Lezen

kunstelend plooien wat dialoog wil

niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na. iets, in de zin, tegenstelling met, niets. nee, simpel, ben ik, maar niet wanneer, nee,maar niet waarom, ben ik, moeilijk doe ik ooktoch ben ik, zo, gewoon, als. als bakstenen, nog verpakt, in plastic, dat ook nog,emotieloos, gekunsteld, toch ondoordacht, want soms regent het op hen, op me, en dan wekt daar, meestal binnen afzienbare afstand van een wekker, emotie, maar meestal dan, in de zin van, afzienbaar enkel toepasselijk, toepasbaar, of zegbaar over een periode, die dan ook nog niet lang dient te zijn, laten we de afstand betrekkelijk noemen, overbrugbaar op zijn minst mits, mits. hopelijk. als bakstenen dus, bakstenen, bakstenen die van geen huis weten, geven, geen thuis, welk woord dan ook heilig mag wezen, weet van houden niet wat aan te vangen met hem, dat is, ik, mij, mezelf, ziet u stiekem genot hier kent geen methode, geen reden tot verbergen, want mijn knedende handen die die bakstenen, tweemaal die, die bakstenen met liefde de oven instuwen, duwen en iets stapelen, om de bouw, het overzicht, uitzicht ervan, dan, aan een ander over te laten, het zou bijna durven zeggen, als een schilderij, leest u mij af, gebruik uw vinger om mij te volgen, en de vervalser, weet, weet ik, weet u, weet het altijd beter, is van een doorzicht, een inzicht voorzien, dat van handen een gebaar maakt, dat hem niet toebehoort, maar wel de ogen die zijn werk aanschouwen. slagen, dat willen, dat kan ik niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na.

IT
0 0

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

Een bloedstollend feest

De nacht viel over de dichtbeboste heuvels van het Land Voorbij de Wouden. In een doodse, onheilspellende stilte bescheen een met wolken omfloerste maan het kasteel op de heuvel, en gaf het een griezelige aanblik. Ver weg in het woud scheurde het gehuil van een eenzame wolf de nacht in twee.   Een hobbelige weg dwars door de bossen was de enige toegangsweg naar het kasteel, dat omringd was door een ravijn. De ophaalbrug was opgetrokken, waardoor het slot, met zijn vele spitse torentjes en zijn honderden kamers, als hermetisch van de rest van de wereld afgesloten was. In vele kamers brandde licht, waardoor men vermoedde dat het bewoond was. Niemand had echter ooit iemand zien binnen- of buitengaan en de valbrug werd nooit neergelaten. In het dorp in de vallei leefde het vermoeden dat hier wel eens de sleutel kon liggen voor de vele verdachte verdwijningen in de streek, al had niemand enig bewijs om dit vermoeden te staven.   Van de maan ging een mysterieus licht uit, een seconde maar, niemand die het opmerkte. De stralenbundel richtte zich op het kasteel, zweefde over het ravijn, onder de spleet tussen de arduinen dorpel en de massieve houten poort naar binnen, de krakende trap op naar boven. Als iemand zich al in de buurt had gewaagd op dat ogenblik, zou die zeker verstijfd hebben toegekeken hoe het licht zich een weg naar boven baande, zich door het sleutelgat van de zolderdeur wrong, en daar door een kier onder het deksel van een doodskist verdween.   Gedurende enkele seconden gebeurde er niets. Tot piepend het deksel van de doodskist openging en een witte gestalte uit de kist oprees...   “Hhhhmmmmppffff!!!”, zuchtte de verschijning, die zich weldadig uitrekte en een angstaanjagende lach liet horen. “Aaarghh, wat heb ik goed geslapen vandaag! Maar genoeg gerust nu. Tijd om op te staan!”   De gedaante had een doorschijnend witte huid, holle ogen, zwart haar en lange nagels. Hij kroop de kist uit en stommelde naar de deur en de trap af. “Amai, mijn hoofd tolt en mijn maag voelt als een vat zuur,” klaagde hij luidop, “Stommeling! Waarom heb je vorige nacht ook zoveel groep A gedronken? Je weet dat je het niet kan verdragen.” Wat waar was. Groep A was totaal zijn ding niet. Keer op keer hield hij er een gevoel aan over alsof een vleermuis zijn maagwand aan het opvreten was. Maar het smaakte zo lekker zoet en hij kon er niet aan weerstaan. Hij zou zich beter bij groep B en O houden. En eventueel AB. Daar zat ook nog een beetje van de A-smaak in, maar hij hield er tenminste geen zwarte kater aan over.   Hij stommelde verder naar beneden, ging de badkamer binnen en keek in de spiegel. Niets te zien! Goed zo, alles was in orde. Natuurlijk was het dan wel moeilijker om zijn tanden in te steken en zijn cape juist aan te trekken. Als laatste vertegenwoordiger van zijn roemrijke adellijke geslacht hechtte hij veel belang aan een verzorgd uiterlijk.   “Morana!”, riep hij, en het galmde doorheen het hele kasteel. Spinnen kropen weg bij het horen van zijn stem en de ratten in de kelder bleven stokstijf zitten. Algauw hoorde hij voetstappen naderen. Hij herkende de lichte tred van zijn geliefde Morana, met haar 208 jaar een kleine honderd jaar jonger dan hijzelf, waardoor zijn soortgenoten hem soms groen van jaloezie nastaarden.   “Mijn lieffte Vrykolakaff”, kirde ze bij het binnenkomen, “Ik heb vo heerlijk gedroomd over vorige nacht. Ik fidder van verlangen voor wat onf komende nacht te wachten ftaat!”   “Kan ik geloven”, gromde Vrykolakas, “Maar wil je wel eerst je gebit insteken? Je uitspraak lijkt nergens naar!”   “Oei”, giechelde Morana, en ze haalde uit een ivoren doosje een hagelwit gebit dat ze snel in haar mond stak. “Zo, teerbeminde Vrykolakasje. Wat kan ik voor je doen dat je mij geroepen hebt?”   “Wil je mijn cape halen? Ondertussen vijl ik nog even mijn hoektanden bij. En zorg dan ook maar dat je klaar bent. Je weet dat we een rendez-vous hebben met Graaf Dracula en Adachi-Moor om de feesten in de vallei te gaan opluisteren.” De laatste opmerking ontlokte aan hem een duivelse lach, maar Morana liet een pruilmondje zien.   “Is dat die Japanse vleermuis met wie Dracula tegenwoordig zo opschept? Ik moet haar niet erg, weet je,” pruttelde ze.   “Hoe dan ook, je gaat mee,” sommeerde hij haar, “En je zorgt ervoor dat je je manieren houdt, hoor je.” De laatste keer dat ze ergens de pest in had gehad, had ze Graaf Dracula, een van zijn betere vrienden, en een belangrijke rader in zijn netwerk, beledigd door te zeggen dat zijn toenmalige vriendin naar knoflook rook, en hem later ook nog eens vol bloed gekotst nadat ze teveel gedronken had.   “Zullen Incubus en Succubus er ook zijn?” vroeg ze. En ze was opgelucht toen Vrykolakas bevestigend knikte. Het waren twee onnozelaars, die met hun slachtoffers eerst de liefde bedreven, voordat ze hun levenskracht opzogen. Maar ze trokken zich nergens van aan en je kon er lol mee trappen. Ze zou zich wel met hen amuseren.   Toen ze klaar waren, kropen ze in hun vleermuismobiel en vlogen de heuvel af. In de dichtbeboste vallei was een dorp dat elk jaar zijn doden herdacht met een groot feest. In de hele omgeving hingen lampionnen die het dorp spookachtig verlichtten. De herbergen zaten vol met feestgangers en in de gemeentelijke zaal speelde een orkest ten dans. In de achterafstraatjes echter was waar het echt gebeurde voor de vampieren. Daar lagen de beschonkenen hun roes uit te slapen, speelden occasionele koppeltjes het heimelijke spel van de verboden liefde en keken onvoorzichtige puberknaapjes zich de ogen uit hun kassen, om nog te zwijgen over hun andere, allerindividueelste handelingen. Daar was het echter ook het donkerst, en waren de mensen nonchalant en onoplettend, meer bezig met hun onweerstaanbare verlangens dan met de gevaren die overal loerden. Dat was ook het doel van Vrykolakas en Morana, Graaf Dracula en Adachi-Moor, Incubus en Succulus. Zoals elk jaar beloofde het weer een feestelijke nacht te worden. Het bloed zou over hun hals stromen toen ze hun scherpe hoektanden erin plantten en ze zouden het gulzig en laveloos opdrinken.   Groot was dan ook hun verbazing toen ze merkten dat er in de donkere straten rond het feestende centrum geen levende noch een dode ziel te bespeuren viel. Dit dreigde een afknapper te worden. Vrykolakas vloekte: “Vervloekt zijn de hoorns van Nosferatu! Hier is niemand. Wat nu?”   “Ja, wat nu? Ik heb honger hoor,” kirde Morana. “Ik heb ook hongel,” sprak Adachi-Moor strijdlustig, “Als Mozes niet naal de belg wil komen, moet de belg maal naal Mozes gaan!” “Wat bedoel je, lieverd?” vroeg Graaf Dracula, “Je wil toch niet naar binnen gaan? Stel dat iemand ons herkent!”   “Waalom niet?”, sprak Adachi-Moor, “Ik heb hongel, dolst, en velschlikkelijk veel goesting! En we kunnen nog een feestje meepikken. De mensen weten toch niet dat wij vampielen zijn. En iedeleen is velkleed vandaag.”   Daar hadden ze geen argumenten meer tegen. En hoewel niet erg op hun gemak waagden ze zich toch naar binnen in de dorpszaal waar het orkest speelde. Binnen was het tamelijk donker, de zaal was slechts schaars verlicht met kaarsen die in uitgeholde pompoenen brandden. De mensen zongen, dronken en dansten en letten schijnbaar niet op de vier vreemdelingen die net binnengekomen waren en die op het eerst gezicht niet opvielen. De vier vampieren begaven zich naar het midden van de zaal om een beter zicht te hebben op hun toekomstige slachtoffers. Nog altijd trok niemand zich van hen iets aan. Tot ze in het midden van de zaal aanbeland waren en ze iemand recht op zich zagen afkomen. De man torste een groot kader met zich mee, en toen hij zich vlakbij hen bevond, draaide hij het kader om. Het bleek een spiegel te zijn...   Op dit moment ging de muziek over van een wals naar een steeds sneller en dreigender Slavische dans. De menigte stopte met praten, zingen en dansen en iedereen draaide zich om naar de vier lijkwitte gedaanten in het midden van de zaal. Er vormde zich een dreigende kring rond hen. En voor iedereen die de voorkant van de spiegel zag, kwam de griezelige werkelijkheid als een slag in het gezicht.   De stemming werd nu nog dreigender. De plastieken drietanden, die door de vampieren als feestattributen aanzien werden, bleken omhulsels te zijn voor houten kruisen, onheilspellend voorzien van scherpe punten. De dotjes in het haar van de oude vrouwtjes bleken trossen knoflook te zijn. En terwijl de vier vampieren elkaar verschrikt en in paniek aankeken, ontspon zich voor hun ogen hun gruwelijke lot...   In het kleine dorpje in de vallei nabij het duistere slot in het Land Voorbij de Wouden is  sindsdien nooit nog iemand als vermist opgegeven. Rond het kasteel zijn wel regelmatig onheilspellende stormen. Erna vliegen vleermuizen in groten getale ijselijk krijsend door de vallei, alsof ze op zoek zijn naar iets. De autoriteiten zoeken tevergeefs naar de eigenaars van het kasteel. Maar in geen enkel archief is iets over de herkomst ervan terug te vinden; geen eigenaar, geen bouwheer, geen plannen. Alsof het slot in werkelijkheid niet bestaat.

Koen Vanantwerpen
0 0

röntgen

een loden noot klinkt vooruitwat voor radioactiefs ook wachtverloor bij voorbaat de strijd de naaldhak slaat uitje knie knikt ter plekkevorkt je voet wat met de vloer lusteloos stem je de sigaret afop waar je de hand verwachtzingt een vinger van een glas van uit een diepe bunkervalt licht een vuur binnenslokt de een de ander op wat als oud houten conceptverkozen werd boven aluminiumpiept tot het kraakt over linoleum zo hel weet het licht van onderstebovenhangen pannen de strotten uiten blikken wachten bang in kasten waar de gordijnen durvendroomt de maan er niet vaneen wolf bij het bestek te zetten de kurkentrekker slingert zicheen zompig hoofd uit halsen al wat oogt klikt vals als plastic smeult in microgolfgaat hij zijn gang tot rinkeltwat voeden belooft zo gestoeld in wat langseen betekentblinkt hij in voorhoofden uit rustend op koelkast dan tafelblad dan je linkerschouder van onder een schuine schaduwdwarrelt gekruid gesmeeken een kier in de lippen ingebeeld en als er nu een trein wasdie van voorbijkomen spreken konknipoogt het land daar naar de sfeer wat zinnen zonder worden niet eens vuilgemaaktzwieren niet tussen hoofden takken wegen door onder het gewichtvan het geruisloos geschutdat tegen de borst stuit drukt tot een ei ontploften geen proef meer te nemen valtvan de wijn op de vloer zo staand zwalpend maakt de muren zwartwat het hart wijs is dan zijn rechtse hoek en het as dat je wang vangtverstijft vereeuwigd achterblijftin een verkrampte verbazing vergeet de rat wat schichtig isblijftgekunsteldeen kus het goed maken een echo van nood klein straalt in gevangen bot staat een naam gekerfd

IT
0 0

Transparantie (intro)

Er was niemand te zien die morgen. Niets. De mist lag in dikke lagen over de weiden, zodat je de bomen achteraan niet meer kon zien. De koude, vochtige lucht drong door tot op het bot. 'Maar jij bent altijd vrolijk, nietwaar, Boris?', zei Nicky. 'Vooral als je weet dat je snel eten gaat krijgen'. Nicky zette voor zichzelf koffie en schonk voor Boris een beetje lauw water in zijn drinkbak. Nicky dronk haar koffie rustig uit, de hond dronk gulzig van het water. 'Moet je een paar hondenbrokken hebben? Ja?', beantwoordde ze zijn vragende blik. 'Kijk eens hier! Als je dit hebt opgegeten, kan je er weer voor een tijdje tegen'.   Vaak bracht ze haar ochtenden op dezelfde manier door: pratend tegen Boris, geduldig koffie drinkend. De mist was het enige dat varieerde van seizoen tot seizoen. In de zomer hing er in de plaats van mist soms een zwerm muggen in de lucht, die aangetrokken werden door de beek in het bos aan de overkant. Op zulke dagen was het moeilijk om goed te slapen door de vochtige warmte, terwijl het nu de kilte was die haar 's nachts wakker hield. Een warmer donsdeken zou ze misschien wel kunnen gebruiken, maar de kou leek altijd zo plots te komen en de dichtstbijzijnde winkel die donsdekens verkocht, lag al snel tientallen kilometers verder. Daar kwam nog eens bij dat ze weinig zin had in rijden, zoeken, kiezen, geld uitgeven, … 'Ik heb het goed hier, zoals het nu is', zei ze tegen zichzelf. Boris kwam naar haar toe gelopen. Hij leek het te beamen.   De mist trok maar niet op.

Evelien W
0 1

De achtste vrouw

Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. Niemand mag het weten, zelfs de hoge Tsoekran niet. Want het kind is niet van hem.   Toen Rima ziek werd, wendde ik me in wanhoop tot de Aishnaripriesters. Zij worden door het hof geminacht vanwege hun zachtmoedige inborst en liefdevolle levensstijl. Die gebiedt hen ieder te helpen die in nood is. Ik hoorde dat Tsahib, de Meester Aishnari, in de hoofdstad was en zond hem mijn vertrouwelinge. In het grootste geheim bracht ik hem mijn zieke zoon van amper drie jaren. Zodra Tsahib hem zag, schudde hij droef het hoofd. ‘Hij is in de ban van een kwade kracht waar mijn Gezangen geen vat op hebben. Een kwade kracht die in het paleis broeit en de onschuldige prinsen treft.’ Mijn hart brak bij het horen van dat harde oordeel. Het bevestigde mijn bange vermoedens. Ik kon het echter niet aanzien om mijn zoon te zien sterven, niet nog een keer. Ik smeekte en pleitte, huilde en brak. Was er niet iets wat hij kon doen? Het minste om mijn jongen wat meer tijd te geven? De Meester Aishnari zwichtte, nam het kind uit mijn armen en Zong. Het was het mooiste geluid dat ik ooit gehoord had. Het was als het fluiten van de wind door de hoogste toren van het paleis. Maar de klank was voller, zachter en tegelijk zo enorm krachtig. Ik voelde me omringd door een warmte alsof ik mijn moeders armen om me heen voelde en weer kind mocht zijn. Toen de klank uitdoofde, was ik hoopvoller dan ooit. Mijn zoon opende zijn ogen en reikte klagend naar mij. Tsahib zuchtte. ‘Hij zal wat langer leven,’ zei hij, ‘maar niet veel.’ Ik wist niet of ik moest lachen of huilen, dus deed ik beide. Ik weet nog steeds niet waarom, maar ik reikte naar Tsahib en hij sloeg zijn armen troostend om me heen. Even snel verbraken we de verboden omhelzing, maar het zaad van de liefde ontkiemde in mij als een lamp die ik met geen middelen meer kon doven. Elke keer dat Rima de dood nabij was, zocht ik Tsahib op. Elke keer verlengde hij het prille leven en troostte hij mij. Uiteindelijk ging ik meer om hem te zien en zijn Zang te horen dan om mijn zoon, van wie ik langzaam maar zeker afstand nam. Die laatste nacht verleidde ik Tsahib onder het mom van verdriet en hij zwichtte en viel. Rima lag stil en stervend in de andere kamer. Toen ik wakker werd, lag mijn zoon slapend in mijn armen. Hij was voor de laatste keer geheeld van het gif dat zijn lichaam opvrat. Ik wist het, Tsahib wist het, Rima wist het. Alsof hij ouder was dan zijn leeftijd deed vermoeden, sloeg hij zijn ogen naar mij op in een stille smeekbede hem eindelijk te laten gaan. Ik kon het niet. Pas toen ik nieuw leven in mij voelde ontkiemen, was ik klaar om hem los te laten. Hij stierf en ik treurde. De hoge Tsoekran, mijn echtgenoot die ik met veertien andere vrouwen deel, treurde. Maar zijn verdriet was afgevlakt door de vele zonen die hij reeds aan de erfopvolging had verloren. ‘Weer één,’ moet hij gedacht hebben toen hij naast mij stond en naar de rituele verbranding van zijn, mijn zoon keek.   Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. De rouw staat me toe me zeven maanden afzijdig te houden. Het vormeloze zwarte kleed zal mijn vormen verhullen. Maar waar kan ik een kind verbergen? Ik heb reeds een week niets van mijn vertrouwelinge gehoord. Ze zoekt Tsahib, de Meester Aishnari. Zal hij mijn, zijn ongeboren kind kunnen redden?

Lyne Uytterhoeven
0 0

Afscheid (2)

Act 2 [Een club. Leuven. Vrijdagavond Enter muziek en melancholie en pintjes met een bonnensysteem, meisjes waarvan ik stiekem notie neem maar toch vooral van haar] cantus ex, hoofdrolspeler klaar voor een onvergetelijke nacht lang geleden dat ik nog zo helder dacht dat moet de alcohol wel zijn [Even terug naar de cantus. Beeld vervaagt.] tijdens de cantus van zo-even vroeg ik je net nog niet ten dans omdat het mij aan lef ontbrak en aan een pint of vier al speelde de gedachte zeker in mijn hoofd alleen toen nog niet het bier nu krijg ik onverwacht een nieuwe kans maar die nog steeds elusieve dans dat is dan maar iets voor morgen of een van de andere dagen waarop het toch niet zal gebeuren(bij mij sluit elke gesloten deur op zijn best geen nieuwe deuren) soit de alcohol had de zorgen nu toch verwijderd uit mijn zijn en ik dacht vlot en helder of wou dat graag geloven alcohol helpt schaamte te verdoven zie je en je inschatting wordt ook niet beter (al kan jij moeilijk nog heter dan je in mijn hoofd al zit) Maar hup, naar het gesprek [Het gesprek zelf.] veel meer nog dan door alcohol startte dit gesprek organisch: de keet liep leeg het gemoed liep vol het besef dat alles nu gedaan is: de nacht, het feest, dit levensdeel ik stemde in met wat je zei je knikte kort, je keek naar mij en daartussen hebben we gepraat in duizendtallen woorden duizend keer een kleine lach duizend welgevormde lettergrepen droefheid die enkel ik in die luchtgeschreven letters zag afscheid dat enkel ik in die Laag-Vlaamse klanken hoorde ik zie nog hoe je met je beker speelt in één beweging ook mijn hart weer steelt en ik heb je zo ontzettend lief ik wens je zon op al je wegen terwijl ik droef met de gedachte speel: ‘kom ik je in dat volgend levensdeel alsje alsje alsjeblief nog een duizendtal keer tegen’

Tim Van der Heyden
0 0

Hier zijn

De zon roept me op, maar ik ben nog niet klaar om wakker te worden. Ik lig met mijn hoofd op jouw borstkas, met mijn kloppend hart tegen jouw warme lijf, met jouw zachte toch sterke armen om mij heen terwijl jouw liefhebbende handen onbewust en dromerig mijn rug strelen. We ademen op hetzelfde ritme. Ik ben rustig, tevreden, volmaakt. Er is geen betere plek op deze wereld om te zijn dan hier. Hier is geen exacte locatie. Hier is bij jou en bij jou kan overal zijn. Als ik niet bij jou ben, dan ben ik nergens. Daarom wil ik ook niet wakker worden. Dat wil zeggen dat de tijd aanbreekt om nergens te zijn tot het weer tijd is om hier te zijn. Ik ben niet graag nergens, want het is daar minder warm dan hier. Ik wist niet dat ik nergens was, tot ik hier was.De zon wordt sterker en wint de strijd met de nacht. Ze wordt verwelkomd door fluitende vogels, drukker verkeer en lachende kinderen die naar school trekken. Ik ben wakker, maar ik ontken het. Ik doe alsof ik nog slaap. Jij ook. Al voelen we beiden dat de ander wakker is. We verkiezen om nog even langer hier te zijn. Om nu te zijn. En niet ergens anders op een ander moment. Op dit moment haat ik tijd. Ik wenste dat ik het stil kon zetten en dit simpele, perfecte moment van geluk pas moest verlaten als ik er klaar voor was. Ik vermoed dat ik er nooit klaar voor zou zijn en dit moment voor altijd zou willen beleven. Ik ontwaak uit mijn sluimerslaap. Mijn bed voelt leeg en koud. Jij bent er niet meer. Ik begrijp niet waarom je er niet meer bent. Ik besef dat ik al een jaar elke ochtend zo wakker word en telkens weer mijzelf afvraag waarom ik niet wakker word in jouw warmte. Ik begrijp niet waarom ik eraan blijf vasthouden. Ik heb het eigenlijk niet meer vast. Wat ik vasthoud is al weg. Ik wil voort, maar jouw herinnering houdt me hier. Hier is nu daar. Daar is niet hier. Waarom doe ik alsof daar hier is? Het enige antwoord dat klopt is dat ik hier wakker word in plaats van nergens. Daarom houd ik vast aan het hier dat nu daar is. Hoe neem ik afscheid van jou? Ik wil verder, ik wil je loslaten. Vertel me hoe ik hier kan vinden zonder jou.  Het enige wat ik wil: hier zijn, maar ik lijk het niet te kunnen zonder jou. 

Voguish
0 0