Lezen

Ik ben een halfbloedje en haat het...

Ik ben niet zwart en ik ben niet wit, ik ben “een halfbloedje” zoals men dat netjes zegt. Maar eigenlijk betekent dat gewoon dat ik een mens met een bruin kleurtje ben; een halve neger of een halve blanke, het is maar hoe je het zelf noemen wilt.   Ik ben een halfbloedje en ik haat het dat blanke mensen ons discrimineren. Dat ons zwarte deel op jullie blanken scam 419 gebruiken omdat we jullie dom vinden moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat jullie me afrekenen op mijn huidskleur. Dat in het zwarte Afrika de helft van de bevolking niets van halfbloedjes of blanken moet hebben dat moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat blanken mij een neger noemen. Dat ik mijn zus een neger noem en dat zij mij ook een neger noemt dat moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat blanken mij een zwarte noemen. Dat wij jullie een witte noemen of zelfs ‘roze’ moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat die blanken met hun zwarte piet. Dat wij jullie cultuur doen laten verdwijnen moet kunnen én dat in jullie sinterklaasverhaal het paard ‘wit’ is laat ons allemaal smakelijk lachen. Ik ben een halfbloedje en haat het wanneer mensen mij terechtwijzen, dat is racisme. Dat die blanken wel terechtgewezen worden moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat mijn professor mij een slecht punt geeft omdat ik geen reet uitgevoerd heb, dat is discriminatie. Dat mijn blanke medestudenten wel een slecht punt krijgen omdat ze met me mee gefeest hebben moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het nog méér dat blanke moeders van gekleurde kinderen doen alsof plotseling alles en iedereen, henzelf en hun gezin discrimineert of dat de omgeving racistisch is. Ik ben een halfbloedje en haat het dat diezelfde blanke moeders van die gekleurde kinderen niet doorhebben dat hun kinderen ettertjes worden of misschien wel al zijn zoals ze hen opvoeden, dat die blanke moeders denken méér afrikaan te zijn dan hun afrikaanse partners, dat die blanke moeders hun kinderen alles maar dan ook alles toelaten omwille van ‘een huidskleur’ maar mooier nog, dat die blanke moeders hun kinderen wel mooi hun vaders én gezinsleven afnemen want… die blanke moeders hebben niet door dat hun zwarte partners niet op zoek zijn naar een fake zwarte maar naar een trotse blanke die, net als hen, een mooie inbreng zou kunnen leveren aan de maatschappij.   En dan op zulke momenten ben ik een halfbloedje die het niet haat dat mijn blanke moeder me nooit met fluwelen handschoentjes aangepakt heeft, dat zij mijn tekortkomingen of fouten nooit bedekt heeft met de mantel der racisme en dat ze me geleerd heeft de waarden en normen van eender welke cultuur te respecteren. Want alleen dat maakt mij nu een persoon die een voorbeeld kan zijn voor niet één, niet twee maar héél véél culturen.

Brown Pearl
461 1

FLOR

    Een luide KNAL… de bliksem is vlakbij. Marieke nipt van haar rode wijn en aanschouwt de pracht van een naderend onweder. Haar blik dwaalt even af naar Tink, haar hondje, dat rustig ligt te slapen in zijn mand, onbevreesd bij al dat geweld. De natuur rommelt, kraakt en knarst. Bomen zwiepen en regen valt als één groot gordijn uit een lucht die donkerpaars kleurt. Het geluid van een SMS bericht verstoort de harmonie van haar gedachten, één met de temperamentvolle Moeder Aarde. Hoe luchtig leest het: 'Terraske Oude Pastorij, wat bijpraten, zou dat kunnen?' Marieke negeert het bericht en kijkt koppig verstoord naar het schouwspel buiten. Enkele minuten later nog luchtiger…:  'Denk slecht moment gekozen, stormt hier!' De telefoon rinkelt! God, nee… niet weer! Laat me toch met rust! Mariekes’ hand beeft terwijl ze de hoorn afneemt, laten rinkelen heeft geen zin. Het verleden leerde dat dit enkel ontaardt in een spelletje van jager en prooi. “Marieke?” “Ja… waarom bel je? Waarom laat je me niet met rust, zoals afgesproken?” Marieke vervloekt haar trillende stem. “ Tja, ik weet dat het niet mag Scha… oei, sorry, ik kan het niet helpen, het is alweer zo lang geleden, en je zit me in het bloed, ik wil gewoon nog eens praten, dat recht heb ik toch, na al die jaren.” Marieke glimlacht grimmig : Dipje, Gerry?” “Neen!”  Gespeelde verontwaardiging ”Ik wilde weten hoe het met je gaat, ik weet dat ik je niet netjes behandeld heb, maar we kunnen er toch nog altijd over praten?” Een laatste felle bliksemschicht verlicht de tuin en het grote terras… het onweder trekt geleidelijk aan verder, zoals hij dat ook zou moeten doen. In het felle lichtschijnsel bemerkt Marieke een eenzame figuur die discreet onder het afdak staat te schuilen…: Flor! Een warm gevoel omhelst haar…, en met een nieuwe kracht hervat ze het slopende gesprek. “De tijd van praten is voorbij, Gerry, het is te laat. Ik heb een nieuw leven nu, ik ben gelukkig en zou het waarderen als je mij de beloofde rust schenkt.” “ Je hebt iemand anders…” Marieke grinnikt in stilte, hoe voorspelbaar toch! “ Ja, Gerry,” zegt ze vastberaden, terwijl ze naar de stille figuur onder het afdak kijkt die zich nog steeds beschermt tegen de aanhoudende regen. ”Ik heb iemand ontmoet waarmee het echt klikt, en deze nieuwe kans laat ik me niet ontnemen door onnozele gesprekken te voeren met iemand die zelfs dàt niet meer verdiend.” “ Ik geloof je niet, hoe kan je… je liegt. Zeg me zijn naam, ken ik hem?” Zijn stem klinkt gebroken in ongeloof. “ In feite heb je ook dat recht niet maar goed, zijn naam is Flor, en neen je kent hem niet, ik ontmoette hem hier in het dorp in het tuincentrum waar hij op dat moment werkzaam was.” “Pfff… een klusjesman” klinkt het wrang aan de andere kant van de lijn. “ Niet direct. Enfin, Flor geeft me de rust die ik nodig heb Gerry, bij hem voel ik me volledig mezelf. “Goed, als jij kiest voor het saaie bestaan met een boerke, dan kan ik daar niets aan verhelpen.  Ik heb altijd al geweten dat je zou verkwezelen in dat boerengat van je. Het gaat je goed!” Met een stevige smak wordt de hoorn venijnig opgegooid. Marieke glimlacht…lacht…en buldert het uit tot de tranen over haar wangen lopen. Nog nahikkend neemt ze haar glas wijn en opent de deur. Ze snuift de opgeklaarde avondlucht diep in, de geur van natte bladeren en fris gras bevestigingen haar in dat nieuwe gevoel van Vrijheid , bevrijd van de jarenlange verstoffing. De lichtjes van het terras zijn aangefloept en in het zachte schijnsel staat nog steeds die trouwe figuur te wachten. Flor… Ze neemt een stoel en installeert zich naast hem met haar glaasje wijn, terwijl Tink, haar hondje zich knorrend op haar schoot nestelt, blij dat de rust is weergekeerd. “Zo, Flor” zegt Marieke zachtjes, terwijl ze over zijn geruite mouw wrijft, “hebben wij dat niet prachtig gedaan daarnet?” Twee guitige donkere ogen kijken haar aan. “Eén ding moet je toch wel weten, Flor, nu dat onze relatie kenbaar gemaakt is…, ik vind je heus de knapste man van héél de wereld.” Ze geeft hem een speelse tik, terwijl hij stoïcijns kalm blijft zitten, de knieën opgetrokken in een ontspannen houding van onverstoorbare onverschilligheid. “Laat het leven maar op ons afkomen, Flor, ik kan nog veel van je leren.”   De eerste sterren verschijnen in een opgefriste donkere hemel. Op het terras weerklinkt nog lang een nieuwe, klaterende lach. Een triomf over de ernst van het leven, aangeleerd dooreen vrolijk manneke van steen. Wie zegt dat tuinkabouters geen ziel hebben…?

Bosfee
26 1
Tip

Er waren geen wolven meer

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.   Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.   Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.   De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.   Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.   Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.   Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen, ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.   De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.   Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.   Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.   Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.   Ik krijg het koud en draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.   Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.   ‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.   ‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik. Het duurt weer even eer hij reageert. ‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’ Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien. Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.   Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.   ‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.   Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

Christine Van den Hove
49 1