Lezen

route 77

Route 77 Bij elke ergernisopstoot keek Joan opzij. Van een lifter vroeg zij alleen maar een verhaal. Ze leende graag feiten en gedachten. Als tijdelijke schokbreker. David noemde hij zich. Geen zinnig woord kwam er nog uit. Al van toen hij moeizaam was ingestapt hing hij half uit het raam. Helaas maar half, schoot het nu door haar hoofd. Bijna een uur lang zag ze in de cabine alleen dat verrimpelde onderdeel, waar ze totaal geen behoefte aan had. En de hele tijd neuriede die David hetzelfde brokje. Geraakte dat dan niet helemaal uitgebraakt? Het was nauwelijks meer dan ritmisch gonzen richting maan. En dan nog in zo'n warrig taaltje. Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away. Voor ze vertrok had ze gesakkerd dat de radio en de CB niet hersteld waren. Nu kon ze er wel stevig om vloeken. Ja, dat kon ze. Met janken was ze definitief gestopt toen haar laatste pakje sigaretten leeg was. Tien dagen na de crash waarbij zij haar vader verloor. In zijn vrachtwagen, in zijn spoor reed zij. Zijn foto hing nu op haar plaats aan het dashboard. Ze schudde de foto en het gonzen uit haar gedachten. De tik tegen zijn schouder was harder dan ze bedoeld had. Het achterhoofd van David maakte een doffe smak tegen de camion toen hij recht schrok. Dan toch niet zo hol, glimlachte ze binnensmonds. Waar wil je naartoe, vroeg ze verontschuldigend. En geen flauwe plezante antwoord, dat je een leven lang hebt gedroomd van 's nachts door het raam van een zware vrachtwagen te hangen, deed ze grappig streng. Hij wreef over zijn kalende kruin. Greep dan naar zijn snor en zijn tanden. Vals of echt. Het antwoord was een wrang mompelen. Over lucht nodig. En over niet met een jonge vrouw in zo'n kleine ruimte. Met meer levervlek dan handen voor zijn ogen klonk zijn stem krachtig. Zijn oom was de beeldhouwer Gutzon Borglum. David wou naar South Dakota, naar The Needles. Naar de granieten kop van Abraham Lincoln. Uit zijn gerafelde ransel haalde hij een goed onderhouden steenbeitel. Hij toonde haar de initialen: G.B. stond in het heft. Het oude hakijzer gleed zenuwachtig van zijn linker naar zijn krampachtige rechterhand. Joan voelde zich klam aan het stuur plakken. Ook een grote vrachtwagen heeft maar een kleine cabine.

hybris
0 0

Mijn zusje en haar meningokokken.

Meningokokken veroorzaken een bacteriële hersenvliesontsteking. Er zijn verschillende types. Maar het belangrijkste, het vieze beest is levensgevaarlijk. De meeste mensen hebben een voldoende weerstand tegen het monster. Een groot aantal mensen is drager van het beest, zonder er ziek van te worden. Een groot aantal mensen.. Een groot aantal mensen. Behalve mijn kleine zus.  ‘Tijd om in bad te gaan!’ riep mama vanaf de overloop. Ik hoorde hoe het water tegen de bodem van het bad spatte. Ik ruimde de Barbiepoppen op zoals mama het wou. Gestructureerd. Alle poppen moesten netjes in de bak liggen, de kleertjes in het daar voor aangeduide doosje, de schoentjes in een ander doosje,… Ik wou zondag vooral niet nog eens met mama op mijn kamer zitten en alle bakjes sorteren. Toen alles netjes weg lag liep ik naar de badkamer. Julieke lag op het verzorgingskussen en haar steunhouder lag al klaar in bad. Het werd tijd dat we zo’n ding zouden kopen, want hoe graag ik mijn zusje ook zag, ze begon toch zwaarder te worden. Ik deed mijn kleren uit en gooide ze in de wasmand. Het water voelde heerlijk warm aan. Precies hoe ik en mijn zusje het graag wilden. ‘Mag Julieke erbij komen?’ vroeg mama. Ik knikte enthousiast. Ik en mijn zusje gingen al jaren samen in bad en toch vroeg mijn mama het nog steeds. Ik vroeg me af of ze dit deed voor mij of om Julieke te laten weten dat ze zo dadelijk onder het warme water werd gebracht. Toen Julieke in haar steun lag draaide ze haar hoofdje en begon ze te kraaien. Ik lachte met haar mee en spette wat water op haar. Met het badschuim maakte ik bij mezelf een baard  en bij haar deed ik hetzelfde. Ook al kon Julieke niet praten, ze kirde enthousiast en ik wist dat ze het leuk vond. Beneden hoorde we de telefoon rinkelen. ‘Ik ga even opnemen Manon’ deelde mama mee en ze rende naar beneden. De deur stond op een kier en ik hoorde hoe mama de telefoon opnam. Ik keek naar mijn zusje. Zou ik? Na drie seconden na te denken besloot ik uit het bad te stappen en me al af te drogen. Ik deed mijn favoriete pyjama aan en kamde mijn haartjes. Ik had altijd al kort haar gehad, dus veel werk was het niet. Mijn blik ging naar mijn zusje. Zou ik? Tuurlijk, dacht ik bij mezelf. Ik nam een handdoek die ik met een wasknijper aan mijn pyjamabloesje hing. Vervolgens deed ik mijn mouwen omhoog. Ik had mama het iedere dag zien doen dus ik zou toch wel weten hoe het moest. Bovendien zou ik mama geholpen hebben, want die had altijd erg veel te doen. Ik zette mijn kleine handen onder de okseltjes en trok mijn zusje omhoog uit het bad. Gelukkig was het zorgkussen dichtbij en ik legde haar hierop. Ik begon haar kleine fragiele lichaampje af te drogen. Ik had geen idee hoe je een luier zou moeten aandoen… Ik dacht diep na hoe mama het deed. Toen ik de luier had aangedaan controleerde ik nog even of die goed zat. Daarna deed ik haar pyjama aan en kamde haar lange mooie haartjes en deed ze in en staartje. Op dat moment kwam mama de badkamer in gelopen. ‘Manon?’ vroeg mama onbegrijpend. Ik keek haar aan en ze zag dat ik Julieke had afgedroogd. ‘Is het gelukt?’ vroeg ze opgelucht. Ik knikte trots. ‘Goed gedaan van je meid’ en ze wreef over mijn korte bruine haartjes. ‘Heeft jouw grote zus jou uit bad gehaald?’ begon ze tegen Julieke. ‘Heb je zin om je zusje nog een yoghurtje te geven voor ze moet gaan slapen?’ vroeg mama. Ik knikte blij.     1.    Verenigd door sterftegeval   Hier zaten we dan. Als de situatie anders zou zijn zou ik moeten lachen met het feit dat heel de familie samen zou zitten. Wie had dat nog ooit gedacht? Mijn moeder en vader… In dezelfde kleine ruimte? Mijn grootvader langs moeders kant die een babbeltje slaat met mijn grootvader langs vaders kant? Mijn tantes allemaal samen. Mijn nichtjes en neven. Ik had best een grote familie als ik ze zo samen zag zitten. Vele van hen huilde en ik begreep niet goed waarom. Alles zou goed komen, dat wist ik gewoon. Ik voelde het. Julieke zou me niet verlaten, wij zouden samen blijven voor altijd. Als mama later oud wordt en niet meer voor mijn zusje kan zorgen, dan zal ik haar in huis nemen. Het zal me een  barst kunnen schelen wat mijn toekomstige echtgenoot er van zou vinden. Ik zorgde nu al zes jaar lang voor mijn kleine zus, dat moest mijn  echtgenoot er maar bij pakken. Papa vroeg mij en mijn broer of we even buiten konden gaan wandelen. De buitenlucht zou me goed doen. Ik keek naar mama. Die liep net de kamer in waar ons zusje lag. We volgde papa naar buiten. Het ziekenhuis van Leuven was groot. Rondom lag er een klein parkje. De zon scheen en enkele studenten studeerde in het groene gras. We liepen met ons drietjes over het bruggetje waar we halt hielden. Enkele eenden kwaakte op het water. ‘Hoe gaat het met jullie?’ doorbrak papa de stilte. Mijn broertje haalde zijn schouders op, hij was nooit een grote prater geweest, maar ik zag de angst in zijn ogen. ‘Alles komt goed’ was alles wat ik wist uit te brengen. Papa keek me met medelijden aan. ‘Manon ik denk echt dat je rekening moet houden dat ons Julieke niet lang meer te leven heeft’. Ik keek weg. De eenden waren intussen verdwenen. ‘Kan het nog goed komen?’ vroeg Joren stil. Papa zuchtte. ‘Natuurlijk kan het nog goed komen’ antwoorde ik boos. ‘Het komt goed! Het loopt hier vol met artsen en deskundige, zij doen dit iedere dag, zij weten wat ze doen en ze redden onze zus’. Joren zweeg. Ik had niet zo boos moeten worden maar ik kon niet anders. Het leek wel alsof iedereen de hoop had opgegeven. ‘Ik denk dat onze kleine zus wacht om van iedereen afscheid te nemen’ kwam papa ertussen. ‘We zijn er toch allemaal?’ vroeg ik onbegrijpend. ‘Misschien wilt ze afscheid nemen van Geert’. Ik had er altijd van gedroomd een groot gezin te hebben. Stiekem droomde ik ook van een zus met wie ik effectief kon spelen, zingen, dansen… Dingen die ik met Julieke niet kon doen. Sinds papa een nieuwe vriendin had was ons gezin wel erg groot geworden. Geert had twee dochters en een zoon. Bram was één jaar ouder dan mij. Veel last had ik niet met hem. Hij zat vaak van ’s morgens tot ’s avonds aan de computer of anders was hij weg. Papa had meer problemen met hem. Bram was vaak boos en sloeg dan alles in elkaar. Daar kon papa niet mee om. Lies was zestien. Ik keek op naar haar maar was tegelijkertijd ook bang van haar. Papa zei dat Bram gek was in zijn hoofd, maar ik had een vermoeden dat er met Lies meer aan de hand was. Britt was de jongste. Ze was twee jaar jonger dan mij en met haar ging ik het meest om. Ik kon makkelijk baas spelen over haar. Ik en mijn broer kwamen hier om de veertien dagen een weekend logeren. Papa woonde hier. Het was altijd een lange rit van drie kwartier. Alhoewel een groot gezin altijd mijn wens was, ik vond er niets aan om naar hier te komen. Maar als papa vrijdagavond ons kwam ophalen trok ik mijn meest vrolijke gezicht. Ik wou niet dat hij zich zorgen zou maken. Als hij gelukkig was met Geert, moesten wij dat ook zijn voor hen. Geert zelf was een lieve vrouw. Een beetje zwak in mijn ogen. De dingen die Bram en Lies tegen hun moeder zeiden zou ik nooit durven zeggen tegen die van mij. Het was zaterdag en morgen zouden we met z’n allen naar het park gaan. Ik hoopte dat het voor een betere sfeer zou zorgen hier in huis. Sinds enkele weken geleden was het bekend geworden dat Lies zwanger was. Samen met haar vriend, Tomas, zouden ze het kindje houden en hier komen wonen. Ik hoopte dat ik snel veertien zou worden en mocht kiezen waar ik in de weekends zou blijven. Als die baby hier was, wou ik absoluut niet meer naar hier komen. Ik zat op de computer te chatten met wat vrienden en Joren zat naar televisie te kijken. Zoals gewoonlijk at hij een appel. Ik had het opgegeven om te tellen hoeveel appels mijn broer per dag at. Lies kwam beneden en was razend. Ze maakte ruzie met Geert. Geert probeerde haar te kalmeren toen Lies weer naar boven wou lopen. Plots sloeg ze mijn broer in het gezicht. Binnenin knapte er iets in mij. Ik stond recht en wou op Lies vliegen want niemand raakte mijn broer aan! Papa hield me tegen. ‘Wordt rustig Manon’ zei hij. Lies brulde nog wat en liep naar boven. ‘Papa ik wil naar huis’. Even later zaten we in de auto. Papa zat vooraan samen met Joren. Ik en mijn zus zaten vanachter. ‘Ik wil met jullie bespreken wat er net gebeurd is’. Ik rolde met mijn ogen. ‘Ik wil naar huis’ was het enige wat ik zei. ‘Dat gaat niet Manon, we moeten niet weggaan omdat Lies zo doet’. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik was dan misschien maar twaalf, toch wist ik dat het niet normaal was dat een vader bij zo’n gezin zou blijven als die net zijn zoon hadden geslagen zonder reden! Maar het was al snel duidelijk dat we niets te zeggen hadden. We keerde terug naar het huis. Ik sloot me samen met mijn broer op in de kamer en hoorde hoe papa ruzie maakte met Geert tot ’s avonds laat. Het was al donker buiten toen papa met ons terugreed naar Mechelen. We zouden bij bompa gaan slapen. Toen we na dat weekend terug thuis kwamen bij mama zag die meteen dat er iets aan de hand was. Het was een tegenstrijdig gevoel. Moest ik niets zeggen? Als ik dit zou zeggen zou mama boos worden op papa en mochten we hem misschien nooit meer zien. Maar als ik zweeg moesten we terugkeren naar Brecht, naar het huis, naar Lies. Er gebeurde precies wat ik gedacht had toen ik het vertelde aan mama. Toen we in bed lagen hoorde ik haar bellen naar papa en ze schreeuwde. Toen we terug boven kwamen op het verdiep waar mijn zusje lag was mama net een koffie aan het nemen. Ik zat weer met het tegenstrijdige gevoel. Moest ik haar zeggen wat papa’s plan was of moest ik zwijgen? Papa zou Geert morgen gaan halen dus misschien kon ik best nog even zwijgen. Er kwam een priester aangelopen. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik aan mama. Ze volgde mijn blik. ‘We gaan een kleine bezinning doen voor je zusje’. Eindelijk, iemand die me geloofde. We zouden bidden dat het goed zou komen. De kamer was veel te klein voor onze familie. Toch vonden we allemaal een plekje. De priester begon te praten en al snel had ik door dat we niet gingen bidden voor hoop of genezing. We namen afscheid! Ik keek rond en zag hoe iedereen huilde. Zelfs vake, de vader van mijn mama, huilde. Ik begreep er niets van. Waarom geloofde niemand dat het goed zou komen? Na de bezinning liep ik met tante Charlotte naar beneden. Zij was de meter van Julieke. ‘Manon, ik vind het zo spijtig. Het doet zo’n pijn dat ik nooit meer iets kan doen voor mijn petekind’.  Die middag at ik samen met mijn broer, neven en nichten frietjes in de cafetaria. We lachten en maakte plezier.  Ik voelde me voor het eerst sinds lang terug kind en ik voelde geen schuldgevoel om het plezier dat ik beleefde. Het zou goed komen met mijn zusje. Het zou niet lang duren voor de dokters zouden zeggen dat we Julieke weer naar huis mochten nemen. Na de heerlijke fritten liep ik naar de kamer van mijn zusje, samen met mijn broer en oma. De dokters hadden mama de toestemming gegeven om Julieke op haar schoot te nemen. De blik in mijn mama zat vol liefde en een grote dosis verdriet. Ik was jaloers. Niet op de blik in haar ogen tegenover mijn zus, maar dat zij Julieke op haar schoot mocht nemen en ik niet. De inspanning was te zwaar voor Julieke en de draden rond haar kleine gezichtje maakte het er niet makkelijker op. ’s Avonds toen ik thuis kwam zat ik op mijn grote bed en staarde naar het hoekje van de kamer waar het bedje van Julieke lag. De roze beddenhoes en lakens van Kabouter Kwebbel waren netjes opgedekt voor haar thuiskomt. Een thuiskomt die nooit zou plaatsvinden, volgens de dokter althans. Mijn gsm maakte een trillend geluid. Ik las het berichtje van Eva, mijn beste vriendin die nu op skivakantie was. Ze zei dat ze liever bij me was gebleven. Ik glimlachte naar het scherm en typte snel mijn antwoord. Maak je geen zorgen hoor, alles komt goed. Amuseer jij je nu maar gewoon daar in de bergen’. Daarna viel ik in een diepe slaap, weg van alle zorgen, weg van alle pijn. De zon scheen heerlijk op mijn witte huid. Ik keek al uit naar de paasvakantie. Nog een half dagje school en eindelijk twee weken vakantie. We hadden net ons rapport gekregen. Ik had drie buizen, maar niets nam dit vrolijke gevoel weg. Vandaag zou mijn zusje thuiskomen na een weekje ziekenhuis. Ik zat samen met wat vrienden op één van de bankjes op de speelplaats. We lachte en plande fijne uitstapjes die we zouden maken in de paasvakantie. ‘Gaat je mama niet boos zijn voor je rapport?’ vroeg Nena. Zij was naast Eva ook één van mijn beste vriendinnen. ‘Ik denk het niet, ze zal vast blij zijn dat Julieke vandaag thuis komt’ lachte ik en nipte van mijn blikje Cola. Iedereen wist hoe streng mama kon zijn als ik een buis had. Ik werd dan gestraft en had een week huisarrest. Een ding was zeker, ze zou me niet kunnen thuis laten van de skivakantie die we met school zouden maken. Vanavond zouden we met de bus richting Italië vertrekken. Het zou niet alleen mijn eerste skivakantie worden maar ook mijn eerste reis naar het buitenland. Ik keek er al maanden naar uit en telde de dagen af. Eindelijk was het vanavond zo ver. Ik en Eva zouden samen met twee andere meisjes een kamer delen. ‘Vandaag is de gelukkigste dag van mijn leven’ lachte ik. Op de speelplaats was het druk. Eva kwam naar het bankje toegelopen. ‘Manon ze riepen je naam af uit de luidsprekers’. ‘Dat is vast die andere’ antwoorde ik. Toevallig zat ik op school met een naamgenoot van me. Dezelfde voor- en achternaam en net hetzelfde geschreven. Het gebeurde wel eens dat we elkanders schoolrekening thuis kregen. ‘Zou je toch niet eens gaan kijken?’ stelde Eva voor. Ik stak mijn arm rond die van haar en we liepen samen naar het onthaal. ‘Manon je grootmoeder heeft gebeld en je moet naar huis gaan’. Ik voelde hoe Eva me steviger vast nam en hoe ik me steeds zwakker begon te voelen. Mijn hersens hadden al snel de link gemaakt dat er iets mis was, er was iets met mijn zus. ‘Wat is er gebeurd?’ kreeg ik nog net gezegd. ‘Dat weten we niet’ zei de man achter het onthaal. ‘Ik ga met je mee om de poort open te doen van de fietsenstalling. Waar is je boekentas?’ Mijn hersens begonnen verschillende scenario’s te maken in mijn hoofd. Er was iets met mijn zus. ‘Die staat in de klas’ antwoorde Eva in mijn plaats. In de verte hoorde ik hoe de man voorstelde dat Eva mee naar de klas zou gaan. De drukte van de speelplaats deed er niet meer toe. ‘Luister eens’ haalde Eva me uit mijn gedachten. ‘Misschien is er niets aan de hand?’ probeerde ze me te kalmeren. ‘Niets aan de hand?’ herhaalde ik. ‘Eva ik moet naar mijn oma gaan, er is iets. Waarom moet ik anders zo snel mogelijk daar zijn?’ Eva liep nog mee naar de fietsenstalling. De man van het onthaal legde zijn hand op mijn fietsstuur. ‘Rijdt voorzichtig naar huis’. Ik zag het medelijden in zijn ogen. Hij wist meer. De weg van school naar oma duurde tien minuutjes. Vandaag waren dat er vijf. Ik ademde nog diep in voor ik binnenliep. ‘Manon?’ hoorde ik vanachter. Ik deed de voordeur open met de sleutel en liep naar de keuken. Mijn broer zat al aan tafel. Moeke, zo noemde we haar, liep heen en weer en vulde wat zakken. ‘Vake zal zo dadelijk thuis komen en dan vertrekken we naar het ziekenhuis’. Dat was het enigste wat ze zei. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik bang. ‘Dat weet ik zelf niet’. Ze loog. Mijn broer speelde met zijn Gameboy en ik staarde wat uit het raam. Het leek wel uren te duren voor vake thuis kwam, maar in de realiteit liep hij na enkele minuten al binnen. ‘We zijn weg’ zei hij gehaast. In de auto was het stil, niemand zei een woord. Het was warm dus draaide ik mijn raampje omlaag. Leuven was een eindje van bij moeke en vake’s huis. Toen we aankwamen bij het ziekenhuis stond papa buiten aan de ingang te wachten. Hij begroette moeke en vake en die begroete hem terug. Ik schoot bijna in de lach van het vreemde tafereel. Moeke had nooit een goed woord te zeggen over mijn papa. Toen verdwenen ze naar binnen. Papa ging op zijn hurken zitten. ‘Ik moet jullie iets vertellen over ons zus’ begon hij. ‘Julieke heeft niet lang meer te leven’. Hoe vaak hadden de dokters gezegd dat mijn zus niet lang zou leven? Hoe vaak hadden ze gezegd dat we er rekening moesten mee houden dat ze maar zes zou worden? Ze was er negen. We hadden haar negende verjaardag  vorige maand nog gevierd. Hoe vaak ze ons hadden gezegd dat er ooit een dag zou komen dat we afscheid moesten nemen van Julieke , ik voelde me verlaten, gekwetst en boos. Ze hadden het gezegd en ik had het daarstraks geweten toen ik op school naar huis werd gestuurd. Maar zelfs nu ik de woorden hoorde van papa was het een klap in mijn gezicht. ‘We gaan naar boven, heel de familie is hier’. Het was Paasmaandag. In Leest was er een grote braderij te doen, dus zelfs rondom Mechelen was het druk. Vandaag zou papa zijn ex - vriendin,  Geert meebrengen naar het ziekenhuis. Ik zag al op tegen  dat moment. ’s Morgens was het rustig in het ziekenhuis. Sommige van de familie waren nog onderweg. Vake zat een krant te lezen, moeke babbelde met mijn jongere neefje en mama was bij mijn zusje. Tegen de middag kwam papa aan met Geert aan z’n zijde. Mama werd boos en begon te brullen dat zij hier niet welkom was. Moeke kwam tussen beide en zij dat ze dit buiten moesten gaan uitvechten, niet in de buurt van Julieke. Maar papa begon te vloeken en liep weg. Ik had geen behoefte om hem achter na te gaan. Ik liep de kamer van Julieke binnen samen met mama en mijn broer. Ik en mijn broer gingen elk aan een kant staan. Hij links, ik rechts. Mama stond achter het bed een streelde de kleine fragiele voetjes. Ik wreef over het handje van mijn zus zoals ik altijd had gedaan. Met mijn andere hand maakte ik cirkels rond haar oogjes. Hier had ze altijd van genoten. En op dat moment begon de machine naast haar een vreselijk geluid te maken. Een geluid dat mijn hart door twee scheurde. De tijd stond stil. De verpleegster kwam binnen kijken en zei dat ze de dokter ging halen. Maar geen van ons drie reageerde. Mijn broer hield zijn vingers rond Julieke’s hand, ik bleef strelen en mama liet haar voetjes niet los. De dokter kwam binnen en bestudeerde het apparaat. ‘Het spijt me’ begon hij. ‘Ze is zonet overleden’.

Ana - lena
0 0

Over een ziel en creaturen

    Over een ziel en creaturen.     Mijn eerste woorden zullen frank zijn. Er is geen leven zonder schrijven, maar elk schrijven is een uithaal van de dood en kost meer bloed en tranen dan eenieder betalen kan. Om de Zotheid te loven. Om de Waarheid, witter dan sneeuw. Om een Lichaam, dat zelfs tot lachen in staat was. Ik zal altijd weer in mijn schrijven springen, ook al scheurt het mijn gave gezicht aan stukken. Alleen jij kon mij daarin vinden, alleen daarin konden wij elkaar vinden. Maar sinds de mensen begonnen te denken was alles altijd iets anders.   Mijn eerste woorden zullen frank zijn. Ik zal dit verhaal, deze tekst, deze opeenhoping van woorden en letters een dichtbundel noemen, een dagboek, gedragen door een roman. Het is geen verhaal, geen dichtbundel, geen dagboek en geen roman maar die naam zal het krijgen. Misschien is dit een fractie verdriet, een traan. Of een miskraam. Doodgeboren grootsheid, zoals wij eens waren. Dit is aan jou opgedragen.     Volgens de kalender was de lente aangebroken en zou ook de zomer niet lang op zich laten wachten. Maar deze seizoenen bestonden enkel nog in onze herinneringen. We dragen de zomer mee als een droombeeld, de nevelen die de werkelijke wereld voor ons verhullen en het duister die steevast om ons heen hangt kunnen we bijna niet meer wegdenken, behalve misschien aan die steeds zeldzamer wordende momenten van hoop. De nacht valt altijd te vroeg. De dagen doorbreken hem bijna niet meer door de mistroostig grijze sluier die de mist van onze glazige ogen weerspiegeld. Dolend in dat druiperige duister, aanhoor ik het denderende gefluister van onbestaande winden die hun weg ook niet kunnen vinden. Kerk kapel en klooster, bieden nu geen troost meer. In een maatschappij waar elk vecht voor eigen heil. Ik sluit me af van het gewemel van de mensen, hun geroep vervaagt in de stilte van mijn dromen. En mijn ziel die het daglicht niet eens meer verdragen zou vliegt zonder meelij voor de vromen over de dagen die hem nog hadden moeten overkomen. Mijn vreugde is bedroefd, m’n verdriet is herrezen, jij met je mirakels, lopend over het water van mijn tranen, ook jij weet hoe schrijnend ons doen en laten is, onze geboorte en onze dood. Jij met je mirakels, waar ben je nu?   Ze rookte een sigaret, elke keer weer werd ze getroost door de rook die haar inspon en heel even beschermde voor de wereld, elke keer weer genoot ze van haar sigaret. Even leek het alsof ze niet meer ademen moest, het zwart van de nacht omsloot haar als een ondoordringbare vloeistof waarin ze zich niet kon bewegen, waarin ze blind was, waarin ze niet bestond. Ze hield van het gevoel niet te bestaan, heel even voelde ze zich veiliger en van alle zorgen gevrijwaard. De nacht leek al niet meer te wachten op een mogelijke ochtend, het leek of ook hij zich nu wentelde in het deken van zachte melancholie die de treurige dood van Aurora op de wereld had neergeworpen. “Ach Mijn Dageraad. Hoe kan ik leven terwijl jij bent weggekwijnd, ik heb je gezicht nooit gezien maar ik herinner me dat ik je als kind elke ochtend tegemoet kwam en naar je lachte. Ik hield van je, ik houd nog steeds van je, Mijn Lieve Dageraad”. Ze wist dat haar smeekbedes niets zouden uithalen maar ze schepte een pijnlijke vreugde uit die overdreven dramatiek. Ze vergaloppeerde haar zinnen en vergulde deze met hoogdravende woorden, ook zij had zo haar klein geluk. De Zon was de eerste die haar liefde met verraad beantwoorde. Sommige vrouwen kan je niet beschrijven. Woorden ontsnappen en in beelden kan je ze niet vangen. Zij leven in deze en gene wereld. Misschien ergens ertussenin. Tussen het zijn en het niet, tussen mensen en ideeën, tussen liefde en waarheid. Ook zij was zo, zij was een schim die ik niet troosten kon. En toen hij zij dat hij van haar hield sloeg zij haar ogen neer met de slag van een vermoeide vlindervleugel. Ze voelde toen al de pijn die zijn woorden van liefde beloofden. Elke passant in haar leven werd op een bepaald moment wakker, en moest zo snel mogelijk van haar weg. De teleurstelling en misschien zelfs walging die zij voelden na een zekere tijd aan haar zijde te verwijlen was even sterk als de begeestering die hen ertoe dwong haar te leren kennen. Dan liet zij soms tranen. Ze liet haar tranen in haar ziel stromen en verzamelde zo alle pijn in haar leven. Dan weende zij om het leven, die een aaneengeregen keten van beuzelarijen leek te bestaan. Om elk boek, elk verhaal en elk gedicht en om zichzelf. Een armzalig klein kind dat nergens heen kan dan naar het graf; zei iemand, ooit. Soms, te vaak, vluchtte ze naar haar oude wereld. Maar haar kinderlijke onbezorgdheid bleef uit, die vrije, hoopvolle gedachtegangen van weleer vond ze niet terug, haar geest draaide in cirkels rond z’n eigen as en zij lag achtergelaten als een kreupele op een slagveld van een oorlog die zij niet begrijpen kon. Alles had nu de vijandigheid van een vreemde wereld over zich. Zij en de zieke leeuw slenterden door de vreemde stad, de nar vertelde een waarheid. Ze hield ervan om door de stad te dolen wanneer de ratten er heersen. Hun onweerstaanbaar lelijke overlevingsdrang maakte haar onzichtbaar, het maakt hun niets uit of je bestaat en heel even kon zij zichzelf wijsmaken dat ze haar bestaan zelf in handen had. Bij mensen ligt dat anders, je moet dan een pose aannemen, een doel hebben en als het even kan ook gehaast zijn. Of tenminste een zekere haast veinzen. Bij mensen hoor je een idee van jezelf te creeren en je naar dat idee te profileren. Dan gaan ook zij een idee van je maken, je veroordelen en teleurgesteld vertrekken wanneer je er niet in slaagt slechts een idee te zijn. Een vreemde vogel hoort niet in een stad tenzij deze bij een groep hoort, dan mag het. Zij was te wispelturig, zij slaagde er niet in een idee te zijn, een verhaallijn de hare te maken. Zij was niet in staat om te leven. Zij was een verleden, soms een heden, maar nooit een toekomst. Misschien betrad ze de werkelijkheid te laat, misschien betrad ze de werkelijheid te halfslachtig, louter uit noodzaak, en bleef dan de rest van haar zijn in een andere wereld zweven, wachtend op haar terugkeer. En vlees en botten en bloed. Deze teleurstellingen zullen aanhouden tot het moment dat je hart het kloppen eindelijk opgeeft.   Ons geheugen is een danaidenvat, wanneer je er te lang in rond doolt loop je gevaar er te verdrinken, opgeslokt te worden. De Waanzin ligt –net als de smart- altijd op de loer.   En de mensen. En de mensen door de tijd aangevreten wiegen als algen op de golven van de pokdalige weg. Ze staren naar de voorbijrazende wereld maar zien enkel de contouren van hun eigen verdriet.   En de mensen. En de mensen acteren de waarheid vol overtuiging op dit bloedtoneel.   Het regent en de straten zijn als gevernist met zilveren bloed overgoten. De zwoele schemer verzonken in een minziek duister. Deze oefeningen in de vergetelheid behoedden haar voor het verraad van verloren minnaars. Maar ze wekte de afgunst van de serafijnen.   Hij was een man. Hij was een mooie man. Zijn lichaam leek uit albast gehouwen, zijn gezicht had de nobele trekken van een oude, dode koning. Hij was een man met twee harten. Een hart van steen en een hart dat hij van een kind gestolen had. Hij was een man. Hij was een mooie man. Hij was een verdwaald man. Hij was kind en knecht en koning.   Hij lag naast mij, glimlachte met moede ogen. Hij pelde mij af en spon mijn naaktheid in. Ontwapend was ik, ontwapenend was hij. Ik beminde hem.   En je kijkt naar zijn dans En je bent ergens nergens en overal. Alleen afgedwaald. Bij hen die ergens nergens en overal. Alleen afgedwaald. Dezelfde dans zien, Van vuur dat brandt En een wereld die vergaat. En je moet blijven bestaan.   Zij zou mocht ze kunnen Hij zou mocht hij kunnen Maar het kan niet. Hij maakte van haar een doodsbedbruid zonder gom.     Toen was er een slechte avond. Een van velen. Tijdens die slechte avonden vond ik hem. Verdwaald tussen mirages en zijn gelijkgestemde, vlezige, droefgeestigheid. Alleen met zijn koppige pijnen en verdriet. Toen realiseerde ik mij voor het eerst dat hij zich nooit aan mij geven zou, maar ik hield van hem. Ik wilde –ook al was het maar voor even- zijn schuitje delen in die hondzwarte zee. Maar een golf slokte mij op en ging zijn weg. En ruiste, even zinloos als tevoren. Hij leerde mij dat tranen zout zijn, en je ze eindeloos vergieten kan. En ik droeg mijn met tranen gevulde ziel naar onze zee, een nobele, tevergeefse invulling van een nobel, tevergeefs leven. Kom nu, drijf met het donker mee.   Mijn angst spreidde zijn kraaizwarte vleugels uit als de voorboden van wat een ijskoude winter zou zijn. Ik vertelde je verhalen om je weg te jagen, om mezelf in te dekken en te behoeden voor die onvergelijkelijke koude. Maar mijn angst sloeg zijn vleugels uit en nestelde zich in mijn hart. Ik kon niet meer spreken. In een huis vol spiegels zag hij enkel zichzelf, vanuit jouw raamkozijn zag ik een boom alleen in zijn gaard. Vermoeid van zolang recht te moeten staan. Net als ik komt ook hij maar niet aan sterven toe. Door jou ontdekte ik dat ik liefhebben kon. Dat liefde androgyn en misschien zelfs echt was. Die leugens neem ik je nu kwalijk. Maar je bent er niet. Jij was mijn koning, ik was jouw hoer.   Blootsvoets loop ik door de scherven van onze stukgeslagen illusies. Mijn bloed stroomt sneller dan ik gaan kan en mijn angst cirkelt in zijn triomf klapwiekend om mij heen.        Ik zou een leven lang, langer nog, onder onze bomen dralen Ware het niet dat ik liever, liefst, heel snel sterven zou.      

Danae
0 0

Bloedrode rozen

Ik leef van scène tot scène. Als op een filmset wordt elke beweging, elk woord geregisseerd. Alles staat vast, geen enkele verrassing. Ik weet alles. Vast verwerven zit ieder leven in het tapijt van de tijd. Geen enkele draad of weving ontgaat me. Hoewel het in functie is van mijn bestaan, mijn doel, mijn reden, verschroeit het de passie, de drijfveer om te bestaan. De schitterende kaars in deze somberheid is zij. Ik wacht haar op vandaag, zoals iedere week. Ik zorg dat ze me niet ziet. Ze ziet me nooit. Het spel der liefde wil ik niet met haar spelen. De pijn van mijn oude liefde ommuurt mijn verlangens, beschermend tegen de mogelijke herhaling van het oude verlies. Ze komt aangewandeld in een bordeaux, wollen trui welke open is van haar nek tot haar navel. Haar sleutels steekt ze weg in haar strakke jeans. Ze loopt een bank binnen waar reeds zes mensen voor haar te wachten staan aan de balie. Ikzelf, ik zit in mijn lange versleten regenjas op een bank aan de andere kant van de straat. De wind zit zo dat, toen ze even vertraagde om de deur te openen, haar parfum mijn verlangens voor haar streelde. Het moment doet me nu alles even vergeten. Alleen zij bestaat nog. Het gevoel laat me voelen zoals de mens die ik wil zijn, maar niet kan zijn. Bewonderend staar ik haar aan verlangend naar haar, haar huid, haar handen. Wanneer zij nu wacht leef ik in de tijd die ik anders wachtend zou doorbrengen. Maar de tijd van wachten is echt voorbij, want het onmogelijke gebeurt. Iemand breekt mijn zicht. Dit klopt niet. Het tapijt van de tijd is veranderd. Dit is een fout. Een man met een Halloweenmasker loopt de bank binnen. Hij trekt een revolver. Neen, dit kan echt niet! Er is geknoeid met de verwevenheid van alles. Zij staat daar. Ik moet iets doen. Ik sta recht en loop de straat over en de bank binnen. De man draait zich om. ‘Welke zot loopt een bank in met een gewapend man?’ schreeuwt hij uit. ‘Geen enkele, verstrooidheid en onoplettendheid hebben me hiertoe geleid’, lieg ik. De man stapt naar achteren en richt zijn wapen op de eerste vrouw voor de balie en schiet. Het bloed aan haar dij kleurt de witte rozen op haar jurk bloedrood. De kleur is afgestemd op haar gekrijs. Ze zal niet sterven. Het doel van de man is niet duidelijk. Maar ik moet hem stoppen voor hij haar, mijn schittering, misschien iets aandoet. Ik stap recht op hem af. Hij richt zijn revolver naar mij toe en schiet. De kogel vertraagt mijn tred even, maar hij stopt me niet. Ik pak de loop en draai hem met veel kracht naar de gemaskerde toe. Ik hoop dat hij zelf zijn trekker zal overhalen. Echter doet hij het niet. De angst in zijn ogen worden niet verhuld door het masker. Ik haal zelf de trekker over. Eén schot, één leven, hij sterft. De man valt. Mijn buik staat druipend onder het bloed. Mijn gedachten verzwakken. Het bloed zit nu ook over mijn handen. Mijn knieën verzwakken. Mijn harde val klinkt dof in mijn oren. Wanneer ik op de grond liggend naar de verte staar, komt mijn schittering mijn pijn verzachten. ‘Sshht, niet sterven’, beveelt ze me zacht met bange, betraande ogen. Met mijn bebloede rechterhand leg ik een verloren, verhullende, blonde haarlok achter haar oren. ‘Vandaag heb ik meer geleefd dan ik in een lange tijd heb gedaan. En sterven zal ik toch niet. Dat kan ik niet.’ Ik verlies het bewustzijn. Het fout gewoven leven heeft me naar een tuin van rust gebracht. Het einde van een scène en het begin van een nieuwe.

Wouter Vandezande
7 0

Een andere wereld

1. Aangekomen. Papa zet de autoradio harder want de nieuwslezer heeft het over de oorlog in Syrië. Honderdduizenden mensen en kinderen zijn gevlucht voor het geweld. Papa snuift en mompelt iets. Hij werkt voor een vredesorganisatie, dus zo meteen begint hij zich op te winden. Als Anna niet oplet, krijgt ze een hele uitleg. Ze stopt snel de oortjes van haar muziekspeler diep in haar oren, drukt play en zet de muziek meteen goed luid. Het doet een beetje pijn. Door het raam ziet ze vliegtuigen landen. Zonder het geluid van de razende motoren lijken het net zweefvliegtuigjes.   Papa denkt dat ze het leuk vindt om Lizzy uit New York te ontmoeten. Nu mama overleden is, komt ze een tijdje als au pair voor Anna te zorgen terwijl papa werkt. Ouders weten niet half waar hun kinderen aan denken.   In de aankomsthal is het waanzinnig druk. Mensen drummen met rugzakken en valiezen. Papa prutst met het bordje waarop “Lizzy” staat. Hij weet niet goed of hij het omhoog moet houden of niet, en doet het dan toch maar. Net op tijd, want er komt een lange magere meid door de klapdeuren lopen. Lizzy heeft wapperende rode krullen, een jeans met een rode pull en een klein rugzakje. Ze zwaait naar Anna met een petje van de New York Yankees.   Zonder weerwerk te kunnen geven, krijgt Anna van Lizzy een dikke knuffel. Ze houdt Anna op armlengte en glundert, ‘Look at you! You are so big! ’ ‘Wat zegt ze?’ vraagt Anna, en draait zich hulpeloos om naar papa, maar papa’s smartphone begint te loeien. Hij grijpt zoekend in zijn zakken, neemt op met een verontschuldigend gezicht. Het is iemand van zijn werk, zoals gewoonlijk. Hij gebaart naar de meisjes dat ze hem maar alvast moeten volgen, want het gesprek kan nog even duren.   Pas wanneer ze de parkeergarage inlopen bedenkt Anna dat Lizzy vast haar koffers is vergeten op te halen van de bagageband. Ze heeft maar één klein rugzakje. Anna probeert het duidelijk te maken aan papa, maar die gebaart van ‘nu even niet’. Ze trekt aan Lizzy’s arm en wijst dan op haar kleine rugzak en op de koffers van de andere passagiers, maar Lizzy begrijpt er niets van. Wanneer ze aan de auto komen zonder bagage denkt Anna boos, ‘Dan moeten ze het zelf maar weten.’ Ze stapt in, knalt de achterportier toe en nestelt zich met haar muziekspeler in een hoekje.     2. De fotowand.   Van mama's hobbykamer heeft papa een logeerkamer gemaakt voor Lizzy. Alleen de grote fotowand voor de oude schouw is blijven hangen. Anna mist de geur van mama in de kamer. Ze mist zelfs de naaimachine en de stapeltjes kleren en boeken die ze verzamelde. Alles zit in dozen in de kelder, alsof mama nooit bestaan heeft.   Papa maakt spaghetti terwijl Lizzy zich kan installeren in haar kamer. Ze maakt het zich gemakkelijk op het zachte bed. ‘Vreemd,’ denkt Lizzy, 'de kamer is anders, maar de geur is precies hetzelfde.' Ze pakt haar kleine rugzakje uit; er zit een tandenborstel in, een boek, snoeprestjes, een verse T-shirt en sokken. Ze legt ook het basebalpetje voor zich. Dat kan ze op een gepast moment aan Anna geven om haar vertrouwen te winnen. 'Zo', denk Lizzy, ' dat is netjes. En nu de rest halen.' Ze loopt naar de fotowand, grijpt een hoek beet en trekt er een stukje aan zodat hij langzaam verschuift. Plots verstart ze. Voor de deur van de kamer hoort ze geschuifel. 'Anna?' vraagt Lizzy met luide stem. Ze wacht even, maar het blijft stil. 'Anna?’ herhaalt ze, ‘You can come in .’ Dan hoort ze iemand wegstuiven, de trap af. 'In het vervolg toch voorzichtiger zijn,' denkt Lizzy. Ze luistert nog even tot ze papa en Anna beneden hoort praten. Dan loopt ze resoluut weer naar de fotowand.   Een uurtje later legt Lizzy haar laatste jeansbroek in de kleerkast en duwt de deur toe. Op het bed heeft ze een gehaakte sprei gelegd met duizend kleuren. Ze gaat op het bed zitten, klapt haar laptop open en surft naar nieuwswebsites om te kijken wat er gebeurt in de wereld. Ze scrolt door berichten over Syrië, Oekraïne en Afganistan. Dan hoort ze de papa van Anna roepen:, Lizzy, can you come down please? Dinner!’    3. Zanubiya.   Na enkele weken school is Anna de routine met Lizzy gewoon. Wanneer ze 's ochtends wakker worden, is papa al vertrokken naar zijn werk. Soms maakt Lizzy een Amerikaans ontbijt met pancakes, dat zijn dikke pannenkoeken met zoete esdoorsiroop. Maar meestal eten ze gewoon cornflakes. Ze moeten zich iedere ochtend haasten als ze samen naar school fietsen. Onderweg leert Anna een paar woordjes Engels en Lizzy wat Nederlands. De eerste week had Lizzy de vreselijke gewoonte om tot aan de fietsenstalling mee te gaan. Na school stond ze Anna ook al op te wachten tussen de andere ouders, druk pratend met mama’s van kinderen uit de lagere school. Gruwelijk. Stel je voor dat Milan, de knapste jongen van de klas, zou zien dat haar ‘babysit’ op haar staat te wachten. Op een vrijdagavond maakt Anna wat huiswerk aan de keukentafel terwijl Lizzy heerlijke Amerikaanse cookies in de oven heeft gezet. Het is wel gezellig, maar niet zo gezellig als met mama. Lizzy maakt vaak lekkers tijdens het huiswerk. Hotdogs, hamburger, cookies. Alsof eten de leegte kan vullen. Aan dit tempo denkt Anna ongeveer tegen kerst te ontploffen van de zoetigheid.   Lizzy ruimt de bloemzak op, veegt het aanrecht schoon en doet de afwas terwijl ze naar het nieuws kijkt op tv. Wanneer ze haar handen heeft afgedroogd, zet ze de tv uit. Ze ploft ze naast Anna neer om op de tablet te surfen naar meer nieuws uit de wereld. ‘Anna,’ begint ze, ‘wist je dat er kinderen uit Syrië zijn die al twee jaar in een tentenkamp leven? In de winter vriest het en ligt de sneeuw kniehoog.’ ‘Kijk,’ zegt Lizzy en ze toont een filmpje op de tablet, ’Kan je je voorstellen dat je daar moet slapen?’ Op de tablet ziet Anna een dun tentzeil. Aan de buitenkant ligt een hoop sneeuw, aan de binnenkant komt de sneeuw al onder het zeil door tot bij een veldbedje waarop een kindje zonder schoenen zit. Aan zijn neusje hangen snottebellen, maar het ergste zijn z’n grote lieve oogjes die er moe en bang uitzien. Dan draait de camera naar buiten. Kinderen en moeders ploeteren in de sneeuw, op weg naar een voedselbedeling. Plots zet Lizzy het beeld stil. ‘My God,’ zegt ze. Ze zet het filmpje een stukje terug en kijkt nog eens. En nog eens. Dan toont ze het scherm weer aan Anna. 'Dat is Zanubiya.’ Op het beeld ziet Anna een meisje van een jaar of vier voorbij lopen. Ze heeft rafelige kleren en een vuil gezicht, maar haar lichte ogen kijken nieuwsgierig naar de camera. Haar donkerblonde slordige vlecht lijkt in geen weken gewassen. 'My God,' zucht Lizzy nog eens, ‘Zanubiya is een klein meisje dat ik ken van vroeger.’ ‘Ben je ook bij haar gaan wonen zoals bij mij?’ ‘Neen, ja, zoiets…,’mompelt Lizzy. Ze draait zich naar Anna en legt de tablet neer. ‘Anna, luister eens, ik wil je iets belangrijks vragen. Zou je mij willen vertellen hoe je mama gestorven is?’ Anna denkt even na en begint dan, ‘Het was een woensdagmorgen op het einde van de zomervakantie. Mama was niet in bed toen papa wakker werd. We hebben haar geroepen en daarna ook gebeld op haar gsm. Die rinkelde op de zolder, en zo hebben we haar gevonden.' Anna kijkt even op naar Lizzy, ‘In jouw kamer dus. Ze lag op de grond, met een vuile jeans en vuile schoenen, alsof ze van buiten kwam. En…’ Anna aarzelt even, ‘Ze keek alsof ze in een andere wereld was. Haar ogen waren opengesperd en haar pupillen heel klein, alsof ze gestikt was.' ‘Ik dacht het al,’ zegt Lizzy, ‘Jouw mama was heel dapper. She saved Zanubiya’ 'Wat bedoel je?' vraagt Anna. Ze begrijpt dat Engels van Lizzy nog altijd niet zo goed. Op dat moment piept de oven, de cookies zijn klaar. Lizzy veert recht, ze doet de ovendeur open en een heerlijke geur vult de keuken. Terwijl ze allebei voorzichtig een hapje nemen van een heet koekje met smeltende brokjes chocolade, gaat de telefoon. Het is papa. Lizzy en papa spreken Engels tegen elkaar, maar Anna weet al hoe laat het is. Ze moeten papa helpen met enveloppen plooien. Papa werkt bij een internationale organisatie die ijvert voor vrede. Als er ergens oorlog is, probeert de organisatie met de leiders van de ruziënde partijen te praten. Ze proberen hen te overtuigen om de regels en wetten te respecteren die gelden tijdens een gewapend conflict. Dat is het oorlogsrecht. Zo mogen soldaten bijvoorbeeld niet zomaar burgers of kinderen kwaad doen en zijn bepaalde wapens, zoals gifgas, helemaal verboden. Helaas houden niet alle strijders zich daaraan. In augustus 2013 was er nog een aanval met gifgas in een woonwijk in Damascus, de hoofdstad van Syrië. Honderden jonge gezinnen stikten in de walmen die hun slaapkamers binnendrongen.   Het kost de organisatie van papa natuurlijk heel veel geld om de leiders te bezoeken. Geld er nooit genoeg is. Dus sturen ze brieven naar massa’s mensen in België om hen een bijdrage te vragen. In die brief leggen ze uit wat ze precies willen doen met hun gift. Toen Lizzy dat hoorde, had ze zich meteen opgegeven als vrijwilliger om papa te helpen met de brieven, samen met Anna. Anna heeft alleen niet zoveel zin om een hele avond brieven te plooien. Ze wil straks liever naar een danswedstrijd op tv kijken. Maar Lizzy steekt beslist de nog warme koekjes in een trommeltje en sommeert: ‘Jas aan, we vertrekken.’    4. Het portaal.   De volgende morgen staat Anna om acht uur op. Papa slaapt nog. Zaterdagochtend is het beste moment van de week, want dan mag ze op Facebook. Vandaag is het extra spannend, want Milan en Evelyne, de tweeling uit haar klas, hebben beloofd om vandaag de uitnodigingen voor hun verjaardagsfeestje te posten. Milan is de coolste jongen van de hele school. Ze geven een echte fuif in de garage van hun vakantiehuis aan zee.   Nog in pyjama, gewapend met een glas melk en een kom cornflakes, kruipt ze achter de computer. Ze is net ingelogd wanneer Lizzy met een slaapdronken hoofd beneden komt. ‘Hi’ lacht ze flauwtjes, ‘Ik heb een beetje hoofdpijn.’ Het was wel gezellig geworden gisterenavond. Lizzy, Anna en papa hadden samen met drie andere vrijwilligers de hele avond geplooid, geplakt en gezegeld tot alle brieven klaar waren. Eén van de vrijwilligers, een baardige student die Hans heet, had een fles witte wijn mee en zat de hele avond grapjes te maken met Lizzy. Ze hadden leuke muziek opgezet en voor het eerst sinds mama dood is, had Anna papa horen zingen en lachen.   Lizzy gebaart naar de keuken, ‘Ik neem wat ontbijt mee naar boven.’ Anna knikt. Op zaterdag en zondag is Lizzy vrij en verdwijnt ze soms uren in de stad of op haar kamer. Even later ziet Anna haar naar boven lopen met een picknickmand vol eten. Wow, denkt Anna, die heeft honger.   Anna kijkt op haar Facebookaccount, maar ze ziet geen uitnodiging. Dan doet ze wat ze iedere keer doet, even naar de pagina van mama gaan. Telkens staan er een paar nieuwe berichtjes op van mama’s vrienden. Dat ze haar nog altijd missen. Anna leest ze graag, dan lijkt het eventjes of mama er nog is. Alsof je nog iets tegen haar kan zeggen. Dit keer is er een berichtje van een vriendinnetje van mama uit de kleuterschool, een mevrouw die Anna niet kent en… en berichtje van Lizzy! ‘Inge, I miss you. You have a great daughter. I wish I could talk to you.’   Hoe bizar, denkt Anna. Waarom heeft Lizzy dat gedaan? Ze klikt op Lizzy’s profiel en ziet tot haar verbazing dat Lizzy bevriend is met mama. Anna of papa kennen het paswoord van mama’s pagina niet. Ze kunnen dus geen vriendschapsverzoek van Lizzy aanvaard hebben. Dat betekent dat mama haar kende! Anna wil de trap oplopen om aan Lizzy te vragen wat dit betekent, wanneer ze het envelopje ziet oplichten op haar profiel: post! Zou het? Yes! Het is een foto van Milan en Evelyne met een uitnodiging voor het fuifje voor hun dertiende verjaardag. Anna zweeft, maar al snel landt ze op de grond, ‘Hoe ga ik dat aan papa verkopen?’   Ze klapt de laptop dicht, spurt de trap op en valt binnen in de kamer van Lizzy om haar beide kwesties voor te leggen. Ze verwacht Lizzy op bed te zien met de ontbijtmand en een tijdschrift. Maar er is niemand. Ze kijkt snel in de badkamer, maar ook daar is niemand. Ze heeft Lizzy net toch zelf naar boven zien gaan? Onthutst kijkt Anna de kamer rond, achter de deur en onder het bed. Er is echt niemand. Plots ziet Anna dat de fotowand verschoven is. Ze grijpt het uiteinde beet en trekt het verder naar zich toe. En dan ziet ze het.   Aan de achterkant van de fotowand zit een tabletscherm en drie genummerde haakjes. Aan het tweede en derde haakje hangen futuristische armbandjes met een schermpje, maar het eerste haakje is leeg. Onder de tablet hangt ook een schriftje aan een nageltje. Anna herkent het handschrift van haar mama. Het is een handleiding met als titel ‘Het portaal om door de hele wereld te reizen’. Voorzichtig pakt Anna het boekje, zet zich in kleermakerszit en leest het in één ruk uit.   Ze leert dat er achter de fotowand een portaal zit dat toegang biedt tot een heleboel plaatsen op de aarde. Er zijn portalen in duizenden plekken over de hele wereld. Door een plaats aan te tikken op de tabletcomputer kan je ernaartoe reizen. ‘Opgelet,’ schrijft Anna’s mama, ‘je moet een armbandje aandoen met de code van de deur waardoor je vertrokken bent. Zo kom je vanzelf terug. Zonder armbandje kan je niet reizen.’   Anna legt de handleiding naast zich en drukt op het schermpje. Een plattegrond van haar dorp licht op, met een rood ballonnetje boven haar huis. Ze zoemt wat verder uit en ziet in verschillende steden ballonnetjes. In Gent, Brugge, Antwerpen, Brussel, maar ook in kleine dorpjes. Voorzichtig typt Anna het eerste wat in haar opkomt; ‘Disneyland Parijs’. En ja hoor. Het kaartje zoemt in ten oosten van Parijs. Er lichten drie ballontjes op, eentje is blauw, twee zijn rood. Anna zoekt het even op in de handleiding. Er staat: ‘Blauwe ballontjes zijn openbaar, rode zijn privé.’ Het portaal in Disneyland is blauw, dus ze kan ernaartoe zonder toestemming te vragen. Anna kan zich niet bedwingen. Ze neemt het tweede armbandje van het haakje, doet het om en tikt op het schermpje. De thuiscode licht op. Dan tikt ze op het Disney ballonnetje op het scherm en duwt met haar grote teen tegen de bakstenen muur achter de fotowand. Ze voelt haar voet door een elastisch vel glijden. Alsof je door een watergordijn stapt, maar dan kleveriger en harder. Snel trekt ze haar voet terug, haalt dan diep adem, sluit haar ogen en stapt hoofd vooruit door het vel.      5. Disneyland.   Anna landt met haar blote voeten op een natte koude vloer. Wanneer ze haar ogen opent staat ze helemaal alleen in een openbaar toilet. Links van haar zijn er wasbakjes en spiegels, rechts toilethokjes. Ze draait zich om. Achter haar is een berghok met een paar bezems. Ze sluit de deur van het berghok en loopt nieuwsgierig naar buiten. Daar schijnt de zon en klinkt er parkmuziek. Het is nog vroeg en dus rustig in Disneyland. Anna loopt een klein stukje in de richting van een souvenirwinkeltje wanneer ze plots een gezinnetje ziet aankomen. ‘Mama,’ zegt het kleinste jongetje, ‘Ik moet plassen.’ ‘O jee,’ denkt Anna, ‘Ik ben in pyjama en op blote voeten. Zo meteen zijn ze hier!’ Snel rent ze terug naar het berghok. Ze glijdt een stukje op de natte vloer, maar net op tijd bereikt ze de deur. Anna opent hem en drukt op haar armbandje. Meteen verschijnt het melkkleurige vlies in de plaats van de bezems en voor ze het weet, staat ze weer in de zolderkamer.   ‘Anna?’ hoort ze roepen van beneden. ‘Aàààànna? Waar ben je?’ Papa is wakker. Anna ruikt de koffie die hij gezet heeft. Wat een geluk dat ze zo snel teruggekomen is. Ze draaft naar beneden. ‘Hier ben ik!’ roept ze, ‘Ik was…. in de badkamer.’ Halverwege de trap merkt Anna dat ze het armbandje nog om heeft. Ze loopt snel weer naar boven om het terug te hangen. ‘Ik kom zo meteen, nog even mijn haar kammen!’ In de zolderkamer hangt ze haar bandje aan het tweede haakje. Het eerste armbandje is nog steeds weg.   Wanneer ze beneden komt zit papa de krant te lezen aan de tafel. Hij kijkt op en ziet zijn dochter met piekenhaar en in pyjama. ‘Kijk eens aan.’ mompelt papa, ‘Zo lang in de badkamer en nog niet gewassen? Ga je maar vlug klaarmaken, we gaan op bezoek bij oma. Ze vroeg zich af of jij haar volgende zaterdag wil helpen koken, dan komen haar vriendinnen.’ ‘Ok.’ zegt Anna, maar dan bedenkt ze zich, ‘Papa, ik kan zaterdag niet. Er is een feestje van de tweeling uit mijn klas.’ ‘Ah.’ zegt papa, ‘Waar en wanneer is dat feestje? Zijn er ouders bij?’ Dit wordt moeilijk, weet Anna. ‘Het is zaterdag van 8 tot 10 uur.’ Papa fronst, dus gaat ze steeds stiller verder, ‘Het is een fuif in de garage van hun huis aan zee.’ ‘Juist,’ zegt papa, ‘Dan denk ik dat we allebei weten wat het antwoord daarop is?’ ‘Maar papa, iedereen van de klas mag gaan. Het is het weekend voor de paasvakantie.’ ‘Anna, je bent nog veel te jong en te onschuldig voor fuiven. Zeker zo ver weg. Wie zou je brengen?’ ‘Misschien kan Lizzy mij brengen?’ ‘Niks van. Je weet dat Lizzy in het weekend vrij heeft. En ik vind je echt te jong.’ Papa kijkt weer naar de krant en leest verder. Als hij merkt dat Anna blijft staan, kijkt hij op. ‘Schatje, ga je nu maar omkleden, we moeten naar oma.’ Anna draait zich om, gooit de keukendeur met een knal toe en bonst de trap op.    6. Het plan.   Al de hele week houdt Anna Lizzy op afstand. Ze houdt haar lippen stijf op elkaar, zelfs wanneer Lizzy op haar kamer komt en haar het petje van de Yankees geeft dat ze bij had op de luchthaven. Ze mag haar petje houden, net als al haar geheimen. Woensdag na school fietst Anna alleen naar het winkelcentrum om cadeautjes te kopen voor het feestje. Ze verstopt ze in haar kleerkast.   Vrijdagavond zet Anna haar plannetje in werking. Wanneer ze met Lizzy naar huis fietst, doet ze alsof ze buikpijn heeft. De hele avond houdt ze vol, ze eet niet en ligt kreunend in de zetel. Papa belt dan maar naar oma om te zeggen dat Anna niet kan komen helpen. ‘Zal ik de dokter bellen?’ vraagt papa. ‘Neen, niet nodig,’ mompelt ze, ‘ik ga gewoon vroeg slapen. Ik heb iets verkeerd gegeten, denk ik.’ Lizzy kijkt bezorgd. Ze heeft haar jas al aan en wacht nog op Hans, de student die ze kent van het brieven vouwen, om samen de stad in te duiken. ‘Wil je een dekentje?’ vraagt ze. ‘Neen.’ zegt Anna kribbig. Ze krabbelt uit de zetel, draait zich naar papa en zegt; ‘Ik ga slapen. Tot morgen.’   In haar kamer kleedt Anna zich razend snel om. Ze hoort papa nog praten met Lizzy en dan zet hij de tv aan om voetbal te kijken. Die is de komende twee uur zoet. Anna neemt een paar rondslingerende kleren en boetseert ze tot een menselijke vorm onder haar donsdeken. Zo zal papa denken dat ze slaapt. Voor de zekerheid hangt ze een briefje aan de deur waarop staat: ‘Laat mij slapen, niet binnenkomen.’   Dan neemt ze voorzichtig haar cadeautjes uit de kast. Voor Milan heeft ze een voetbalshirt van Barcelona, voor Evelyne een paar oorbellen die lijken op kleine croissantjes. Met ingehouden adem sluipt Anna de trap op naar de kamer van Lizzy. Haar oren zijn gespitst, maar beneden hoort ze alleen de voetbalcommentator die zich opwindt. Af en toe roept papa: ‘Oooo!’ of ‘Bijna!’.   Anna pakt de klink van Lizzy’s kamer met bezwete handen en duwt voorzichtig. De deur zit muurvast. Lizzy heeft haar deur op slot gedaan! Anna voelt haar hart in haar keel kloppen. Ze moet naar dat feestje, ze heeft het beloofd aan Milan. Koortsachtig kijkt ze rond. Zou Lizzy de sleutel ergens verstopt hebben? Ze tilt de mat op, voelt aan de planken in de vloer en kijkt bovenop de deurstijl, maar ze ziet ze niets. Opeens krijgt ze een idee. Ze loopt naar de slaapkamer van papa. In een kistje in de onderste lade van zijn nachtkastje bewaart hij alle reservesleutels. Anna graait tot ze het blauwe labeltje vindt waarop ‘zolderkamer’ staat. Bingo!   Voorzichtig draait ze de sleutel om in het slot van Lizzy’s deur. Hij zwaait open, gelukkig. Anna sleurt de fotowand opzij zodat het portaal zichtbaar wordt en doet een armbandje om. Op de tablet tikt ze het adres van het feestje in. Vlakbij is er maar één blauw ballonnetje, drie straten van het feestje af. Anna haalt adem, drukt op het ballonnetje en stapt door het witte vlies.   Overal klinken luide galmende stemmen en lachende jongens, het is warm en vochtig en vlak voor haar neus is een knaloranje plaat. Verbaasd kijkt ze rond, ze zit in een oranje kleedhokje in het zwembad. Anna sluit vlug de hendeltjes aan beide kanten van het hokje, zodat niemand de deur kan opendoen, en gaat even zitten op het bankje. ‘Goed, een zwembad,’ denkt ze, ‘dan heb ik een zwemzak nodig, anders lijk ik verdacht.’ Ze drukt weer op haar armbandje en stapt door het portaal terug naar de kamer van Lizzy. Daar zoekt ze Lizzy’s rugzak, schudt hem leeg op het bed en stopt haar cadeautjes erin. Aan het wasbakje in de kamer maakt ze haar haren een beetje nat, zodat het lijkt of ze gezwommen heeft. Ziet er prima uit, denkt ze zelf. Dan drukt ze weer op het ballonnetje op het scherm en stapt door het witte vlies naar het kleedhokje. Zo nonchalant mogelijk loopt Anna het zwembad uit, de frisse zeelucht in.       7. Het feestje.   Er zijn wel twintig jongeren in de garage. Anna herkent twee jongens uit de klas, maar verder zijn er vooral oudere jongens en meisjes. De muziek staan behoorlijk luid en er hangen discolichten en slingers aan het plafond, maar niemand danst. ‘Hi Anna,’ wuift Milan vanachter een tafel met bekertjes en frisdrank. Hij wurmt zich langs een groepje grotere meisjes tot bij haar. ‘Blij dat je gekomen bent,’ zegt hij en hij klinkt echt opgelucht, ‘Er zijn vooral neven en nichten tot nu toe, en de balletvriendinnen van Evelyne. Maar Sam en Ruben van school zijn gekomen.’ Anna glimlacht flauw. Ze kent Sam en Ruben niet zo goed. Als Milan lacht, heeft hij een schattig kuiltje in zijn rechterwang. Anna geeft hem het pakje met het T-shirt. ‘Voor jou, van je favoriete ploeg.’ Milan straalt, ‘Leuk, dat je dat weet.’ Hij trekt het shirt meteen over zijn kleren aan en Anna krijgt een zoen op haar wang. Om maar iets te zeggen, zegt Anna, ‘Ik wist niet dat jullie een huis aan de zee hadden. Is het ver van het strand?’ ‘Nee, helemaal niet. Wil je er eventjes naartoe lopen?’ vraagt Milan. ‘Graag!’ lacht Anna.   Even later staan ze buiten. Milan lijkt opgelucht dat hij even weg kan. Ze wandelen naar de zee. ‘Sorry,’ zegt Milan, ’Dit is meer Evelyne’s feestje, ik had niet zoveel te beslissen. Ze wou onze verjaardag met een fuif vieren omdat ze zo bij Evert kan zijn.’ ‘Wie is Evert?’ ‘Haar vriendje en de beste vriend van mijn neef. Hij is vijftien. Daarom zijn al die groten hier, anders wou Evert niet komen.’ Ze wandelen een stukje in stilte. Anna wou dat ze iets interessants had om te vertellen, maar ze durft niet over het portaal beginnen. Alle andere dingen in haar leven lijken nu zo saai. Op de dijk waait het. Het is al donker, dus ze kunnen de zee niet goed zien, maar wel horen. ‘Weet je,’ zegt Milan, ‘Ik was liever gewoon met een paar vrienden naar de film gegaan. Of met jou iets gaan doen.’ Anna kijkt op. ‘Met mij?’ denkt ze. Haar tong laat haar in de steek. Waarom weet ze op beslissende momenten nooit wat zeggen? ‘Naar de film bedoel ik.’ zegt Milan. Het is moeilijk om zeker te zijn in het licht van de straatlantaarn, maar het lijkt alsof Milan een beetje bloost. ‘Lijkt mij leuk,’ zegt Anna. Milan straalt, ‘Goed,’ zegt hij,’ dat is dan afgesproken.’ Anna rilt in haar jeansjasje. ‘Zullen we teruggaan?’ vraagt Milan. Anna knikt. En dan voelt ze Milan’s hand die de hare pakt. Ze lopen hand in hand weer naar de garage. Anna heeft het helemaal niet meer koud, ze gloeit vanuit haar hand, over haar arm naar haar hele lichaam.   Wanneer ze weer in de garage zijn en Milan een cola gaat halen voor Anna, staat Evelyne plots voor haar neus. ‘Ah, Anna’ zegt Evelyne droog, ‘Daar ben je. We gingen je bijna zoeken. Heb je ook een cadeautje voor mij?’ ‘Euh, ja hoor,’ zegt Anna. Ze haalt het pakje boven met de oorbellen en geeft het. Evelyne’s vriendinnen zwermen om haar heen zodat Anna zelf een stapje achteruit moet doen. ‘Oorbellen,’ zegt Evelyne terwijl ze rolt met haar ogen, ‘Hoe origineel.’ Ze geeft ze achteloos aan één van de meisjes. ‘Weet je wat,’ zegt Evelyne tegen Anna, ’ik wil ze wel ruilen tegen dat armbandje van jou.’ Anna kijkt naar haar pols. Het bandje van het portaal. Ze weet niet goed wat zeggen tot Milan aan komt lopen met in elk hand een boordevolle cola. ‘Evelyne,’ pruttelt hij zwakjes, ’Laat Anna gerust.’ Anna kijkt hem dankbaar aan. Maar Evelyne laat zich niet doen, ‘Milan, moet ik papa roepen? Of Evert? Laat ons gerust, dit is onder vriendinnen, nietwaar Anna?’ Evert loopt net voorbij en hoort zijn naam. ‘Is er een probleem Evelyne?’ vraagt hij stoer. ‘Ja,’ zegt ze schril en ze wijst naar Anna, ‘die geit wil mijn verjaardagscadeautje niet geven.’ ‘Dan lossen we dat toch even op,’ zegt Evert. De vrienden van Evert drummen Milan naar achter en staan nu met z’n zessen om de meisjes. Ze zijn een kop groter. Anna kijkt verschrikt. Ze kan het armbandje niet geven, anders geraakt ze niet thuis. Maar Evert maakt er niet veel woorden aan vuil. Hij pakt haar arm en trekt de mouw omhoog. In paniek rukt Anna zich los, draait zich om en duikt onder de armen van de andere jongens door. Voor die doorhebben wat er gebeurd is, loopt ze alweer op straat, op weg naar het zwembad.   Ze rent zo hard ze kan, haar hart klopt als losgebroken kudde wilde paarden. Uitgeput komt ze aan bij het donkere zwembad. De moed zakt in haar schoenen, want de deur zit potdicht. Ze kijkt achterom, maar gelukkig volgen de jongens haar niet. Op het pleintje voor het zwembad staat geen telefooncel. ‘Natuurlijk niet,’ denkt ze, ‘iedereen heeft een gsm, behalve ik.’ Op de leuning van een bank, zit een meisje met haar gsm te spelen, naast haar voeten ligt haar zwemzak op de zitting van de bank. Met de rug van haar hand veegt Anna haar tranen af, en haalt diep adem, ‘Hi, zou ik even mogen bellen?’ ‘Is jouw mama je ook vergeten?’ zegt het meisje met een lachje, ‘Bel maar hoor.’ Het enige nummer dat ze vanbuiten kent is dat van thuis. ‘Hello, met Lizzy’ ‘Hoi, het is Anna.’ Anna’s stem knijpt samen, maar Lizzy merkt er niets van, dus die steekt volijk van wal, ‘Hi Anna, bel je voor papa? Ik word hier knettergek van die mannen. Ik zou met Hans de stad in gaan, maar toen wou hij je papa nog even dag zeggen. Voor ik het wist, zaten die twee voetbal te kijken, en nu krijg ik er geen woord tussen. Ben jij dan toch naar oma gegaan? Hoe is het daar?’ Anna slikt even. ‘Neen, ik ben aan zee, bij een zwembad. Het heet het Stormbad’ Ze kan wel in tranen uitbarsten. ‘Zeg alsjeblieft niets tegen papa, maar kan je mij komen ophalen?’ ‘O,’ Lizzy fluistert opeens,’o. Ja, ik denk het wel. Ik verzin wel iets.’   Even later begint het zachtjes te regenen. Het meisje met de gsm werd al opgehaald. Wat mist ze mama nu.         8. Het zusterschap.   Lizzy draait het pleintje op in de auto van Hans. Anna stapt rillend in, ze voelt zich een verzopen katje. ‘Goed,’ zegt Lizzy, ‘We moeten even om pizza, want ik heb de mannen wijsgemaakt dat ik die ben gaan halen. Maar vertel eerst wat er gebeurd is.’ In een gulp komt het hele verhaal eruit, hoe ze het portaal ontdekte, Disneyland en het feestje van de tweeling met de gruwelijke Evelyne. ‘O neen,’ zucht Lizzy, ‘Het is allemaal mijn fout. Ik had het logboek van het portaal moeten bekijken, dan had ik gezien welke trips er gemaakt werden. Meisje toch!’ Lizzy parkeert de wagen aan het drive-in raampje van het pizzarestaurant en bestelt. ‘Ik ben jou wel wat uitleg verschuldigd, denk ik.’ Anna knikt, ‘Je kent mama al van vroeger.’ ‘Ja,’ zegt Lizzy, ‘Je mama en ik hebben elkaar via het portaal leren kennen, toen je ouders pas in het huis woonden. Ik heb er ook eentje in mijn appartement in New York. We hebben eerst ook wat gekke dingen gedaan, net als jij. Een avondje China, even gaan skiën, het was fantastisch. Maar we wilden ook iets nuttigs doen. Je papa was zo begeesterd bezig met zijn vredesorganisatie en je mama wou ook iets bijdragen En zo vond het Zusterschap ons.’ ‘Het Zusterschap?’ ‘Het is een groep vriendinnen die we leerden kennen via het portaal. Samen proberen we heel discreet te helpen in oorlogsgebied. We kunnen de oorlog niet stoppen, maar we proberen kinderen die in vreselijke omstandigheden leven, een klein beetje te helpen. Daarom smokkelen we manden met eten naar plaatsen waar honger is. We verzorgen gewonden, we troosten eenzame kinderen en brengen ze warme kleren, dekens en schoolgerief. Het is vaak gevaarlijk en we moeten altijd oppassen dat niemand het portaal ontdekt. Als soldaten of mensen met slechte bedoelingen de portalen ontdekken, kunnen ze die misbruiken of afbreken.’ De man in het raampje geeft haar de pizza’s. Lizzy rekent af en geeft de dozen aan Anna. Ze voelen lekker warm op haar benen. Voor ze doorrijdt, kijkt Lizzy Anna indringend aan, ‘Jij moet de portalen dus ook geheimhouden. Voor iedereen.’ ‘Beloofd. Maar Lizzy, wie heeft die portalen gemaakt?’ ‘Het zusterschap zelf. Het begon met enkele professoren, dames met een neus voor fysica, wiskunde en computers. Door hun knappe koppen bij elkaar te steken, zijn ze erin geslaagd om een portaal voor teleportatie bouwen. Teleportatie is een duur woord voor de snelle reizen die we kunnen maken met het portaal. Ondertussen zijn er al heel veel portalen dankzij de zusters die er telkens nieuwe bouwen, zelfs in oorlogsgebied en in vluchtelingenkampen.’ ‘Kan jij er ook één bouwen?’ vraagt Anna. ‘Neen,’ lacht Lizzy,’nog niet. Ik ben naar hier gekomen om te onderzoeken wat er precies met je mama is gebeurd, en om een opvolgster voor haar te zoeken. Voorlopig doe ik haar taken van hieruit, op weekavonden, of in het weekend terwijl jullie denken dat ik slaap of lees in mijn kamer.’ ‘Cool, mag ik helpen?’ smeekt Anna. ‘Neen, meid, dat is veel te gevaarlijk. Oorlogsgebied is echt niets voor kinderen. Ik zou niet willen dat jou iets overkomt, zoals je mama.’ ‘Maar wat is er dan precies met mama gebeurd?’ ‘Ik wist het eerst niet zeker, maar ik denk dat je mama is omgekomen in een gifgas aanval in Damascus, de hoofdstad van Syrië. Jullie vonden haar toch op 21 augustus?’ Anna knikt. ‘Die nacht dreef het gas door de straten, door deuren en kieren. Wij liepen op straat want we waren op weg om Zanubiya te vertellen dat we haar mama gevonden hadden in Antakya, in Turkije. Je mama wou Zanubiya meenemen naar daar. Maar de weg van Zanubiya’s schuilplaats naar het portaal werd bewaakt door scherpschutters, dus moesten we haar ’s nachts ophalen. Toen je mama het gevaar van het gas merkte, stuurde ze mij meteen terug naar het portaal. Zelf kon ze nog roepen naar de hoge vensters van het flatgebouw waar Zanubiya was, dat ze zo hoog mogelijk moest klimmen en een doek voor haar mond moest binden. Dan is ze zo snel ze kon teruggelopen naar het portaal. Ik zag haar aankomen en ben net voor haar gesprongen. Door de instellingen van mijn armband was ik meteen in New York. Ik dacht eerst dat je mama het ook had gehaald, maar twee dagen later zag ik de rouwtekstjes op Facebook. Het gas was blijkbaar in haar lichaam gedrongen. Ze moet gestorven zijn toen ze in de zolderkamer aankwam.’ Anna snuit haar neus en door haar tranen heen vraag ze, ’En Zanubiya?’ ‘Ik ben sindsdien op zoek is naar haar,’ zegt Lizzy, ‘Weet je nog dat we haar een tijdje geleden op dat filmpje van het internet hebben gezien? Ik ben de dag nadien naar het kamp in de sneeuw gegaan. Maar het filmpje was al oud. Zanubiya was niet meer in dat kamp. Nu heb ik geen enkel spoor meer. Ik ben wel nog op bezoek geweest bij haar mama in Antakya. Ze woont boven de kruidenier waar het enige portaal van de stad zit.’ Lizzy rijdt de oprit op en dooft de lichten van de auto. ‘Goed,’ zegt ze, ‘Ik zal de pizza’s naar binnen dragen. Loop jij snel even een stukje de trap op, en kom dan naar beneden. Dan lijkt het net alsof je de hele tijd geslapen hebt en je nu wakker geworden bent met honger.’       9. Zanubiya.   Tijdens de rest van de paasvakantie hangt Anna rond met Lizzy en Hans. Ze doen allerlei leuke dingen, maar omdat Hans erbij is, praten ze niet meer over het portaal. ’s Avonds muizen Lizzy en Hans onderuit na het avondeten en kijken Anna en papa samen naar tv.   Op zaterdagavond is er een live verslag uit het Al Za’atri vluchtelingenkamp nabij de Jordaanse stad Mafraq, waar veel gevluchte Syrische families in tenten wonen. Het kamp is zo groot is dat het van bovenaf een witte zee van tenten lijkt. Ze zien de onthaalruimte waar pas aangekomen vluchtelingen worden opgevangen. Het is al donker, maar de mensen schuiven aan. En dan ziet Anna haar, helemaal alleen. Zanubiya. ‘Papa, kijk, ik ken dat meisje,’ roept ze. Papa trekt een frons in zijn voorhoofd. ‘Liefje, ik denk niet dat je dat meisje kent. Ze lijkt misschien op een kleuter van school? ‘Neen papa, je moet haar helpen!’ ‘Anna, je weet toch dat dat niet kan? Onze organisatie legt het oorlogsrecht uit aan de ruziënde partijen. Dat neemt tijd. We kunnen niet zomaar één meisje helpen.’ ‘Dus je kan niets doen?’ briest Anna, ‘Waar dient die stomme organisatie dan voor?’ Papa begint een uitleg, maar Anna hoort het niet meer. Ze stormt de trap op en kan alleen maar denken: ‘Ik moet iets doen. Zanubiya is nu in de onthaaltruimte van het kamp. Als ik wacht op Lizzy, zijn we haar weer kwijt. Dat kamp is eindeloos groot. Als papa niet wil helpen, dan doe ik het zelf!’   Die avond komt Lizzy laat thuis van een avondje theater met Hans. Ze hoort papa snurken in de zetel. Hij is in slaap gevallen voor de tv. Voorzichtig sluipt ze naar boven. In haar kamer merkt ze meteen dat de fotowand verschoven is en dat er een armbandje weg is. Er ligt een briefje van Anna; ‘Ik breng Zanubiya naar huis.’ In paniek bekijkt Lizzy het logboek. Ze is naar een kamp in Jordanië. Zonder aarzelen grijpt Lizzy zelf het tweede bandje en duikt achter Anna aan.   In het kamp loopt Lizzy uit de stinkende toiletgebouwtje naast de onthaalruimte van het kamp. Ze klampt wachtende vluchtelingen aan en vraagt of ze een westers meisje gezien hebben. Ze schudden het hoofd want ze begrijpen haar niet. Maar één vrouw knikt en wijst naar het gebouwtje waar Lizzy uitkwam, ‘She came out of there, took a little girl with her and disappeared again in the building. ’ ‘Thank you!’ zegt Lizzy. Ze rent weer naar de toiletten, maar alle hokjes zijn leeg, op een zwerm vliegen na. Zouden ze elkaar gekruist zijn en is Anna weer naar huis, met Zanubiya? Lizzy drukt op haar armband en stapt door het vlies heen weer de zolderkamer in.   Thuis vindt ze niemand, alleen papa, slapend op de bank. Waar is Anna dan? Lizzy tikt koortsachtig op het tabletcomputertje, maar die heeft het antwoord niet. Hij registreert alleen waar iemand naartoe gaat, niet naar waar die doorreist. Lizzy is radeloos. Tot Anna plots de kamer instapt via het portaal. ‘Anna!’ juicht ze, ‘Waar was je?’ Anna vertelt dat ze Zanubiya op tv had gezien in de onthaalruimte van het vluchtelingenkamp, en dat ze meteen door het portaal naar het toiletgebouw is gereisd. ‘Ik heb Zanubiya bij de hand genomen’, vertelt ze, ‘ en zachtjes, ‘You want mama?’ gevraagd. Ik weet niet of ze mij begreep, maar kwam mee.’ ‘En dan, ‘vervolgt Anna trots, ‘zijn we samen door het portaal gestapt, hand in hand. Ik had de code van het kruidenierswinkeltje in Antakya opgezocht, dus we konden meteen doorreizen naar haar mama. Die was superblij.’ ‘Wat jij gedaan hebt, Anna, is iets wat ons maar niet lukte,’ zegt Lizzy, ‘Je bent echt dapper, slim en snel.’ Anna glundert, ‘Ik heb thee van Zanubiya’s mama gekregen en zoete snoepjes.’ ‘Weet je, Anna, het zusterschap kan de oorlog niet oplossen, maar we kunnen allemaal kleine dappere dingen doen die de wereld een beetje beter maken. Jij hebt je hoofd cool gehouden en gedaan wat er moest gebeuren. Misschien ben je een beetje koppig, maar zo was je mama ook.’ Lizzy kijkt plots heel ernstig, ‘Anna, ik denk dat ik de opvolger voor je mama gevonden heb.’        10. Geen afscheid.   Op de luchthaven is het alweer druk. Mensen verdringen zich met koffers en rugzakken. Maar Lizzy niet, ze heeft alleen een klein rugzakje. Papa en Anna geven haar een knuffel. Anna had verwacht dat Hans tranen met tuiten zou huilen, maar hij omhelst Lizzy met een grote glimlach. ‘Zo gaat dat met de jeugd,’ zegt papa, ‘Die zijn niet meer treurig bij een afscheid, want ze houden contact via Facebook.’ Hij klopt op Hans’ schouder. Maar dan ziet Anna vanonder de mouw van Hans een glimp van een armbandje piepen. Ze kijkt naar Lizzy, die knipoogt en zegt, ‘Hans houdt wel een oogje op jou na school, als je hem af en toe binnenlaat.’ ‘Dat doe ik,’ zegt Anna, en ze fluistert tegen Hans, ’Als jij deze zaterdag met Milan en mij naar de film wil gaan.’ Hij lacht en knikt. Lizzy loopt naar de douane en zwaait, ‘Tot binnenkort, Anna!’

Tine Tytgat
0 1

H2O O O O O

De natte massa baant zich een weg door de kieren en spleten van het oude huis. De bewoner maakt het nog natter door zijn interne kraan te laten meewerken aan de verdrinkingsdood van zijn geliefde elektronische apparaten. De digitale revolutie is niet opgewassen tegen moeder natuur, zeker niet als ze nat is. De bewoner had recent nog een extra hypotheek op zijn huis genomen om een luxe flatscreen aan te schaffen,  die nu als een halflek opblaasbootje door de kamer heendobbert. Geld krijgt de man er niet voor, want het geld dat hij normaal voorzien had voor een brandverzekering had hij in een iphone geïnvesteerd.   verderop in de straat kijkt een vrouw bedroeft naar haar collectie namaakpenissen, ze drijven als verlaten badeendjes door haar kelder heen, waar ze ze verstopte voor haar iets minder experimentele man. De veelvraat op nr 5 ziet een mooi excuus in de watersnoodramp om de inhoud van zijn goedgevulde koelkast in een ruk op te eten. hij is erg verdrietig dat zijn koelkast nu al stuk is terwijl hij een paar dagen geleden nog een krantenartikel las over een van de oudste nog werkende modelen in Engeland en hij de uitdaging wou uitgaan zijn koelkast ook lang te laten leven. Hij maakte er een sport van zijn koelkast vol te stouwen met een divers aanbod aan hamburgers. De lekkerste verse bovenaan en de oude wat groen uitgeslagen varianten op de laagste plank voor de noodgevallen.   Op nr 10 kijkt een verstrooide nog niet ontdekte kunstenaar ongelukkig naar zijn huis dat tijdelijk in een indoorrecreatiebad is veranderd. Iedereen uit zijn nabije omgeving wist dat hij nooit ontdekt zou worden, maar zelf had hij de hoop op ontdekking nooit opgegeven, tot nu. Er lag een dike laag modder over zijn manuscripten en de letters waren uiteengevallen in inktvlekken. In een laatste hoop enige naambekendheid te krijgen klampt hij een cameraman aan, die in de buurt is om de ramp in kaart te brengen. Hij smeekt hem zijn verhaal te tonen, zodat de mensen weten wat een groot verlies voor Vlaanderen deze manuscriptendouche is. Zijn vrouw kijkt het met lede ogen aan, maar is opgelucht dat ze de manuscripten de volgende week niet meer moet afstoffen.   Zo kijkt een hele straat beteuteld naar de verloren beneden verdieping van hun huis, je hoort iemand mompelen, dat het maar snel ergens anders gebeurt, in tijden van nood zijn we allemaal egoïstisch.

phyllox wanderlust
0 0

Snot, aap en nootjes

Dit is een wç voor piraten met één hand of minder. Overmorgen is er die babyborrel en over die zelfmoordplannen van een cirkel zal ik zwijgen. Zwaartekracht kan dodelijk zijn. Bij miereneters is het omgekeerd.   Geen melk vandaag. Ik ben op reis in een verwarrend land, lelijk en mooi, zijn tien parkieten in een kooi. Een man doodt soms de ganse dag. We kunnen een tentje opzetten, erin vertellen over vroeger. Kapitein Iglo woont in een kajuit. Ik had een fiets met een zelfgelast karretje. Hij was best abnormaal maar we wisten het niet.   1989, een helrode Ford Escort, paar dia's, een gewonnen hangertje, toch dat zakje apennootjes, symbolisch. Ver weg, Baltimore, de Baltische Zee, een strand met duizend vliegers, lachende gezichten in de branding. Kruimels waaien uit het bord. Het meesje is verduiveld snel, vangt de onraad met zijn bek want ik lieg. Over het aantal. De kinderen die ik heb verwekt.   De man telt ze niet meer. Runderblik, paté in potjes. Bij de croissant ligt er wat confituur, weet ik weer hoe je mijn grappen zelfs verdroeg. De waardebon voor een voldragen zwangerschap had ik naar een god gestuurd. Hij lachte, had een uurwerk. Toen ik hem later zag, sprak ie smalend dat het zo moest zijn, gij snotaap, die man, die ouwe zot in veelvoud, de haperingen, die krekelsprongen in mijn hoofd, zij weg, hun dood.    Beertje Colargol, met zijn koffertje, vond altijd een oplossing. Vruchteloos, adertjes, elektrische garagepoort, een boom met noten. Dakloze gedachten zijn ontzettend vrij. Het biggetje, het is van roze marsepein. Het kindje heeft dezelfde kleur en geurt naar toekomst. Ik herinner me de vorm van je mond.   Het kalf met dolle vlekken rust, op een lappendekentje. Hij staart naar de natte snuit. Je mag mijn snorkel gebruiken, geen wolkje, Petit Bateau. Moe. Ik wil straks in je schootje liggen, terwijl je de littekens streelt. Had gekund.   Toen ze plots kwamen, legde men ze achter het glas te stikken. Meer niet. Het brugje over de ravijn is roest, twaalf stappen lang. Er wachten geitjes aan de overkant. De herder heeft maar beter sterke armen en een stok.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'   

Bernd Vanderbilt
0 0

Duizend stukjes

Een gewaarschuwd man is er twee waard: ik kon douchen, we hebben een handdoek voor je, maar breng je eigen zeep mee. De verwachting dat ik zou zweten had niks te maken met het takenpakket dat ik normaal voor mijn bezorgde werkgever uitvoer, wel met het afnemen van een inspanningstest van het hart. Dat wordt verondersteld ongestoord en onverstoorbaar het ritme aan te houden, en geen slag over te slaan - tenzij het getroffen wordt door een bliksemschicht, uiteraard. Thuis, vanuit een zetel waarin sinds twee uur vakantie heerst, komt een andere ritmestoornis me tegemoet. 'Ik verveel me'. De puber heeft last van de gapende leegte die komt na een tijd van geconcentreerd, monomaan werken. 'Maak een puzzel', suggereer ik, maar het vooruitzicht eerst duizend stukjes te moeten omdraaien en de kantjes eruit te vissen, is hem te vermoeiend. Er ligt nochtans nog een mooie in de kelder. Bloemen, een bergdorpje, stralende hemel met wat schapenwolkjes. Het bericht kwam op zaterdagavond, als een donderslag bij heldere hemel. Of ik maandag wat eerder op het werk kon zijn? De baas wou me even apart spreken, nog voor onze directievergadering. Het was rotweer, de files lang en het gesprek kort. Dat was ook de werkdag, de werkweek en de werkmaand. En mijn carrière bij die werkgever. Wat doe je wanneer je op een maandagochtend om kwart na negen terug thuis bent, terwijl je nog het hele weekend op je cijfers hebt zitten wroeten? Je bent kwaad, je belt een reeks mensen, zoekt een advocaat, maakt afspraken, maar zo ergens in de vroege namiddag besef je al: er is teveel tijd om in één keer in te kunnen vullen. Een puzzel. Die gaat je helpen om je gedachten op orde te krijgen. Een shortcut naar zen: bloemen, bergdorpje, stralende hemel met wat schapenwolkjes. Tegelijkertijd verdiep je je in het vrouwentornooi van Roland-Garros en tel je de uren af tot je je zoontje van school kan halen - dezelfde die zich nu puberaal verveelt. Je wringt je tussen de huishoudelijke taken, en misschien, heel misschien, ga je een kamer in huis schilderen. Niets doen is moeilijker dan het lijkt. Eerst is er rusteloosheid, maar verveling zet snel in. De tijd voor je wordt een vormeloze, kleverige brij, en wat je je ooit ook had voorgenomen om te doen als je maar de tijd zou hebben - een roman schrijven, een marathon lopen, een blog beginnen desnoods - daar lijk je in de eindeloosheid van de meeste dagen maar niet aan te kunnen beginnen. En ook de vierde muur van die kamer wacht nog steeds. Hoe kostbaar is tijd echt? We nemen als vanzelfsprekend aan dat het leven sneller gaat dan ooit tevoren, dat vooruitgang en beschaving in ons een hoogtepunt vinden. Te snel gaat het zelfs. Maar het nieuwe doel, slow food, slow seks, slow travel, gooien we nagelbijtend overboord in onze voort schuifelende auto's en stilstaande treinen. Voor ons moet het toch vooral vooruit gaan. Behalve misschien dan voor dat ene meisje, een paar plaatsen van je vandaan in de trein. Zij kijkt de hele reis zo maar een beetje voor zich uit. Zich volledig onbewust van de omgeving, en al zeker van mijn bijkleurende blik, geeft haar gezicht afwisselend uitdrukking aan alle mogelijk emoties. Ik zie angst, bewondering, woede, verlangen, onzekerheid, genot en ongeduld passeren. En dan durf ik niet eens het hele half uur kijken. Bliksemschicht. Als er al verveling bij is, dan is het een sierlijke vorm. Niet veroorzaakt door het tot stilstand komen van het ritme van het dagelijkse werk of door het tegengestelde daarvan, het eindeloos doorgaan van steeds hetzelfde. Zij lijkt de leegte van de treinrit te omhelzen met een ritme dat steeds wisselt, vol met leven en ver van de gelijkmoedigheid, die zo makkelijk te verwarren is met onthechting. De val van verveling ligt misschien net daar, tussen de rust van de oneindigheid, en de berusting in de ketenen van het hart en de geest. 'Misschien moet je gewoon iets geks doen', zeg ik tegen mijn puber. 'Iets wat je nog nooit heb gedaan, iets waar je nog nooit aan gedacht hebt om te doen. Wedden dat je dan als Zeus bliksemschichten kan rondstrooien en meisjesharten in duizend stukjes laten breken?' Hij kijkt me meewarig aan. 'Morgen misschien', mompelt hij. En sloft naar een herhaling van een Top Gear aflevering, waarin snelheid als enige god wordt aanbeden. Met mijn hart is overigens niks mis, op die paar barsten na, die komen met de leeftijd. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

O.T. & Fitch

“De grond die u bewerkt zal niets meer opbrengen: een zwerver en een vagebond zult u zijn op de aarde” Dergelijke zwaarwichtige Bijbelse frase was onze Godfather Clombie op zijn zelfverklaard Pantocrator-lijf geschreven. Als waren we lijfeigenen hadden wij Zijn land bewerkt, hadden wij Zijn veestapel uitgebouwd. Tijdens ons offeren droomden we soms van een leven als de verkwistende verloren zoon. En plots: een historische jobstijding, in maar één gebenedijd woord: EXODUS ! Verbannen van onze gronden, en dan nog wel naar een achterlijk goj-gat als Nod, begot. We vernamen pas wat er ons in de sandalen was geschoven toen we in die buurt zwartwerk deden bij een optreden van Genesis. We stonden te boek als waren we een tweede erfzonde.. Zo'n danteske vorm van desinformatie en diffamatie vindt snel een breed lezerspubliek. “Zij leven als Caïn en Abel” hoorden wij nadien alsmaar zeggen. Welke broers hebben er nooit ruzie?  Met wie moesten we trouwens anders ruzie maken? En waar wordt er dan al niet eens geduwd en getrokken? Misbruik heeft Hij gemaakt van dat ene moment. Na een slechte val en een gekloven wenkbrauw durven moord en brand schreeuwen en ons dood verklaren en verbannen, is toch om te vloeken. Zeker omdat het zelfs niet was voorgevallen zonder Zijn treiterig favoritisme. Ondertussen moesten wij als ballingen in die verre voorloper van de diaspora zien te overleven. We gingen schuil onder onze aliassen Caleb en Aron. In Nodmansland had toch geen kat Steinbeck gelezen. Gelukkig was er kozijn Elia, die ons daar ten oosten van Eden elk een filmrol aanbood. We konden ons vlot in onze rol inleven en voelden ons even James Dean. Met onze talenten en een handvol zilverlingen konden we weer verder. Wij trokken samen naar het Avondland. Eerst moesten we nog door een woestijn, maar eigenlijk leek ons – nu – alles beter dan voor eeuwig en nog wat langer achter schapenkonten te lopen, zoals neef Gavino Ledda voor ZIJN Padre. Ginds in het verre westen maken de kleren de man en maakt de man de kleren. Het merkteken dat wij als stigma van onze Heer en Meester hadden meegekregen werd onze geuzennaam. C&A. The store and the story of Cain and Abel. Kledingwinkelketen C&A maakten wij tot een hemelsbreed succes. Nu waren wij én idolen én bloedbroeders. De beweerde afgunstige eerzucht, het veelbeschreven onontkoombare Fatum, en zelfs de Almachtige profetieën hadden we bezworen. Of werden de geschriften pseudo postuum bewaarheid toen de Chinese kledingmarkt werd veroverd door Abelclombie? hybris

hybris
0 0