Lezen

Dief in de nacht

Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam gaan zijn handen om mijn letters, mijn woorden, mijn tekeningen, vluchtig graaiend naar alles wat geen tijd genoeg had zich te verstoppen niet de autosleutels of de portefeuille, niet de sierraden van achttien karaat ook niet de familiejuwelen beroeren zijn vingertoppen   niet mijn platencollectie of de geluidsinstallatie, niet mijn computer, ook niet mijn geesem lustigen zijn dorst laat staan de dossiers met al mijn bankgegevens, mijn diploma’s of de geboorteakte van mijn eerstgeboren zoon   Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam, op de tast door mijn donker zijn gretigheid welt op aan een bron die zou uitdrogen zou hij door politie in de boeien van de taal tot dief worden veroordeeld veroordeeld tot het stelen met zijn handen, veroordeeld tot nog meer stelen om te voorkomen dat ook zijn blik, ook zijn zien en zijn kijken zouden boeien   en toch bewoog in hem iets rond het roerde zijn zielselen als een dikke zoemend vlieg die weerbarstig het spreken onderbreekt met slagen en verontschuldigingen   hij deed steeds het licht uit, ookal maakte dit voor niets of niemand een verschil afgezien dan van hij die de stilte geniet en het oneindige plezier betrapt te kunnen worden aandachtig luister ik dan in bed of ik iets hoor of op zoek naar bevestiging dat ik zonet iets hoorde en of ik dan echt iets hoor en bedenk allerlei redenen waarom het niet kan zijn dat wat ik hoor, wat ik vrees te horen, ik dit kan horen enkel slaap kan mij dan nog redden   wat hij dan loopt zoeken in mijn huis het gat, de leemte, het hiaat, de bres, de kloof dwars doorheen elke redenering of gekunstelde logica, daar waar het hapert, stuntelt, struikelt, soms in brokken vaneen valt tegen een vervrozen ondergrond, daar waar hij hapert een dief die geen dief wenst te zijn, maar wel betrapt   daar is het om te doen er in zou betekenen er in blijven en ten onder gaan in plaats van voortgestuwt te worden Het drijft hem, als een raket op pantoffels waarvan de voorraad tank maar niet lijkt te lossen genot stuwt hem voort voorbij het genieten   Er waart een dief door mijn huis in de schaduw van mijn geleeften in de stilte van de schuld die wil ik niet zijn hij bewoont mijn vlees tot aan mijn botten roert mijn dampende ingewanden en spookt tussen mijn woorden, mijn gedachten zijn handen doen mijn rug rillen priemende ogen veren al mijn haren recht   Er waart een dief in mijn huis hij sluipt in de nacht als de dood in het bloed dat door mijn aderen spuit

Anton Nymand
0 0

wij die gezien willen worden

Wij, die gezien willen worden, worden dan uiteindelijk ook gezien,maar het is in de nasleep, de nauwe randzone erbuiten dat het schouwspel zich afspeelt.We moesten zeggenschap nemen over het keren van het tij en het is in die verstandhouding dat we dan ook reageren. Er is niets veranderd.Het werd zichtbaar.Het werd zichtbaar dat er niets veranderde. En zo ben je aanbeland bij het weerzien van een oude kameraad die net als jou, nog loopt te ijsberen in niemandsland. Wij hebben wat vreugde is.Wij hebben wat voortkomt uit vreugde.Maar wij hebben weinig aanleiding om aanstalten te maken.Maar er gebeurt te weinig in die toestand.  Wij, pijn, zien onszelf niet al te graag.Liever, slepen we verder onszelf de tijd in en ook altijd weer uit.Hier is de tijd blijven stilstaan en vernielen we ruimte. Het is simpel: zij die willen blijven zijn, blijven zijn. Zij die willen kunnen ontsnappen, zijn niet lang meer, en net dat is afhankelijkheid. Wij werden door de toestand verpletterd. Die verplettering levert ons gelukkig ook wat op:meer toestand.  Na x aantal jaar ben je 'volwassen' en wordt er geopperd dat wij niet gezien werden, maar niets is minder waar:wij die gezien wilden worden, werden dan ook gezien.In het oog van de toeschouwer is alles heerlijk melancholisch. Voor ons is het verpletterende besef dat we ouder worden een egoboost. Wanneer speelt de overgang zich af? Van jong naar oud, van slecht naar op z'n minst beter. Van afscheid tot weerzien. Toen we elkaar tegen het lijf liepen, versnelde de tijd en werd de ruimte ertussen zichtbaar. Was dat geluk hebben.  We werden gezien en dat was al waar het hem om te doen was.Tussen ochtendgloren en avondval heb je tijd. Tussen ruimte en persoon heb je tijd. Tussen mij en jou zat er veel tijd, zichzelf in slaap te wiegen, en wie had gedacht dat ik je zou treffen op de slechtst mogelijke moment? Wij zagen elkaar, deden niet meer dan iets optimistisch,alsof we elkaar daar verwacht hadden. Dit is de overgang naar het andere tijdperk.  Dit is leven in opperste glorie: afzien. 

Dries Verhaegen
26 1