Lezen

Parijs (fragment uit reisdagboek)

Dinsdag 15 april 2014   Rond acht uur wakker. P. gaat de deur uit met de mededeling dat ze naar de bakker om de hoek is. Na tien minuten de gekende doemscenario’s en de tegelijk voorspelde opluchting als ik haar de gang hoor opkomen. Vrij laat de deur uit. Van Laumière met de metro naar Champs Elysees Clemenceau. Te voet tussen het Petit Palais en het Grand Palais, over de Pont Alexandre III, langs het Hôtel des Invalides. Hoewel de zon schijnt, is het koud. Langs Rue de Grenelle naar Jardins du Champ- de Mars. Dit is wat je als toerist bij een eerste bezoek aan Parijs doet, of op klasuitstap, in een bus en dan om de tien minuten uitstappen, terug de bus op, niemand die naar de leraar vooraan luistert. De Eiffeltoren is van onderuit, tussen de bomen en struiken bekeken, desondanks indrukwekkend. Ik wil naar het Trocadéro omwille van Picasso. Maar ik heb me vergist. Van zodra ik de open armen van het Palais de Chaillot herken, herinner ik me van een bezoek met de leerlingen de Afrikaanse venters die hen Eiffeltorentjes, armbandjes en horloges probeerden te verpatsen. Vooral de meisjes werden aangeklampt. Ze lieten het zich gillend welgevallen, maar gingen voor de zekerheid toch maar in groepjes bij elkaar staan. Maar dit heeft niets meer te maken met het Palais de Tracadéro waar Picasso een grote eeuw geleden de Afrikaanse maskers zag. Via Avenue des Nations Unies en de Boulevard Delassert lopen we naar de Place de Costa Rica. Op een terras uit de wind, met onze snoet in de zon drink ik een petit café, P. een jus d’ orange. De sigarettenrook van de jongens naast ons waait onze richting uit. Voor ons twee maatpakken. Een man steekt de straat over, sigaret in de mond, beide handen in de zakken van zijn manteljas. Waar Auteuil in de negentiende eeuw nog een dorp buiten de stad was, is het vandaag één van zijn betere, residentiële buurten. Voor het Maison Balsac wordt de dagindeling van de schrijver op een informatiebord vermeld. Opstaan om middernacht, schrijven tot acht uur, petit déjeuner in een kwartier, schrijven tot zeventien uur, diner en slapen. Het bovenstaande schreef hij in een brief aan een vrouw, hij zal er wel een schepje bovenop gedaan hebben, zeker? In een zijstraat staan kubistische huizen van Mallet-Stevens uit de jaren twintig. Wij hebben nog nooit van Mallet-Stevens gehoord, maar het stond in de reisgids en dan denk je dat dat de moeite waard is. Enkele jongemannen staan artistiek heel verantwoord rond een kleine vrachtwagen bij de achteruitgang van een filmstudio. Ze doen of ze ons niet zien. De gids heeft het verder over de Fondation Le Corbusier. Ah,die kennen we! Volg de leider! Maar wat we ook zoeken, de Fondation Le Corbusier vinden we niet. Tot een wegwijzer ons naar links dirigeert, maar dan zijn we het al moe. Op weg naar de metro nog langs de Rue Pierre Guérin, een straatje in kasseien dat ons zou moeten doen ‘basculer dans l’autre siècle, en plein village.’ We halen de schouders op, slaan de gids dicht en lopen verder. Veertig minuten metro, helemaal van République naar Laumière. Na het eten twintig minuten slapen. Het raam staat open. Veel rumoer op de binnenplaats. Met de metro naar Batignolles. ‘Le village de Batignolles,’ daar gaan we weer, hou je vast, ‘a conservé une grande partie de son caractère provincial.’ Maar het is er gemoedelijk, de Parijzenaars zijn er in groter getale dan de toeristen. In het parkje op de Squaire de Batignolles zitten we een groot uur tussen de duiven, bergeenden en agressieve Canadese ganzen. Met name een solitaire Nijlgans moet het ontgelden. Verder veel kinderwagens met blanke kinderen, voortgeduwd door zwarte kindermeisjes, oude mensen op de groene banken en een bejaard mannetje in bruin kostuum, bruine leren schoenen en een foulard rond de hals die we vier keer snelwandelend voorbij zien komen, de rechterhand als een klauw opengesperd achter zijn rug. Zijn dagelijkse wandeling volgens P. Dat, of een dwangneurose – je weet het niet. Net voor we vertrekken een verpleegster met een bejaarde vrouw in een rolstoel. De vrouw houdt een wit struikbloempje in haar hand. Als een klein kind wordt ze door de verpleegster vanaf de rand van het gazon de eendjes in de vijver aangewezen. In de Rue Brochant zitten we zolang de zon niet achter de huizen is verdwenen op het voetpad voor café Le Tempo. Als het te koud wordt gaan we naar binnen. Ik drink een glas Heineken, P. een cappuccino. We zitten aan een kleine toog op krukken voor het raam en kijken als vissen in een aquarium naar voorbijgangers en diegenen die buiten in de schaduw zijn blijven zitten. Binnen staat luide popmuziek op, maar zonder te storen. Aan de overkant van de straat, op de hoek, ligt café Le Bloc. Achter een vitrineraam een krijtbord met tussen en rond de tekst zweepstaartkrullige tekeningen in de stijl van Alechinsky. Artistieke types aan tafeltjes op het voetpad. Wanneer de straat wordt overgestoken, gebeurt dat bedachtzaam, in slow motion een sigaret van tussen de lippen plukkend, of breedvoerig, met wapperende handen die afgaand op de bijhorende gelaatsuitdrukking iets belangrijks aanschouwelijk maken, het haar in zorgvuldige nonchalance meedeinend op een tred die in zijn vastberadenheid exemplarisch is. Tegen zessen komen mannen met een brieventas onder de arm Le Tempo binnen voor een nabespreking. Ze drinken cola en koffie. Op straat veel schoon volk. Een man achterop een vuilniswagen rekt zich gevaarlijk ver naar achteren om het een en ander goed te kunnen zien. Op het balkon op de tweede verdieping van het gebouw aan de overkant spreidt een man of een vrouw – van waar we zitten is het moeilijk te zien – in een marine T-shirt een Michelinkaart open. Waar gaat die op reis? Na tien minuten is de man – het is een man volgens P. – in een worsteling met meerdere kaarten verzeild geraakt. Hij houdt ze aan de rand vast en laat ze eerst door de wind open wapperen. Daarna is het zaak met een soort van spreidstand van de handen de boel zowel gestrekt te houden als glad te strijken. Dat is moeilijker dan het lijkt, aangezien plooikaarten de neiging hebben van zodra je ze los laat opnieuw op te krullen, zoals een kind dat niet in bad wil de gang oprent zodra je het uit het oog verliest. Wil hij de kaarten aaneen lijmen misschien? Is dat de bedoeling – er één grote kaart van maken? Geef mij landkaarten en ik ben een kind in de zandbak. Laat me ze verknippen en aaneen lijmen – voor nóg meer overzicht – en ik hoef geen ijsje, suikerspin - niets: aan het zand alleen heb ik genoeg. Wie zou geen zo’n kind willen? In Comme chez Maman zitten we op dezelfde plaats als vorig jaar, aan het raam. Gegrilde zwarte pens in een vinaigrette van rode vruchten – als ik de korst openbreek komt er rook uit. Voor P. carpaccio van champignons en radijs met parmezaan, iets dat ze naar eigen zeggen ook zelf zou kunnen maken mocht ze een goeie dunschiller hebben. Van dat laatste maak ik een mentale notitie. Daarna varkensvlees met boontjes in een zoetzure saus van gekonfijte mini-appelsienen. Dezelfde wonderbaarlijke puree als de voorbije jaren, maar te koud deze keer. Marmite de Mer voor P. Het vriendelijke meisje dat ons bedient, meen ik me van vorig jaar te herinneren. Een al even vriendelijke jongen wijst me ongevraagd de toiletten. ‘Oui oui, je sais,’ zeg ik. Bij het afrekenen krijg ik die aanmatiging als een boemerang terug. De jongen vraagt of we het restaurant misschien kennen, ‘parce que vous disiez “je sais”’? Als ik voor we vertrekken een tweede keer het toilet uitkom, staat hij met iemand in de keuken te praten. ‘Merci, hein,’ zeg ik op een toon alsof ik hem al jaren ken en maak met mijn arm een zwaaiende beweging in zijn richting. Misplaatste onderdanigheid, maar wel erg kenmerkend voor hoe ik me tegenover onbekenden in gênante situaties gedraag. Oscar Niemeyer ontwierp het hoofdkwartier van de Franse communistische partij op de Avenue Marthurin Moreau. We komen er langs in het naar huis lopen. Ik ben in een euforische stemming. Bezing het communisme en de pas aangeplante bomen langs de Rue Manin. Een stad die naar eigen zeggen honderdduizend bomen heraanplant is een stad naar m’n hart. Op de trappen van het stadhuis de avondsigaret. Een vrij onrustige nacht. Als ik tegen drieën opsta om te plassen, zie ik dat er nog licht brandt in een van de appartementen aan de overkant van de binnenplaats. Ik blijf er in het schemerduister enkele minuten naar staan kijken.

detroostvancontouren
0 0

Metz-Mutier (fragment uit reisdagboek)

Vrijdag 25 juli 2014 (samen met S. op een camping in Ranspach – de Elzas, tegen de grens met Zwitserland)   Na het ontbijt vervoeg ik de rij voor de bestelwagen van de bakker. We hebben koeken nodig voor onderweg. Telkens iemand zijn of haar bestelling opgeeft, schuifelt iedereen vijf passen voorwaarts. Er wordt niet gesproken of gelachen in de rij. Pas wanneer je aan de beurt bent mag het. Dan plooit het gezicht open en wordt een pen de sjokolat gevraagd. Sjilvoeplait. Langs een mooi fietspad naar Than, waar we proviand inslaan. De eigenaar van de delicatessenzaak is behalve joviaal ook erg commercieel. Als hij hoort dat we aan het fietsen zijn, zet hij een mand met worst op de toonbank. Ideaal voor de picknick. En als we wat later de route met hem bespreken en opmerken dat het warm wordt, blijkt hij ook gekoeld bier te verkopen. Na Than wordt het landschap stilaan Zwitsers. Vakwerkhuizen in pastelkleuren (geel, blauw, roze). Blauwe bergen op de achtergrond. Ooievaars in de weiden, cirkelend op de thermiek en een keer op een nest op de schoorsteen van de kerk. We zitten in de Elzas. Ik verneem het na een klim van een man die met zijn vrouw en hond aan een wandeling wil beginnen. Hij is uit de buurt en duidt de bergen aan die je van hieruit kunt zien: Ballon d’Alsace, Planche de belles Filles. Aangestoken door de aandacht die ik hem schenk, begint hij half voor zichzelf, maar luid genoeg opdat ik het zou horen, over slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Na aardrijkskunde, de geschiedenisles. Maar we zijn al op weg naar onze fietsen. In Traubach-le-Haut eten we in Café de la Poste. Bar-tabac-boulangerie-restaurant, alles ineen. Het brood en de koeken ligt gewoon op een van de tafels in de eetzaal. Twee vrouwen lopen in de zaal rond, de kokkin staat in de keuken met een vuil schort om. Een plek naar mijn hart. Na de salade komt er varkensvlees op het bord, gebakken kool en spek en een soort deegbolletjes. S. kent ze, die bolletjes, je maakt ze door het deeg op een bakplaat te laten druppelen. Erg ambachtelijk. Ik vraag aan de kokkin hoe de dingen heten, waarop ze een kartonnen doos neemt en de naam van het etiket spelt. Knepple. Hoe? Knepple – ze schrijft het in mijn schrift. Terwijl ze een stukje meeleest, leunt ze met haar rechterborst op mijn schouder. De temperatuur varieert volgens verschillende thermometers op straat tussen de 32 en de 35 graden. Het is in elk geval warm. Laatste tussenhalte voor vandaag, een warenhuis waar we behalve fruit en groenten ook wijn kopen. Achteraan in elke fietstas één fles – alles voor het evenwicht. We rijden Zwitserland binnen. Intussen betrekt de lucht. In de verte rommelt het. Schuine strepen aan de horizon betekent regen. Aan een man in zijn tuin vraag ik of het onweer onze richting uitgaat. Hij weet het niet. Hij is Italiaan zegt hij en roept ‘Nibali’! Dan neemt hij me mee naar de lokale dorpsgek die in mijn gezicht spat, maar in essentie hetzelfde als de Italiaan zegt: je weet het niet. Het regent hier en een kwartier later schijnt de zon, je gaat in T-shirt en teenslippers het huis uit en krijgt een onweer op je dak. Hij haalt de schouders op. De Italiaan lacht mijn bezorgdheid weg, maar op een goedmoedige manier. Hij haalt een Italiaans spreekwoord boven. Iets met de wind en mee laveren met de wind. Een sympathiek man. Bij het uitrijden van het dorp vraagt S. de weg aan een jongeman die daarvoor speciaal uit een stal moet komen lopen. Het gesprek wordt overstemd door koeien die bij het zien van de jongen om het hardst loeien. Hoog in de lucht het silhouet van een rode wouw. Wat verderop een boerin die een liggende koe slaat om haar te laten opstaan. Een hond die behulpzaam naar de koe blaft wordt weggejaagd. De koe springt recht, wankelt en valt opnieuw neer. Als ik achterom kijk, zie ik dat de vrouw de koe in haar hals streelt. Col de Rangiers. Bruin water naast de weg. Ook in de bandensporen op het asfalt water dat naar beneden stroomt. Halverwege de col begint het te gieten. We stoppen om regenjas en overschoenen aan te trekken. Links en rechts is het nu aan het bliksemen, maar het onweer beangstigt me niet. Misschien omdat het bijdraagt tot de heroïek van de beklimming? Als je in je hoofd dan toch een film draait van wat je aan het doen bent, waarom jezelf dan niet meteen de hoofdrol geven? Uit de vallei stijgt nevel op. Bijna boven vragen we raad aan twee mannen die een drankstalletje uitbaten. Ze verwijzen ons na telefonisch overleg naar een hotel wat verderop. Bij het afscheid gooit een van hen de armen in de lucht en roept: Jacques Brel – Stromae! Eden Hazard, vult de andere aan. Monsieur Yves Petignat laat ons de fietsen in een soort schuur annex feesttent zetten. Hij is de vierde generatie Petignat die sinds 1906 hotel La Caquerelle uitbaat. Het hotel ligt op de top van de col de Rangiers, op 834 meter om precies te zijn. Een jongen brengt ongevraagd mijn fietstassen naar onze kamer op de derde verdieping. ‘Service’, zegt hij als ik hem daarvoor bedank. Ook in het restaurant zeggen hij en de eigenares bij het minste – het brengen van de menukaart, het wegnemen van onze borden – ‘service’. Nadat hij ons de menu du jour heeft uitgelegd – binnensmonds, maar hoe kan zij dat weten - komt de vrouw dat herhalen. Terwijl hij erbij staat. ‘Ja,’ zeg ik, ‘monsieur nous a déjà raconté.’ In het restaurant zit een man in een sportbroek. Hij kijkt angstvallig naar ons op - of we wel goeiedag knikken? Dat doen we. Tegenover hem een koppel waarbij de gastvrouw tussen twee services door aanschuift. Het eten is ontgoochelend. Na de salade een blanquette met pâtes. Volgens S. is het vlees ontdooid. Voor het hotel vliegen huiszwaluwen af en aan. Op de letter “e” van hotel zit een kwikstaart. Op de kamer kijkt S. tv. Ik schrijf. Een avondsigaret achter het hotel, op een pad dat de vallei inloopt. Gekras van raven in de bomen. Met tientallen tegelijk vliegen ze op. Als ze overvliegen hoor ik hun vleugels in de wind. Aan de rand van de vallei is het doodstil. Uit de vallei stijgt een witte nevel op, zo dik dat de dorpen beneden in brand lijken te staan. De ondergaande zon. Onzichtbaar van waar ik sta, koeien of schapen met een bel rond hun nek. Zwitserland zoals je het je voorstelt. Ik loop terug. Achter de schuur ligt een cabine van een skilift. Intersport staat erop. In een kapel naast het hotel schilderijen in het donker, als in een museum dat nooit iemand bezoekt.  

detroostvancontouren
0 0

There's a blackbird singing

Waar moet je in godsnaam over schrijven? Meer kan ik vandaag niet bedenken.   Ja, vanmorgen schreef ik dan misschien wel een alinea, maar die slaat op niet veel. Behalve de laatste zin – die is goed. Ik bedacht hem in de auto op weg naar hier, op de radio speelde een nummer waar in het refrein sprake was van een zingende merel. Het probleem is dat ik bij die zin geen verhaal weet te verzinnen. Of toch niets dat verder komt dan dit: man heeft na dood van zijn vrouw niets meer om voor te leven – vult zijn dagen met zaken die hem eigenlijk niet meer boeien - staat elke morgen op met het gezang van een merel – beslist na verloop van tijd dat het gezang van die merel de enige reden is waarom hij nog elke morgen opstaat. En dan verschijnt de merel op een bepaalde morgen niet meer en (laatste zin) hij aanvaardde het met spijt, maar ook met iets van opluchting, zoals je dat doet wanneer de feiten in jouw plaats een beslissing nemen. Van waar ik zit, zie ik in de verte de Auvergne in schemerig blauw. Het is de laatste dag in ons schuiloord. Het ritme van vakantie. Als ik opsta iets voor acht, heeft de aanstaande moeder al een uur gewandeld en braambessen geplukt. Ze liggen in een zeefje in de gootsteen die bessen, en kijken me aan met een blik van ‘daar zullen we hem gaan hebben.’ Met een groot schuldgevoel sta ik aan het aanrecht en drink enkele glazen water. De alcoholresten van de avond ervoor schrijnen alsof ze weerhaken hebben. In de wetenschap dat zij niet alleen al een uur voorsprong heeft, maar ook nog eens gezonder voor de dag komt, fiets ik dan naar de bakker. De bakker is ermee opgehouden. La retraite. Het brood wordt nu gehaald bij de superette enkele huizen verder. In de winkel zegt een vrouw elke morgen met overslaande stem bonjour monsieur. Waarop ik: alors - met de geste van iemand die Frankrijk als zijn tweede thuis beschouwt, alors … met de korte pauze die de indruk moet wekken ter plaatste te bedenken wat ik wil (want zo ben je – je leeft in en van het moment) … un pain et un croissant, s’il vous plait. Als ik met de fiets het pad oprij met het brood in mijn rugzak, lepelt de aanstaande moeder haar muesli met braambessen op aan de witte, plastic tuintafel onder de twee steeneiken. In de namiddag zit ik aan dezelfde tafel achter mijn laptop. Vaste attributen op tafel zijn mijn verrekijker en vogelgids, koffie, een glas water en – maar pas vanaf zes uur – een glas rode wijn met een bord olijven, kersttomaten en chips. Als het schrijven niet lukt kijk ik door die verrekijker. Vervelender is het wanneer het schrijven wel lukt en ik het gemiauw hoor van een buizerd of het getok van een specht of van een boomklever. Een buizerd kan ik misschien nog zonder schuldgevoel negeren, maar een boomklever, dat gaat niet. Het is jammer van het schrijven, maar die boomklever moet ik dan zien. Met een beetje geluk krijg je hem bij de juiste lichtinval zo scherp in het vizier, dat het lijkt of je naar een natuurdocumentaire kijkt. Soms ga ik achteraan het huis op een bank zitten. Die plek heeft het voordeel achter wat struiken verborgen te liggen ten opzichte van het grasveld en vooral de grote eik in de hoek van dat grasveld. Je zit als het ware in een camouflagetent, iets waar ik als kind van droomde – godganse dagen in een tent te zitten naast een vijver en dan elke beweging van een ijsvogel of roerdomp registeren. Doorgaans dwing ik mezelf minstens een half uur stil te blijven, bij wijze van meditatie en ook omdat je binnen het half uur altijd wel iets ziet, of je moet al echt pech hebben. Veel vinken, spreeuwen die je met hun imitaties op het verkeerde been zetten, zwaluwen – vanmorgen een vink die een jonge wielewaal van een tak wegjoeg. Opvallend veel Vlaamse gaaien ook dit jaar, schreeuwend naar elkaar als viswijven, bekvechtend maar zonder het echt te menen, meer omdat ze daar schik in hebben. Vanmorgen op de haag, in het ochtendlicht een cirlgors. Hij vloog weg. Van aan de andere kant van het veld kon ik hem nog een tijdje horen: een zacht geratel als van een slang. Zonet vanop de fiets op een telefoonkabel een putter met zijn clownsgezicht. Wat verderop een tapuit. Hij maakte het geluid van een zakje knikkers dat je opschudt. Een roodborsttapuit klinkt als twee keien die je tegen elkaar slaat, wat niet hetzelfde is. In Engeland zeggen ze dat mooi: stonechat. Jonge wielewalen klinken als piepschuim. ’s Avonds verhuizen we naar het terras aan de zijkant van het huis, op het zuidwesten. Zij leest, zoals ze dat de hele dag heeft gedaan, ik zit dan als het goed gaat nog steeds onder de steeneiken – vervoeg haar pas een uur later, het uur achterstand van vanmorgen op die manier ingehaald. Mijn aandeel in het avondmaal is zorgen dat er vuur is. Nadien verdraag ik in de keuken geen vaat die als zwerfvuil achterblijft. Tegelijk heb ik geen zin om af te wassen. Dus dient alles provisoir afgespoeld en per soort opeen gestapeld en wel van onder naar boven en van groot naar klein – koppen op koppen, borden op borden, kommen in kommen. Als het kan het bestek rechtopstaand in een beker, bij afwezigheid van een beker liggend dan maar, haaks op het gegleufde opstaande deel van de gootsteen. Je praat jezelf iets aan als je daar heel veel voldoening uit haalt, maar toch is het met een zekere opgeruimdheid dat ik daarna opnieuw op het terras ga zitten, hout op de smeulende kolen leg en hen door gewapper met een kampeerbord tot vuur verleid. Aanwakkeren is in zijn letterlijke betekenis een onomatopee: uitslaande vlammen maken een flakkerend, wakkerend geluid, iets dat aanzuigt en uitslaat tegelijkertijd. In een goede bui gaat dat aanzuigen en uitslaan met het nodige theater gepaard. De aanstaande moeder en het ongeboren kind zien mij met het plastic kampeerbord naar de kolen wapperen en tegelijk met wriemelende vingers doen alsof ik kruiden over de kolen strooi, zij het dat nu de omgekeerde beweging dient verbeeld, namelijk van vlammen die aan de kolen worden onttrokken. De truc zit hem in de simultaneïteit. Naarmate het flakkerende geluid aanzwelt, wordt heviger met het bord gewapperd en krijgt het strooiende gebaar meer verticaliteit om het zo te zeggen – als om de vlammen aan hun haren omhoog te trekken. Moment suprême: op het moment dat het flakkerende geluid op zijn hoogst is, bord en strooihand wegtrekken en het vuur als een ontluikende bloem tevoorschijn toveren. De aanstaande moeder vindt het bij momenten geweldig. Een gemeend applaus is dan mijn deel, nadat ik haar met een reverence voor de aandacht heb bedankt. Je zou die man, ik spring van de hak op de tak – de man van de merel, je zou die man kunnen laten fietsen. In de zomer, na de ergste hitte van de namiddag. In de avond, het zonlicht is dan niet meer zo direct als een paar uur daarvoor, het heeft iets stofferigs gekregen, als zonlicht dat door glas in lood valt. In een veld staat een boer in een blauw overall, de handen op de rug. In plaats van diens opgestoken hand te beantwoorden, kijkt hij de man onbewogen na. Het is voldoende voor die laatste om zichzelf op die fiets te zien rijden. De illusie dat wat hij doet zin heeft, springt dan door zoiets stoms in stukken. Toen zijn vrouw nog leefde was hij zo breekbaar niet. Je laat hem verder fietsen en hem in zichzelf de vraag stellen waar hij in godsnaam de moed moet blijven halen. De moissonneuse waarmee vorige week de tarwe rond het huis werd gemaaid, viel herhaaldelijk stil. De boer moest met een compressor komen. Een vriendelijk man. Zijn zoon zat naast hem op de tractor en had van daaruit over de haag een onbelemmerd zicht op wat wij deden. Telkens ik opkeek, draaide hij zijn hoofd weg. Toen de boer met de maaier stond te overleggen, hoorde ik hem iets zeggen over l’apéro. Daarna lachten ze. Het was al na zessen en op mijn tafel stond dus een glas rode wijn. De schaamte van een hele dag te kunnen schrijven en lezen tegenover zo’n boer die van ’s morgens tot ’s avonds moet werken. Hoewel hij dat dus niet liet blijken, ook de volgende dag niet toen hij mij opnieuw achter mijn laptop zag zitten. Zo’n man kan in mijn ogen weinig verkeerd doen. Nu voert hij iets uit aan de rand van het stoppelveld. Hij draagt hetzelfde geblokte overhemd als vorige week. Met zijn vrouw vrijen was met niets te vergelijken geweest. Hij sprak er met niemand over, behalve met haar – heel af en toe. Toen hij op een keer zei dat hij soms het idee had het geboortekanaal ingetrokken te worden, zijn leeftijd tot een fractie van een seconde gereduceerd – voorbij de geboorte, voorbij de conceptie zelfs, miljarden jaren terug het heelal in, en de ontlading (hier steeg de gêne hem naar de kaken, hij voelde hoe hij rood werd – dit tegen iemand te kunnen zeggen), en de ontlading met de oerknal zelf leek samen te vallen, toen streelde ze hem over zijn hoofd en vroeg of hij dan niet wist dat elke man in een vrouw zijn moeder zoekt. Hij had haar aangestaard. Vóór haar had hij niet geweten dat zoiets bestond, je compleet voelen. Toen ze stierf was daarmee alles gezegd. Hij was incompleet geworden. Die eerste maanden, hoe moest hij die aan iemand beschrijven? Als een voortdurend in ademnood raken? Als iets dat je van bij het opstaan naar de keel grijpt? En overdag dat rondtollen in de leegte - als een losgekoppelde astronaut. De aantrekking van er niet meer te zijn natuurlijk. Als kind, op de rand van een fabrieksgebouw waar hij zijn voetbal zocht, en dan naar beneden kijken en het hart dat even in het luchtledige blijft hangen. Maar meer dan een aai was dat niet geweest. Een kort moment van verleiding. Later was het soms teruggekomen, al was het maar om in gedachten de opluchting te ervaren dat wat zo’n pijn deed dan voorbij zou zijn. Na haar overlijden vond hij het vreselijk, dat gekoketteer van hem. Maar nu was het anders, nu had het zich als een dwanggedachte in zijn hoofd genesteld. De voorbije jaren was het de gewoonte dat in het schemerduister - de bomen en struiken vallen dan met hun contouren samen, het is nog niet zo donker dat ze opgaan in de achtergrond (ze staan er dus nog tegen af getekend, als grillige inktzwarte vlekken) - dat in dat schemerduister een bosuil voorbij komt vliegen. Het is te donker om hem in detail te onderscheiden, maar ik herken het plompe lijf en de afgeronde vleugels. We beschouwden het als het einde van een geslaagde dag, die bosuil die kwam kijken wat we aan het doen waren. Als hij niet opdaagde, had ik de neiging de zaak te forceren door gewapend met een zaklamp het veld in te sluipen (terug thuis had zij krampen van het lachen) of het geluid van de uil na te doen. Je hebt dan al wat gedronken en denkt dat je imitatie een medaille verdient. Dit jaar hebben we hem nog niet gezien. Maar vanavond misschien. Op het moment dat hij opstond en de eerste keer de merel voor zijn raam hoorde zingen, luisterde hij aandachtig, het hoofd scheef, en moest hij ondanks zichzelf glimlachen. Wat trok zo’n merel zich ook aan van hoe hij hierbinnen zijn leven doorkwam? Zo’n merel die fluit al eeuwen op dezelfde manier, terwijl al die tijd overal in de wereld ontelbaren hetzelfde als hem meemaken. Niet dat die gedachte hem bij zijn eenzaamheid hielp. Zijn dagen bleven leeg, wat hij deed was even nietszeggend als daarvoor, maar toch bracht de merel een soort regelmaat met zich mee. Na een tijd moest de man toegeven elke morgen op te staan uit een soort plichtsgevoel tegenover de vogel die voor zijn raam zat te zingen. Tegelijk was het alsof met de merel iets verschoven werd, een grendel waarmee je de deur achter je sluit. Het vuur brandt. De hemel in het westen is betrokken, van een ondergaande zon is geen sprake. De hond van de buren die ons gezelschap houdt, is bezig een rij stenen af te breken omdat ze daar een muis vermoedt. Enfin, vermoedt, wij hebben de muis ook gezien, dus helemaal ongelijk kunnen we haar niet geven. Ula heet ze. Het is een golden retriever, waardoor je nooit echt kwaad op haar kunt zijn: ze kijkt dan immers door haar wimpers alsof ze alle leed van de wereld moet torsen. Maar haar gewroet stoort. Ik sta op en spreek haar met opgeheven vinger toe. Dat het gedaan moet zijn. En of ze wel weet wie de boel morgen mag herstellen? Ze kwispelt met haar staart terwijl ze me aankijkt - waar maak ik mezelf zorgen om? Maar van zodra ik weer ga zitten, gaat het wroeten verder. ‘Wat baten kaars en bril, als de uil niet zienen wil’, zeg ik tegen de aanstaande moeder. Waarom we samen in lachen uitbarsten. Toen hij de merel niet hoorde, dacht hij eerst aan een misverstand. Had hij zich dan verslapen? Hij keek naar de klok. Het was zijn gewone uur. Maar het was stil. Hij stond op en leunde met beide handen op de vensterbank, alsof hij de merel op die manier naar zich toe kon halen. Terwijl hij zich aankleedde, hield hij halverwege een beweging op. Met zijn overhemd half dicht geknoopt, wist hij dat hij zichzelf iets wijs maakte. Ook morgen zou de vogel niet komen, en overmorgen evenmin. Hij draaide zich om, staarde naar het lege raam. En hij aanvaardde het met spijt, maar ook met iets van opluchting, zoals je dat doet wanneer de feiten in jouw plaats een beslissing nemen.      

detroostvancontouren
0 0