Lezen

TERUG NAAR DE GEBOORTEPLEK

Het vliegtuig maakte een tussenlanding. Hij zat achter een glas pure rum met ijs op een Caribisch eiland te wachten. Een jonge vrouw in witte schort, achtervolgd door een zanikende hummel, liep in het restaurant van tafel naar tafel en vroeg de reizigers of ze hun bloeddruk mocht nemen. Eén dollar. De associatie sloeg in als een snapshot. Als jonge kerel verliet hij Vlaanderen en voer haveloos met een vrachtschip naar de Verenigde Staten van Amerika. Begonnen als letterzetter in een drukkerij leerde hij zijn echtgenote tijdens een campagne voor bloedinzameling kennen. 'Je handen zijn warm', had hij gezegd. 'Je hebt goede aderen. Ik kan de naald er van verre ingooien', antwoordde ze verrast. 'Mag ik volgende week nog eens komen?' 'Je levenssappen moeten eerst terug aangroeien', had ze hem geamuseerd gewaarschuwd. De week nadien troffen ze elkaar in een bar op een vloer die zweette. 'Op de vampier en haar slachtoffer', hief hij schertsend het glas. Kon hij niet dansen zij des te beter. Tijdens de openingsdans op het huwelijksfeest zette hij zich voor de hele zaal te kakken. Naderhand ruilde hij de letters voor de grafische kunsten. Hij was specialist in lithografie toen hij op pensioen ging. 'Passagiers voor Brussel aanmelden aan poort B!'  hoorde hij de luidspreker pal boven zijn hoofd. Hij tuurde door het kleine venster. De boeing vloog een overdekte zaal binnen, wolken tegen het plafond, wolken tegen de vloer en tussenin een holle doorlopende tunnel. De leegte waarin hij terechtkwam na het auto-ongeval was afgrondelijk. Maar hij kon niet zeggen of het met ruimte te maken had dan wel met tijd. In feite was hij drie dagen en drie nachten in coma blijven zweven. Het duurde daarna nog tergend lang eer hij wist dat hij in het ziekenhuis lag en eer hij in staat was naar zijn vrouw, zijn zoon, schoondochter en hun kind te vragen. Een hele stamboom uitgeroeid, kreunde hij nog jaren nadien. De familiekelder waar ze samen gelegd werden noemde hij zijn massagraf. Zijn zoon en kleinzoon wedijverden met elkaar om hem door hun afwezigheid pijn te doen. Hij stond weer alleen in de Verenigde Staten, net als toen hij zoveel jaren terug uit het vrachtschip stapte. Nu pas werd hij er zich van bewust hoe oud hij wel geworden was. Veel tijd was hem niet meer gegund. Hij zat in een op hol geslagen trein, niet te stoppen en die reed met hem recht de dood in. En als hij er nu eens probeerde af te springen? Langzaam aan begon de drang in hem omhoog te kruipen, weg van die trein, teruggaan, in de tijd achteruitkrabbelen, weer kind zijn. Dat moest kunnen als hij maar naar de omgeving waar het allemaal begonnen was weerkeerde. Door op de plaatsen waar het eens gebeurde te gaan staan, zou hij alles opnieuw kunnen beleven.         Het was een klein huis, aan de kant van de straat de 'schone plaats' waar ze nooit inkwamen, daarnaast de eetplaats waar ze leefden, dan de keuken met de groene gietijzeren waterpomp en de kleverige sunlightzeep onder de pompsteen, de wc met het gat in de houten zitplank,  het kippenhok en twee slaapkamers boven. Achter het kriepend poortje van de binnenkoer dat uitgaf op de tuin stond de pruimenlaar. En van daaruit kon hij van de ene in de andere tuin bij de buren lopen. Het poortje van Jeanine stond altijd open. Zo gebeurde het dat hij regelmatig de penis van haar vader met de grijze stoppelsnor zag terwijl  hij stond te plassen. De witte pisbak hing in de bakstenen muur vast gevezen en door roestvlekken half opgevreten. De gele mortel, meer zavel dan cement, sijpelde vergruisd uit de voegen. In plaats van te blijven mikken deed de man zijn hand weg en piste er naast. Zo zag hij de groene ader die door het stijve lid van de vader van Jeanine kronkelde. De man keek niet naar hem, maar hief het hoofd op naar de duiven op het afdakje die vanuit Aras en Saint Quentin prijzen gevlogen hadden.   Aan de horizon zakten de korenvelden in een glooiing en in die gleuf bewoog een onzichtbare trein. Alleen de schouw die zwarte rook uitstootte schoof zichtbaar tussen de halmen voorbij. Vader ging op een bureau in Brussel schrijven, maar ’s avonds plantte hij achter de pruimenboom aardappelen. Als ze in bloei stonden zaten ze vergeven van de coloradokevers. Hij mocht van vader de beesten plukken. Samen met de broer van Jeanine gooide hij de kevers en de paarsbruine gekromde larven in een ovomaltine-doos, de handen vettig van de oranjekleurige ingewandensappen en toen ze vol was staken ze vuur onder de metalen doos. Jeanine was iets jonger dan hij en ze had krulletjes. Hij ging met haar naar het kippenhok. Daar scharrelden acht witte hennen op een weeïg tapijt van keutels met ingeplakte  schavelingen en donspluimen rond. Tussen de starkijkende beesten speelde hij met haar doktertje. Ze was ziek, in het begin niet zonder tegenstribbelen. Ze lichtte toch maar haar rok op. Hij keek in haar broekje en zag onderaan haar spleetje. Met de kurk van een oude  wijnfles, gedoopt in wonderwater, dat hij met een conservenblik uit de regenput vol rode slingerwormpjes geschept had, drukte hij het genezende stempel in haar zachte buik net onder de navel. Daarna mocht zij het bij hem doen. En dan hij weer bij haar, terwijl de kippen een poot halfweg ingetrokken hielden, de glazen ogen wijdopen van verstomming.   Het vliegtuig begon te zenuwtrekken. 'Veiligheidsgordels aangespen', klonk het door de luidsprekers. Spontaan keek hij door het raampje. Misschien viel er iets abnormaal te bespeuren dat de schokken kon verklaren. Maar de krant van de passagier naast hem belemmerde het zicht naar buiten. 'Leraren staken. Scholen staan leeg', las hij de titel van het artikel. En zijn gedachten gingen terug naar de school van zijn eerste levensjaren. Het gebouw stond in zijn herinnering nog vaag overeind: mauve bakstenen vermengd  met witgeblakerde assenschilfers. Arduinen sokkels tot boven zijn hoofd om er gedurende de speeltijd bang tegen aan te leunen wanneer hij een strafbriefje naar huis moest meenemen om te laten ondertekenen. De onderwijzer van het vierde studiejaar stond hem nog het klaarst voor de geest. Een gemoedelijke man, die ’s morgens niet van huis uit vertrok. Wanneer hij op school aanlandde had hij er al een paar uren lijnvissen opzitten. Hij kwam met zijn gerief de klas binnen en beval de leerlingen hun wereldatlas boven te halen. Als taak moesten ze een provincie met een moeilijke naam opzoeken die hij zelf nauwelijks kon uitspreken zonder dat hij bladzijde of werelddeel vermelde. Ondertussen had hij breeduit de tijd om de draden van zijn lijnen te ontwarren en op te bergen. Vis zagen ze nooit. En de provincie met de moeilijke naam ook niet. Hij was niet van de stomste onder de leerlingen en één trimester was ruimschoots voldoende om het hele atlasboek te doorpluizen. En toen begon hij te twijfelen of die provincie wel bestond. Hij had er later ook nooit nog over gehoord.   Op zijn vijftiende zei vader: 'We gaan naar de stad wonen'. Sindsdien was hij nog maar zelden naar het dorp teruggekeerd. Hij ontgroeide het. Je kon niet op je stappen terugkeren, was toen zijn gevoel. Zijn dorp had hij definitief achter zich gelaten. Het was iets voor kleine kinderen geworden, een nest waar hij uitgevlogen was en nooit terugkeerde. Maar nu wilde hij weer jong worden, achteruitkrabbelen om de dood te vlug af te zijn. Een onbekende neef stond hem op de luchthaven op te wachten, een naambordje voor de borst. Zijn voorstel om hem naar zijn geboorteplaats te vergezellen wees hij af. Hij kon moeilijk iemand naar vroegere tijden meenemen, iemand die meer dan een halve eeuw later dan hij geboren was.    'Er is geen station meer in het dorp. Die spoorlijn is jaren geleden afgeschaft. Er bolt wel vanuit de treinhalte van de naburige stad een bus,' waarschuwde de neef hem. Hij zag het stationnetje voor zich met zijn buizenkachel in de winter die tijdens het warme seizoen uitgebroken werd om meer ruimte in de wachtzaal te scheppen. Op de plaats waar hij het meende te situeren stapte hij uit de bus. Er was niets meer te zien. Toch stond hij op de juiste plek, stelde hij vast, want daar liep de oude spoorbedding, een rechtlijnig met asfalt overgoten fietspad. De straten lagen nog op de zelfde plaats, missen kon hij dus niet om het ouderlijk huis terug te vinden. Onderweg groetten de voorbijgangers hem, uit gewoonte, want geen mens kende hem. Hij alleszins geen van hen, hoe hij zich ook inspande om ergens een gelaatstrek te herkennen. Was dit nu zijn straat? Ze was kleiner geworden, nauwer. De tijd doet de dingen krimpen, dacht hij. Misschien kon hij er als kind beter in en uit. Of was het zijn blik die toen niet verder dan enkele huizen reikte waardoor de straat eindeloos leek? Zelfs de weg naar school in het centrum van het dorp was telkens een wereldreis. Het huis was niet te vinden. Er liepen haast geen mensen op straat. Enkelen hadden nog gehoord van de familie, maar waar het huis stond, geen idee. Toch wou hij het niet opgeven. Aan de overkant van de straat duwde een vrouw haar fiets naar buiten. Ja, ze wist er nog van en wees in de richting van een gevel die er niet op leek. Toch maar de kans wagen. De bel klonk luid in de gang.   'Is het voor een bestelling?' vroeg een jongetje van zeven.  Het leek hem of  die snotaap net met Jeanine uit het kippenhok gekropen was. Aandachtig keek hij toe of hij geen donspluimen aan zijn zolen meesleepte en voelde plots warmte van binnen.   'Ik kom van ver', antwoordde hij met zijn Engels accent. 'Mama, een vreemde meneer', riep het jongetje en liep terug naar binnen, een afgedane zaak voor hem. 'Als dit het juiste huis is, ben ik hierboven geboren', zei hij vol verwachting. De terughoudendheid van de dame maakte plaats voor nieuwsgierigheid. Ze bevestigde dat de naam haar bekend voorkwam, uit de akte. 'We hebben het afgekocht van een eigenaar die het van uw familie zal gekocht hebben.' Ze liet hem binnen. Hij voelde de neiging om zich te bukken. Het interieur was niet meer te herkennen. 'Toen we het aanschaften was het nagenoeg een krot. We hebben muren uitgeslagen en de hele woning gerenoveerd'. 'Het kippenhok', zei hij bijna fluisterend.   'Nooit gekend. Kom maar mee', zei ze en stootte een metalen deur open, waar vroeger de keuken was. In plaats van op het binnenkoertje uit te komen stapte hij een ruime zaal vol tekentafels in. 'Het architectenbureau van mijn man', legde ze uit. Hij liep naar het einde van de zaal. 'Hier moet de pruimenlaar gestaan hebben', mat hij met de ogen en keek naar de blinkende tegels. Door een venster aan de zijkant probeerde hij de korenvelden met de glooiing terug te vinden. 'Daar beneden reed vroeger een trein, maar ze hebben de spoorlijn uitgebroken', zei ze. 'Weet ik', antwoordde hij en zijn stem klonk nu indroef, want ook de korenvelden waren verdwenen. Er stond een indrukwekkend plat gebouw. 'Een grootwarenhuis. Voeding,' verduidelijkte ze. Opeens werd het hem te machtig. Hij moest er bij gaan zitten om niet weg te draaien. De vrouw haastte zich om een frisdrankje te halen. 'De plek waar ik geboren ben en als kind rondgelopen heb, bestaat niet meer,' wist hij nu. Zijn ouders zijn er ook niet meer. Die liggen begraven in de stad. En Jeanine en haar vader met de stijve penis en de coloradokevers en de schouw van de trein tussen de halmen. 'Het is er allemaal niet, hier toch niet,' kreunde hij met de handen stevig op de knieën steunend. 'Waar dan wel? Wat maakt dan dat dit terrein mijn bakermat zou zijn? Het staat zelfs niet meer op de zelfde plaats als toen, want de aarde is intussen al miljarden kilometers verderop geschoven in het heelal. Is er dan nog iets dat maakt dat dit het stuk aarde is waar ik begonnen ben? Er moet toch ergens een referentiepunt zijn. Alleen maar het feit dat deze grond op de aardkorst toen en nog vandaag even veel kilometers van mijn villa in de Verenigde Staten verwijderd ligt? Of zou het toch de tijd zijn die mijn geboorteplek verplaatst heeft? Maar waarheen dan? Naar tachtig jaar verderop?' De vrouw schrok toen ze hem zag. 'Je ziet er verschrikkelijk beroerd uit. Zal ik een ziekenwagen opbellen?' riep ze. 'Niet meer nodig,' hijgde hij en zakte door zijn schouders. Hij probeerde haar aan te kijken, maar kon nauwelijks zijn hoofd oplichten. 'Ik ga sterven. Ik heb het willen uitstellen, terug van voor af aan beginnen. Maar het lukt niet,' murmelde hij en viel opzij aan de voet van de pruimenlaar.

Guido De Schrijver
0 1

Zonderling

Het zit me echt niet mee de laatste tijd, misschien is het al jaren zo. Wie weet? Ik heb er nooit echt veel aandacht aan besteed. Wellicht had ik het beter wel gedaan, dan zat ik nu niet in deze situatie. Het probleem is niet onoverkomelijk, ik overleef het wel. Althans dat hoop ik, maar daar ligt ook net mijn probleem. Hoop, optimisme, vertrouwen.   Mensen vinden me raar, niet omdat ik klein ben. Hoewel dat ook zou kunnen, klein zijn is passé, ik val opnieuw uit de boot. Uit een boot vallen is nooit grappig, zelfs niet als het wordt gefilmd. Denk ik.   Denken. Mijn grootste zorg, de oorzaak van alle miserie. Mensen vinden het raar, denken. Ze houden steeds hun hoofd schuin uit onbegrip als ze een gesprek met me voeren. Want ik ben raar. Raar omdat ik niet weet wat er gisteren bij "Komen eten" is gebeurd, raar omdat ik wel de zonsondergang terug voor de geest kan halen. Ik krijg haast meelijwekkende schouderklopjes als ik vertel dat ik geen televisie kijk, soms ook niet. Soms bekijken ze me als iemand met een besmettelijke ziekte. Het antwoord op hoe ik dan mijn tijd om krijg lijkt wel in een andere taal. Ik begrijp niet waar het over gaat als er tien mensen lachen om het geklungel van iemand in een show op tv waar je moet zingen en/of dansen om door te mogen naar een volgende ronde. Nog minder begrijp ik het als ze een week later weer lachen weer om diezelfde persoon, alleen heeft die dan andere kleren aan.   De mensen vinden me raar omdat ik zing en dans zonder op tv te willen komen, ik doe het dan ook zomaar, vrijblijvend en vaak in mijn eigen huis zonder toeschouwers.  De nummers uit de hitparade ken ik niet, al jaren niet zelfs. Maar dat wordt me kwalijk genomen, ik hoor er niet bij. Ik ben een vreemde eend omdat ik muziek wil ontdekken op plaatsen waar anderen niet gaan. Als ik muziek van 60 jaar geleden opzet ben ik meestal ook saai of heb ik geen smaak. Ik vergeet steeds dat populariteit boven kwaliteit staat, ik ben een ramp.  De boeken die ik lees houd ik angstvallig geheim, ik mag niet lezen over waargebeurde verhalen, dat hoort niet. Zeker niet 's avonds als er van alles op televisie is, zaken om mijn brein te verdoven en het denken uit te schakelen. Lezen is voor mietjes wordt weleens beweerd. Behalve de Flair of de Libelle, die mag ik lezen want dat is vrolijk en belangrijk. Vooral de stukken over hoe ik mij moet kleden en een man moet behagen. Al de rest, alles wat te diep gaat is uit den boze.  Verliefd zijn is ook taboe, of toch in bepaalde mate. Ik mag het enkel voelen als ik het aan de wereld deel en ook pas als ik al in een relatie zit. Zomaar verliefd zijn en gelukkig door het gevoel alleen is te moeilijk, dat slaat ook nergens op. Net zoals ik niet mag geloven in het goede van de mens, want dat is naïef. Geduld hebben is ook geen deugd meer, eerder iets waar anderen zich in opjagen als ik geduldig ben en vooral blijf.  In de zomer buiten op een ligstoel naar de sterren kijken is nutteloos. Gilletjes van opwinding slaan als een ster valt is idioot, binnen is er tenslotte voor de duizendste keer F.C. De kampioenen of zoiets op. Of is er een kat verkleed op het internet wat ik zeker niet gemist mag hebben. Sterren, kometen of de maan die zijn gewoon aanwezig, niet om van te genieten. Ik moet ook leren dat kleren de man wel maken, niet de persoon. Een vlekje hier of een scheurtje daar is algemene regel om als persoon niet aanvaard te worden door te maatschappij. Voor mensen openstaan, zonder te veroordelen of vooroordelen bombardeert me meteen tot hippie of treehugger. Uiterlijk is alles, maakt niet uit wat voor persoon je voor je hebt.  De vrijdagavonden die ik thuis doorbreng in mijn eentje, zorgen dat mensen op afstand blijven. Dat ik tot rust kom en mijn geest de tijd geef om te reflecteren is ongewoon. Ongewoon en absurd, want op café gebeurt veel meer, daar heb ik waarschijnlijk gemist hoe iemand iets gek zei, of heb ik gemist dat iedereen op een kruk zat.  Nee het zit me echt niet mee, ik vraag me af of ik mezelf graag zou zien als ik een van hun was want ik val altijd en overal uit de boot. Gelukkig heb ik vroeger leren zwemmen.

Chandra Rowe
0 0

Onschuld

Ik wil u graag een verhaal vertellen, een verhaal over onschuld. Dit verhaal speelt zich af in een tijd lang voor de mijne. Het was een zonnige lentedag en onder een bloeiende kerselaar zat een guitig mannetje. U weet wel hoe die guitige mannetjes zijn, bolle wangetjes, grote oogjes, vuile knietjes en stiekem een vinger in de neus. De protagonist van het verhaal, heeft de leeftijd van 9 zullen we zeggen. Een leeftijd waarop ideetjes worden gevormd en vrienden worden gemaakt. Samen spelen en ravotten, een grapje hier en deugnieterij daar. Boeiende gesprekjes voeren over hun leefwereld en de vriendjes met dezelfde opvattingen. De ouders van ons mannetje, waren hard werkende mensen. Ze hadden niet veel maar probeerden er altijd het beste van te maken. Dat wass niet altijd leuk, zeker niet als je weet dat de buren meer geld hadden, ze hadden zelfs juwelen. De buren waren ook een beetje anders en deden soms gekke dingen. Dingen waar ons guitig mannetje soms weleens heel boos van werdd. Hij zei dan gemene dingen over ze, heel gemeen. Maar de moeder deed het af als gezonde jaloezie en kinderlijke onschuld, niks om haar zorgen over te maken. Op een dag vond hij een boekje, een boekje vol lange teksten maar ook grappige tekeningen. Lezen deed onze jongen niet zo graag, hij ging meteen naar de cartoons. Daar zag hij een tekening van twee Afrikaantjes, maar de tekening was een beetje vervormd leek het. De Afrikaantjes kregen de gezichten van aapjes, ja dat vond hij wel grappig. Ook al had zijn moeder geleerd dat je nooit gemene dingen mag zeggen tegen mensen, ze had nooit gezegd dat lachen met tekeningen verkeerd was. Samen met zijn vriendjes werd er hartelijk gelachen om deze cartoon en naarmate de tijd verstreek vonden meer en meer vriendjes deze tekening grappig. Ze vonden zelfs dat er wel een vorm van waarheid in zat en in al hun onschuld werden Afrikanen nu ook aapjes genoemd. Het duurde niet lang voor het hele dorp de humor er van inzag en als er op bezoek werd gegaan in andere dorpen werd de mop verspreid. De jongens werden op school als echte lolbroeken beschouwd, meer en meer kinderen wilden meedoen bij wat de jongens ook deden. Zo was er een klein ros meisje nieuw op school. Zij kon goed lezen, schrijven en was zelfs best grappig, maar haar rode haren vonden de anderen toch een beetje vreemd. Zo noemden ze het meisje "roskop" en "wortel".  Meisjes plagen is immers liefde vragen, niet waar? Dat het meisje vaak moet huilen vindt iedereen flauw, meisjes kunnen precies niks verdragen zeggen ze. Als op een dag het nieuws komt dat het meisje in de beek is verdronken, moet iedereen huilen. Sommige mensen zijn zelfs boos, al begrijpt niet iedereen heel goed waarom. Een week later zat onze jongen op zijn kamer. Hij was boos, heel boos, de rijke buurjongen was zijn nieuwe kleurpotloden komen tonen. Hij had er wel 20, in alle kleuren zelfs en kan zo dus de mooiste tekeningen maken. Onze jongen wilde ook een tekening maken, zeker nu hij zo boos was. Maar met 2 kleurpotloden, rood en zwart, was het niet zo leuk. Hij nam er zijn dagboekje bij en schreef allerlei dingen op, boze dingen over de buurjongen en zijn familie ook. Ondanks zijn twee kleurpotloden maakte hij toch een tekening, lustig kleurde hij er op los tot zijn mama hem riep om te komen eten. Zijn dagboek en tekening lagen nog op de vloer waar mama ze vond. Ze bekeek de tekeningn, las zijn geraas en besloot: "Onze Adolf, het is er me toch eentje"

Chandra Rowe
0 0

L'incontournable

Makkelijk zat om na een overlijden niks dan goeds neer te pennen over de betreurde. Makkelijk zat ook om clichés te vervallen. De daden op te lijsten en de mens te negeren. De echecs in de verf te zetten en de realisaties plots niet zo indrukwekkend meer te vinden. Jean-Luc Dehaene verdient beter, mijn gedacht. Ik mocht Dehaene wel en neen, kom me nu niet zeggen dat ik dan op een goedkope manier dweep met de tsjeven. Want dat doe ik niet. Dehaene was een begrip en een meer dan respectabel politicus. Aan onze eettafel werd medio jaren negentig consequent gepraat over ‘den Oane’. De haan. Dat was niet om lacherig te doen of om de mens te karikaturiseren. Hij was gewoon: Dehaene. Een blok van een vent, een man van brede kennis, scoutsleider met een uitgesproken mening. Dat enigszins cassante, dat onverzettelijke, dat briesende bij momenten. Dehaene was de man met het plan. Met uitzondering van een paar voetnoten was hij niet snel geneigd om dat plan bij te schaven. Hij deed wat er volgens hem gedaan moest worden, ook al hield de goegemeente er een andere mening op na. Dehaene, de premier, de ‘eerste’ die het land leidde. Het begrip incontournable leek bijna voor hem uitgevonden. Gek hoeveel in mijn eigen geheugen intussen vervaagd is, sinds Dehaene van het federale schouwtoneel verdween. Waarschijnlijk omdat ik medio jaren negentig beschamend weinig politieke berichtgeving volgde en nog minder beleidslijnen analyseerde. Ik was ‘jong’ maar herinner me bij Dehaene vooral kernwoorden: saneringen. Begrotingstekort. Drieprocentnorm. Eurozone. Sint-Michielsakkoord. Hij mocht een niet onaardig aantal realisaties op zijn conto schrijven. Hij was de loodgieter die buizen fitte als geen ander. “Den bulldozer” noemde ons vader hem zelfs glimlachend. Dehaene groef, verzette bergen maar streefde zelden naar elegantie. Hij was zijn brute en ontwapenende zelf, in alle omstandigheden. Dat laatste werd hem niet altijd in dank afgenomen. Begrijpelijk en terecht, in zekere zin. Volgens critici bespaarde hij het land deels kapot en blies hij tegenstand ongegeneerd van de baan. Geen stijl, verklaarde de tegenpartij, in welke politieke hoek die ook zat. Geen gezever, counterde Dehaene. En vooral: geen commentaar. Ook wanneer zijn beroemde/beruchte economische ingrepen bij tijd en wijle onder vuur genomen werden. Als Dehaene er geen zin in had, beantwoordde hij er geen vragen over en zou de kritiek hem worst wezen. Als de Wetstraatverslaggevers hem te zeer voor de voeten liepen, trapte hij ze bijna letterlijk plat. Let the beast go. En hij vertrok naar de volgende match van blauw-zwart. Net dat is in zekere zin poëzie, zij het: brute poëzie. Dat Dehaene ondanks zijn politieke gedrevenheid en niet onaanzienlijke positie weinig inzat met zijn imago. Hij deed wat hij graag deed, op zijn manier, en draaide de knop om wanneer hij het nodig achtte. De cameraploegen waren dan ook welkom wanneer het gezin Dehaene voetbal keek en daarenboven ongegeneerd door het lint ging: meer vlees en bloed kan er in een toppoliticus niet zitten. De band liep ook terwijl Dehaene op een zonnige dag, in aanloop naar vermoedelijk alweer een verkiezingsuitslag, eens in zijn moestuin wroette. Hijgend, met een veel te hard spannend hemd, met het zweet druipend overal. Het kon hem geen moer schelen. Hij was op dat moment een doodgewone mens. Hij beheerste de perfecte tweedeling om de politieke gekheid een leven lang vol te houden. Alleen dat soort mensen verschijnt met een short en sandalen in een nieuwsstudio. Wat jammer is: de smet op zijn blazoen. Zoals het veel mannen van de macht overkomt, en cours de route. Dehaene heeft in de herfst van zijn carrière – naar mijn gevoel – breed gegraaid, in allerhande bestuursfuncties. Dat pikt een deel van de bevolking niet, als diezelfde persoon eerder verkondigde ‘dat kindergeld verhoogd zal worden, maar de dertiende en veertiende maand niet meer uitgekeerd’. Daarna vlot poen scheppen tast je eigen (geloof)waardigheid aan. Het laat een wrange nasmaak bij de kiezers. Zelfs als je omwille van je gedegen kennis als oud-premier nog de eer krijgt om een bank te proberen redden. Daar kon de ervaren loodgieter zijn expertise niet meer ten volle valideren. Maar anderzijds: wie had het wel gekund? Dehaene is niet meer, onverwacht gestorven, en ook weer niet. We hadden het einde niet zo direct verwacht. Het beetje ‘extra time’ – om het in voetbaltermen te zeggen – was hem ondanks zijn ziekte best gegund. Als een populaire politieke voorman na Dehaenes heengaan dan toch durft stellen ‘dat hij hoopt dat CD&V uit diens overlijden geen munt zal slaan’, keert mijn maag spontaan en keihard om. As if, BDW. Een overlijden is geen marketingstunt. Het is geen pandapakje aantrekken en jolig doen. Het is het leven en hoe het eindigt. Voor Dehaene gebeurde dat Quimper, in Bretagne, niet zo gek ver van de Atlantische Oceaan. Een klein paradijs voor stille genieters. Daar hoor je het ruisen van de verre zee bijna tussen de vakwerkhuizen. Daar is een plat fruits de mer degusteren het hoogste goed. Daar smaakt de wijn altijd beter. Daar tikt de tijd trager. Daar heeft het leven kleine geheimen. Daar kun je ze ook rustig achterlaten, en het tijdelijke voor het eeuwige ruilen. (Jean-Luc Dehaene, 7 augustus 1940 – 15 mei 2014)

Bene Van Eeghem
0 0

KILLER VIOLIN

De strijkstok gleed over de snaren en produceerde een lange, valse noot. Suzanne kreeg er buikkrampen van. Ze repeteerde vaak ’s morgens voor ze naar school vertrok, maar deze dag ging het erg slecht. Elke keer opnieuw verscheurde de valse noot haar oren, zonder dat ze wist hoe hem mooi en puur te laten klinken. En toen ging de bel. Van angst stond haar hart stil. Ook haar mama, die nog snel wat fruit in haar schooltas wou stoppen, trok haar peignoir strak aan en keek bang op naar haar dochter.  Dat zou de deurwaarder wel weer zijn, zeker? Sinds haar vader, ook een vioolspeler, hen had verlaten voor een vrouw met veel geld, die zijn concerten betaalde, was de deurwaarder wel vaker langs geweest. Suzanne was niet alleen haar gezinnetje kwijt, warm en veilig en geborgen, waar ze zich thuis voelde. Nee, ze waren ook arm geworden, schuldeisers hadden nu alles over hen te zeggen. Eerst verkocht haar moeder haar eigen viool (hij was nog van haar opa geweest) en dan haar laptop, en dan de laptop van Suzanne en tot slot de sofa, maar het haalde niets uit, de deurwaarder was terug. De woede die Suzanne voelde opborrelen, bij het zien van die kleine, magere deurwaarder met zijn scherpe neus, die met een glimlach en zijn notitietablet in de hand, hun schamel appartementje betrad alsof het van hem was, werd door haar slechte vioolspel nog aangewakkerd en werd zo sterk dat Suzanne begon te beven. Ze wilde zo graag dat haar mama hem schreeuwend en stampend de deur wees. Een grote, plompe politieagent vergezelde de deurwaarder, hij stond wat onwennig rond te draaien, tot zijn oog op haar moeders décolleté viel en een vieze glimlach over zijn pafferig gezicht gleed. Haar mama’s nerveuze handen trokken de peignoir strakker aan. Suzanne haatte hen diep, ze voelde zich alsof ze zou scheuren, barsten, lava uitspuwen en iedereen en alles bedelven. Maar ze mocht niets, niets laten zien van al die emotie, want ze wist, ze had het gezien in zijn ogen, dat deze kleine man genoot van verdriet. Haar moeder begon te wenen, nee, net wat hij wilde. Haar arme mama. Suzanne voelde medelijden met haar mama waar ze zoveel van hield, maar ook afkeer voor deze vrouw die minder beheersing had dan zijzelf, een meisje van elf.  Suzannes kwaadheid voedde zich aan deze emotie en nam nog toe. Om zich te beheersen, nam ze haar strijkstok weer op en ging door met spelen. De deurwaarder zei vriendelijk “oh, een artieste, gelijk haar mama,” Hij glimlachte: “Heel mooi. Ik speelde zelf als kind, niet lang, ik was niet zo goed als jij.” Hij sloeg zijn ogen neer. “Ik hoorde je al spelen in de gang. Je hebt veel talent, je zal ver geraken.” In weerwil van haar eigen kwaadheid, sloeg het complimentje aan, Suzanne voelde zich gecharmeerd. De kwaadheid ebde weg.  “Ik wou dat ik iets kon doen om jullie te helpen. Jullie hebben het niet gemakkelijk, hé” Nu viel van verbazing haar mond open. Hij keek vragend van Suzanne naar haar mama, die stopte met wenen en wier gezicht een voorzichtig dankbare uitdrukking kreeg. Zou deze man dan toch niet zo gemeen zijn? Hoop dook op als een zonnestraal door grijze wolken heen. “Dank je,” begon haar mama, met een beverige stem, die ze probeerde vast te doen klinken, maar voor ze verder kon spreken, onderbrak de deurwaarder haar. Hij ging voort op dezelfde vriendelijke toon “maar dat kan ik spijtig genoeg niet doen, “ jullie hebben immers je rekeningen niet betaald, zie hij op spijtige toon, alsof hij tegen heel domme mensen praatte. “Geef me eens je viool, liefje, die zal ook verkocht worden, het is erg, ik weet het. Misschien kan je een goedkoper hobby proberen? …”. Met een gebaar van zijn armpje, wees hij op haar viool. Suzannes had veel fierheid. Deze verrader, deze gemenerik, hij zou haar niet doen wenen. Ze dwong zichzelf om te glimlachen, haar moeizaam plooiende lippen voelden als steen, ze voelde zich misselijk. Alsof ze haar viool moest losscheuren van haar eigen huid, gaf ze hem af, een grote leegte bleef over in haar, het deed pijn. Eerst haar vader die hen verraadde en nu deze vreemde, deze vieze meneer, die hen kwam uitlachen bij hen thuis. Op dat ogenblik vlamde haar haat zo sterk terug op, dat ze het niet meer kon verdragen. Vechtend tegen haar prikkende ogen vol wild ingehouden tranen, vluchtte Suzanne in zichzelf. Terwijl de kleine man de rest van hun schamele bezittingen noteerde, bekeek ze hem  en concentreerde zich.  Ze dwong zijn magere rug om langer te worden, een donkergrijze, dichte vacht er uit te doen groeien en langzaamaan het hele lichaam te overtrekken. Het zag er walgelijk uit, heerlijk! Voor haar tevreden ogen kromden de beentjes zich in klauwende pootjes en het lachende gezicht werd spitser, lange snorharen spoten uit de dunne huid naast de lange neus, de ogen krompen tot blinkende bolletjes. Een mensgrote rat zei haar vriendelijk dag en tot Suzannes tevredenheid vertrok haar moeders betraande gezicht in een uitdrukking van misprijzen, koninklijk misprijzen, haar mama werd een koningin, rechtte haar elegante rug en keek majestueus, van metershoog neer op de vieze rat. De rat vertrok en met hem de politieagent, steeds meer opgezwollen als een belachelijke ballon. De deur viel zachtjes in het slot en op dat moment hoorde Suzanne voor het eerst het rommelend geluid, eerst stil maar steeds luider, intenser, het groeide aan tot een oorverdovend lawaai. Suzanne holde snel naar het raam, net op tijd, om de kleine rattenman te zien, beneden op het trottoir, voor een enorme, kolossale viool uit de hemel viel en hem en de agent verpletterde, net voor Suzannes voordeur.

Gail Verhasselt
0 0

KILLER VIOLIN

De strijkstok gleed over de snaren en produceerde een lange, valse noot. Suzanne kreeg er buikkrampen van. Ze repeteerde vaak ’s morgens voor ze naar school vertrok, maar deze dag ging het erg slecht. Elke keer opnieuw verscheurde de valse noot haar oren, zonder dat ze wist hoe hem mooi en puur te laten klinken. En toen ging de bel. Van angst stond haar hart stil. Ook haar mama, die nog snel wat fruit in haar schooltas wou stoppen, trok haar peignoir strak aan en keek bang op naar haar dochter.  Dat zou de deurwaarder wel weer zijn, zeker? Sinds haar vader, ook een vioolspeler, hen had verlaten voor een vrouw met veel geld, die zijn concerten betaalde, was de deurwaarder wel vaker langs geweest. Suzanne was niet alleen haar gezinnetje kwijt, warm en veilig en geborgen, waar ze zich thuis voelde. Nee, ze waren ook arm geworden, schuldeisers hadden nu alles over hen te zeggen. Eerst verkocht haar moeder haar eigen viool (hij was nog van haar opa geweest) en dan haar laptop, en dan de laptop van Suzanne en tot slot de sofa, maar het haalde niets uit, de deurwaarder was terug. De woede die Suzanne voelde opborrelen, bij het zien van die kleine, magere deurwaarder met zijn scherpe neus, die met een glimlach en zijn notitietablet in de hand, hun schamel appartementje betrad alsof het van hem was, werd door haar slechte vioolspel nog aangewakkerd en werd zo sterk dat Suzanne begon te beven. Ze wilde zo graag dat haar mama hem schreeuwend en stampend de deur wees. Een grote, plompe politieagent vergezelde de deurwaarder, hij stond wat onwennig rond te draaien, tot zijn oog op haar moeders décolleté viel en een vieze glimlach over zijn pafferig gezicht gleed. Haar mama’s nerveuze handen trokken de peignoir strakker aan. Suzanne haatte hen diep, ze voelde zich alsof ze zou scheuren, barsten, lava uitspuwen en iedereen en alles bedelven. Maar ze mocht niets, niets laten zien van al die emotie, want ze wist, ze had het gezien in zijn ogen, dat deze kleine man genoot van verdriet. Haar moeder begon te wenen, nee, net wat hij wilde. Haar arme mama. Suzanne voelde medelijden met haar mama waar ze zoveel van hield, maar ook afkeer voor deze vrouw die minder beheersing had dan zijzelf, een meisje van elf.  Suzannes kwaadheid voedde zich aan deze emotie en nam nog toe. Om zich te beheersen, nam ze haar strijkstok weer op en ging door met spelen. De deurwaarder zei vriendelijk “oh, een artieste, gelijk haar mama,” Hij glimlachte: “Heel mooi. Ik speelde zelf als kind, niet lang, ik was niet zo goed als jij.” Hij sloeg zijn ogen neer. “Ik hoorde je al spelen in de gang. Je hebt veel talent, je zal ver geraken.” In weerwil van haar eigen kwaadheid, sloeg het complimentje aan, Suzanne voelde zich gecharmeerd. De kwaadheid ebde weg.  “Ik wou dat ik iets kon doen om jullie te helpen. Jullie hebben het niet gemakkelijk, hé” Nu viel van verbazing haar mond open. Hij keek vragend van Suzanne naar haar mama, die stopte met wenen en wier gezicht een voorzichtig dankbare uitdrukking kreeg. Zou deze man dan toch niet zo gemeen zijn? Hoop dook op als een zonnestraal door grijze wolken heen. “Dank je,” begon haar mama, met een beverige stem, die ze probeerde vast te doen klinken, maar voor ze verder kon spreken, onderbrak de deurwaarder haar. Hij ging voort op dezelfde vriendelijke toon “maar dat kan ik spijtig genoeg niet doen, “ jullie hebben immers je rekeningen niet betaald, zie hij op spijtige toon, alsof hij tegen heel domme mensen praatte. “Geef me eens je viool, liefje, die zal ook verkocht worden, het is erg, ik weet het. Misschien kan je een goedkoper hobby proberen? …”. Met een gebaar van zijn armpje, wees hij op haar viool. Suzannes had veel fierheid. Deze verrader, deze gemenerik, hij zou haar niet doen wenen. Ze dwong zichzelf om te glimlachen, haar moeizaam plooiende lippen voelden als steen, ze voelde zich misselijk. Alsof ze haar viool moest losscheuren van haar eigen huid, gaf ze hem af, een grote leegte bleef over in haar, het deed pijn. Eerst haar vader die hen verraadde en nu deze vreemde, deze vieze meneer, die hen kwam uitlachen bij hen thuis. Op dat ogenblik vlamde haar haat zo sterk terug op, dat ze het niet meer kon verdragen. Vechtend tegen haar prikkende ogen vol wild ingehouden tranen, vluchtte Suzanne in zichzelf. Terwijl de kleine man de rest van hun schamele bezittingen noteerde, bekeek ze hem  en concentreerde zich.  Ze dwong zijn magere rug om langer te worden, een donkergrijze, dichte vacht er uit te doen groeien en langzaamaan het hele lichaam te overtrekken. Het zag er walgelijk uit, heerlijk! Voor haar tevreden ogen kromden de beentjes zich in klauwende pootjes en het lachende gezicht werd spitser, lange snorharen spoten uit de dunne huid naast de lange neus, de ogen krompen tot blinkende bolletjes. Een mensgrote rat zei haar vriendelijk dag en tot Suzannes tevredenheid vertrok haar moeders betraande gezicht in een uitdrukking van misprijzen, koninklijk misprijzen, haar mama werd een koningin, rechtte haar elegante rug en keek majestueus, van metershoog neer op de vieze rat. De rat vertrok en met hem de politieagent, steeds meer opgezwollen als een belachelijke ballon. De deur viel zachtjes in het slot en op dat moment hoorde Suzanne voor het eerst het rommelend geluid, eerst stil maar steeds luider, intenser, het groeide aan tot een oorverdovend lawaai. Suzanne holde snel naar het raam, net op tijd, om de kleine rattenman te zien, beneden op het trottoir, voor een enorme, kolossale viool uit de hemel viel en hem en de agent verpletterde, net voor Suzannes voordeur.

Gail Verhasselt
0 0

Alles Is Mislukt

Ik zag het. Ik zag het in de lijnen in mijn gezicht die dieper waren dan de dag ervoor. Ik zag het aan het gezicht dat me in de spiegel aanstaarde. Ik had het moeten weten. Ik had me moeten ziek melden. “Sorry mevrouw de receptioniste, ik kan niet komen, de groeven in mijn gezicht wijzen op onheil”. Maar het was donderdag. De derde donderdag van de maand. Het wat woelig slapen was waarschijnlijk te wijten aan de opwinding dat deze avond zou komen. Het was niet de eerste keer dat ik wat nerveus sliep voor de derde donderdag van de maand. Ik boog me voorover en gooide het koude water dat uit de kraan gutste over mijn gezicht. Ik poetste mijn tanden in zeven ronddraaiende bewegingen per tand. Op de tand, zijdelings en dan de binnenkant. En schraapte op het eind mijn tong. Legde mijn haren goed. Vouwde de handdoek in 2 en drapeerde hem op het rekje. Deed mijn hemd en broek aan en liep de woonkamer in. Één, Twee en Drie, mijn katten begroetten me zoals altijd hartelijk. Luid spinnend, ronkend en vleiend. Alsof ik de hele winter had geslapen. Twee sprong de keukenkast op met een tijgersprong terwijl Één en Drie rond mijn benen draalden. Ze miauwden in koor als ik de koelkast open deed en hun eten eruit nam. Ik voelde met wat neerslachtig die ochtend. Had het te maken met de vermoeidheid? Toen de katten luid schransend zaten te eten moest ik denken aan vroeger. Aan de speelplaats. De andere kinderen joelden door elkaar, liepen heen en weer, speelden met elkaar. Ik zat meestal op de bank, het hele schouwspel gade te slaan. Neen, populair had ik me nooit gevoeld, al werd ik nooit zwaar gepest. Ik had ook nooit populair willen zijn. Het leek me een immense druk om daar mee te moeten omgaan. Rond mijn 14e levensjaar begon mijn levensfilosofie vorm aan te nemen als een standbeeld dat tevoorschijn komt uit een rots. Toen ik voor de zoveelste keer uit de boot viel. Omdat ik geen merkkleren droeg, niet de juiste schoenen droeg, niet de juiste hobby’s had, niet de juiste hippe woorden van het moment gebruikte, mijn haren door de wind verkeerd lagen, of wie weet welke reden dan ook de andere kinderen verzonnen om iemand uit te sluiten. Ik was niet onknap of arm. Mijn ouders waren gemiddeld welgesteld. Een keurig burgerlijk gezin. En ik had mooi dikke zwarte haren en doordringende bruine ogen. Een rond gezicht met misschien een te grote neus die wat uit de toon viel. Maar het versterkte wel mijn gezicht. Ik straalde karakter uit. Zo verwoordde een tante het eens. Al voelde ik het niet zo. Want sterke karakters zouden zich niet zo druk maken om futiliteiten zoals ik. Maar ik wilde gewoon rust, genieten van het leven. En zijn wie ik was. En me vooral niet bezighouden met de complexe sociale pikorde van de school. Maar toch was er altijd commentaar. Ondanks ik me neutraal opstelde werd me altijd duidelijk gemaakt om welke reden ik er die dag niet bij hoorde. Het was een vermoeiende aangelegenheid om aanvaard te worden. Of om gewoon gerust gelaten te worden. Het was vermoeiend om mens te zijn. Met de dieren ondervond ik geen problemen. Bij mijn ouderlijk huis had ik Balthazar de kater, Pekkels de hond, Tsjilp de parkiet en een toom kippen. Ongeacht hoe ik er bijliep, welke kleren, schoenen of zelfs als ik 5 dagen mijn ondergoed niet had ververst. Ze waren altijd blij mij te zien. Zij wezen niet naar mij met een priemende vinger. Zij sloten mij nooit uit. Zij namen het me niet kwalijk dat ik een woord uitwisselde met het meest gepeste kind van de school. Ze zeiden niets. Ze gaven alleen maar te kennen dat ze blij waren dat ik er was. En ik was gelukkig. Ik en de dieren. Geen complexe sociale verhoudingen, geen jaloezie, geen achterbaksheid,… Als de mensen zo waren, als de mensen zich zo gedroegen, neen, dan hoefde het niet voor mij. Dan ging ik liever anoniem door het leven. Ik en de dieren. Ik had geen mensen nodig. Een bewuste keuze die ik me 30 jaar later nog steeds niet beklaag. Ik had niet de moeite genomen om verder te studeren. Op school wisten ze in het 6e middelbaar al wie ik was. Of wie ik niet was. Een schim. Iemand die niet waard te vermelden of te pesten is. Het had tijd en moeite gekost. Een paar psychologen met gefronste blikken waren de revue gepasseerd. Ze waren met aandrang gestuurd door mijn bezorgde ouders. Maar een gelukkig asociaal kind kan je natuurlijk niet veel verwijten. Opnieuw het school proces doorlopen in de hogeschool of universiteit met de hippe vogels, de trends, de sociale groepen? Altijd was er wel een vakje aan te vinken. En in dat vakje wilden de mensen je dan stoppen. Neen. Ik had het zorgvuldig uitgestippeld. Met een job bij de overheid zou ik genoeg hebben om rond te komen om ergens alleen te wonen. Zodat ik een leven kon leiden in de schaduw. Een rustig rimpelloos leven. En natuurlijk enkele katten zouden daar deel van uitmaken. Mijn lievelingsdieren. Ik had ze Één ,Twee en Drie genoemd. Ik wou ze niet noemen zoals de katten bij mijn ouderlijk huis. Geen vermenselijking voor mijn katten. Ook daarom had ik er drie. Er waren er 3 over in het nest en ik wou geen keuze maken. Geen keuze maken zoals de andere mensen maken. Hij is toffer, dus jij niet. Hij is schattiger, dus jij niet. Hij is speelser, dus jij niet. Een job had ik vrij spoedig gevonden bij het Ministerie van Financiën. Stavingstukken in het systeem inbrengen of wijzigen. Dat was de jobomschrijving. En dat was ook wat ik hele dagen deed. Om dan keer op keer de stukken te bewaren met de toetsencombinatie Ctrl+Alt+F4. Ik was er heer en meester in geworden. Niemand kon zo snel als ik stavingstukken inbrengen of wijzigen in het systeem. Al maakte mijn snelheid van uitvoering me niet echt populair bij de collega’s. Typische ambtenaren die het credo “traag is goed” naleefden. Maar het gaf me toch enige houvast. Zeker in de continue veranderde tijden. De systemen werden vervangen door nieuwe systemen en dan weer door nieuwere systemen. Maar ik bleef de meester van Ctrl+Alt+F4. Ik en niemand anders. Oude stukken moesten opnieuw ingebracht worden, gewijzigd en bekeken worden. Een taak die mij na een decennia exclusief werd toebedeeld. Er was wel een keerzijde aan waar ik me nooit comfortabel heb gevoeld. Met de systemen veranderen ook de computers waarop de systemen draaiden. Van groot naar klein. Maar ook van wit naar zwart. Het systeem waarmee ik werkte draaide alleen nog op een oud type computer. Het gevolg was dat de werkvloer een zee van zwarte computers was, met in het midden, als enige een uit de kluiten gewassen witte computer. Als een omgekeerde kankervlek. Te opvallend in ieder geval. Mijn collega’s lieten me gelukkig begaan. In de beginjaren waren er toenaderingspogingen geweest, bespiedende blikken, vragende blikken, uitnodigende blikken. Maar langzaam aan, met het tikken van de klok hadden ze, net als op school, door dat ik gelukkig was. Gelukkig alleen. Drie draaide rond mijn been. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Ik moest doorgaan en met haast. Een trein wacht niet. Ik trok snel mijn zwarte lederen schoenen aan. En haalde mijn groene jas van de kapstok. Mijn trouwe groene jas. Die al wat uitgerafeld was aan de mouwen. Maar hij zat me als gegoten. En winkelen, meer bepaald keuzes maken betreffende profilering deed ik niet graag. De woonkamer waar ik in stond had ik ook zo uit de toonzaal van Ikea gehaald. Ik had in Ikea rondgelopen en begon te meten welke opgestelde toonzaal van woonkamers er in mijn appartementje paste. Toen ik een woonkamer met de goede afmetingen had gevonden, begon ik naarstig alle nummertjes van de verschillende artikelen op te schrijven met het veel te kleine potloodje dat de woonketen voorzag. Terwijl de mensenmassa rond mij zich wentelde in hun wonderlijke meubelen biotoop Mijn woonkamer leek nu uit een designer blaadje te komen. Het liet me koud. Enkel het Perzisch tapijt op de vloer viel wat uit te toon. Maar mijn katten waren er zeer tevreden mee. Het miezerde en waaide buiten. Met gebogen hoofd reed ik op mijn fiets naar het station. Beukend tegen de wind langs een typisch Vlaamse steenweg bezaaid met een root huizen terwijl de ene na de andere vrachtwagen voorbijraasde. Toen ik nat geregend aankwam aan het station en mijn fiets in de voorziene stalling plaatste, kwam de trein al luid piepend en knarsend tot stilstand. Een minder fijn ochtendgeluid dan dat van mijn katten. Ik zocht snel naar mijn plekje in de laatste coupé, derde bank rechts met het gezicht richting Brussel. En begon de krant te lezen. Dit deed ik elke morgen. Om elke morgen te bevestigen dat ik 30 jaar geleden de juiste keuze had gemaakt. Toen de trein halt hield in Brussel-Noord en ik uitstapte, liet ik me meevoeren in de mensenmassa. Als een school vissen waarin de middelste exemplaren niet moesten nadenken over de richting maar hun voorganger moesten volgen. Deze school leidde me steeds van de trein tot aan mijn werk. De receptioniste zei zoals altijd vriendelijk goeiedag. Ik knikte. Stapte snel de lift in en drukte op acht. Op de achtste verdieping liep ik snel naar mijn bureau. Eindelijk wat rust en ik begon met een kop koffie aan mijn dagtaak. Een vers stapeltje stavingstukken, netjes geprint op A4 en zo een 35cm hoog. Stond al naast mijn bureau op een karretje. Gelukkig maar, zo zou de dag rap om zijn. Zoals elke derde donderdag van de maand voelde ik me lichtjes gespannen en opgewonden. En zoals elke derde donderdag van de maand zal ik deze avond naar huis gaan met een schuldgevoel. Waarna het schuldgevoel langzaam wegebt en ik de volgende maand terug gespannen en opgewonden aan mijn derde donderdag begin. Maar ermee ophouden wou ik niet. Ondanks het stapeltje werk kabbelde de dag traag vooruit. Er hing iets in de lucht. Ik had het moeten weten. Toen de klok eindelijke vier uur aangaf slaakte ik opgelucht een zucht. Ik sloot mijn krakende computer af en liep naar buiten. Ik glimlachte. Zoals altijd op deze dag in de maand ging ik niet rechtstreeks na het werk richting het Noordstation. Eerst stopte ik bij de broodjeszaak om de hoek voor een kleine hap. Meestal een martino met extra augurken op een wit broodje. Hierna ging ik de tunnel onder het Noordstation door aan het Solvayeplein. Deze kwam uit op de Aarschotstraat. In deze straat bevond zich mijn geheim. Mijn schuldgevoel. Het bewijs dat ik ondanks mijn afkeer ervan ook maar een mens was. Ik had er niet naar gezocht. Het was een bizar toeval. Toen ik op zoek was naar een goedkoop dik tapijt, waarop de katten zich warm konden neervlijen ging ik naar de Brabantstraat. Waar enkele winkeltjes degelijke import Perzische tapijten aanboden. Dit wist ik uit een schreeuwerig foldertje dat achteloos in de hal van het Noordstation rondslingerde. Het had de ronkende titel “Perzische tapijten zijn het mekka van de tapijten”. Het had niets dan lof over de kwaliteit van Perzische tapijten. Aan de rommelige en aftandse winkeltjes te zien was dit blijkbaar nog niet echt algemeen geweten. Toen ik na niet zo lang zoeken er één op de kop had getikt. Keerde ik terug via de Rogierstraat om vervolgens de Aarschotstraat te nemen richting het Brusselse Noordstation. Ik kon ook opnieuw via het Solvayeplein gaan naar het Noordstation. Maar zoals ik al zei het was een bizar toeval. En toen ik nog geen 10 meter ver was in de Aarschotstraat zag ik haar zitten. Met beide benen gekruist over elkaar. Een sigaret in haar rechterhand. Wezenloos voor zich uit te staren. Ik weet niet waarom ik als aan de grond genageld bleef staan. En wat me bewoog in haar richting. Het konden haar brede heupen zijn die me deden denken aan mijn moeders heupen. Het kon haar mond zijn die zich keer op keer hard sloot om de sigaret. Het kon haar kanten paarse lingerie zijn die haar huid een warme gloed gaf. Ik weet het niet. Ik stak blindelings de straat over en stapte binnen met het Perzisch tapijt gekneld onder mijn armen. Ze keek wat vreemd op. Een soort blik die ik al gewend was. Wat een raar mannetje zag je haar denken. Ze vroeg wat ik wilde. Ik haalde mijn schouders op. Ik wist niet wat ik daar deed in de naar zeemzoete parfum geurende inkomhal. Ze kwam van haar stoel en stapte op me af. Ze was verrassend klein, nauwelijks één meter zestig. Ze had een spitse neus. Ik kon moeilijk raden hoe oud ze was door de dikke laag fond de teint. Ze haalde haar blonde haren van haar schouders en stak deze in de lucht om dan weer op haar schouders te laten vallen. Het hoertje glimlachte naar mij, pakte mijn linkerhand vast en leidde mij langs het gordijn naar binnen in een kamer omgeven door een troosteloos bloemetjesbehang. Ik legde mijn tapijt op de vloer en liet me ondergaan. Ik wist niet wat me overkwam. Hoe warm en teder het was. Niet dat hoeren per definitie teder zijn. Maar deze vrouw die als broodwinning voor prostitutie had gekozen wist blijkbaar welk vlees ze in de kuip had. En hoe ze dit vlees wist te behagen. Tedervol te zijn maar toch op een degelijke afstand zonder mij te beklemmen. Sindsdien ging ik elke derde donderdag van de maand bij haar langs. Omdat het toen de derde donderdag van de maand was. Stipt om vijf uur. Ik kende haar naam niet, zij kende mijn naam niet. Er werd niet veel gepraat. Maar praten hoefde ook niet. Het ging om de vleselijke warmte. Aan sociaal contact had ik geen behoefte. Toen ik die dag in de Aarschotstraat kwam was het zoals gewoonlijke een heen en weer geloop van mensen. Mensen met hun handen diep in de zakken, met hun blik schuin naar één van de rood opgelichte ramen. Toen ik bij haar raam aankwam verstijfde ik. Het raam was leeg. Dat was nog nooit gebeurd. Ik keek op mijn horloge, vijf voor vijf. Misschien was ze nog aan het werk met een andere klant. Een andere man. Ik mocht er niet aan denken. Ze was een hoer, maar de gedachte aan andere mannen die haar beroeren kon ik niet aan. Het was één van die gedachten die ik niet begreep van mezelf en ook niet wou verklaren. Ik wachtte vijf minuten. Nog steeds was ze niet te zien. Altijd wachtte ze in haar raam, ze hield ze zich vrij voor mij. Als iemand binnenkwam tegen vijf uur weigerde ze. Het was een soort stilzwijgende overeenkomst. Ik gaf haar ook altijd iets extra, “verwen jezelf eens goed”, zei ik dan. Dat deed ze dan waarschijnlijk met sigaretten en drank. Vertwijfelend stak ik de straat over. Even blindelings als de dag dat ik voor de eerste keer naar haar raam toeliep. De deur stond op een kier. Vreemd. Toen ik mijn oor naar de deur toebracht hoorde ik een gedempt gekreun binnen. Mijn hand legde zich op de klink en duwde de deur zachtjes verder open. Voor ik het zelf goed en wel besefte schuifelde ik de gang in als een koorddanser. Stap voor stap naar het gordijn van haar kamer toe. Het gedempt gekreun bleef aanhouden. Ik legde mijn vinger op de scheiding van het gordijn. En gluurde voorzichtig naar binnen. Wat ik zag deed me verstijven. Een naakte man zat bovenop haar, en ging op en neer terwijl hij een kussen strak om het gezicht van het hoertje had gekneld. Zijn knokels zagen wit door de druk die hij uitoefende op het kussen. Het hoertje spartelde tevergeefs met haar benen. Haar vuisten beukten in op de rug van de man. Maar dat leek geen enkel effect te hebben. Vertwijfelend keek ik naar het schouwspel. Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik moest dit stoppen. Op het kleine bijzettafeltje naast het gordijn stond een groteske glazen asbak in de vorm van een zwaan. Voor ik het goed en wel zelf besefte had ik de nek van de zwaan stevig omkneld en zetten een stap naar binnen. Met volle kracht wierp ik de asbak met een oerkreet richting de naakte pompende man. Alsof ik al jaren in Major League Baseball meespeelde. De asbak trof de man met volle kracht op het achterhoofd. De man schreeuwde kort en fel. Hij zeeg neer als een zandzakje dat van zekere hoogte valt. Het kussen trok hij mee in zijn val. Ik zag het paarse gezicht van het hoertje. Ze kreunde niet meer, ze bewoog zelfs niet meer. Ze lag roerloos op het bed. Ik kijk naar beneden, naar de mensenzee onder mij. Het gekronkel van de mensen die op deze hoogte stipjes lijken. Gekronkel als een mierenhoop. Continue werkend en de hiërarchie bevestigend. Ik zet mijn voeten tot op de rand. Mijn tenen krullen spontaan. Een spanning trekt over mijn hele lichaam. Alles is mislukt. Mijn levensfilosofie die ik de voorbije 30 jaar heb opgebouwd is voor niets geweest. Het heeft tot niets geleidt. De man die ik had uitgeschakeld met een kracht en overtuiging die ik nooit in mezelf had gezien bleek een serieverkrachter te zijn. Een man die de laatste jaren hoeren verkrachtte en versmoorde met een kussen. De politie trachtte hem al jaren te vatten. Tot ik, op het juiste moment gezien door de ogen van politie, de man op heterdaad betrapte en hem uitschakelde. Van de ene dag op de andere dag was ik een held. Een volksheld. Een bekend figuur. Mijn foto, een oude foto van in de begindagen op het Ministerie van Financiën, stond in het groot op de voorpagina’s van alle kranten. Ik verscheen in het journaal. Werd opgebeld door journalisten voor interviews of gevraagd voor verscheidene TV-optredens. Overal werd mijn heldendaad op een lyrische manier beschreven. Het hoertje zelf had het overleefd en vertelde honderduit over mij in de media. Ze verscheen zelfs live op televisie vanuit haar ziekenbed. Dit alles waarschijnlijk tegen goede betaling. Iedereen kende me nu. Toch was ik nog overtuigd, waarschijnlijk in een laatste koppige stuiptrekking, dat dit alles misschien maar een rimpel was in mijn leven en het misschien zou overwaaien door dit alles lang genoeg te negeren. Toen ik daarnet terug aan het werk ging en de lift uitkwam op het achtste verdiep en richting mijn bureau stapte ging iedereen op de werkvloer opeens rechtstaan en begonnen ze simultaan in hun handen te klappen. Een staande ovatie. En toen besefte ik dat alles mislukt was. Een gelukkige eenzaat die bewust niet met het menselijke gedoe betrokken wou worden voorbij was. Er was een onomkeerbare ommekeer. Ik was nu bekend en op handen gedragen door zoveel mensen. Anonimiteit bestond niet meer voor mij. Mensen zouden nu fluisteren en stiekem naar mij wijzen. Niet omdat ik een raar mannetje in een groene jas was. Maar omdat daar een onverschrokken man stond. Die een serieverkrachter kon uitschakelen met één precisieworp van een asbak. En een hoerenloper, laten we dat ook niet vergeten. Ik had me omgedraaid toen iedereen spontaan begon te applaudisseren en snelde terug de lift in. Ik drukte op de knop met het cijfer 17. Toen de lift was aangekomen op de bovenste verdieping stapte ik uit en nam de trap die leidde tot het dak. Hier sta ik dan. Ik schuifel mijn voeten nog wat naar voren zodat mijn tenen voorbij de rand zijn. Een wind jaagt door mijn haren. Ik sluit mijn ogen. Als ik dan toch moet opgenomen worden in de mensenmassa dan maar letterlijk. Ik laat me naar voor vallen.

Tim Berghman
0 0