Lezen

Tip

Hoofd, hart en voeten

Met een vorstelijke zwaai opent hij de zware bordeaux gordijnen die de danszaal afschermen van de koude Antwerpse lucht. De ruimte is stemmig verlicht, ronde tafellampjes verspreiden een oranje gloed. Arnault laat zijn blik over de koppels op de houten dansvloer glijden. Het is negen uur, nog vroeg. De meeste van de vrouwen die aan de rand van de dansvloer zitten zijn bekenden, geen nieuw bloed deze avond. Aan een tafeltje doet hij zijn mocassins  uit. Zorgvuldig neemt hij zijn witte dansschoenen uit de speciaal daarvoor bestemde tas. Arnault aarzelt even voor hij ze aantrekt. Een kleine vonk weerzin.      Dan staat de tangodanser in hem op en hij stapt met soepele passen naar de bar. Hij verwelkomt de tangomuziek en het ceremonieel van het tangosalon. De vonk van daarnet is weer gedoofd.  Hij speurt de dansvloer af naar een geschikte danspartner. Mannen vragen de vrouwen ten dans, niet omgekeerd. Arnault houdt van die regel. Vooraleer hij een vrouw vraagt observeert hij hoe ze danst. De elegantie in haar bewegingen, de dynamiek van haar passen, de voor tango zo typische helling in haar houding. Zelden schudt een vrouw het hoofd wanneer hij haar met een hoofdknik in zijn armen uitnodigt. Hij weet natuurlijk wie hij met zo’n cabeceo kan vragen en wie niet. Pas wanneer een vrouw haar bovenlichaam in zijn richting draait en haar ogen oplichten wanneer hij haar aankijkt zal hij gedecideerd haar richting uitstappen.     Negen jaar geleden begon Arnault met dansen. Meteen was hij gegrepen door het sensuele van de tango, door hoe twee lichamen zich samen kunnen verliezen. Tango als een taal zonder woorden, een emotie die gedanst wordt. Wanneer hij een danspartner heeft die zich net als hij laat meevoeren op de cadans van de muziek, is het alsof ze in één vloeiende beweging loskomen. Dan dansen ze de melancholie, het verlangen en de eenzaamheid. De laatste tijd echter springen zijn gedachten tijdens het dansen als jonge vossen alle kanten op. De momenten dat hij nog een echte connectie voelt zijn zeldzaam geworden en de golf van welbehagen die ze vroeger opwekten is nu een kleine rimpeling in het water.   Een jonge gracieuze vrouw komt de zaal binnen. Haar vuurrode jurk, het golvende donkere haar, de elegantie waarmee ze loopt. Met haar zal hij dansen. Arnault capteert haar blik. Donker en intens, het doet hem huiveren. Die avond speelt Arnault het niet volgens het boekje. Meteen bij het begin van de volgende tanda stapt Arnault op de vrouw toe, hun ogen aan elkaar vastgeklonken. Wanneer hij vlak voor haar staat, verbreekt ze het oogcontact. Arnault verstijft.  Dan staat ze toch op.    ‘Aangenaam, ik ben Arnault,’ zegt hij.    ‘Lora,’ antwoordt ze en opent haar armen in de danshouding.    Voor Arnault begint tango met de omhelzing, de embrace. Sommige vrouwen drukken zich meteen tegen hem aan. Hen zal hij geen tweede keer vragen om te dansen. Andere vrouwen reageren subtiel op de positie van zijn armen en hellen langzaam naar voren tot ze daar zijn waar hij wil. Zoals het hoort. Tenslotte zijn er vrouwen die niet lijken te begrijpen dat tango om intimiteit draait. Ze houden houterig afstand en gaan niet in op zijn onuitgesproken vraag om hart tegen hart te dansen. Lora lijkt tot de laatste categorie te behoren. Doorheen de stof van haar jurk voelt hij hoe in haar ranke lijf elke spier gespannen staat. Ze beweegt als is ze bekleed met een dun laagje steen.       ‘Ontspan je,’ fluistert hij in haar oor. Hij kijkt naar de flonkerende oorbel in haar oor. Hij weet bijna zeker dat het om echte diamantjes gaat.      ‘Dat kan ik niet op commando,’ zegt ze verontschuldigend. Geconcentreerd tracht Arnault te achterhalen op welk been haar gewicht rust, hoe hij haar kan wenden in de bij andere vrouwen vaak zo verleidelijk uitgevoerde ocho’s. Haar lichaam ontmoet het zijne echter niet. Ze danst au contre-coeur, denkt hij.      Arnault kan niet nog meer regels overtreden. Hij heeft haar gevraagd zonder haar eerst te observeren, nu moet hij de rit uitzitten. Hij moet de vier nummers van de tanda met haar uitdansen. En dan, tijdens hun laatste dans lijkt Lora te ontdooien. Arnault voelt hoe ze haar hoofd tegen het zijne vlijt en met haar bovenlichaam contact zoekt. De eerste klanken van de cortina lijken haar op te schrikken, alsof ze zich losmaakt  uit een andere wereld.      ‘Het was toch niet te erg voor je om met me te dansen?’ vraagt ze. Haar blik op de grond gericht.     Arnault schudt zijn hoofd. ‘Het ging goed.’ Een leugen. Een flagrante leugen. Ze had de meeste van zijn signalen gemist en leek zich soms niet bewust van het ritme in de muziek. Enkel in die laatste dans lag een belofte verscholen.    Lora begint te ratelen. Dat ze net verhuisd is, dat ze in een kleuterschool werkt, dat ze nog niet zo lang danst. Arnault strijkt nerveus door zijn bruine halflange haar. In Buenos Aires verklaren ze je voor gek als je tijdens de cortina op de dansvloer blijft staan. Ze zijn in Antwerpen en ze staan aan de rand van de dansvloer, maar toch. Hij luistert naar haar en tegelijk niet. Hij wil van de vloer af, een nieuwe partner zoeken.     Een nieuw nummer wordt ingezet. Milonga, het speelse en snelle broertje van de klassieke tango.     ‘Op deze muziek kan ik niet dansen,’ zegt Lora en maakt aanstalten om van hem weg te stappen.     ‘Dat kan je wel.’ Arnault bijt op zijn tong. Je overhaalt een dame niet tot een dans. Je overtuigt haar niet. Je nodigt haar uit. Hij herpakt zich en opent langzaam zijn armen.     Deze keer voeren ze tussen de nummers van de tanda korte gesprekjes. Opmerkingen over de zaal, over de drukte op de dansvloer. Niets persoonlijk. Tot Loras handen naar Arnaults hals gaan en zich begraven in de opening van zijn witte hemd. Ze neemt de ring die daar aan een lederen touwtje hangt tussen haar vingers.     ‘Van een geliefde?’ vraagt Lora.     Arnault trekt het amulet uit haar handen en verbergt het opnieuw onder zijn hemd.     ‘Van vroeger,’ zegt hij. Van vroeger. Van Siri. Siri met wie hij ooit deel nam aan het wereldkampioenschap Argentijnse Tango.      Arnault wacht op de eerste noten van de cortina. Dan dankt hij Lora kort voor het dansen en gaat aan de bar staan. De rest van de avond verwent hij zichzelf door enkel de beste danseressen uit te nodigen. Soms voelt hij Loras groene ogen op zich rusten, maar hij vermijdt haar blik.        Vier dagen later. Tijdens zijn middagpauze zoekt Arnault het stadspark op. Alleen. Weg van deadlines, service level agreements en targets. Alleen al de benamingen verfoeit hij.      Op een bank nabij de speeltuin opent hij zijn brooddoos. Een kleurrijk geval met stickers van ridders en feeën. Een cadeautje van zijn petekind. Donkerbruine boterhammen met krabsalade. En dan ziet hij Lora. In een bloemenjurk, haar haren in een hoge staart die onafgebroken heen en weer zwiept. Voortdurend is ze in beweging. Ze helpt kinderen de glijbaan af, veegt mondjes proper, stopt een banaan in een uitgestoken hand, wijst een vechtersbaasje terecht. Hij verbaast zich over de naturel van haar motoriek.      Lora ziet hem, wuift en stapt op hem af met over haar schouder een lederen handtas. Zwierig en bevallig in die jurk. Een vluchtige kus op zijn wang en ze zit naast hem, haar lange benen over elkaar gekruist.      ‘Derde kleuterklas,’ zegt ze. Ze opent haar handtas en biedt hem een suikerwafel aan. Wanneer ze de verpakking open ritselt komt hem een vertrouwde geur tegemoet. Zijn moeder stak hem vroeger zulke wafels toe. De suiker korrelt tussen zijn tanden en zijn vingers worden vettig en plakkerig. Zwijgend zitten ze naast elkaar en kijken naar de spelende kleuters. Lora neemt een pak vochtige doekjes uit haar handtas en houdt het hem voor.       ‘De basisuitrusting van elke kleuterjuf,’ zegt ze.        Lora kijkt dromerig voor zich uit. Ze is mooi, denkt Arnault.        ‘Je lijkt moe,’ zegt Lora.        Arnault knikt. ‘Slapen lukt niet zo best  de laatste maanden.’        '’s Nachts komen de spoken,’ antwoordt Lora.        Arnaults blik valt op de zilveren ring die ze draagt.        ‘Van een geliefde?’ vraagt hij.        ‘Van mijn moeder. Ze stierf in het kraambed.’        Arnault kijkt naar zijn handen. Haar leven in ruil voor dat van haar moeder.        ‘Soms is er wel iemand. Ik denk niet dat hij van me houdt,’ zegt Lora zacht.        ‘En jij?’ vraagt Arnault.         Lora zwijgt. Haar vochtige ogen kijken hem lang aan.         ‘Ik heb van hem gehouden.’          Ik heb van je gehouden, dat zei Siri de nacht dat ze hem verliet. Ik heb van je gehouden.          ‘Vanavond is er een milonga in De Roma,’ zegt Arnault.           ‘Wil je nog eens met me dansen?’ vraagt Lora.            Arnault knikt.            ‘Goed, tot vanavond.’   Arnault loopt onrustig tussen de tafels aan de rand van de dansvloer. Hij draagt het amulet van Siri niet om zijn hals.  Het orkest speelt Pugliese. Toch vraagt hij niemand ten dans. Normaal gezien slaat hij amper een tanda over en  danst hij met vrouw na vrouw na vrouw. Hij test uit wat ze kunnen, wat ze samen kunnen. Een soort jacht.  Een zoektocht naar een nieuwe danspartner voor de wedstrijden. Qua fysieke vereisten voldoet Lora. Ze is rank en iets kleiner dan hij. Maar ze moet nog alles leren.     Nauwgezet houdt Arnault de portieken in de gaten waarlangs Lora zal binnenkomen. Dat moment wil hij niet missen. Hij wil kunnen lezen wat er met haar gebeurt wanneer ze hem ziet. Hij wil de eerste zijn die met haar danst.     Daar staat ze. De twinkeling in haar ogen wanneer ze hem opmerkt is waar hij op had gehoopt. Wat past ze prachtig in deze majestueuze zaal. Haar donkere lokken opgestoken in een wrong, lange parelmoeren oorbellen die haar hals accentueren, haar nauw aansluitende zwarte jurk.      ‘Zullen we dansen?’ vraagt ze meteen wanneer ze voor hem staat.      Arnault houdt niet van vrouwen die zelf uitnodigen.      Ze dansen. Minder stroef dan de vorige keer. Na het dansen drinken ze samen wijn aan een tafeltje. Lora’s blik glijdt over de kroonluchters en de prachtige wandschilderingen.       Een zestiger in strak pak vraagt haar ten dans. Arnault kijkt toe terwijl ze in de armen van een andere man de tango zoekt.       ‘Ze zal het nooit leren,’ hoort hij achter zich. Zijn vroegere dansleraar.        Arnault weet het. Arnault weet dat hij gelijk heeft.        ‘Denk je?’ vraagt hij toch.        ‘Ze hebben het of ze hebben het niet. Niet elke vrouw is tot overgave in staat.’         Neen, denkt Arnault. Ik ben niet meer tot overgave in staat. Hij staat op en verlaat de zaal.  

Ellen Van Pelt
45 0

Clown: Spelen of Zijn?

Papa later als ik groot ben wil ik Clown worden   Kind, ge zijt het al, de klojo van de bende, den humorist die humor zaait, de onhandige die anderen lachen laat.. Want als idioot loopt ge in ’t rond, ge speelt hem al de clown   Papa, ik wil niet de joker van het spel zijn, niet de harlekijn aan touwtjes, niet de aansteller in de groep, niet de nar die naar iemands pijpen danst, niet de komiek die grappig doet. Neen, ik wil clown zijn.   Kind, Ge speelt al voor dwaas, ge hangt den paljas uit ge gedraagt u als kluns. Als grappenmaker zijt ge geboren, en Boertig boert ge voort. Maar zo kunt ge uw brood niet verdienen.   papa, ik wil niet den pierrot, den zot, den knoeier of onnozelaar zijn, niet den komediant, den pipo of kwibus van ’t dorp. Niet de grimassenmaker of pias die het publiek amuseert. Niet den dommerik, het leeghoofd of stukske onbenul, niet de cabaretier met zijn sketches en muziek. Neen, ik wil clown zijn.   Kind, hoe wil je dat doen? Humor brengen, de mensheid laten schateren van vrolijkheid, hen vermaken en entertainen. Wil je met slapstick hen uitbundig opvrolijken, hen amuseren met je act de presence? Clownesk door de straten lopen? Of wat? Papa, ik wil een waar artiest zijn, een echte clown. Clown zijn dat speelt ge niet, dat zijt ge in al uw vezels. Een clown is de persoon die zonder woorden, zonder zelf te lachen de verdrietjes van de mensen wegneemt en vervangt door een glimlach. Die in stilte de pijn verzacht. De clown werkt met zijn hart.   Papa, nu ik groter ben en het eindelijk kan verwoorden. Ik wil nog steeds clown worden. Een contactclown bij dementerenden, andersvaliden of een cliniclown bij zieken. Ik droom dat ik het contact ben tussen de mens en zijn innerlijk. Een clown die verwondering zaait en bewondering oost. Papa begrijp me!

don Caëlia
0 0

Pauv' bête

‘t Begon allemaal met een meute kiekens die een collega zich had aangeschaft. Daartoe had hij eerst een deel van z’n tuin afgebakend en een luxueuze stal gebouwd met legbakken, voedertorens, een haan en klassieke muziek en dat soort dingen. Met andere woorden: Michel's kiekens kwamen niets tekort. En toch bleven die rotbeesten niet binnen hun omheining. En toch trokken sommigen eropuit daar ’t gras nog altijd groener bleek aan de andere kant van de draad. En de wormen wellicht vetter, weetikveel. Michel is echter ook een klein beetje jager. Hij heeft dus honden. Getrainde Engelse setters ‘pourre la bécasseu!’, meerbepaald. Ik ga z’n commentaar fonetisch schrijven want ’t is het mooiste stukje ‘Sètois’ dat ik ooit heb gehoord. ‘k Schrijf de vertaling er wel achter. 'Tu vois ce chieng? Hierre ce coujong m’a attrapeeh unne poulle qui s’était échappeeh! Il l’a plumeeh vivànte, tu te rang compte? Ce batard l'a coingceeh avecce sa patte gauche surre l’aile gauche et sa patte droite sur l’aille droite! Ang suite il l’a arracheeh touttes ses plummes ce pauv’ bête ! J'éteeh obligeeh de la tueeh, cette espesse d'abrutie!' 'Zie je die hond? Die klootzak heeft gisteren een kip gevangen die was ontsnapt! Hij heeft ze levend geplukt, stel je voor! Die bastaard zette eerst z'n linkerpoot op haar linkervleugel en z'n rechterpoot op haar rechtervleugel! Vervolgens heeft hij al haar pluimen uitgetrokken, dat arme beest! Ik moest haar wel doden, de verdomde klootzak!' Michel houdt zielsveel van z'n kiekens. En Snoopy mag dan wel een uitmuntende kippenplukker zijn - als jachthond is hij naar verluidt geen rotte cent waard. Zelden zo m'n lippen moeten verbijten. Arme Michel. En arme kip. En Snoopy? Die lag gelukzalig in 't zonnetje, een bruin veertje nog in z'n bek.

v. lammerenwerper
3 0

Stupid Cancer

Ze liep de gang met de witte muren door met haar hoofd naar de grijsblauwe tegels gericht. Haar felrode schoenen vielen op tegen de donkere kleur van de tegels maar ze besteedde er geen aandacht aan. Ze keek voorbij die rode schoenen op die grijsblauwe tegels. Wat ze voor zich zag was een vrolijke jongen met twinkelende bruine ogen. Ze wilde de kamerdeuren niet zien. Ze wilde de zieke kinderen die in de bedden achter de matte glazen lagen niet zien. Eigenlijk wou ze zich het liefst van al omdraaien en weglopen, richting de lift en uiteindelijk de buitenlucht. Maar dat kon ze niet. Haar voeten eindigden voor de deur met het nummer 332. Langzaam liet ze haar blik omhoog glijden tot ze de zwarte cijfers voor haar zag. Even haalde ze diep adem voor ze haar vingers rond de klink krulde en de deur openduwde. Het geluid van de verschillende machines drong haar oren binnen. Luide piepjes van een machine die probeerden de vrolijke jongen die net nog in haar gedachten was verschenen in leven te houden. Een infuus hing aan een kapstok, de vloeistof druppelde naar beneden met een constante snelheid, gleed zijn arm binnen en gaf zijn lichaam wat meer kracht om te vechten tegen de kankercellen die zich in zijn lichaam hadden verspreid. Maar ze zouden hem niet genezen. Het zou enkel zijn leven verlengen. “We geven hem maximum nog twee maanden,” zei de dokter voorzichtig, met zijn blik op het dossier voor zich gericht. Hij durfde de familie van de patiënt niet aan te kijken. Het brengen van slecht nieuws was een van de dingen die hij hartgrondig haatte aan zijn job. Langzaam keek hij omhoog, zijn grijze ogen vol medelijden. Hij zag hoe het meisje wezenloos voor zich uitstaarde terwijl ze probeerde te bevatten wat zijn woorden betekenden. Hij had het al zo vaak gezien. Hij wendde zijn ogen weer af en prutste ongemakkelijk met zijn pen. Niet goed wetend wat hij kon zeggen. “En een longtransplantatie?” vroeg ze fluisterend, haar stem balanceerde op het breekpunt. Ze richtte haar ogen op de donkere kijkers van de dokter, haar ogen vol glanzende hoop. “Er zijn uitzaaiingen, een transplantatie zou niets uithalen,” zei hij zacht toen het een paar tellen stil was geweest. Het meisje schoof haar stoel bruusk naar achter en stond op terwijl ze probeerde te vechten tegen haar tranen. De groene deuren flitsten langs haar voorbij terwijl ze door de gang liep, voorbij de liften, ze wilde geen halt houden, ze wilde enkel weg uit dit gebouw, weg van het slechte nieuws. Ze trok de deur naar de trappenhal open en liep zo snel ze kon de stenen treden af naar de inkomhal. Haar handen duwden de dubbele toegangsdeuren open en een frisse wind sloeg haar onmiddellijk in het gezicht. Ze sloot even haar ogen en liet de wind haar tranen drogen. Haar broer zou maximum nog twee maanden leven. Twee maanden. Acht weken. Eenenzestig dagen. Ze bleef rennen, haar voeten brachten haar haast automatisch naar het parkje waar ze zo vaak hadden gezeten. Ze liet zich neerzakken op het houten bankje waar ze zo vaak op waren neergeploft. Tranen welden op uit haar ooghoeken en vielen neer op haar groene broek. De watervlek werd opgezogen door de stof en spreidde zich uit tot een ronde natte plek, die meteen groter werd toen er weer een druppel op neerviel. De verschillende woorden die in het hout waren gekerfd verdwenen achter haar rug. Het waren zo van die typische tekstjes die verliefde pubers er altijd in krasten als ze tot over hun oren verliefd waren. J ♥ L en zo van die dingen. Een lichte glimlach gleed om haar lippen toen ze aan die tekstjes dacht. Hoeveel verhalen hadden zij en haar broer er niet rond verzonnen? Die gaan trouwen. Die gaat eerst een kindje krijgen op haar zestiende en dan gedumpt worden. Die gaan nog lang samen zijn. Die gaat bedrogen worden. Het was zo’n spelletje waarbij ze even hun eigen problemen konden vergeten en zich konden verliezen in een verhaal dat niet van hen was. Ze zuchtte eventjes lichtjes terwijl ze bedacht dat haar ouders voor de eerste keer in maanden niet tegen elkaar waren beginnen schreeuwen, daar in het kantoortje van de dokter toen hij hun het slechte nieuws meldde. Haar vader had voor het eerst in een zeer lange tijd zijn arm rond de schouder van haar moeder geslagen en haar tegen zich aangedrukt. Een baken van troost vormend voor de vrouw waar hij eens zoveel van hield. Langzaam liep Alexia op het bed af waar haar broer in neerlag. Zijn borstkas ging zachtjes op en neer, zijn ademhaling was zwak maar zijn ogen waren alert en volgden elke beweging die zijn zus maakte tot ze neerzakte op de houten stoel naast zijn bed. “Hej Milan,” zei ze zacht terwijl ze haar hand uitstrekte en zijn hand in de hare nam. “Hej Alex,” antwoorde hij zwakjes. Zijn stem klonk schor. “Moet je wat water hebben?” Hij knikte. Alexia nam het waterflesje dat op zijn nachtkastje stond in haar hand en schroefde de dop eraf. Toen boog ze zich over haar broer heen en bracht de opening naar zijn mond. Met trage slokken dronk hij van de vloeistof die zijn keel meteen verzachtte. Hij liet zijn hoofd weer in zijn kussen zakken en sloot zijn ogen eventjes. “Bedankt,” zei hij toen. Alexia schroefde de dop weer op het flesje en plaatste het weer op de gladde ondergrond van het nachtkastje. Haar broer stak zijn hand naar haar uit en ze nam hem tussen haar handen voor ze weer ging neerzitten op de harde stoel. Haar ogen vielen op de fauteuil aan het raam en even twijfelde ze of ze hem niet zou vervangen met de houten stoel waar ze nu op zat om het haarzelf wat comfortabeler te maken maar die twijfel verdween meteen weer toen haar blik op de ogen van haar broer viel. Ze kon hem nu niet loslaten. “Het leven is zo fucking klote,” gromde hij. “Ik weet het,” antwoordde ze zacht. “Ik was echt een dwaas om drie jaar geleden te denken dat ik dit wel zou overleven.” Alexia slikte even. Ze wilde er niet over nadenken. Ze wilde dat haar broer zijn mond hield. Maar ze kon het niet over haar hart krijgen om hem tegen te houden. Het was duidelijk dat hij behoefte had aan iemand die naar zijn frustraties luisterde. “Met al die nieuwe technieken. Je zou denken dat ze die stomme kanker op een of andere manier wel zouden kunnen genezen.” Hij lachte schamper. “Ik was zelfs zo naïef om te denken dat ze me wel een nieuwe long zouden geven moest die van mij me uiteindelijk helemaal in de steek laten.” “Ze konden het niet doen Milan, het zit overal.” “Nu wel.” Het bleef een tijdje stil terwijl ze elk in hun eigen gedachten verzonken waren. “Hoe gaat het met mam en pap?” Alexia zuchtte. “Goed denk ik, ze houden zich sterk, ze hebben geen ruzie meer gemaakt sinds de uitspraak van de dokter. Ik denk dat ze eindelijk beseffen dat ze nog steeds van elkaar houden en dat er meer is in de wereld dan ruzie en onnozele discussies.” “Niet moeilijk als hun zoon op sterven ligt.” Alexia kromp ineen. “Zeg dat niet,” fluisterde ze. Haar broer keek haar met betraande ogen aan. “Ik wil niet doodgaan,” snikte hij terwijl hij zich vastklampte aan de arm van zijn zus. Een mengeling van gevoelens steeg op bij het meisje. Ongemakkelijkheid, verdriet, angst, medelijden. “Ssssht,” zei ze zacht terwijl ze met haar duim over zijn hand streek. Ze wou zeggen ‘het komt allemaal wel goed’ maar dat kon ze niet. De woorden bleven steken in haar keel. Ze kon de leugen gewoonweg niet over haar lippen krijgen. “En dan te denken dat ik mijn laatste twee weken in een stom ziekenhuisbed moet doorbrengen.” “Ik smokkel je wel eens naar buiten, als is dat het laatste wat ik doe,” zei Alexia. Ze richtte haar ogen op die van haar broer en die wist dat ze elk woord meende. “Hoe ga je dat voor elkaar krijgen?” “Ik neem wel een rolstoel van op de gang, ’s avonds zijn er sowieso minder verpleegkundigen en dokters aanwezig. Ik smokkel je wel naar buiten als ze pauze nemen.” “En hoe wil je hier tot de avond blijven? Je weet toch dat het bezoekuur straks afgelopen is?” Er klonk al wat meer levensenergie door in zijn stem terwijl hij zich vastklampte aan het sprankje hoop dat hij nog eens de buitenlucht zou kunnen voelen op zijn klamme gezicht. Alexia’s hart begon sneller te kloppen terwijl het plan steeds meer vorm kreeg in haar hoofd. Toen ze de hoopvolle blik in de ogen van haar broer zag wist ze dat ze koste wat het kost moest zorgen dat het haar zou lukken. “Ik ga straks even naar buiten zodat de mevrouw aan de balie zeker ziet dat ik weg ben, er komt sowieso nog een verpleegster bij je langs om alles te controleren voor ze een pauze nemen, stuur me een sms als hun pauze start. Ik glip terug het gebouw binnen zodra de vrouw achter de balie achter een koffietje ofzo is. De rest lijkt me logisch. Ik neem een rolstoel vanop de gang, help je erin en duw je naar de lift. We kunnen via de nooddeur naar buiten gaan en die open houden zodat we niet via de hoofdingang moeten.” “Staat er geen alarm op die nooddeuren?” “Ik hoop van niet.” Haar broer keek haar even weifelend aan. “Kunnen we het niet beter vragen aan een verpleegster straks voor je voor niets al die moeite doet?” Alexia moest lachen. “Soms ben ik echt dom.” Milan moest ook lachen. “Als je dat maar weet,” antwoordde hij wat een stomp tegen zijn schouder opleverde. “Au,” pruilde hij. Alexia rolde met haar ogen. “Klein kind.” Enkele minuten later klonk er een klop op de deur. “Kom maar binnen!” riep Milan. De deur werd geopend en een verpleegster kwam binnen, gehuld in de typische witte broek en T-shirt. Ze hield een blauw klembord tegen haar borst gedrukt. “He Milan, ik kom je infuus eens nakijken.” “Waarom doe je dat eigenlijk nog als je toch weet dat het binnen twee weken gedaan is?” “Als ik dat infuus er nu zou uithalen zou het nu meteen al gedaan zijn met je.” Milan hield wijselijk zijn mond. “Mevrouw?” De verpleegster leek Alexia nu pas op te merken. “Ja meisje?” “Is er een mogelijkheid dat ik Milan even mee naar buiten kan nemen voor een wandeling, hij is zijn kamer een beetje beu gezien.” “Normaal gezien is het het beste dat hij gewoon plat op het bed blijft liggen,” begon ze. “Maar ik denk dat we wel eens een uitzondering kunnen maken,” vervolgde ze toen ze de hoopvolle blikken in de ogen van de pubers zag. Milans glimlach kon niet breder zijn. “Maar ik denk dat we best eventjes wachten tot de pauze anders gaat de hoofdverpleegkundige ons misschien meteen weer naar de kamer sturen. Ik zal hen wel zeggen dat ik nog eventjes naar het toilet was ofzo.” De verpleegster noteerde een paar dingen op het witte blad dat op haar blauwe klembord geklemd zat en keek toen via het matte glas de gang op. “De pauze is begonnen,” zei ze zacht terwijl ze een verpleger volgde die door de gang richting het vergaderzaaltje liep op het einde van de gang. Alexia wandelde de gang op en probeerde zo min mogelijk geluid te maken terwijl ze haar handen rond de handvaten van een rolstoel klemde en hem richting de kamer van Milan rolde. Ze plaatste de rolstoel naast zijn bed en de verpleegster hielp Milan in de rolstoel te gaan zitten. Alexia nam de handvaten vast en terwijl de verpleegster de kapstok waar het infuus aanhing vooruit rolde gingen ze op weg. Een luide ping kondigde aan dat de lift was gearriveerd en Alexia keek even angstig om in de richting waarin ze de verpleger enkele minuten geleden hadden zien verdwijnen maar blijkbaar had niemand het gehoord. Een zacht zoemend geluid vulde de lift terwijl hij langzaam neerdaalde richting de begane grond. De verpleegster knikte de receptioniste vrolijk toe voor ze de draaideuren inliep die naar buiten leidden. Milan haalde diep adem en sloot genietend zijn ogen toen hij het koele avondbriesje over zijn gezicht voelde glijden. De geur van regen drong zijn neusgaten binnen en zachte druppeltjes landden op zijn bleke gelaat. Maar dat kon hem niets schelen, hij genoot van de koele druppels die op zijn klamme huid vielen. Alexia duwde de rolstoel langzaam vooruit terwijl ze om het gebouw heen liepen richting een klein grasveld aan de zijkant van het ziekenhuis. De takken van een eikenboom wiegden zachtjes in de wind en zijn bladeren ritselden. Milan nam het geluid van de krakende takken en de ritselende blaadjes genietend in zich op. Hij had nooit gedacht dat hij die simpele geluiden ooit zo hard had kunnen missen. “Ik moet ervandoor,” verbrak de verpleegster de gelukzalige stilte die tussen hen inhing. “Anders gaan ze zich afvragen waar ik blijf, blijf nog twee minuutjes en keer dan terug naar boven, voor de pauze om is.” Alexia knikte en de verpleegster ging er haastig vandoor. “Weet je wat ik nog mis?” vroeg Milan zacht. Alexia richtte haar ogen op haar broer. “Het geluid van vogels.” En alsof dat een magisch spreukwoord was klonk er plots een luide oehoe van een uil op. Alexia moest lachen. Milan werd aangestoken door het vrolijk geluid van de lach van zijn zus en lachte vrolijk mee. Even leek het alsof hij geen dodelijke ziekte had. Alsof ze allebei op het houten bankje zaten in het park terwijl ze niet probeerden te denken aan hun ruziënde ouders.

Quies
0 0

Schrappen uit het fotoboek

Het fotoboek was ontzettend dik, van de eerste tot de laatste bladzijde gemakkelijk een halve meter breed. Het lag op een eenvoudig, maar smaakvol ingericht houten tafeltje. Je kon zien dat het boek al meermaals was opengemaakt, vooral de hoeken zagen er bijzonder afgeleefd uit. Gelukkig was dit fotoboek door een echte vakman gemaakt, één die zijn stiel door en door kende. Dat zou wel eens de enige reden kunnen zijn waarom het boek nog niet uiteen was gevallen. De rustmomenten van het fotoboek waren schaars. Soms lag hij nog geen vijf minuten op het tafeltje, of hij werd weer gegrepen door de hand. Net als nu dus. Hij boek werd zorgvuldig bladzijde per bladzijde opengemaakt. Vol pasfoto's stonden ze, netjes voorzien van bijhorende namen. Hele pagina's vol foto's en namen, een indrukwekkende collectie voorwaar.   Plots stopte het omslaan, de hand bleef hangen boven één van de foto's. De man die het fotoboek las, nam een dun mesje en sneed de pasfoto proper uit het boek. Hij las de naam die op de foto stond: Herman van Wade. De respectabele Herman was rustig ingeslapen in het ziekenhuisbed, oud genoeg om eindelijk afscheid te nemen. Werd je achtennegentig, dan moest je wel gezegend zijn. De hand ging verder, sloeg wat pagina's om tot bij de foto van een jong meisje. Kaat Deweerdt, veertien jaar. Het arme kind was met haar fiets in het kanaal gesukkeld, op een plek waar ze blijkbaar vergeten waren hekken te plaatsen. Zachtjes zuchtend sneed de man de foto uit het boek, niemand hoorde zo jong te sterven, het hoorde gewoonweg niet.   Zo ging het nog een tijdje door, tot de man het hele fotoboek had doorgekeken. Hier en daar wat foto's uitgesneden, de naam gelezen, geschrapt uit het boek. Droevige gedachten speelden in zijn hoofd, gelukkig snel gerustgesteld door één enkele gedachte: ze hadden een beter leven nu. De hand sloot het boek, legde het terug op het tafeltje en zag dat het goed was. Dan was het dan weer voor vandaag, dacht God en verzette zijn gedachten. Vreemd toch, het schrappen uit het fotoboek was altijd een gebeuren dat zo droevig en tegelijk toch vol vreugd was.

BartDR
0 0

De legende van de cowboyhoed

Legendes zijn als spinnenwebben. Regelmatig worden nieuwe stukjes aangebreid en als een onderdeel verdwijnt, wordt het geheel al gauw aangevuld met vers materiaal. Soms kan een legende ongeziene vormen aannemen en hoe vaak je ook probeert een legende uit de wereld te helpen, ze keert telkens weer. Legenden sterven niet, ze leven eeuwig voort op de tongen van mensen. Zo ook de legende van de cowboyhoed.   In die tijd telde het dorp maar weinig bewoners. Iedereen kende iedereen en geruchten waren feiten. Een van hen was Tom de jager. Elke zaterdagochtend ging Tom op jacht en ving konijnen en zwijnen en was ontegensprekelijk de beste jager van het dorp. Op een dag kwam een nieuwsgierig jongetje uit de buurt, Woutje, hem een vraag stellen. 'Tom, hoe komt het dat je zo'n goede jager bent?' De man, zoals altijd gekleed in zijn bruine jachttenue, dacht even diep na. Toen wees hij naar zijn hoed. Het ding, al even bruin als de rest van zijn kleding, zag er versleten uit, de rafelige randen getuigden van een lange levensduur. 'Dit', zei hij, 'behoorde ooit toe aan een groot man, een cowboy. En dit, dit is een cowboyhoed. De cowboy was de beste schutter van zijn land. Hij kon een bewegende vlieg raken van twintig meter afstand. Hij kon dat, dankzij deze hoed. Steeds wanneer hij zijn cowboyhoed op had, miste hij nooit of te nimmer.' Woutje kon zijn oren niet geloven. Een cowboyhoed met magische krachten! Ongelofelijk! Die nacht kon hij moeilijk de slaap vatten. In zijn hoofd droeg hij Tom's hoed en versloeg al zijn vijanden met één welgemikt schot. Plots kreeg de jongen een idee. 's Nachts sliep Tom vast en zeker, misschien had hij de hoed dan niet op. Sluipend over straat glipte Woutje het huis van de jager binnen. Zoals hij had gehoopt sliep Tom zonder het hoofddeksel, dat nu onbeschermd op een klerenkoffer lag. Woutje nam de hoed vast en zette hem op zijn hoofd. Triomfantelijk sloop hij terug naar buiten en liep het bos in.   Op zijn hoofd een cowboyhoed en in zijn hand een slinger, steentjes in zijn zakken. Woutje zou vandaag een beer vangen! Wild in het rond stappend, maakte hij echter veel lawaai. Dat trok de aandacht van een zwijn, dat zich in gevaar achtte. Luid brullend richtte hij zich op Woutje. Die nam een steen en slingerde hem doelbewust naar het oog van het beest, raakte hem recht in het doel. Halfverblind en vol razernij stormde het zwijn naar de jongen, die aan de grond genageld leek. Het beest was niet dood, hoe kon dat? Dan verscheen Tom plots met pijl en boog. Bliksemsnel nam de jager een pijl, spande zijn boog en schoot op het zwijn. Maar hij miste. Het beest wierp zich bloeddorstig op de arme jongen, die op slag dood was. Tom tastte naar de cowboyhoed en voelde een hevige tinteling doorheen zijn hele lichaam. Toen hij hem opzette, werden Toms ogen groot. Hoewel het donker was, zag hij in zijn linkerooghoek duidelijk een vlieg, zo helder alsof het dag was. Hij nam één van Woutjes stenen en wierp die recht op de vlieg. Maar… die legende had hij verzonnen. Dit kon niet… waar zijn. Of toch?

BartDR
25 0

Felidi: hoofdstuk 3

Rustig blijven, rustig blijven. Dacht Thijs in zichzelf. Het is toch niet zo moeilijk? Even snel een meisje ontvoeren. Wat klets ik nou! Oké, nu is het moment. Thijs sprong op en hield zijn hand voor het meisje. “Wees stil en volg mij!” probeerde Thijs nog te zeggen. Alleen had het meisje wat sterke tanden. Ze probeerde te vluchten. Zijn hart sloeg een slag over. Mijn zweep! Hij nam zijn zweep en probeerde zo goed mogelijk te richten. Hij hield meer van dolken. Daar kon hij beter mee richten. Met zijn zweep was hij altijd slecht geweest. Het lange touw wikkelde zich rond het meisje haar voeten. Een blauw licht verlichte heel de gang. Dit kon nooit goed zijn. De transformatie was al bijna begonnen! Er was iets vreemd aan het meisje. Ze was op de één of andere manier speciaal. Meestal kreeg je de transformatie na de aanraking van de diamant. Maar nu was die al bezig. Hij zag dat ze bewusteloos was gevallen. Nog even en ze kreeg haar tijgervorm. Hij moest snel zijn en de dokter raadplegen. Tijd om terug naar de basis te gaan. Lieze probeerde haar ogen te beschermen tegen het licht. Ze wreef in haar ogen en probeerde recht te kruipen. Haar gevoel in haar handen en benen kwam terug. Behalve in haar linkervoet. Ze probeerde hem te bewegen maar ze voelde alleen pijn. Rond haar stonden overal lege ziekenbedden. De lakens lagen perfect geplooid en leken nooit aangeraakt. Naast haar stond een nachtkastje. Roze bloemen fleurde de boel wat op maar veel hielp het niet. Een glas water stond klaar voor als ze dorst zou hebben. Maar het enige waar ze aan dacht was ontsnappen. Ze zocht naar open ramen maar voor elk raam stonden tralies. Met een zucht liet ze zich terug op haar kussen vallen. Ze voelde zich machteloos. Een tweede ontsnappingspoging ging nooit lukken. En bovendien was haar voet waarschijnlijk gebroken. Ze voelde een traan over haar wang lopen. Ze miste Tina, Thomas en zelfs Hannes. Als er maar iemand was die ze kende. Die haar kon komen redden. Tot haar verbazing werd haar oproep beantwoord. Op de gang hoorde ze voetstappen. Ze begon te panikeren. Wat als ze haar echt wilden gaan vermoorden of experimenten op haar gingen uitvoeren? Ze mocht er niet aan denken. Ze sloot haar ogen en deed alsof ze sliep. Het enige wat ze nog hoorde was een piepende deur die open ging. 'Wees stil, ze slaapt nog.' hoorde ze een oude mannenstem zeggen. 'Wacht eens even? Je had nooit gezegd dat het Lieze was?' hoorde ze een bekende stem zeggen. 'Ja, Lieze Ceulemans. Leerling van de Sint-Jonathan school en dochter van Erik Ceulemans en Sarah Van Den Dries.' Ze herkende de namen van haar ouders. Wat wilde zo graag dat haar moeder of haar vader bij haar was. Haar moeder was zes jaar geleden overleden bij een auto-ongeluk. Ze wachtte aan de spoorweg maar de trein kwam maar niet. Ze moest dringend naar een vergadering en haar geduld raakte op. Ze stak over net wanneer de trein kwam. Lieze herinnerde nog hoe ze bij het lege, uitgegraven gat in de aarde stond. De witte doodskist glanzend in de zon. Ze zag hoe de kist in de kuil werd gedragen en zijn glans verloor. Elke maand ging ze wel eens een kijkje nemen. Samen met haar vader. Nu ging dat niet meer. Haar vader moest vaak op zakenreis. Daarom dat ze met wat vrienden ging alleen wonen. Zo kon haar vader gerust zijn en was ze niet altijd alleen. 'Ik denk dat ze wakker word.' zei de jonge stem. 'Ze zal wel honger hebben na wat er allemaal gebeurd was.' antwoordde de oude stem. 'Ik maak later wel een broodje.' 'Thijs had haar nooit mogen ontvoeren. Zeker niet tijdens haar onverwachte transformatie. Gelukkig dat we haar ketting hadden meegegeven. Spijtig dat hij brak midden op de weg. Heb je iedereen zijn geheugen al gewist?' 'Ja, behalve van Tina. Het roodharige meisje. Die is spoorloos verdwenen. Als we haar niet op tijd te pakken krijgen komen we in de problemen.' Lieze hoorde hoe de oude man de zaal uit liep. In welke situatie was ze toch beland? Niets had daar toch aanleiding toegegeven? Ze probeerde haar ogen lichtjes open te doen. Voor haar stond een jongen met bruine haren. Zijn groene ogen herkende ze meteen. 'Thomas? Wat doe jij hier?' mompelde ze. Thomas zijn mondhoeken gingen omhoog. 'Waarom ben ik hier?' 'Een auto had je aangereden. Maar je bent veilig nu. Welkom in Felidi.' Felidi. Het weergalmde door haar hoofd. Het woord bleef zich duizend keer herhalen. Felidi. Ze herinnerde het zich nog goed. Thijs die het vreemde woord fluisterde in de dokter zijn oor. De diamant die glinsterde in het licht. Maar het kon haar niets schelen. Thomas had haar verraden. Hij had haar opgesloten hier. Hij deed niet eens de moeite om haar te helpen. Hij hield al zijn hele leven een geheim vast. Hij wist dat het ooit aan Lieze was maar dat vertelde hij haar niet. Hij wist alles van Felidi maar niemand wist het. Ze voelde zich verontwaardigd. Ze voelde de pijn in haar hart. Ze voelde hoe ze vervreemd was van hem in enkele seconden. Ze voelde hoe een gebroken hart voelde. Het was kapotgeslagen met een hamer in duizenden kleine stukjes. 'Waarom ben je gevlucht?' vroeg hij koeltjes precies of het dagelijks gebeurde. 'Omdat jullie me steeds ontvoeren.' antwoordde Lieze bot. 'Lieze, luister goed naar mij. Je hebt een gave. Een cadeau. Je bent een halftijger. Net zoals ik. Je bent uniek. Je medeagent heeft je nodig. Wie het moge zijn, maar de wereld heeft je nodig.' Zijn woorden botsten hard tegen de hare. 'Geef Felidi een kans. Bovendien moet je voorlopig verplicht hier blijven. Want de ketting rond je nek is gebroken. Dus kan je ieder moment transformeren.' Haar mond viel open. De manier waarop hij deed alsof het niets was deed haar pijn. De manier waarop hij alles goed leek te praten verbaasde haar. 'Ik heb krukken meegebracht.' zei hij en haalde een paar krukken achter zijn rug tevoorschijn. Lieze kroop uit haar bed en nam de krukken vast. 'Zal ik je rondleiden?' stelde hij voor. Maar Lieze weigerde iets te zeggen. Ze wist dat ze niets anders kon dan volgen. Op haar krukken huppelde ze Thomas achterna. De kamer mondde uit op een lange gang met veel deuren. Thomas sloeg naar links af. Lieze volgde alsof ze vastgeketend zat met handboeien. Misschien als ze vriendelijk deed kon ze ontsnappen. Als ze haar vertrouwden tenminste. Thomas opende een grote deur die was beschilderd met tijgers en draken. Ze leken te vechten met elkaar. In het midden stond een meisje. Met wapperende haren. Boven haar stond een glimmende sleutel geschilderd. Daarboven stond een vrouw met een beschilderd gezicht. Op haar gezicht was een tijger geschminkt. Ze droeg een witte dunne mantel. Lieze wandelde door de deur en tot haar verbazing liepen overal tijgers. Op hun ruggen zaten hier en daar mensen met zwarte kledij. Ze leken net op spionnen. Het deed haar denken aan Thijs. Grote schermen hingen in de lucht en riepen namen af. Overal stonden tafels en stoelen. Het leek net op een café. 'Welkom in het hart van Felidi.' zet Thomas trots. 'Vertel me nu wat het is?' vroeg Lieze nieuwsgierig. 'Het is een agentschap van agenten en halftijgers. Elke persoon heeft een partner. Samen vechten we tegen de vijand. Daar kan ik je voorlopig niets over vertellen. Iedereen heeft hier zijn eigen kamer. Jij ook. Je zal nu een opleiding volgen. Later krijg je waarschijnlijk missies. Maar nu is het daar te vroeg voor.' 'Waarom mag ik niet alles weten?' 'Omdat we je nog niet vertrouwen.' Lieze voelde zich teleurgesteld. Wacht eens even? Haar rode en blauwe boek. Ze wreef met haar hand over haar buik. Ze voelde de harde kaft van de boeken. 'Is er iets?' Vroeg Thomas. 'Nee, ik voelde een steek in mijn zij.' antwoordde ze. Iets zei haar dat dit nog niet zo snel voorbij ging zijn.

Lentinaxxx
0 0

Proloog

Zaterdag 07 juli   ‘Je kunt gaan,’ zegt Gary terwijl hij Jonas’ spullen overhandigt. ‘Je hebt behoorlijk wat indruk gemaakt met je goede gedrag’. Jonas knikt en geeft zijn begeleider een hand. ‘Hopelijk tot nooit meer,’ grijnst hij. ‘Ik hoop het ook,’ antwoordt Gary met een scheve lach. ‘Het ga je goed’. Jonas glimlacht als hij zijn spullen bijeenpakt en zijn kamer uitloopt. Als een vorst loopt hij de gang door. De donkere en grauwe gang staat scherp in contrast met zijn humeur. Wanneer hij buiten zijn vrijheid tegemoet loopt, wordt hij door de zon verblind. Hij houdt zijn hand als een scherm boven zijn ogen. Zijn ouders wachten hem aan de auto al op.   Door de autoruit staart hij naar buiten. Allerlei zonnekloppers vullen de straat. Ze gaan als een waas aan hem voorbij. Welke dag is het vandaag? 6 juli? Nee, 7 juli. Het is al zomervakantie. Wat is de tijd toch gevlogen, denkt Jonas. Gisteren was het één jaar geleden dat… Hij zucht. Nog elke dag denkt hij aan haar. Ze rijden een AD Delhaize voorbij, waardoor er een glimlach om zijn lippen krult. Enkele mooie herinneringen komen bovendrijven… Pap parkeert de auto en neemt Jonas’ bagage uit de koffer. ‘Ga jij maar alvast naar binnen, je wordt verwacht,’ zegt pap terwijl hij geheimzinnig glimlacht. Jonas’ hart springt op. Zou ze…? Hij spurt het flatgebouw in en rent de trappen op door twee, drie treden tegelijk te nemen. De voordeur staat open. Hij stormt de woonkamer in en… ‘Verrassing!’ roepen Simon en zijn klein zusje Lydia in koor. Hoewel Jonas een beetje ontgoocheld is, is hij toch heel blij om hen weer te zien. ‘Jullie hier?’ vraagt hij verbaasd. Simon omhelst hem en klopt vriendschappelijk op de rug. ‘Hoe gaat het met je, maat?’ Jonas’ mond verstrakt even. ‘Au, niet te hard. Mijn ribben doen nog pijn.’ Pijnlijk maakt Jonas zich los en tast hij over zijn ribbenkast. Verontschuldigend glimlacht hij naar zijn beste vriend. Simons gezicht staat echter bezorgd. ‘Hoe gaat het met je?’ herhaalt Simon voorzichtig zijn vraag, al kan hij niet verbergen dat zijn ogen naar Jonas’ blauwe wang afdwalen. ‘Goed, natuurlijk! Ik ben vrij!’ probeert Jonas zich te herpakken. Pas nu beseft hij dat hij weer kan gaan en staan waar hij wil. ‘Geweldig, niet? Het eerste wat ik deed, was mijn zusje van school ophalen. Ik heb haar naar het strand meegenomen. De hele dag heb ik in de zon liggen bakken terwijl Lydia zandtaartjes maakte.’ ‘Ik dacht dat je niet van zonnen hield?’ merkt Jonas met fronsende wenkbrauwen op. ‘Nee, maar na acht maanden daar te zitten was ik echt een spook. Jij kunt trouwens ook wel een gezonder kleurtje gebruiken.’ ‘Ik weet het, ik weet het.’ ‘Jonas…’ mompelt Lydia terwijl ze aan Jonas’ mouw trekt. Jonas kijkt naar beneden en pakt haar op. Lydia slaat meteen haar mollige armpjes rond Jonas’ nek en geeft hem een kus op zijn wang. ‘En hoe gaat het met Lydie?’ vraagt Jonas. ‘Ik heet Lydia!’ ‘Ik noem je liever Lydie. Mag ik dat? Omdat ik het ben?’ Het kleine meisje denkt even na met haar rechterwijsvingertje in haar mond. ‘Oké dan,’ geeft ze toe. ‘Hoe is nu met je?’ ‘Goed.’ Jonas drukt een kusje op haar voorhoofd en zet haar weer neer. ‘Ik heb je echt gemist, hoor,’ richt Jonas zich weer tot Simon. ‘Die twee laatste maanden waren echt de hel.’ Simon lacht niet. ‘Was het dan zo erg?’ Zwijgend stroopt Jonas zijn mouwen op, waardoor zijn bont en blauwe geslagen armen ontbloot worden. ‘En de rest van mijn lichaam ziet er ook zo uit,’ mompelt Jonas. Simons gezicht staat vol afgrijzen. Met afschuw bekijkt Simon de blauwe plekken beter. ‘De lafaards. Als je alleen bent, durven ze wel.’ ‘Ja, met jou in de buurt durfden ze niet veel doen… Maar ja, Svens vrienden staan nu niet echt bekend voor hun dapperheid… En ik kreeg ook geen nieuwe kamergenoot.’ ‘Nee…’ Zuchtend doet Jonas zijn mouwen weer naar beneden. ‘Ik denk dat ik dat nog het ergste vond. Ik miste onze gesprekken.’ Simon glimlacht gevleid. ‘Ach, je hebt het overleefd.’ Het valt even stil. Aarzelend kijkt Simon Jonas aan. ‘Kun je al wat beter slapen?’ Jonas grimast. ‘Wat denk je zelf?’ Voordat er meer gezegd kan worden, komen ook mam en pap binnen. ‘Ha, zijn onze beste vrienden weer herenigd?’ vraagt mam. Jonas grijnst krampachtig. Pap dropt Jonas’ spullen op de tafel. ‘Omdat je eindelijk vrij bent, gaan we vanavond uit eten.’ ‘Oh, cool. Waar?’ ‘De Moustache, dat restaurant in de buurt van de dijk.’ ‘Ah, daar.’ Jonas kijkt even radeloos rond. Ondanks zijn zopas herwonnen vrijheid, voelt hij zich een beetje verloren. Hij bijt op zijn lip, een tic die hij al jaren heeft en die meestal opduikt als hij zich niet op zijn gemak voelt. ‘Wil je even alleen zijn met Simon?’ vraagt mam bezorgd. Jonas krabt in zijn haar terwijl hij knikt. ‘We kunnen anders naar het strand gaan. Even uitwaaien?’ Hij kijkt Simon aan. Die haalt zijn schouders op. ‘Mij best.’ ‘Oh! Mag ik mee?’ vraagt Lydia enthousiast. ‘Natuurlijk.’ Jonas neemt haar hand vast. ‘Om hoe laat zijn jullie terug? We hebben om half zeven gereserveerd,’ zegt mam nog snel. ‘Dan zijn we wel terug,’ belooft Jonas.   De buitenlucht doet goed. Jonas voelt zich weer heropleven. Hij heeft de kust net zo erg als haar gemist. ‘Dat ik dit ooit allemaal wilde opgeven…’ mompelt hij, verbaasd over zijn eigen domheid. In zijn stem is spijt duidelijk hoorbaar. Jamies gezicht komt op zijn netvlies tevoorschijn. Wat mist hij haar. Ze wandelen de dijk af en slenteren zwijgend over het strand, waar het heel druk is. Het mooie weer heeft honderden zonnekloppers naar het strand gelokt. Simon en Jonas geven Lydia elk een hand om haar niet kwijt te raken. Bij een hutje waar blauwe, groene, rode en gele vissen en in krullerige letters “De Groot” staan geschilderd, houdt Jonas halt. ‘Hier heb ik haar voor het eerst ontmoet,’ vertelt hij. Simon knikt. ‘Misschien zie ik haar nooit meer terug…’ zucht Jonas. ‘Wie ziet Jonas niet meer terug?’ vraagt Lydia nieuwsgierig. ‘Jonas’ vriendin,’ antwoordt Simon. Lydia kijkt verbaasd naar haar grote broer. ‘Ik ben toch Jonas’ vriendin? Wij zouden toch trouwen?’ Simon schiet in de lach. ‘Nee, gekkerd. Jij bent veel te jong voor Jonas.’ Hij drukt Lydia tegen zich aan. ‘Ik wil met Jonas trouwen,’ zeurt ze. ‘Maar jij hebt toch een kameraadje? Bart, niet?’ ‘Maar Bart…’ Lydia wil nog iets zeggen, maar ze weet niet hoe ze haar zin moet afmaken, dus ploft ze maar in het zand neer. Jonas glimlacht. Hij gaat naast haar zitten en slaat zijn arm rond Lydia’s schouders. Met haar hoofdje leunt ze tegen zijn schouder. Simon gaat ook zitten. ‘Het is hier gezellig,’ mompelt hij terwijl hij om zich heen kijkt. Jonas knikt. ‘Ik zat hier soms met Jamie. Het was zo’n geweldige tijd…’ ‘Een te korte tijd, zeker.’ ‘Dat ook.’ Het blijft even stil. Lydia prutst aan Jonas’ mouw. Tot zijn verbazing voelt hij een traan over zijn wang rollen. ‘Ik heb niet eens afscheid kunnen nemen.’

Eline__V
0 0

Nylondraad en worst

Onlangs kocht Koen een paneel van de oude aluminiumbekleding van het Atomium, de wonderlijke constructie gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, die enkele jaren geleden volledig gerenoveerd werd. Hij ziet er op termijn een uitstekende geldbelegging in. Alleszins stukken beter dan de in 2008 gekelderde Fortis-aandelen.  Koen wil het paneel in zijn woonkamer ophangen. Omdat hij deze klus moeilijk in zijn eentje kan klaren, doet hij een beroep op de hulp van Marcel, zijn vader, eerder knoeier dan knutselaar, maar steeds bereid om te helpen. Die knoeier zal om te beginnen voor het nodige materiaal zorgen: een schroeven-draaier, pluggen, krammen en ijzerdraad. Als milieubewust consument trekt hij te voet naar "De Nieuwe Ijzerwinkel", een zaak van standing die al verschillende decennia nieuw staat te wezen in de Stationsstraat te Kapellen. De aankoop verloopt allesbehalve vlot. De schroevendraaier is uit voorraad. De pluggen zijn te lang, de krammen te kort en ijzerdraad wordt uitsluitend per rol van vijftig meter verkocht, terwijl Koen slechts vier meter nodig heeft. Maar de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" geeft goede raad: gebruik liever  nylondraad, spotgoedkoop, makkelijk om mee te werken, even sterk en leverbaar per meter. Besloten wordt om de aankoop een week uit te stellen. Tegen dan zullen alle voorraden weer aangevuld zijn. Marcel speelt op veilig en stapt pas na veertien dagen naar de zaak van standing, waar een lange rij klanten hem voorafgaat. Wanneer hij vijfentwintig minuten later eindelijk aan de beurt komt, loopt het toch weer mis. Gefrustreerd door het lange wachten en lichtjes verstrooid roept hij, veel te luid: "Geef mij vlug vier meter nylondraad, dan kan ik eindelijk mijn zoon gaan ophangen."  De omstanders reageren verschrikt. De zaakvoerder vraagt zich af of hij meteen de politie zal bellen. Iemand wil weten wat die zoon mispeuterd heeft. "Hoe komt u daarbij?" reageert Marcel. "Die jongen heeft helemaal niets misdaan! Wat staart iedereen mij toch aan? Vinden jullie het dan zo gek dat ik nylondraad wil kopen om er een paneel van het Atomium mee op te hangen?" Een pientere oude dame, met een voor haar leeftijd nog uitstekend gehoor en dito geheugen, is zo vriendelijk om eventjes letterlijk de bestelling te herhalen. Nu begrijpt Marcel waar al die commotie vandaan komt. Lachend zegt hij: "Mijn zoon ga ik beslist niet ophangen. Maar nylondraad wordt inderdaad wel eens gebruikt in thrillers, bij voorkeur om er domme blondjes mee te wurgen." "Daar weet ik niks van" reageert de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" met een uitgestreken gezicht. "Ik kijk nooit naar dat soort films, ze zijn veel te griezelig. Ik probeer alleen maar nylondraad te verkopen. Wat de klant er achteraf mee aanvangt, dat zal mij worst wezen. 

M. van Muze
0 0

Morgen zou hij drie worden

Nieuwsgierige opgewondenheid doet zijn ogen glinsteren. “Hoeveel mensen komen er?” Zijn blik zoekt die van de eindverantwoordelijke voor de grote dag. Haar bedeesde stem doorbreekt de stilte. “Er zijn bijna vierhonderd aanmeldingen. Driehonderdzevenennegentig, om precies te zijn.” Zijn ogen schieten verrukt de kamer rond. Bijna vierhonderd. “En de minister? Komt de minister?” Hij lijkt de reactie uit haar te willen trekken. Haar ogen razen over de lijst van bijna vierhonderd namen. –“Ja, de minister komt ook.” Vergenoegd zakt hij achterover. Opnieuw het antwoord waar hij op hoopte. Het kabaal lijkt haar het nadenken onmogelijk te willen maken. Het is niet het gehuil van haar zoontje, ook niet dat van het luchtalarm. Het is evenmin het geluid van elkaar snel opvolgende ontploffingen, noch dat van het geschreeuw van de rebellenleiders op straat. Het is de allesomvattende stilte tussen deze geluiden door die blokkerend werkt. De lege stilte van de dood die langzaam dichterbij sluipt. Ze proeft, voelt en ruikt zijn naderen. Plots deinst hij heel even terug, geschrokken van de harde klap die klinkt. Jarenlang had hij de leiding gehad. Voor tegenspraak, zelfreflectie of de durf om één van beiden mogelijk te maken was geen ruimte geweest. Zo was een werkelijkheid ontstaan waarin hij grootse en belangrijke prestaties had geleverd. Een werkelijkheid die past bij de omvang van de festiviteiten rond zijn afscheid.   Al meer dan twee jaar leefde ze in een dorre wereld. Een wereld van verdriet, pijn en gruwelijkheden. Voor geluk was heel beperkt plaats. Als het er was, waren kleine dingen er de aanleiding voor. Het vinden van een stuk fruit voor haar zoontje, of de eerste stapjes die hij kort geleden had gezet. Even had de bengel, die morgen drie wordt, haar donkere werkelijkheid fel verlicht. “Het moet groots zijn! Chic! Mensen zijn te gast. Ze moeten het fijn hebben. Er moet gelachen worden. De stemming moet uitgelaten zijn. Ze moeten vooraf zin hebben om te komen en achteraf blij zijn te ze zijn geweest. Ze moeten het zich herinneren. Alleen dat telt. Dat past en is gepast. Bij ons en bij mijn afscheid. Het is de laatste keer. De laatste keer moet dubbel tellen,” schreeuwt hij bijna over de tafel. Zijn staf knikt. Bombastisch moet het worden. Met champagne en lekkere hapjes. Een groots afscheidsfeest. Precies op dat moment opent ze versuft haar ogen. Ze ziet niets dan stof. Haar oren doen pijn. De stilte doet pijn. Ze probeert overeind te komen. Er ligt iets op haar benen. Metalig, zwaar en rond. Het lijkt op een badkuip. Ze trekt zich er onderuit en krabbelt op. Ze roept zijn naam. Waar is hij? Vanuit haar buik stijgt de paniek richting haar keel. Waar is hij? Ze wappert met haar handen naar de stofwolken om zich heen. Ze ademt moeizaam. De stilte knijpt haar keel dicht. Waar is hij? Plots stopt haar hart met slaan. Ze ziet hem. Tenminste, ze ziet zijn beentjes, opgesloten in zijn blauwe dekentje. Zijn bovenlijf is onzichtbaar. Een blok beton verbergt het zorgvuldig. Op grootse wijze neemt hij afscheid. Een uitgeleide dat hij kennelijk verdiend heeft. De drank vloeit rijkelijk, er wordt gegeten en er wordt gelachen. Er zijn anekdotes uit verschillende jaren. Hij refereert aan gisteren, aan zijn laatste werkdag. Het was een mooie laatste dag geweest, net als zijn hele periode dit was geweest. Als je je ogen maar niet te ver opent, is de wereld best goed. Niet eens zo gek veel verderop is er alleen ruimte voor het donker. Verscheurd denkt ze aan gisteren. Toen zou het nog twee dagen duren tot zijn verjaardag. Het zou geen groot feest worden. Dat kan immers niet in een oorlog. Ze zouden het bescheiden vieren. Samen. Omdat een kind zijn verjaardag verdient. Zo ver komt het niet. Vorig jaar is de laatste keer geweest. 

Quirijn Teunissen
49 1

De brief van Kabouter Bert, het maagdelijk kaboutertje

Beste vrienden,   U allen weet uit de verhalen uit uw kinderjaren dat kabouters bestaan. U weet echter ook dat deze wezentjes érg zeldzaam zijn geworden: Vínd er nog maar eens één!...   Onlangs werd de kabouter (Gnomo Minusculis) uitgeroepen tot Rode Lijst-soort. Hierdoor krijgt de kabouter dus een beschermde status.   Meerdere wetenschappers vermoedden al langer dat de kabouter deze status voor een stuk aan zichzelf, en voor een stuk aan zijn opvoeding  te danken had.   Zelf ben ik allesbehalve een wetenschapper, maar na het bezoek dat ik enkele weken geleden van een kabouter kreeg, ben ik geneigd deze wetenschappers gelijk te geven: We weten ’t al langer: Ze leven in ’t bos. Ze slapen in holen, op bedjes van mos.   Of soms op een vliegenzwam of een boleet. Er is echter iets dat u zeker niet weet:   De wetenschap kent nog niet één enkel feit over hoe en waar een kaboutertje vrijt.   Ik ook niet -heel eerlijk- maar ’k wist het terstond toen er plots één op mijn vensterbank stond.   Hij droeg een mooi’ puntmuts en kleertjes knalrood. Hij gaf me een omslag; een duimnagel groot.   De brief in de omslag was vreselijk klein. Maar met een vergrootglas las ik toch haarfijn   ’t relaas van de seks – en het falen ervan - van een kaboutervrouw en van haar man.   “ Beste kaboutervriend”, startte de brief, “ ik ben den Bert en Francien is mijn lief.   Wij wilden kind'ren, maar wisten niet hoe, want voorlichting is bij kabouters taboe!:   Onz’ ouders die leren ons streng en kordaat hoe het met bijtjes en bloemetjes gaat,   een eend maakt haar nest bij de rand van een plas, een larf van een bij leeft in raten van was.   Maar rond één vraag – en vraag mij niet waarom - draait men rond de pot en houdt men ons graag dom:   Je wordt hier verbannen of krijgt zware straf. Je gaat naar de cel of je hoofd gaat eraf:   Het is ongehoord, het is tegen ’t fatsoen te vragen hoe wij -de kabouters- het doen. Let wel: Ik heb lef en ik héb het gevraagd, maar werd met Francine prompt het dorp uitgejaagd op grond van een vonnis, op niets gebaseerd, dat mij en mijn vrouwtje ambtshalve dicteert voorgoed te verdwijnen tot ik heb verstaan hoe ons’ twee ouders ’t ooit hebben gedaan.   U snapt wel: Wij waren compleet overstuur, maar dachten: Okee, in de vrije natuur,   kunnen wij vormen van voortplanting zien, en wij doen dan ’tzelfde, en ’t lukt dan misschien!   Wij trokken dus ’t bos in en vatten daar post, en keken naar wat er daar af werd gesmost:   Een houtduif-meneer streek er neer op een tak en legde zijn pluimen mooi – op zijn gemak.   Hij riep toen “roe-koe” en dan – alsjemenou!- streek op die tak neer een houtduivenvrouw.   Zij stak dra haar staartje heel wulps in de lucht, waarop zij op slag door haar man werd bevrucht.   Ik keek naar mijn vrouwtje en zij ook naar mij. Ik vroeg haar “Wij ook?” en ze knikte – heel blij!   Ik klom dus die boom in en kroop op die tak, en zette mijn puntmuts recht – op mijn gemak.   Ik ademde diep in en riep toen “roe-koe”. Mijn vrouwtje riep: “Wacht maar, ik ben er al sjoe!”   Bij mij op de tak stak z’ haar poep in de lucht. Ik klom er toen op, maar het werd me een klucht:   Mijn vrouw is onhandig, en ik heb wat jicht; het werd een gestuntel – het was geen gezicht!   Die tak was niet dik dus – u raadt het vast al – het eindigde voor mijn Francine met een val.   Haar been was gebroken – dat wist ik op ’t zicht - en toen viel ook ik met mijn hele gewicht   recht op mijn vrouw en – u raadt het meteen - ik brak door mijn val ook haar andere been.   Na ’t nodige spalken besloten we toen het niet meer zoals die twee vogels te doen:   Ik voelde me schuldig, ik schaamde me wat. Mijn vrouwtje zei: “Nu nog niet opgeven, schat!   Vergeet maar die duiven: Dat voorbeeld was slecht, maar ’k weet het wel zeker: Ooit lukt het ons echt!   Die zwam daar bijvoorbeeld, in ’t rood met wat wit: Weet jíj soms hoe ’t met die zijn voortplanting zit?”   Ik ging zitten denken aan wat werd beweerd, aan wat de kabouterschool ons had geleerd:   Een zwam die maakt sporen en plant zich zo voort. Toen dacht ik: “Verdorie! ’t Is zó dat het hoort!”   Ik zei haar: “Francien, leg je kleren maar weg, en doe dan nauwkeurig wat ik je nu zeg:   Leg je maar naakt onder die paddenstoel. kI klim óp die zwam en dan – naar mijn gevoel -   wip ik het beste al heen en al weer: De sporen die vallen dan over je neer!”   Mijn vrouw zag het zitten en deed het meteen: Ze legde zich naakt - met haar benen uiteen -   onder die paddenstoel, klaar voor de daad. Ik was wat nerveus maar wel helemaal paraat:   Ik klom langs de steel naar omhoog, naar de hoed, en deed daar wat ieder van ons zo graag doet:   Ik wipte en wipte en stond zelfs in ’t zweet, maar had niet verwacht wat die paddenstoel deed:   De steel brak doormidden, de hoed die viel neer. Mijn vrouw werd bedolven en ging wild te keer.   Ik dacht door ’t verschot, maar daar lag het hem nie: Ze krabde zich rot want ze had allergie:   Allergisch voor sporen, precies van dié zwam. Het moest weer eens lukken dat dàt erbij kwam!   Ze kreeg rode puntjes en overal jeuk, en gromde - al krabbend: “Da’s verre van leuk!”   Ik werd weer wanhopig, mijn hoofdje hing neer. Francine zei: "Mijn Bertje, zeg, luister ne keer:   Ga hondsdraf gaan zoeken, dat is heilzaam kruid: Da’s goed tegen jeuk als je ’t wrijft op je huid."   ’ k Ging hondsdraf gaan zoeken en vond er genoeg. Ik keerde terug en ik deed wat ze vroeg:   Ik maakte van planten en van plukjes wol een heleboel windels: een kruiwagen vol.   Van hondsdraf en water maakte ik een zalf; één tegen de jeuk, en ik schaamde me half:   Ik kreeg erg veel zin, met haar kleren zo uit, en smeerde de zalf overal op haar huid.   Hoe langer ik smeerde, hoe warmer ik werd. Ik dacht al: Nú zal ’t gaan gebeuren hè Bert.   Ik boog naar haar boezem, maar zij vroeg me: Kom, doe mij alsjeblieft al die windeltjes om.   Een streep door mijn rekening jong, wees gerust: Zo dicht bij mijn doel en dan tóch niks gekust!   Een half uurtje later keek ik naar Francien, door windels en spalken nog amper te zien.   Enkel haar ogen die waren nog vrij. En die keken zwijgend en vragend naar mij.   “Zo, is het nu al wat beter te doen?” Francine knikte eens en ze lachte wat groen.   Ze bleef verder zwijgen; ik snapte algauw dat zij dacht aan hoe ze zich voortplanten zou.   Ik ging dus maar zitten, gewoon op mijn gat, en pijnigde wat ik aan hersentjes had.   Mijn hoofd in mijn handen, mijn hoofd in een frons, hoorde ik achter mij plotseling geplons!   Ik keek om, geërgerd; gedachten verstoord. Ik hoorde mijn vrouwtje: “’t Is zó dat het hoort!”   Ze stond in het water, ’k wist niet wat ik zag. Ze keek zwoel naar mij met ondeugende lach.   Ze boog zich voorover, en ik snapte toen: Ze wil het als kikkers en padden gaan doen!   Ik vloog naar het water en kroop op haar rug. Met spalken -en mij- ging ze redelijk stug   steeds dieper de plas in en zei me toen: “Sjoe, in ’t diepst leg ik straks al mijn eieren, goe?   ’k Wou da ’k er al was. Al mijn windels zijn nat - en dan nog eens gij – dat weegt redelijk wat!”   Toen ging ze kop onder en ik was verheugd: Het zou gaan gebeuren: O hemelse deugd!   Toen ging ze nóg dieper en ’k raakte haar kwijt, ik riep nog: “Francien, laat eens zien waar ge zijt!”   Eerst was er paniek, maar al snel was ik blij: Met reeksen van luchtbellen antwoordde zij!   Het bleef verder stil, maar ik wist toen al vlug: Die legt nu haar eieren; die komt zó terug!   E n dàn – droomde ik, met een heerlijke zucht - wil zij dat den Bert al die eieren bevrucht!   Mijn droom duurde voort langs de kant van die plas, en tegen de avond bedacht ik maar pas   dat ik als kabouter – nog helemaal maagd - niet wist hoeveel tijd zo een eierleg vraagt.  Een nacht ging er over en het werd weer licht: Nog steeds geen Francien en geen eieren in zicht…  Ik riep haar luid, maar – 't verbaasde me zeer - ze stuurde geen reeksen van luchtbellen meer…   Ik kreeg van het nadenken bijna eczeem: Mijn voortplanting zat met een ernstig probleem:   Die eieren?: in 't water... En ik?: op het land... Eureka! Dat is het! Waar zàt mijn verstand?:   Ik plaste in ’t water vanuit het gedacht, dat ik beslist zó die bevruchting volbracht.   Ik bleef nog een dag en een nacht langs de plas, en tegen de ochtend beseft' ik maar pas:   “Ik plantte me voort! Waarom zit ik hier nog? Ik ga eens zwaar uit: Dàt verdien ik nu toch!   Mijn vrouw is wel weg, maar dat valt best wel mee: Ik kan nu echt zonder control’ op café!   Francien, als ze opduikt, die kent hare man: Die weet doorgaans waar ze me aantreffen kan!”   Maar weet u, mijn vrouw wordt soms vreselijk kwaad, als ik haar niks van berichtje nalaat.   Vandaar dus mijn brief, die ik hier bij u leg. Vertelt u haar alles? Ik moet nu echt weg!   Als een échte man weet ik nu hoe het moet, getekend: den Bert, met een vriendelijke groet!”   Zijn brief was ten einde. Ik sloot terug d’ envelop. Ver weg in gedachten keek ik terug op:   Den Bert liep al weg, en ik hoorde in ’t bos zijn vrolijk gelach en hij zong erop los.   Zijn brief houd ik bij, bovenin in mijn la, en bij wat tegenslag lees ik hem na.   Want valt er wat tegen, loopt alles verkeerd, dan denk ik: den Bert heeft me heel wat geleerd:   Loopt alles in ’t honderd, valt iets niet echt mee, dan ga je nog best van al goed op café! Rodrik Steverlynck, in samenwerking met Kabouter Bert

rodrik
0 0

Een onfortuinlijke treinwachter

Onderweg van Antwerpen-Centraal naar Brussel-Noord, met een klokvaste trein van onze onvolprezen NMBS, op één van die zeldzame dagen zonder stakingen, overviel mij het lumineuze idee om enkele limericks te componeren, aan de hand van de stationsnamen die ik onderweg zou tegenkomen. Toen ik een net voltooid exemplaar met Hove als vertrekpunt herlas, om eventuele spellingfouten te corrigeren, schoot ik luidop in de lach. Het hield niet meer op. Ik bleef maar lachen.  We reden met een slakkengang, zelfs de NMBS onwaardig, tussen Kontich en Duffel, bekend voor zijn gespecialiseerd Psychiatrisch Centrum. Op dat eigenste ogenblik deed de treinwachter van dienst zijn zoveelste ronde. In hoge mate verontrust door mijn onbedaarlijk gebulder vroeg hij me zeer hoffelijk of hij misschien een ambulance moest oproepen, zodat ik linea recta kon afgevoerd worden naar ...  Juist, u weet wel waar. Ik gebaarde dat het niet nodig was en slaagde er met veel moeite in mijn vervoerbewijs te tonen, waarin hij mateloos geïnteresseerd leek. Wellicht een onschuldig voorbeeld van beroepsmisvorming.   Enigszins tot rust gekomen liet ik hem mijn limerick lezen: Van God los Een afvallige pater uit Hove die wou in geen God meer geloven een duif doemde op en scheet op zijn kop hij zei: niet alle heil komt van boven! Op zijn beurt werd de treinwachter het slachtoffer van een serieuze lachstuip, zonder enige twijfel veroorzaakt door de onfrisse praktijken van voormelde duif. Die zijn nog het best te vergelijken met wat de CEO's van onze grootbanken bij de kleine beleggers aanrichten. Bij een duif schijnt dergelijk gedrag - dat voor een bankier toch wel uit den boze is - dagelijkse kost te zijn. De onfortuinlijke treinwachter hield niet op met lachen en gieren. Dat begon zowaar op sterk afwijkend gedrag te lijken. Dus vroeg ik hem of ik, per GSM, niet meteen een ziekenwagen zou bellen om hem stante pede aan de goede zorgen van de psychiatrie toe te vertrouwen. Hij bleef me het antwoord schuldig.  De trein was intussen gestopt in het station Duffel en de trenwachter strompelde naar buiten om de veiligheid van de in- en uitgaande reizigers te waarborgen. Daarop ondernam hij een krampachtige poging om een fluitsignaal te produceren, waarna hij vergat in te stappen, de deuren dichtsloegen en de trein zonder hem vertrok. Wat er van de arme man geworden is? Ik heb hem nooit meer teruggezien.

M. van Muze
0 0