘We begraven hem niet,...’ pruttelt Bavo, die onhandig uit de kuil probeert te kruipen, uitglijdt en dan maar blijft staan. ‘Uw buren hebben ons opgebeld, u mag die grond niet zomaar verzetten,’ stelt de agent ongeduldig, ‘daar zijn vergunningen voor nodig. Ik zal een PV moeten opmaken. Ik stuur iemand om stalen te nemen want als er benzine in de ondergrond is gelekt, hangt u.’ Bavo opent zijn mond, maar de man is hem voor: ‘En kom straks op het bureau de eigendomsbewijzen van die helikopter maar eens voorleggen.’ Met een korte ruk draait de agent zich om en verdwijnt naar zijn wagen. Het draait Bavo voor zijn ogen, hij leunt een paar minuten tegen de rand van de kuil, starend naar de grond tot hij Marek hoort en opkijkt. ‘Est-ce-que vous voulez qu’on continue monsieur?’ vraagt die twijfelend, ‘Il y a quand-même encore quelques heures de travail. Surtout vu le temps qu’il fait.’ Veiligheidshalve voegt hij er nog snel aan toe: ‘Et c’est 16 euros l’heure, monsieur, au noir’. Bavo schudt het hoofd en mompelt: ‘Non non, merci, ça suffit, vous pouvez partir’. Als een lastige tiener geeft hij een trap tegen de helikopter. Binnenin klikt en zoemt er plots iets. Nieuwsgierig komt Bavo wat dichterbij. Hij ziet zichzelf in het bolle reflecterende glas staren naar een rood lichtje dat aanspringt, gevolgd door een flits. Gealarmeerd klautert Bavo uit de kuil en rent naar het huis. In de keuken schopt hij zijn laarzen uit op de natte vloer en zoekt houvast bij de tafel. Daar vindt hij zijn gsm met drie gemiste oproepen en een sms van Charlotte om te vragen of hij 'toch niet even tijd heeft om de was in te steken'. Hij stopt de gsm in zijn broek en loopt naar het bureau waar hij zijn ingeslapen computer onzacht tot de orde tokkelt. Het scherm licht op, hij logt in. Meteen verschijnt bovenaan zijn mailbox een pas binnengekomen bericht. Het bericht heeft als onderwerp 'betrapt' en als afzender 'drone 2'. Trillend opent Bavo de bijlage. Hij ziet zichzelf met onderzoekende blik en op de achtergrond de felle zon en de omtrekken van een bobcat.  

Tine Tytgat
27 2

Egeltje wil een voetbalploeg

Egeltje is op vakantie bij oma. Hij wil voetballen. ‘Leuk,’ zegt oma, ‘Kom maar op.’ Ze krijten een goal op het muurtje. Oma trapt de bal en Egeltje trapt terug. Maar Egeltje wil niet meer trappen tegen een muur. Hij wil een wedstrijd spelen met een echte voetbalploeg. Elf spelers in hetzelfde truitje. ‘Kom,’ zegt oma, ‘we halen de rode was van de draad. Je mag alle truitjes gebruiken voor jouw ploeg. We gaan samen op zoek naar spelers.’   Oma en Egeltje lopen met de grote zak vol voetbaltruitjes naar buurman Hond. ‘Hond, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Hond. ‘Maar oma, hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Hond kan toch niet in mijn voetbalploeg. Spelers moeten bij elkaar horen en hij lijkt niet op mij. Hij is wit en ik ben bruin.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie zijn allebei sterke jongens, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar,’ zegt Egeltje, ‘Hond, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Hond en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Met z’n drieën lopen ze naar het mandje van mevrouw Poes. ‘Poes, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Poes ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Poes past niet in onze ploeg. Wij zijn jongens, en zij is een meisje.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle drie snelle pootjes om te dribbelen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Poes, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Poes en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de hoge boom. ‘Specht, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Specht. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Onze hele ploeg heeft snelle pootjes om te dribbelen, maar Specht trippelt traag en wil liever vliegen.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle vier knappe hoofdjes om de bal te koppen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Specht, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Specht en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.     Samen lopen ze naar het kippenhok. ‘Haan, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Haan. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Iedereen van onze ploeg heeft een knap hoofdje om de bal te koppen, maar Haan heeft een hanekam. Hij kan niet koppen.’ ‘Misschien,’ zei oma, ‘maar jullie hebben alle vijf luide stemmen om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Haan, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Haan en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar het holletje in de hooiberg. ‘Muis, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Muis. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Wij hebben allemaal een luide stem om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, maar Muis heeft een stil piepstemmetje.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘Maar jullie kunnen alle zes verschillende dingen. Zo kunnen jullie de tegenstander verrassen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Muis, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Muis en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de konijnenpijp. ‘Dag konijntjes, komen jullie in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zeggen de konijntjes. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘In onze ploeg kan iedereen iets anders om de tegenstander te verrassen, maar de drie konijntjes kunnen hetzelfde!’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar als wij alle tien een rood truitje aanhebben, zijn we samen een sterk team, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘Konijntjes, willen jullie nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ juichen ze en Egeltje geeft hen drie voetbaltruitjes.     Met z’n allen lopen ze naar de olifant. ‘Dag Olifant, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma.         ‘Graag,’ zegt Olifant. ‘Hoe kan dat?’ zegt Egeltje, ‘Wij hebben alle tien een rood truitje aan omdat we in de beste ploeg zitten, maar Olifant past niet in zo’n klein rood truitje.’ Olifant denkt even na. ‘Dat is waar,’ zegt Olifant, ‘Maar ik heb een grote blauwe voetbaltrui. Ik kan de keeper zijn, dan vul ik het hele doel en dat is toch ook belangrijk? ‘Wat een geweldig idee,’ zegt Egeltje.   De wedstrijd begint. ‘Hup de roden, allemaal samen!’ juicht opa, ‘We worden wereldkampioen! Muis trapt af, de konijntjes dribbelen en Egeltje geeft een pas naar Hond. Oma legt aan, Specht kopt, en Poes schiet op doel. ‘Goal!’, kraait Haan. En Olifant? Die doet een dutje in het doel.

Tine Tytgat
0 0

Mijn lief is vermist

Hallo, ik heb een lief.Een écht.Gevonden bij DecathlonOp de schoenenafdeling.Ik heb dan maar een paar loopschoenen gekochtMet die schoenen ben ik niet gaan lopenMet de verkoper wel. Ik zei dat ik houd van toneel en dat ik normaal ben.Ik heb gelogen.Ik ben niet normaal,Ik ben een rare. In mijn nachtskastje ligt een briefveilig opgeborgenOoit lees ik hem voor, Vandaag of overmorgen. De brief staat vol moet verzoeken van mijnentwegeHelaas ben ik om hem voor te lezen Een beetje te verlegen. Zo zou ik nooit tegen mijn lief durven verklappenDat ik het hygiënisch opwindend vindOm de ramen te lappen. Je weet wel, Zo met zeep in de weer Op En neer. Maar op vrijdag 28 maartHeb ik de verzoekjes uit mijn briefToch maar even aangekaart Dag lief, 

 Graag zou ik uw haren afscheren en ze allemaal in een doosje onder mijn bed willen bewaren. Een stukje uit u bijten (maar u eerst verdoven om u wat te bedaren). 
 Ik wil u niet doen schrikken.. 
Maar mag ik misschien eens aan uw oogbol likken? 

 Nog liever zou ik uw auto in brand steken, zodat ge nooit meer op de baan moetIk hoop dat ge dat begrijpt, rijden is gevaarlijk en ik kan niet tegen bloed. 
 Verder zou ik nog graag alle andere vrouwen op de wereld een omgekeerde liposuctie en een mislukte facelift cadeau doen. Uit voorzorg. 
 Nadat ik uw bankrekening geplunderd heb zou ik graag willen dat ge een paar van uw perfecte zaadcellen aan mij doneert. U mag ze ook op mij spuiten, dan wandel ik in een spin-beweging naar de badkamer. Ge weet wel, zoals een hond, maar dan omgekeerd.
 (’T is omdat ik ze dan kan invriezen)Ge hebt er een triljoen, dus ik weet dat ge daar niet moeilijk om zult doen. 

Het kindje dat we zo maken, daar kom ik mee voor uw deur staan.Ge kunt geen alimentatie betalen en zult dan wel gewillig met ons meegaan. Lief, ik volgde een snelcursus varkens tatoeëren En ik wou graag weten wat je ervan vondMoest ik mijn naam en adres kalligraferen Op uw voorhoofd en uw kont. Het volgende haalde ik uit een veelbelovend boekHet is niet breien noch mijn nieuwe hobby maar wel mijn favoriet verzoekZou ik u, als ge dood zijt, eventueel mogen laten opzetten zoals het hondje van mijn zus? Dan kan ik op tijd en stond nog eens op u rijden en bij u komen liggen voor een knuffel en een kus. 

 Voor dat ge denkt dat ik zot ben wil ik nog graag, sociaal aanvaard, een ijsje met u delen En een foto van u 
Voor op de kerstkaart.

 Groetjes, Uw lief. Hij is toen hard weggelopen Hallo, ik had een lief.Hij is net zoals mijn elegantieAl een hele tijd vermistMisschien gewoon met vakantieAl wordt dat sterk betwist Ik nam mijn Decathlon loopschoenenEn spurtte hem achternaIk kon hem niet meer vindenMaar heb gelukkig nog wat van zijn DNA

Lot
0 0

Geen gevolg zonder onverkozen oorzaak

Men moge eraan beginne twijfeledat het leven dat brengtwaarnaar je zoektook zal blijve Rust, kruist je padvervuld van blijdschap, vol van overgavedeel je intieme momentenmen hebbe een zielsverwant gevonden Twijfel sluimert een patroon dat zich herhale blijftMen moge hope dat de twijfel die zich steeds sterker laat blijkeniet prominent wordt en zich zal opdringen Men krijgt het na het veelvuldigover de jaren verspreiddepatroon opgedrongendat de twijfel geen bestaansrecht krijgtmaar gewoonweg afdwingtDe in eerste instantieonschuldig vragende twijfelwordt nu vertaald naar bewijsvan de twijfel in eerste plaats zelf Het herhalende, wederkerende patroonvan de twijfel, wordt eerst onbewustgenegeerd Er worden zaadjes gelegddoor de twijfel zelf welke verspreidt over meerdere jareniet onopgemerkt kunnen blijven De alom aanwezige twijfelwelke nu ook herkend wordtheeft onzichtbarepsychische littekens in je geestgekerfd. Iedereen zal ooitdeze littekens onder dwangtoegediend krijgenDe twijfel, blijkt kwaadaardigvan aard Door het verplichte aangebrachtelittekenvervolgens te beschermenbeschermd men zichzelf Een doorschijnend, ondoordringbaar plastieken auraHoezeer het doorschijnend isis het toch op te merken door een gebrek aan empathie Men moge het hem niet kwalijk nemede twijfel die zich manifesteerde insolide realiteitheeft als afweermiddeleen ondoordringbaar aura gecreëerdEer men deze twijfel heeft opgemerkt en vervolgens heeft bevestigdheeft men talloze psychischelittekens opgelopenDit pas beseffend nadat verschillend kwaad alis geschied. Meedraaien op het tempo vande aarde rond de zondoet men, voordat de twijfel werdomgebogen tot realiteital zeer veel lentes Het zelf beschermende auradat hem omringtgeeft anderen onbewust de indruk dat hij in zijn eigen wereld leeftdie anderen, merken overigensniet op, dat hij niet nog een littekenkan dragenhij verdrinkt zichzelfmet voeten vastgebonden aan een molensteenin een poel, dit allesals hij nog één litteken krijgt Een andere keuze dan dit beschermende aura optrekkenheeft hij niet men kan plots een groter geheelmet allerlei overeenkomstenzien Iedereen draagt dit aurain mensentaal zou men kunnenspreken vanbekrompen geestenIs hiervoor een schuldigeaan te wijzen?Het gejaagde leven dat als brandstof stress gebruikt?heeft men tijdens enkele eeuwen het gedomesticeerdebrein solidariteit laten vergeten?ligt het aan de consumptiemaatschappij die mogelijke gevolgen voor ons in petto heeftdat alleen onze kleinkinderen zullen ondervinden?Het aura eist afstand enzal het krijgen ookna talloze keren, niet nogmaals! Deze figuren staan ermet littekens weliswaarmaar men begrijpt ondertussendat zij het zelfgecreëerde product geworden zijnvan de omgeving, ja die, die dat met de twijfel in de eerste plaatsop de proppen kwam Wie is verantwoordelijk voor deze twijfelwat leidt tot littekens en algemene verzuring? Is er op evolutionair vlak iets mis metde menselijke soort ofhoort deze twijfelzaaier bij het levenzelf? De menselijke soort heeft het zichzelfnamelijk afgeleerd om de regelsvan echte vriendschap tekunnen handhaven.Beide partijen zijn eens of ooit, schuldig! De ervarene die datgene toepast om dat laatste litteken te vermijdenDe onervarene, die er met de jaren, ongestaagbij krijgt. De twijfel die gezaaid wordt verteld je dit: 'vertrouw niemand meer, denk aan jezelf eerst!'Geen egoïsme, overlevingsstrategie waarvan de basis ligtbij een foutin het menselijk breinDe twijfel, die een paar keer bevestigd wordt en zo benoemd kan worden en vervolgens met een verroest mes littekens kerft, ligt aan éénieders onvermogen om een zwakke emotie van de anderdie in intieme kring wordt verduidelijkt, eens of ooit uit te buiten. Deze goede, begripvolle, begrijpend knikkende vriend heeft een pracht van een luisterend oormen voelt de twijfel hangen, maar de verborgen troost die hij zoekt krijgt voorrangin "wanhopigheid' en 'op goed geluk' geeft hij zichzelf bloot of realistischer: over Een zwakheid die zal uitgebuit worden waarvoor ieder andere beweegredenen kan hebbenmaar allen gebruik maken van hetzelfde portfolio: 'jaloezie, chantage, naamsbekendheid, ego, respect dat je zo ten onrechte toekomt... Alles...Zolang die goedgelovige man die zich bloot gaf er maar de dupe van is als het luisterend oor in gevaar dreigt te komen. Deze goedgelovige man, heeft een zware emotionele mokerslag gehad, welke hem nu alafstompt of meer bekrompen maakt.Lieve man, ja, je kent hem al tien jaar... Rustig! Het is geen vriend!Wie niet lere, die niet wete en zo besluit, de gekwetste man zich niet nogmaalste laten vangen. En ondanks deze bewuste voornemens, gebeurt het toch, met dat verschil dat hij zich nu niet blootgaf,maar een puzzelaar tegenkwam die het principe: 'waar rook is, is vuur' als leidraad gebruikt.Deze kreeg evenveel informatie als de man met het luisterende oor.Zij het dit keer verspreid over een lange tijdspanne. De man zal vaak nadenken, omdat hij de pijn van het litteken niet kan thuisbrengen.Hier, komt de twijfel in wat hij suggererend denkt maar niet kan bevestigen, antwoordt brengen:'je maakt je hele leven vrienden, zelfs hele goede, alleen beslist vadertje tijd dat deze ooit zal ophouden.'De man zal nieuwe vrienden make uiteraard maarobjectief vanop een afstand bekeken, verspreidt over een lange tijdspanne kan hij geen vrienden houden. Hij ziet het nu, en hierdoor is het geen twijfel meer. De twijfel is bevestigd. Hij zal zoals velen boezemvrienden blijven maken, en zoals velen steeds weer verliezen. Verschillende leidraden lopen dooreenieders leven, deze is er één van. Zijn zelfgecreëerde aura maakt hem immuun voor de pijn bij het verliezen van een goede vriend.Dit is, waarom men de indruk kan krijgen dat hij in zijn eige wereldje leeft.  De prijs die hij betaald is hoogmaar gerechtvaardigd, liever geen vrienden, volledige, kunstmatig aangelegde nultolerantie ipvterug een risico te lopen. Voor de man die de diversiteit van het leven op één aspect heeft gezien, heeft besloten geen mogelijkheid bestaansrecht te geven doorpotentiële vrienden zeer doelbewust te ontwijken.  Is hij gek geworden? Paranoïde? Of...Is hij net als iedereen product van zijn omgeving geworden? Wiens visie benaderd dan het meest de werkelijkheid? Overleden is hijop oude leeftijd gestorven in zijn slaapAlsof hij aanvoelde dat hij dit keer voor het laatst zijn ogen zou sluitenhad hij een stuk perkament tussen beide handen die op de borstlagen te rusten. Hierop stond geschreven: 'Een goede vriend kan een figurant in de prent van mijn leven geweest zijn.ik spreek hen ook tegen die onbewust instemmend knikken en hiertegenover materialisme plaatsen.Een goede vriend, hoeft men niet te bezoeken.Een goede vriend, is diegene dat je littekens zag en je als mens behandelde.Dit is in mijn ogen een goede vriend.Of hij nu even op het toneel verschijnt of onafgebroken, de tijdspanne speelt, zo heb ik geleerd,geen enkele rol. Ook niet of hij al dan niet iets voor je doet. Dit, is een goede vriend, hij die mijn littekens niet kende maar wel zag, en door die littekens, naar mijn getormenteerde ziel keek. Ik zag voorstellingsvermogen van allerlei aard in zijn ogen, maar geen enkelebeoordelend. Het enige dat hij me vertelde was: 'jij, bent niet alleen.' Dit is mijn vriend, we wonen in verschillende werelddelen, maar ik voel hem. Zou hij mij voelen? Deze vriend laat mijn wereld glanzen, ook al zie ik hem waarschijnlijk nooit meer.Al woonde hij op de maan, dan was hij nog steeds bij mij. Deze verre vriend, heb ik toegelaten in mijn hart.Hij is nu een stuk van mezelf gewordenIk heb het gevoel dat dit het enige soort vriend is waarvan je met enige zekerheid kan zeggen:"Deze zal ik nooit verliezen!" 

Steve VDV
0 0

De wraak van het onnozele kind

Een kind dat hersens kweekt, weet het al snel. Oneindig is een priemgetal. De mensheid is een draak. De zwarte winegums zijn de beste. Gauw volgt het besef dat alles ergens ligt, verloren tussen nu, dan en nooit, tussen verse melk en scheuten van verderf. Dat liefde een zelfgefokte illusie is, een straathond die wat warmte zoekt bij een dakloze. Een bastaard, kruising tussen de angst voor de eenzaamheid en die rare drang tot voortplanten. Vele schriftjes had ik zo volgekrabbeld. Over die 20cm, Samantha Fox, kiemkracht en hoe het me wonderwel gelukt was in mijn bed, mij een voorstelling te maken van die oneindigheid.   Tot het weerklonk dat orakel, dat in Noorwegen verdwaalde nachtegaaltje, lieflijk kelend uit dat strotje die vreselijke woorden: J’aime, j’aime la vie. Een zuur appeltje at ik voor het slapengaan geschild met het vertrouwde patattemesje. Zijn adamsappel misschien, zoals in dat zelfgetekende stripverhaal.   ’s Anderendaags, toen de koekoek haperde, werd het tijd, tijd om die tumor te verwijderen, om de spiegel gelijk te geven dat hij de tranen niet meer telde, het van zich af liet bladderen dat oude kwik, tijd voor hetgeen beschreven stond op pagina acht van het boekje met de zwarte kaft.   Wat je wurgen wilt, grijp je best bij de keel en loslaten is enkel het talent van een stervende sluitspier. Een tiener met de allures van een tijger die zijn strepen nog niet kent. Toeknijpen, meesleuren aan zijn laatste adem, richting kapbos, tot aan de dichtgegooide put waar het kalf lag, ooit vergiftigd door god weet wie. Ook Pitou lag er, de angorageit die mee verhuisd was uit die onschuldige stadstuin naar dit miserabele oord. Pitou was een naam die hij voor meerdere vrouwelijke wezens gebruikte, ook voor mijn moeder soms.   Vandaag geen appeltje, geen schil of schorsgekerf. Mijn vriend, het patattemes glimde. Om een einde te maken aan zijn onnozele fantasieën. Om zijn gedoe te stoppen met die wijven waaruit een nat verlangen droop. Door de resten van een laf erbarmen misschien... ik liet hem toch weer los, waarna hij in zijn kot kroop, bij zijn kiekens en z'n barbaries, om te blêten van ’t verschot.       uit de reeks  'Roeland Wittebolle'  

Bernd Vanderbilt
10 0