Lezen

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
16 1

De stad

1. Hij wandelde en zag de tuinen – de druppels water vielen op zijn hoofd – er waren nergens mensen in de straten, de lucht was donker en hij was alleen.   Toen hij een kind was zag hij achter alle vensters het bewegen van gordijn en altijd was hij bang dat uit zo’n raam een vuist zou opgestoken worden.   Maar nu hij groot was zag hij dat uit al die lege vensters niet gekeken werd en wilde hij niets liever dan dat men uit zo’n raam zou roepen, schelden, iets.   Dat ze hem zagen.   Er was niemand in de lege straten. Hij wist niet meer wat hij hier deed. Zijn voeten liepen naar de plaatsen waar hij nooit eerder was geweest. Vooral als kind.   Vooral als kind.   Het duister was als een beschermend laken, maar kil – de nachten die hij doorbracht zonder deken (hij voelde nog de kou) tegen een boom geleund omdat hij   niet meer durfde: dat ene huis tussen de vele binnengaan uit angst dat het zijn huis niet was (en dat was vroeger). Nu wist hij zeker dat het zijn huis niet was.   Dus als een droom liep hij nu door de blinde straten al bleef de regen vallen.   2. Hij wist dat hij zijn gras moest maaien in de voortuin en ooit het onkruid moest verdelgen dat al voor de ramen groeide. Misschien was het te laat.   Want aan de voorkant van het huis viel toch geen licht naar binnen en niemand keek ooit naar zijn tuin dus niemand zou het zien als hij er planten –   Hij was alleen.   Soms dacht hij nog dat hij de wereld haatte met al zijn schimmen en zijn smalle straten. Maar dan besefte hij dat hij zelfs dat niet kon. Niet meer.   Een bos, hoe zag een bos eruit?   De ochtend zou als licht zijn, en niet het opentrekken van gordijnen, de zon zou in zijn moeë ogen priemen hij zou niet zelf de ochtend moeten maken.   Teleurstelling van mist achter het raam.   3. Misschien moest hij zijn bed niet meer verlaten de blinden laten waar ze altijd waren het duister van de nacht en van de dag was toch gelijk voor hem.   Hij zou de dagen niet meer tellen.   Als hij na jaren buiten kwam, zou iemand hem dan kennen? Wie haalde hem nog ooit uit deze tuin vol onkruid waarin je niet meer kon verdwalen   waarin geen rozen bloeiden om doorheen te hakken. Zou iemand ooit zijn stoep –   Wie keek er nog naar hem vanuit de warmgedampte ruiten van de andere huizen?   Wie nam hem mee?

jépé
0 0