Lezen

Het gehoor blijft het langst bewaard

                        Er is weinig volk op straat, iedereen zit warm binnen aan feestelijk gedekte tafels. 'Weet je zeker dat jij vanavond bij moeder wil waken,' vroeg mijn broer. Ik wist het zeker. Laat de anderen maar feesten, ik heb niets te vieren. Als ik kon, sloeg ik kerstavond gewoon over. Ik heb een hekel aan deze dag want hij brengt me regelrecht naar drie jaar geleden. Iedereen meent te weten wat er toen gebeurde, maar er is niemand die het werkelijk weet. En zo zal het ook blijven: dit geheim neem ik mee in mijn graf.   Drie jaar geleden dus. Erna en Werner nodigden me uit om bij hen kerstavond te vieren. Hun kinderen waren opgetogen: ‘Met Betty is het altijd feest!’ juichten ze. En feest werd het. ‘Een echte Perrier jouët brut, zei Werner plechtig. ‘Speciaal in onze wijnkelder bewaard voor vanavond!’ Glimlachend hield ik mijn glas onder de fles, niemand zag mijn handen trillen, niemand hoorde mijn hart bonzen. Dat ik mezelf plechtig beloofd had te stoppen duwde ik hardnekkig weg. Het was kerstavond, feest van vreugde en vrede, niet van schaamte en spijt. De wijn maakte me met één slok warm en blij, ik verdiende het, afkicken kon later. Bert en Joren, een tweeling van negen, speelden kerstliederen op een dwarsfluit en de vijfjarige Helena begeleidde hen met een kwart viooltje. Het was zo mooi dat iedereen er tranen van in de ogen kreeg. Mijn dessert was nog niet op of de kinderen trokken me al van mijn stoel. Ze hadden zelf een kerstspel bedacht, iedereen moest zich daarbij verkleden als engel. De tweeling ging zelf aan de slag en ik hielp Helena: ik knipte zilveren engelenvleugels en sloeg een wit lakentje rond haar middel. Met haar blonde krullen, blauwe ogen en lichtroze sproeten was ze eigenlijk altijd een engel. ‘Braaf zijn en goed luisteren naar Betty,’ riepen Werner en Erna toen ze vertrokken. De engelen, verdiept in hun spel, keken amper op. Ik knipoogde naar mijn vrienden: ‘geniet maar, geen zorgen!’ Ze kusten me dankbaar ‘tot straks.' (‘Heerlijk zoals Betty met de kinderen omgaat, jammer dat ze zelf nooit…' Iets dergelijks zouden ze steevast tegen elkaar zeggen in de auto.) Het was de vijfde Kerst dat ze me vroegen om op de kinderen te letten, ik vond het niet erg, alles was beter dan in mijn eentje voor de tv zitten. ‘Jij moet je ook verkleden, Betty!’ ‘Natuurlijk!’ Ik zette een gouden kroontje op mijn hoofd, vouwde mijn handen en trok een vroom gezicht, de kinderen joelden van pret. Af en toe keek ik naar de lege fles op tafel, mijn mond en keel waren droog, ik snakte naar nog een glas wijn. Werner en Erna zouden het vast niet erg vinden als ik een nieuwe fles voor mezelf opentrok. ‘Waar is de kelder?’ vroeg ik aan Bert. ‘O, je haalt chips voor ons?' antwoordde hij. ‘Yes, chips!’ riep het engelenkoor. 'Even wachten, ik ben zo terug,' glimlachte ik. Met Betty is het altijd feest. In de kelder vond ik wijn en een halfvolle fles wodka, ik schroefde de dop eraf en zette de fles aan mijn mond. ‘Betty?' Ik draaide me om, Helena stond in het deurgat boven de keldertrap. Haar goudblonde krullen schitterden in het ganglicht. 'Kom je terug, Betty?' Het kind klom naar beneden. Toen gebeurde het. Ze struikelde over het laken. Een luide schreeuw, een bons. Helena 's hoofd smakte tegen de betonnen keldervloer. Doodstil bleef ze liggen, haar benen in een vreemde hoek. Een straaltje bloed sijpelde uit haar open mond, haar roze sproeten staken fel af tegen haar witte gezicht. In de woonkamer boven ons lachte de tweeling. In de kelder was het bladstil. Seconden leken eeuwig te duren. Alsjeblieft, God, bad ik, als het goed komt met haar, zal ik nooit nog een druppel drinken. Wekenlang lag Helena in het ziekenhuis. 'Ze heeft geluk,' zegden de dokters, 'het had nog erger gekund.' Mijn gebed is niet verhoord maar mijn belofte heb ik gehouden: geen druppel alcohol heb ik nog aangeraakt. Liters water drink ik nu, maar de smaak van schaamte en spijt krijg ik niet weggespoeld. Helena verblijft in een tehuis voor gehandicapte kinderen, alleen in de weekends is ze bij haar ouders en broers. Elke zondag, weer of geen weer, wandel ik met haar, een porseleinen pop in een rolstoel. Haar gezicht is nog mooier geworden, maar haar blauwe ogen, koud als water, kennen niets of niemand meer. Betty en Werner nodigen me vaak uit maar ik ga nooit meer bij hen naar binnen. 'Jou treft geen enkele schuld, het had net zo goed bij de ouders kunnen gebeuren,' zeggen de mensen me vaak. Alleen mijn moeder zegt dat niet. Sinds de fatale avond kijkt ze me vaak vragend aan, alsof ze in mijn hoofd naar binnen wil. Vermoedt ze iets? ‘Moeders begrijpen en zien altijd alles,' zei ze toen ik klein was. Op mijn achtste roetsjte ik langs de stam van een eik naar beneden. Maandenlang staarden mensen op straat naar de gekartelde streep in mijn gezicht. Kinderen wezen naar me: 'Net een rits!' Ik verstopte me achter een sjaal. Mijn moeder was de enige die verder dan het litteken keek. 'Mag ik eraan komen?’ vroeg ze op een dag. Voorzichtig trok ze de sjaal weg. Haar vingertoppen waren zacht en warm. 'Er is iets wat je nooit mag vergeten,’ zei ze toen. 'Mama's houden van hun kinderen, hoe die er ook uitzien en wat ze ook doen. Beloof dat je het altijd zult onthouden!' Ik vergat het al vlug. Maar mijn moeder niet. 'Weet je het nog van je litteken?' vroeg ze me tien jaar geleden. Het was in de periode dat ik twijfelde aan mezelf nadat mijn man me had bedrogen. 'Weet je het nog, Betty?' herhaalde ze een tijd geleden. Ze keek naar me met haar donkere, bijna zwarte ogen. Ik wist dat ze zag wat iedereen zag: dat ik in drie jaar tijd twintig jaar ouder was geworden. Niet huilen, dacht ik. Als ik huil ben ik verloren. Ik draaide me om en slikte de tranen weg. Ach, mijn moeder, zacht en smeuïg als boter. De schuld die ik draag is zo groot dat geen enkele moeder ze ooit kan vergeven.   Ik kom aan bij het hospice. Ik moet me vermannen, aan iets anders denken. Ik plak een glimlach op en loop door de gang voorbij een kerstboom met prachtige, gehaakte engelen. Moeder ligt in bed, de lamp tekent een zacht licht om de trekken van haar gezicht. Haar ogen staren in de verte. Haar borst gaat heel licht op en neer. Ik ga zitten op een stoel dicht bij haar en steun mijn gezicht in mijn handen. Ik hoor de stilte suizen. Een warme hand op mijn schouder: een verpleegster met een brede lach en een kop koffie. ‘Het is niet gemakkelijk hé, mevrouw, en dat op kerstavond.' ‘Zou mijn moeder me nog horen?’ ‘Wie weet... Het gehoor blijft naar het schijnt het langst bewaard.' Ze buigt zich naar mijn moeder toe. 'Uw dochter is hier, mevrouw. Als u me hoort, knijpt u dan eens in mijn hand?' 'Geen reactie,' zucht de verpleegster. 'Ik laat u, maar ik kom regelmatig eens kijken en u mag me altijd bellen hoor.' Ik knik, mijn keel zit dicht. Ik kijk door het raam: zie een zwart gat met mijn moeder in bed en mezelf op de rand ervan. 'Mama,' fluister ik. ‘Mama.’ Niet huilen. Als ik huil ben ik verloren. En dan gebeurt het. Ik huil zoals ik nog nooit gehuild heb, mijn gezicht verstopt in moeders laken, mijn hand in die van haar. In één gulp komt mijn hele geheim eruit. ‘Mijn schuld, mama,' snik ik, 'mijn schuld.’ Een zacht kneepje in mijn hand. Moeders vingers zoeken mijn gezicht, betasten bevend het litteken op mijn voorhoofd. Haar vingertoppen zijn zacht en warm.      

Martine Wolfaert
0 0

Een lichtblauw mantelpakje

      Daar gaat ze: de grijze mantel dichtgeknoopt tot in de hals, de rieten boodschappenmand in haar hand. Haar pas is licht en snel, altijd is ze op weg om voor iemand te zorgen. Liza: 72 jaar, mollig, goedig, rozig. De ogen vriendelijk en opvallend blauw, de witte haren in een knotje. Ze is geliefd in het flatgebouw waar ze woont: ze is de altijd beschikbare oppas voor de peuter op nummer twee. Het hondje van nummer drie wordt het liefst door haar uitgelaten en elke week gaat ze langs op het gelijkvloers bij de oude weduwe met de snor. Samen met haar man woont Liza op nummer één, een sombere flat met zware meubels en futloze gordijnen. Ze wonen er bijna 50 jaar. Kinderen hebben ze niet: Jos is tegen kinderen. Jos, 80 jaar, is klein, keurig, krenterig. Winter en zomer draagt hij een donkergroene trui. De enige uitspatting die hij zich veroorlooft, is de haarolie waarmee hij zijn 30 overgebleven haarslierten naast elkaar tegen zijn voorhoofd plakt. Vroeger werkte hij als militair. Zijn bevelen knallen nog steeds de lucht in: 'Drink niet, rook niet, snoep niet. Gebruik geen schmink. Verspil geen geld.' Zijn groene ogen schieten voortdurend heen en weer, opzoek naaronvolkomenheden. Hij noemt Liza nooit bij haar naam; 'Vrouw!' klinkt het de hele dag, 'Kom hier, vrouw!'Liza verdraagt zuchtend zijn humeur en norse buien. Ze haalt het niet in haar hoofd om haar man tegen te spreken. Maar ze is een nonchalant en vergeetachtig type. Wanneer ze zijn eten brengt bijvoorbeeld, vergeet ze altijd wel iets: de zoetjes, de peper, de melk. Altijd opnieuw, alsof ze het met opzet doet.   Sinds zijn hartinfarct, acht jaar geleden, ligt Jos voortdurend op de sofa, speurend naar gesprongen adertjes, bevende handen en alle tekenen van een dreigend nieuw infarct. Hij heeft nu ook een tic: een klein spiertje in de hoek van zijn rechteroog trekt samen, zodat het lijkt of hij knipoogt. Maar wie Jos Devernier kent, weet dat deze man zelden knipoogt. Zijn dieet (streng vet- en zoutarm) neemt hij op stipte tijden. Om 12 u exact moet zijn toast klaar zijn: lichtgeel, bros en warm.   Sinds een jaar gaat Liza af en toe op uitstap met de weduwe van het gelijkvloers. Als ze Jos vertelt over deze ‘reisjes voor 65 plussers’ kijkt hij haar smalend aan : '65 plus’ doet hem aan het vetgehalte van kaas denken. Jos houdt niet van reizen. Zijn koffer zou vast aan flarden gesneden worden door de douane, op zoek naar heroïne. Eten in een restaurant zou onvergeeflijk vet zijn, het schokken van de bus zou hem een onregelmatig hartritme bezorgen. Maar Liza geniet van de reisjes, ze kijkt ernaar uit als een kind naar Sinterklaas.   Ook de 80 jarige weduwnaar van nummer acht reist mee, verrassend goed te been en knap in zijn gesteven pak. Het ontgaat Liza niet hoezeer de man telkens zijn best doet om een plaatsje naast haar aan tafel te bemachtigen. Hoe hij haar telkens verrast begroet, haar jas aanneemt en een stoel voor haar bijschuift. De goedmoedige ogen achter zijn kleine bril lachen uitnodigend. Hij spreekt haar naam eerbiedig en smaakvol uit, de klemtoon op de ‘z’. 'Of ze gehuwd is' vraagt hij haar op een keer. 'Ik ben alleen,' glimlacht ze breed. Ze schrikt van haar eigen antwoord. 'Noemt u mij maar Juul,' antwoordt hij. Ze proeft zijn naam voorzichtig in haar mond, om en om als een likeurbonbon. Haar wangen gloeien. Hij legt zijn brede handen zachtjes op haar schouder. De warmte blijft de hele avond in haar huid gegrift. Op een koude winteravond, de keuken netjes opgeruimd, snuffelt Liza in de folder ‘Daguitstappen met de bus voor 65 plus’. Haar ogen schitteren. Gretig kleurt ze bolletjes naast haar keuzes. Met zijn kleine afkeurende ogen houdt Jos haar opmerkzaam in de gaten. Het is al de zevende keer in twee jaar tijd dat Liza een busreis maakt. Uitspattingen die hij niet langer kan dulden. Bovendien wordt Liza steeds meer vergeetachtig en nonchalant. Jos draait zich naar haar toe. 'Het is welletjes geweest met die reizen. Je stopt ermee, vrouw.' Hij praat vlug, speeksel druipt op zijn kin. Het spiertje naast zijn oog trekt als bezeten. Liza wordt spierwit. Hakkelt dat hij dit niet kan menen. Jos wordt paars. Dan herinnert hij zich de waarschuwing van de dokter dat hij zich vooral niet mag opwinden. Zijn gezicht en de discussie sluiten zich. Hij draait zich om naar de tv. 'Ik wil mijn thee,' zegt hij.   Er knapt iets in Liza's hoofd. Als bij een te strak gespannen vioolsnaar. Er tekent zich een grimmige trek om haar mond. De hele avond staart ze naar het gefronste voorhoofd met de geoliede haarslierten, dat uitsteekt boven de krant. De volgende weken verandert de uitdrukking van Liza ’s rozige gezicht. Het goedige en twijfelachtige maakt plaats voor een merkwaardige resoluutheid. Haar ogen schitteren, haar stem heeft een nieuwe, vastberaden klank. Ze gaat steeds vaker op uitstap. ‘s Morgens staat ze vroeg op en zet een vetvrije maaltijd klaar voor Jos. ’s Avonds ligt ze als een dichtgeklapte strandstoel naast hem in bed. Haar gedachten zijn bij Juul, bij de bloem in het knoopsgat van zijn vest, bij de tastende vinger op haar gezicht. Jos probeert de uitspattingen van zijn vrouw tegen te houden. Vergeefs. Steeds vaker drukt hij op zijn borst om het onrustige jagen te kalmeren.   Twee maanden later, de lente hangt al in de lucht, krijgt Liza een brief. Ze herkent onmiddellijk het zorgvuldige handschrift. Ze haast zich naar de slaapkamer, weg van Jos, van zijn priemende blik. De slaapkamer is koud, maar Liza gloeit. “Lieve Liza, Mijn oude hart kan niet wachten om u weer te ontmoeten. Mijn leven zonder u was een passage tussen haakjes, een wachttijd in zwart-wit. Ik popel ernaar om de kleurenfilm van mijn leven eindelijk met u te beginnen.” Er zit een grote vogel in haar lijf, een die alle kanten uit wil. Liza dwingt zichzelf tot stilzitten, tot rustig ademhalen. Met voorzichtige vingers steekt ze de brief terug in de envelop en verstopt hem onderin haar nachtkastje. Enkele dagen later krijgt ze een uitnodiging van Juul. Hij wordt 80 jaar en hoopt dat hij zijn verjaardag samen met haar kan vieren. Haar ogen zijn vochtig en dromerig. Ze pakt haar rieten boodschappenmand en roept naar de sofa: 'Ik ga naar de winkel. Ik blijf lang weg want ik moet ook het hondje van…' 'Wacht!' roept Jos verschrikt. Hij kijkt om zich heen of hij het nodige binnen handbereik heeft. Of Liza weer niets vergeten is, waardoor hij – alweer - hulpeloos aan zijn lot is overgelaten. Hij controleert zijn pillen, zijn zakdoeken, het flesje eau de cologne, de thermos kruidenthee. Hij kijkt na of zijn draagbare telefoon voldoende geladen is. Het kaartje met de telefoonnummer van de huisdokter en van het ziekenhuis zet hij goed leesbaar tegen zijn fles haarolie. Als hij zeker is dat alles op het tafeltje naast de sofa ligt, zucht hij: 'Ga maar. Koop ook maagzout. En voor de derde keer, vrouw, koop rattenvergif. Ik hoor de muizen knagen.'   Buiten is het koud en guur. Liza voelt het niet. ‘Juul’ waait de wind rond haar knotje. ‘Juul’ stroomt het bloed in haar benen. In een chique dameszaak past ze een duur mantelpakje. 'Lichtblauw – precies de kleur van uw ogen,' moedigt de verkoopster haar aan. Liza lacht: haar toekomst is van het puurste blauw. Ze koopt alles wat ze nodig heeft, deze keer vergeet ze niets. Ze kiest make-up en parfum. In de delicatessenwinkel vraagt ze goede wijn en dure pralines. Ze gaat naar de kapper en zegt aan het meisje dat ze iets heel anders wil. Een tikje buiten adem komt ze terug thuis. Met kleine kroezende krullen en met haar rieten mand afgeladen vol. Jos ziet haar, zijn ogen worden groot als schotels. Zijn beker kruidenthee valt om. Hij hapt naar woorden en naar lucht. Hij begint een uiteenzetting over zinloze uitspattingen. Zijn knokkels om de sofaleuning zien wit. Tenslotte zwijgt hij. Oorverdovend.   Liza trekt zich terug in de keuken. Ze bekijkt zichzelf af en toe goedkeurend in de spiegel en warmt neuriënd een vetarme maaltijd op voor Jos. Om 18 u stipt brengt ze het dienblad naar zijn sofa. Glimlachend kijkt ze toe hoe hij eet. Deze keer is ze niets, maar dan ook niets vergeten. Als zijn bord leeg is, verschijnen er zweetdruppels op het witte voorhoofd van Jos. Zijn neusvleugels, van nature al breed, staan wijd open als bij een prairiepaard. Twee riviertjes stromen langs zijn vogelnekje naar de kraag van zijn donkergroene trui. Zijn armen klauwen doelloos in de lucht. 'Zet de verwarming lager, vrouw,' hijgt hij. Ze doet wat hij vraagt. Drukt daarna een kus op één van zijn 30 haarslierten. 'Tot ziens,' fluistert ze. Zijn mond opent zich om te protesteren. Vergeefs.   Ze kijkt nog één keer in de spiegel. Met een zweem van parfum om zich heen stapt ze daarna in de lift. Zweeft glimlachend naar nummer acht.        

Martine Wolfaert
11 0

ik ben te veel verdriet

                             'Kijk, de vuurtoren staat er weer,' wijst een jongen van mijn klas naar mijn oma. Alle kinderen lachen. Behalve ik. Ik ren naar de poort. 'Ik wil niet dat je hier op me wacht,' zeg ik. 'Hoezo?' Oma's mond valt open, een gat zonder tanden. Ze duwt haar rode hoedje naar achteren. Haar jas is knalgeel, haar rok oranje. 'Je kunt beter een eind verder op me wachten.' Ze lacht luid, haar rimpels bewegen: het lijkt wel de zee als het regent. Ze heeft rouge op en heel veel lipstick. Een paar kinderen wijzen naar ons en trekken gekke bekken. Oma zwaait met haar stok en steekt haar tong naar hen uit. 'Pas maar op,' roept ze, 'want als de klok twaalf slaat, blijft je gezicht zo staan.' 'Kom,' knipoogt ze naar mij. Ik knipper terug met mijn twee ogen, ik kan niet knipogen. We wandelen naast elkaar naar huis en komen voorbij 'Zonnedauw'. Er staan bankjes op het gras, onder de bomen en bij de bloemenperken. De zon schijnt, de banken zitten vol met oude mensen. Zoals elke dag gooit oma haar stok op de grond. 'Moet je kijken wat ik nog kan,' roept ze. Ze buigt zich voorover, haar hoedje valt op de grond. Ze pakt haar kuiten vast. Een paar voorbijgangers staan bewonderend stil. Oma komt weer rechtop. ‘Niks voor mij, hoor, Zonnedauw!' De mensen klappen lachend in hun handen.   's Nachts glip ik zo stil ik kan uit bed. Op blote voeten mijn slaapkamer uit, de woonkamer in. Ik klim op een stoel en pak de envelop van de kast. Daarna sluip ik terug naar mijn kamer, en verstop de envelop onder de bak met playmobiel: mijn geheime plek.   De volgende middag, aan tafel: Mama: 'Het gaat opnieuw slechter met oma. Ik ben bang dat haar medicijnen niet meer helpen. En hoe ze er tegenwoordig bij loopt, dat kan toch niet langer! Het gebeurt ook steeds vaker dat ze me niet meer herkent. En hoe het in haar keuken gesteld is, niet te geloven! In haar besteklade lag een blok kaas en in haar ijskast lag de afstandsbediening van de tv.' Mama schept nog wat puree op papa's bord. 'En dan het gevaar voor brand,' moppert ze, 'ik mag er niet aan denken. Oma was vanmorgen weer helemaal vergeten dat ze water voor koffie had opgezet.' Papa: 'Ik hoop dat de directeur ons vlug antwoordt. En dat er plaats is in Zonnedauw.' Ik: 'Het is niet eerlijk, mama, je weet hoe eng oma het daar vindt.' 'Jij blijft er tussenuit, Mathijs, je bent nog veel te klein!' 'Ik ben bijna tien!' 'Kom, eet nog wat.' Mama schept mijn bord opnieuw vol en praat gewoon verder. Wat denkt ze wel, dat ik klein blijf? Het eten is keivies, ik stampvoet naar boven en gooi keihard de deur van mijn kamer dicht. 's Avonds komt mama op de rand van mijn bed zitten. Ik trek mijn dons met wilde dieren over mijn hoofd. 'Sorry, Mathijs, het zijn die vapeurs. Ik ben zo moe: twee keer per dag naar oma. Ik red het niet meer zonder hulp. Oma zal het vlug gewend zijn in Zonnedauw, heus.' Ik lig doodstil. 'Slaap je?' vraagt mama na een tijdje. 'Ja,' zeg ik. Ze geeft een kus op het nijlpaard en gaat naar beneden. Ik stap uit bed en ga op mijn knieën op de vensterbank zitten. Wel duizend sterren aan de hemel. Ik hoop dat er een valt, dat ze alle duizend vallen. Oma zal het vlug gewend zijn, ze zal het vlug gewend zijn, vlug gewend zijn. Ik zeg het de hele tijd tegen mezelf. Het helpt niet.   's Avonds google ik op "vapeur": "Damp, wasem, stoom. Opstijgingen (naar het hoofd) bij vrouwen." Mama staat aan de strijkplank, de zon schijnt naar binnen. Ze heeft rode vlekken in haar hals, het zweet stroomt van haar voorhoofd: vapeurs. Ze fluistert tegen papa. Iets over haar buik. Ik mag het natuurlijk weer niet horen, ik ben weer te klein.   De volgende dag speel ik een potje ganzenbord met oma. Als ik even niet kijk, verzet ze de pionnen zodat ze wint. Ze heeft water opgezet voor thee. 'Heb je je gitaar meegebracht, Mathijs?' Natuurlijk, ik pak altijd mijn gitaar mee. Oma is mijn grootste fan. 'Stop eindelijk eens met die jengelmuziek,' zucht mama vaak. Oma zegt dat nooit. Ik speel en zing voor haar, keihard, want ze is een beetje doof. Ze klapt in haar handen van plezier. 'Och,' zegt ze, terwijl ze een traan wegveegt, 'mijn grootmoeder kon ook zo mooi zingen, weet je nog, Mathijs?' Opeens komt er een dikke walm mist in de woonkamer. Ik hol naar de keuken. Het keteltje is droog gekookt.   'Dat is toch vreemd,' zegt mama 's avonds tegen papa. 'De directeur had de brief met mijn aanvraag niet ontvangen.' Ik loop vlug weg: vapeurs. Maar dan krijg ik een ongelooflijk goed plan. Of ik voor mijn huiswerk op de computer mag, vraag ik aan mama. Ze vindt het goed.   Beste meneer de directeur, U moet zeker niet bellen als u deze brief hebt gelezen, want dat weet ik al, want het was namenlijk mijn eigen besluit. Met vele groeten, Mevrouw Daems   Ik pak de envelop die ik onder mijn playmobielbak had verstopt, schrijf het adres van Zonnedauw over en post mijn brief.   Omdat niemand daarna nog wat over Zonnedauw zegt, denk ik dat mijn plan gelukt is. Maar dan, twee weken later, zegt mama dat oma de volgende dag verhuist want dat het water haar tot aan de lippen staat. Ze liegt, ik zie helemaal geen water. Arme oma. Ik ren naar mijn bed. Mijn bloed gonst in mijn oren, mijn hart bonkt en in mijn borst zit een dikke ballon. Ik ga in hongerstaking.   Na twaalf uur en tweeënveertig minuten hongerstaking (het kleine stukje pizza en het minipotje vanillepudding niet meegeteld) roept papa me.   Hij lacht, maar alleen met zijn mond. Hij trekt me op zijn schoot: 'Wat word je zwaar, grote knul!' Hij legt me uit dat oma's hersentumor opnieuw aan het groeien is. Dat ze echt hulp nodig heeft. 'Ik ga mama helpen met inpakken,' zegt hij dan. Hij lacht niet, zelfs niet alleen met zijn mond. Eindelijk mag ik iets weten. Eindelijk ben ik groot genoeg. Ik knipper met mijn ogen, dat helpt om niet te huilen. Ik vraag een koek: mijn hongerstaking is voorbij.   Voor huiswerk moeten we een stom opstel maken. Over wat we willen worden later. Er zoemt een bij in mijn kamer. Op een keer toen ik klein was, stond ik met mijn blote voeten bovenop een wesp. Hij stak me twee keer achter elkaar. Oma sloeg hem met haar stok in tweeën en zoog het gif uit mijn voet. Oma krijgt mijn gelukssleutelhanger. Ik kreeg hem cadeau toen ik negen werd. Binnenkort word ik tien. Over vier maanden, drie weken en vijf dagen. De papa van Seppe uit mijn klas heeft ook hersenkanker. Hij krijgt medicijnen die de kankercellen doden. Maar die heeft oma al gehad. "Geen vergif meer in mijn lijf," zegt ze,"geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt." Oma is zo kaal als een meloen. Ik ben teveel verdriet voor een opstel, schrijf ik in mijn schrift.   De volgende dag krijg ik mijn opstel terug. Het is verdriet hebben, niet verdriet zijn, heeft meester Sam verbeterd. Hij weet er niks van, meester Sam.   Acht dagen later. De directeur van Zonnedauw is een keigrote meneer met een keidikke neus. In zijn neusgaten zitten twee kleine muisjes. Ik sta in de gang en hoor hem praten tegen een mevrouw in een witte schort: 'Dankzij de goede mantelzorg kon mevrouw Van Laer zo lang thuis blijven.' Wat zou dat zijn, mantelzorg? Hij klopt vriendelijk op mijn schouder. 'Ik heb gehoord dat jij haar beste verzorger was?' Ik kijk naar zijn neusmuizen en knik blij. 'Ik denk eraan om eens naar je klas te komen. Om de kinderen uitleg te geven over mantelzorg. Jij bent een supervoorbeeld.' Ik trek blozend mijn gitaar wat dichter tegen me aan. 'Zo is het. Als deze jonge man op bezoek komt, loopt mevrouw Van Laer zingend door de gang, dan lacht ze tegen iedereen die voorbij komt. Want deze muzikant speelt gitaar voor haar.' De mevrouw in de witte schort kijkt met grote ogen naar mij. Ik zwel van trots.   Als hij naar mijn klas komt, de directeur, zal ik mijn blauwe mantel aantrekken. Zodat alle kinderen begrijpen dat ik de mantelverzorger ben. 'Mathijs bereikt mirakels, een echte mantelverzorger,' zal hij zeggen. Ze zullen nogal opkijken als ze dat horen, ze zullen allemaal achterover vallen, met hun achterste op de grond en hun mond wijd open. En als de klok dan juist twaalf slaat, dan blijft hun gezicht voor altijd zo staan.                                           

Martine Wolfaert
0 0

De eerste keer

We waren zeker niet de stoerste jongens uit de klas. Die hielden hun jas aan onder biologie, ook al was het al lang lente. En ook al zei Verhoog dat ze die uit moesten doen en aan de kapstok buiten het lokaal moesten ophangen. Ze vertikten het gewoon en dat zouden wij drieën niet durven.           Frits had het pakje gestolen van zijn oudere zus. Heel makkelijk. Haar tas lag half open op de keukentafel, vanmorgen toen hij beneden kwam. Alles kon je zien: borstel, portemonnee, losse pasjes, armbanden, tampons. En maar liefst drie pakjes sigaretten. Hij had een nog niet aangebroken gepakt. ‘Dan weet ze niet meer of ze die al had of niet,’ zei hij en keek ons vanonder zijn zware hoornen bril heel intelligent aan. Ja, de slimsten van de klas, dat waren we zeker wel.           Ik stelde voor iets hoger in het portiek te gaan staan, zodat we wat minder zouden opvallen. De kleine pauze was net begonnen en we hadden nog ongeveer 19 minuten. Frits haalde het pakje uit zijn kontzak, scheurde routineus het plastic omhulsel in één vlotte beweging eraf en opende het aluminium folie. Waarna het begeerde rookgenot zich in al haar heerlijkheid aan ons openbaarde.           ‘Roken tijdens de zwangerschap is slecht voor uw baby,’ las ik, terwijl Frits Stef en mij het roodwitte pakje voorhield. Hij trilde een beetje met zijn hand, of verbeeldde ik me dat maar? Niemand van ons had ooit nog gerookt, hadden we elkaar opgebiecht vanmorgen voor schooltijd in de fietsenstalling, toen Frits vertelde dat hij een pakje sigaretten bij zich had. ‘Marlboro,’ had hij erbij gezegd. Alsof dat er toe deed als je voor de eerste keer ging roken.            Rookte mijn moeder tijdens mijn zwangerschap? Dat ze vroeger rookte, wist ik van oude foto’s, waar ze vrolijk op stond met in haar ene hand een sjekkie en in haar andere een fles bier. Ook slecht tijdens de zwangerschap. Zo’n beetje álles was slecht tijdens de zwangerschap. ‘Behalve neuken,’ zei mijn vader iedere verjaardag weer als het ter sprake kwam, ‘want het kind is al in de maak.’ En dan lachte hij zo geil dat ik van schaamte de kamer uitliep.           Ik had moeite er één uit het pakje te krijgen. Frits werd ongeduldig en schudde met zijn hand, juist toen het lukte. De sigaret knakte.           ‘Godverdomme, lul,’ zei hij. Ik haalde ‘m er uit en keek beteuterd naar de twee tabakstompjes. ‘Had dan gezegd dat je zonder filter rookt,’ lachte Stef en trok zonder mankeren een héle sigaret uit het pakje. ‘Geeft niks man, nu is het makkelijker delen, zes elk.’ Stef is een goeie gozer. Alleen met Frits was het bonje geworden, zeker weten. Ik gooide de gebroken sigaret uit het portiek. Het doosje lucifers had Frits van naast het gasfornuis meegenomen. Na vijf of zes mislukte pogingen brandde er eindelijk één en namen wij voorzichtig de eerste trek. Onwennig hield ik de bruine filter stoer tussen duim en middelvinger, zoals Sierksma van Frans hem altijd vast had. Wij aan de vervoegingen van fumer en hij de daad bij het woord voegend aan het open raam achter zijn bureau. Hij leek op Sean Connery toen James Bond nog mocht roken. We hoestten ons door de eerste heen en schoten de filter van de trap. Frits stak meteen zijn tweede op. Waarom weet ik niet precies, maar hij had de sigaretten gelijk allemaal maar uitgedeeld en het lege pakje terug in zijn kontzak gestopt. Stef en ik begonnen gelijktijdig aan onze tweede. Hoewel het geen wedstrijd was, werd het dat wel.             ‘We hebben nog 8 minuten,’ zei ik na mijn derde te hebben uitgedrukt tegen de ruwe bakstenen zijmuur. Ik lag inmiddels op kop.           ‘Jij inhaleert niet,’ zei Frits streng, terwijl de rook uit zijn neusgaten kwam. ‘Zo kan ik het ook.’ Hij keek op mij neer.   ‘Voelen jullie niks?’ zei Stef. Ik keek naar zijn bleke gezicht vol puisten. Zijn haar alsof hij het nooit kamde. Zijn bril -een kindermontuur nog- veel te strak tegen zijn gezicht. Hij zweette, zoals altijd. Daarom droeg hij ook een trui, zomer en winter, dan zag je de natte okselplekken niet zo, wist ik. Zijn windjack had hij tussen de verveloze trapleuning gepropt. Ik zag druppeltjes op zijn neus. Hij ging zitten. Frits stak zijn vierde op. Het portiek stond blauw van de rook. Op de stoep onderaan de trap lagen de peuken, sommige rolden verder, omdat de wind er even vat op had.           Toen gebeurde het. Stef kwakte ineens met zijn kop tegen de muur. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij. Hij hing helemaal scheef. Bij zijn slaap stroomde bloed.           ‘Jezus, Stef!’ riep ik en keek naar Frits. Die rookte stug door. Hoewel hij pas halverwege was, stak hij met de gloeipunt al de volgende aan en gooide de vierde nog brandend naar beneden. ‘We moeten opschieten,’ zei hij, ‘we hebben proefwerk wiskunde.’ En trok verwoed aan zijn vijfde. Het leek of Stef niet meer bestond voor hem. Nadat hij zijn vijfde had weggeschoten, haastte hij zich de portiektrap af. Ook ik gooide mijn vierde van de trap, maar meer om mijn handen vrij te hebben voor Stef die er voor blei bij zat. ‘Stef,’ zei ik en kwam met mijn gezicht vlak voor het zijne. ‘Stef!’ Ik pakte met mijn hand zijn pokdalige wangen en schudde zijn gezicht wild heen en weer. Langzaam opende hij zijn lodderige ogen. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij nogmaals en sloot opnieuw zijn ogen. Ik ging naast hem zitten, sloeg mijn arm om hem heen en probeerde hem zoveel mogelijk rechtop te krijgen. Depte met een vieze tissue voorzichtig het bloedspoor van zijn gezicht. Beneden rolde Frits’ zesde sigaret over de stoep. Nog helemaal gaaf. Ook het verkreukelde pakje had hij uit zijn kontzak gehaald en lag onderaan de portiektrap. ‘Ik breng je naar huis, Stef,’ sprak ik bemoedigend, ‘maak je geen zorgen, man. Stef knikkebolde. Op mijn horloge zag ik dat de kleine pauze inmiddels voorbij was.

Dirk Straaijer
79 1

Venetiaans Blond

GIANLUCA   ‘Voor mij de duif alstublieft,’ zei de man. Gianluca zuchtte en gaf met uitgestreken gezicht zijn standaard antwoord: ‘In principe serveren we dat niet meneer, maar tegen een kleine meerprijs ga ik dadelijk op pad om speciaal voor u een topexemplaar te strikken. Met uw goeddunken zal mijn vader het dier hoogstpersoonlijk slachten en vervolgens met veel zorg en op aloude wijze voor u bereiden.’ De laatste tijd kreeg hij het mopje wel vaker te horen, van een zelfgenoegzame toerist die er zijn vrienden mee wilde entertainen of, zo mogelijk nog erger, indruk wilde maken op zijn date. Maar deze keer klopte dat plaatje niet.    De man kwam van hier, indien niet uit Venetië dan zeker uit Italië - toch was hij op zijn ongemak. Hij zweette zich te pletter. Zijn pak was te strak voor zijn lijf. Zijn handen waren groot en ruw. Gianluca vermoedde dat hij zich beter voelde op pakweg een scheepswerf dan in een restaurant. Hij wilde het liefst onzichtbaar zijn.   Zij daarentegen deed hoofden draaien. Een klassieke schoonheid was ze niet, en ook niet meer piepjong. Gianluca schatte haar begin de veertig, hooguit tien jaar jonger dan de man tegenover haar. Maar ze zoog blikken naar zich toe, en leek dat ook gewoon te zijn. Haar huid was wit, spierwit, haar ogen felgroen. Verder was ze rood – haar jurk, haar schoenen, haar lippen, haar haren. Ze intrigeerde. Wie was ze? En vooral, wat deed ze met hem?     HÉLÈNE   Hij deed zijn best, dat was het niet. Hij maakte zelfs dezelfde grap als toen. Het deed haar hart even opspringen, dat hij dat nog wist. Maar tegelijk was het pijnlijk. Toen deed hij het vol branie; nu bestierf hij het van de zenuwen. Verder hadden elkaar ze niets, maar dan ook niets te vertellen. Toen was hij een boefje, een ‘ladro di biciclette’, hij was vurig, veelbelovend, vol verwachtingen. Hij had haar meegetroond, zij, middelbare schoolmeisje op Italië-reis, haar helpen ontsnappen uit het hotel, haar de stad laten zien zoals hij, die er was opgegroeid ze zag. Die nacht had langer geduurd dan de rest van de reis. Ze gingen contact houden, dat hadden ze gezworen. Dertig jaar later had ze hem teruggevonden. Op Facebook. Hij was oud geworden, dikker, kaler, vader. Maar in zijn ogen had ze dezelfde schittering gezien als toen. Dacht ze. Hij had dadelijk willen afspreken. Nu zag ze in zijn ogen bitter weinig. Hij zei niet veel, als hij iets zei geraakte hij niet uit zijn woorden. Ze vroeg zich af wat hij zijn vrouw had verteld. Tot zover de belofte. Maar anderzijds, ook zij stond doen op de drempel van een leven vol mogelijkheden. Had zij de verwachtingen wel ingelost?     BEPPE   Beppe kwam nog maar zelden uit zijn keuken. Hoewel ze maar enkele honderden meters verwijderd waren van de toeristische trekpleisters van de stad, werd het restaurant tot voor enkele jaren hoofdzakelijk bezocht door Venetianen. Tot het in een hippe reisgids werd aangeprezen als ‘verborgen parel in het hartje van het authentieke Cannaregio’. De toeristen kwamen, maar veel vaste klanten bleven weg. Beppe verdiende goed, maar voelde zich niet langer thuis in zijn eigen zaak. ‘Papa?’ Zijn zoon Gianluca stond achter hem. ‘Probleem. Tafel 6 kan niet betalen. Ze willen afwassen, zeggen ze.’ ‘Toeristen?’ Gianluca knikte.   Beppe beende de keuken uit, recht naar de tafel van zijn weerspannige gasten, zijn hoofd rood en zichtbaar geagiteerd. ‘Mevrouw,’ stak hij van wal, ‘dit is een eenvoudig restaurant, maar dat wil niet zeggen dat wij geen respect verdienen. Wij bereiden met de grootste zorg…’. Zijn stem stokte. Hij keek, recht in die bezwerende, helgroene ogen en zweeg.     ‘U bént hier al geweest,’ zei hij uiteindelijk. ‘Lang geleden, maar ik herinner me u.’ De vrouw knikte. ‘Dat is zo.’ ‘U hebt toen ook de afwas gedaan. U was jong, heel jong nog…’ ‘Zeventien, op reis hier met de school. Ik was uit het hotel ontsnapt met een jongen van hier. Maar we hadden geen geld, helemaal niks.’   Beppe keek even opzij, naar de man. ‘Wilt u daarom opnieuw… Maar waarom?’ De vrouw zuchtte. ‘Waarom kijken mensen graag naar foto’s uit hun kindertijd? Waarom blijven ze hun hele leven luisteren naar muziek uit hun jonge jaren? Waarom zoeken ze contact met uit het oog verloren vrienden?’ Hij knikte. Alle boosheid was uit hem verdwenen. Het leek alsof een soort van weemoed hem overviel. ‘Ik hoop dat u er iets aan heeft…’ De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ach, u weet vast ook wel hoe het gaat met zulke dingen. Ja, ik voelde me weer zoals toen, heel even, maar even snel is daar het besef dat het nooit meer terugkomt. Ik had het kunnen weten.’ Beppe zweeg. ‘U mag… als u dat wilt, mag u komen afwassen…’ ‘Laten we dat maar achterwege laten dit keer. Brengt u me gewoon de rekening maar.’ Ze richtte zich tot de man. ‘Je kunt beter gaan nu. Sorry dat ik je hierin heb meegesleept.’   Beppe draaide zich om naar zijn zoon. ‘Gianluca, breng je mevrouw de rekening? En een amaretto. Van het huis.’ Hij keek weer naar de vrouw. Ze had haar ogen neergeslagen, maar hij meende een traan te zien op haar linkerwang. ‘Weet u, mevrouw, het restaurant is best wel veel veranderd sinds u hier laatst was. Als u wilt, kunt u uw amaretto bij ons in de keuken komen drinken. Ik heb achterin nog foto’s liggen van toen.’ Ze keek op en knikte dankbaar.

Lennaert Leo
0 0

De eindejaarsreis - Barcelona

Het witte kleed viel perfect langs haar smalle lichaam. Het satijn voelde heerlijk. De blonde lange krullen waren opgespeld. April moest toegeven, dat het beeld dat ze in de spiegel zag, perfect was. ‘Ben je er klaar voor?’ vroeg haar beste vriend. April knikte zelfverzekerd. Binnen een half uurtje zou ze officieel echtgenoot zijn van de man van haar dromen.   Ze had er eerst over moeten nadenken. Bij nader inzien was het misschien toch niet zo een goed idee geweest. De geur van nagellak bleef in de veel te kleine bus hangen. April hoorde hoe de studenten zeurde over de vreselijke geur. Maar zoals in vele gevallen, kon het haar niet veel schelen. Haar beste vriend, Rob, moest erom lachen. ‘Wie laat er nu nagellak drogen onder de airco van de bus?’. April haalde haar schouder op. ‘Een snelle, makkelijke oplossing. Bovendien’ begon ze haar verdediging. ‘Heb ik iets te doen op deze eindeloos lange rit’. De leerlingen van de Duffelse school waren onderweg naar hun eindejaarsreis, met richting Barcelona. Het gezeur over de nagellak geur begon te minderen. April staarde voor zich uit. Ze kruiste met een blik van hem. Hij keek haar doordringend aan. Enkele seconden en toen draaide hij zich terug naar voren. Eikel, dacht ze bij zichzelf. Louis was één van de populairdere jongens op school. Hij zat in een andere studierichting. April haatte hem. Ze kende hem dan niet persoonlijk, maar de jongen had zo een verschrikkelijke air rond zich. Alsof hij zich echt de meest perfecte jongen van de school vond. Na zestien uren rijden hield de bus halt aan een klein, maar gezellig hotelletje aan de kustlijn. De school organiseerde uitstappen, maar had de laatstejaars ook vrije tijd beloofd. April en Rob besloten met enkele klasgenoten een barretje te bezoeken. De Spaanse barmannen vonden het fantastisch toeristen over de vloer te krijgen in het midden van mei. Buiten de leerlingen was de bar vrij leeg. Hoe meer cocktails de studenten dronken, hoe meer ze de bar overnamen. Enkele stonden achter de bar zelf cocktails te bereiden, anderen stelde een Belgische playlist op en het grootste deel van de bezoekers stonden op tafels te dansen. De volgende morgen was het stil op de bus. De leerlingen reden naar één of ander saai museum. Het museum was misschien niet zo saai geweest als April de afgelopen nacht niet zoveel had gedronken. Toch wel, dacht ze. April en Rob zaten op de stoeprand naast het museum. Vanavond keerde ze terug en het zou nog beter worden. ‘Je ziet er net zo slecht uit als al die andere leerlingen gisteren in de bus’ hoorde April naast zich. O god, Louis zette zich naast haar en stak een sigaret op. April keek hem niet begrijpend aan. ‘Je aanslag op de bus, met de nagellak geur’ verklaarde hij zijn beschuldiging. April negeerde hem. ‘Niets gewoon’ concludeerde Louis. ‘Als je net zoveel als me had gedronken zou je er net zo belabberd uitzien’ wist April. Hij blies de rook uit. ‘Ik zou er na een nachtje uit niet zo uitzien als jij’. April keek op. ‘Dit klinkt als een uitdaging’ zei ze. Diezelfde avond herhaalde Aprils klas de uitstap naar de bar. Na enkele drankjes stond de dansvloer vol. Enkele klasgenoten hadden andere studenten uitgenodigd, dus de barmannen waren nog enthousiaster als gisteren. Ze deelde gratis drankjes uit. April danste met Rob toen ze Louis aan de zijkant zag staan. Hij lachte uitdagend. Laat de weddenschap beginnen, dacht April toen ze naar hem liep. Ze liepen schommelend het hotel binnen. ‘Ik zie je morgen’ wist April enkel uit te brengen. ‘Wacht!’ riep Louis. ‘Ik heb je gsm – nummer nog niet’. April lachte. ‘Dacht je die zomaar te krijgen dan?’ en ze sloot de kamerdeur. De laatste dag in Barcelona zouden ze als afsluiter gaan kijken naar een show van fonteinen. ‘Jij en Louis’ zei Rob. ‘Ach, neem het niet te serieus’ verzekerde April haar beste vriend. ‘Alsof Louis ooit goed in relaties zou zijn’.   Nu stonden ze hier. In een romantische, kleine kerk. Vandaag zou het gebeuren. De muziek begon te spelen. ‘Ik ben zo blij voor je’ zei Rob en hij nam April in zijn armen. De deuren gingen open en April zag hem vooraan aan het altaar staan. Louis, haar Louis. Iedereen stond recht van de houten banken. Veel van hen hadden nooit gedacht dat zij hier zou staan, althans niet met Louis. Tijdens het laatste jaar van het middelbaar hadden velen tussen hen willen komen. Vaak met leugens, vaak met roddels, maar geen enkele poging was gelukt. Ik verdien het om hier te staan, wist April. Louis ogen waren vochtig. Hij bracht de gouden ring rond haar vinger. Zij deed hetzelfde bij hem. ‘Wie had dit ooit gedacht?’ fluisterde Louis. ‘U mag nu de bruid kussen’ . ‘Lang leven Barcelona’ zeiden April en Louis in koor. De relatie die ze hadden gestart in het laatste jaar van het middelbaar, werd bevestigd met een liefdevolle kus. Hun eerste kus, als man en vrouw.

Ana - lena
11 0

route 77

Route 77 Bij elke ergernisopstoot keek Joan opzij. Van een lifter vroeg zij alleen maar een verhaal. Ze leende graag feiten en gedachten. Als tijdelijke schokbreker. David noemde hij zich. Geen zinnig woord kwam er nog uit. Al van toen hij moeizaam was ingestapt hing hij half uit het raam. Helaas maar half, schoot het nu door haar hoofd. Bijna een uur lang zag ze in de cabine alleen dat verrimpelde onderdeel, waar ze totaal geen behoefte aan had. En de hele tijd neuriede die David hetzelfde brokje. Geraakte dat dan niet helemaal uitgebraakt? Het was nauwelijks meer dan ritmisch gonzen richting maan. En dan nog in zo'n warrig taaltje. Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away. Voor ze vertrok had ze gesakkerd dat de radio en de CB niet hersteld waren. Nu kon ze er wel stevig om vloeken. Ja, dat kon ze. Met janken was ze definitief gestopt toen haar laatste pakje sigaretten leeg was. Tien dagen na de crash waarbij zij haar vader verloor. In zijn vrachtwagen, in zijn spoor reed zij. Zijn foto hing nu op haar plaats aan het dashboard. Ze schudde de foto en het gonzen uit haar gedachten. De tik tegen zijn schouder was harder dan ze bedoeld had. Het achterhoofd van David maakte een doffe smak tegen de camion toen hij recht schrok. Dan toch niet zo hol, glimlachte ze binnensmonds. Waar wil je naartoe, vroeg ze verontschuldigend. En geen flauwe plezante antwoord, dat je een leven lang hebt gedroomd van 's nachts door het raam van een zware vrachtwagen te hangen, deed ze grappig streng. Hij wreef over zijn kalende kruin. Greep dan naar zijn snor en zijn tanden. Vals of echt. Het antwoord was een wrang mompelen. Over lucht nodig. En over niet met een jonge vrouw in zo'n kleine ruimte. Met meer levervlek dan handen voor zijn ogen klonk zijn stem krachtig. Zijn oom was de beeldhouwer Gutzon Borglum. David wou naar South Dakota, naar The Needles. Naar de granieten kop van Abraham Lincoln. Uit zijn gerafelde ransel haalde hij een goed onderhouden steenbeitel. Hij toonde haar de initialen: G.B. stond in het heft. Het oude hakijzer gleed zenuwachtig van zijn linker naar zijn krampachtige rechterhand. Joan voelde zich klam aan het stuur plakken. Ook een grote vrachtwagen heeft maar een kleine cabine.

hybris
0 0

Mijn zusje en haar meningokokken.

Meningokokken veroorzaken een bacteriële hersenvliesontsteking. Er zijn verschillende types. Maar het belangrijkste, het vieze beest is levensgevaarlijk. De meeste mensen hebben een voldoende weerstand tegen het monster. Een groot aantal mensen is drager van het beest, zonder er ziek van te worden. Een groot aantal mensen.. Een groot aantal mensen. Behalve mijn kleine zus.  ‘Tijd om in bad te gaan!’ riep mama vanaf de overloop. Ik hoorde hoe het water tegen de bodem van het bad spatte. Ik ruimde de Barbiepoppen op zoals mama het wou. Gestructureerd. Alle poppen moesten netjes in de bak liggen, de kleertjes in het daar voor aangeduide doosje, de schoentjes in een ander doosje,… Ik wou zondag vooral niet nog eens met mama op mijn kamer zitten en alle bakjes sorteren. Toen alles netjes weg lag liep ik naar de badkamer. Julieke lag op het verzorgingskussen en haar steunhouder lag al klaar in bad. Het werd tijd dat we zo’n ding zouden kopen, want hoe graag ik mijn zusje ook zag, ze begon toch zwaarder te worden. Ik deed mijn kleren uit en gooide ze in de wasmand. Het water voelde heerlijk warm aan. Precies hoe ik en mijn zusje het graag wilden. ‘Mag Julieke erbij komen?’ vroeg mama. Ik knikte enthousiast. Ik en mijn zusje gingen al jaren samen in bad en toch vroeg mijn mama het nog steeds. Ik vroeg me af of ze dit deed voor mij of om Julieke te laten weten dat ze zo dadelijk onder het warme water werd gebracht. Toen Julieke in haar steun lag draaide ze haar hoofdje en begon ze te kraaien. Ik lachte met haar mee en spette wat water op haar. Met het badschuim maakte ik bij mezelf een baard  en bij haar deed ik hetzelfde. Ook al kon Julieke niet praten, ze kirde enthousiast en ik wist dat ze het leuk vond. Beneden hoorde we de telefoon rinkelen. ‘Ik ga even opnemen Manon’ deelde mama mee en ze rende naar beneden. De deur stond op een kier en ik hoorde hoe mama de telefoon opnam. Ik keek naar mijn zusje. Zou ik? Na drie seconden na te denken besloot ik uit het bad te stappen en me al af te drogen. Ik deed mijn favoriete pyjama aan en kamde mijn haartjes. Ik had altijd al kort haar gehad, dus veel werk was het niet. Mijn blik ging naar mijn zusje. Zou ik? Tuurlijk, dacht ik bij mezelf. Ik nam een handdoek die ik met een wasknijper aan mijn pyjamabloesje hing. Vervolgens deed ik mijn mouwen omhoog. Ik had mama het iedere dag zien doen dus ik zou toch wel weten hoe het moest. Bovendien zou ik mama geholpen hebben, want die had altijd erg veel te doen. Ik zette mijn kleine handen onder de okseltjes en trok mijn zusje omhoog uit het bad. Gelukkig was het zorgkussen dichtbij en ik legde haar hierop. Ik begon haar kleine fragiele lichaampje af te drogen. Ik had geen idee hoe je een luier zou moeten aandoen… Ik dacht diep na hoe mama het deed. Toen ik de luier had aangedaan controleerde ik nog even of die goed zat. Daarna deed ik haar pyjama aan en kamde haar lange mooie haartjes en deed ze in en staartje. Op dat moment kwam mama de badkamer in gelopen. ‘Manon?’ vroeg mama onbegrijpend. Ik keek haar aan en ze zag dat ik Julieke had afgedroogd. ‘Is het gelukt?’ vroeg ze opgelucht. Ik knikte trots. ‘Goed gedaan van je meid’ en ze wreef over mijn korte bruine haartjes. ‘Heeft jouw grote zus jou uit bad gehaald?’ begon ze tegen Julieke. ‘Heb je zin om je zusje nog een yoghurtje te geven voor ze moet gaan slapen?’ vroeg mama. Ik knikte blij.     1.    Verenigd door sterftegeval   Hier zaten we dan. Als de situatie anders zou zijn zou ik moeten lachen met het feit dat heel de familie samen zou zitten. Wie had dat nog ooit gedacht? Mijn moeder en vader… In dezelfde kleine ruimte? Mijn grootvader langs moeders kant die een babbeltje slaat met mijn grootvader langs vaders kant? Mijn tantes allemaal samen. Mijn nichtjes en neven. Ik had best een grote familie als ik ze zo samen zag zitten. Vele van hen huilde en ik begreep niet goed waarom. Alles zou goed komen, dat wist ik gewoon. Ik voelde het. Julieke zou me niet verlaten, wij zouden samen blijven voor altijd. Als mama later oud wordt en niet meer voor mijn zusje kan zorgen, dan zal ik haar in huis nemen. Het zal me een  barst kunnen schelen wat mijn toekomstige echtgenoot er van zou vinden. Ik zorgde nu al zes jaar lang voor mijn kleine zus, dat moest mijn  echtgenoot er maar bij pakken. Papa vroeg mij en mijn broer of we even buiten konden gaan wandelen. De buitenlucht zou me goed doen. Ik keek naar mama. Die liep net de kamer in waar ons zusje lag. We volgde papa naar buiten. Het ziekenhuis van Leuven was groot. Rondom lag er een klein parkje. De zon scheen en enkele studenten studeerde in het groene gras. We liepen met ons drietjes over het bruggetje waar we halt hielden. Enkele eenden kwaakte op het water. ‘Hoe gaat het met jullie?’ doorbrak papa de stilte. Mijn broertje haalde zijn schouders op, hij was nooit een grote prater geweest, maar ik zag de angst in zijn ogen. ‘Alles komt goed’ was alles wat ik wist uit te brengen. Papa keek me met medelijden aan. ‘Manon ik denk echt dat je rekening moet houden dat ons Julieke niet lang meer te leven heeft’. Ik keek weg. De eenden waren intussen verdwenen. ‘Kan het nog goed komen?’ vroeg Joren stil. Papa zuchtte. ‘Natuurlijk kan het nog goed komen’ antwoorde ik boos. ‘Het komt goed! Het loopt hier vol met artsen en deskundige, zij doen dit iedere dag, zij weten wat ze doen en ze redden onze zus’. Joren zweeg. Ik had niet zo boos moeten worden maar ik kon niet anders. Het leek wel alsof iedereen de hoop had opgegeven. ‘Ik denk dat onze kleine zus wacht om van iedereen afscheid te nemen’ kwam papa ertussen. ‘We zijn er toch allemaal?’ vroeg ik onbegrijpend. ‘Misschien wilt ze afscheid nemen van Geert’. Ik had er altijd van gedroomd een groot gezin te hebben. Stiekem droomde ik ook van een zus met wie ik effectief kon spelen, zingen, dansen… Dingen die ik met Julieke niet kon doen. Sinds papa een nieuwe vriendin had was ons gezin wel erg groot geworden. Geert had twee dochters en een zoon. Bram was één jaar ouder dan mij. Veel last had ik niet met hem. Hij zat vaak van ’s morgens tot ’s avonds aan de computer of anders was hij weg. Papa had meer problemen met hem. Bram was vaak boos en sloeg dan alles in elkaar. Daar kon papa niet mee om. Lies was zestien. Ik keek op naar haar maar was tegelijkertijd ook bang van haar. Papa zei dat Bram gek was in zijn hoofd, maar ik had een vermoeden dat er met Lies meer aan de hand was. Britt was de jongste. Ze was twee jaar jonger dan mij en met haar ging ik het meest om. Ik kon makkelijk baas spelen over haar. Ik en mijn broer kwamen hier om de veertien dagen een weekend logeren. Papa woonde hier. Het was altijd een lange rit van drie kwartier. Alhoewel een groot gezin altijd mijn wens was, ik vond er niets aan om naar hier te komen. Maar als papa vrijdagavond ons kwam ophalen trok ik mijn meest vrolijke gezicht. Ik wou niet dat hij zich zorgen zou maken. Als hij gelukkig was met Geert, moesten wij dat ook zijn voor hen. Geert zelf was een lieve vrouw. Een beetje zwak in mijn ogen. De dingen die Bram en Lies tegen hun moeder zeiden zou ik nooit durven zeggen tegen die van mij. Het was zaterdag en morgen zouden we met z’n allen naar het park gaan. Ik hoopte dat het voor een betere sfeer zou zorgen hier in huis. Sinds enkele weken geleden was het bekend geworden dat Lies zwanger was. Samen met haar vriend, Tomas, zouden ze het kindje houden en hier komen wonen. Ik hoopte dat ik snel veertien zou worden en mocht kiezen waar ik in de weekends zou blijven. Als die baby hier was, wou ik absoluut niet meer naar hier komen. Ik zat op de computer te chatten met wat vrienden en Joren zat naar televisie te kijken. Zoals gewoonlijk at hij een appel. Ik had het opgegeven om te tellen hoeveel appels mijn broer per dag at. Lies kwam beneden en was razend. Ze maakte ruzie met Geert. Geert probeerde haar te kalmeren toen Lies weer naar boven wou lopen. Plots sloeg ze mijn broer in het gezicht. Binnenin knapte er iets in mij. Ik stond recht en wou op Lies vliegen want niemand raakte mijn broer aan! Papa hield me tegen. ‘Wordt rustig Manon’ zei hij. Lies brulde nog wat en liep naar boven. ‘Papa ik wil naar huis’. Even later zaten we in de auto. Papa zat vooraan samen met Joren. Ik en mijn zus zaten vanachter. ‘Ik wil met jullie bespreken wat er net gebeurd is’. Ik rolde met mijn ogen. ‘Ik wil naar huis’ was het enige wat ik zei. ‘Dat gaat niet Manon, we moeten niet weggaan omdat Lies zo doet’. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik was dan misschien maar twaalf, toch wist ik dat het niet normaal was dat een vader bij zo’n gezin zou blijven als die net zijn zoon hadden geslagen zonder reden! Maar het was al snel duidelijk dat we niets te zeggen hadden. We keerde terug naar het huis. Ik sloot me samen met mijn broer op in de kamer en hoorde hoe papa ruzie maakte met Geert tot ’s avonds laat. Het was al donker buiten toen papa met ons terugreed naar Mechelen. We zouden bij bompa gaan slapen. Toen we na dat weekend terug thuis kwamen bij mama zag die meteen dat er iets aan de hand was. Het was een tegenstrijdig gevoel. Moest ik niets zeggen? Als ik dit zou zeggen zou mama boos worden op papa en mochten we hem misschien nooit meer zien. Maar als ik zweeg moesten we terugkeren naar Brecht, naar het huis, naar Lies. Er gebeurde precies wat ik gedacht had toen ik het vertelde aan mama. Toen we in bed lagen hoorde ik haar bellen naar papa en ze schreeuwde. Toen we terug boven kwamen op het verdiep waar mijn zusje lag was mama net een koffie aan het nemen. Ik zat weer met het tegenstrijdige gevoel. Moest ik haar zeggen wat papa’s plan was of moest ik zwijgen? Papa zou Geert morgen gaan halen dus misschien kon ik best nog even zwijgen. Er kwam een priester aangelopen. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik aan mama. Ze volgde mijn blik. ‘We gaan een kleine bezinning doen voor je zusje’. Eindelijk, iemand die me geloofde. We zouden bidden dat het goed zou komen. De kamer was veel te klein voor onze familie. Toch vonden we allemaal een plekje. De priester begon te praten en al snel had ik door dat we niet gingen bidden voor hoop of genezing. We namen afscheid! Ik keek rond en zag hoe iedereen huilde. Zelfs vake, de vader van mijn mama, huilde. Ik begreep er niets van. Waarom geloofde niemand dat het goed zou komen? Na de bezinning liep ik met tante Charlotte naar beneden. Zij was de meter van Julieke. ‘Manon, ik vind het zo spijtig. Het doet zo’n pijn dat ik nooit meer iets kan doen voor mijn petekind’.  Die middag at ik samen met mijn broer, neven en nichten frietjes in de cafetaria. We lachten en maakte plezier.  Ik voelde me voor het eerst sinds lang terug kind en ik voelde geen schuldgevoel om het plezier dat ik beleefde. Het zou goed komen met mijn zusje. Het zou niet lang duren voor de dokters zouden zeggen dat we Julieke weer naar huis mochten nemen. Na de heerlijke fritten liep ik naar de kamer van mijn zusje, samen met mijn broer en oma. De dokters hadden mama de toestemming gegeven om Julieke op haar schoot te nemen. De blik in mijn mama zat vol liefde en een grote dosis verdriet. Ik was jaloers. Niet op de blik in haar ogen tegenover mijn zus, maar dat zij Julieke op haar schoot mocht nemen en ik niet. De inspanning was te zwaar voor Julieke en de draden rond haar kleine gezichtje maakte het er niet makkelijker op. ’s Avonds toen ik thuis kwam zat ik op mijn grote bed en staarde naar het hoekje van de kamer waar het bedje van Julieke lag. De roze beddenhoes en lakens van Kabouter Kwebbel waren netjes opgedekt voor haar thuiskomt. Een thuiskomt die nooit zou plaatsvinden, volgens de dokter althans. Mijn gsm maakte een trillend geluid. Ik las het berichtje van Eva, mijn beste vriendin die nu op skivakantie was. Ze zei dat ze liever bij me was gebleven. Ik glimlachte naar het scherm en typte snel mijn antwoord. Maak je geen zorgen hoor, alles komt goed. Amuseer jij je nu maar gewoon daar in de bergen’. Daarna viel ik in een diepe slaap, weg van alle zorgen, weg van alle pijn. De zon scheen heerlijk op mijn witte huid. Ik keek al uit naar de paasvakantie. Nog een half dagje school en eindelijk twee weken vakantie. We hadden net ons rapport gekregen. Ik had drie buizen, maar niets nam dit vrolijke gevoel weg. Vandaag zou mijn zusje thuiskomen na een weekje ziekenhuis. Ik zat samen met wat vrienden op één van de bankjes op de speelplaats. We lachte en plande fijne uitstapjes die we zouden maken in de paasvakantie. ‘Gaat je mama niet boos zijn voor je rapport?’ vroeg Nena. Zij was naast Eva ook één van mijn beste vriendinnen. ‘Ik denk het niet, ze zal vast blij zijn dat Julieke vandaag thuis komt’ lachte ik en nipte van mijn blikje Cola. Iedereen wist hoe streng mama kon zijn als ik een buis had. Ik werd dan gestraft en had een week huisarrest. Een ding was zeker, ze zou me niet kunnen thuis laten van de skivakantie die we met school zouden maken. Vanavond zouden we met de bus richting Italië vertrekken. Het zou niet alleen mijn eerste skivakantie worden maar ook mijn eerste reis naar het buitenland. Ik keek er al maanden naar uit en telde de dagen af. Eindelijk was het vanavond zo ver. Ik en Eva zouden samen met twee andere meisjes een kamer delen. ‘Vandaag is de gelukkigste dag van mijn leven’ lachte ik. Op de speelplaats was het druk. Eva kwam naar het bankje toegelopen. ‘Manon ze riepen je naam af uit de luidsprekers’. ‘Dat is vast die andere’ antwoorde ik. Toevallig zat ik op school met een naamgenoot van me. Dezelfde voor- en achternaam en net hetzelfde geschreven. Het gebeurde wel eens dat we elkanders schoolrekening thuis kregen. ‘Zou je toch niet eens gaan kijken?’ stelde Eva voor. Ik stak mijn arm rond die van haar en we liepen samen naar het onthaal. ‘Manon je grootmoeder heeft gebeld en je moet naar huis gaan’. Ik voelde hoe Eva me steviger vast nam en hoe ik me steeds zwakker begon te voelen. Mijn hersens hadden al snel de link gemaakt dat er iets mis was, er was iets met mijn zus. ‘Wat is er gebeurd?’ kreeg ik nog net gezegd. ‘Dat weten we niet’ zei de man achter het onthaal. ‘Ik ga met je mee om de poort open te doen van de fietsenstalling. Waar is je boekentas?’ Mijn hersens begonnen verschillende scenario’s te maken in mijn hoofd. Er was iets met mijn zus. ‘Die staat in de klas’ antwoorde Eva in mijn plaats. In de verte hoorde ik hoe de man voorstelde dat Eva mee naar de klas zou gaan. De drukte van de speelplaats deed er niet meer toe. ‘Luister eens’ haalde Eva me uit mijn gedachten. ‘Misschien is er niets aan de hand?’ probeerde ze me te kalmeren. ‘Niets aan de hand?’ herhaalde ik. ‘Eva ik moet naar mijn oma gaan, er is iets. Waarom moet ik anders zo snel mogelijk daar zijn?’ Eva liep nog mee naar de fietsenstalling. De man van het onthaal legde zijn hand op mijn fietsstuur. ‘Rijdt voorzichtig naar huis’. Ik zag het medelijden in zijn ogen. Hij wist meer. De weg van school naar oma duurde tien minuutjes. Vandaag waren dat er vijf. Ik ademde nog diep in voor ik binnenliep. ‘Manon?’ hoorde ik vanachter. Ik deed de voordeur open met de sleutel en liep naar de keuken. Mijn broer zat al aan tafel. Moeke, zo noemde we haar, liep heen en weer en vulde wat zakken. ‘Vake zal zo dadelijk thuis komen en dan vertrekken we naar het ziekenhuis’. Dat was het enigste wat ze zei. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik bang. ‘Dat weet ik zelf niet’. Ze loog. Mijn broer speelde met zijn Gameboy en ik staarde wat uit het raam. Het leek wel uren te duren voor vake thuis kwam, maar in de realiteit liep hij na enkele minuten al binnen. ‘We zijn weg’ zei hij gehaast. In de auto was het stil, niemand zei een woord. Het was warm dus draaide ik mijn raampje omlaag. Leuven was een eindje van bij moeke en vake’s huis. Toen we aankwamen bij het ziekenhuis stond papa buiten aan de ingang te wachten. Hij begroette moeke en vake en die begroete hem terug. Ik schoot bijna in de lach van het vreemde tafereel. Moeke had nooit een goed woord te zeggen over mijn papa. Toen verdwenen ze naar binnen. Papa ging op zijn hurken zitten. ‘Ik moet jullie iets vertellen over ons zus’ begon hij. ‘Julieke heeft niet lang meer te leven’. Hoe vaak hadden de dokters gezegd dat mijn zus niet lang zou leven? Hoe vaak hadden ze gezegd dat we er rekening moesten mee houden dat ze maar zes zou worden? Ze was er negen. We hadden haar negende verjaardag  vorige maand nog gevierd. Hoe vaak ze ons hadden gezegd dat er ooit een dag zou komen dat we afscheid moesten nemen van Julieke , ik voelde me verlaten, gekwetst en boos. Ze hadden het gezegd en ik had het daarstraks geweten toen ik op school naar huis werd gestuurd. Maar zelfs nu ik de woorden hoorde van papa was het een klap in mijn gezicht. ‘We gaan naar boven, heel de familie is hier’. Het was Paasmaandag. In Leest was er een grote braderij te doen, dus zelfs rondom Mechelen was het druk. Vandaag zou papa zijn ex - vriendin,  Geert meebrengen naar het ziekenhuis. Ik zag al op tegen  dat moment. ’s Morgens was het rustig in het ziekenhuis. Sommige van de familie waren nog onderweg. Vake zat een krant te lezen, moeke babbelde met mijn jongere neefje en mama was bij mijn zusje. Tegen de middag kwam papa aan met Geert aan z’n zijde. Mama werd boos en begon te brullen dat zij hier niet welkom was. Moeke kwam tussen beide en zij dat ze dit buiten moesten gaan uitvechten, niet in de buurt van Julieke. Maar papa begon te vloeken en liep weg. Ik had geen behoefte om hem achter na te gaan. Ik liep de kamer van Julieke binnen samen met mama en mijn broer. Ik en mijn broer gingen elk aan een kant staan. Hij links, ik rechts. Mama stond achter het bed een streelde de kleine fragiele voetjes. Ik wreef over het handje van mijn zus zoals ik altijd had gedaan. Met mijn andere hand maakte ik cirkels rond haar oogjes. Hier had ze altijd van genoten. En op dat moment begon de machine naast haar een vreselijk geluid te maken. Een geluid dat mijn hart door twee scheurde. De tijd stond stil. De verpleegster kwam binnen kijken en zei dat ze de dokter ging halen. Maar geen van ons drie reageerde. Mijn broer hield zijn vingers rond Julieke’s hand, ik bleef strelen en mama liet haar voetjes niet los. De dokter kwam binnen en bestudeerde het apparaat. ‘Het spijt me’ begon hij. ‘Ze is zonet overleden’.

Ana - lena
0 0

Over een ziel en creaturen

    Over een ziel en creaturen.     Mijn eerste woorden zullen frank zijn. Er is geen leven zonder schrijven, maar elk schrijven is een uithaal van de dood en kost meer bloed en tranen dan eenieder betalen kan. Om de Zotheid te loven. Om de Waarheid, witter dan sneeuw. Om een Lichaam, dat zelfs tot lachen in staat was. Ik zal altijd weer in mijn schrijven springen, ook al scheurt het mijn gave gezicht aan stukken. Alleen jij kon mij daarin vinden, alleen daarin konden wij elkaar vinden. Maar sinds de mensen begonnen te denken was alles altijd iets anders.   Mijn eerste woorden zullen frank zijn. Ik zal dit verhaal, deze tekst, deze opeenhoping van woorden en letters een dichtbundel noemen, een dagboek, gedragen door een roman. Het is geen verhaal, geen dichtbundel, geen dagboek en geen roman maar die naam zal het krijgen. Misschien is dit een fractie verdriet, een traan. Of een miskraam. Doodgeboren grootsheid, zoals wij eens waren. Dit is aan jou opgedragen.     Volgens de kalender was de lente aangebroken en zou ook de zomer niet lang op zich laten wachten. Maar deze seizoenen bestonden enkel nog in onze herinneringen. We dragen de zomer mee als een droombeeld, de nevelen die de werkelijke wereld voor ons verhullen en het duister die steevast om ons heen hangt kunnen we bijna niet meer wegdenken, behalve misschien aan die steeds zeldzamer wordende momenten van hoop. De nacht valt altijd te vroeg. De dagen doorbreken hem bijna niet meer door de mistroostig grijze sluier die de mist van onze glazige ogen weerspiegeld. Dolend in dat druiperige duister, aanhoor ik het denderende gefluister van onbestaande winden die hun weg ook niet kunnen vinden. Kerk kapel en klooster, bieden nu geen troost meer. In een maatschappij waar elk vecht voor eigen heil. Ik sluit me af van het gewemel van de mensen, hun geroep vervaagt in de stilte van mijn dromen. En mijn ziel die het daglicht niet eens meer verdragen zou vliegt zonder meelij voor de vromen over de dagen die hem nog hadden moeten overkomen. Mijn vreugde is bedroefd, m’n verdriet is herrezen, jij met je mirakels, lopend over het water van mijn tranen, ook jij weet hoe schrijnend ons doen en laten is, onze geboorte en onze dood. Jij met je mirakels, waar ben je nu?   Ze rookte een sigaret, elke keer weer werd ze getroost door de rook die haar inspon en heel even beschermde voor de wereld, elke keer weer genoot ze van haar sigaret. Even leek het alsof ze niet meer ademen moest, het zwart van de nacht omsloot haar als een ondoordringbare vloeistof waarin ze zich niet kon bewegen, waarin ze blind was, waarin ze niet bestond. Ze hield van het gevoel niet te bestaan, heel even voelde ze zich veiliger en van alle zorgen gevrijwaard. De nacht leek al niet meer te wachten op een mogelijke ochtend, het leek of ook hij zich nu wentelde in het deken van zachte melancholie die de treurige dood van Aurora op de wereld had neergeworpen. “Ach Mijn Dageraad. Hoe kan ik leven terwijl jij bent weggekwijnd, ik heb je gezicht nooit gezien maar ik herinner me dat ik je als kind elke ochtend tegemoet kwam en naar je lachte. Ik hield van je, ik houd nog steeds van je, Mijn Lieve Dageraad”. Ze wist dat haar smeekbedes niets zouden uithalen maar ze schepte een pijnlijke vreugde uit die overdreven dramatiek. Ze vergaloppeerde haar zinnen en vergulde deze met hoogdravende woorden, ook zij had zo haar klein geluk. De Zon was de eerste die haar liefde met verraad beantwoorde. Sommige vrouwen kan je niet beschrijven. Woorden ontsnappen en in beelden kan je ze niet vangen. Zij leven in deze en gene wereld. Misschien ergens ertussenin. Tussen het zijn en het niet, tussen mensen en ideeën, tussen liefde en waarheid. Ook zij was zo, zij was een schim die ik niet troosten kon. En toen hij zij dat hij van haar hield sloeg zij haar ogen neer met de slag van een vermoeide vlindervleugel. Ze voelde toen al de pijn die zijn woorden van liefde beloofden. Elke passant in haar leven werd op een bepaald moment wakker, en moest zo snel mogelijk van haar weg. De teleurstelling en misschien zelfs walging die zij voelden na een zekere tijd aan haar zijde te verwijlen was even sterk als de begeestering die hen ertoe dwong haar te leren kennen. Dan liet zij soms tranen. Ze liet haar tranen in haar ziel stromen en verzamelde zo alle pijn in haar leven. Dan weende zij om het leven, die een aaneengeregen keten van beuzelarijen leek te bestaan. Om elk boek, elk verhaal en elk gedicht en om zichzelf. Een armzalig klein kind dat nergens heen kan dan naar het graf; zei iemand, ooit. Soms, te vaak, vluchtte ze naar haar oude wereld. Maar haar kinderlijke onbezorgdheid bleef uit, die vrije, hoopvolle gedachtegangen van weleer vond ze niet terug, haar geest draaide in cirkels rond z’n eigen as en zij lag achtergelaten als een kreupele op een slagveld van een oorlog die zij niet begrijpen kon. Alles had nu de vijandigheid van een vreemde wereld over zich. Zij en de zieke leeuw slenterden door de vreemde stad, de nar vertelde een waarheid. Ze hield ervan om door de stad te dolen wanneer de ratten er heersen. Hun onweerstaanbaar lelijke overlevingsdrang maakte haar onzichtbaar, het maakt hun niets uit of je bestaat en heel even kon zij zichzelf wijsmaken dat ze haar bestaan zelf in handen had. Bij mensen ligt dat anders, je moet dan een pose aannemen, een doel hebben en als het even kan ook gehaast zijn. Of tenminste een zekere haast veinzen. Bij mensen hoor je een idee van jezelf te creeren en je naar dat idee te profileren. Dan gaan ook zij een idee van je maken, je veroordelen en teleurgesteld vertrekken wanneer je er niet in slaagt slechts een idee te zijn. Een vreemde vogel hoort niet in een stad tenzij deze bij een groep hoort, dan mag het. Zij was te wispelturig, zij slaagde er niet in een idee te zijn, een verhaallijn de hare te maken. Zij was niet in staat om te leven. Zij was een verleden, soms een heden, maar nooit een toekomst. Misschien betrad ze de werkelijkheid te laat, misschien betrad ze de werkelijheid te halfslachtig, louter uit noodzaak, en bleef dan de rest van haar zijn in een andere wereld zweven, wachtend op haar terugkeer. En vlees en botten en bloed. Deze teleurstellingen zullen aanhouden tot het moment dat je hart het kloppen eindelijk opgeeft.   Ons geheugen is een danaidenvat, wanneer je er te lang in rond doolt loop je gevaar er te verdrinken, opgeslokt te worden. De Waanzin ligt –net als de smart- altijd op de loer.   En de mensen. En de mensen door de tijd aangevreten wiegen als algen op de golven van de pokdalige weg. Ze staren naar de voorbijrazende wereld maar zien enkel de contouren van hun eigen verdriet.   En de mensen. En de mensen acteren de waarheid vol overtuiging op dit bloedtoneel.   Het regent en de straten zijn als gevernist met zilveren bloed overgoten. De zwoele schemer verzonken in een minziek duister. Deze oefeningen in de vergetelheid behoedden haar voor het verraad van verloren minnaars. Maar ze wekte de afgunst van de serafijnen.   Hij was een man. Hij was een mooie man. Zijn lichaam leek uit albast gehouwen, zijn gezicht had de nobele trekken van een oude, dode koning. Hij was een man met twee harten. Een hart van steen en een hart dat hij van een kind gestolen had. Hij was een man. Hij was een mooie man. Hij was een verdwaald man. Hij was kind en knecht en koning.   Hij lag naast mij, glimlachte met moede ogen. Hij pelde mij af en spon mijn naaktheid in. Ontwapend was ik, ontwapenend was hij. Ik beminde hem.   En je kijkt naar zijn dans En je bent ergens nergens en overal. Alleen afgedwaald. Bij hen die ergens nergens en overal. Alleen afgedwaald. Dezelfde dans zien, Van vuur dat brandt En een wereld die vergaat. En je moet blijven bestaan.   Zij zou mocht ze kunnen Hij zou mocht hij kunnen Maar het kan niet. Hij maakte van haar een doodsbedbruid zonder gom.     Toen was er een slechte avond. Een van velen. Tijdens die slechte avonden vond ik hem. Verdwaald tussen mirages en zijn gelijkgestemde, vlezige, droefgeestigheid. Alleen met zijn koppige pijnen en verdriet. Toen realiseerde ik mij voor het eerst dat hij zich nooit aan mij geven zou, maar ik hield van hem. Ik wilde –ook al was het maar voor even- zijn schuitje delen in die hondzwarte zee. Maar een golf slokte mij op en ging zijn weg. En ruiste, even zinloos als tevoren. Hij leerde mij dat tranen zout zijn, en je ze eindeloos vergieten kan. En ik droeg mijn met tranen gevulde ziel naar onze zee, een nobele, tevergeefse invulling van een nobel, tevergeefs leven. Kom nu, drijf met het donker mee.   Mijn angst spreidde zijn kraaizwarte vleugels uit als de voorboden van wat een ijskoude winter zou zijn. Ik vertelde je verhalen om je weg te jagen, om mezelf in te dekken en te behoeden voor die onvergelijkelijke koude. Maar mijn angst sloeg zijn vleugels uit en nestelde zich in mijn hart. Ik kon niet meer spreken. In een huis vol spiegels zag hij enkel zichzelf, vanuit jouw raamkozijn zag ik een boom alleen in zijn gaard. Vermoeid van zolang recht te moeten staan. Net als ik komt ook hij maar niet aan sterven toe. Door jou ontdekte ik dat ik liefhebben kon. Dat liefde androgyn en misschien zelfs echt was. Die leugens neem ik je nu kwalijk. Maar je bent er niet. Jij was mijn koning, ik was jouw hoer.   Blootsvoets loop ik door de scherven van onze stukgeslagen illusies. Mijn bloed stroomt sneller dan ik gaan kan en mijn angst cirkelt in zijn triomf klapwiekend om mij heen.        Ik zou een leven lang, langer nog, onder onze bomen dralen Ware het niet dat ik liever, liefst, heel snel sterven zou.      

Danae
0 0

Bloedrode rozen

Ik leef van scène tot scène. Als op een filmset wordt elke beweging, elk woord geregisseerd. Alles staat vast, geen enkele verrassing. Ik weet alles. Vast verwerven zit ieder leven in het tapijt van de tijd. Geen enkele draad of weving ontgaat me. Hoewel het in functie is van mijn bestaan, mijn doel, mijn reden, verschroeit het de passie, de drijfveer om te bestaan. De schitterende kaars in deze somberheid is zij. Ik wacht haar op vandaag, zoals iedere week. Ik zorg dat ze me niet ziet. Ze ziet me nooit. Het spel der liefde wil ik niet met haar spelen. De pijn van mijn oude liefde ommuurt mijn verlangens, beschermend tegen de mogelijke herhaling van het oude verlies. Ze komt aangewandeld in een bordeaux, wollen trui welke open is van haar nek tot haar navel. Haar sleutels steekt ze weg in haar strakke jeans. Ze loopt een bank binnen waar reeds zes mensen voor haar te wachten staan aan de balie. Ikzelf, ik zit in mijn lange versleten regenjas op een bank aan de andere kant van de straat. De wind zit zo dat, toen ze even vertraagde om de deur te openen, haar parfum mijn verlangens voor haar streelde. Het moment doet me nu alles even vergeten. Alleen zij bestaat nog. Het gevoel laat me voelen zoals de mens die ik wil zijn, maar niet kan zijn. Bewonderend staar ik haar aan verlangend naar haar, haar huid, haar handen. Wanneer zij nu wacht leef ik in de tijd die ik anders wachtend zou doorbrengen. Maar de tijd van wachten is echt voorbij, want het onmogelijke gebeurt. Iemand breekt mijn zicht. Dit klopt niet. Het tapijt van de tijd is veranderd. Dit is een fout. Een man met een Halloweenmasker loopt de bank binnen. Hij trekt een revolver. Neen, dit kan echt niet! Er is geknoeid met de verwevenheid van alles. Zij staat daar. Ik moet iets doen. Ik sta recht en loop de straat over en de bank binnen. De man draait zich om. ‘Welke zot loopt een bank in met een gewapend man?’ schreeuwt hij uit. ‘Geen enkele, verstrooidheid en onoplettendheid hebben me hiertoe geleid’, lieg ik. De man stapt naar achteren en richt zijn wapen op de eerste vrouw voor de balie en schiet. Het bloed aan haar dij kleurt de witte rozen op haar jurk bloedrood. De kleur is afgestemd op haar gekrijs. Ze zal niet sterven. Het doel van de man is niet duidelijk. Maar ik moet hem stoppen voor hij haar, mijn schittering, misschien iets aandoet. Ik stap recht op hem af. Hij richt zijn revolver naar mij toe en schiet. De kogel vertraagt mijn tred even, maar hij stopt me niet. Ik pak de loop en draai hem met veel kracht naar de gemaskerde toe. Ik hoop dat hij zelf zijn trekker zal overhalen. Echter doet hij het niet. De angst in zijn ogen worden niet verhuld door het masker. Ik haal zelf de trekker over. Eén schot, één leven, hij sterft. De man valt. Mijn buik staat druipend onder het bloed. Mijn gedachten verzwakken. Het bloed zit nu ook over mijn handen. Mijn knieën verzwakken. Mijn harde val klinkt dof in mijn oren. Wanneer ik op de grond liggend naar de verte staar, komt mijn schittering mijn pijn verzachten. ‘Sshht, niet sterven’, beveelt ze me zacht met bange, betraande ogen. Met mijn bebloede rechterhand leg ik een verloren, verhullende, blonde haarlok achter haar oren. ‘Vandaag heb ik meer geleefd dan ik in een lange tijd heb gedaan. En sterven zal ik toch niet. Dat kan ik niet.’ Ik verlies het bewustzijn. Het fout gewoven leven heeft me naar een tuin van rust gebracht. Het einde van een scène en het begin van een nieuwe.

Wouter Vandezande
7 0