Lezen

Vertelmonoloog: Waarom ik geen schrijver werd

Al van toen dat ik klein was wist ik het. Ooit zou ik schrijver worden. Ik denk omdat ik door boeken een andere wereld leerde kennen. Ik kon daar dingen in lezen waar er thuis niet eens over gesproken werk en dat vond ik chick, dat wilde ik ook kunnen. Ervoor zorgen dat de mensen hun misère eventjes konden vergeten. Dat is toch een nobele gedachte, niet? Zo iemand dat wilde ik ook zijn. Iemand waarvan men zei: 'Zie daar, daar loopt ze, de schrijver van dat fabelachtige boek.' Als ze aan mij vroegen: 'Wat gaat ge later eigenlijk doen?' Ik twijfelde geen minuut. 'Ik, ik word ik schrijver.' In mijn jaren van jeugdbobbeltjes was dat voor mij de enige juiste vorm van bestaan. Ik had daar niks aan om naar goedkope plaatjes te luisteren of van de ene dag in de andere te slenteren. Ik wou schrijven, werken aan een oeuvre, dat wou ik. Als kleine snotneus al, wist ik dat ik iets speciaal wou doen, anders zou mijn leven niet veel voorstellen. Trouwens, op dat moment zag het er voor mij nogal ingewikkeld uit. Ik moest ik in die verkruimelde toestand eindelijk eens orde scheppen. Daarbij, juist gelijk elk ander meisje had ik een heel grote behoefte om wereldberoemd te worden. En als ik nu alleen maar al in België bekend zou zijn, dan zou ik mij al een stuk gelukkiger voelen. Ik was op dat moment eigenlijk een niemandalleke, een meeloperke, iemand waar niet over gesproken werd en dat is niet plezant. Nu kwam ik op een bepaald moment een Hollandse schrijver tegen. Nico heette hij. Ik zag mijn kans schoon, om aan die mens eens een vraag te stellen. 'Wat moet ge nu eigenlijk doen om schrijver te worden,' vroeg ik. Ik verwachtte natuurlijk dat hij iets zou zeggen in de zin van: 'Ge moet uwe stijl vinden, in de leer gaan bij grootmeesters, maar nee... Weet ge wat die slimmerik antwoordde, zonder ook maar één oog te verpinken? 'U moet schrijven.' 'U moet schrijven.' Allée, kom nu. Niks anders, geen truckjes, geen dure lessen. Die zot zei gewoon: 'Ge moet schrijven.' En het ergste van al was dat hij het precies nog meende ook. Dus vroeg ik het nog maar eens. Kwestie van zeker te zijn. 'Wat zegt u.' Hij zuchtte en hij keek naar mij, met zo een blik, precies of dat ik de grootste stommerik was die er op de aardbol rondliep. 'Nou, ik zeg het je toch. Schrijven. Om schrijver te worden moet je schrijven.' Hij kon het wel schoon zeggen, dat geef ik toe, maar dat een schrijver schrijft, dat wist ik zelf ook wel en daarom dat die woorden zo onthutsend waren. Hoe zat het dan met de kwaliteit van u werk, met de unieke kijk die ge op bepaalde zaken hebt, met de beelden die ge met woorden schept. Allé komaan, dat kon nu toch niet zijn dat die niet meer te vertellen had dan dat. Zestien jaar was ik en het enige dat die grootmeester mij te vertellen had was... dat ik moest schrijven. Alsof dat nu de boost was voor mijn carrière. Het zal waarschijnlijk heel eigenaardig klinken, maar toen is er iets in mij geknakt. Het was precies of dat het schrijversbestaan van zijn pluimen was verloren. 'Wat gaat u later worden,' vroeg die Nico aan mij. Nog wat zout op de wonde strooien, ja.  'Ik, geen flauw idee.' 'Ik dacht dat u misschien ook schrijver wilde worden.' 'Och, dat is een vak voor onnozelèren. Ik ben gaan studeren. Ik ben nooit schrijver geworden en dat knaagt nog altijd. Ik ben nu de vijftig gepasseerd en dan is het tijd dat een mens eens op zijn leven terugblikt. Ge beseft dan ineens dat ge op de terugweg zijt. Bergaf. Dan wilt ge toch nog alle graantjes meepikken die er te pikken vallen. Dan moet een mens doordachte keuzes maken, voor dat het te laat is. Dat heeft mij doen beslissen om naar de kunstacademie te gaan. Om lessen Literaire Creatie te volgen, want tegenwoordig kunt ge dat dus blijkbaar toch leren. En weet ge wat mijn docent tegen mij zei: 'Om schrijver te worden moet ge schrijven, alle dagen.' Nu gij.

bielieke
42 1

alsof ik nooit bestond

Moedeloos ben ik vele dagen door gesparteld zonder juist te weten waar ik vandaan kwam en al evenmin wist ik waar ik heen ging. Ik heb mijn huid verwond en mijn angsten werden één voor één waarheid. Ik heb besloten een einde te maken aan mijn nutteloze lijden. Ik zal niet meer staren in hete vuren die mijn ogen meedogenloos tot een heet magma doen smelten. Ik smelt van buiten en versteen langs binnen. Het leven was niet leefbaar maar chaotisch, het heeft me gevormd in ontelbaar verschillende poses waardoor ik geen juiste visie meer had. Het leven was te veel in één keer geweest, te veel verschillende gedaantes hadden mij meegenomen in hun verleidelijke klauwen. Wist ik veel dat de duivel in elk van hen teerde. En toen viel eindelijk de verlossende regen. Onze gezichten vervaagden, enkel ons hart was nog te zien, slechts een schim, slecht een glimp van de liefde. We voelden dat het kouder werd en al het vuur om ons heen verdween in de schreeuwende duisternis. Hij slokt opnieuw alle sterren op en toen ik stierf enkele maanden geleden, kwam ik er doorheen. Mijn lijf had nu controle en sleurde me opnieuw de wereld in en ik verdronk in de smakeloze tranen die de mensheid al eeuwen verborg. Ik liet me meevoeren door de wind en de storm die mijn haren roekeloos verwarde streek neer over de vlaktes van mijn lijf, van mijn liefde. Ik zal niet meer triest zijn, ik huil een leven lang niet meer omdat ik dankbaar ben dat de liefde mij ooit, lang geleden, heeft vervuld.

Cienn
10 0

VERTROUWEN

Ze is wakker. Hij zegt het met een glimlach, alsof hij me daarmee gerust kan stellen. En verder: dat de operatie goed verlopen is en dat er geen verwikkelingen waren. Dat ze de wonde zowel van buiten als van binnen hebben gehecht. Dat je er achteraf nauwelijks iets van zult merken, en ze eigenlijk alweer gewoon rond kan lopen. Dat wij als mensen een week het bed zouden moeten houden, maar dat een hond taai is, en van zoiets weinig of geen hinder ondervindt. Hij neemt me mee, naar een aanpalende kamer. Ik sta voor de kooi waarin ze ligt. Ze kijkt me aan. Geen blijdschap in die ogen. Geen gekwispel met die staart. Geen aanstalten om naderbij te komen. Niets.Het is dan ook erg, héél erg, ik weet het.Maar wat moesten we dan? Het minste dat je kunt zeggen is dat ze nogal lusteloos was. Dat er melk uit haar tepels spoot als je er per ongeluk over wreef, was natuurlijk ook wel vreemd, maar nieuw was dat niet. Wat ons echt zorgen baarde, was haar gebrek aan eetlust de jongste weken. Het was niet de eerste keer, en ik had het al eens opgezocht. We waren teveel met haar bezig. Maar het is dan ook zo'n aanhankelijk hondje. Je kunt toch moeilijk boos zijn als ze je dol van vreugde komt begroeten. Als één van ons afwezig is, ligt ze te wachten, de deur in het vizier. En als we er beiden zijn, verdeelt ze haar tijd over ons twee. Van de ene schoot naar de andere. Dan fluisteren we woordjes in haar oor, waar zij gebiologeerd naar luistert, of doet alsof.Ik heb haar nog nooit met iets zien spelen. Balletjes of speelgoed zijn niet aan haar besteed. Heel uitzonderlijk ligt ze dromerig op een steentje te kauwen, of op een takje. Dan brengt ze zo'n ding ook wel eens in huis en koestert het een tijdlang in haar mandje. Verder volgt ze iedere beweging die we maken. Werpt ons verliefde blikken toe. We noemen het de fluwelen blik. Haar liefde voor ons bleek uiteindelijk zo groot dat ze ervan in verwachting raakte. Een beetje zoals de heilige maagd Maria overkwam. Maar dat was toch nog een ander soort wonder. In dit geval sprak men van een schijndracht. Dat verklaarde de putten die ze graafde. De nesten die ze maakte. Dat ze zich soms stilletjes en in zichzelf gekeerd in een hoekje terugtrok. De aanvallen van neerslachtigheid. De agressieve uitvallen naar vreemden. Verder was het niet ondenkbaar dat die langdurig gezwollen melklieren leidden tot een tumor. De kans was dus reëel dat we haar gingen verliezen. De woorden stokten in onze kelen. De dierenarts bevestigde ons vermoeden. Op anderhalf jaar tijd was dit de derde keer. Hij schreef haar opnieuw pilletjes voor, maar na een paar weken was er nog niets veranderd. Hij wreef zich in de handen toen hij ons opnieuw in zijn wachtzaal aantrof. Zei dat hij het had verwacht. Dat er, alles welbeschouwd, maar één oplossing was voor dit probleem. En dat we niet mochten schrikken, want het was nogal drastisch. Het kwam neer op een sterilisatie. Baarmoeder en eierstokken moesten eruit.Dit ging toch iets te ver voor ons. Dat we een, nou ja, gezonde hond moesten laten opereren zat ons dwars. Dat we haar de kans om leven voort te brengen moesten ontnemen, het hamerde op ons geweten. Een tijdlang beheerste het ons leven. Ze is hier dan ook een volwaardig lid in huis. We spraken erover met vrienden. Zij die geen hond hadden vonden het fel overdreven en banaal ten opzichte van het echte lijden op deze wereld. Zij die wel een hond hadden drukten ons op het hart de ingreep niet langer uit te stellen. Doorslaggevend bleek het relaas van een bevriend koppel dat met een snik in de keel verhaalde hoe zij hun hond hierdoor op jonge leeftijd waren verloren. De volgende dag maakten we een afspraak. Ze richt zich op en kijkt me onderzoekend aan. Lijkt zich een en ander af te vragen. Wist jij hiervan? Zat jij ook in het complot?Plots komt ze overeind en loopt een beetje beverig, onzeker naar me toe. Ik help haar uit de kooi, zet haar op de grond. In een grote boog loopt ze om de dierenarts heen, gehaast, snuffelend op zoek naar iets.Zie je wel, zegt de man in de lange witte stofjas, je zou haast denken dat ze het alweer vergeten is. Wanneer ik in het bezit ben van haar riem en halsband, ga ik haar achterna. Ze wacht aan de deur naast een grote, gele plas. Dus daarom moest ze zo snel de kamer uit.Ik draag haar naar huis. Haar buik is over de hele lengte dichtgenaaid; een warme thuis van zijn inboedel beroofd. Zo zie je maar: ook al heb je niets, dan nog weten ze wel iets te vinden. Ze ziet er moe, angstig en gekwetst uit. Die blik vol vertrouwen is verdwenen. Ik leg haar neer in de zetel. Ze draait zich van me weg. Wat ik ook zeg, ze doet net alsof ze me niet hoort.Ik fluister haar lievelingswoordjes, maar het haalt niets uit.Slechts bij haar gratie ben ik een hondenfluisteraar.

Rino Feys
4 0

Sarah

Het zijn zachte temperaturen voor het seizoen. Dus laat ze de wanten en muts van mohair liggen in de ladekast. In de gang vol daglicht trekt Sarah de ritsen van haar bruine laarzen dicht. De nieuwe winterjas laat ze open, en sluit de voordeur. Duizend stappen per dag, dat is haar doel. Zo bereikt ze de ijzeren poort van de rustplaats, de ondergrondse hemel van haar oma. Sarah schrikt zichtbaar als ze aangesproken wordt. 'Ja, dat ben ik', antwoordt ze. 'Ik meende jou te herkennen', zegt de man. Hij draagt een donkerblauwe duffel en ribfluwelen broek. 'Bart heeft een foto van je op zijn werkkamer staan, vandaar...', legt hij uit. 'Ik bezoek wekelijks mijn oma', zegt Sarah. En wijst naar de achterliggende graven. Ze kijkt hem opnieuw aan en ziet dan de gelijkenissen. Bart heeft een hoekig gelaat en brede wenkbrauwen. Hij ook.  Zijn huid vertoont gelijkenissen met haar huid. De tekenaar van hun leeftijd verfijnde de pennetrekken rond de ogen. 'Loop je met me mee Sarah?' Ze knikt, doet de knopen van haar jas één voor één dicht. Wie komt hij bezoeken? Of heeft hij een ander plan? Iets wegleggen in handen die nooit meer opengaan? 'Wanneer is jouw oma...', probeert hij. 'U zegt?' U, zegt ze tegen de man die over drie dagen misschien naast haar aan de feestdis zit. U, hoe heet u? U, de latere jij. 'Hoe heet jouw oma?, corrigeert hij. 'Elza. Elza Wikkels'. Hij kijkt haar verbaasd aan. 'Ze werd Zaza genoemd?' 'Zaza voor familie', lacht ze. Dan vertelt hij uitbundig hoe zij als een moeder...

Ingrid Strobbe
0 0

De opdracht uit mijn dromen

Op een zekere dag vroeg Frederic aan zijn moeder: “Mama, Willem heeft mij uitgenodigd voor zijn verjaardag. Mag ik gaan, alsjeblieft?” “Nee, geen sprake van! Je moet nog studeren voor je proef wiskunde!”, zei mama. Ja, maar… niets te maren! Naar je kamer! Frederic slentert naar boven en stopt zijn neus tussen de boeken. Na twee minuten ligt hij al in slaap en droomt dat hij op het verjaardagsfeestje van Willem aan het fuiven is. Maar opeens hoort hij een zachte stem. De stem zegt: “Ga naar de betoverde poel. Daar wacht er een raadsel op jou om verder te gaan.” Frederic schiet wakker en vertrekt meteen naar de betoverde poel. Hij weet niet welk avontuur hem te wachten staat.   Onderweg denkt hij: waar ligt de betoverde poel eigenlijk? Betoverde poel, dat komt toch uit sprookjes. Maar waar vind ik een sprookjesboek zo snel? De bieb natuurlijk! Frederic spurt weg naar de bieb. Als hij een boek heeft gevonden loopt hij bliksemsnel naar de kassa. Thuis aangekomen begint hij het boek direct van voor naar achteren te lezen. Op de laatste bladzijde vindt hij de legende van de betoverde poel. Frederic staat op en vertrekt meteen. Hij komt na twee uren fietsen aan bij een reuze grote berg. Hier moet het zijn, denkt hij. Nu gewoon nog een grot vinden en in het midden van de grot vind ik de betoverde poel. Hij begint te klimmen.   Helemaal bovenaan vindt Frederic een holle ruimte, de grot! Hij stapt de grot binnen. Na een paar meter hoort hij gebrul en in een oogwenk staat er een reusachtige draak voor hem. De draak zegt: “Wie ben jij en wat doe jij hier?” Wel ik euh… Voor Frederic zijn zin kon afmaken nam de draak hem op en liep hij naar een ruimte waar veel andere draken waren. De draak negeerde de andere draken en liep door. Als ze bij een grote deur komen mompelt de draak iets en de deur gaat vanzelf open. De draak stapt verder alsof er niets gebeurt rondom hem. Hij loopt een reuze groot gebouw binnen en groet een iets grotere draak. De draak zegt tegen de iets grotere draak: ”Is deze jongen goed genoeg?” “Natuurlijk! Hang hem maar boven de betoverde poel.” De betoverde poel, daar moet ik toch zijn, denkt Frederic. Hij probeert een beetje sip te kijken maar dat lukt niet zo goed. Een beetje later komen de draak en Frederic aan bij de betoverde poel en de draak hangt hem op aan het plafond juist boven de betoverde poel. Frederic ziet een klein tafeltje en ziet nog maar net wat er op ligt. Het is een klein papiertje, maar hij kan niet zien wat er op geschreven staat. Hij vraagt aan de mystrieuze draak: “Kun je alsjeblieft dat papiertje eens voorlezen.” Op het papiertje staat geschreven: “Zeg deze spreuk op: simsala bimsala kikkilo kakkelledoe.” Frederic zegt de vreemde zin na en hij valt weer in slaap. Hij hoort weeral die zachte stem. De stem begint te praten: “Hier komt het raadsel, wat is de vierkantswortel van 4?” Euh… dat is toch 2? Dat is juist! Hier komt de volgende opdracht: “Spring in de betoverde poel en zoek de boom van Robedos.” Maar vergeet niet: wie in de betoverde poel springt, komt er als een dier uit.     Het lijkt net of Frederic onder hypnose is en hij springt zonder dat hij het weet in de betoverde poel. Als hij wakker wordt, herinnert hij alleen de zin: wie in de betoverde poel springt, komt er als een dier uit. Hij kijkt verschrikt om zich heen en ziet dat hij nog in de betoverde poel is. Daarna kijkt hij verschrikt naar zichzelf. O, nee, ik ben een vis! Zo kan ik nooit de boom van Robedos vinden! Maar plots ziet hij een oud papiertje drijven. Op het papiertje staat de landkaart van een onderwaterwereld! Daar is de kloof van Neptunus, de grot van de zeewoede en daar de… de… de boom van Robedos! Er staat in kleine letters geschreven:” Vouw mij tot een vliegertje en laat mij los. Volg mij en je komt bij Robedos.” Hij doet wat er geschreven staat en daar gaat de vlieger. Frederic volgt hem heel nauwkeurig.   Als hij bij een gigantische boom komt, gaat de vlieger opeens op in zeepbellen. Dat betekent dat het hier moet zijn, denkt hij. Net als Frederic wil aankloppen gaat de deur open.” Auw, wat een harde deur”, kreunt hij. Een klein piepstemmetje zegt: “Hallo, hallo, wie ben jij?” Frederic kijkt geschrokken naar beneden. In de deuropening staat een klein, maar dan ook echt klein kaboutertje met een kwade grijns op zijn gezicht. Ik ben Frederic en… voor dat hij blub kon zeggen vielen wel 10 000 kabouters hem aan. Ze binden hem vast en plaatsen hem boven een tafel in de boom. “Als je wilt vrij komen, dan moet je eerst dit raadsel oplossen”, zegt de kabouter. Hier komt het… “Wat weegt er zwaarder dan twee dinosaurussen?” Frederic denkt heel diep na en herhaalt wel zes keer de vraag. Het antwoord blijkt hij niet te vinden. Plots zegt Frederic… “ Ik denk dat het zestien olifanten zijn.” “Dat is fout!”, roept de kabouter luidkeels. "Gooi hem in de diepste kerker bij Elisabeth", beveelt hij. Na een paar trappen naar beneden, komt Frederic bij een koperen kooi. Een klein meisje, Elisabeth, zit in de hoek van de kooi. Frederic wordt er als een zot in gegooid en belandt recht met zijn neus tegen de muur. Terwijl Frederic een gesprek probeert te voeren met Elisabeth, sluiten de kabouters hem op… “Als je wil vrij geraken, dan moet je eerst de uitdaging aan gaan met het monster van de groene slijmballen”, schreeuwt de kabouter angstaanjagend. Frederic wil natuurlijk zo snel mogelijk uit de kooi geraken en gaat de uitdaging aan. Als ze helemaal bovenaan in de kruin van de boom komen, ziet Frederic een gruwelijk maar wel klein… slijmballetje. Het fluogroene slijmballetje glijdt naar Frederic toe en grijpt hem bij de voeten. Na een paar kloppen tegen de takken van de bomen, geraakt Frederic los. Hij pakt vlug een scherpe tak en probeert het monstertje te grijpen. Maar owé… hij verliest zijn evenwicht en tuimelt van acht meter hoog naar beneden. Een paar kabouters die net een drankje aan het drinken waren, verschieten van de harde klap. Een paar kopjes vliegen het water in en belanden op het hoofd van Frederic. Nu heeft hij ook nog hoofdpijn… Frederic voelt zich een beetje duizelig en valt in slaap.   Weeral hoort hij de zachte stem. De stem fluistert: “Als Robedos, die kleine kabouter, slaapt, kruip dan in zijn dromen. Zoek daar de kring van de eeuwige snoepmannetjes. Neem ook Elisabeth mee.” Een poosje later wordt Frederic wakker in de koperen kooi, net naast Elisabeth. Ze heeft ondertussen een vuurtje gestookt. Frederic zit er somber en verdrietig bij. Plots beginnen zijn hersenen te werken… Hij heeft een super plan! Hij lette vroeger wel nooit op in de klas, maar één ding van de lessen herinnert hij zich nog heel goed. Koper smelt bij een temperatuur van 281 graden en meer. Vuur is 281 graden warm, bedenkt hij. Voorzichtig neemt Frederic een stok uit het vuurtje van Elisabeth en houdt het tegen de tralies. In minder dan twee minuten buigen de tralies en kunnen de twee kinderen ontsnappen. Eens ze boven zijn aangekomen, sluipen ze naar de slaapzaal. Ze hebben geluk want Robedos ligt als een baksteen te slapen. Als ze een droomwolk boven zijn hoofd zien drijven, duikelen ze erin.   Ze komen in een betoverend bos terecht. Frederic vindt het raar dat hij weer kan ademen op het land. Hij kijkt naar zichzelf en ziet dat hij weer een kind is geworden. Een paar meter verder horen ze gebrom en gestamp. Ze zien een trol op hen afkomen. Ze rennen vlug dieper en dieper het bos in. En plots…boem…ze vallen in een tunnel. Al tastend en al voelend volgen ze de tunnel tot hun ogen gewend worden aan de donkerte. “Wacht eens even, ik zie een klein lichtje”, zegt Frederic. “Ik zie het ook”, roept Elisabeth uit. Terwijl ze het licht naderen, zien ze dat het een fakkel is. De tunnel splitst zich eerst in twee tunnels. Ze zien dat de trol hen nog altijd achtervolgt en rennen vlug de linkse gang in. Even later merken ze dat de gang een doodlopende gang is. Ze trekken vlug een wortel uit de grond en graven een diepe put en ze leggen er vlug wat botten van vroegere mijnwerkers over. Als de trol al stampend dichter bij komt, kraken de botten. De trol valt in de diepe kuil.   “Oef, daar zijn we al van af,” zuchten ze allebei tegelijk. Ze lopen vlug de gang uit en slaan de rechter gang in. Terwijl dat ze steeds gangen uit en in lopen, hebben ze niet door dat ze achtervolgd worden. Als ze bij de uitgang komen merken ze dat een heks dreigend hun kant op stormt. Elisabeth kan nog juist ontsnappen. De heks neemt Frederic in haar klauwen en stopt hem in een jute-zak. “ Ik gooi je in de kloof der kanibalen.”, hoort Elisabeth de heks nog krijsen. Ze wil Frederic zo vlug mogelijk helpen en volgt de heks geruisloos. Waneer ze bij een heeeeeeeeel diepe kloof komen, gooit de heks Frederic erin. Als de heks uit het oog verdwenen is, begint Elisabeth de kloof af te dalen.   Beneden aangekomen ziet Elisabeth Frederic al hinken op haar af komen. Ze zoeken een veilige schuilplaats om te overnachten. Als ze wakker worden, zitten ze in een ketel. Er staat een hele groep kanibalen om hen heen. De kanibalen snuffelen en likkebaarden. De kinderen worden opgesloten in een houten hut. Er komt een klein kanibaaltje met een potlood en een vel papier binnen. Hij vraagt:” Hoe heten jullie? Ik moet dit weten om dit op het menu te kunnen schrijven.” ” Frederic en Elisabeth”, zeggen de kinderen met een bange stem. “OK”, zegt het kanibaaltje. Binnen 2 uur kan ik jullie serveren. “Oh neen! We hebben nog maar twee uren de tijd om te ontsnappen. Dat lukt ons nooit!”, roepen ze verschrikt uit. Ze denken beiden heel hard na om een plan te vinden. Ze kijken rond in de houten hut, maar vinden niets die hen kan helpen om het slot te forceren.   Na twee spannende uren worden de kinderen uiteindelijk geserveerd op een bord. Net als de kanibalen ze in stukjes willen snijden, voelt Frederic plots iets vreemds aan zijn voeten. Het is een grote stop. Frederic trekt vlug de stop uit het bord en plots begint alles te draaien, te beven en te schudden. Een grote draaikolk slokt hen allebei op. Wanneer de draaikolk eindelijk verdwijnt, liggen ze op een walvis in het water. In de verte zien ze een galjoen vol piraten. Deze komt in volle vaart op hen af. De piraten vuren een paar kanonschoten af en BOEM! Ze raken de walvis! De walvis heeft een grote wonde. De kinderen zijn heel erg bang en springen in het spuitgat van de walvis. In de buik aangekomen zien ze niets. Het is pikdonker. Ze tasten in het rond en voelen overal slijk en slijm. Ze willen hier zo vlug mogelijk weg. Algauw vinden ze de uitgang naar de mond. Wanneer ze op het puntje van de tong staan, doet de walvis plots zijn mond open en een grote golf water stroomt in zijn bek. De kinderen worden opnieuw meegespoeld naar de maag.   Half overkop tuimelen ze van de keel naar de maag. Als ze als proestend in de maag terecht komen, beginnen ze weer de uitgang naar de mond te zoeken. Dit keer vinden ze hem niet zo gemakkelijk. Maar plots… spuit de walvis met zijn spuitgat en de twee kinderen vliegen de zee in. In de verte zien ze een eilandje met een bordje waarop geschreven staat: “snoeperig snoepland”. Ze zwemmen ernaar toe. Als ze op vaste grond staan, roepen ze: “ Hier vinden we zeker de kring van de eeuwige snoepmannetjes!” Na een paar uren lopen, komen ze plotseling bij een rivier van chocolademelk. Ze weten niet hoe ze de rivier kunnen oversteken. Ze denken heel diep na en besluiten om een vlot te bouwen. De bomen zijn plotseling zuurstokken geworden. “Ja, dan doen we het hier maar mee”, zegt Frederic. Ze nemen een paar lianen en binden een paar zuurstokken aan elkaar. Ze leggen het vlot in de chocolademelk en de stroom van de rivier neemt het vlot en de kinderen mee tot aan de overkant van de rivier.   De overkant van de rivier ligt vol heerlijke snoepjes. Van die lange reis hebben Frederic en Elisabeth wel reuzehonger gekregen. Ze peuzelen gulzig de snoepjes op. Maar plots begint de aarde te beven… Een gigantische kring van Haribo-beertjes komt uit de grond. In die kring dansen wel duizend klein snoepsmurfjes. Frederic klopt op de Haribo-beertjes en meteen stoppen de snoepsmurfjes met dansen. “Pardon dat ik jullie stoor, maar is dit soms de kring van de eeuwige snoepmannetjes”, vraagt Frederic vlug. “Ja natuurlijk, kom gerust maar binnen, gasten zijn welkom”, stottert de grote snoepsmurf. Frederic en Elisabeth stappen opgewekt de kring binnen. Eindelijk eens een plaats waar levende wezens welkom zijn, denken ze. Maar net op dat moment, pakken muziek-snoepsmurf en klungel-snoepsmurf ze vast en stoppen Frederic en Elisabeth in een houten kist van zuurtjes. “Help, help, we kunnen bijna niet meer ademen”, schreeuwt Elisabeth. “Straks zeker niet meer, want we gooien jullie bij de wraatzuchtige dropmuizen”, giechelt de lol-snoepsmurf.   “Nee, nee ik wil hier uit”, tiert Elisabeth. “En toch zullen we het doen”, roepen de snoepsmurfen in koor. “Laat ons hieruit”, smeekt Frederic. “Jullie hebben nu wel genoeg gejankt. Gooi ze bij de wraatzuchtige dropmuizen!”, beveelt de grote snoepsmurf. De kinderen voelen hoe de kist wordt verschoven en met een klap valt de kist in de kloof. Door de harde klap is het slot van de kist kapot en kunnen de kinderen eruit. Vlug lopen ze de kloof verder in totdat ze bij een tunnel die ruikt naar drop komen. Ze kruipen er vlug in en denken dat ze hier veilig zijn. Maar dat is een grote vergissing… Achter hun rug staan namelijk een hele troep dropmuizen. Dat hebben ze vlug door en ze lopen de gang dieper en dieper in zo snel ze kunnen. En ja, een poosje later komen ze aan de uitgang van de tunnel. Eindelijk bevinden ze zich weer in de kloof. De dropmuizen achtervolgen hen nog altijd. “We zijn verloren”, klaagt Elisabeth met een bevend stemmetje. “Kom, kom, niet zo snel de moed opgeven”, troost Frederic. Maar plots… grijpen de dropmuizen de twee kinderen.   De muizen brengen de kinderen naar de tunnels en gooien ze voor Koning Snoepmans. Beter gezegd: Koning Haribo. Maar ja, hoe hij ook heten mag, hij was super kwaad dat Elisabeth en Frederic snoepland waren binnengedrongen. “Ik vreet jullie met huid en haar op!”, roept hij. De twee kinderen schrikken van die zin en spurten zo snel ze kunnen de tunnels uit. Ze zoeken vlug een schuilplaats en vallen in een diepe slaap. Voor de zoveelste keer hoort Frederic die stem. De stem geeft weer een raadsel op: “Ra, ra, ra, wat ben ik? ik heb ogen, maar kan niet zien.” “Euh… euhm… ik denk een… een… een dobbelsteen!”, roept Frederic uit. “Dat is juist!”, juicht de stem. “Hier komt de volgende opdracht”, vervolgt de stem. ”Ga naar de bodem van blubbermoeras. Maar let op, het moeras zit vol ongure figuren!”   De volgende ochtend vertrekken ze meteen naar het blubbermoeras. Plots komen ze bij een heel groot woud. De kinderen stappen moedig het woud in. Als ze een paar bomen en struiken gepasseerd zijn, zien ze een super groot ei. Joepie, we hebben al voedsel gevonden! Maar plots wordt er adem in de nek van Elisabeth geblazen. Ze draait zich om en ziet het meest merkwaardigste dat ze ooit gezien heeft. Het is een schubachtig beest met vlijmscherpe tanden. Inderdaad, het is een dino genaamd: Velociraptor! “Vluchten!”, roept Frederic. “Vlug, die grot binnen!” Maar, nee daar zijn ze ook niet veilig hoor.   Plots komt er een hele groep Dromerosaurussen hun kant op. “Vlug, achter deze rots!”, schreeuwt Elisabeth. ”Oef, ze zijn voorbij.”, zucht Frederic. Ze lopen vlug de grot uit en rusten even uit op een laag bladeren. De laag bladeren begint hevig te beven en er komt een Pterodactylus vanonderuit. De dino wordt groter en begint te praten. “Eindelijk ik wacht al drie weken op jullie. Vanaf nu breng ik jullie overal naartoe. Je moet me gewoon besturen.” “Ja, maar, hoe doe ik dat?”, vraagt Frederic. “Dat is toch simpel? Je moet gewoon mijn hoorn vast houden en net een game spelen. Als je wilt landen moet je gewoon mijn hoorn achteruit trekken. Probeer het maar eens.” Frederic probeert het… En ja hoor, hij heeft het direct onder de knie. “Vlug, het wordt al bijna donker, we moeten landen”, merkt Frederic op. “Daar liever niet want dat is het gebied van de T-Rex. En daar best ook niet want stegosaurussen zijn liever alleen.”, zegt de pterodactylus. “Dan landen we daar”, zegt Elisabeth. “Nee, daar ook niet want daar is het blubbermoeras.”, schreeuwt de pterodactylus. “Wablieft”, vraagt Frederic. “Het blubbermoeras”, herhaalt de pterodacytlus. “Daar moet ik zijn”, roept Frederic uit. “Ok dan maar, dan landen we daar”, beslist de pterodactylus met een rilling in zijn stem. De pterodactylus legt uit aan Frederic en Elisabeth dat in het blubbermoeras veel ongure figuren leven. De kinderen vinden dat helemaal niet erg en overnachten onder een treurwilg. De volgende ochtend staan ze oog in oog met een plesiosaurus. Dat is een zwemmend reptiel. De plesiosaurus opent zijn mond en slokt Frederic, Elisabeth en de pterodactylus allemaal tegelijk op.   Na een tijdje ontwaken de drie en zien ze niets. Alles rond hen is donker en slijmerig. Terwijl de twee kinderen en de dinosaurus zoeken naar een uitweg, zwemt de plesiosaurus naar de bodem van het blubbermoeras. Alweer doet de plesiosaurus zijn bek open en al gauw komt er een perkamentrol, die aan het drijven is op de bodem, in de maag van het reptiel. Plots herinnert Frederic zich het kleine lampje dat hij vorige week van zijn pa had gekregen. Vlug zoekt hij het lampje in zijn broekzakken en legt het aan. Hij ziet de perkamentrol en probeert het lelijke geschrift stilletjes bij zichzelf te lezen. Er staat op geschreven: “Als je dit raadsel oplost, weet je de volgende opdracht!”. Frederic leest het raadsel hardop voor: “ Hoeveel baby-dinosaurussen komen uit acht eieren van de T-rex?” Na enkele seconden na te denken, roept Elisabeth: “Ik weet het, ik weet het. Het zijn er acht. Het antwoord staat gewoonweg in het raadsel.” Al gauw verschijnen er drie pilletjes. Ze slikken er elk ééntje in en vallen weer in slaap. Na enkele uren komen ze weer wakker. Alleen Frederic herinnert zich de opdracht nog: “Ga naar het kasteel van Adelberg en vraag aan de wijze vampierin Draculina het raadsel van de vierenzestig spinnenpoten.”   “Eerst moeten we uit deze buik geraken.”, zegt Frederic. “En ik weet hoe!”, roept Elisabeth. “We moeten gewoon naar de tong klimmen en die tong dan kietelen.” Langs botten van in de nek van de plesiosaurus klimmen ze tot op de tong. Ze kriebelen de tong met hun handen. Behalve de pterodactylus, die kriebelt met zijn snavel. Na twee uren kietelen gaat de muil van het beest eindelijk open. Vlug vliegt de pterodactylus met de kinderen op zijn rug en vliegt richting Kasteel Adelberg. Waneer het kasteel in zicht is kijigen ze alle drie rillingen. Het kasteel is omringd door een lichte mist. Hier en daar vliegen er een paar vleermuizen. “Duidelijk een griezelkasteel”, zegt Elisabeth met een bange toon. Ze landen juist voor de ingang van het kasteel. Ze aarzelen even maar besluiten toch om binnen te gaan. Binnen ziet het er net zo eng uit als buiten.   Hier en daar hangen er kleine fakkeltjes aan de muren. Als Frederic, Elisabeth en de pterodactylus de trap op lopen, horen ze de trap ontzettend luid kraken. Boven aangekomen zien ze een lange, donkere gang. Ze kunnen niet anders dan de gang in lopen want de trap en de benedenverdieping zijn helemaal verdwenen. Langs spinnenwebben met grote kruisspinnen en wanden vol schilderijen van enge wezens lopen ze door de gang totdat ze bij een klein deurtje komen. Ze duwen het deurtje open, maar zien niets. Elisabeth voelt met haar hand door het kleine deurtje. Ze voelt geen vloer en geen muren… Maar toch besluiten ze om het deurtje binnen te gaan. Eerst de pterodactylus. Ze horen een kreet van blijdschap. “Yoehoe, yeh, dit is leuk!“, schreeuwt de pterodactylus. Daarna is het de beurt aan Elisabeth. Ze wringt zich door het deurtje en roept dezelfde kreet als de pterodactylus. Frederics angst is helemaal vervlogen. En hij kruipt ook door het deurtje. “Nu snap ik waarom Elisabeth en de pterodactylus die kreet riepen. Het is een superleuke glijbaan!”, zegt Frederic met een blije stem. Op het einde van de glijbaan zien de drie vrienden elkaar weer terug. Ze staan nu voor een ijzeren hek. Ze kunnen nog maar twee kanten uit: links of rechts. Ze beslissen om rechts te kiezen. Voorzichtig lopen ze de donkere gang door totdat ze bij een laboratorium vol machines en browseltjes komen. Ze speuren het laboratorium door en zien plots een rode robot. “Dag mevrouw de robot”, begint Frederic. “Weet u misschien waar Draculina, de vampierin is?”, vervolgt Frederic. “Ja dat weet ik zeker”, zegt de robot met een hoge stem. “Dat ben ik”, giechelt de robot.” “Ik snap er niks meer van”, zegt Elisabeth. “Wel… jullie kennen toch de kleur rood?”, begint de robot haar uitleg. “Jazeker”, zeggen de drie in koor. “Rood is de kleur van de liefde, maar ook van bloed. Een vampier houdt van bloed en ik ben een meisjesrobot. Daarom noemen ze mij vampierin Draculina.”, legt de robot uit. “Oh, nu snap ik het”, antwoordt Elisabeth. “Ja OK, waarom hebben jullie mij nodig?”, vraagt Draculina. “Nu, we hebben een geheimzinnige opdrachtgever en horen hem of haar alleen maar als we slapen. Dit is de zoveelste opdracht. We moeten aan jou het raadsel van de vierenzestig spinnenpoten vragen.”, legt Frederic de robot uit. “Ah, dat raadsel. Dan zal ik jullie dat maar vertellen.“, zegt de robot.   Hoeveel poten heb je als je acht spinnen hebt?”, vraagt de robot Draculina. “Oh, nee, ik ben echt geen kampioen in de maaltafels! Elisabeth?” vraagt Frederic wanhopig. “Je moet niet naar mij kijken. Ik zit nog maar in het eerste leerjaar. Ptero?”, begint Elisabeth nu ook. “Zeg, sukkels (sorry voor dit lelijk woord. Ik hoop dat je het woord niet gebruikt.) dat is toch gewoon 64.”, antwoordt de pterodactylus. “Ja, dat is juist! Amai een pterodactylus die kan rekenen. Dat heb ik nog nooit gezien.” ,bevestigt Draculina. “Omdat jullie pterodactylus zo slim is, krijgen jullie van mij een drankje. Drink het maar vlug op want straks wordt het koud.”, zegt de robot. Frederic, Elisabeth en Ptero nemen elk om beurt een slok. Van het drankje worden ze een beetje duizelig en ze vallen flauw. Net op dat moment hoort Frederic voor de duizendste keer die fluisterende stem. Alweer geeft de geheimzinnige stem een opdracht. Maar natuurlijk eerst een raadsel. “Het raadsel is: Hoe noem je een mens die bij volle maan in een wolf verandert?”, vertelt de stem zachtjes. “How, ik weet veel van fantasie”, zegt Frederic opgewonden. “Dat is een weerwolf. Ik heb dit gelezen in de encyclopedie van de fantasie.”, bevestigt Frederic zijn antwoord. “Dat is juist. De volgende opdracht is ook wel de laatste. Ga naar het kronkeldoolhof en vind het midden van het doolhof. Daar krijg je een cadeau van mij en zal je mij ontmoeten. Vertrek maar vlug. Het doolhof wacht niet.”, zegt de stem duidelijk.   Wanneer ze zich niet meer flauw voelen, zien ze dat ze nog maar twee centimeter groot zijn. “Dat heeft natuurlijk met het drankje te maken.”, zegt de pterodactylus met een piepstemmetje. “Hoe vinden we nu ooit het kronkeldoolhof?”, vraagt Elisabeth met een bange piepstem. “Dat is gemakkelijk hoor.”, zegt de robot die nu veel groter lijkt dan daarnet. “Ik geef jullie deze mini-kaart van het kasteel . Daarin zie je allemaal geheime gangen. Eéntje brengt je naar het kronkeldoolhof.”, vertelt de robot Draculina. Meteen vertrekken ze en houden ze de mini-kaart goed bij. Daar is de glijbaan waar ze uitkwamen. We zullen links proberen, besluiten ze alle drie. En dat doen ze. Na enkele kilometers (voor hun kleine voetjes toch) komen ze bij een reusachtige deur. Frederic probeert eronder te piepen en ziet een kronkelend doolhof dat in een ravijn ligt (voor hun kleine oogjes toch). Gelukkig is het sleutelgat heel erg laag en kunnen ze erdoor kruipen. Ze staan juist op de afgrond van de put die voor hen een ravijn lijkt. Ze blijven niet bij de pakken zitten en klimmen op de rug van de pterodactylus. Ze stijgen op en vliegen recht in de ravijn. Beneden aangekomen, zien ze een doolhof dat voortdurend beweegt. De hagen staan maar niet stil. Het lijkt wel alsof ze teveel jupiler hebben gedronken. Vlug kruipen ze in een groot gat (voor hun kleine oogjes toch) en passeren langs netels en doorns in de struiken. Plots komen ze in een lange gang. Op het einde van de gang zien ze dat ze naar rechts moeten. Na enkele meters (voor ons millimeters) moeten ze plotseling naar links. “Daarnet was het toch rechts.”, zegt Fredric opmerkelijk. Na een paar oogknippen moeten ze ineens rechtdoor. En dan zitten ze vast.   Er zit niks anders op dan terug te keren. Maar daar loopt de weg ook ten einde. Plots schuiven een paar hagen opzij en daar hebben ze dan toch een gang. Vlug spurten ze de gang in en als ze achterom kijken schuiven de hagen weer toe. Voor hen zien ze twee splitsingen. Eén schuin links en één stomphoekig rechts. Er staan twee wegwijzers. De ene wijst naar links. Daarop staat geschreven: midden van het doolhof. De andere wijst naar rechts. Daarop staat: verrassing van de opdrachtgever uit de dromen. Alle drie zeggen ze vragend: “Langs welke kant moeten wij nu?” Elisabeth zucht en meteen draaien de wegwijzers om. Bij het minste zuchtje wind veranderen de wegwijzers van richting. Er verschuiven weer een paar hagen. En nu kunnen ze nog maar alleen naar links en zijn de wegwijzers verdwenen. Ze lopen vlug de gang in die eindigt in een zigzaggende haag. Die is zo groot dat je zelfs zijn stammen niet ziet (voor hun kleine oogjes toch). Ze volgen de zigzaggende weg en komen bij een rondddraaiende toren. Als de deur voor hun neus passeert, zien ze een bordje met in koeien van letters (voor hun kleine oogjes toch): MIDDEN VAN HET KRONKELDOOLHOF. Vlug lopen ze de deur achterna en duwen hem open. In het midden van de ruimte waar ze zijn in gekomen, staat zijn bloedeigen mama. Die zegt: “Wel, vond je het leuke opdrachten? Ik heb ze goed gegeven hé. En de raadsels waren waarschijnlijk ook moeilijk.”   Frederic begint te stotteren. Ma…ma…mama? Wat doe jij hier? “Wel, ik zal het je eens uitleggen.”, begint mama. “Ik heb gezien dat jij in slaap viel terwijl je studeerde. Ik vond dat niet zo leuk. Ik dacht: laat hem maar. Het zijn zijn punten. Maar toen ik beneden kwam, hoorde ik een zacht stemmetje: hey, hey, yoehoe, pppsssttt, ‘k ben hier. Ik zocht toen gans het huis af en tenslotte vond ik een klein feetje in de diepvries. Het feetje zei: ik ben de fee van de goeie puntjes. Ik kan mijn krachten naar jou overbrengen. Ik nam toen het aanbod aan.” Mama vervolgde: “De fee verdween maar ik had wel haar krachten. Ik ging nog eens naar boven kijken of je terug wakker was. Maar ik werd opgezogen door jouw dromen. Zo gaf ik jou al die opdrachten en raadsels. Eigenlijk bestaan al die plaatsen niet echt. Ik heb ze moeten tekenen op een blad papier en daarna moest ik op het blaadje papier blazen. Toen verdween wat ik tekende in de fantasiewereld. En daarin ben jij terecht gekomen….” Frederic gaat er op in: ”Je hebt wel gezegd dat ik een cadeau zou krijgen van jou als ik het minden van het kronkeldoolhof zou vinden.” “Goed, goed. Hier is jouw cadeau.”, zegt mama. “Een magisch potlood. Je hoeft er gewoon mee te schrijven en het potlood neemt je hand over. Zo schrijf je alles juist op jouw proeven. Kom we gaan nu wel vlug naar huis. Binnen een uurtje begint de school.”   Frederic, Elisabeth en mama springen op de rug van de pterodactylus. Die vliegt uit het brede raam richting de poort van de gewone wereld. Net voor Frederic en zijn mama de fantasiewereld verlaten, kan Frederic nog net zijn vrienden uit de fantasiewereld, Elisabeth en pterodactylus, groeten. Met een traantje in zijn ogen gaat Frederic en ook zijn mama door de poort naar de gewone mensenwereld. Een tijdje later komen ze in hun eigen huis terecht. Frederic maakt vlug zijn boekentas en stopt het magische potlood in zijn broekzak. Met een flinke spurt rent Frederic naar school. Wanneer hij aankomt, rinkelt de bel schel. Hij gaat mooi in de rij staan. Zijn juf brengt hem naar de klas. Het eerste wat ze in de klas doen, is de proeven invullen. Gelukkig is het woensdag, dus maar een halve dag school. Het magsich potlood doet zijn werk. Frederic moet het potlood niet vast houden, het schrijft gewoon vanzelf. Om 11u15 rinkelt de bel opnieuw. De school is uit. Frederic rent naar zijn mama en springt de auto in. Hij vertelt alles over het magische potlood. De volgende dag krijgt Frederic zijn proeven terug. Vol spanning neemt hij de proeven in zijn handen. “20 op 125. Hoe kan dat nu”, zegt Frederic. Maar plotseling begrijpt hij het. “Magische potloden bestaan niet. Studeren is dus nodig”, denkt Frederic hardop. Vanaf dat moment heeft Frederic voor al zijn proeven gestudeerd…en hij behaalde telkens schitterende punten.

Korneel (2004)
43 0

Kasjmier verdriet anno 2013

  Met haar ogen pint ze zich vast op de bloesems van de rode zijde katoenboom. Ze droomt van kasjmier weefsels rond haar lichaam gesponnen. Golvend op haar huid als de wind erdoor jaagt, zoekend naar een speelkameraad. Een altijd weer vruchteloze zoektocht.    Ze ziet zichzelf badend in kurkuma kleuren terwijl ze met haar zus speelt. Klemvast in elkaars armen draaien ze ijle rondjes.   De rode stippen op hun voorhoofd vormen een perfecte rode cirkel. Binnen de kring warmen vreugdekreten en simpel geluk zich aan elkaar op. De trillende, opgewarmde lucht is de voedingsbodem waaruit de godin Lakshmi als een lotus opschiet. Met open handen strooit ze haar witgoud licht en rijkdom over de beide zussen. Ze worden er duizelig dronken van.    Alsmaar sneller en sneller draaien ze rond elkaar tot ze schuddebuikend op de grond vallen. Hun lichamen uiteenvallend als een lotus.    Ze kijken elkaar aan. Niet beseffende dat hun tollen een poort naar de eeuwigheid was die hen door de verdampte godin is afgenomen. Ze zouden dit nooit meer beleven. Onwetend veren ze recht en lopen met gensters achter elkaar aan over de velden doorheen het dorp langs knikkende gezichten.    Een donderklap.     Ze wordt terug in zichzelf geworpen. Het droombeeld van haar zus vliegt uit haar hoofd en vernevelt. Ze houdt haar hoofd met haar handen vast om ze niet te laten ontsnappen. Om de pijn te bedaren. Een bloedrode straal vloeit uit haar mondhoek over haar vingers. Dezelfde vingers die zich in stof en water beroeren om de dofheid van alledaagse dingen weg te nemen, alles te laten glanzen.    Vale kleuren wemelen voor haar ogen. Een man krijgt gestalte. Harde woorden doven in haar hoofd uit. Sommige blijven op haar netvlies liggen. Plicht. Netheid. Orde. Nietsnut. Werken. De woorden worden waterig. Verdrinken in haar schaamte.    Ze had zich laten verleiden door haar eigen zinderende herinneringen. Deze had ze al jaren in haar geheime hartkamer verborgen. De toegang ernaartoe was ze reeds vergeten. Maar de ontluikende bloesems van de rode zijde katoenboom krulden zich om haar hart. Even was ze weer op de plek waarvan ze hoopte daar altijd te zijn.    Verdwaasd draait ze zich om en omklemt stevig haar borstel, alsof het haar laatste houvast was. De laatste dode stronk op deze wereld. Ze excuseert zich met krakende woorden bij haar huismeester. Ze wil wegrennen. Maar waar moet ze naartoe? Ze heeft verhalen gehoord van vriendinnen die in de stad dansen voor mannen. Ze wil niet weten welke zintuigen ze bij hen moet bevredigen om geld te verdienen. Haar huismeester kan haar zo verder verkopen of op straat gooien. Haar familie zou geen geld meer opgestuurd krijgen.    Dus blijft ze hier vrijwillig gevangen. In het belang van de familie. Haar eigen belang weg geveegd. Zonder verdere vragen. Zonder dankbaarheid. Zo is het. En waar was haar zus?    Dus schrobt ze haar jeugd verder weg. Ze drijft herinneringen naar buiten. Wringt haar dromen uit. In het spiegelbeeld van het bruinige water ziet ze haar jeugdige gezicht wemelen. Het lijkt wel tien jaar ouder. Ze drijft haar spiegelbeeld uiteen met een handveeg, heft haar hoofd op. Buiten perst de rode zijde katoen boom het sap verder in zijn rode bloemen tot kloppende harten die verder aanzwellen. Schoonheid deed nog nooit zo een pijn.

Gilles Jules Torfs
0 0