Lezen

De zonk

De zonk   ‘Pieter heeft nu iets om handen’, zei grootvader, ‘hij gaat uien kweken en die ’s zondags op de markt verkopen’. ‘Uien, wat een gedacht’, zei moeder met een meewarige blik op haar jongste broer, ‘daarmee verdient hij niet eens genoeg om voor zijn parking te betalen’. ‘Ja, maar daar gaat het niet om’, zei grootvader. Nonkel Pieter bekeek mijn ouders en mij maar zei zelf niets. Veertig en nog steeds in het oude nest. Telkens we naar huis reden na het obligate schoonouderbezoek schamperde vader tegen moeder dat ze van geluk mocht spreken dat hij haar daar ooit had weggehaald. Anders zat zij nu nog haar jaren te verslijten tussen nonkel Pieter en tante Dina. Nonkel Pieter, die slome sloeber. Tante Dina, die tranerige zenuwpees die mij altijd wou troosten voor iets wat niet gebeurd was. Berucht in de familie om haar natte zoenen. ‘Pas op, ik vind uien niet slecht, ze bevatten veel vitaminen’, zei moeder in een poging om positief te blijven. Tante Dina sprong op die kar: ‘Het is oervoedsel. De voorhistorische mens at het al’. ‘Het geeft wel veel wind’, zei vader. Dat was niet wat tante wou horen. Iedereen keek een poos naar buiten, waar behalve een opwaaiend stuk karton niet veel te beleven viel. In de keukendeur verscheen grootmoeder met een taart als een oninneembaar fort.   Crème au beurre als het cement dat de familie bijeen moest houden. Voor mij het sein om deze ondraaglijke dichtheid aan gemeenplaatsen te ontvluchten.   Ik volgde het tuinpad naar de knotwilgen, kroop onder de prikkeldraad en sprong over de sloot. Het weidegras was lang en nat, anders dan in de zomers van mijn kindertijd, toen het kort gegrazen werd door de eeuwige koeien. Ik kende hier elke vierkante centimeter. Ik stak de weide over en liep recht op ons kamp af: een droogstaande zonk achter een klein bos. Enkele gestapelde boomstammen lieten toe je hier te verstoppen en toch de omgeving in het oog te houden. Deze plaats had ooit toebehoord aan de bende van de maretak, een groep jongens uit de buurt. Ze waren allen drie of vier jaar ouder dan mij, behalve de Krul die maar twee jaar ouder was. Jammer genoeg viel de bende uit elkaar kort nadat ik als volwaardig lid was aanvaard. De jongens groeiden nu eenmaal op en gingen elders naar school. Met de Krul was ik het langst bevriend gebleven. Hij was spichtig en dankte zijn bijnaam aan een overdadige haardos. De Krul bracht mij Bob Dylan bij en de kunst om over kasseien te fietsen. En de anatomie van het meisjeslichaam. Nu was ik niet bepaald preuts opgevoed en wist ik hoe dat landschap in elkaar stak. Maar door de manier waarop hij erover sprak, begon het bij mij te dagen dat er meer was dan de louter klinische uitleg die ik tot dan toe had gekregen. Ik trof de Krul in het kamp aan. Hij schrok merkbaar toen hij me zag. Onze laatste zomer samen was alweer anderhalf jaar geleden. We waren beide veranderd, maar hij met zijn dons en zijn lange stelten het meest. Hij vroeg wat ik hier deed. ‘Op taartbezoek bij mijn grootouders. Ik dacht: ik kijk eens hoe de zonk erbij ligt. En jij?’ ‘Ik, wel …’ Hij keek om zich heen boven de boomstronken uit. Alsof er vijandelijke legers op komst waren. ‘Ik zit op iemand te wachten’, vervolgde hij. ‘Kan je niet een andere keer langskomen?’ ‘Ik kom hier niet vaak meer sinds we verhuisd zijn. Met wie ben je afgesproken?’ ‘Och man, …’ Toen draaide hij zich om en bestond ik niet meer voor hem. Ik zette nog een uitleg in: dat we toch vrienden geweest waren en dat ik niets verkeerd had gedaan. Maar de wind joeg mijn verbaal protest weg voor het hem bereikte. Ik klom uit het kamp en liep verder. Werktuigelijk volgde ik de paden tussen weilanden en stoppelvelden, de paden van weleer. Ik begreep niemand. Voor volwassenen konden de dingen niet saai genoeg zijn, mijn leeftijdsgenoten waren belachelijk dom en degenen waar ik ooit naar opgekeken had, waren onherkenbaar veranderd: brutaal geworden, of vals, of totaal afzijdig. Ik wandelde, scheerde keien over een waterplas en klom in een boom. Een boer kwam langs met de fiets aan de ene hand en een hond aan de andere. Het dier kefte als had ik heel zijn voorgeslacht uitgemoord. De man bekeek mij zwijgend en vervolgde zijn weg, het krankzinnige mormel achter zich aan slepend. De hele tijd dreigde een regenvlaag. Naar de kleiputten was het nog een uur stappen. Er zou vast niemand te zien zijn. Ik besloot dan maar terug te keren. Na veel geslenter stond ik terug bij de zonk, waar nu een heel kleine mobilette geparkeerd stond. De Krul zat niet meer in het kamp. Ik liep er in een grote cirkel omheen en toen… Toen hoorde ik iets: het geluid van mensen. Het kwam uit het klein bos, waar ik naartoe sloop. Ik zag hem. Het was de Krul, zijn haardos was onmiskenbaar. Er was nog iemand er ze bewogen zich samen. Meer kon ik er niet van maken. Beiden zaten trouwens half weggedoken onder de varens. Was dat het nu? Ging dat zo? Mijn eerste bekommernis bestond er op dat ogenblik in ongezien weg te geraken. Ik deed hard mijn best om mijn ademhaling te controleren. Voor ik het wist, was ik alweer bij de knotwilgen van mijn grootouders. Toen ik de achterdeur openstiet, was het alsof het gezelschap collectief ontwaakte uit een middagtukje. ‘Aha, onze grote jongen is terug. Een goede wandeling gemaakt?’ ‘Ben je nog eens naar je kamp gaan kijken?’ ‘Hij ziet er helemaal rood van. Is er iets jongen?’ ‘Tegenwoordig zit er in dat kamp al eens eentje te vrijen’, sprak grootvader tegen niemand in het bijzonder. En dan, met een blik van verstandhouding naar vader: ‘Zelf gezien’. ‘Daar is onze grote jongen toch nog wat te klein voor, hé jongen?’ zei tante Dina. Ik wou onder die ziekmakende aandacht weg. Mijn keel zat dik van machteloze woede. Nooit zien ze mij hier nog, dacht ik. ‘De jongen is veel te verlegen voor zijn leeftijd’, zei grootmoeder, ‘ik heb voor hem nog een stukje taart overgehouden’. Ze bleven mij maar bekijken. Ik wou ‘dank u’ zeggen maar belandde in een hoestbui. Er moest een zakdoek aan te pas komen. ‘Ja, traantjes’, stelde vader vast, ‘en dat komt niet door die uien van Pieter’.

Ignace Pollet
9 0

onderlicht 3.

je woont in een huis, niets te groot voor kleine mensen, perfect om zo te zeggen, voor ons. weinig onderhoud, binnen, buiten weinig aan. je ziet ze welles vaker in rijtjes staan, ergens aan de rand van de stad. Zes, zeven huizen, een veld ernaast dat de buiten belooft, waar kinderen spelen van de buurt, voetbal, vliegers aan lange lijnen dansen door de wind. Zes, zeven huizen, een kiezelbaantje voor fietsers loopt errond, vanachter bekeken, tuintjes, klein hier en daar een kersenboom, door kraaien bezeten. Zes, zeven huizen dan naar't centrum toe, recent gebouwde villa's, praktijk inbegrepen, dokters hoofd en schouders, knie en teen. een voormalig schooldirecteur en zijn met boeken geleur, een straat dus mensen voetpad autobaan lantaarnpaal, goed leven zo gezegd zo gedaan. om het even. gedaan te hebben. In zo'n straat woon je, klaar om plaats te ruimen wanneer de stad aan uitbreiding toe is, onteigening in't verschiet, maar de trein die net iets te dicht, net niet ver genoeg, om het uur davert, die neemt ze dan wel mee. je komt haar overal in huis tegen, ziet haar zelden bewegen. ze zit tussen zijn in. en ik mis haar. overal. je ziet de bloemenjurk, zomers zoals elke vrouw, verwelken. de kleur vervagen, andere kleuren, bruin vooral verzamelen, egaliseren tot vlekkenjurk, geen wassen weet raad, geen geur weet van verdwijnen, overal bekleeft haar. ze zit daar. maar. dan eens op de rand van het bed, waarvan je vreest dat ze't nooit zal verlaten, tot je op de trap haar weet voor zich uitstaren, of in de gang, smal, haar ogen barstend in't plafond, ze zit daar. maar. vraag je haar, welke vraag dan ook, standaardantwoord, doe ik dan wel. betekende eerst, vlak voor het gebeuren moet, nu, in nietszeggen gehulde ontwijking, zo zie je haar, zelden anders, loop je haar mis."wanneer het mis lopen begon? eerder. eerder weet ik, niet wanneer precies. kunnen we een pauze nemen?""Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?""graag"

IT
0 0

Onze Oorlog

Mensen kijken. Staren na. Doen zelfs geen moeite om te fluisteren. Om hun misprijzen en afkeer te verhullen voor het doelwit van die woorden, scherp als een gloednieuw keukenmes.In de supermarkt boze blikken. Gespot en binnensmonds gescheld op de trein. Bij de dokter durf ik de wachtzaal niet binnen. Ik wacht op de gang tot het laatst. De arts wenkt me, schrijft me gauw iets voor. Om het even wat. Liever had hij me doorverwezen naar een vakbroeder die op zijn beurt net hetzelfde zou doen. Zwijnen als ik verdienen niet beter. We hebben de oorlog gewonnen. De vijand is verslagen, zoals het hoort. Onze tegenstander was des duivels. Anders zouden we niet hebben gewonnen. God was met óns, niet met hen, zoveel is duidelijk. Al wie niet aan die zege heeft bijgedragen, al wie zich vanuit een misplaatst kosmopolitische visie heeft onthouden, is een verworpeling van de Nieuwe Wereldorde. Er is geen plaats voor hen of haar in het feestgewoel, in de vreugd van de overwinning tegen het grote Kwaad. De Andere. Dat ik de kogel niet heb gekregen, mag een wonder heten. Misschien huist er toch nog iets van beschaving in ons ondanks die nationalistische drang naar vernieling. Vaderland voor alles. Niet willen sterven is geen optie. Het individu is dood. Leve het kanonnenvlees. Ooit zei een officier me dat ik een laf stuk stront was. De volgende dag was hij dood. Twee kogels in de rug. En ik leefde nog. Nu hangt er een medaille aan zijn stenen graf, maar voor de oorlog stal hij van de armen. Hij sloeg zijn vrouw. Zijn dochtertje kampt nu met tegenstrijdige gevoelens. Wint een vooroorlogs trauma van een prepuberale seksuele ervaring in familiale kringen het van een door de gemeenschap opgelegde trots voor de held die haar vader was? Kan de gemeenschap al wat voor de oorlog kwam, wissen? Gewoon door uit te blinken in een strijd die ons door onze leiders werd opgedrongen? Is het zo eenvoudig? Ikzelf werkte in een fabriek. Ik was een goede echtgenoot en een goede vader. Ik deserteerde tijdens de oorlog. Mijn leven is geen sikkepit meer waard. Maar het is er nog. Ik heb mijn vrouw en mijn zoontje nog. Dat is alles wat telt. Ik heb de dood vaak in de ogen gekeken. Maar aan de andere kant, over de waterplas, las ik ook de angst in het wit van de ogen van mijn lotgenoten. Die toevallig een andere taal spraken. Diezelfde angst als die van ons. Alleen heeft het bij hen een andere naam. Want toevallig werd hen een andere taal aangeleerd bij de geboorte. En dat is wat ons scheidt. Dat is wat ons zo fundamenteel anders maakt. Althans zo werd ons dat geleerd. De dood was er al te vaak. Maar niet alleen door toedoen van onze officiële vijand. Er was een ander kwaad dat zich voortdurend in onze kampen schuilhield. De hiërarchische vloek die een blinde gehoorzaamheid predikt. Wat maakt menselijkheid, empathie, respect of het gebrek eraan nog uit - zolang de rang hoger is, dien je te luisteren. De grootste schurken vertelden me dat ik moest schieten. En dat deed ik. Op die zielsverwanten van me. Alleen heeft dat in hun taal een andere naam. Want zo gaat dat. Ik had beter mijn geweer negentig graden gedraaid. Het zou het schieten alleen hebben vergemakkelijkt. Het kwaad kwam van bovenaf, niet van over de waterplas. Overal de dood, zo ook bij zij die mij voor waren. Die de knoop doorhakten te midden van dit slachthuis en niet aan de grond werden genageld door twijfels, door angst voor de wrokkige officiers, die liever zijn eigen soldaten de kogel geven dan ze een vlucht te gunnen naar daar waar de dood niet heerste. Ook zij leken het onderscheid niet te maken. Waarom zouden wij dat wel hebben gedaan? Maar zij die mij voor waren, werden gevangen genomen. Niet door onze vermoedelijke vijand, maar door onze bevelhebbers. Ze eindigden als boomknuffelaars, in een omgekeerde omhelzing met de stam. Met touwen rond ledematen die hen hielden daar waar de dood tierde. De kogel kwam niet van over de waterplas, maar uit de loop van hun leiders. Het was de mooiste blijk van de natuurlijke drang van gezaghebbers om hun onderdanen naar een andere wereld te helpen. De haat in de ogen van onze officier was onvervalst. De dood zat in het slijk. De dood was onze zuurstof. De dood lag verscholen in het hart. Redenen te over om ervan te gaan lopen. Een paar morsdode gelijkdenkenden hielden me niet tegen. In het holst van de nacht verliet ik mijn post. Ik keerde nooit terug. Achteraf bedenk ik me wel eens dat het allemaal heel anders had kunnen aflopen. Ik zou mijn vrouw en zoon nooit hebben terug gezien, had een meer dan gemiddeld snuggere officier mijn pad gekruist. Dat gezegd zijnde... ik had allerminst geaarzeld mijn wapen te richten op de man aan de knoppen, de heer en meester over deze ganse moordlustige mierenhoop, de regisseur van deze surrealistische puinhoop, mocht deze mij de doortocht hebben willen verhinderen. Niemand komt tussen mij en mijn toekomst. Zelfs de oorlog niet. Maar ik kwam geen officier tegen. Enkel een soldaat. Verward en compleet het noorden kwijt. Gereed om in de val te lopen. Klaar voor de wijd openstaande muil van de Natie, die haar kinderen voor haar laat vechten, en de kaken sluit voor wie de benen neemt. Alleen hadden we nu twee legers tegen ons. Het zijne en het mijne. De officiële vijand en de eigenlijke. De lust tot doden zat niet in zijn blik gebeiteld. Niet in de zijne. Niet in de mijne. Enkel een soort van natuurlijke overlevingsdrang. Een biologische klok die alarm slaat wanneer het tijd wordt om de plaat te poetsen. In plaats van elkaar af te maken, begrepen wij elk in onze eigen taal maar al te goed dat, als we de handen in elkaar sloegen, onze slaagkansen verdubbelden. Misschien zelfs verdrievoudigden. Nu maakt al die patriottische prietpraat geen bal meer uit. Zijn Natie heeft verloren en veel van zijn broeders rusten onder metersdik zand en slijk. Samen met mijn broeders. Maar hij leeft nog. En ik leef nog. Hij komt soms op bezoek. Wordt ook scheef bekeken. En ik door zijn bezoek nog meer. Maar het kan ons niet deren. Allebei hebben we voor de goede zaak gestreden. De strijdbijl begroeven we lang voor de oorlog eindigde. En telkens wanneer hij ons vergezelt naar het park, en we mijn zoontje in de speeltuin zien ravotten, kijken we elkaar recht in de ogen, en in die blikken, in onze blikken, is meer te lezen dan in de dikste boeken: een diepe dankbaarheid voor het complete gebrek aan vaderlandsliefde en de hoge dosis naastenliefde die we allebei vertoonden – en die nog steeds in ons huist – toen we elkaars pad kruisten, op de vlucht voor Vadertje Staat. En ’s avonds, wanneer ik mijn zoon onder stop, vertel ik hem over nooit meer oorlog. En de trots die glanst in zijn ogen, neem ik mee tot in mijn diepste dromen.

Gert Vanlerberghe
0 0