Lezen

O.T. & Fitch

“De grond die u bewerkt zal niets meer opbrengen: een zwerver en een vagebond zult u zijn op de aarde” Dergelijke zwaarwichtige Bijbelse frase was onze Godfather Clombie op zijn zelfverklaard Pantocrator-lijf geschreven. Als waren we lijfeigenen hadden wij Zijn land bewerkt, hadden wij Zijn veestapel uitgebouwd. Tijdens ons offeren droomden we soms van een leven als de verkwistende verloren zoon. En plots: een historische jobstijding, in maar één gebenedijd woord: EXODUS ! Verbannen van onze gronden, en dan nog wel naar een achterlijk goj-gat als Nod, begot. We vernamen pas wat er ons in de sandalen was geschoven toen we in die buurt zwartwerk deden bij een optreden van Genesis. We stonden te boek als waren we een tweede erfzonde.. Zo'n danteske vorm van desinformatie en diffamatie vindt snel een breed lezerspubliek. “Zij leven als Caïn en Abel” hoorden wij nadien alsmaar zeggen. Welke broers hebben er nooit ruzie?  Met wie moesten we trouwens anders ruzie maken? En waar wordt er dan al niet eens geduwd en getrokken? Misbruik heeft Hij gemaakt van dat ene moment. Na een slechte val en een gekloven wenkbrauw durven moord en brand schreeuwen en ons dood verklaren en verbannen, is toch om te vloeken. Zeker omdat het zelfs niet was voorgevallen zonder Zijn treiterig favoritisme. Ondertussen moesten wij als ballingen in die verre voorloper van de diaspora zien te overleven. We gingen schuil onder onze aliassen Caleb en Aron. In Nodmansland had toch geen kat Steinbeck gelezen. Gelukkig was er kozijn Elia, die ons daar ten oosten van Eden elk een filmrol aanbood. We konden ons vlot in onze rol inleven en voelden ons even James Dean. Met onze talenten en een handvol zilverlingen konden we weer verder. Wij trokken samen naar het Avondland. Eerst moesten we nog door een woestijn, maar eigenlijk leek ons – nu – alles beter dan voor eeuwig en nog wat langer achter schapenkonten te lopen, zoals neef Gavino Ledda voor ZIJN Padre. Ginds in het verre westen maken de kleren de man en maakt de man de kleren. Het merkteken dat wij als stigma van onze Heer en Meester hadden meegekregen werd onze geuzennaam. C&A. The store and the story of Cain and Abel. Kledingwinkelketen C&A maakten wij tot een hemelsbreed succes. Nu waren wij én idolen én bloedbroeders. De beweerde afgunstige eerzucht, het veelbeschreven onontkoombare Fatum, en zelfs de Almachtige profetieën hadden we bezworen. Of werden de geschriften pseudo postuum bewaarheid toen de Chinese kledingmarkt werd veroverd door Abelclombie? hybris

hybris
0 0

Canada

Inleiding   Op 11 oktober 1926 vertrok de Pennland II van rederij de Red Star Line aan de Rijnkaai in Antwerpen.  De reis ging  via Southampton naar Halifax in Canada. De om en bij twee duizend passagiers waren emigranten uit België, Duitsland, Oostenrijk, maar vooral uit Oost-Europa, Rusland, Polen en Hongarije. Onder de kleine honderd Vlamingen bevonden zich mijn grootouders die afkomstig waren van Kortrijk. In Canada vestigden ze zich in de township Sandwich nabij Windsor, een stad in het zuidwesten van de provincieOntario. In augustus 1931 kwamen ze voorgoed terug met mijn moeder, die toen negen maand oud was. Dit boek is geïnspireerd op wat mijn familie vertelde en op de getuigenissen van emigranten die ik vond in de talrijke bronnen die ik raadpleegde. Het verhaal is fictief. Mocht iemand zich herkennen in een van de personages, dan berust dit op toeval. Bertha laat de knopendoos in haar jaszak glijden. Ze kent de deukjes in het deksel. Blindelings vinden haar vingers de gezichten van het verkleurde koningspaar. Haar duim streelt langs de versleten gouden krullen. De kromme pootjes onderaan haken in de voering van haar jas. Plots voelt Bertha een kneepje in haar arm en ze ontwaakt uit haar dagdroom. Ze staat werkelijk aan de reling van een gigantisch schip. Naast haar neuriet Flor een vrolijk deuntje. Enthousiast als een kind wijst hij naar de matrozen die de loopbrug ophalen. Ze kijkt op naar zijn knap gezicht, zijn sterke hoekige kin, zijn metaalblauwe ogen. Haar man. Tien dagen geleden zijn ze getrouwd. Flor strijkt langs de rand van zijn nieuwe hoed en geeft haar een knipoog. Hij stuurt zijn fraaiste glimlach naar de wal en brengt een groet uit die veel weg heeft van een militair saluut. ‘Bertje,’ lacht hij, ‘eindelijk.’ ‘Ja,’ zucht Bertha. ‘Schat, je moet blij zijn vandaag. We zetten de eerste stap in ons groot avontuur. Er wacht ons een fantastische toekomst aan de overkant van de oceaan.’ ‘Als jij het zegt.’ ‘Ik ben er zeker van. Je weet toch wat nonkel Gust geschreven heeft. Hij woont daar nu vijf jaar en hij rijdt al met een automobiel.’ Bertha knikt dapper, maar heimelijk twijfelt ze aan de eerlijkheid van nonkel Gust. Misschien is hij een praatjesmaker, net als Flor’s stiefmoeder?  Bertha wil Flor graag geloven en ze forceert een glimlach. Ze legt een arm om zijn middel, maar tegelijk omklemt ze met haar rechterhand de blikken knopendoos in haar zak. Mama’s afscheidsgeschenk.   Moeder Stiene staat op de kade. Een nietig vrouwtje in de deinende mensenzee. Tussen de achterblijvers die glimlachen of huilen, knijpt zij haar mond stijf dicht in een rechte streep. Wellicht kan ze niet beslissen wat het beste is, denkt Bertha. Nooit eerder vertrok een van haar kinderen. Vader Kamiel is er niet. Hij kon geen dag verletten in de fabriek. Een typische uitleg, vindt Bertha. Wat hij niet goedkeurt, negeert hij. Zo is hij altijd geweest. Van haar broers en zussen nam ze gisteren afscheid. Er vloeiden tranen en er werden beloftes gedaan. Ze zouden schrijven. Lange brieven over alle lief en leed. De zakdoeken op de Antwerpse Rijnkaai wapperen. Ze klapwieken als witte duiven die nooit leerden vliegen. ‘Ga dan, ‘lijken ze te zeggen, ‘vertrek nu maar. De lucht is vrij en de zee is kalm.’ Familie en vrienden roepen voor de laatste keer de namen van hun geliefden en wuiven, wuiven. Bertha ziet dat de zakdoek van mama Stiene stil hangt in de lucht. Als een vlagje dat halfstok hangt, halfweg tussen vreugde en droefheid. Een doordringende stoomfluitkondigt de afvaart aan. Tot driemaal toe, hees en angstaanjagend luid. Bertha houdt haar handen voor haar oren. Er komt beweging in het schip. Zijn kolossale romp trilt en een gegrom stijgt op uit zijn ingewanden. De Pennland schudt zich vrij met een lichte deining. De passagiers houden even hun adem in. Het schip komt los van de kade. Er klinkt een uitgelaten gejoel. Ze vertrekken. Naar Canada. Het is 11 oktober 1926.   ***   Bertha ziet Antwerpen vervagen. De kade wordt een grijze vlek met één witte stip, daar  waar ze de zakdoek van mama vermoedt. Ze blijft ernaar staren, durft haar ogen niet te sluiten omdat ze bang is het beeld voorgoed te verliezen. De Pennland wordt de haven uit geloodst door twee sleepboten. Langzaam vorderen ze in de richting van de zee. Het water is niet blauw, zoals Bertha altijd dacht, maar eerder bruin. Als een vieze soep waar schuim op drijft. Ze huivert en denkt aan de drenkelingen van de Titanic, het luxeschip dat zonk omdat het tegen een ijsberg aanbotste. Bertha was een jaar of tien toen dit gebeurde. Ze herinnert zich nog de artikels in de krant. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, al die dode mensen in het water. Flor verzekerde haar dat dit nooit kan gebeuren met hun schip, omdat het gebouwd is volgens de modernste technieken. De enorme schoorstenen van het schip stoten zwarte rook uit. Roetdeeltjes dwarrelen neer over de reizigers. Bertha duikt in elkaar wanneer een vlucht meeuwen over het dek scheert. Een zwerm late trekvogels vat de reis aan naar het zuiden. Op dat vlak zijn beesten slimmer dan mensen, denkt ze. Ze wisselen van land  naargelang de seizoenen, maar altijd met het vooruitzicht te zullen terugkeren. Een voorrecht en een lot tegelijk. Ze vraagt zich af of zij Antwerpen ooit zal terugzien. De geluiden van de stad zijn verstomd. Bertha hoort enkel het  klotsen van de golven en de meeuwen die krijsend rondcirkelen. Ook mama Stiene’s stem is dun geworden. Haar laatste woorden blijven als een zwakke echo in Bertha’s hoofd hangen: ‘God zegene en beware u.’ Ze buigt zich over de reling om een laatste glimp op te vangen van de stad. Antwerpen schuift traag weg achter de eerste bocht in de stroom. De Schelde, leerde ze op school, is de deur van Vlaanderen naar de wereld. Wat er aan de overkant van de oceaan ligt, weet Bertha niet. Ze was dertien jaar, toen vader Kamiel op een middag voor de schoolpoort stond. ‘Kom mee, Bertha.’ ‘Waar gaan we naartoe?’ ‘Naar de fabriek.’ ‘Wat? Waarom?’ ‘Het wordt tijd dat je geld verdient. Je bent de oudste.’ ‘Maar papa, deze namiddag vertelt Soeur Remi over de Noordzee en…’  ‘Genoeg, Bertha.' Hij keek haar nors aan, met de blik die geen tegenspraak duldt. Op haar klompen klepperde ze gedwee verder en had moeite om hem bij te houden. Dit gebeurde enkele maanden voor de leerplicht tot veertien jaar werd ingevoerd. Bertha keerde niet meer terug naar de klas en leerde de weefgetouwen bedienen. Ze dacht niet meer aan stromen en zeeën. Een brutale fluitstoot is het signaal dat de Pennland het havengebied verlaat. Bertha’s vingers hebben zich krampachtig om de metalen reling geklemd. Met enige moeite wringt ze zich los. Ze draait zich om en zoekt Flor. Hij staat midden op het dek, druk gesticulerend in gesprek met een officier. Hij wenkt haar. Bertha doet een stap voorwaarts, maar staakt onmiddellijk het voornemen naar hem toe te gaan. Ontzet stelt ze vast dat de plankenvloer beweegt. Niet hevig, maar toch voldoende om haar duizelig te maken. Lieve God, denkt ze, hoe zal het zijn als we in volle zee varen? Angstig keert ze terug naar haar plekje bij de reling.       Het schip vaart nu midden op de stroom. Bertha ziet hoe de Schelde steeds breder wordt. Daarmee vergroot ook de deining. Bertha plant haar voeten stevig neer. Zo’n dertig centimeter uit elkaar, zodat ze in evenwicht blijft. Verder schijnt niemand zich de beweging van het schip aan te trekken. Er komt een rust over de passagiers. De meesten zoeken hun kajuit op, sommigen gaan op de grond zitten en nemen wat eten uit hun knapzak. Anderen, de bangeriken vermoedt Bertha, blijven net als zij bij de reling staan. Bertha haalt de knopendoos uit haar jaszak. Ze opent het deksel en schudt de knopen zachtjes dooreen. Ze glijden tinkelend over elkaar. Dat ben ik, denkt Bertha, het parelmoeren knoopje. Wit en glad gepolijst. Vandaag vertrek ik naar Canada. En dat is mama, de donkerblauwe knoop bekleed met zacht fluweel die in een hoekje gedrumd wordt. Straks neemt ze de trein terug naar huis. Zie ik je ooit terug, mama? Bertha wil niet toegeven aan de tranen die haar zicht vertroebelen en ze duwt haar neus in een zakdoek. *** Bertha gaat zitten op het dek en drapeert haar jas over haar benen want het wordt frisser. Onder de jas draagt ze haar trouwjurk. Ze voelt zich onwennig in het zwarte satijn. ‘Kan ik niet beter een gewone rok en bloeze aantrekken?’ vroeg ze aan mama toen ze samen haar spullen inpakten. ‘Neen kind, je vertrekt naar de Nieuwe Wereld en dat doe je best in je mooiste kleren. Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Gisteren vond ze dat mama gelijk had, nu is ze daar niet meer zo zeker van. De wind rukt aan Bertha’s krullen. Ze waaieren uit in een donkerbruin aureool. Veilig op de grond tegen de reling aangedrukt, durft ze nu wat rond te kijken. Hier en daar staan of zitten groepjes passagiers. Overal liggen tassen, valiezen en uitpuilende zakken. Ze ziet bonte hoofddoeken, met pluimen versierde hoeden en over de planken slepende rokken. Petten met lederen kleppen en astrakan mutsen, jassen van geitenvellen en klederdrachten die ze niet kan thuisbrengen. Die ochtend zag ze in het station van Antwerpen in het zwart geklede mannen met lange pijpenkrullen. Joden, zei iemand en hij haalde daarbij smalend zijn neus op. Ze begreep het niet. Naast hun perron had de trein uit Keulen een allegaartje van Oost-Europeanen aangevoerd. Polen, Russen en Hongaren met afgetrapte schoenen en smerige laarzen. Hun kleren waren met lappen versteld. In geknoopte lakens sjouwden ze hun bezittingen mee op hun rug. Bertha las de vermoeidheid en ontbering in hun donkere ogen. De kinderen klampten zich angstig vast aan hun moeders. Ze hoorde dat velen al weken onderweg waren. De hele stoet van emigranten had zich in beweging gezet onder de stalen koepel van het station. Het helse rumoer werd nu en dan overstemd door een holle stem uit een luidspreker. Onderaan de marmeren trappen werden ze in de grote hal aangeklampt door geldwisselaars. ‘Niet op ingaan,’ zei Flor en hij spoorde haar en mama aan snel naar de uitgang te gaan. ‘Nonkel Gust heeft zich hier laten rollen toen hij naar Canada vertrok.’ De tocht ging verder door het centrum van Antwerpen in de richting van de kaaien. Onderweg sloten honderden landverhuizers zich bij de groep aan. De meesten hadden de nacht doorgebracht in een van de talrijke migrantenhotels. Aan de Rijnkaai zagen ze hun schip liggen. Als een reusachtig monster werd het gevoed met een constante stroom van goederen en levenswaren. Ze waren er stil van geworden. Uit Bertha’s jas stijgt een zwakke geur op. Dit is trouwens het aroma dat om alle emigranten en hun bagage hangt. Het is afkomstig van het goedje waarmee hun kleren gedesinfecteerd werden. In het gebouw van de Red Star Line aan de Rijnkaai, hadden ze in lange rijen hun beurt afgewacht. In de ontsmettingsruimte moesten ze hun bagage achterlaten. Enorme stoomketels stonden langs de muur opgesteld. Mannen en vrouwen werden vervolgens in aparte lijnen verder geleid. De moeders hielden de kleinste kinderen bij zich. De wasbeurt en controle was enkel voor de passagiers van de derde klasse, waartoe ook Flor en Bertha behoorden. Ze kwamen in een lange gang ondersteund door cementen palen, met aan de rechterkant een twintigtal granieten douchecabines. Toen zij aan de beurt was, kleedde Bertha zich uit en stak haar kleren in een zak met een nummer op. 1253. Haar paspoort legde ze op een apart plankje. Juwelen droeg ze niet en haar trouwring hield ze toch liever om.  Bertha zag hoe het personeel van de rederij de zakken met kleren ophaalde. Ze liet zich vertellen dat ze besproeid werden met ontsmettingsmiddelen, benzeen en azijn. Daarna werd alles in grote drukketels onder stoom gesteriliseerd. Glimlachend dacht Bertha aan de princessenbonen en augurkjes die moeder Stiene oplegde. Net als de andere emigranten zeepte Bertha zich grondig in met het stuk zeep dat ze kregen. Nog nooit eerder had ze een douche genomen. Voorzichtig stak ze haar rechterbeen vooruit en voelde het hete water. Ze hoorde meisjes giechelend plenzen en dat gaf haar moed. Ze liet de straal kletsend op haar schouderbladen neerkomen. De douche duurde wel een uur. Net zo langs als nodig was om de kleren te desinfecteren. Bertha haalde opgelucht adem toen ze zag dat haar jurk geen noemenswaardige schade had opgelopen. Schoon en van alle mogelijk bacillen verlost, schoof ze aan bij de dokter op de eerste verdieping. Een verpleegster verplichtte de vrouwen zich tot hun middel uit te kleden. Bertha voelde zich daar ongemakkelijk bij. Sommige vrouwen werden heel zenuwachtig en begonnen zelfs te huilen.  Een Canadese arts met een puntbaardje beluisterde Bertha’s longen en hart en klopte op haar ruggengraat. Hij scheen met een lichtje in haar ogen. Er volgde een goedkeurend knikje en hij drukte een stempel op haar medische kaart. ‘Nekst,’ verstond Bertha en ze realiseerde zich dat het de eerste keer was dat ze Engels hoorde. Toen Bertha opgelucht het kabinet verliet zag ze hoe een krijsende vrouw en een kleine jongen onder zachte dwang naar buiten geleid werden. ‘Alstublief dokter!’ schreeuwde de vrouw hysterisch. ‘Ik kan mijn zoontje van tien hier toch niet alleen achterlaten.’ ‘Uw zoon heeft een ooginfectie, mevrouw. Het spijt me,’ zei de dokter droogweg. De moeder klemde de jongen tegen zich aan. ‘Kunt u geen uitzondering maken? Alstublief! Ik smeek u dokter.’ De dokter schudde zijn hoofd. ‘Instructies van Canada.’ Voor veel migranten betekende zo’n afkeuring het einde van hun droom. Onherroepelijk werden ze terug gestuurd. Eén stempel te weinig en een familie werd uiteengerukt. Bertha kreeg nog kippenvel als ze dacht aan het hartverscheurende tafereel. Enkele kinderen spelen aan dek een hinkelspelletje. Ze zingen er een versje bij. Bertha begrijpt niets van hun taal, maar herkent er het liedje in dat zij en haar zussen ook zongen toen ze speelden op de binnenkoer van hun beluik. ***

Mieke Vandromme
0 0

postzegels kussen niet

In mijn winkel waar ik kind aan huis ben staat een jongen zijn laatste oudejaarsboodschappen in te pakken. Zijn ietwat lange blonde haren zwaait hij met een vloeiende hand fijn achter zijn oor. De gedachte om een oudejaarslief te hebben flitst doorheen mijn hoofd. Ik voel dat mijn energie verandert, mijn ogen staan scherp en mijn lichaam voelt warm. Zou dit de verrassing zijn voor het nieuwe jaar? zou ik hem ooit nog terug zien? Hij rekent af, stopt alles keurig in zijn ecologische zak, haalt zijn bankkaart uit en vraagt aan de verkoopster of ze ook postzegels verkopen. Ik kijk hem al heel de tijd smeltend aan en denk even bij mezelf "wie stelt nu zo'n vraag". Precies of die vraag uit de lucht kwam vallen als cupido die zijn pijlen afschiet. Een aardbeving of een uitbarstende vulkaan in mijzelf schiet wakker... "wakker worden Tom", wakker worden Tom, dit is het moment"... Dit is een speciaal moment... Plots geeft mijn intuïtie aan om het moment te grijpen... Ik haal mijn portemonnee boven, verbreek alle tijdsrecords in het open doen van mijn portemonnee en zeg heel trots en met een brede glimlach: "ik heb vier postzegels, als je wil, mag je ze hebben...!" Hij kijkt mij lachend en enthousiast aan. Ik wou hem innig zoenen, mijn postzegels op hem kleven, zijn lichaam knuffelen en hem welkom heten. Hij keek mij betoverend aan en de kassierster tikte mijn spullen en keek met zachte ogen. De kassierster zat en genoot van het moment, zoals die af en toe te zien zijn in een romantische film. De jongen vroeg of ik altijd postzegels bij me had, waarop ik zei dat ik altijd laat ben met het versturen van nieuwjaarskaartjes. Hij vond het lief, wenste mij een fijn oudejaar... Hij stapte de winkel weg, ik rekende af, keek nog even om het hoekje. Zijn schaduw was verdwenen, maar het moment blijft eventjes bij me om te koesteren... wat wil ik hem terug zien... Ik wilt weten hoe hij heet... Wat bij elkaar hoort komt ooit wel samen...

Tom Tanghe
0 1

snippers vliegen ademloos

Aangestrand aan zee had ik nog geen enkele idee hoe die dag mij zo zou verrassen in het hier en nu, plots uit het niets aan het wateroppervlak... Ik trappelde aan en zag twee gebouwde piramides met ietsje verderop twee zandkuilen om lekker in te zitten... Daar ging ik dan ook in zitten met zicht op de zee, zon en piramides... Na wat schrijven was het tijd om los te laten... Snippers verscheurde gerecycleerde papiertjes kleurden blauwe inktvlekken opgenomen door de kracht van het water... tijd om nog iets los te laten... en de wind blies ze als confetti de golven in... Verder lezend in mijn dagboek keek ik starend voor mij uit... Plots zag ik iets dichtbij boven water komen... Het was zwart, bruin en rond... Dat kan toch geen zwemmende mens zijn, dacht ik... nu nog? Ik leunde voorover en plots sprongen mijn ogen er bijna uit... Is dit echt... is dit een zeehond... ik sprong uit mijn zitkuil en rende naar de zee... "Waauw, het is een zeehond"... "ongeloofelijk"... "fototoestel"... Ik rende, strompelde omhoog nam mijn fototoestel en rolde bijna van haast over mijn voeten terug... "Zo verwonderd was ik nog nooit geweest... Nu, hier, op dit moment in oog staan met een zwemmende zeehond... Ik zag hem dichterbij, zijn snorharen, zijn grote bruine sproeten op zijn zwarte glimmende kop... Dit was een moment om altijd te koesteren... Meermaals toonde hij zijn snoet en ging onder... We keken elkaar in de blik en raakten elkaars ziel... we waren verbonden... Eventjes dacht ik om in het water naar hem toe te zwemmen... Was hij uitgeput? Wat bracht hem op dit moment tot mij? Zal ik hem helpen? Ik liep stroomwaarts mee waar de golven hem brachten... Wat wou ik dat hij even aan land kwam zodat ik hem kon knuffelen... Wat een wonder openbaart zich hier... Ik begon luidop te chanten als een oude indiaan sjamaan en zong dat hij veilig terug zijn weg naar huis mocht vinden... Zo alleen van zijn pad afgeraakt in die wijde grootse zee... Tranen van emoties kwamen even aan de oppervlakte door dit pure, prachtige natuurlijke wezen die zomaar uit het niets zijn weg tot bij mij had gevonden... Misschien even twee eenzame zielen even de weg aan het zoeken... Bij het voelen was dit een mooie oefening in het los laten, waar ik daarvoor mee versnipperd was... Ik volgde nog even de zeehond en toen keerde ik zingend naar mijn zitput... Ik wenste zeehond een veilige reis, keek nog even diep in zijn ogen en zong een lied voor hem... Ik keek nog even achterom en liet zeehond los... Goede reis zeehond en kom veilig thuis, kom veilig thuis...

Tom Tanghe
0 0

De toeschouwer

Wat voorovergebogen zit hij op de koude tegels. Zijn schouders hangen vooruit, zijn hoofd wat scheef op zijn nek. De enige beweging die hij maakt is het ongecontroleerd en onregelmatig tikken met zijn hand op de vloer naast zich. Achter hem klinkt kindermuziek op een tv waarnaar niet wordt gekeken. Hij staart peinzend de andere kant op. Aan zijn gezicht is niet af te lezen waaraan hij denkt. De dag die voorbij is, de maaltijd die moet komen... Zijn linkerschoen ligt rechts, buiten handbereik, nat door zijn speeksel. Hij draagt een broek vol vlekken met afgesleten stof aan de knieën. Zijn shirt is te groot, zijn mouwloze vest erover tot boven dichtgeknoopt. Tussen zijn benen liggen de sleutels die hij net liet vallen. Hij grijpt die sleutels met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter zijn lichaam ondersteunt. Hij krijgt zijn vingers niet onder controle en wanneer hij zijn hand met een ruk opheft schuift de sleutelring van zijn wijsvinger weer de grond op met een schelle plof. Opnieuw. Hij grijpt -met al zijn vingers nu- en heeft beet met ringvinger en pink. Wanneer hij de sleutelring van de grond opheft herhaalt zich op vijf centimeter hoogte het scenario. Zijn blik is vastberaden nu, alle aandacht gaat naar het metaal op de vloer voor hem. Hij haalt uit, grijpt, triomfeert. De sleutels worden op zijn uitgestrekte been gelegd. Even blijven ze daar, balancerend, tot ze er aan de andere kant weer afschuiven. Ze houden nog even zijn aandacht vast, maar hij lijkt zijn focus nu te verplaatsen naar een voorwerp dat verder ligt. Hij draait zijn hoofd om beter te kijken en toont zo de sporen die vingernagels achterlieten in zijn gezicht. Hij wil opstaan. Zijn hand grijpt de rand van de zetel naast zich en traag brengt hij zijn gewicht naar zijn rechterbil. Hij grijpt ook met zijn tweede hand de zetel vast en trekt zich langzaam, voorzichtig, op tot op zijn knieën. Twijfelend, onstabiel plaatst hij zijn eerst voet plat op de grond, zijn tweede volgt, de zetel biedt nog steeds ondersteuning, maar hij draait zich om, zijn blik in de richting van het voorwerp dat verder op de grond ligt. Zijn handen laten los en hangen naast zijn lichaam, hij steunt met zijn bil tegen de zetel. Hij zet een voet in de juiste richting, stabiliseert en laat een tweede volgen. Zijn evenwicht lijkt gevonden, maar na een derde onzekere stap op de rand van zijn voet gaat het mis. Hij valt voorover maar kan zijn armen niet tijdig plaatsen waardoor zijn neus de grond raakt. Een schreeuw volgt en tranen van frustratie. Hij zet zijn ellebogen. De tenen in de voet mét schoen vinden de grond en razendsnel drukt hij zich af. In geen tijd bereikt hij de gsm en drukt zich op tot op hij op zijn knieën zit. Hij slaat met een hand naar de gekleurde knoppen. Willekeurig, want de cijfers kan hij niet plaatsen. Er klinken mechanische tonen, dan is het weer stil. Een schaterlach. Hij grijpt opnieuw, maar zijn tere hand kan het toestel niet houden. Ook de telefoon valt hard op de stenen grond. Vanop zijn knieën zet hij zijn handen voor zich en duwt zijn voeten en kuiten recht totdat hij als een vreemde brug op de vloer staat. Als een trage acrobaat laat hij zijn handen los en richt zijn lichaam op. Een stap, twee stappen, drie stappen. En hij laat zich vallen. Vooruit, in mijn armen. Weer die schaterlach. Wat doet hij dat goed. Mijn ventje wordt een jaar volgende week.

Carolyn Krekels
3 0

Treinenbrij

Treinenbrij   Een ochtend zoals alle anderen. Of toch weer niet. Noodgedwongen kan ik die dag geen beroep doen op m’n vierwielige motorische vriend. Als alternatief kies ik voor de beleving van een ‘comfortabele’ treincoupé.   En daar zit je dan, te midden van honderden pendelende lotgenoten. Gezellig en comfortabel is het niet echt. Eerder het gevoel van een sardientje in een blikje; zonder de zonnebloemolie gelukkig. Ik mis m’n eigen comfortzone, “het geluid” van Q-Music op de autoradio, het feit ook van niet ongemerkt in m’n neus te kunnen peuteren.   Verrassend hoe dan plots een bekende kop naast mij komt zitten. Een collega-filerijder die anders, net als ik, het asfalt van de E19 noodgedwongen aan een minutieus onderzoek onderwerpt; bij voorkeur ergens ter hoogte van Mechelen-Noord. “Hé, leuk om jou ook eens niet van je achterkant te leren kennen”, grapt de man mij toe. “Jij moet mijn filetrotserende kompaan zijn, elke ochtend tussen Leuven en Antwerpen” repliceer ik, hem daarbij de hand schuddend. “Klopt”, zegt m’n gesprekspartner, “mijn vrouw had vandaag de auto nodig, vandaar dat ik maar eens het openbaar vervoer probeer”. “De mijne moest op groot onderhoud; euh… niet m’n vrouw… de wagen bedoel ik”, stamel ik voor me uit. “Vandaar ook mijn keuze voor de trein”.   Na een onderhoudende koetjes-en-kalfjesconversatie sporen we Antwerpen-station binnen. Bijna ongemerkt vervolgen we daarna, samen verderstappend, onze weg doorheen een paar drukke straten van de Antwerpse metropool. “Zeg, waar werk jij eigenlijk?” vraagt m’n compagnon de route. “Wel daar”, wijs ik met m’n vinger in de richting van een reusachtige architecturale creatie, “bij die Telecom-mastodont”. “Je meent het niet”, lacht m’n wandelende metgezel. “Dan zijn wij verdorie collega’s!”   En zo stapten we samen de draaideur van onze werkgever binnen. Twee mensen die een gezamenlijke treinreis nodig hadden om uiteindelijk tot het besef te komen dat ze werkmakkers zijn. Dat heb je met die mammoetmaatschappijen en hun ontelbare subafdelingen. En hun ideaal van groot, grootser, grootst. Collega’s worden pionnetjes op een dambord; een dambord zo groot als een voetbalveld.   Diezelfde avond stonden we bij het invallen van de duisternis terug op het perron te wachten op een trein die ons huiswaarts zou rijden. Tot een mechanisch klinkende stem door de luidsprekers galmde met het bericht: “als gevolg van een spontane actie van het spoorwegpersoneel, moeten wij onze reizigers spijtig genoeg meedelen dat alle treinverkeer opgeschort is tot 06u00 morgenvroeg. Wij hopen op uw begrip en wensen u desondanks nog een prettige avond”.   Waarop mijn collega en ikzelf vertwijfeld naar het stationsbuffet slenterden en er twee pintjes bestelden. Tussen een paar slokken door belde m’n maat zijn vrouw, om haar van deze transportproblemen op de hoogte te brengen. Mevrouw zou meteen de auto inspringen met bestemming Antwerpen en daar twee ‘treinreizigers-voor-één-dag’ uit hun lijden komen verlossen.   Een treinreis: mogelijke bron van nieuw sociaal contact. Af en toe, misschien, is de trein ook een heel klein beetje reizen. Maar vaak, te vaak, reist men… helemaal niet.  

Danny Wouters
0 0

FONS

       Met een welgemikte vingerknip vliegt zijn sigaret tussen de rondpikkende duiven. Even stuiven ze verschrikt op, maar ze kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen. De stoutste pikt herhaaldelijk naar de peuk, maar de rook die in haar oogjes kringelt, doet haar telkens weer terugdeinzen. De vrouw die naast hem op de bank zit, beloont hem met een vuile blik, schudt nog wat kruimels uit de verfrommelde broodzak en probeert met wat luide kusjesgeluiden de aandacht van die grijze pleinbeesten af te dwingen. Hij schat haar zo rond de zestig. Ze doet hem aan zijn eigen moeder denken. Even oud, even dik en even onnozel, vindt hij.   Fons moet aan de tijd denken dat hij met haar de eendjes ging voederen in het stadspark. Vroeger, ja, dan kon dat nog. Andere tijden en zo. Hij mocht toen zelfs – zoals de meeste andere kinderen uit zijn klas – een hamstertje houden. Hij was amper acht jaar oud maar verzorgde zijn lief diertje goed. Het was een aanhankelijk beestje: terwijl hij zijn huiswerk maakte, zat Mieke altijd op zijn schouder, tegen zijn hals aangevleid. Die belangeloze vriendschap kwam echter bruusk ten einde bij het begin van de volgende paasvakantie wanneer zijn moeder zei: ‘Fonske,’ want zo heette hij toen nog, ‘jij mag morgen voor een weekje naar Blankenberge bij tante Maria en nonkel Jef. Maar je moet wel Mieke haar vrijheid teruggeven, want ik kan er niet voor zorgen en jij kunt ze ook niet meenemen naar zee. Laat dat ratje’ – ja, dat had ze echt zo gezegd! – ‘maar los in de tuin van de villa op het einde van de straat.’ ‘En die poezen dan? Zullen die Mieke niet opeten?’ ‘Maar nee Fonske, Mieke is vinnig en zal zich wel snel ingraven; en trouwens, katten lusten geen hamsters,’ had zijn moeder troostend gezegd. Even herbeleeft Fons hoe hij toen met Mieke in zijn hand, veilig onder zijn jas tegen zijn hart gekneld, naar de villa snelde. Hij herinnert zich nog levendig hoe hij het diertje nog een dikke zoen op het hoofdje gaf, om het dan, met zijn arm tot aan de schouder door het tuinhek, zo ver hij kon de tuin in te zwieren. Mieke kwam op haar pootjes in het gras terecht, keek schichtig om zich heen, dribbelde wat besluiteloos rond om uiteindelijk iets verderop onder een struik te verdwijnen. Hij bleef nog ruim een kwartier aan het hek staan, maar Mieke kwam niet meer te voorschijn. Fons weet nog dat hij voor het eerst echt verdriet voelde. En schuld. En onmacht. Daarna rende hij als een gek naar huis, denderde boos de trap op en lag urenlang op bed te snikken. Hij is het nooit vergeten. Hij heeft het haar nooit vergeven.   ‘Wettegaddatvoeieren van die vieze rotbeesten strafbaar is, madammeke?’ zegt Fons terwijl hij moeizaam zijn vette lijf omhoog dwingt. ‘Da kan tweehonderd vijftig euro kosten als ze dat zien!’, voegt hij er zuchtend aan toe. Zonder zich verder om het venijnige commentaar te bekommeren, loopt hij dwars door de luid protesterende kudde roekoekende ziekteverwekkers en slentert verder de Groenplaats over, richting post­gebouw. Bij de sokkel van Pieter Paul zitten twee gasten luid te lallen met een Cara-pils in de hand. Aan hun voeten liggen een grote zwarte en een schurftige bruine hond tussen de verkreukelde bierblikjes. Fons staat even stil, steekt een nieuwe sigaret op en bedenkt dat hij eigenlijk ook wel van dieren houdt, hoewel hij er zelf geen meer heeft. Een kat, zo’n eigenwijs, onbetrouwbaar beest, neen da’s niks voor hem, maar hij heeft wel ooit een hond gehad, Bullshit, een lieve en aanhankelijke zwarte straathond. Maar die is reeds na twee maanden weggelopen. Nooit meer teruggezien. Vorig jaar dan maar een aquarium: vissen kunnen niet lopen, blaffen niet en bijten niets kapot. Guppen zijn gemakkelijk te houden en te kweken vertelde de verkoper. Eén mannetje en vier wijfjes, want het is zoiets als een haan en kippen. Het is een genetisch experiment geworden. Een namaakbiotoop waarin kindjes met kindjes, zoontjes met moeders, vaders met kleinkinderen en achterkleindochters met overgrootvaders naar hartenlust vadertje en moedertje konden spelen. Dat deze halsstarrigheid inteelde tot kromme ruggen, bizarre kleuren en lichaamsverhoudingen en hier en daar zelfs tot ontbrekende vinnen en ogen, hoeft niemand te verbazen. Een goede maand geleden brak er een ziekte uit in dit overbevolkte tropische genenlab, met een massale vissterfte tot gevolg. Gisteren heeft hij bij wijze van galgenmaal, verse levende tubifex – een trosje wriemelende wormpjes, net levende rijstmie, maar dan zwart – gekocht. Het was een waardig afscheidsdiner voor de zesentwintig overblijvende gedrochtjes. Gisterenavond nog gaf hij hen de vrijheid terug en spoelde het toilet door.   Bij de kiosk aangekomen peutert Fons een laatste kromme sigaret uit zijn verkreukeld pakje Gauloises en gaat op de hoogste trede van de toegangstrap zitten. Zijn aansteker laat het afweten. Hij loopt het trapje weer af en vraagt een vuurtje aan een taxichauffeur die iets verderop naast zijn vehikel staat te roken. De vrouw die net een friet uit een puntzak grist kijkt even op als hij voorbij komt. Zonder erbij na te denken zegt hij: ‘mm, lekker he?’     De rosse deerne reikt hem het pak aan: ‘eentje proeven?’       Hij kijkt haar aan, neemt een frietje uit het pak, geeft haar nog een knipoog en gaat terug op het trapje zitten. Dat smaakt. Fons kijkt over de Groenplaats hoe de kathedraaltoren in de late lentezon met schaduwen speelt en trekt peinzend aan zijn sigaret. Dan laat hij de rook zachtjes uit zijn mond ontsnappen en ademt hem weer langs zijn neus in en mijmert: ‘Godverdomme, wat een waanzinnige dag is dit toch!’   ***   Alphonse Knaepkens werd die ochtend wakker met de gedachte ‘vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven!’ Hij had ergens gelezen dat iemand dit eerder had gedacht en daardoor zijn leven anders was gaan invullen. Dat leek hem wel wat. Hij was ten slotte bijna veertig en het werd hoogtijd om uit de spiraal van uitzichtloze moedeloosheid te kruipen. Met gulzige goesting probeerde hij om zijn ouwe ‘ik’ nieuw leven in te blazen. Hij begon met de volgorde van zijn ontwaakritueel om te gooien. Eerst spoelde hij de slaap en de ochtenderectie weg onder de warme douche en pas daarna ging hij op de pot zitten om jawel, zittend te plassen in plaats van die eerste moedwillige ochtendstraal het porselein in te mikken. Daarna zette hij koffie, ontbeet en poetste dan pas zijn tanden. Opgewekt stapte hij dan de kouwe grauwe ochtendmist in, op weg naar de snoepfabriek. Aan de halte van lijn 7 nam hij de tram. Hij vond een vrije zitplaats naast een meer dan volslanke vrouw met grote blonde krullen en bolle roze kaken. Wel ja, vrij… Haar zitvlak vulde meer dan de helft van de bank en zijn billen waren zeker niet smaller. Hij perste zich naast haar. Hij voelde de warmte van haar volle dijen doorheen de stof van zijn flanellen joggingbroek en een zoete gloed in zijn onderbuik. Fons overwon zijn verlegenheid en zei bijna fluisterend: ‘Sorry mammezelleke, ’t is hier wat krap hé!’ ‘Ik vind dat niet erg hoor, da’s lekker warm!’ antwoordde ze glimlachend. Hij keek recht in haar bruine ogen en haar bolle lippen waren zo ongelooflijk dichtbij, dat een opkomende angst elke volgende stap in de weg stond. Een paar haltes verder verwarde ze hem nog meer toen ze met hese stem in zijn oor fluisterde: ‘Mijn naam is Rosie en ik neem elke dag deze tram. Misschien tot nog eens?’ De aarzelend aangebrachte zwarte schmink rond haar zaadvragende ogen wekte bij Fons een gevoel van ongebreidelde wellust op, maar zoals steeds, stopte hij dat snel heel ver weg. Hij glimlachte ietwat verlegen. De Fons zat op zijn hoge stoel te staren naar de ‘Purple Parade’, zoals hij dat smalend benoemde en vroeg zich voor het eerst af wat hij hier in feite zat te doen. De lopende band kwam uit de muur links van hem. Aan zijn rechterhand verdween die weer in een metalen bak tegen een andere muur. Rijen purperen tjoepkes passeerden de godganse dag de revue. De cuberdons kwamen uit het ‘démoulage’-atelier ernaast en met een soort speciale kam zette hij de mauve kegels netjes in rijen van acht, mooi uitgelijnd, anders liep de verpakkingsmachine vast. Dat was zijn welomschreven taak. Hele dagen lang. Al bijna twintig jaar lang zag hij die frambozenneuzen op de band voorbijschuiven. Ik heb het echt wel gehad, nu!, dacht hij verveeld. Hij overliep zijn eerste stappen in het arbeidscircuit. Zijn moeder vertelde hem op zijn veertiende dat zijn vader – die hij overigens nooit zag – de laatste tijd geen alimentatie meer betaalde. Hij zou daarom mee voor het huishouden zorgen, op school zitten kost alleen maar geld en dat hebben we niet. Hij kon meteen op leercontract beginnen bij de bakkerij om de hoek en kneedde daar een paar jaar deegklompen tot broden totdat de bloem hem een zware allergie bezorgde. De baas vond dat hij Fonske met die etterende puisten op zijn armen maar beter ver van zijn brood kon houden en besloot om zijn leercontract stop te zetten. Fonske vond dan werk als metsersgast, hij was al zestien toen, totdat hij op een dag met een pak bakstenen boven op een stelling zijn evenwicht verloor en zich nog maar net aan een metalen balk kon vastklampen. Terwijl hij daar twee verdiepingen hoog aan een reling zat te bengelen, volgden de bakstenen de wetten van Newton en kwamen terecht midden in een kinderwagen met een jankende tweeling die daar net voorbij geduwd werd. Fonske kon zich met moeite terug op de stelling hijsen, de tweeling zou eeuwig zwijgen en hij zat weer zonder baan.         En nog eens acht cuberdons en nog eens acht en nog … Met een glimlach herinnert hij zich hoe hij kort daarna - als aanstormende twintiger - roadie was geweest van The Pigs, een Antwerpse punkgroep. Dát was nog eens een prachtige tijd! Fonzie - zoals ze hem daar toen noemden, naar Happy Days, die Amerikaanse successerie met Henry Winkler en Ron Howard - moest de vrachtwagen met geluidsapparatuur mee helpen uitladen. Tijdens de concerten zelf had hij verder weinig om handen en zo kwam het dat hij gretig hapte als de bakvisgroupies met hem aanpapten. Omdat hij degene was die de aandacht kreeg en zelf niet de eerste stap moest zetten, beleefde hij gouden tijden. De giecheltrienen hadden er alles voor over om straks mee backstage te kunnen: hij kon in hun borsten en billen knijpen, zijn handen bezochten al hun geheime plekjes, ze lieten zich in de bloezen kijken, eentje deed hem zelfs binnen achter de geluidstoren terwijl de bassen in zijn nieren beukten. Maar er waren strenge instructies: hij mocht de kleedkamers niet in en mocht niemand doorlaten achter het podium. Nadat de vrachtwagen weer ingeladen was, waren de groupies weg, waarschijnlijk met de bassist of de geluidsman. Vijf maanden lang, een heuse wereldtournee, dwars doorheen het Vlaamse land! Fonzie voelde zich onwaarschijnlijk belangrijk. En dan splitte de groep, alle optredens werden afgezegd en Fonzie werd weer gewoon de Fons… ‘Alphonse! Je bent aan het slapen, man!’ Nu hoorde hij het alarm ook. Biep, biep, biep…  ‘Ja, sorry’ mompelde hij, ‘ik was er even niet bij met mijn gedachten.’ Het was Gilberte, de preutse toezichtster, die hem berispte omdat zijn aandacht verslapt was en hij de machine gevoed had met een paar slordige rijen rotcuberdons. Ook vorige week was dat meermaals gebeurd.        ‘Beschouw dit maar als een serieuze reprimande, Knaepkens!’ Hij kon er zijn aandacht niet meer bij houden. Het was op de duur zo afstompend en zenuwslopend, hij had er gewoon zijn buik van vol, hij kon ze niet meer zien die cuberdinges. ‘Reken maar dat dit de laatste verwittiging was; ik kan je slordigheid niet langer accepteren!’, beet ze nog na met haar bekakt Noord-Hollands accent. Nu werd het Fons echt teveel, hij voelde het bloed opstuwen in zijn slapen, een koude tinteling verlamde zijn handen, hij probeerde nog de volgende rij purperneuzen vlak voor de metalen ingang uit te lijnen, maar te laat: de volgende lading mauvelingen drongen zich ondertussen ook al op waardoor het hele verpakkingsproces in de soep draaide. De machine biepte driemaal en de lopende band viel stil. ‘Godverdomme, stom wijf,’ brulde hij, ‘ge maakt me orendul!’ Met een breed gebaar veegde hij alle cuberdons van de band, stond recht en riep ‘ik ben het kots, kotsbeu! Hier, doe het zelf!’ Hij gaf zijn stoel een ferme duw waardoor die omverviel, draaide zich om en liep naar buiten. Hij hoorde het spichtige scharminkel nog krassend krijsen dat hij niet meer hoefde terug te komen en dat hij morgen ‘zijn sjevier’ mocht ophalen. Opgewonden bleef hij even op stoep staan, zijn lederen jas in de hand. Het was bijna elf uur en zijn werkdag zat er al op, …en zijn baan ook! Hij merkte hoe opgelucht hij zich eigenlijk voelde. Eindelijk!   Fons was al kuierend het park aan de Brilschans ingewandeld en zat daar wat op een bank aan de vijver. Hij keek hoe eendjes opgeschrikt werden door een dartele uitzinnig blaffende hond. Hij stak een Gauloises op en zoog de rook diep in zijn longen. Met een diepe zucht blies hij de rook uit in de helderblauwe lucht en genoot van de warmte van de zon op zijn gezicht. Hij zou morgen of zo wel wat rond horen voor ander werk, maar vandaag zou hij nog wat genieten van zijn vrijheid, zie. Zijn moeder woonde wat verderop aan de Groenen Hoek. Hij zag haar eigenlijk niet zo graag, maar het was toch al sinds Kerstmis geleden dat hij daar nog geweest was. Fons woonde nog bij zijn moeder toen hij negentien jaar geleden bij de confiserie werd aangenomen. Het was uit gewoonte en het was goedkoop. Hij had geen vrienden, ging niet uit, maakte moeilijk contact met anderen en al zeker niet met meisjes. Niet dat hij bang was, maar hij vond zichzelf niet interessant genoeg. Hij gaf haar de helft van zijn loon voor ‘kost en inwoon’ en bracht regelmatig afdankertjes mee van de snoeperij zoals scheefgezakte cuberdons en verslenste chocolade­pralines. Na een paar jaar werd ze ontslagen en ging stempelen want ze had uitgeteld dat ze met de inbreng van Fons ruim genoeg hadden om rond te komen. Ze kwam nog amper buiten en ze snoepte de godganse dag. ‘s Middags had ze haar eerste glas rode port al binnen. Ze was moddervet geworden en haar gebit was verrot gesnoept. Ze zat de hele dag lang vormeloos uitgezakt naar onbenullige programma’s op televisie te staren. Fons was vijfentwintig toen hij haar op een dag aankondigde dat hij alleen ging wonen. Zijn moeder had toen een hele scene gemaakt, dat ze alweer verlaten werd, eerst de vader nu de zoon, ‘alle venten zijn egoïsten, vuile smeerlappen zijn het’ riep ze hem nog na terwijl hij de deur achter zich toesmeet met de bedoeling nooit meer terug te komen. Het was een vlucht, een opluchting maar toch ook weer een leegte. Maar ergernis slijt. En elke maand stortte Fons de helft van zijn loon en van zijn vakantiegeld en van zijn eindejaarspremie op haar rekening. Zonder mededeling. Ze spraken er nooit over wanneer hij af en toe, een paar keer per jaar toch wel, bij haar aanbelde, want zijn sleutel had hij bij wijze van afscheid, plechtig in het rioolputje voor haar deur laten vallen. Hij bracht dan telkens een grote doos met afgedankt snoepsel voor haar mee. Ze spraken weinig, de televisie stond luid te achtergronden en ze dronken een porto of twee. Hij hield zijn jas aan tot hij na een tijdje enigszins afwezig ‘zo, ik stap maar weer eens op’ zei, opstond en de deur achter zich in het slot liet vallen, zachtjes.   Fons belde na enig aarzelen aan bij zijn moeder. Het was haast drie uur. Zijn leven stond op een belangrijk kruispunt, dat wist hij gewoon.      De overgordijnen waren dicht. De lente werd deskundig buitengehouden. Met korte passen schuifelde hij somber achter zijn moeder aan, door de gang, tot aan de eetkamer. De muffe kamer rook naar oud kattenzand en verbruikte lucht. Met een diepe zucht plofte hij neer op zijn stoel. Nijdig schopte hij de kat weg die zich zeurend aan zijn voeten nestelde. Op de tafel waaraan hij jarenlang zijn huiswerk had gemaakt, stond een halve fles rode porto, een uitpuilende asbak en een vaas met stoffige witte zijden rozen. Hij haalde zijn pakje Gauloises uit zijn zak en peuterde er een sigaret uit. Hij klopte op tafel de tabak vast en stak ze op. Het kleine vlammetje vertelde hem dat zijn aansteker bijna leeg was, hij moest dringend een andere kopen, net zoals sigaretten, trouwens. Zijn moeder zette twee glazen op tafel - een portoglas voor hem en een groot wijnglas voor haar - en kwam tegenover hem zitten. Ze schonk beide glazen tot aan de rand vol met porto. ‘Flessengeluk’ zei ze.­            Hij vertelde hoe hij twintig jaar lang een paar duizend cuberdons per dag had zien voorbijschuiven. Dat waren verdorie twintigmaalvijfmaaltweeënvijftigmaaltweeduizend cuberdons, meer dan tien miljoen mauve tjoepen, schrikkeljaren niet meegerekend. En iedere dag dezelfde weg naar de snoeperij, en ’s avonds diezelfde weg weer terug. Maar nu niet meer. Die tijd was voorbij. De lappenkat sprong op de stoel naast hem en mauwde om aandacht. Hij wuifde ze weg, hij haatte katten. De televisie stond zoals gewoonlijk veel te luid. Hij moest ook steeds luider spreken, zijn moeder hoorde niet zo best meer. Hij nipte aan zijn glas en stak nog een Gauloises op. Ze had hem bijna apathisch laten uitspreken, maar besefte dat zij haar geruststellend maandelijks inkomen en de zoethouders kwijt was. Ze steunde moeizaam recht, in haar ene hand de lege fles porto, met de andere hand haar gewicht opduwend en dan gebeurde alles razend snel: haar mollige hand schoof samen met het tafelkleed van de rand, ze verloor het evenwicht, de fles maakte een boog door de kamer, ze probeerde nog houvast te vinden aan de tafelrand maar tolde molenwiekend om haar as. Ze viel languit achterover met een droge krak tegen de omvergevallen stoel. Zijn moeder lag daar wezenloos op de harde keukenvloer. Ze keek haar zoon aan met opengesperde angstige ogen, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas. Fons keek verveeld op en stond langzaam recht. Ze wees naar haar heup en kreunde: ‘Bel den 100 manneke, ik denk dat er iets gebroken is!’. De rotkat wou weer geaaid worden.        Een kwartier later was de ziekenwagen daar. Het kostte de ambulanciers heel wat moeite om zijn moeder op de brancard te krijgen, het bleek uiterst pijnlijk te zijn en haar gewicht hielp niet mee. Fons bleef alleen achter.      ***  In de keuken staat een volle fles rode porto. Hij schuift de gordijnen open en zet het raam in de kipstand. Hij schenkt zijn glas vol en steekt een Gauloises op. Vervolgens laat hij zich vergenoegd in 'haar' zetel vallen. De televisie heeft hij al eerder uitgezet. De kat springt op zijn schoot en miauwt. Hij legt zijn hand op haar kopje en ze begint zachtjes te ronken. Hij laat zijn hand wat zakken en masseert haar nek, net achter de oortjes. Het beest ronkt nog harder. Zijn hand zakt nog iets en hij voelt de halswervels tussen zijn duim en wijsvinger. Het is een mager scharminkel. Zo zit hij daar een poosje, hij laat zijn gedachten de vrije loop. Ten slotte doet hij zijn sigaret uit en staat recht terwijl hij de kattin met één hand tegen zijn borst houdt. Hij loopt rustig door de keuken naar het achterhuis waar de badkamer is. Dan staat hij stil voor de wastafel, kijkt naar zichzelf in de spiegel en glimlacht. Hij plaatst de rubber stop in de wasbak en draait de kraan open. Het beest verkrampt bij het zien van het water, maar hij draait zich om en sust haar meteen door nog wat te aaien en achter de oortjes te krabben. De wasbak is nu bijna vol en achter zijn rug draait hij de kraan dicht om meteen het aaien te hervatten. Zachtjes hervat hij zijn massage, eerst achter de oortjes daarna rond het tengere nekje. Het komt er nu op aan om snel, resoluut en feilloos te handelen. Zoals steeds, heeft hij zijn lederen jekker aangehouden en dat zou nu goed van pas komen. Hij draait zich om, kijkt nog even naar zijn spiegelbeeld, voelt met zijn vingers de halswervels en met zijn duim het strottenhoofdje. Rustig maakt hij een vuist. Hoe harder hij knijpt, hoe meer het beest begint te spartelen. Hij knijpt nu uit alle macht en duwt met een snelle beweging haar kop in het water. De kat klauwt tevergeefs in het rond, hij geeft geen krimp en blijft hard knijpend met zijn hand onder water. De klauwen haken in het leer, het water spat in het rond, hij zou dat straks wel allemaal opruimen, straks nadat hij het kreng in een vuilzak zal gestoken hebben. Minutenlang staart hij naar de spiegel.     Het spartelen wordt minder heftig, het weerbarstige beest verslapt en het ruikt plots heel erg naar stront.   Hij doet het natte lijkje in een plastic Lidl zak, knoopt die dicht en steekt hem in een andere en zwaardere Carrefour zak . Dan ruimt hij de wasplaats netjes op, wast de lege glazen en leegt de asbak. Daarna zet Fons het raam in het achterhuis op een kier, zodat het zou lijken of het poesje ontsnapt was en misschien een nieuwe thuis gevonden had in een paradijselijke tuin van een villa, wat verder in de straat…   Alphonse Knaepkens trekt de deur zachtjes achter zich dicht, wandelt terug naar de Brilschans en laat daar de Carrefour zak in een vuilnismand vallen. Dan loopt hij het park uit tot aan de Grote Steenweg waar hij de tram naar het centrum neemt. Hij stapt af aan de Groenplaats en slentert het plein over, zijn versleten joggingschoenen achteloos op de kasseien potend, zijn te grote grijze bevuilde joggingbroek rimpelend bij elke aarzelende stap. Met de blik op oneindig slentert hij tot aan de zitbank voor taverne Rubenshof. Hij plant zich voor de enige vrije zitplaats en laat zich met een zware zucht neerzijgen tussen een liefkozend koppeltje en een oudere vrouw. Door het flanel van zijn broek zie je het vet op zijn billen nog even lillend natrillen. Hij haalt een gekreukt pakje sigaretten uit zijn zak, vist er moeizaam met zijn gezwollen vingers een sigaret uit, en merkt dat zijn aansteker nu echt wel bijna leeg is. Hij vult zijn longen met rook, houdt even de adem op en laat vergenoegd de rook tussen zijn lippen ontsnappen. Wat verder pikken een aantal duiven naar wat broodkruimels...

Guy Lejeune
0 0