Lezen

De lijkbleke intrede

Ik hou van mijn vader, al vergeef ik hem twee zaken nooit: Zijn beide doelpunten tegen Club Brugge en mijn sneeuwwit vel dat ik sinds mijn puberteit als een boetekleed draag. Als kleuter waande ik me nog een stoere witte ridder die met de nodige schreeuw om aandacht zandkastelen bouwt. Maar vanaf de eerste puistjes begroef ik me het liefst achter een anonieme duin. Zo ook het voorbije pinksterweekend in Knokke-Zoute, op de Siësta Beach Club. Een mondaine strandbar waar de sereniteit achteloos moet aanmeren. Maar ik voelde me op het drukste kruispunt van Bombay. Op het spitsuur. Ongenadige blikken, verborgen achter peperdure pilotenbrillen, bombardeerden mijn welbehagen. Ray-Banbliksems. Een stortvloed van napalm bij de rosé. De hele winter had ik me nochtans afgebeuld om de aandacht van m'n kleurenkwaal naar m'n torso te verleggen. Maar drie meiweken antibiotica leverden misschien wel een frisse neus op, het bijbehorende spierverlies bezorgde me een depressie op doktersvoorschrift. Ik arriveerde op het Knokse strand als een Lada op de Mercedes-stand van het Autosalon. Het bleekste model uit Siberië. Kunstmatige hulp vanuit zonnebankcentra weiger ik uit kankervrees. Nochtans worden deze gerund door pitspoezen die je olievoorraad eigenhandig op het juiste peil brengen. Botergeil, maar de wip niet waardig. Hun Braziliaanse tunnels vormen een no-go zone voor mijn universitair geladen zaad. Op hun druk bereden asfalt dat her en der al scheurtjes vertoont, dreigt immers een peperdure tol in de vorm van alimentatiegeld. Vreselijk elitair? Niet zo neerbuigend als hun oordeel over mijn huidskleur. Racisme uit de gepiercete onderbuik van de gebronzeerde samenleving. Met m'n Yacht Week-polo als beschermhoes kwam ik het eerste uur in Knokke-Zoute echter zonder kleerscheuren door. Tot ook deze Einzelgänger voor de groepsdruk en de temperatuur bezweek, overmoedig na de negende Magnum-fles. De collectieve blik op mijn kathedraal in heropbouw voelde aan als een groepsverkrachting. “Ogen dicht en doorbijten,”  fluisterde ik mezelf toe. Dat was buiten de live-verslaggeving op Facebook en deze rake opmerking van een ros Sneeuwwitje gerekend: "Ik ben blij dat ik eindelijk iemand heb ontmoet die bleker is dan mij.”  Mijn weelderig borsthaar fungeerde niet als het gewenste afleidingsmiddel, maar kreeg de status van schaamhaarstruik toegewezen.   Tot overmaat van ramp vuurde ook mijn schrijfpen er met losse flodders. De jetsetlectuur beperkt zich blijkbaar tot Cosmopolitan, echtscheidingscontracten en Viagra-voorschriften. Mijn instant proza verdween al snel in de vuilbak tussen kredietkaartticketjes. Kortom, ik maakte een lijkbleke intrede in de Graaf der Badsteden. Nu schrijf ik dit stuk in de tuin van omalief, waar ik in echte rust het pad der halve naaktheid bewandel. Op weg naar het gekleurde geluk. Benieuwd hoeveel zomers ik daarvoor nodig heb. Hier krijg ik alleszins geen veroordeling aan mijn zwembroek voor mijn gebrek aan een gebruinde sixpack, maar krijg ik onder mijn botten als ik mijn bord niet leeg eet. Het verstand komt met de jaren. Mijn kleurtje allerminst.

Magnus Sørenson
0 0
Tip

Dokschildpad

Een vrouw met heel veel boterhammen en spek en eieren.   Iemand nen boterham met kaas? Hesp? Spek en eieren? Dat was altijd ’t populairste bij de dokwerkers: spek en eieren. Sommigen hadden de chance dat hun vrouwke dat nog voor hun wilde bakken, en de rest kwam naar mij 80 jaar horeca ervaring in de haven heb ik! Wie van jullie kan dat zeggen? Ge moet wel rekenen dat één jaar toog telt voor tien.   ‘k Zou olle geire nen tekst voorlezen die ik samen met de Patrick heb geschreven. ‘k Heb pas laat ontdekt dat dieje Patrick heette. Wij noemde dieje ‘de schildpad’, omdat die zo voorzichtig was. Voorzichtig is nie het juist woord, hij kreeg altijd ’t lichste werk aan de dokken, en ik heb lang gedacht dat dat was omdat het zo’ne voorzichtige was. Later heeft mijn zuster mij verteld dat dat was omdat hij aan den drank zat. Ge ziet dat er nie aan eh. Iemand die dag in en dag uit zuipt, ge hebt nie door dat die constant zat zijn onder uw ogen. Die lijken normaal, nuchter. Alleen zijn goei vrienden wisten dat ge die man geen verantwoordelijkheid mocht geven, of een job waar ge goe bij de pinken voor moest zijn. Maar de rest van den dok dacht gewoon dat hij wat trager was, ne voorzichtige, dus de Patrick was de schildpad.   Wij waren goei maten. Ik vind dat iedere vrouw op een bepaald moment in haar leven achter nen toog moet hebben gestaan. Zoals de mannen vroeger naar ’t leger moesten, awel, zo zouden ze vrouwen verplichte ‘toogdienst’ moeten geven. Alleen zo kan een vrouw ‘de man’ leren kennen. En begrijpen. En leren mee omgaan, dat vooral. Neemt nu de vrouw van de Schildpad. Die kon echt het bloed van onder die zijn nagels halen. Dan ging ze staan dansen op de tafels in hare string! Kom zeg! Ik zou dat nooit doen. Natuurlijk stond ik de tafel daarnaast mee te dansen, maar ik hield mijn kleren aan. Ge moet ne man nie uitdagen. Zij was nie gelukkig bij de Schildpad. Uren kon ze zagen tegen mijne man over haar slecht huwelijk, totdat ik haar op den duur moest gaan vragen: “Wat is’t maske, komt ge mijne man opvrijen?” ’t Is toch waar? Als ’t nie gaat met uwe man, moet ge scheien.   Dezen tekst heb ik samen met de schilpad geschreven. Wij hadden met ons zatte botten ergens nen bik en een papier gevonden, en we waren wa gefrustreerd over de politiek. We vonden dat al die politiekers maar wat uit hunne nek lulden. En we vonden dat er nood was aan een tegenreactie. Dus wij hebben ne speech geschreven. Alé, diejen avond vonden we toch dat da ne speech was. We hebben efkes overwogen om het een “filosofisch betoog” te noemen, maar dat is hem niet geworden.   Ode aan de alcohol heet het:   ‘Dat moment, dat ge voelt dat uw gedachten trager gaan, Dat moment, dat de muziek die ge daarvoor nie echt had opgemerkt, u plots heroïsch in de oren klinkt, dat moment dat ge denkt: ik heb juist het woord “heroïsch” gedacht. dat moment dat iedere muzikant de waarheid verwoord, dat moment dat ge niet weet of ge nu wilt schreeuwen om al uw miserie die ge eindelijk onverbloemd en in zijn volle ondraaglijk grote omvang onder ogen ziet, of juist heel hard wilt lachen omdat ge eindelijk ten volle de relativiteit van uw kleine zorgskes ziet, dat moment dat ge wilt vrijen, omdat ge eindelijk beseft dat lichamelijke liefde het enige van waarde is, dat moment dat ge al uw problemen gaat oplossen, dat moment dat ge al uw emoties gaat tonen, dat moment dat ge eindelijk niet meer met uw kloten gaat laten spelen, dat moment dat ge hem eindelijk ga vertellen dat hij den enigste is, de ware, dat moment dat de wereld onstabiel wordt, dat moment dat ge voelt dat ge eindelijk uw hoofd op de vloer kunt leggen en uw voeten in de lucht, dat moment van bevlogenheid, van heldere inzichten, van gelukzaligheid, van diepe droefenis. dat moment dat ge enkel nog voor u uit kunt staren, naar dat klein stukske toog voor u dat moment dat ge beseft: da stukske hout, die tien vierkante centimeter, eik, het marmer van de bomen, dat stukske hout, met al die nerfkes, en die vlekskes en die druppels bier nog nat, dat is ware kunst.     Rondom u nog een paar nuchtere dwazen, verblind door de speed in hun leven. Gij voelt de echte snelheid: trage waardigheid. verzacht, verdoofd, wankel en scheef. Gij zijt bevrijd van die allesbepalende controle die de hele dag lang een rem is op uw daden. Waarom zoud ge constant freinend van den berg af rijden, als ‘t verdoemme wind tegen was en hard trappen om den berg op te geraken?   Wat zouden wij, arme mensen, zijn, zonder die momenten dat wij eindelijk onszelf eens kunnen overstijgen, dat onze ware gevoeligheid naar boven komt, dat onze ontkende genialiteit ter sprake komt, dat onze haarscherpe visies omtrent de wereldproblematiek, en onze eigen problematieken in het bijzonder, eens uit onze mond komen in plaats van heel den dag in onze kop toerekes te draaien.   Alcohol, gij god van de haven, gij god van Antwerpen, gij god van Vlaanderen, gij god van België. gij enige god die nog nie verboden is onze tempels. Ik aanbid u.   Helder Verstand, gij duivel van alledag, gij demon van de 52-uren week, gij gruwel van de paritaire commissies, van de CAO’s en van de vakbondsverdragen, gij draak van de VDAB, het OCMW en de zogezegde rechtvaardigheid, Laat mij met rust, slaagt me nie rond mijn oren met termen als verslaving en probleem, verveelt me nie met uw bedenkingen, uw nuchtere analyses, uw alwetendheid.   Ja, ge hebt gelijk, gij Helder Verstand. Natuurlijk hebt ge gelijk. Heelder dagen en heelder weken hebt gij gelijk.   Gij, goed brein, dat nooit de doffe troosteloze roes van echte ellende hebt gevoeld, dat nooit de giftige gespletenheid van tormenterende twijfel hebt gevoeld. dat nooit die witten bom van verbijstering, shock en ongeloof over onaanvaardbaar onrecht hebt voelen ontploffen in uzelf, Gij hebt gelijk, ik ben nog maar half mens, nu mijn benen nie meer doen wat ik vraag, nu mijn handen niet meer vastpakken wat ik wil, wie ik wil nu mijn schaamlippen niet meer stijf worden van verlangen, ik ben maar half wie ik zijn kan, maar hoe heerlijk is dat, onmachtig te zijn de plicht te vervullen mijzelf te moeten zijn, mijn slimme, op overleving gerichte zelf.   ’t Kan me  niet schelen dat ik zwak ben nu! ’t Kan me nie schelen dat morgen mijn neus zal bloeden van ’t slaag dat ik krijg omdat ik die trut naast mij eindelijk is zeg waar het op sta: ’t is een jaloerse teef , een arrogane slet, een trut van den bureau, ’t kan me nie schelen dat ik nu een sireen van nen bevriende polies voor mij nodig heb en een sireen van een andere maat bij de polies achter mij om mij veilig en wel in escorte naar ’t café te voeren waar ik de rest van den avond verder zal doorbrengen, om nog zatter te worden, ’t Kan me nie schelen dat ik morgen 25000 frank boete zal moeten betalen omdat ik dat wit autooke voor mij in de prak rijd, ’t Kan me nie schelen dat dat manneke, met zijn lichtblauw hemmeke en zijne roze mottige kop in da wit autooke, morgen een rijkswachterke zal blijken te zijn. Weet ge wat ik hem zal zeggen morgen, slim brein: dat het nie slim is om iemand die zo zat is als ‘k ik klem te rijden op een brug!   Ja, ge hoort dat goed, Helder Verstand: Ik ben trots! Trots op mijn zattigheid! Trots dat ik mij nog kan veranderen in een inefficiënt, latent, parasitair wezen. Trots dat ik mijneigen genoeg kan relativeren om mijn motorische capaciteiten af en toe te reduceren tot die van ne gehandicapte luiaard. Trots dat ik mij kan overgeven aan de complete afhankelijkheid. Trots dat ik kan zeggen: kust mijn klote gij Gezond Verstand! Kust mijn klote, regelneven, regelnichten, klote regelmaatschappij, verziekte regelneukerij, ik ben zat, en ik ben bereid ervoor te boeten! Dank god dat ik een zondig wezen ben.   Mijn psycholoog zegt dat ik problemen heb met intimiteit en vertrouwen, maar zie naar mij, psychozeikerd: ik geef mijn labiele lichaam in handen van al wie rond mij aan den toog hangt. Denk maar niet dat ik zelf nog thuis geraak in deze staat! Denk maar niet dat ik nog verantwoordelijk ben voor wat ik zeg. Ik hang volledig af van wie er rond mij zit, als da geen schoon staaltje van vertrouwen is! En wat is er intiemer dan de kots op te kuisen van uw beste maatje dat tussen uw benen heeft gespouwd.   Psychovrienden hier al bijeen: ik neem jullie in vertrouwen. Ja, mijn vader sloeg mij. Ja, mijn broer sloeg mij. Nee, die littekens op mijne rug zijn nie van mijne vorige ploegbaas, hahaha, nee, die kerf in mijn knie is nie van een ongeval in de dokken.   Psychobroeders, vrienden van den alcohol, nee, ik bedrieg mijne man nie, ja, ik slaag hem, en moest hij een vrouw zijn, hij had al lang bij mij weggeweest, maar hij is de man, en hij kan mij de baas, en hij verdraagt mijn slagen, hij noemt mij een hysterisch wijf, hij sluit mij op in de kelder, en de volgenden dag heb ik ne kater en zijn wij terug gelukkig met twee. Nee, soms kan ik het leven nie aan, maar wat moet ik doen? ’t Schijnt dat ‘zijn’ het enigste is dat er ‘is’.   Vrienden van den alchohol, da zijn geen tranen in mijn ogen, dat is verdampte mout, gegist gerst, gerijpt graan.   Vrienden van den alcool, ik zien olle gere. Ik krijg dat overdag nie gezegd Dan lachen wolle me mekaar, Dan zwanzen we ‘n pak, We draaien mekaar om ’t er iejerst ne kloejet af, maar ’t is gelak ‘k ik het zeg: olle gehavende handen, olle havenloze gezichten, ik zien da gere, ik hoor da gere: olle haperende woorden, olle hachelijke levens. Wolle zijn gelaaik, broeders van den alcool, wolle rede ons hachske, en liever dan gefrustreerd, zijn wolle frivool.   Wolle weten allemoal, vriende van den alcool, d’ er is maar iejen woord dat er écht toe doe in ’t leive, d’ er is maar iejene woare zin van ’t bestoan, Vriende van den alcohol:     Een jaar later is de Patrick gestorven. Hij heeft zijn eigen kapot gezopen. Ne normale mens die voelt dat aan zijn lever, dat het te veel is geweest. Maar de Patrick was zo bij elkaar geslagen door zijn vader en zijn broer vroeger, dat die zijn pijngrens ontzettend hoog laag. Hij heeft een begrafenis van ’t ocmw gekregen. Alleen zijn zus wist dat hij dood was. Maar hij zou dat niet erg gevonden hebben. Zo was de Patrick: “Ik ben content op mijneigen. Ze moeten mij gewoon met rust laten.”   ‘k Vond sunt dat ik het zelf nie wist. ‘K had er gestaan, op zijn koffietafel, met mijn boterhammen. ‘k Had spek met eieren gebakken voor iedereen. Ne mens moet toch afscheid kunnen nemen? Mijne man zei mij: ‘Spaart u spek met eieren maar voor op mijn begrafenis.’   Mensen, pakt weg eh, laat mij hier nie zitten met al die boterhammen. Merci voor ’t luisteren, en in naam van de Patrick: ‘Schol!’  

Leen De Graeve
20 0

Kerstverhaal

Tien voor elf is het. Nog iets meer dan een uur en dan gaan de vijf klokkentorens in de buurt om ter luidst de middernachtsmis aankondigen. Om de stilte die nu in huis hangt te doorbreken, slurp ik van mijn kop thee. Sinaasappel met honing en een speculaasje erbij. Zoete dingen, dat apprecieer ik in de winter het meest. Smaakt goed na de wortelpuree van daarnet. Dat was een restje van gisteren. Ik heb er ook een tosti kaas bij gemaakt. Zo zou hij dat noemen, denk ik, Henk, een ‘tosti kaas’, terwijl ik het zelf een ‘vegetarische croque monsieur’ noem. De laatste keer dat hij hier was, hebben we samen wortelpuree gegeten. Ik vraag me af of ik het daarom vandaag ook gemaakt heb. Een onbewuste associatie. Mijn maag rispt op. Die sinaasappelthee komt niet uit een zakje. Heb ik ook van hem geleerd. Hebben we in het begin veel ruzie om gemaakt. Hij weigerde geprepareerde theebuiltjes te kopen. Het moesten altijd losse kruiden zijn. Goedkoper en verser, volgens hem. Na vijf jaar neem je dat dan over, zo’n gewoontes. Ik vraag me af wat hij vanavond doet. Of hij toch weer naar zijn vader en moeder is gegaan. Of hij daar in dat rode gecraqueleerde salon ovenhapjes zit te eten die zijn moeder de dag zelf nog in de supermarkt is gaan halen. Als er al ovenhapjes zijn. Zou ze dit keer zelf gekookt hebben? Of zouden ze weer naar het frietkot gaan, zoals drie jaar geleden, de enige keer dat hij mij zover heeft gekregen ook de reis naar Rotterdam te maken. Mee het huis binnen, een doodnormaal rijtjeshuis. Ik had een grot verwacht na alle beschrijvingen die hij me had gegeven. Ze had gestofzuigd, zijn moeder, en het enige vuil dat ik vond was een pizzakorst achter de zetel. En wat ondefinieerbare bruine korrels in een scheur in het rode leer. Ik heb toen later op de avond gedaan alsof ik een brok vispastei van het bladerdeeg had laten vallen, de kruimeldief gezocht en de zetel schoon gemaakt. Toen waren ze er alleszins wel, ovenhapjes. De rook hing tot in de woonkamer. Vorig jaar hebben we kerst met z’n tweeën hier thuis gevierd. Ik had zijn ouders uitgenodigd, maar hij zei me dat ze het geld niet hadden om naar Brussel te komen. Ik weet niet of dat waar was. Hij had gekookt. Steak met pepersaus, zijn specialiteit. Hij is nog chef-kok geweest. Ik kan nog steeds niet zo’n lekker vlees bakken als hij. Ik had voor kaarsjes gezorgd, en cadeautjes. Die had ik onder de kamerplant gelegd, voor een kerstboom had ik het geld niet. Hij had nog voorgesteld er eentje voor me te halen van op het Sint-Kathelijneplein. Hij weet hoe nostalgisch ik word van die dennenlucht. Mijn ouders vroeger kochten altijd de grootste boom. Zo hoog waren die dat ik er nooit een piek op kon zetten. Met mijn moeder hing ik de boom vol ballen en slingers. We bakten ook figuurtjes van zoutdeeg en die hingen we er ook in. Ik heb het recept nooit op internet opgezocht. Ik zou niet kunnen verdragen dat internet iets weet dat enkel mijn moeder wist.   Twintig na elf. Ik slurp nog eens van mijn thee. Ik heb geen muziek op gezet. In kersttrielala heb ik geen zin, koormuziek zou me te veel aan mijn vader doen denken, de poppige rockige radiostroom hoor ik al genoeg op andere avonden. De kerktorens zijn nog stil. Onze Spaanse bovenburen houden een luidruchtig feest. Heel de familie is overgekomen uit Barcelona. De hele dag al is het een binnen- en buitengeloop van kinderen, amper zichtbaar onder hun wollen mutsen, pubers die liever hun vingertoppen eraf laten vriezen dan volledige handschoenen te dragen, hun ouders die met de meest bizarre vormen van cadeaus komen aanzeulen. Ik had voor mijzelf ook een cadeautje gekocht deze avond. Ik heb het door de kassabediende laten inpakken. Ik doe het straks om twaalf uur open. Het zit nog in mijn tas. Die kamerplant van vorig jaar heeft hij meegenomen. Ik heb nog niet de tijd gehad een nieuwe te kopen. Zo’n zes weken nu leef ik in een half huis. Het verbaast me dat ik zo goed op de hoogte ben van het tijdsverloop. Ik zou niet kunnen zeggen hoeveel weken het geleden is dat ik Anja nog heb gezien, of Liesbeth. Of hoeveel weken het geleden is dat ik nog eens naar het park ben gegaan, of naar een dansvoorstelling. Ik weet ook niet hoeveel keer het kopieerapparaat op school stuk is geweest het afgelopen jaar. Maar ik weet wel hoeveel keer ik gevreeën heb het afgelopen jaar. Mo had me aangesproken terwijl ik op een bankje naar voetballende kinderen zat te kijken. Hij was eerst druk in de weer met zijn i-pod en dan begon hij, heel vriendelijk. Of ik hier vaak zat? Of ik in Brussel woonde? De blik in zijn ogen was rustig, alsof hij met het hele leven in het reine was. Brede schouders had hij, wat mij het gevoel gaf dat hij vanuit zijn hart sprak. Ik was het die zijn nummer vroeg op het einde van het gesprek. En of hij overmorgen zin had wat te gaan drinken? Het was krokusvakantie. Henk zat voor een congres in weet ik veel waar. Henk wilde niet dat ik stopte met de pil. Mo wou zeven kinderen, vertrouwde hij me toe in Bar Beton. En dat hoefde geen jaren meer te duren. Hij had een Arabisch salon in zijn kleine woonkamer. Of toch één bank bekleed met blauw fluweel en gouddraad. Ik vraag me nog steeds af hoe hij dat logge, rechthoekige meubel boven op de derde verdieping heeft gekregen. Het was even ruim en comfortabel als een tweepersoonsbed.     Twintig voor twaalf. Mijn thee is op. Ik twijfel of ik nog nieuwe moet zetten, of maar gelijk in de rode wijn vlieg. Of jenever? Er hadden wel enkele vrienden gevraagd of ik kerst niet bij hen kwam vieren. Ik geloof dat ook enkele collega’s samen gingen hokken vanavond. Ik besluit voor de jenever te gaan. De fles is al half. Ik kan me niet herinneren wanneer ik de vorige helft heb opgedronken. ‘Into the wild’ van Eddie Vedder. Die film hebben Henk en ik samen gezien. Allebei de ogen uit onze kassen gehuild en nog nooit zo’n goede seks gehad. Ik had Mo die film ook aangeraden. We hebben samen gezien. Hij vond er niks aan. Toen heb ik mijn keuze gemaakt. Of was dat daarvoor al, toen hij over ‘negers’ begon, toen hij zei dat zwarte mensen stonken en geen cultuur hadden. Het was alleszins nog voor Henk terug was van weet ik veel waar, dat ik Mo heb verteld dat ik niet de moeder van zijn zeven kinderen zou worden. Ik ben Henk gaan ophalen op de luchthaven. Ik maar wuiven tussen al die wachtende mensen. Hij was verbaasd. Het eerste wat ik opmerkte was zijn geur. Ik had Henk nog nooit eerder geroken. Het was een mengeling van zweet, rook en scheerschuim. Het wond me niet op, wat heel anders was dan voor hij vertrok en zijn lijf maar in geurafstand van mij moest zijn om me geil te maken. Hij kuste mij. Ik proefde chocolade. ‘Wat brengt jou hier?’ Was dat achterdocht in zijn stem? ‘Ik dacht, laat ik hem verrassen. Vind je het leuk? Hoe was het?’ Ik weet niet eens of ik toen wél wist waar hij geweest was. Bahrein, Bangladesh, Signapore, New York, Kaapstad, ik hield het niet meer bij. Als hij me eens meegenomen had… Maar daar had de firma geen geld voor, volgens hem. Ik kan nog steeds niet geloven dat hij in geen hotelbar of hotelkamer, op geen enkel reisje, nergens, een meisje… Dat is wel wat hij beweerde, toen ik het opbiechtte van Mo, dat hij nooit.   De klokken luiden. Is het toch middernacht geworden. Kan ik mijn pakje openen. Ik open mijn rugzak, neem het vierkantige cadeautje met gouden papier en een witte strik eruit. Ik laat mijn rugzak vallen en de rest van de inhoud rolt over het parket. Een predictor. Was ik al vergeten dat ik dat gekocht had. Zes weken geleden is Henk al zijn spullen komen ophalen met een kleine huurvrachtwagen. Ik was er jaloers op hoe hij zonder enig probleem door onze kleine straat manoeuvreerde. De vorige keer dat ik dat probeerde met iets dat groter was dan onze twingo, heb ik de spiegels eraf gereden. Hoe Henk al zijn meubels in zijn eentje in die vrachtwagen kon laden. Dat heeft me altijd gefascineerd aan hem: dat zo’n intelligente man zo’n sterk en soepel lijf kan hebben. Ik ben al zes weken niet meer ongesteld geweest. Ik urineer eerst, en doe dan het pakje open. Een nieuwe cd van Eddie Vedder. Ik zet hem meteen op. Ik kijk naar de predictor. Een roze lijn. Om zeker te zijn kijk ik nog eens in de gebruiksaanwijzing. Het betekent wel degelijk dat ik zwanger ben. Ik heb spijt dat ik geen twee predictors heb gekocht. Dit kan onmogelijk waar zijn. Van Henk mocht ik, zelfs na Mo, niet stoppen met de pil. Ik heb dat pas gedaan toen alles al zo goed als voorbij was. Toen we in Parijs elke dag ieder een ander museum bezochten, elke avond allebei alleen naar een ander concert gingen, toen we aan de balie van het hotel zelfs vroegen of er geen kamers voor twee waren zonder een dubbel bed dat uit één stuk bestond, heb ik besloten ermee op te houden, met die hormonen. Dat was in juli. Die vakantie was al lang van te voren geboekt en we vonden het allebei jammer van het geld om het te laten schieten. Ik wilde nog voorstellen om het tripje cadeau te doen aan zijn ouders, dan kwamen die ook hun huis nog eens uit, maar dat leek me gezien de omstandigheden ongepast. De enkele keren dat we die maanden daarna nog vreeën met elkaar, waren zo vluchtig dat hij niet eens merkte dat mijn borsten kleiner geworden waren.   De kerkklokken gaan niet meer luiden vannacht. Eddie Vedder zingt. De roze streep licht te schreeuwen op de salontafel. Ik neem nog een glas jenever. Ik denk aan al die mensen die nu in de middernachtsmis zitten. Zouden dat er veel zijn, hier in het centrum van Brussel? Zouden er nog jonge mensen bij zijn? En kinderen? Vroeger met mijn ouders was dat één van de hoogtepunten van het jaar voor mij. Midden in de nacht, door de kou, als het gesneeuwd had mocht ik op de slee, naar de kerk. En daar dan alle kinderen van mijn klas zien. Met rode wangen en druppende neuzen. De oudere kinderen die het kersttoneel speelden. Zelf heb ik een keertje engel mogen zijn. Mijn moeder had vleugels gemaakt van karton en die vol watten gekleefd. Ik mocht een witte nachtjapon van haar dragen. Die was veel te groot natuurlijk, maar mijn vader grinnikte dat dat wel bij een engel paste. Ik vraag me af of hier in Brussel ook kinderen zich verkleed hebben in Maria en Jozef en de herders en de schapen. En of er een moeder zou zijn die haar baby’tje, op het hoogtepunt van het verhaal, in de kribbe wil leggen. Ik had gehoopt dat Henk zou bellen vanavond. Het ziet ernaar uit dat ik diegene zal zijn die initiatief zal moeten nemen. ‘I love you more than you know’ zingt Eddie. Henk huurt een appartementje in Schaarbeek. Ik ben ermee heen gereden, toen met die vrachtwagen. Hij woont er op de vierde, en hij mag dan wel sterk zijn, dat leek me toch te veel werk voor een man alleen. In de vrachtwagen zette hij Studio Brussel op. Samen luisterden we altijd naar Radio Nostalgie. We zijn nog meer dan twee uur bezig geweest met al die meubels. Ik moest me inhouden om ze niet meteen op hun plaats te zetten en zijn appartement gezellig in te richten. Toen we de laatste ladenkast samen de trappen op hadden gesleurd, dat was nog niet zo eenvoudig, want we moesten ze bij elke draai in de trap over de trapleuningen heen heffen, konden we ons niet meer beheersen. Misschien was het ook het zweet, de feromonen in die traphal. Dat van die geur had zich toen al enkele maanden weer hersteld. Toen we terugkwamen van de luchthaven hebben we die nacht nog een lichamelijke verzoening gehad. Mijn lichaam is Mo sinds die nacht weer vergeten. Wat de afstand en de urenlange gesprekken en ruzies alleen maar moeilijker maakten.   Ik heb nog zes ingevroren appelstrüdels in de diepvriezer liggen. Die krijg ik mijn eentje nooit opgegeten. Zou hij nu ook alleen op zijn appartement zitten? Kijkend naar die ladenkast? Zou hij het gezellig ingericht hebben? Zou hij nieuwe vloerkleden gekocht hebben? En die kamerplant, zou hij er wel goed voor zorgen? Zou hij de onderburen vragen om hem water te geven als hij op congres was? Het is een kwartier fietsen van waar ik woon naar hem. Het sneeuwt niet. De kerstmarkt in Brussel heeft een nepsneeuw kanon moeten boven halen. Het vriest zelfs niet, geloof ik. De Spaanse buren zijn aan de kerstliederen begonnen. Een verschrikkelijke Spaanse kakafonie dringt mijn plafond door. Ik moet mijn best doen om er de melodie van ‘Stille nacht, heilige nacht’ in te herkennen. Als dat zo door gaat, slaap ik de komende drie uren nog niet. Ik houd de predictor nog eens onder de leeslamp. Het roze fluoriceert in mijn ogen. Ik haal de appelstrüdels uit de diepvriezer en stop ze in mijn rugzak. Ik zoek mijn draagbare fietslampjes en installeer ze op mijn stuur en bagagedrager. Jas, sjaal, misschien moet ik toch een andere jurk aan? Die rode met die diepe uitgesneden rug die hij zo sexy vindt? Met mijn zwarte naaldhakjes waar hij zo opgewonden van wordt? En welke panties? Nog twintig minuten duurt het voor ik tevreden ben. De Spanjaarden zingen hun versie van ‘Er is een kindeke geboren op aard’ terwijl ik extra make-up opdoe. En parfum. Zodat ik na de fietstocht niet te hard naar zweet ruik. Mijn gsm gaat.   ‘Henk?’ ‘Vrolijk kerstmis.’ ‘Jij ook. Hoe gaat het met je? Ben je thuis?’ ‘Ja.’ ‘Is het goed als ik even langs fiets?’        

Leen De Graeve
0 0

Demonenmeester (1e hoofdstuk)

Alle voorbereidingen waren getroffen. Cassandra had de beschermingscirkel met krijt op de woonkamervloer getekend en twaalf zwarte kaarsen verspreid rond deze cirkel op ongeveer gelijke afstanden van elkaar gezet. Zelf zat ze op haar knieën op een kleine meter van de cirkel met een dertiende zwarte kaars vlak naast haar. Een gezegend offermes lag rechts van haar op de grond binnen haar bereik. Ze hield de tekst met de bezwering in haar handen. Eerder voor de zekerheid dan dat ze hem niet kende. Soms probeerden demonen hun oproepers zo van hun stuk te brengen dat ze de bezwering vergaten waardoor de demon los kon breken uit de beschermingscirkel en zijn oproeper doden. Daarna zou hij vrij spel hebben op aarde. Lage Demonen waren hier niet sterk genoeg voor, maar Cassandra nam liever het zekere voor het onzekere. Ze sloot haar ogen en concentreerde zich. Langzaam en duidelijk articulerend, uitte ze de bezwering: “Heer der Duisternis, kom tot mij. Aanhoor mijn bevel, proef mijn bloed.” Na deze woorden sneed ze met het offermes in de palm van haar hand. Meteen welde er bloed op. “Dit is mijn offer aan u. Kom en neem het in ontvangst.” Ze kneep haar hand samen. De snee pikte verschrikkelijk, maar ze negeerde de pijn. Haar concentratie moest volledig op de bezwering gericht zijn.  Drie druppeltjes bloed vielen bovenop de kaars naast haar. Die drie druppels stonden symbool voor de verbintenis tussen een oproeper en de demon: aanwezigheid, gehoorzaamheid en waarheid. De kaars siste en de vlammen kregen een rode gloed. De nu eveneens rode rook van de andere kaarsen zweefde naar het midden van de cirkel waar hij dichter op elkaar pakte tot een grillige, ronde vorm. Langzaamaan kreeg de dichte rook vastere vorm. Twee ronde bogen bovenaan de rookwolk werden horens. Aan de onderkant verschenen twee bokkenpoten.  Zienderogen veranderde de rook in vlees en huid en haar. Toen de rook helemaal opgegaan was, zat er een klein donkerrood wezentje in het midden van de cirkel. Het had een brede mond waarvan de onderkaak verder naar voren stak dan de bovenkaak. Dit kwam waarschijnlijk door de 2 slagtanden die uit de onderkaak groeiden en bovenop de bovenlip rustten. Het wezentje was naakt en geslachtsloos. Twee kleine horentjes sierden zijn kale kruin. Een miniatuur-faun. Snel maakte Cassandra de bezwering af. “Door mijn bloed ben je gebonden. Enkel met mijn bloed kan je weer gaan.” Ze verhitte het mes in de kaars naast haar en plaatste het hete lemmet op de open wonde. Die sloot zich sissend. Cassandra beet op haar tanden. Het dichtmaken van de wonde was zo mogelijk nog pijnlijker dan het bloedoffer zelf. Dit deel van de bezwering was nodig zodat de cirkel volledig afgesloten werd. Van zodra de demon weer uit de cirkel verdween, zou ook het litteken verdwijnen. Vroeger werd het sluiten van de wonde al eens overgeslagen uit angst beschuldigd te worden van hekserij, maar hierdoor konden demonen gemakkelijk ontsnappen uit de cirkel. De kleinste oneffenheid was voldoende. Vele demonenoproepers waren nodeloos gestorven door deze onoplettendheid, wist Cassandra. Dat had ze gelezen in “De Geschiedenis der Bezweerders”. Dat boek had ze jaren geleden gekocht op een rommelmarkt. De verkoper wist niet wat voor schat hij haar in handen gaf voor amper 2 euro. Ze had al vaak haar leven te danken gehad aan dat boek. De kleine demon tilde zijn hoofd opzij en keek haar aandachtig aan. “Wat wil je, mensss?” De diepe stem weergalmde door haar kleine woonkamer. Hij lispelde een beetje, vermoedelijk door die zware slagtanden. De zware kelderstem paste totaal niet bij het kleine wezentje. Dit was zeker niet zijn ware vorm. Demonen toonden die maar zelden aan mensen, had Cassandra in “De Geschiedenis der Bezweerders” gelezen. “Vertel me je naam,” beval ze. Gebonden door de spreuk, kon het wezen niet anders dan antwoorden: “Nybbasss.” Cassandra greep snel een van de boeken naast haar op de grond - de enige, maar ook wel meest volledige, demonenencyclopedie die ze bezat - en zocht naar de naam “Nybbas”. Nybbas bleek een inferieure demon. Hij stond bekend als een charlatan eerste klas. Niet zelden kreeg hij het voor mekaar de Hoge Demonen met zijn leugens tegen elkaar op te zetten. En op een of andere manier kwam hij altijd als overwinnaar uit die strijd. Perfect. “Ik heb informatie nodig.” De demon grijnsde. “Voor de juisste prijss, heb ik alle informatie die je je maar kan inbeelden.” Hij maakte een kleine buiging. “Tot uw diensst.” “Ik wil een Hoge Demon kunnen oproepen.” Nybbas’ ogen werden groot van verbazing. “Dat kan je niet. Nu toch nog niet, ssterveling.” “Waarom niet?” “Denk je echt dat je een Hoge Demon kan tegenhouden met een krijtcirkeltje?” hij spuwde erop en de fluim ging sissend in rook op. De demon fronste zijn wenkbrauwen. Cassandra keek naar beneden. Ze vermoedde al langer dat haar cirkel ontoereikend was. Nybbas had dat nu bevestigd. Ze zuchtte en dacht na. Ondertussen trippelde de demon op zijn korte beentjes heen en weer langs de rand van de cirkel. Hier en daar stak hij zijn vinger uit om de kracht te testen, maar hij werd telkens door een onzichtbare muur tegengehouden. Uiteindelijk kruiste hij zijn armen achter zijn rug en keek haar afwachtend aan. “Denk je trouwensss dat zsszze dat druppeltje bloed gaan aanvaarden alsss bindmiddel?” onderbrak hij haar gedachten. “Begrijp me niet verkeerd. Je bloed isss heel lekker, maar dat gaat een Hogere Demon nooit genoeg vinden!” Ze knikte. Dat had ze inderdaad al gelezen. De prijs om een Hogere Demon op te roepen was hoog, voor de meesten zelfs onbetaalbaar. Maar meer stond er niet in haar boeken. Zelfs geen hint naar wat die onbetaalbare prijs dan zou zijn. Voor Cassandra was echter geen prijs te hoog! Ze moest en zou een Hogere Demon oproepen. “Dat weet ik. Daarom dat ik de kennis wil zodat ik op de juiste manier een Hogere Demon kan oproepen.” Nybbas schudde zijn hoofd: “Die informatie heb ik niet.” “Wat?” Nybbas haalde zijn schouders op en ging in kleermakerszit voor haar zitten. De kleine faun-demon bleek verrassend lenig dat hij zijn bokkenpoten over elkaar kon kruisen. “Ik weet dat deze ccsssirkel niet voldoet, maar ik weet niet wat wel volsstaat.” Cassandra kneep haar ogen tot spleetjes. Ze geloofde hem niet. Nochtans was Nybbas gebonden tot waarheid. Dat betekende echter niet altijd dat demonen altijd de waarheid spraken. Ze waren meesters in politieke spelletjes en konden heel vaardig de waarheid omzeilen en toch net niet liegen. Dus moest ze haar vraag anders stellen. “Kan het met een cirkel?” Nybbas knikte. “Ja,” luidde zijn korte antwoord. Hij leunde nu achteloos op zijn ellebogen, maar zijn priemende geitenogen uitten duidelijk zijn ongenoegen dat ze hem doorzien had. “Met krijt?” Opnieuw knikte de kleine demon. “Ja.” “Moeten er speciale tekens toegevoegd worden?” Met onverwachte snelheid stond de demon recht voor haar. Enkel de dunne cirkel en enkele centimeters lucht scheidden hem van haar. Onwillekeurig deinsde ze achteruit. Nybbas grijnsde, maar zijn plezier was van korte duur. Met een diepe zucht antwoordde hij opnieuw. “Ja.” “Welke tekens?” Cassandra’s stem trilde. Zo dicht was ze er nog nooit bij geweest. “Die ken ik niet.” Nybbas’ grijns liep van oor tot oor. “Wie weet het wel?” “Dat weet ik niet. Het isss nogal gevoelige kennisss.” Inwendig vloekte Cassandra. Zo dichtbij! En toch net weer niet. “En de bezwering? Hoe luidt die?” Nybbas schopte tegen de cirkel. Kleine bliksemschichten schoten uit de cirkel en verschroeiden zijn hoef. Toch gaf de demon geen kik. Cassandra’s hart, daarentegen, bonsde bijna uit haar keel. “Ook dat ga je aan iemand anderssss moeten vragen. Laat me er nu uit. Ik heb genoeg van je vragenssspelletje.” Cassandra dacht na. Had ze echt alle mogelijke vragen gesteld? Ze keek op de klok. Het was bijna middernacht. “Laat me gaan!” schreeuwde Nybbas en hij schopte opnieuw tegen de cirkel op net dezelfde plaats als net. Met afgrijzen zag ze hoe zijn hoef deze keer gewoon door de cirkel ging en hem niet meer verschroeide. De wenkbrauwen van de demon gingen omhoog. Daarna trok hij zijn poot terug en zwierde die naar achter duidelijk met de intentie nog een derde keer te schoppen, met alle kracht die hij als klein wezentje bezat. Cassandra was hem echter voor. Snel sprak ze de ontbindende bezwering uit, een combinatie van enkele oude Hebreeuwse woorden waar ze in het begin dagen op gestudeerd had om de uitspraak juist te hebben. “Ga heen, demon. Keer terug naar je eigen dimensie. Ga heen en sluit de poorten van de hel. Het bloed is ontbonden”. Daarna likte ze aan de brandwonde. Het speeksel ontdeed het bloed van zijn bindende krachten. Terwijl Nybbas terug in rook veranderde, zag ze nog hoe de demon laatdunkend voor haar boog. Zijn stem weergalmde vlak voor hij helemaal verdween: “ik zal de groeten doen aan je mammie en pappie!” Daarna keerden de kaarsen weer terug naar hun normale, geeloranje kleur. De bezwering was voorbij. Leeg en met tranen in de ogen staarde Cassandra naar de plaats waar net de demon nog had gestaan. Zijn stem echode door haar hoofd. De groeten aan je mammie en pappie. Met een plotse woede smeet ze het boek door de kamer. Ze was nog geen stap dichterbij.

Endeve
0 0

Treurwilg

Nacht valt over de kermis. Neonlichten dompelen het terrein onder in een broeierige sfeer. Dit is geen plaats meer voor ouders en hun kinderen. De nachtbrakers hebben nu de macht; het kwetterende gelach heeft plaatsgemaakt voor dronkenmansliederen. De carrousel draait nog dapper door, maar ook zij speelt een ander deuntje. Dat kan de bezoekers slechts weinig schelen. Ze slenteren verder en negeren de waarzegger die alleen maar onheil predikt. Iedereen is op weg naar het spookhuis. Hier kan men zijn moed tonen, voor de kick of voor een huiverende omhelzing van dames in nood. De durfallen betalen het ticket, rechten hun schouders en leggen dapper het afgelijnde traject af. Niemand waagt het om voet te zetten voorbij de barrières, daar ligt de verboden zone. Sommigen klimmen op de hekken, nieuwsgierig naar wat daar achter te zien is. Niets dan duisternis, het doet hen huiveren. Ze lachen nerveus en vinden altijd wel een uitvlucht om niet van het traject af te wijken. Voorbij die hekken, verbolgen door de duisternis, schuilt Livia, onttrokken aan nieuwsgierige blikken. Al deze stoere jongens passeren haar zonder het te beseffen, ze moet er haast van lachen. Niemand van hen is geneigd om een stap in haar wereld te zetten. Wat een stelletje helden… De uren waaien voorbij en alcohol schenkt nieuwe moed. Mensen maken zich sterk en dagen elkaar uit om over de hekken te kruipen, om de verboden zone te betreden. Één van hen, een jongen gesterkt door de drank, bijt de spits af. Aarzelend waadt hij door de duisternis, steeds dichterbij, totdat Livia hem haast kan aanraken. “Wat kom jij hier doen?!” ze vervormt haar stem, diep en zwaar. De jongen schrikt op en ziet er uit alsof hij het in zijn broek heeft gedaan. Wanneer hij Livia opmerkt, recht hij zijn houding. “Je hebt me laten schrikken, teef!” Ze haalt haar schouders op. “Dat is dan ook de bedoeling in een spookhuis. En nu opkrassen voordat ik jouw mammie roep.” De jongen komt wat dichterbij. “Wacht eens even, ben jij…” “Wegwezen!” De jongen houdt zich sterk maar Livia duwt hem zonder moeite terug tot voorbij de afsluiting. De jongen krabbelt recht en kiest het hazenpad. En Livia? Zij verdwijnt ze terug in de duisternis. “Wat een mislukkeling.” Die stem kwam van achter haar. Livia draait zich om en kijkt recht in twee brutale ogen, nog een jongen… Ze doet enkele passen naar voren om hem beter te zien. “En jij bent dat niet?” De jongen maakt een buiging. “Ik ben slechts een wezen van de nacht, en jij mijn… treurwilg.” HAH! Nog eentje. Livia kan haar lach niet onderdrukken. “Luister, ventje, je zult beter moeten doen dan die goedkope praat.” “Wat dacht je hiervan?” Hij neemt Livia beet en trekt haar naar zich toe. Hun lippen raken terwijl hun tongen dansen als adders. Zijn handen graaien gretig naar meer. Livia wendt het hoofd en duwt de jongen van zich af. “Is de nachtraaf soms bang van het licht? Kom mee, ik weet wel een betere plaats.” Ze grijpt hem bij de pols en sleurt hem mee, voorbij de kartonnen grafzerken, plastic monsters, schedels en knekels. In de verte knippert er een zwak groen licht. Wanneer ze dichterbij komen, wordt het woord dienstingang zichtbaar. “Daar?” vraagt de jongen. “Mijn spel, mijn regels. Kom op man, open die deur.” “… Hij is gesloten.” “Oh krijg toch de,” de rest van haar vloek gaat verloren in het kraken van de deur. Ze voelt amper de splinters die zich aan haar voet hechten. “Kom mee!” TL-buizen verlichten één enkele grafzerk. “Hier?” vraagt hij. “Ja hier! Ben je soms ba...” Maar de jongen duwt haar ruw tegen de muur en grijpt haar langs achteren. “Wat, ben jij soms een mietje?” grinnikt ze, “wees een man en kijk me in de ogen.” De jongen slingert haar op de grafzerk en drukt zijn gewicht op haar. Jaah… dat is het… Kleren scheuren en Livia graaft haar nagels in zijn rug, dieper en dieper. De jongen schreeuwt het uit maar zij laat niet los. De voorstelling is nog maar pas begonnen. Livia voelt haar huid tintelen; net onder het oppervlak kronkelt er wat. Zij worden rusteloos, zij willen naar buiten. Livia geniet van het moment en neemt ieder detail van de jongen in zich op. Zijn gelaatsuitdrukking verraad één enkele emotie: doodsangst. Dat gevoel brengt haar terug naar de eerste keer dat zij met ‘hen’ in contact kwam. Ook al herrinert ze de details niet meer, de angts en de walging zijn haar altijd bij gebleven. Nu... is zij één van hen. Het geschreeuw reikt tot buiten het spookhuis. Passanten gniffelen en schudden het hoofd: “Weer eentje die niet kan wachten tot hij buiten is.” Livia lacht hartig mee; zij weet dat dit exemplaar het huis nooit zal verlaten.

Maarten
0 0

Het spel

De klok tikt. Ze tikt. Ze tikt maar door. Morgen. Morgen zullen we wel zien.   Voor mij ligt het restant van wat niet zo lang geleden een berg cocaïne was. En ik. Ik ben ‘s werelds grootste bergbeklimmer. Meesteralpinist.   Kon ik maar slapen. Maar in mij brandt nu het vuur van duizend zonnen. Eeuwig. Gewelddadig.   Er is een vrouw. Mijn vrouw. Van mij. Gewonnen in een pokerspel. Nee, mijn talent voor manipulatie nemen ze me nooit meer af. Niet dat. De menselijke geest is mijn speeltuin. Ha! Round and round we go!   Naast de bestofte spiegel ligt een revolver. Een kanon. Magnum .44. Ik hou van mooie dingen. Bombastische dingen. Ik draag mijn beste zwarte pak. Italiaans maatwerk. Achter de revolver staat mijn heupfles. Zilver, met mijn initialen zwierig gegraveerd in het ranke lichaam. De Bourbon die er in zat, die zien we nooit meer terug.   Wall Street. Fuck! Ik doe nog een lijn en neem de revolver in mijn hand. Het is een aangenaam gevoel. De manier waarop het beest perfect gebalanceerd in mijn klauw past. Door het gewicht voel ik me oppermachtig. Het ivoren handvat glijdt als fluweel door de palm van mijn hand. Ik laat de cilinder draaien en mik. Ik mik op de muur tegenover me. Wat een kale muur. Ooit was hij wit. Nu kijkt hij me spottend aan met z’n bruine vochtplekken.   De vrouw. Achter de muur moet ze ergens zijn. Of misschien is ze boven. Ach wat! Het maakt ook allemaal niet uit!   Ik balanceer op de achterste poten van de gammele stoel, maar houd mijn blik strak gericht op die verdomde muur. Dirty Harry. Klaar om de trekker over te halen. Ik veins een schot en de ingebeelde terugslag brengt mijn hand naar omhoog. Even lijkt het alsof ik mijn evenwicht zal verliezen, maar nee. De stoel staat weer met al z’n voeten op de grond. Cool.   Rechts van me staat het zware eikenhouten bureau. Ik heb het tegen de deur geschoven. Niemand komt erin. Niet vannacht. Buiten woedt een storm. De helft van New York is naar me op zoek.Boven hoor ik gestommel en het gerinkel van glazen. Ik schreeuw tegen de vrouw dat ze stil moet zijn. Verdomde hoer.   Je moet het heft stevig in handen houden. Ook als de wereld om je heen in elkaar stort. Er is slechts één weg, één richting en dat is vooruit.   Op het schap achter me staat een ouderwetse radio. Naast gekraak hoor ik occasioneel ook muziek. Tom Waits herkauwt een zeemzoete ballad met de finesse van een versleten betonmolen. Ik sta recht en trek mijn vest uit. Voorzichtig hang ik het over de stoel. Ik stroop mijn mouwen op. Eerst links. Dan rechts. Uit de borstzak van het vest vis ik mijn ebbenhouten kam. Ik tem mijn gitzwarte haren met drie precieze halen.   Ik wandel rond de tafel. Eenmaal. Tweemaal. mijn lederen schoenen kraken. De houten vloer kraakt. Alles kraakt.   Die verdomde vrouw. Ik had ze nooit mogen accepteren. Ze ziet er goed. Dát wel. Maar wat moet ik nu in godsnaam met een vrouw?   God. Vanaf het kruisbeeld boven de radio staart die deemoedige lul me afkeurend aan. Ik laat hem kordaat mijn middenvinger zien en vraag ‘m wat-ie er van vindt. Geen respons.   Ik trek de bovenste lade van het bureau open en vind wat ik zoek. Wat ik nodig heb. Een pakje Lucky Strike, gouden aansteker erbovenop. De klik van de aansteker. De vlam waar voorheen niets was. Het knisperend geluid wanneer vuur en sigaret elkaar ontmoeten. Een perfect moment. Gretig vul ik eerst mijn longen en daarna de kamer met baldadige blauwe rook.   Meer gestommel. Ze probeert vast het huis uit te komen. Dom kind. Ik probeer al jaren te ontsnappen. Deze plek, kent geen uitweg.   Ik steun met beide ellebogen op het tafelblad. Handen in het haar. Het is warm. Het is heet. Zweet verzamelt zich in opstandige parels op mijn voorhoofd. Één van de onverlaten rolt langs mijn neus naar beneden. Hij valt recht op de sigaret die uit mijn linker mondhoek bengelt. Vlak boven mijn hoofd hangt een oude gloeilamp die een warm geel licht verspreidt. Ze zoemt. Zoemen. Zoemen zonder eind.

Dimitri
0 0

Vrienden voor het leven

1   Sneller Lotte, anders komen we te laat! Lotte trapt en trapt, maar het gaat maar niet sneller en Bert blijft maar schreeuwen. Uiteindelijk komen Lotte en Bert op school aan wanneer de bel gaat. Lotte puft nog na wanneer ze in de rij staan, ze ziet zo rood als een tomaat van de inspanningen die ze leverde. Zo een harde wind en dan met haar conditie… niet gemakkelijk! Meester Marc maakt een kruisteken en de kinderen gaan zitten. Na het rumoer van pennenzakken en agenda’s uit de boekentas te nemen is de rust teruggekeerd in de klas.   We gaan het vandaag hebben over ‘water’ zegt meester Marc. Uit de klas komt een mengelmoes van gepuf en gepraat. De meester noteert het woord op het bord. Wat komt er zoal in jullie op? Een bad, zwemmen, drinken, … De woorden volgen elkaar in sneltreintempo op. De meester kan bijna niet meer volgen. Lotte denkt en denkt maar kan op geen woord komen. Plots weet ze het ze springt recht en roept zonder haar vinger op te steken… REGEN!   Goed zo Lotte, zegt de meester, maar in het vervolg je vinger opsteken! We gaan deze week een volledig project houden over water met vrijdag een uitstap naar een ver bos. Dus neem allemaal jullie agenda en noteer dat je zeker je laarzen aan doet!   Bert en Lotte kijken elkaar aan. Een uitstap, dat is altijd leuk!     Vandaag, maandag bespreekt de meester zeer veel over water. Hij heeft veel foto’s en prenten bij. Het is een zeer leuke dag. Zelfs rekenen was leuk. Ze mochten zelf water in een glas gieten en zo.   Moe, maar goed gezind stappen Bert en Lotte terug op hun fiets. Ze hebben meewind nu, dus alles gaat veel vlotter dan deze morgen.   Thuis gekomen gooit Lotte haar boekentas in een hoek en ploft neer in de zetel. Wel, zegt mama, hebben we geen huiswerk tegen morgen? Jawel mama, maar ik mag toch wel even neerzitten klaagt Lotte. Mama haalt Lotte’s agenda uit haar boekentas. Zo, zegt ze. Je moet veel rekensommen maken en een tekening maken over water. Ik zou er maar aan beginnen mocht ik van jou zijn! Nors gaat Lotte naar haar kamer. Heeft mama nu echt geen geduld! Ze is toch maar een kind! Puffend begint ze aan haar rekensommen. In de klas ging het veel gemakkelijker omdat ze dat met water mochten testen, maar nu… Het lukt totaal niet! Dan maar aan de tekening beginnen. Wat kan je nu tekenen over water? Een glas, een fles ... dat is ook maar saai! Neen, Lotte wil iets spannender tekenen. Waar natuurlijk ook water in zit maar wat… Lotte droomt weg.   “Bert pas op! Lotte zit samen met Bert op een zelfgemaakt vlot. Ze zijn op stap met de klas en de opdracht was van een vlot te maken en dan een parcours af te leggen. Zoals steeds hebben Bert en Lotte samengewerkt. Ze hebben een prachtig vlot gemaakt met een mooie vlag erbij. Op de vlag staat een piratenhoed getekend. Bert is kapitein en Lotte is matroos. Er is zeer veel wind vandaag en Lotte moet zeer hard peddelen om vooruit te raken. Bert zit dat het niet goed gaat en komt haar helpen. Hij heeft veel meer kracht dan Lotte. Het vlot scheert over het kolkende water. De richting is niet altijd even goed, maar door Lotte’s stuurmanskunsten komt alles weer goed.   Opeens ziet Lotte een waterval verschijnen. Bert heeft dit niet gezien en roeit maar harder en harder. Lotte begint te roepen. Bert pas op! Een afgrond!! Bert kijkt verschrikt op, maar voor hij kan remmen verdwijnt het vlot met Lotte en Bert erop in de afgrond. Het gaat razendsnel. Lotte kan haar vastgrijpen aan de mast en bert hangt aan haar voeten. De afgrond blijft maar duren. Wat gaat er toch met hen gebeuren? Het water spat in Lotte’s gezicht zodat zij niets meer kan zien. Bert gilt en gilt maar niemand hoort hen. En dan opeens PLONS! Het water raast over Lotte en Bert, ze zijn beiden doornat en durven hun ogen niet meer te openen.   Na enkele minuten opent Lotte haar ogen en kijkt om zich heen. Ze leven nog! Het is een rustig, kabbelend beekje waar ze nu in varen. Het lijkt wat op dat in het bos in hun dorp. Bert! Doe je ogen open! Het is hier zo mooi! Bert opent zijn stilletjes zijn ogen. Hij durft eerst niet goed. Maar wanneer hij ziet dat alles in orde is, kan hij terug rustig ademen.   Lotte, komen eten! Lotte schiet ineens terug wakker en gaat naar beneden.   Wat verdwaast zit ze aan tafel met haar vork in haar aardappelen te prikken. Wat scheelt er toch aan? Vraagt mama. Niets zegt Lotte, die nog altijd zit te bekomen van haar avontuur op het vlot. Hoe is het met je tekening en met je sommen? Gaat wel, zegt Lotte.   Lotte heeft nog niet gedaan met eten voor dat mama de tafel al begint af te ruimen. Mama moet nog gaan werken en papa zal vanavond maar laat thuis zijn want hij had nog een vergadering. Lotte moet dus straks alleen thuis blijven, samen met haar hondje Plukkie. Dit doet ze niet graag, ze hoort dan allerlei rare geluiden. Daarom vraagt ze aan mama of ze Bert mag bellen. Ze zegt tegen mama dat ze haar sommen niet goed snapt. Lotte belt naar Bert en die beloofd dat hij zal komen. Na de afwas vertrekt mama naar haar werk. Mama is nog geen vijf minuten vertrokken of daar gaat de bel al. Het is Bert. Lotte geeft hem een knuffel, want ze is zo blij dat hij is gekomen.   Bert en Lotte zijn al de beste vrienden sinds de kleuterschool. Bert had een beetje ruzie met een paar leerlingen van het 3e kleuterklasje en Lotte was tussenbeiden gekomen om de ruzie op te lossen. Sindsdien zijn de twee de beste vrienden. Samen spelen, naar school fietsen, wandelen in het bos; Lotte is de voorbije zomer zelfs mee gaan kamperen met Bert en zijn mama.   Lotte vertelt ook al haar geheimen aan Bert en omgekeerd. Lotte’s papa pest haar soms en zegt dan dat Lotte nog gaat trouwen met Bert. Maar dat vind ze niet leuk. Lotte is nog niet zo bezig met de liefde. Bert is een zeer goede vriend, maar hem kusjes geven vind ze toch wat raar.   Nu is Bert er dus weer voor haar. Zet je neer, zegt Lotte. Ben jij al klaar met je huiswerk? Ja, zegt Bert. De sommen waren wel moeilijk, maar de tekening was vlug gedaan. Ik heb gewoon een fles water met een glas ernaast getekend.   Amai! Ik heb nog niets gedaan. Ik was begonnen aan de tekening, maar dan… en Lotte vertelt het hele verhaal van de droom aan Bert. Verwondert zit Bert te luisteren. Wat een verbeelding heeft Lotte toch! Teken dat dan toch, een vlot op het water heeft toch ook iets met water te maken! Ja, dat is waar, maar ik ben toch niet zo een tekentalent hé.    Bert kan wel goed tekenen. 1 keer per week gaat hij naar de tekenschool. Daar tekenen ze bloemen, planten, vazen, fruit. Kortom alles wat je kunt denken kan Bert tekenen. Daarom wil Bert Lotte ook helpen. Hij gaat het vlot schetsen, dan kan Lotte het overtekenen en kleuren. Terwijl Bert aan het tekenen is, maakt Lotte haar sommen. Soms moet ze heel hard denken over de oplossing, maar het lukt wel.   Na dat de sommen opgelost zijn, is Bert ook klaar met het tekenen. Het is een prachtige tekening geworden, met bomen en een zeer mooi vlot. Lotte begint te kleuren. Maar gaat de meester haar wel geloven? Meester Marc weet dat Lotte niet zo een tekentalent is. Maar Lotte gaat het toch proberen!   Na het huiswerk is het tijd voor spelen. Lotte heeft juist een nieuw spelletje gekregen voor op haar spelcomputer. Ze zet het op en Bert en Lotte spelen alsof hun leven ervan afhangt.   Lotte, waar ben je? Oei, is papa nu al thuis? Bert kijkt op Lotte haar klok die aan de muur hangt. Half tien!! Het is al half tien! Mijn mama zal zeer boos zijn! Bert raast naar beneden. Dag meneer roept hij en springt op zijn fiets. In de verte hoort Lotte hem nog TOT MORGEN roepen.   Oei, die was gehaast, zegt papa. Ja we waren het uur uit het oog verloren zegt Lotte. Ik denk dat hij thuis nogal wat te horen gaat krijgen.   Lotte zit nog even met papa voor tv en dan is het bedtijd. Gerust kruipt ze in haar bed. Haar huiswerk is af en… wat heeft ze een mooie tekening!   Rustig vertrekt ze naar dromenland waar haar misschien nog meer spannende avonturen te wachten staan.   De volgende morgen staat Bert al vroeg aan Lotte’s deur. En? Vraagt ze. Wat zei je mama? Oh, het viel wel mee, ze gaat me een gsm kopen om me altijd te kunnen bereiken, dus dat is wel leuk! Waw! Een gsm! Ik ga er ook een vragen dan kunnen we berichtjes naar elkaar sturen!   Vandaag gaat het fietsen veel vlotter dan  gisteren. De zon schijnt en er is niet zoveel wind. Lotte en Bert komen dan ook veel vroeger aan op de speelplaats.   Mag ik je tekening zien? Vraagt Hannelore. Ik heb een goudvis in een bokaal getekend. En jij? Lotte haalt haar tekening uit haar boekentas. Waw zo mooi. En zo een leuk vlot. Heb je dat zelf getekend? Mja zucht Lotte, terwijl ze begint te blozen. Je hebt het niet zelf getekend hé? Hannelore is een meisje dat altijd de aandacht wil en op een goed blaadje wil staan bij de meester. Neen, ik heb het wel zelf ingekleurd! Zegt Lotte. Gelukkig gaat de bel. De kinderen gaan allemaal in de rij staan.   Lotte hoopt dat Hannelore niets zegt, maar de kinderen zitten nog niet goed op hun plaats of Hannelore neemt het woord. Meester! Meester! Lotte heeft haar tekening niet zelf gemaakt. Verlegen duikt Lotte in haar boekentas. Lotte, is dat waar? Lotte kijkt om naar Bert. Die trekt zijn schouders op, zo wil hij zeggen dat hij het ook niet weet. Lotte, laat je tekening eens zien, zegt de meester. Lotte haalt de tekening boven. Mooie tekening Lotte! Maar ik denk inderdaad dat jij dit niet kan getekend hebben. Zie je wel! Hoort Lotte Hannelore zeggen. Ze kan haar wel iets doen, waarom doet ze dat toch? Wie heeft er deze tekening gemaakt? Vraagt de meester. Bert heeft de tekening gemaakt en ik heb hem ingekleurd meester. Zo, een groepswerk! Dat was niet de bedoeling hé Lotte. Ik weet het meester, maar… Ik begrijp het wel, Lotte, Bert kan heel mooi tekenen, maar dit doe je toch niet hé Lotte. Ik weet het meester. Voor deze keer is het goed, maar bij de volgende tekenopdracht wil ik dat je zelf iets maakt ok? En dan Hannelore, kom jij eens naar voor. Hannelore komt naast de meester staan. Hier, dames en heren, zien we een kleine overdrager. Hannelore zal dringend eens moeten leren van haar met haar eigen zaken te bemoeien in plaats van deze van iemand anders! Goed we halen allemaal onze tekeningen boven. Hannelore gaat woedend naar haar plaats terug en kijkt Lotte recht in haar ogen. Deze kan haar lach niet bedwingen.   Er zijn zeer mooie tekeningen gemaakt. Maar de twee van Bert springen wel in het oog. Zo mooi dat hij kan tekenen! Lotte is er echt jaloers op. Waar Lotte nog jaloers op is, is dat Jana steeds rond Bert hangt en hem niet met rust kan laten. Bert is haar vriend, en van haar alleen!   Bert geniet wel van de aandacht van Jana. Jana is een mooi meisje die aan volleybal doet. Maar natuurlijk kan niemand Lotte vervangen als vriendin! Maar zou zij dat ook weten?   De dag gaat rustig verder. De meester heeft een tekst voorgelezen over water en daar krijgen ze een vragenblad over. Hier zijn ze wel zoet mee tot aan de speeltijd!   En daar gaat de bel. Vlug gaan de kinderen naar buiten om te spelen. Daar staat Jana weer rond Bert te draaien. Lotte kan haar niet bedwingen en loopt naar hen toe en gaat tussen de twee staan. Jana heeft het door en loopt weg. Bert blijft verwonderd achter. Wat moet hij hier nu van maken?   Wanneer Hannelore voorbijkomt roept Lotte: ‘nog eens bedankt hé!’ Hannelore draait zich om en loopt kwaad verder. Lotte kan het lachen niet laten.   Na de speeltijd leren de kinderen een liedje over water aan. Alle kinderen zingen uit volle borst mee. Maar Lotte kan het niet laten om naar Bert te staren. Wat is er toch met haar aan de hand? Dit deed ze tot op vandaag nooit. Ze weet het echt niet.   Dromend gaat de voormiddag voorbij, gelukkig merkt de meester niets. Tijdens de middagpauze laat Lotte niets merken aan Bert, ze eten samen zoals elke dag en wandelen daarna de speelplaats rond. Vertellend over hoe het zou zijn mochten ze echt zo een vlot kunnen bouwen en ermee gaan varen. Voor ze het weten gaat de bel en moeten ze terug de klas in. Voor nog een les rekenen en wero en, hoe kan je het raden, alweer over water.   Lotte kan beter volgen, maar wat hield er haar toch bezig vandaag?    Onderweg naar huis is het stil tussen Bert en Lotte. Soms valt er wel een woord, maar echt uitbundig zoals ze normaal naar huis fietsen is het niet. Lotte zit met haar hoofd ergens anders en Bert wil haar niet storen. Bert weet ook wel dat Lotte een dromerig type is. Ze kan, zonder enige aanleiding, ineens wegdromen. Wanneer je ze dan stoort is ze heel kwaad. Bert heeft het haar al verschillende malen gevraagd. Waarover droom je toch altijd weg? Maar nooit krijgt hij een antwoord. Daarom stoort hij Lotte nu ook niet en fietsen ze zwijgzaam verder. Wanneer ze aan Lotte’s huis aankomen zegt Bert nog een goedendag en fietst vlug naar huis.   Bert woont alleen met zijn mama. Zijn ouders zijn gescheiden en zijn papa heeft hij nooit gekend. Berts mama werkt in het ziekenhuis als verpleegster. Daarom zit Bert veel alleen thuis en kan hij ook zo makkelijk weg wanneer Lotte hem nodig heeft.   Wanneer Bert nu thuis komt is er iets raar aan de hand. Mama is er niet. Normaal was ze vrij vandaag. Waar zou ze toch zijn?    Mama, waar ben je? MAMA? Bert roept en roept, maar nergens is mama te bespeuren. Er ligt zelfs geen briefje op zijn plaats aan de keukentafel. Bert maakt zich zorgen. Mama! Mama! Ineens gaat de bel. Het is de buurman. Bert, je mama ligt in het ziekenhuis. Ze heeft een ongeval gehad met de auto. Het is niet zo erg hoor! Maar ze moet er toch enkele nachtjes in het ziekenhuis blijven. Tot zolang hebben we afgesproken dat je bij Lotte gaat wonen. Haar ouders weten er van. Ze komen je zo dadelijk halen.   De buurman zijn woorden zijn nog niet koud of daar draait de auto van Lotte’s papa de oprit al op. Neem je vlug wat spullen? Dan nemen we je mee. Straks gaan we je mama bezoeken, beloofd!   Bert weet niet goed wat er hem overkomt. Hij loopt naar boven en neemt wat kleren samen, steekt ze vlug in een tas en gaat terug naar Lotte’s papa. Je fiets kan in de koffer! Dan kan je morgen naar school rijden hé!   De deur gaat toe en de auto start. Wanneer ze aan het huis van Lotte aankomen staat Lotte al buiten te wachten en te zwaaien.    Ik heb het logeerbed al opgemaakt en er liggen handdoeken naast en… Lotte! Laat Bert nu eens rustig binnen komen! Bert zucht. Lotte’s papa had juist op tijd ingegrepen. Wat een drukke meid is Lotte toch! Papa neemt Bert zijn koffer en draagt hem naar de logeerkamer. Leg alles maar rustig weg, dan rijden we straks naar het ziekenhuis. Ok zegt Bert. Bert legt rustig zijn kleren en spulletjes weg. Daarna gaat hij naar beneden waar het eten al op tafel staat. Na het eten gaan ze eindelijk naar het ziekenhuis.   Klop klop. Bert klopt aan de kamerdeur waar mama ligt. Ja klinkt haar stem. Daar ligt mama met allemaal draadjes en buisjes aan haar lichaam. Mama, wat is er gebeurd? Ik heb een auto-ongeval gehad jongen. Maar het valt mee hoor. Ik zal hier wel een paar weekjes moeten blijven. Blijf jij zolang bij Lotte logeren? Ja, dat is goed hoor. Na nog een half uurtje komen Lotte en Bert terug thuis. Daar kijken ze nog een beetje naar de televisie tot dat ze naar bed moeten.   Maar Bert kan niet in slaap geraken. Hij moet altijd aan zijn mama denken.    Zou alles goed komen? Ze had zoveel draadjes aan haar lichaam en ze sprak zo stil. Dat spookt allemaal door zijn hoofd. Ineens wordt er aan zijn deur geklopt. De deur gaat open. Het is Lotte. Gaat het een beetje? Vraagt Lotte. Ik zag dat je licht nog brandde, daarmee kwam ik eens kijken. Och, het gaat wel antwoordt Bert. Ik moet alleen veel aan mijn mama denken. Lotte heeft haar knuffel vast en draagt een blauwe pyjama met hondjes op. Leuke pyjama, zegt Bert. Dank je, zegt Lotte. Het komt allemaal wel in orde met je mama hoor! Daar ben ik zeker van! Zolang mag je hier blijven. Dat hebben mijn ouders beloofd. Dat is lief, zucht Bert. Maar ik had toch liever thuis geslapen hoor. Lotte gaat naast hem zitten op het logeerbed. Ik weet het wel hoor. Maar ja, zo alleen in dat grote huis van jullie is ook niet alles hé! Het is toch leuk dat we nu zoveel samen zijn! Dan kunnen we veel meer samen doen. Dat is waar. Morgen zal het wel allemaal wat beter gaan hoor! Ik ga nu wat proberen slapen, want morgen zal het terug druk worden op school! Ok, slaapwel. Lotte geeft Bert een kus op de wang. Dat is de eerste keer dat ze Bert eigenlijk een kus geeft. Daar liggen ze dan, beiden in dromenland. Alhoewel, dromenland. Bij Bert is het eerder een nachtmerrie. Hij droomt dat het niet goed gaat met zijn mama. Badend in het zweet schiet hij wakker. MAMA!!!! Lotte’s papa heeft het gehoord en loopt naar de logeerkamer waar hij Bert recht ziet zitten op zijn bed. Wat scheelt er jongen? Ik heb slecht gedroomd… het ging niet goed met mama. Maar het gaat allemaal goed komen hoor! Daar ben ik zeker van! Ik weet het wel, maar toch… Leg je maar rustig neer en probeer toch nog wat te slapen anders ga je morgen te moe zijn. Als er iets is kom je maar naar onze kamer hé. Dank u wel. En sorry hoor.   De nacht gaat rustig verder. Bert slaapt rustig nu en Lotte… ja die is echt in dromenland. Ze is terug aan het varen op het vlot, maar dan veel rustiger. Ze was gaan picknicken met Bert en hun mand staat in het midden van het vlot. Het is zó gezellig! DRING DRING Lotte schrikt wakker van haar wekker. Oh nee! Nu het juist zo leuk was! Slecht gezind staat ze op en gaat ze naar de badkamer. Ook Bert is wakker. Hij ziet er zeer moe uit. Een beetje kunnen slapen? Niet echt neen, ik ga wel eerst naar beneden, dan kan je je rustig klaarmaken. Dat is goed, tot straks. Wanneer Lotte gewassen is en beneden komt heeft Bert zijn ontbijt al binnen. We gaan ons moeten haasten om op tijd op school te komen zegt Bert. Zo lang dat jij op de badkamer blijft! Bert loopt naar boven en maakt zich vlug klaar. Daarna springen ze op hun fiets en haasten zich naar school.   Wanneer ze de klas binnenkomen roept de meester Bert even apart. Hoe is het met je mama, vraagt hij. Gaat wel, denk ik. De meester roept de kinderen samen in de kring. De mama van Bert heeft gisteren een ongeval gehad. Ze ligt nu in het ziekenhuis. Bert woont momenteel bij Lotte thuis. Hoe? Zegt Hannelore. Kon je bij niemand anders gaan slapen? Waarom zegt Bert. Oh, gewoon… Lotte kijkt Hannelore zeer kwaad aan, wat kan ze daar nu weer op tegen hebben? Ze zal wel weer jaloers zijn! Wanneer er nog vragen zijn moet je ze nu stellen, want hierna gaan we verder met ons project zegt de meester. Er zijn geen vragen meer. De kinderen gaan terug naar hun plaats. Na de les rekenen en taal geeft de meester de opdracht een tekening te maken voor Berts mama. De kinderen gaan vlijtig aan het werk. Op het einde van de voormiddag gaat Bert naar huis met een groot pak mooie tekeningen, deze gaat hij zeker afgeven!   Nog een boterham, Bert? Je moet goed eten hé! Lottes mama is Bert aan het verwennen. En Lotte, ja die geniet mee van al die aandacht. Straks gaan ze met z’n allen Berts mama nog eens bezoeken maar eerst moeten Bert en Lotte de afwas doen. Lotte neemt de borden en laat ze in het schuim glijden. Opeens neemt ze wat schuim mee met haar hand en FLOEP! Dat gaat recht in Berts gezicht. Dit moet je Bert niet aandoen! Hij neemt ook wat schuim en FLOEP! Lotte haar gezicht hangt nu ook vol schuim. Wat  daarna ontstaat kan je beschrijven als een ware schuimoorlog. In korte tijd hangt de keuken vol schuim, maar de afwas? Die staat er nog. Is het hier bijna gedaan! Bert en Lotte kijken verschrikt achterom. Papa is net de keuken binnengekomen. Is die afwas nu nog niet gedaan? Nu kunnen we de keuken ook al beginnen afwassen! Ja maar, papa… Niets te maren! Wat zijn dat nu voor manieren? Maar we waren maar aan het spelen! Binnen 10 minuten vertrekken we naar het ziekenhuis. Daartegen moet de afwas gedaan zijn en de keuken terug tiptop in orde zijn! Ja papa. Ja meneer. Wat was papa kwaad! Lotte en Bert haasten zich zodat ze zeker klaar zijn. Juist op tijd komen ze de living binnen waar papa al klaar staat om te vertrekken. Zijn we klaar? Ja papa! Bert en Lotte kijken naar elkaar en kunnen hun lach niet inhouden. Nu moet papa ook mee lachen. Wat hingen ze vol met schuim! En wat is Bert toch een leuke vriend… Lotte denkt aan Hannelore, wat zou ze jaloers zijn! Er verschijnt een glimlach op haar gezicht en even droomt ze weg. Lotte we zijn er! Lotte schrikt op en samen gaan ze naar de kamer van Berts mama. Die heeft eigenlijk niet echt goed nieuws…    Wanneer Bert de tekeningen aan zijn mama geeft moet ze een beetje beginnen wenen. Wat is er mama? Zo een mooie tekeningen! En dat allemaal voor mij? Ja, zegt Bert, leuk hé! Wanneer mag je nu naar huis mama? Mama begint weer te wenen. Ik weet het nog niet jongen. Ik moet waarschijnlijk nog eens geopereerd worden en dan zou ik nog een paar maanden moeten revalideren. Wat wil dat zeggen mama, revatiseren? Revalideren wil zeggen dat ik terug beter moet worden en dat moet hier in het ziekenhuis. Dus je zal nog een tijdje bij Lotte moeten blijven. Bert kijkt naar Lotte, die kijkt blij verrast. Maar tegelijkertijd weet ze wel dat het Bert veel pijn doet. En hoelang dan nog? Dat kan ik echt niet zeggen jongen, maar je bent toch graag bij Lotte! Ja, maar ik mis je wel hoor. Ik je ook jongen, ik je ook. Maar als ik terug beter ben gaan we terug van elkaar kunnen genieten! Hier heb je wat geld, ga eens met Lotte om snoepjes beneden ik heb nog wat te bespreken met je papa Lotte. Daar verdwijnen de twee de gang op. Terwijl Lottes papa bij Berts mama blijft. Ze hebben heel wat te bespreken nu Bert heel wat langer dan gepland bij hen moet blijven wonen! Lottes papa krijgt de sleutel van hun huis mee zodat hij nog wat kleren van Bert kan gaan halen en zo.    Gierend van het lachen komen Bert en Lotte terug de kamer binnen. Ze hebben lekkere snoepjes gekocht en zijn elkaar nu aan het pesten met de vampierentanden die ze gekocht hebben. Het zijn toch twee erge hé! Zucht Lottes papa. Ja, ik bezorg je er toch niet te veel last mee hé? Maar neen. Als ze zich maar amuseren! Lotte kijkt haar papa raar aan. En daarnet was hij nog zo boos. Papa komt naast haar staan en fluistert ‘sst’ in haar oor. Hij wil zeggen dat ze Berts mama niet meer ongerust mogen maken. Lotte begrijpt het en pest Bert nog wat verder. Tot als papa teken doet dat het nu wel welletjes is en dat ze naar huis gaan. Bert neemt nog afscheid van zijn mama en daar vertrekken ze weer. Richting Berts huis. Hij moet alles meenemen wat hij wil. En geloof me, dat is heel wat! Kleren, videospelletjes,… de auto zit zeer vol wanneer ze terug thuis komen. Nu beginnen Lotte en Bert zijn kamer in te richten. Maar al snel loopt het mis. Lotte wil er een meisjeskamer van maken en Bert een echte jongskamer. Mama moet tussenbeiden komen en Lotte wegsturen. Jij hebt jouw kamer hé. Maar bij het eten is het al lang terug bijgelegd. Want Lotte kan niet kwaad zijn op Bert, ze kan dat gewoon niet. Lotte geeft een knuffel van haar aan Bert: dan voel je je niet alleen!   Eindelijk is het vrijdag! De kinderen moeten al vroeg op school zijn om op uitstap te vertrekken. Ze hebben allemaal hun laarzen aan en propere kleren in de rugzak zitten. Wat een geschater is het daar toch in die hoek van de speelplaats? Bert en Lotte gaan kijken. Oh nee! Wat is er nu met Hannelore gebeurd? Ze staat daar met twee krukken en haar voet in het gips. Bert loopt er direct naar toe en vraagt haar wat er gebeurde. Ik ben gevallen met mijn fiets toen ik voor een poes moest uitwijken! Zes weken gips… Lotte staat groen van jaloezie aan de kant. Waarom heeft hij nu zoveel aandacht voor die stomme koe! Ze draait zich om en gaat al naar de andere kant van de speelplaats waar de meester staat te wachten. Er is wel een voordeel aan gans de zaak; Hannelore gaat al zeker niet mee op uitstap, dus Bert is voor de ganse dag van haar.   Iedereen op de bus!! De meester roept dit nu al voor de tiende keer. Eindelijk komt Bert ook op de bus. Hij gaat naast een donderwolk zitten, die we ook wel Lotte noemen. Wat scheelt er aan? Waar was je? Ja, Hannelore… Jaja, Hannelore dit, Hannelore dat, altijd maar Hannelore. Wel blijf dan op school met je Hannelore! Zeg, wat is dat toch met jou. Het is toch niet dat we een koppel zijn? Ik mag toch met andere meisjes praten. Het is niet omdat ik voorlopig bij jullie woon dat ik jouw eigendom ben hé!   Daar zitten ze dan, de rug naar elkaar gericht en een donderwolk als gezicht. Lotte zit te denken: wat is er toch met mij aan het gebeuren? Ze lonkt naar Bert. Hij heeft eigenlijk wel gelijk hoor, maar het is sterker dan mezelf. Ook Bert zijn hoofd staat niet stil. Wat is er toch met haar, waarom is ze toch zo jaloers op Hannelore? Ze is en blijft toch mijn beste vriendin… vrouwen ik ga ze nooit begrijpen.   Door de lange busreis is het weer wat beter geworden tussen de twee. Nu kan de uitstap eindelijk beginnen. De kinderen stappen uit op een parking vlak bij een bos. De meester roept hen bij zich. Vanaf nu blijven jullie dicht bij mij. Ik wil niet dat er iemand achteraan blijft hangen of van het bospad afwijkt. We gaan nu allemaal samen naar de beek waar we onze testen gaan uitvoeren. Dus daar begint de uitstap echt. Je zou het moeten kunnen zien hoe de klas mooi in de rij de meester volgt. Het is precies of ze een legertje vormen die mooi in de pas hun generaal volgen. En… Stop! Bijna liggen ze allemaal op elkaar. Waarom laat de meester ze toch zo direct stoppen? Sssst! Zie je daar in het gras die kikker zitten? De kinderen komen dichterbij en blijven stil. Jaja daar zit de kikker te kwaken of zijn leven ervan afhangt. Na een paar foto’s trekken wandelt het leger verder. Na nog een paar keer stoppen en fotograferen komen ze aan de beek aan. De meester laat zijn helpers de koelbox aan de kant zetten. Nu gaan we per twee wat testen doen. De meester verdeeld de klas in groepjes. Lotte en Bert zijn samen in een groepje. Daar beginnen ze met het testen. Ze maken veel plezier en plots PLONS! Daar ligt Bert in het water. Lotte en Bert! Wat is de bedoeling? Maar meester, ik kon er… Alle twee uit het water en stop maar met testen. De straf volgt wel op school! Maar meester… Geen gemaar, uit het water! Balend stappen Lotte en Bert naar de kant. Maar toch blijven ze plezier maken. Ze leggen zich neer tegen een boom en kijken naar de anderen. Daar ligt Bert op te drogen en wie kijkt er jaloers toe? Jaja Hannelore. Lotte heeft dit opgemerkt en lacht in haar vuistje. Zo verloopt de uitstap toch enigszins anders dan gepland. De anderen kunnen hun testen rustig afwerken terwijl onze twee vrienden zich amuseren, maar zal dit blijven duren? Na de middagpauze vertrekken de kinderen terug het bos in. Daar bekijken ze nog wat natuurverschijnselen en nemen ze wat mee voor in de klas. Wanneer de kinderen terug op de bus zijn roept de meester Lotte en Bert vooraan. Jullie gaan in het weekend een opstel maken van deze uitstap en ik wil alle details erin! Jullie mogen samenwerken. Ja meester, braaf keren ze terug naar hun plaats waar ze zuchtend op plaatsnemen. En daar gaat de bus weer. Het wordt wel een leuke busreis. Er wordt gezongen en gepraat. Zo zijn ze zeer vlug terug op school. En eindelijk is het weekend! Maar wat voor een weekend. Veel werk voor de boeg, maar ja, zo kan Lotte wel dicht bij Bert zijn en dat is zeer belangrijk voor haar!    Pfff zoveel werk en ik weet gewoon niet hoe er aan te beginnen. Het is zaterdagmorgen 10 uur, Lotte en Bert zitten samen aan de keukentafel naar een wit blad papier te staren waar normaal inkt zou moeten opkomen maar hun inspiratie laat hen in de steek. Wat moeten ze nu toch vertellen over de uitstap. De helft van de tijd waren ze er niet bij en de andere helft hebben ze alleen maar gespeeld. Het is verschrikkelijk moeilijk! Plots heeft Bert een idee! Lotte kijkt hem aandachtig aan. Als we nu eens ons opstel schrijven alsof we de dieren van het bos waren die onze klas zagen komen en alles goed konden vinden. Prachtig idee vond Lotte. Terwijl ze dromend zat te kijken naar hoe Bert zijn uitleg deed. Met dit idee gaan ze volop aan de slag. Ze werken hun idee uit alsof ze een eekhoorn en een vis zijn. Nu gaat het zeer vlot. ‘s middags is hun verslag klaar en kunnen ze volop beginnen genieten van het weekend. Dit lukt hen zeer goed. Het is prachtig weer buiten en Lottes huis heeft een zeer mooie tuin. Ze ravotten de ganse namiddag en ’s avonds gaan ze nog eens op bezoek bij Berts mama waar ze de volledige dag uit de doeken doen tot zijn mama zo moe is dat ze in slaap valt. Stilletjes verlaten ze de ziekenhuiskamer en worden ze door Lottes ouders getrakteerd op een hamburger met frietjes. Wat genieten ze daarvan!   Alsof dit alles nog niet genoeg is gaan ze ook nog eens naar een tekenfilm in de bioscoop. Het gaat over een land hier heel ver vandaan. Na de film hebben ze beiden veel buikpijn van het lachen of zou het van de popcorn zijn? Zeker zullen ze het nooit weten maar een ding is zeker het was een mooie zaterdag. Hoe straf maken toch nog leuk kan worden!   Moe maar nog steeds genietend worden ze in bed gestopt door de mama en papa van Lotte.   Op zondag gaat de verwennerij verder. Boterkoekjes ’s morgens, een ijsje ’s middags. Wat een weekend, wat een weekend. Maar morgen is het terug school. Dat zal minder leuk zijn.   Met knikkende knieën stappen Bert en Lotte de klas binnen. De meester begint de dag met een gesprek over de uitstap vrijdag en kijkt hen zeer boos aan. Er hebben een paar kinderen de uitstap nog eens overgedaan maar dan op papier. Jongeheer Bert en juffrouw Lotte wij luisteren aandachtig naar uw verhaal. Oei, zo hebben ze de meester nog nooit bezig gehoord.   Ze kuchen allebei eens en dan beginnen ze hun verhaal. Goedemorgen kinderen, ik ben Eddy de eekhoorn zegt Bert. En ik blub ben Marie, de vis. De kinderen kijken elkaar vragend aan. Wat is hier de bedoeling van? Maar ze luisteren wel aandachtig verder.   Wat schrokken we toen we vrijdagmorgen al jullie stemmen hoorden afkomen. Wat gaat er met ons gebeuren was ons reactie.  Ik klom hoog in een boom klonk het uit Berts mond en ik heb me verstopt achter een steen zei Marie euhm Lotte. Toen we zagen dat jullie geen vislijn of geweer mee hadden waren we al veel minder zenuwachtig hé Eddy. Lotte kijkt Bert vragend aan, de klas begint te giechelen. Ik dacht, wat zijn ze nu toch van plan. Maar ik zag jullie naar het water gaan en dacht, oef… terug rust. Ja zeg! Denk ook eens aan mij hé! Snik. Ik zat daar achter die steen toen jullie jonge geweld op mij afkwam. Ik wil geen visstick worden ging er door mijn hoofd! Ik ben nog te jong. Jullie haalden allemaal rare dingen boven en namen wat water uit de beek. Ik werd er alleen maar banger van. Goh, ik niet hoor! Ja, dat is niet moeilijk sist Lotte er waren geen kinderen in jouw buurt! Ja dat is waar, ik kon alles mooi in de gaten houden! Allemaal die testjes dat jullie deden, zo interessant! Ik voelde me ook meer op mijn gemak tot ik plots een grote klap hoorde en het water grote golven begon te maken. Ja, ik heb dat perfect gezien vanuit mijn boom. Het waren twee kinderen die in het water vielen. Het was ook gedaan met mijn rust. Ze kwamen onder mijn boom zitten. Hihi blub   Lotte en Bert gaan zo op in hun verhaal dat ook heel de klas meegaat. Ze leven echt mee met Eddy en Marie. Wanneer ze gedaan hebben met het verhaal te vertellen staat gans de klas, ook de meester, op en geeft hen een daverend applaus!   Lotte en Bert glunderen als nooit tevoren. Bert is zelfs zo tevreden dat hij Lotte een grote knuffel geeft.   Hannelore, alles in orde? Simon die naast hannelore zit geeft haar een por. Hannelore ziet zo bleek. Wat zou je willen, Lotte die Bert een knuffel geeft, stikjaloers is ze. Jaja, alles is in orde, en laat me nu met rust snauwt ze tegen Simon.   Lotte heeft natuurlijk alles gezien en kan er niet aan doen dat haar lach nog groter en groter wordt. Zo een lieve knuffel dat Bert haar gegeven heeft, haar hart slaat sneller.   Ze had een mooie droom over Bert. Op de speelplaats zit ze er een beetje verweesd bij. Wat is dat toch met haar. Vroeger kreeg ze nog knuffels van Bert, maar zo een gevoel had ze er nog nooit aan overgehouden. Hannelore passeert haar en roept iets naar haar, maar ze hoort het niet. Zo diep zit ze te denken.   Bert is haar beste vriend. Ze kan met alles bij hem terecht, waarom kan ze nu niet normaal reageren. Ze weet het echt niet. Haar buikje doet zo raar en haar gedachten dwalen altijd af. ’s Middags kan ze ook al niet eten. Pfff dat dat gevoel maar vlug verdwijnt, want leuk is anders.   Wanneer ze thuiskomen van school is papa ook al thuis. Hij ziet dat er iets scheelt. Bert had het haar ook al gevraagd maar hij had geen antwoord gekregen.   Zonder iets te zeggen verdwijnt Lotte naar haar slaapkamer. Ze zet haar favoriete cd op en gooit zich op haar bed. Ze doet haar ogen dicht maar alweer ziet ze Bert zijn gezicht. Ze doet haar ogen open en raad eens… alweer Bert. Gek wordt ze ervan. Ga weg! Ga weg! Roept ze maar het beeld wil niet verdwijnen.   Laat me even alleen roept Lotte. Lotte laat me even binnen het is papa. Lotte springt uit haar bed en draait de sleutel om.   Wat scheelt er toch aan meisje? Is er iets gebeurd op school? Niets papa, er scheelt niets. Dat geloof ik niet! Normaal speel je altijd met Bert na school en nu lig je hier op je bed. Dat is toch niet normaal hé! Ik kan niet elke dag even goed gezind zijn hé. Dat is waar maar je moet weten dat je altijd bij mij terecht kan hé. Dat weet ik papa, dat weet ik. Het heeft toch niets met Bert te maken hé! Lotte kan niets meer uitbrengen. Ja dus. Maar, maar Heeft hij iets misdaan? Maar neen! Vind je het niet meer leuk dat hij hier woont? Jawel! Papa kan niet meer volgen. Wat kan er dan nog zijn?   Volgens papa is Lotte nog steeds zijn kleine meisje. Maar nu ze al in het zesde leerjaar zit vergeet papa soms dat ze al andere gevoelens heeft dan in het eerste leerjaar.   Ik weet echt niet wat je bedoelt mijn kleine meid. Vertel het me eens! Tring tring! De telefoon gaat. Papa stormt de kamer uit en Lotte haalt opgelucht adem. Ze heeft het hem toch niet moeten vertellen. Doordat papa zo naar buiten is gelopen is haar kamerdeur open blijven staan. Lotte ligt met haar ogen toe naar de muziek te luisteren wanneer ze plots iemand hoort binnenkomen. Het is Bert. Wat doet die hier nu? Lotte gaat het? Ik maak me een beetje zorgen! Anders vertel je alles aan mij en nu loop je me gewoon voorbij. Maar het is niet belangrijk hoor. Maak je geen zorgen. Toch zou ik het graag weten. Op de achtergrond begint een nieuw liedje te spelen, de tekst is zeer toepasselijk: ‘with you i will get there, with you i will live for real’. Laat me maar, alsjeblieft. Ik wil even alleen zijn. Ok, maar ik heb toch zeker niets misdaan hé! Neen, maar laat me nu. Zachtjes verdwijnt hij van de kamer. Lotte voelt haar slecht. Bert had gelijk. Vroeger vertelde ze elkaar inderdaad alles, maar dit kan ze hem toch niet zeggen! Wat zou hij ervan vinden, hoe zou hij reageren? Waarschijnlijk zou hij wel boos worden op haar en dat wil ze vermijden! De cd speelt rustig verder en de ogen van Lotte vallen stilletjes dicht. Het duurt niet lang vooraleer ze in dromenland komt. En jullie weten wel waarover die droom zal gaan. Over Bert natuurlijk. De droom begint mooi, maar dan vertelt ze Bert haar gevoelens en hij wordt zeer boos op haar. Lotte begint te wenen. Bert loopt weg. BERT! BERT! KOM TERUG!! Wat Lotte natuurlijk niet weet is dat ze echt luidop aan het roepen is. Bert komt de kamer op gelopen. Wat scheelt er, wat scheelt er? Verschrikt schiet Lotte wakker. Wat, wat doe jij hier nu weer? Je riep me. Ik, jou geroepen? Ik lag te slapen. Heb je gedroomd over mij? Maar neen. Het angstzweet breekt Lotte uit. Wat heeft ze nu weer gedaan. Ik kan me geen droom herinneren, sorry. Ik dacht echt dat er iets was, zo hard roepen naar mij. Lotte staat recht en gaat naar beneden. Bert blijft met vragen achter. Wat zou er toch met Lotte zijn?     De avond gaat rustig voorbij. Lotte voelt haar nog steeds verschrikkelijk en Bert weet nog steeds niet wat er aan de hand is. Samen zitten ze wel in de zetel naar tv te kijken. Het is een leuk programma en samen lachen ze tot ze buikpijn hebben. Dan is het tijd om in hun bed te kruipen. Mama, die ondertussen is thuis gekomen, geeft de nachtzoentjes. Ik heb gehoord van papa dat je een beetje raar deed vanavond. Is er iets dat ik moet weten Lotte? Neen mama, maak je maar geen zorgen. Zeker van hé, je weet dat je mij alles mag vertellen hé. Ja, dat heeft papa ook al gezegd, maar het gaat wel hoor. Mama ziet de blozende wangen van Lotte en denkt dat ze weet wat er scheelt met haar dochter. Het is Bert hé lieverd. Wat? Je bent verliefd op Bert hé. Ik, verliefd op Bert? Maar nee mama, waar haal je dat nu uit? Ik zie het in je ogen lieverd. Hoe meer Lotte in mama haar ogen kijkt, hoe meer ze begint te blozen. Zie je het wel meisje, ik wist het wel, maar dat is niet erg hoor! Dat is normaal! Maar je mag er zeker van zijn dat dit ons geheimpje blijft! Dit stelt Lotte toch een beetje op haar gemak. Eigenlijk is ze blij dat het van haar hart is. Een beetje rustiger legt ze haar op haar zij en probeert ze te slapen. Na wat draaien en keren. Wanneer ze eindelijk in een diepe slaap ligt schiet ze wakker van de telefoon die gaat. Ze hoort papa uit zijn bed komen en de telefoon opnemen. Wat? Wij komen direct mevrouw, bedankt voor het bellen.   Bert! Lotte! Opstaan!! Met slaperige oogjes komen de twee uit hun kamer tevoorschijn. Wat scheelt er. Papa en mama staan samen de kinderen op te wachten. Doe vlug jullie kleren aan, we moeten direct naar het ziekenhuis. Het ziekenhuis? Vraagt Bert. Is er iets mis met mama? Ja, Bert. Je mama is niet goed. Doe vlug jullie pyjama uit en jullie kleren aan.   Zo vlug zijn ze nog nooit klaar geweest. Vlug stappen ze in de auto en vertrekken ze richting ziekenhuis. En wat scheelt er met mama? Papa vertelt wat de dame van het ziekenhuis hem heeft verteld, maar meer weet hij natuurlijk ook niet.   Bert begint te wenen. Lotte neemt Bert in haar armen. Aangekomen in het ziekenhuis rennen ze naar de infobalie. Mama, waar is mijn mama roept Bert tegen de verpleegster. Euhm… Papa komt tussenbeide en legt de verpleegster uit wat er aan de hand is. Momentje alsjeblieft, ik bel meteen. De verpleegster gaan mee met hen naar de kamer van mama. Bert gaat alleen binnen, de rest kijkt door het raam mee.   Mama, wat scheelt er allemaal aan. Mama ligt met veel buisjes en draden vast. Mama begint te wenen. Het gaat niet goed met me mijn lieverd. Mama gaat niet meer naar huis komen. Hoe, waarom niet? Mama is klaar om naar de hemel te gaan bij papa. Bert begint nu ook zeer luid te wenen. Mama, neen! Jij moet hier blijven bij mij. Ik weet het lieverd, ik weet het, maar papa heeft me nodig in de hemel.   Lotte krijgt nu ook de tranen in haar ogen. Ze ziet het verdriet van Bert en zijn mama. Maar Lotte weet nog niet wat er aan het gebeuren is. Waarom wenen ze zo hard papa. Papa krijgt het ook moeilijk en neemt Lotte in zijn armen.   Lotte, zegt papa, het gaat echt niet goed met Bert zijn mama. Ze gaat naar de hemel, bij Bert’s papa. Dat kan toch niet papa, en Bert dan? Ze mag Bert toch niet alleen laten!! Ze wil dat ook niet lieverd, ze wil dat ook niet. Maar Bert’s papa heeft haar ook nodig in de hemel en Bert is nu goed bij ons. Ja maar, zo zonder mama dat kan toch niet hé mama! Neen schat, neen, maar Opeens gaat de deur van de kamer open. Het is Bert die als huilend naar buiten loopt.  Hij loopt direct naar Lotte en valt in haar armen. Mijn mama… Ik weet het… Ondertussen zijn mama en papa de ziekenhuiskamer binnengegaan. Eerst en vooral praten ze wat maar dan gaat het over Bert. Wat moet er nu met hem gebeuren. Mama en papa hebben hier al over nagedacht en hebben besloten dat Bert bij hen mag blijven wonen.   Dit stelt de mama van Bert gerust en nu vraagt ze om Bert terug binnen te laten. Bert stapt de kamer binnen en neemt voor altijd afscheid van zijn mama.   Als wenend verlaten ze het ziekenhuis. Ze proberen wat te slapen maar dit lukt niet goed. Bert heeft de ganse nacht liggen wenen. Ook Lotte kon de slaap niet vatten. Ze heeft de volledige nacht aan Bert liggen denken. De dagen gaan voorbij. Bert blijft thuis van school terwijl Lotte alleen naar school gaat. Bert probeert samen met Lotte en haar ouders een mooie mis samen te stellen. Hij kiest de liedjes die gespeeld moeten worden, de gedichtjes die moeten worden voorgelezen.   Soms gaat het goed maar er zijn veel momenten dat hij moet stoppen. Als Lotte thuis komt probeert ze hem wat op te vrolijken maar gemakkelijk gaat dit niet.   Zo gaat de week voorbij. Bert kan nog steeds niet slapen maar probeert zich wel goed te houden.   Intussen wordt er in de klas afgesproken dat alle kinderen naar de begrafenis komen en dat ze elk een witte roos gaan meebrengen om op de kist te leggen.   Lotte is hier de drijvende kracht. Ze wil dat iedereen klaar staat om Bert op te vangen in deze moeilijke tijd. Ze spreken ook af om allemaal in het wit naar de kerk te komen als teken van hoop.   De meester steunt Lotte en is zelfs al eens mee naar huis gegaan om Bert te bezoeken. Maar Bert voelt zich zo leeg, zo moe, zo verdrietig. Hij zit veel in de zetel gewoon naar buiten te staren. In het niets, op zoek naar zijn mama. En dan begint hij te huilen en roept weer om zijn mama. Lottes ouders proberen alles wat ze kunnen om Bert te steunen, maar het lukt maar soms. Het enige wat Bert kan helpen is tijd om het te verwerken.    Zijn jullie klaar om te vertrekken? Lotte en Bert komen naar beneden. Maar ze hebben beiden geen zin. Wat begrijpelijk is. Vandaag is de begrafenis van Berts mama.   De voorbije week heeft Bert zeer veel geweend maar voor vandaag wil hij zich sterk houden. Sterk houden voor zijn mama, die zou dat gewild hebben.   Aangekomen in de kerk ziet Bert zijn klasgenootjes staan. Allemaal volledig in het wit met een bloem in hun handen. Hij zwaait en gaat de kerk binnen. Daar begint een prachtige mis. Met veel mooie muziek, veel mooie gedichten en teksten. Het mooiste, maar ook het moeilijkste moment is wanneer Lotte en Bert samen naar voor gaan in de kerk. Ze dragen samen een mooie tekst voor die ze samen schreven:   Mama, mevrouw   Vrienden zijn we al zeer lang We weten altijd wat we aan elkaar hebben Toch weten we nu niet wat zeggen. Zoveel verdriet. Zoveel tranen.   Een afscheid, zo onverwacht We gaan je missen in alles wat we doen. Kijk goed hoe we groot worden En draag zorg voor ons. De tranen verschenen in de ogen van iedereen in de kerk. Zakdoeken werden bovengehaald. Het was een moment van verdriet maar ook een van liefde voor iemand die Bert en Lotte verloren zijn. De pastoor zei nog wat tegen de aanwezigen en dat was meteen het einde van de mis. Na de mis gingen ze naar huis. Het was een stille dag. Bijna niets werd er gezegd. Het enige geluid dat te horen was, was de tennismatch die op tv werd uitgezonden. Af en toe stond Bert eens op en ging hij een luchtje scheppen.   Zo ging de moeilijke dag traag maar zeker voorbij. Wanneer het tijd werd om in bed te kruipen pakte Lotte Bert nog eens goed vast. Als er iets is moet je maar naar mijn kamer komen hé! Bedankt en een zucht was het enige wat Bert kon uitbrengen.   Alle lichten gingen uit in huis en er volgde een donkere stille nacht van veel gewoel en soms gehuil…    De dagen gaan voorbij en het gaat elke dag wat beter met Bert en Lotte. Na een week ‘vakantie’ gaan ze terug samen naar school. De weg voelt nog vertrouwd aan maar toch is er iets anders. Ze lachen niet zoals vroeger. Eigenlijk hebben ze nog niet gelachen sinds de dag van de begrafenis.   Stil zetten ze hun weg verder. Aangekomen op school komt direct de ganse klas naar hen gelopen om te vragen hoe het is. Goed zegt Bert kortaf en hij vertrekt naar de klas toe. Laat hem nog even zegt Lotte tegen de rest. Het zal wel beteren.   Jana heeft wel medelijden met Bert maar is stikjaloers op Lotte. Zij had Bert willen troosten! Ze probeert dit ook duidelijk te maken aan Lotte. Maar deze kan en wil daar nu geen aandacht aan besteden. Het enige wat haar bezig houdt is dat Bert hem goed voelt en dat is niet gemakkelijk.   De dag gaat voorbij zoals een gewone schooldag. De meester had tijdens de speeltijd Bert even apart geroepen en hem gezegd dat hij de klas gewoon mocht verlaten wanneer het nodig zou zijn en dat hij altijd klaarstond om te helpen. Eigenlijk is het toch een lieve meester… Zo hadden Lotte en Bert hem nog nooit bekeken. Soms kan hij streng zijn maar hij staat wel klaar voor de leerlingen wanneer nodig. Hij heeft Bert zelfs eens goed vastgepakt en een glimlach doen verschijnen op zijn gezicht door een mopje te vertellen.   Juist voor de bel gaat wordt er afgesproken dat vrijdagnamiddag er geen les wordt gegeven maar dat de leerlingen gezelschapsspelen mogen meebrengen en deze spelen in de klas. Iedereen gaat tevreden naar huis. Zelfs in Bert’s hart is er een plaatsje voor tevredenheid.   De meester had geen huiswerk meegegeven dus Lotte en Bert hebben een ganse avond om  buiten te spelen. Ze fietsen, spelen met de bal,… Ze maken zoveel pret dat Bert terug binnen komt met een glimlach op zijn gezicht. Zou het dan toch beter gaan met hem?    De week gaat voorbij en iedereen kijkt uit naar vrijdagmiddag waneer ze gezelschapsspelen mogen spelen. Daardoor gaat de aandacht bij rekenen en taal een beetje verloren en heeft de meester zich al veel kwaad moeten maken en zelfs moeten dreigen dat het spelen niet zou doorgaan.   Uiteindelijk is vrijdagmiddag dan toch aangebroken. Lotte heeft scrabble meegenomen, want ze doet graag taal en kan goed woordjes leggen. Bert heeft stratego meegenomen. Een typisch jongensspelletje over een leger dat een vlag moet veroveren.   De leerlingen worden in groepjes opgedeeld en gaan aan de slag. Lotte zit in de groep van Jana en Hannelore en ze spelen Scrabble. Ze had toch liever bij Bert gezeten!   Neen dat woord bestaat niet! Jawel dat woord bestaat wel! Neen toch niet! Dames, dames wat is er aan de hand? Ze leggen woorden die niet bestaan, meester. Lotte ziet rood van woede. Zo is het ook niet leuk om te spelen hoor! En welk woord bestaat er niet?   Dat bestaat inderdaad niet! Jana, neem alle letters terug en probeer opnieuw. Wanneer er op Lotte haar gezicht een glimlach verschijnt wordt Jana nog bozer. Ze neemt het spelbord en gooit het door de klas.   Lotte begint te roepen, de meester moet tussenbeide komen. Jana, ruim alles op en daarna mag jullie groepje rekenoefeningen maken. Als jullie je gedragen als kleine kinderen kan ik niet anders dan jullie te straffen!   Daar gaat de leuke vrijdag. Pfff had ze maar bij Bert gezeten in de groep. Die maken daar veel plezier en met hem maakt ze tenminste geen ruzie…   Na de les  moeten Jana en Lotte nog eens bij de meester komen. Ik wil wel eens weten wat er tussen jullie gaande is! Het is niet de eerste keer dat er problemen zijn hé Ik weet het niet, zegt Lotte. Maar natuurlijk weet zij wel wat er scheelt. Ze zijn jaloers op elkaar over Bert. Maar natuurlijk mag de meester dat niet weten. Ook Jana houdt de lippen op elkaar. Zodat ze uiteindelijk toch mogen vertrekken.   Buiten staat Bert Lotte op te wachten. Een glimlach naar Jana als zegeteken en het is weekend!    Wat was dat toch allemaal in de klas? Lotte wordt rood. Niets hoor, je weet toch dat Jana niet mijn beste vriendin is? Ik vind haar wel leuk hoor! Lotte wordt opnieuw rood maar nu van woede. Dat heb ik al gemerkt ja. Zeg, je moet daar niet boos om worden hoor! Ik mag toch overeenkomen met Jana! Dat is trouwens iets anders als bij jou! Hoe anders? Wel, jij bent mijn beste vriendin, aan jou vertel ik alles. Jana is een mooi meisj… En ik niet of zo????!!!! Jawel jawel… Pff vrouwen zijn toch niet gemakkelijk hoor! Ben je verliefd op Jana misschien? Even valt er een stilte. De achtergrondgeluiden nemen de bovenhand. Wel??? Maar… Ja dus, zwijg maar al. Lotte zet haar recht op haar fiets en reed weeg van Bert. Ze kreeg de tranen in haar ogen. Bert riep maar Lotte reed alsmaar harder en harder. Opeens sloeg het noodlot toe. Een poes kwam de rijweg opgelopen en Lotte kon haar niet meer ontwijken. Bert riep nog LOTTE PAS OP!! Maar het was al te laat. Lotte vloog door de lucht en kwam hard neer. LOTTE, LOTTE!! Bert knielde zich neer voor haar. Lotte zeg iets. Maar er kwam geen woord. Lotte alsjeblieft! Ondertussen waren er al mensen komen helpen. Ze hadden de ziekenwagen al gebeld. Deze kwam vlug aan en nam Lotte mee naar het ziekenhuis. Bert wist niet waar hij moest lopen. Hij was zo geschrokken en hij zag de beelden van zijn mama terug voor zijn ogen.   Wil jij meerijden jongeheer? De verpleger krijgt geen antwoord van Bert. Wil jij meerijden jongeheer? Hmm, ja, maar haar ouders… Die zullen we in het ziekenhuis verwittigen.   Met volle sirene verdwijnt de ziekenwagen uit het zicht van de mensen. Bert zit naast Lotte en houdt haar hand vast. Lotte, zeg toch iets zegt hij al wenend.   Ondertussen ligt Lotte al aan verschillende draadjes. Komt het in orde dokter. Ben jij haar vriendje jongen? Hmm neen… Had hij maar gezegd dat hij haar ook wel zag zitten, maar ze was ineens weg, verdwenen…   We moeten nog veel onderzoeken doen. Voorlopig weten we nog van niets.    Aangekomen in het ziekenhuis verdwijnt Lotte naar een onderzoekskamer. Hier mag jij niet komen hoor! We komen bij je in de wachtkamer als we wat meer weten. Lottes ouders zijn ondertussen al verwittigd!   Mocht Bert kunnen liep hij de muren op. Hij kon geen seconde neerzitten. Had hij nu eerlijk geweest, maar Lotte is zijn beste vriendin en hij is zo bang haar kwijt te raken. En Jana is echt wel een mooi meisje, maar met Lotte kan hij zo goed babbelen…   Bert, Bert wat is er gebeurd? Bert ziet ineens Lottes ouders de wachtkamer binnenstappen. Ze…ze is over een poes gereden en dan gevallen. Het is allemaal mijn fout… Hoe het is allemaal jouw fout? We hadden ruzie over Jana…   Dat heeft allemaal nu geen belang zegt Lottes papa. Hoe is het met Lotte? Ik weet het niet snikt Bert. Ze hebben nog niets komen zeggen! De papa van Lotte gaat naar de balie waar ze hem ook vertellen dat ze bij hem gaan komen als er nieuws is.   Zo lopen ze met zen drieën de wachtkamer rond. Zoveel zenuwen hebben ze. Meneer, mevrouw, jongeheer, kunnen jullie even meekomen? Een man in het wit komt de wachtkamer binnen. Samen met hem gaan ze naar een bureautje. Hoe is het met mijn dochter? Vraagt Lottes mama.   Ze is terug bij bewustzijn, ze kan dus alles terug horen, zien en ze weet wat er gebeurd. Dus eigenlijk is alles in orde? De dokter zijn ogen draaien…   Lotte is zeer slecht gevallen. Ze is op haar rug gevallen en kan haar benen niet meer bewegen. Is ze dan…. Dat moeten we nog even afwachten maar de kans bestaat dat ze nooit meer kan lopen.   Oh neen!! Roept Bert en hij begint te huilen. Het is allemaal mijn fout! Allemaal mijn fout!! Lottes papa neemt hem in zijn armen. Dat is niet waar! Dit is een ongeval, hier kan niemand iets aan doen. Mogen we Lotte zien, dokter? Zeker en vast, kom maar mee.   De deur wordt geopend en daar ligt ze. Mama, papa; Er volgt een knuffel met veel traantjes. Ik… ik kan niet meer wandelen… Dat kan toch niet papa, mama,… Zeg alsjeblieft dat het niet waar is!   Lottes ouders kijken elkaar aan en knielen voor Lottes bed. We weten het nog niet meisje, het kan zijn dat het weer beter wordt. Maar we kunnen niets beloven.   Ondertussen staat Bert in een hoekje van de kamer te wachten. Lotte ziet hem ineens staan en begint te huilen. Ben je boos op mij Bert? Maar neen, waarom zou ik boos zijn op jou? Jij was boos op mij… Waarom reed je ineens zo vlug weg? Hmm,… Lotte werd rood. Maar jij bent verliefd op Jana! Maar neen,  ik ben dat niet. En wat dan nog? Jij bent mijn beste vriendin, daar komt niemand tussen hoor!   Maar hoe is het nu met jou? Kan je echt niets meer voelen in je benen? Neen, echt niet. De tranen verschijnen in haar ogen. Maar de dokters zeiden dat het misschien nog kan verbeteren... Het belangrijkste is dat je nu uitrust, Lotte!   De dokter stapt de kamer binnen. Jongeman laat je vriendinnetje nu maar rusten. Morgen mag je terugkomen. Bert geeft Lotte nog een kus op de wang en vertrekt. Lotte haar gezicht krijgt een rode blos. Dit is de eerste keer dat ze een kus krijg van Bert.   Die avond kijkt Lotte nog wat tv op haar ziekenhuiskamer, maar ze kan haar niet echt concentreren. Uiteindelijk valt ze in slaap.   NEE! NEE! AU! Lotte! Lotte! Gaat het? Hm hm Zachtjesaan wordt Lotte wakker en ziet ze een verpleegster aan haar zij staan. Was je aan het dromen? Ja… Ik zag het ongeval weer voor mij. De verpleegster neemt Lotte in haar armen en probeert ze te troosten. Mevrouw… Zeg maar Isabelle. Ga ik echt nooit meer kunnen lopen? Dat kunnen we je nu nog niet zeker zeggen. Je gaat wel hard moeten werken om te proberen! Vanaf volgende week beginnen we er aan. Maar slaap nu maar. Morgen komt de dokter op bezoek en hij zal je uitleggen wat er allemaal gaat gebeuren. Isabelle verdwijnt uit de kamer en Lotte valt terug in slaap.   De dagen gaan voorbij in het ziekenhuis en Lotte krijgt veel bezoek van haar vriendjes en vriendinnetjes van de klas. Ook Bert komt elke dag langs en daar geniet ze nog het meeste van. De dokter heeft haar alles goed uitgelegd en ze weet nu dat er vandaag een kinesist gaat langskomen. Wat is dat een kinesist, had Lotte gevraagd. Dat is iemand die je gaat masseren en je gaat helpen om terug te leren lopen. Maar er bestaat een kans dat dat niet meer gaat kunnen hé had de dokter gezegd.   Dit wil Lotte niet geloven. Ze gaat terug lopen, daar is ze nu al zeker van. KLOP KLOP. Binnen! Roept Lotte. Een vreemde man in witte broek en witte t-shirt stapt de kamer binnen. Dag Lotte, is het niet. Ja, dat ben ik. Lotte, ik ben Frank. Ik ben je kinesist en we gaan je helpen om terug te leren lopen!   Dag Frank, jij moet zorgen dat ik terug kan lopen hé! Ik wil niet gans mijn leven in een rolstoel hoor! We gaan daar samen aan werken, Lotte. Vandaag ga ik beginnen met een massage om je spieren soepel te maken.   Hoe hard Frank ook knijpt in haar benen, Lotte voelt er niets van. Maar het is natuurlijk ook nog maar de eerste keer hé! Elke dag is het hetzelfde, wakker worden, eten, Frank komt langs, terug eten, dan komt het bezoek dan terug eten. Dan tv kijken en slapen. Eigenlijk heeft Lotte een saai leven! Soms brengt Bert wat huiswerk mee maar veel is dat ook niet. Vanaf volgende week mag ze wel naar de ziekenhuisschool. Dat zal wel leuk zijn!    Kom Lotte, dan ga we naar school. De verpleegster zet Lotte in haar rolstoel en rolt haar naar het klaslokaal op het einde van de gang. Er zitten veel leerlingen in de klas, allemaal van verschillende leeftijden. Jongens en meisjes, begint de juf, dit is Lotte. Sommigen zullen haar wel al gezien hebben. Vertel eens Lotte, waarom lig jij in het ziekenhuis? Ik ben met mijn fiets over een kat gereden en slecht gevallen, daardoor kan ik nu mijn benen niet meer bewegen. Oei! Maar het kan zijn dat het nog beter gaat worden hé! Ja, ik werk er elke dag aan met Frank.   Lotte, dit is geen normale klas zoals je ziet. Jullie krijgen hier allemaal een dikke werkboek. In groepjes van dezelfde leeftijd leg ik jullie dan uit wat jullie moeten doen en dan kan je een oefening maken. Je krijgt 2 uur les per dag, behalve in het weekend natuurlijk. Ik heb ook al getelefoneerd met je meester, dus ik weet waar je gebleven was in de klas.   Lotte krijgt een werkboek van de juf en bladert deze eens door. Zoveel oefeningen! Maar ze heeft wel al gezien dat er na een hoofdstuk altijd een tekening staat of zo dus dat valt goed mee. Ook de juf is superlief. Ze komt haar helpen wanneer ze problemen heeft.   Naast haar zit Mieke. Mieke heeft geen haar meer. Dat komt omdat ze erg ziek is en bestralingen moet krijgen. Maar ze wordt beter, daar geloofd ze in!   Zo verloopt de les op de ziekenhuisschool. Eigenlijk wel leuk en een leuke afwisseling! Soms krijgen ze ook ‘huiswerk’ mee. Dat maakt Lotte dan wanneer Bert op bezoek is. Zo kan hij haar helpen.   De eerste stap.   Weken en maanden gaan voorbij en Lotte moet zeer hard werken elke dag. De ene dag gaan de oefeningen zeer goed met Frank, de andere dag lukt er niets. Ook het bezoek is minder en minder. Juist haar ouders en Bert komen elke dag langs. Lotte heeft zelfs al eens een weekend naar huis gemogen. En als alles goed gaat mag ze voor de kerstvakantie naar huis.   Dag Lotte! Dag Frank… Lotte zucht. Wat scheelt er meisje? Het duurt zo lang, Frank, en het gaat maar niet vooruit! Elaba, ik wil een lachende Lotte zien hé, geen trieste! Jij hebt makkelijk praten! Jij kan gewoon stappen. En jij ook binnenkort! Ik heb een verrassing voor jou vandaag. Neem je badpak maar uit je kast! Gaan we zwemmen? We gaan proberen ja, je gaat wel een zwemband aan moeten maar we gaan proberen of je je benen al kan bewegen in het water!    We gaan je er zachtjes laten inzakken hé Lotte. Ik ben er altijd om je te helpen, dus als het niet lukt, verwittig mij op tijd!   Zachtjes aan gaat Lotte het water in. BRRRRRRRRR! Zo koud! Komaan hé Lotte, niet flauw doen hé! Daar zit ze dan, volledig in het water. Ze blijft boven water door de zwemband die ze aan heeft.   Nu gaan we eens proberen om je benen te bewegen hé! Ik weet dat het gaat lukken!   Lotte probeert en het lukt al een beetje. Goed zo meid! We gaan elke dag terugkomen in het water tot als je zonder zwemband in het water kan!   Zoals Frank het zei gebeurde het ook. Elke dag deden ze oefeningen in het water. En elke dag ging het beter en beter. Tot als Lotte zonder hulp een paar meter kon zwemmen. Zaterdag 31 december. Lotte heeft haar mooiste kleedje aangetrokken want vanavond is het Kerstavond en die mag ze thuis gaan vieren! Daar komen Bert en papa haar al ophalen.   Wanneer ze thuis aankomen wordt Lotte door papa in de rolstoel geholpen. Maar ze wil dit niet. Ik kan dit al zelf hoor papa! En inderdaad Lotte zit op geen tijd in de rolstoel. Dit heeft ze al geleerd van Frank.   Aan de kerstboom worden er die avond leuke liedjes gezongen en spelletjes gespeeld. Natuurlijk worden er ook cadeautjes uitgedeeld.   Mama, papa, Bert, ik heb geen cadeautjes kunnen kopen maar ik heb wel een grote verrassing voor jullie!   Lotte zet zich recht uit haar rolstoel en zet voorzichtig een paar stappen.   Iedereen zit met een open mond naar haar te kijken. Proficiat meid! Roept mama uit en geeft haar een knuffel, zo hard dat Lotte bijna achterover valt.

Andy VS
0 0

Naar het witte licht.

Ik kraste met de scherf van mijn gebroken spiegeltje in mijn arm. Langzamerhand kwamen er steeds meer witte strepen op mijn bleke huid. Het prikte verschrikkelijk en er ontstonden allemaal kleine bultjes op mijn arm. Ondanks dat het prikte was het een fijn gevoel. Mijn hele lichaam tintelde er lichtjes door. 'Dit moet ik echt vaker gaan doen.' mompelde ik in mezelf. 'Stom dat ik het nog niet zo lang doe. Het is echt onbegrijpelijk dat sommige mensen- oké, de meeste mensen- het raar vinden.'Na een tijdje begonnen de meeste witte strepen al weg te trekken. De bultjes en het tintelende gevoel bleven. Ik had zo te zien net niet hard genoeg doorgedrukt. Er kwam namelijk geen bloed uit mijn arm. Best jammer eigenlijk, ik had graag gezien hoe het bloed langzaam over mijn arm zou stromen. Via mijn hand richting de grond. Waar het bloed druppel voor druppel uit elkaar zou spatten. Ook had ik net niet hard genoeg gedrukt voor een litteken. Zelfs niet voor een tijdelijk litteken. Die verdwenen meestal na een dag of twee. 'Wat ben jij sneu zeg!' zei een irritant stemmetje in mijn hoofd. 'Je eet veel te veel en bent niet sterk genoeg om er mee te kunnen stoppen. Ik dacht dat je nog wel sterk genoeg was om jezelf góed te kunnen snijden. Maar zo te zien had ik het mis. Ik had nooit in je moeten geloven. Je bent gewoon een sneue, slappe, domme nietsnut! Je kan niets! Helemaal niets!' het stemmetje bleef het maar herhalen. Keer op keer. 'Ik zal je bewijzen dat ik wel sterk genoeg ben, wie je ook mag zijn!' riep ik vastbesloten.Het stemmetje lachte schamper. 'Jij? Jij en sterk? Dat zijn absoluut tegenpolen van elkaar.' het stemmetje barstte in lachen uit. Ik begon boos te worden en pakte mijn grote spiegel van de wand en wou het tegen de muur gooien. 'Sukkel. In plaats van een spiegel tegen de muur gooien kan je ook gaan lijnen en jezelf snijden. Zie je wel dat je slap bent!' begon het stemmetje weer. Ik ging naar de wc en stopte mijn vinger in mijn keel. Mijn vinger zat al helemaal in mijn mond, maar toch moest ik nog niet overgeven. Na een paar keer lukte het eindelijk. Al snel lag mijn hele maaginhoud in de wc. Toch vond mijn lichaam het blijkbaar nog niet genoeg. Ik begon bloed op te hoesten. Het bleef maar doorgaan en er leek geen einde aan te komen. Eindelijk stopte mijn lichaam met bloed ophoesten. Uitgeput zakte ik op de grond neer. 'Dit was nog maar het begin, schatje.' zei het stemmetje gemeen. Pak je scherf van de spiegel en kras jezelf.'Ondanks dat ik het eigenlijk niet wou, deed ik het toch. Die stem had iets hypnotiserends waardoor ik gehoorzaamde. Ik zette de punt van de scherf diep in mijn huid terwijl ik opstond. Het bloed begon direct een druppel te vormen die rustig naar beneden gleed. Niet lang daarna volgde de volgende druppel. Ik trok de scherf naar beneden. Er ontstond steeds meer bloed. Net zoals er steeds meer bebloede lijnen kwamen om mijn arm. Uiteindelijk stopte ik en keek naar mijn arm. Het leek wel alsof ik op dat moment uit een trance raakte. 'Shit, shit, shit! Wat heb ik toch gedaan?' wanhopig keek ik om me heen. Op zoek naar iets dat het bloed kon stelpen. Helaas kon ik niks vinden. Mijn hoofd begon licht aan te voelen. 'Nee, nee! Dit meen je niet!' schreeuwde ik uit. 'Je zei dat je ging sterven door mij. Niet dat ík ging sterven door jóu!' ik keek mijn moeder ongelovig aan. Opeens stond ze daar. Zomaar, ze kwam vanuit het niets. 'Oh oeps, sorry hoor. Zo bedoelde ik het niet.' ze keek me onschuldig aan. Maar haar ogen stonden vals en verraadden haar. 'Ach, mijn lieve kindje toch. Je weet toch dat ik met heel mijn hart van je hou?' 'Ja ja, het zal wel. Misschien zou het waar zijn, als je een hart had.' zuchtte ik. 'Waarom ben je hier eigenlijk?' vroeg ik haar ongeïnteresseerd. Ze lachte vals. 'Denk je nou serieus dat ik je dood wou missen? Trouwens, ik wou je nog iets zeggen.' zei ze terwijl ze verveeld naar haar nagels keek. Ik keek haar nieuwsgierig aan. 'Wat dan?' vroeg ik, proberend mijn nieuwsgierigheid te verbergen. Ik keek even naar de grond zodat ze mijn nieuwsgierige ogen niet zou zien. Wat ik daar zag kon ik haast niet geloven. Om me heen lag een grote plas bloed. Niet te geloven dat er zoveel bloed in mijn lichaam heeft gezeten. Ik voelde me steeds lichter worden in mijn hoofd en viel op de grond. Ze liet een vals lachje horen terwijl ik mijn ogen al sloot. Klaar om mijn laatste adem uit te blazen. 'Ik ben je moeder niet. Ooit gehoord van de duivel? Die kan nog wel eens -per ongeluk- iemand vermoorden en het lichaam van diegene overnemen. ' zei ze toen. 'Je gaat zo naar je moeder toe. Oh, en wees niet getreurd. Je zus zal je snel achterna komen.' Ik probeerde direct mijn ogen te openen om te kijken of ze niet loog. Alleen lukte het me niet meer. Langzaam voelde ik al mijn levensenergie uit me stromen. Hier lag ik dan. In een plas bloed van mezelf. 'Bitch.' riep ik naar haar. Tegelijk blies ik mijn laatste adem uit.

Ally
0 0