Lezen

Mes op de keel

De deurbel klonk...'Wat raar, dacht ik. Als er mensen bij me bellen, gebruiken die de parlofoon beneden in de hal van het appartementsblok om te bellen.'Behoedzaam wendde ik me naar de deur.'Ja, wie is het?' Vroeg ik alvorens open te doen.Een onbekende, doch, niet bedreigend overkomende stem antwoordde: 'Zou je even willen opendoen? We zitten met een probleem in het appartementsblok, de lift werkt niet naar behoren en we moeten iedereen even afgaan om wat vragen te stellen.''Wie ben jij?' 'Ik ben opgeroepen door de hoofdverantwoordelijke van het gebouw om dit probleem uit te zoeken...' Zonder enige achterdocht wilde ik de deur al opendoen, maar een bepaald, onbeschrijflijk gevoel kwam de kop opsteken.Ik had ernaar moeten luisteren, want dat vertelde me om niet open te doen, omdat er iets niet klopte.Maar hoe kon ik nu weten wat dat wilde zeggen?Achteraf bekeken, vertelde dat gevoel me gewoon dat het niet normaal is dat er 's avonds om acht uur een vreemde aan je deur staat om een probleem over de lift te bespreken.Nadat ik even door het gaatje in mijn voordeur had gekeken, deed ik open.Immers? Wat kon hij doen? Een magere, kleine kerel van ongeveer vijfentwintig jaar? Net op het moment dat de deur open ging, stond ik al met mijn rug tegen de muur in de inkomhal geplakt, tegengehouden door één hand van hem op mijn borstkas, en met het andere een mes op de keel geplaatst.Hoe kon ik zoiets laten gebeuren? Immers, ik had hem toch kunnen aanvallen toen hij dat mes boven haalde? Dat mes, was geen knip-of vlindermes, maar een middelgrote, gouden dolk.Ik herinner me nog dat het snijvlak van de dolk zelf, in het midden een scheidingslijn had die de gouden kleur telkens in twee verschillende tinten goud, deed schitteren.De dolk had verder geen enkele gekartelde randen, en leek hierdoor wel wat de vorm van een Samoerai-zwaard te bevatten.Die dolk was voor mij niet middelgroot, die was heel groot!Wel, in ieder geval groot genoeg om na één steek of snijwonde, nooit meer het daglicht te mogen aanschouwen. Zo'n middelgrote dolk in een flits van een seconde zien, is genoeg om je helemaal te verlammen, het is zo intimiderend dat elk greintje weerstand dat je zou willen bieden, gewoon wordt omgezet in totale verlamming.Je lichaam of geest heeft begrepen dat hiertegen weerstand bieden, je dood kan betekenen, en dat wil geen één van beide.Als de vechtreactie lamgelegd wordt, en de vluchtreactie kan niet toegepast worden, wat doe je dan? Waarschijnlijk net hetzelfde als ik, niets. Aan dit alles kon ik op het moment zelf niet denken, het enige dat ik nog weet, was dat ik de deurklink als een 'knop' indrukte, en dat het indrukken van deze knop een kettingreactie veroorzaakte die als eindresultaat had dat ik plots in mijn eigen inkomhal, opgesloten zat.Ik sloot mijn ogen, het kon me immers niet schelen wat er zou gebeuren, alleen maar dat het vlug voorbij zou zijn.In feite, door mijn ogen te sluiten, smeekte ik op onbewust niveau om er een einde aan te maken. Dat, was voor mijn geest en lichaam, de enige uitweg.Beide instincten hadden dus toch een besluit genomen, namelijk dat ik me moest overgeven aan de situatie, want in deze onverklaarbare toestand verkeren, werd erger aanzien als de dood die erop zou volgen zelf. Zou het een vorm van shock geweest zijn? Uiteraard, maar wat voor één? Dat zou ik nog steeds graag willen weten, en ik heb het antwoordt tien jaar later nog steeds niet gevonden.Google weet het niet, en één of andere chirurg ook niet, omdat ik het hem niet kan uitleggen. 'Jij gaat nu al je cash geld geven dat je in huis hebt.'In plaats van 'oké' of zo te zeggen, knipperde ik één keer met mijn ogen.Hij duwde me met zijn hand die me tegen de muur gedrukt hield in een stoot de woonkamer in.Als een schaduw van mezelf, wandelde ik vervolgens zeer bereidwillig naar een klein, zwart kluisje waar zo'n tweeduizend euro in verborgen zat.Ik wist nog dat ik deze handelingen uitvoerde, maar aan niets meer kon denken.Hij nam het geld aan, vertelde dat hij me ging alleen laten maar dat ik voor hem, zodat hij me in de gaten kon houden, naar de deur moest stappen. Ook dit deed ik bereidwillig.Eens de deur was dichtgetrokken, besloot ik even te gaan zitten.Dat leek me toen de beste oplossing.Politie bellen? Wie, waar, wat, hoe?Ik probeerde na te denken over wat ik net had meegemaakt, en wat er allemaal gebeurd was, maar dat ging niet. Het lukte niet om het te plaatsen, en dit voor een totale periode van vijf uur. Pas dan... Begon de shocktoestand af te nemen en begon ik het plaatje te zien.In eerste instantie voelde ik vooral boosheid. Niet naar dat persoon, maar naar mezelf.Best wel vervelend als je over iets wil nadenken, terwijl er ook nog iets in jezelf zegt dat je een ongelooflijk, domme, oetlul bent, en dit uren aan een stuk blijft herhalen.Maar was de shocktoestand na die vijf uur dan wel verdwenen, als dat dwangmatige gedacht maar door je hoofd blijft rondspoken? Hier heb ik gelukkig wel het antwoord op gevonden, oef, dan heb ik er toch iets uit geleerd.Ja, de shocktoestand was weg.Mijn hersenen vertelden me urenlang dat ik een oetlul was, omdat ik in eerste instantie, de voordeur had geopend.

Steve VDV
0 1

If they ask you about me, tell them: “She was the only person that loved me with honesty, and I broke her.”

Ik had nooit begrepen hoe mensen een passionele moord konden plegen. Tot ik boven op hem zat met een mes in mijn handen en hem zevenenveertig keer had gestoken. Slechts één steek bleek achteraf fataal te zijn geweest. De eerste steek. De zesenveertig anderen waren onnodig geweest. Maar ik kon niet stoppen. Het is moeilijk te beschrijven wat ik toen voelde en dacht. Ik dacht niet en toch dacht ik aan alles op dat moment. Ik zag hem niet meer. Ik zag niets. Ik weet enkel maar dat ik stak. En stak. En stak. Keer op keer. Ik herinner me enkel het geluid van het bloed dat uit de wonden vloeide en zich over zijn lichaam een weg naar de vloer baande. En het geluid van krakend huid, als het lemmet er doorheen sneed. Ik herinner me spetters te voelen die op mijn gezicht terechtkwamen. Ik herinner het gevoel van de tranen die zich met het bloed mengden en neerdaalden als een stortbui. Ik herinner me de wind die mijn gezicht streelde en mij afkoelde. Ik kan me niet herinneren of hij terugvocht. Volgens het onderzoek en de autopsie bleek dat hij zich probeerde te verweren. Maar hier weet ik niets meer van. Ik weet nog wel perfect hoe hij mij aankeek. Hoe zijn ogen strak in de mijne keken terwijl hij naar adem zocht. Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Behalve toen het afgelopen was. Ik kan me ook niet meer bedenken waardoor ik gestopt ben. Ik stopte gewoon. Als een storm die opeens bekoeld was.   Ik wist dat het moest gebeuren. Dat zijn leven moest eindigen. Had ik het zo gepland? Nee. Ik wou gewoon praten. Maar hij wou niet luisteren. Hij wou niet inzien wat hij mij had aangedaan. Hoe hij mij mijn leven had ontnomen. Hij besefte niet dat zijn leven ook moest eindigen. Hij heeft het zichzelf aangedaan. Had hij maar geluisterd, had hij maar begrip getoond, had hij maar gewoon geluisterd. Dan had het zo ver niet hoeven te komen. Maar nu zijn we samen. Zoals het altijd had moeten zijn. Het was ons lot. Wij samen, voor eeuwig. Hij was het gewoon even vergeten. Maar ik heb hem eraan herinnerd. Hij weet het nu. Twee jaar lijkt een lange tijd, maar alles is zo snel gegaan. Twee jaar lijkt nu nog maar op een vluchtig moment. Zo kort, zo klein, alsof je het kan vangen en vasthouden. Maar het kwam als een prachtige vlinder, die op een warme zomerdag even je kwam vergezellen met zijn schoonheid. En voor je het goed en wel besefte, was hij alweer verdwenen. Je kan er achter aan gaan en hem proberen te vangen, maar een vlinder laat zich niet zomaar vangen. Zo was het ook met hem. Zo was het ook met ons.

Nicole Rosiers
12 1

Het lastige kleinemansventje

Kabouters worden almaar driester. Je zou het ook vermetel of vrijpostig kunnen noemen, maar dat zou te lichtzinnig klinken. Neen, de kabouter die ik tegen het kleine lijf liep was eerder roekeloos, eerder baldadig maar niet totaal onbesuisd of onbezonnen. Ik had hem tezamen met een hoop bladeren in de groene container gegooid en toen ik met een volgende lading boomafval toekwam kroop hij net vanonder het laatste blad vandaan. Hij keek omhoog en verwachtte dat de karrenvracht hem volledig zou bedekken. Maar hoe klein hij ook was, ik had hem gezien. “Oef” was het eerste wat hij zei en het klonk nogal bekkig.“Goed dat je mij die tweede keer wel hebt gezien” zei hij vervolgens en dit klonk dan weer stout en zelfs verwijtend, “wat een geluk dat ik zacht viel in deze bladerenmassa” voegde hij er nog aan toe.Hij wreef de zweetdruppels van zijn voorhoofd met de pompon van zijn rode muts.“Had je mij zojuist niet gezien dan?” bleef hij grof en onbeschaamd doorgaan.“Of heb je misschien nog nooit een kabouter gezien?” was zijn laatste onbeschofte vraag, die mij duidelijk vrank en impertinent overkwam. Ik moest nog bekomen van deze eerste ontmoeting met een dwergachtige sprookjesfiguur.“Ik had je inderdaad niet opgemerkt die eerste keer” antwoordde ik onderdanig, op het kruiperige af.“Maar daar in de afvalcontainer had ik je direct gezien” klonk ik daarna al iets minder slaafs.“Sorry, ik wilde je niet oneerbiedig behandelen” deed ik me dan weer slijmerig voor. “Het is al goed. Haal me hier maar uit die smurrie” wou hij toen astrant kwijt.Het onhebbelijke persoontje begon op mijn zenuwen te werken.“Je mag wel iets vriendelijker zijn. Een beetje prettiger in de omgang. Als je je niet pijn hebt gedaan, dan mag je heus wel eens aimabeler uit de hoek komen” was mijn kijk op de zaak die ik probeerde te verwoorden op een beschaafde en goedhartige manier.“Aimabel, aimabel” knorde het lastige kleinemansventje.Mijn geduld begon op te geraken en ik vroeg hem op een meer onverschrokken wijze:“Voor mij is het simpel, vlerkerig kereltje. Je vraagt me respectvol je hier uit deze bak te vissen ofwel laat ik je hier een nachtje slapen: je bedje is gespreid en je kan nog een dik bladerendekbed over je heen krijgen”.Mijn manhaftige woorden hadden effect gesorteerd.“Excuseer jongeman voor mijn onbeschaamd gedrag en mijn vrijmoedige woorden. Ik heb dit zeker niet zo brutaal bedoeld. Dit overkomt me op een wat ongelukkig moment, weet je. Ik zocht net wat eikels onder die dikke boom daar, want mijn vrouwtje is ziek en ik wilde haar beter maken met eikelsiroop en net op het moment dat ik een dikke eikel wilde oprapen, vloog ik door de lucht en belandde in deze bak. Door deze tegenslag ben ik zelf een beetje een eikel geworden, denk ik” zuchtte het kleine mannetje en hij sloeg zijn hoofdje deemoedig naar beneden.“Van eikelsiroop heb ik nog nooit gehoord” moest ik lachen, “maar kan misschien een beetje glühwein helpen? Ik doe een beetje in een speelgoedflesje van de kinderen”.“Bedankt meneer en nogmaals mijn nederige verontschuldigingen voor mijn onstuimige en boude handelswijze. Mijn vrouwtje zal u zeer dankbaar zijn voor uw medicijn.”Het waren zijn laatste welgemanierde en warmhartige woorden.Hij liep door het hoge gras. De sprieten reikten tot aan zijn broeksriem. Het mini-flesje met rode inhoud torende overal boven uit. Aan de dikke boom keerde hij zich om, keek naar mij en stak met zijn beide armpjes zijn reuzenfles omhoog. Ik wuifde even en glimlachte.

Marc M. Aerts
0 0

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

'Helemaal onschuldig of... toch niet?! - Een biografie - Hoofdstuk 1 - 2

28 december 1962 Een stevige wind schuurt over de straten.  Het vriest dat het kraakt.  Het wit van de vrieskou blijft als een laagje op de weg liggen. Even verder, aan de kust, bevriezen de golven bij aankomen op het strand. Laag op laag worden ijsgolven gevormd. Een kil tafereel. Ondertussen probeer ik, zo tussen 8 en 9 's morgens, me uit de buik van m'n moeder te persen. In het 'moederhuis' worden luide pijnkreten geslaakt. Het lukt me bijna. Nog even. Een extra duwtje. M'n moeder kreunt. Ze voelt een stevige pijn. Het scheurt onderaan open. Helemaal open. Ik piep naar buiten.  Volledig onder het bloed maar kerngezond. Iets meer dan 4 kilogram rozig vlees wordt Karin genoemd. Ik krijs als de dokter op m'n billen slaat. Je zou voor minder. Hoe durft ie eigenlijk? Zonet heb ik het beste van mezelf gegeven om naar buiten te komen. Krijg ik daar nog een paar kletsen bovenop. Mama lacht. Ze kijkt vertederd naar mij en neemt me vast, heel dichtbij. Ik ruik haar geur. Ben blij met haar zachte warmte.  Papa Lucien komt eraan. 'Luc' voor de vrienden. Hij is blij met een 'gezonde' dochter. En toch had ie stiekem gedroomd van een zoon. Een zoon die de familienaam 'Robert' verder zou uitdragen. Hij neemt me vast en kijkt me aan. Ja, Karin, dat zijn nu je ouders.  Daar moet je het een tijdje mee doen. Nog een heel tijdje eigenlijk. Feest van de onnozele kinderen 'Feest' van de onnozele kinderen. Wat is hier 'feestelijk' aan?  Onschuldige jongetjes worden, volgens het bijbelverhaal in het Nieuwe Testament, in opdracht van koning Herodes in Bethlehem vermoord.  Een reden om te feesten vind ik dit niet echt. En net op die dag word ik geboren.  Om dan nog te zwijgen van de vele goed bedoelde felicitaties in de aard van 'Ah, jij verjaart op onnozele kinderdag! Proficiat! Met daarachter een extra verdacht lachje.... Neen, op 28 december verjaren kon me in den beginne niet echt blij maken. Toen ik eindelijk het woord 'onnozel' in de Dikke Van Dale opzocht was ik al een eind in de twintig. 'Onnozel' heeft in de bijbel de betekenis van 'onschuldig'. Plots scheen er een licht in de duisternis. Een lantaarn, een lichtbol, een spot. Ik werd helemaal 'verlicht' van een zware last die ik jaren in gedachte meedroeg.  Neen, ik ben niet 'onnozel' maar wel 'onschuldig'!!    Hallelujah!! Sedert  m'n opzoekingswerk voel ik me heel wat 'feestelijker'.  Ik kan nu weer tegen een stootje.  Het stootje van de 'onnozeligheid'! En ik geniet zelfs van het soms extra verdachte lachje bij de felicitatie. 'Hoera ! Onschuldig ben ik.    Helemaal 'onschuldig.....' ................

Karin Robert
0 0