Lezen

Overweging van het koor

De tijd is gekomen. De chronologie van de cyclische voorvallen. Persephone moet terug naar haar geliefde. Want zo hoort heer Hades beschreven te worden. Als bron van de liefde die haar alleen daarom wegsleurt uit het leven. En zo is het altijd de liefde geweest. De liefde voor het lichaam, de liefde voor het genot, de liefde voor de macht, de liefde voor het geld. Met het woord ‘liefde’ valt de mensheid dan ook alles wijs te maken. Alleen raken ze zo snel verblind door die flinter van het goddelijke dat ze duisterder gaan zien dan ooit. Met de herfst die rondwaart tussen de bomen, wordt het verval steeds duidelijker ingezet. Demeter kan de pijn niet langer dragen en laat haar takken hangen. De twijgen die ooit fris en monter waren, verschrompelen alsof ze nooit bewogen hebben in de wind en nooit geleefd hebben. Demeter wist dat het moment zou komen dat haar mooie dochter haar ontrukt zou worden. Ze wist het, maar deed er niets aan, kon er ook niets aan doen. De vastgelegde cirkel kan niet zelfs niet door de goden doorbroken worden. De oerharmonia mag nooit verstoord worden. Zelfs niet door wezens van wie de krachten uitstijgen boven wat uitdrukbaar is. De mensen hebben die harmonie nooit erkend. Hun eeuwige balanceren brengt hen ten gronde. Noch de oude aristocraten, noch de prille democratie hebben ook maar een kleine lichtflits gezien. De ene na de andere krijgt zijn onvermijdelijke tijd, maar of de mens na ooit in staat zal zijn te regeren is nog maar ten allerzeerste de vraag. En zo tollen de dagen voort.

Expialidocious
0 0

Maanzin

Hoewel hij in huis zat, was het koud buiten. Misschien zat hij echter niet meer in huis. Als de muren opgeblazen zijn en je op de brokstukken zit van wat je ooit je huis noemde, kun je dan nog zeggen dat je thuis bent, laat staan dat je in huis zit? Hij had een donker vermoeden dat dat niet het geval was. Al zijn vermoedens waren donker. Hij lag hier. Niet dood, niet eens halfdood, maar tegelijkertijd beroofd van alles wat hij had. Ook voordien was hij alles al kwijt geweest en nog waren ze erin geslaagd nog meer van hem weg te nemen. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn ledematen te bewegen. Eerst zijn benen, dan zijn voeten. De linker- en rechterkant afzonderlijk, opdat hij meteen zou weten waar de problemen zich bevonden. Links leken er geen grote problemen te zijn, maar zijn rechterknie weigerde dienst te doen. Durfde hij kijken? Was er iets engs te zien dan? Hij keek. Er was niets engs te zien. Geen bloed, geen open wonde, alleen een gescheurd en bevlekt gewaad. Hij nam zijn materiaal. Het was immers maar een knie. Xenion stond op. Het weinige dat nog rechtstond van het huis, ontnam hem het zicht op de withete maan. De rillingen liepen over zijn armen als kleine wormpjes die met zachte prikjes werden ingebracht in zijn huid. Ze spuwden vuur en drukten hun ijzige staartjes dieper in zijn huid. In de brokstukken ging hij op zoek naar wat hij zocht, maar hij kon het niet vinden. Alles was een puinhoop. Hij lachte groen en was meteen ook verbijsterd dat hij nog kon lachen. Nu zouden de mensen terecht kunnen zeggen dat zijn huis een puinhoop was, dat hij het verknald had, letterlijk en figuurlijk. Maar hij had het niet verknald. Hij had het helemaal niet verknald! Op een haar na was zijn plan geslaagd en dat lange fijne haar leek zijn hart te doorboren. Hij wist dat de gloed van de maan dat besef alleen maar pijnlijker maakte. De maangloed vergroot immers alle emoties uit en het was nog niet eens volle maan.Hij wist dat de blik in zijn ogen nu meer dan ooit terecht als verwilderd zou worden beschreven, maar hij kon er niets aan doen. Met gebalde vuisten bleef hij te midden van zijn brokstukken staan. Hij leek iets te zoeken, maar hij wist zelf ook dat hij het niet zou vinden. Het was een schande. Hij had blij moeten zijn dat hij het niet had kunnen vinden in de puinhoop. Anders was ze dood geweest. Hij duwde zijn lange nagels dieper in zijn handpalmen en wendde zijn gezicht naar de halve maan. Zou zijn Loena nu ook naar de maan kijken? Zou ze ook voelen wat hij nu voelde. Hij wist het niet. Hij wist niet waar ze was en hij durfde al helemaal niet te denken hoe ze het maakte. Schrikbeelden overtreffen de werkelijkheid immers altijd. Hij wist dat hij er niet aan mocht toegeven. De wormen die hij nu voelde zouden dan immers in slangen veranderen en dan was alles verloren. Als hij zich niet meer kon beheersen, zouden ze hem definitief laten opnemen en deze keer zou hij geen keuze hebben.Xenion sloot zijn ogen. Het licht van de maan kon niet onder zijn oogleden doordringen. Zijn gedachten hadden dus nog kans op plaatselijke opklaringen. Hij deed zijn ogen niet meer open en dacht na. Hij moest het doen. Met een wilde vaart begon hij in cirkels rond te draaien, maar zijn ogen hield hij gesloten. Ze zou hem wel weten te vinden. Of hij haar. Hier blijven was geen optie. De brokstukken waren van hem en hij zou zijn toren ook weer doen verrijzen. Maar niet nu. Zijn gesloten ogen vertelden hem dat hij nu moest conserveren en vertrekken. Hij twijfelde een seconde. Hij wist welke invloed de maan op hem zou hebben. De dolgeslagen waanzin was nabij. Hij deed het toch en zag het licht. Nu pas wist hij wat zijn missie was. Hij moest de halve maan weer volledig maken. Hij wist niet waar ze was, maar hij zou Loena vinden. Met vastberaden blik verliet hij zijn vertrouwde verbrokkelde omgeving.

Expialidocious
0 0

Sterrefietje

'Wat vind jij het mooiste aan de sterren, Florian?' 'Wat ik het mooiste vind?' 'Ja.' 'Ik weet niet, Edith... De sterren zelf, eigenlijk, denk ik.' 'Ik vind de sterren zelf helemaal niet zo speciaal...' 'Oh.' 'Het is de afstand en de onbereikbaarheid die alles speciaal maakt.' 'Ja, dat bedoelde ik.' 'Mmm...' 'En ik vind het ook mooi dat ze zoveel licht geven.' 'Sterren geven helemaal niet zoveel licht.' 'Ik vind hun zacht oplichtende verschijning leuk. Zo beter?' 'Ja.' 'Mooi.' 'Ga je de hele reis zo kribbig zijn, Edith? Ik heb er even geen behoefte aan. Je zou blij moeten zijn dat we er eens helemaal tussenuit zijn. Het zal je goed doen.' 'Hmm.' 'Ben je niet blij dat we hier samen kunnen zijn?' 'Jawel.' 'Zo komt het anders niet over.' 'Dan is dat maar zo.' 'Nee, dat mag helemaal niet.' 'Florian, doorheen het jaar ben jij anders wel de kribbigste van ons beiden. Nu is het even mijn beurt. Ok? Laat me gewoon even wennen aan de vakantie. Ik heb het hele jaar hard gewerkt en jij wou zou nodig meteen op vakantie vertrekken.' 'Ja, dat is toch super. Dan ben je er meteen uit.' 'Dat is helemaal niet 'super'. Ik zit nog helemaal in het werkritme en ik voel me onrustig omdat ik niets om handen heb. Ik heb zelfs hoofdpijn omdat ik niets heb om me op te focussen.' 'Hoofdpijn? Krijg jij hoofdpijn van vakantie? Dat is wel sterk.' 'Ja, hoofdpijn, ja. En een beetje begrip van jouw kant zou dan ook mooi meegenomen zijn.' 'Een beetje begrip? Edith, ik ben ongeveer de meest begripvolle man op deze aardbol. Ik regel een romantische sterrenhemelnacht aan het begin van onze vakantie, jij zit de hele tijd te mekkeren en ik ga er amper op in. En dan vind jij dat ik weinig begrip toon?' 'Je weet dat ik liever niet holderdebolder was vertrokken. Het is echt nog een zeer stresserende dag voor me geweest vandaag. Ik moest alles afhandelen waarvoor ik volgens mijn planning nog tot morgennamiddag de tijd had. Aangenaam is anders.' 'Ja, maar het is toch gelukt?' 'Dat wel, maar da's ook ongeveer alles wat je kunt zeggen. Ik ben er zeker van dat ik beter...' 'Edith alsjeblieft, laat het werk nu toch rusten. Je hebt vakantie. Ken je dat eigenlijk wel: vakantie?' 'Doe niet zo idioot.' 'Ik doe helemaal niet idioot. Jij kent dat concept nu eenmaal niet. Ik zal het je moeten leren. Kijk toch eens naar boven, lieve schat. Dat is toch gewoon mooi. Geniet daar dan toch eens van.' 'Maar ik geniet ervan.' 'Hoe komt het dan dat er daar zo weinig van te merken is?' 'Ik weet het niet.' 'Laat je werk nu gewoon een tijdje helemaal los. Je hebt dit verdiend... En als je naar boven kijkt, dan moet je toch de relativiteit van je werk ook gaan inzien. Want het is allemaal zeer relatief wat we doen.' 'Dat weet ik.' 'Dan is het goed.' 'Ik vind de sterren ook wel mooi. Fascinerend ook.' 'Dat zijn ze zeker. Niet in het minst omdat ze zo onbereikbaar zijn. Even onbereikbaar als jij soms voor me bent, Edith.' 'Wat zeg je nu weer?' 'Soms kan ik je gewoon niet volgen.' 'Dat is dan jammer.' 'Dat is het zeker… En nu doe je weer zo kribbig. Waarom toch? Ik doe mijn best.' 'Dat heb je dan wel zelf gezocht. Ik ga naar binnen. Ik ben moe en ik wil slapen.' 'Komaan, dat meen je niet. Het is veel te warm om nu al te gaan slapen. Hier heb je nog een fris windje.' 'Ik ben moe.' 'Je kunt hier toch ook even dutten. We kunnen zelfs slapen onder de sterrenhemel. Zou dat niet leuk zijn?' 'Nee, dat zou niet leuk zijn.' 'Komaan Edith, een beetje avontuur zoals in de goede oude tijden.' 'Oh ja, want jij bent een ontzettend avontuurlijke ziel. Ik ga slapen, Florian. Ik ben echt moe.' 'Edith. Wacht nog even. Laten we toch genieten van ons eerste avondje vakantie. We kunnen morgen toch uitslapen. Laten we eerst de sterren nog proberen te tellen, wat denk je?' 'We zullen ze morgen tellen, meneer de romanticus. Ze lopen niet weg. Slaapwel.'

Expialidocious
0 0

Licht

1 de boom De zon schijnt door het raam op mijn bed. Ik kijk van in de deur naar dat licht. Ik ben al een paar uur op, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd. Het doet raar met de boom weg. Het licht zit niet meer vast in zijn kruin. Het is vrij nu. Ik zie plots veel meer: een lens op de grond, een pluk stof in de hoek, veel haar, een bord met droog brood, een tas thee die leeg is. Het lijkt wel of ik hier al lang niet meer woon, of een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood. Ik zet de tas in het bord en het bord op een stoel. Dan veeg ik al het vuil in een hoek. Ik maak een doek nat en wrijf elk ding glad tot het blinkt. Ik zet elk scheef boek weer recht. Dan kijk ik rond. Het lijkt nog steeds of ik hier al lang niet meer woon, en een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood, maar dan net voor men het huis weer te koop stelt. 2 de fiets Ik spoel mij schoon, droog me af, en kleed me aan. Dan eet ik brood met jam. Ik bel ook Troel op. Troel woont om de hoek. We gaan vaak met de fiets naar de brug. Hij mag me wel, Troel. Hij praat niet veel, maar ik weet dat ik zijn vriend ben. “Gaan we weer naar de brug?” vraag ik. Ik hoor veel wind in de lijn. Hij is vast al op weg. “Is goed. Ik ben er zo.” “Goed,” zeg ik, “ik zie je daar wel.” “Tot straks dan.” “Tot straks.” Ik ga naar het hok en neem mijn fiets die aan het raam staat. Het is geen weer meer voor een jas, maar ook nog geen weer voor een hemd of voor een trui. Ik heb niet graag te warm als ik fiets; ik rij me toch steeds in het zweet. En het zou hard gaan nu er geen boom meer recht stond in de stad. De wind heeft vrij spel nu. Net als het licht. Mijn wiel van voor draait rond en rond, spaak na spaak, in een rol van goud. 3 de brug Troel gooit een steen in de beek en ik leg mijn fiets naast die van hem op het gras. De brug in de lucht was hoog als een huis. Er kon vast wel een boot door. “Hoi Troel,” zeg ik. Hij werpt nog een steen. “Dag Paul,” zegt hij, maar hij kijkt niet om, “hoe gaat het?” “Goed hoor. Jij?” Troel werpt nog een steen, die drie vier keer op en neer springt en dan zinkt met een plop. “Ik moest al op school zijn,” zegt hij. “Hoe komt het dat je niet op school bent?” vraag ik. Hij zet zich naast me op het gras. “Het is vast de tuin. Ik slaap slecht nu die leeg is. Er is zo veel licht op mijn bed.” Dus ook bij Troel. Wat was er toch aan de hand in de stad? Plots staat Troel op en kijkt naar iets ver weg. Hij wijst. “Kijk, Paul!” Ik kijk en dan zie ik dat het een boot is, een boot met een vracht van hout. De boot komt op ons af. 4 de boot Troel is heel snel op de brug. Als ik naast hem sta, is de boot al niet zo ver weg meer. Met mijn hand als een klep scherm ik de zon af. Aan het roer meen ik een man met een baard van grijs glas te zien. Hij heeft een heel klein hoofd en een bril. “Waar gaat al dat hout heen?” vraag ik. Troel kijkt streng. “Ik weet het niet. Maar er klopt iets niet.” De boot is nu al aan de brug. Aan het eind van het dek hangt een groot blauw zeil dat spant als een pauk. “Zie je dat zeil ook?” vraag ik. Troel knikt. “Wat denk je?” Mijn hart klopt traag met de slag van een golf mee. De boeg boort door. “Ik weet het niet,” zeg ik, maar Troel weet dat we het gaan doen. Hij klimt de rand van de brug op en hapt naar lucht als voor een duik. “Wacht, Troel!” roep ik, maar mijn stem smoort weg in de ruis van het schuim. Hij is al weg. Tot slot spring ik ook. Ik spoel neer in lucht. 5 de man Ik val hard neer met een bons. Het zeil is niet zo zacht als ik eerst dacht. Als ik me recht zie ik hoe Troel op zijn knie wrijft. Hij bijt ook op zijn lip. “Doet het pijn?” vraag ik. “Valt wel mee,” kreunt hij, “maar we zijn toch op de boot nu. Kom.” Rond ons ruist de wind en golft het schuim. Hoog in de lucht drijft een meeuw met ons mee. Troel is snel. Hij kruipt op het hout dat strak spant door een lint van staal. Ik sluip zo stil als maar kan in zijn spoor mee. Al gauw zien we de hut van glas waar de man met de baard met de rug naar ons toe staat. Hij kan ons niet zien. Dan schuif ik plots uit op het hout, nat van het schuim dat uit de beek spat. Ik schiet uit naar de rand van de boot en roep iets. Troel grijpt mijn hand. Dan draait de man zich om. Zijn mond is een barst in glas. Zijn bril is zwart als mijn angst. 6 de val Langs de hut heen snijdt de zon Troel en mij dwars in twee. Wij staan schaak in goud en zwart. De man komt uit zijn hut met een tred die de boot heen en weer schudt. “Ik denk niet dat dit schip drie man droeg toen het van de kaai weg voer,” zegt hij kil. Troel slikt. “Al dat hout hier,” zegt hij, “waar ga je met al dat hout heen?” “Dat hout is mijn zaak. Of toch op zijn minst de zaak van mijn baas.” “Met welk doel?” vraag ik. De man lacht. “Dom kind. Wat gaat jou dat aan? Ga van mijn schip af. Ik heb haast. Ik ben al laat.” Troel trekt zijn borst op. “Doe maar,” pocht hij, “kom maar op. Jaag ons maar van je dek.” Nu wordt de man boos. Hij komt op ons af en trekt aan mijn trui. “Kom, jong, van mijn boot, en snel. Raus!” Troel schopt met de top van zijn voet op zijn been en de man stuikt neer in een schreew. Dan duwt Troel hem naar de rand van de boot. Hij valt in het schuim en plonst en klauwt en trilt als een lamp in een bad. En de boot, die vaart door, met wij twee op het dek, en de man in het zog van zijn kiel. 7 het roer Troel juicht en joelt. Hij loopt naar de hut en gaat aan het roer staan. Ik hoor de beek heel luid nu, iets dat klotst in het dek als een wijn in een ton. Mijn hart bonkt. “Was dat wel goed wat je deed met die man?” vraag ik. Troel houdt het roer vast met één hand. Ik sta nu naast hem in de hut. “Die man deugt niet,” zegt hij, “hij was door en door slecht. Dat zag je zo.” Dat weet ik ook wel. Maar toch. Ik kijk door de ruit voor ons, en stel daar mijn geest op af. Licht speelt links en rechts met het riet langs de beek. Traag kom ik tot rust. Ik zie een eend die haar staart nat maakt. Haar bek blinkt. Rond haar oog plakt een bruin blad, daar waar ze krabt met haar poot. Ik tel ook een mus of twee drie, hoog in een dans. Dat dit maar lang zo blijft, denk ik. Ik voel me goed, met mijn buik van pluis en Troel aan het roer. Ik vraag me niet eens af waar we heen gaan.

Pimpelpaarse Peperpot
0 0

Proloog Poison love

Ze had me gewoon gebroken net als al de andere. Ik haatte het. Ik wou geen gevoelens meer kennen. Ik wil er vanaf zijn. Ineens was er een fel licht en kwam er een man met een zwarte cape tevoorschijn. 'Wie ben je?' Vroeg ik toch wel redelijk bang. 'Ik kan je helpen.' Zei hij met een diepe stem. Ik keek hem raar aan  wie kon mij nu helpen.'Met wat?' Vroeg ik. 'Ik kan je hart van steen maken.' Zei hij. Ik keek hem ongelovig aan. 'En dan ga ik dood.' Zei ik spottend en begon te lachen. 'Nee, je blijft leven alleen zonder gevoelens.' Zei hij. Ik keek raar aan wie kon dat nu doen? 'Echt?' Vroeg ik als bevestiging. 'Ja.' Zei hij. Hij stak zijn hand uit. 'Pak mijn hand aan.' Zei hij. Ik pakte zijn hand en voelde een helse pijn in mijn borstkas. Ik zakte door mekaar maar de man bleef mijn hand vasthouden. Ik wou hem los laten maar hij bleef me vast houden. Hij voelde die helse pijn niet. Ik sloot mijn ogen en toen ik ze opende was de pijn weg. Ik keek de man emotieloos aan. 'Voila het is gelukt.' Zei hij. Ik knikte onverschillig. Toen verdween hij terug in het licht. Ik stond daar even te staren naar het niks Toen besefte ik wat ik net had gedaan. Ik wou geen pijn meer voelen maar nu kon ik misschien ook niet meer blij zijn? Wat had ik gedaan. Maar het was te laat. Ik zou nu als iemand door het leven gaan met een stenen hart. Ik had het koud. Raar de zon schijnt en het is bijna september. Ik haalde mijn schouders op en liep naar huis direct naar mijn kamer. Ik sloot mijn ogen. Misschien viel het nog wel mee. Maar wat de duivel en Owen niet wisten. De vloek kon verbroken worden..

Malikx
0 0

Felidi: hoofdstuk 2

Thijs zat op de trap in een verlaten gang van de school. Zijn hand lag denkend tegen zijn gezicht. Overal waren posters afgescheurd. Op één kon je nog zien dat het over het schoolkoor ging. Hoger op de donkergroene muur waren schilderijen van leerlingen gehangen. Er was er één met een zwaan. Of het leek er alleszins op. Thijs vond dat het wel iets had. Eigenlijk was hij nog nooit eerder naar school geweest. Behalve op de trainingsacademie. Maar dat was meer met wapens vechten dat zittend op een stoel naar volwassenen luisteren. Hij vond het laatste meer een kwelling. Thijs keek even rond in de hal of er niemand te zien was. Als hij merkte dat niemand kwam haalde hij een dolk tevoorschijn. In het handvat kon je een welp van een tijger herkennen. Samen met zijn moeder. Hij draaide het mes zo dat hij de spiegeling van zijn gezicht in de dolk zag. De jeugdpuistjes stonden overal. Hij wilde soms krabben maar besefte dat het erger zou worden. Hoe moest hij dit nu aanpakken? Hij wist bijna zeker dat het ene meisje bij hem in de klas zat. Diezelfde ochtend had een roodharig meisje over haar verteld. In geuren en kleuren. Ze heette Tine of zoiets. De schoolbel klonk luid door de gangen. Thijs zijn hart bonsde in zijn keel. Paniekerig keek hij rond. Is het al zo laat? Hij wilde zijn dolk wegsteken maar in de spiegeling herkende hij het meisje. Zijn hart ging nog sneller. Zou ze zijn dolk gezien hebben? Er zat maar één ding op. Ontvoering. De zon scheen fel in Lieze haar gezicht. Was het dan allemaal een droom? Ze probeerde zich weer te herinneren wat er gebeurd was. Nee, het was echt. De halsketting rond haar nek was het bewijs. Ze slaakte een zucht. Ze voelde met haar handen aan het gras dat onder haar lag. Het gaf een prettig gevoel. Het deed haar denken aan vroeger. Toen ze samen met haar vader door de tuinen holden in het park. Samen vogels spotten, genieten van het zonnetje. Ze moest zeker in slaap gevallen zijn in de tuin van het kot. Na haar gelukte ontsnappingspoging. Ze waren nu waarschijnlijk volop op zoek naar haar. Hier konden ze haar nooit vinden. De tuin was omringd door drie bakstenen muren. Op één hing een vogelhuisje. Die had ze samen nog eens beschilderd met Tina. Tina! Ze moest haar vertellen wat er gebeurd was. Maar ze twijfelde. Wat als ze haar niet wilde geloven? Oké ze deelden alles met elkaar maar dit? Lieze stond recht en liep naar binnen. Ze nam haar gsm bibberend in haar handen. Ze zal waarschijnlijk nu middag hebben. Ze tikte haar telefoonnummer in en in haar oor hoorde ze de gsm afgaan. Ze hoorde de vertrouwde stem van Tina aan de andere kant van de lijn. 'Tina, ik moet je wat vertellen' zei ze met een bibberende stem. 'Laten we naar de bibliotheek gaan?' stelde Tina voor. 'Ik weet niet.' antwoordde Lieze. 'Je kan moeilijk negeren wat er gebeurd is hé.' Tina had gelijk. Het zou sowieso niet bij die ene keer blijven. Ze waren naar haar op zoek en ze kon haar niet eeuwig verstoppen. 'Lieze? Ben je er nog?.' hoorde ze Tina zeggen. Maar haar keel leek dichtgeknoopt. Het maakte haar bang. Deze morgen was ze nog ontvoerd en nu waren ze terug naar haar opzoek. Misschien wilden ze haar vermoorden. 'Oké Tina, ik ga mee!' Lieze liep naar de hal en nam haar zwarte jas, sloot de deur en nam haar fiets. Ze spurtte naar de bibliotheek aan het einde van de straat. De zon stond laag en Lieze zag bijna geen steek van het verkeer. Tina stond al in de verte op haar te wachten. Haar oranje bos krullen waaide lichtjes mee in de wind. 'Tina!' riep Lieze. Ze sprong van haar fiets en omarmde haar stevig. 'Je moest eens weten hoe bang ik daar ben geweest. Ik heb je gemist.' zei Lieze opgelucht. Haar tranen branden achter haar ogen. De hele ochtend wilde ze huilen, schreeuwen... Maar ze wist dat het snel voorbij zou zijn. Nu durfde ze zeker nooit meer onder Thijs zijn ogen te komen. Dat Tina bij hem geslijmd had was nog het minst ergste. 'Als we informatie en bewijzen kunnen vinden en hen aangeven aan de politie is alles voorbij.' probeerde Tina haar te troosten. Ze wreef met haar hand tegen Lieze haar rug. 'Misschien kunnen we beter naar binnen gaan.' stelde Tina voor. Samen wandelden ze het grote gebouw binnen. De muren waren binnenin betegeld met lichte tegeltjes. Op sommigen stond een kleine tekening. Boven hun hing een grote kroonluchter met duizenden kleine diamanten die door het licht van buiten erg glinsterden. Een vreemde inrichting voor een bibliotheek dacht Lieze. Ze wandelden samen door de gangen van boekenkasten. Het rook naar inkt, papier en stof. 'Hier is iets!' zei Tina. Er hing een bordje op de boekenkast waarop in witte letters katachtigen geschreven stond. Lieze liet haar vingers langs de boeken glijden. Maar geen enkele titel beantwoordde aan haar eisen. Ze begon zelfs te niezen van al het stof dat vrij kwam van de boekenplanken. Waarschijnlijk werd hier nooit gekuist. 'Wacht, ik zal eens naar de bibliothecaresse gaan. Misschien heeft zij wel belangrijke informatie.' zei Tina vrolijk. Terwijl ze weg huppelde zocht Lieze verder. Haar ogen vielen op een blauw boek met witte letters. In het groot stond op de voorkant Tijgers en toverkracht geschreven. Ze opende het boek en een stofwolk kwam tevoorschijn. Lieze begon nog erger te hoesten als hiervoor. Er werden hier en daar wel eens tijgers gespot die later in mensen veranderden. Maar nooit kon iemand een bewijs geven van deze vreemde wezens. Lieze wist genoeg. Ze bladerde nog even verder tot ze voetstappen hoorde. In paniek stak ze het boek onder haar truitje. Tina mocht absoluut niet weten dat ze meer wilde weten over Felidi. Want dan zou ze ongerust zijn en haar tegenhouden. Maar iets zei haar dat ze gewoon moest verder doen wat er ook gebeurde. 'Lieze, ik heb goed nieuws!' riep Tina. In haar handen lag een groot rood boek. Gouden, sierlijke letters versierden de voorkant. Alleen was niet duidelijk wat er stond. De letters leken uitgeveegd en precies onzichtbaar. Op de achterkant zaten acht gaten. 'We mogen het boek houden!' voegde Tina eraan toe. 'Maar wat staat erin?' vroeg Lieze. Tina prulde aan het slot maar het gaf niet prijs. Teleurgesteld keken ze allebei naar het boek. Lieze wist bijna honderd procent zeker dat het met Felidi te maken had. Maar dat het boek niet openging was toch irritant. 'Ik heb een idee!' zei lieze. 'Een slotenmaker!' 'Ja, maar waar weet je één zijn?' 'Buiten de stad. Maar twintig minuutjes met de fiets.' 'Dat is wel ver.' 'Komaan Tina, we gaan toch niet terugkrabbelen?' 'Je hebt gelijk!' Ze wandelden samen buiten. Het deed goed om even weer frisse lucht in te ademen dan die vuile stof. Lieze liep richting haar fiets en wilde de sleutel in het slot steken. Maar in haar ooghoeken zag ze iemand. Wel iemand zeer bekend. 'Tina! Bukken!' gilde Lieze. Tina klom achter een geparkeerde auto naast Lieze. Ze keken samen door de ruiten van de auto. Thijs liep zoekend over het pad van het park. 'Wat is er Lieze?' Vroeg Tina verward. 'Degene die mij ontvoerd heeft loopt daar.' 'Wat wil je nu doen? Je kunt je niet eeuwig verstoppen.' 'Nee, ik wil bewijzen hebben om naar de politie te gaan en dan kan ik stoppen met verstoppen.' 'Maar hoe weet je zeker dat hij hier alleen is?' Daar had Lieze inderdaad nog niet over nagedacht. Vluchtig keek ze rond maar ze herkende niemand. Iedereen kon een spion zijn. Zelfs een oude vrouw met een boodschappentas. Ze kreeg het benauwd. Wat als hij haar weer te pakken kreeg. Misschien deed hij dan wel vreemde experimenten met haar. Voor haar ogen zag ze hoe ze vastgeketend zat terwijl ze de dokter zag rommelen met wat buisjes. Met haar hand probeerde ze haar gedachten weg te vegen. Ze mocht zeker niet negatief denken. 'Tina, je moet hem afleiden!' 'Hoe wil je dat ik dat doe?' 'Praat met hem over het weer ofzo.' Ze zag Tina twijfelen. Haar hand hing denkend naast haar gezicht. Zonder een woord te zeggen stond ze op en liep op Thijs af. Lieze slaakte een zucht. In de verte zag ze hoe Thijs haar probeerde te ontwijken. Maar Tina gaf niet prijs. Nu was haar kans. Lieze sprong recht en rende de straat over. Maar één ding was ze vergeten. Auto's reden op straten. Twee grote koplampen kwamen op haar af. Een gil deed iedereen op straat verstijven. Ze voelde hoe het koude ijzer van de auto haar raakte. Ze voelde hoe ze lichtjes zweefden en hoe heel de straat rond haar draaide. Haar ketting raakte de grond en barste. Dit kon zeker niet goed zijn. Overal voelde ze steken en pijn. Ze voelde hoe er overal weer haar verscheen op haar lichaam. Ze transformeerde zomaar op straat! In haar ooghoeken zag ze Thijs op haar afrennen. Ze wilde rechtklimmen maar ze had bijna geen gevoel in haar been. Waarschijnlijk lag hij er ergens afgescheurd op straat. Zwarte bolletjes vertroebelde haar gezicht. Ze wilde er tegen vechten. Maar het lukte niet. De bolletjes wonnen...

Lentinaxxx
0 0

Felidi: hoofdstuk 1

Ik word wakker. Een straaltje licht springt me in de ogen. Ik moet toch dringend eens leren vroeger te gaan slapen. Als sinds vroeger voel ik dat ik beter ’s nachts wakker kan blijven dan in de dag. Ik besluit op te staan en naar beneden te gaan. Ik nam een blauw topje en een jeansbroek uit de kast, holde de trappen af richting de ontbijttafel. 'Goeiemorgen!' riep een lange jongen uit de hal. Zijn bruine haar was helemaal in de war van de wind. 'Ik ben even wat broodjes bij de bakker gaan halen!' zei hij overtuigend. Thomas overhandigde de warme zak aan Lieze en rende de trap op. Ze leefde nu al een jaar samen met wat vrienden op kot, maar ze vond Thomas nog steeds redelijk asociaal. Niet dat ze dat zo erg vond. Integendeel. Ze vond hem best wel knap. Zijn bruine haar en zijn groene ogen. Haar dromen dreven weg met de stilte die in de gang heerste. Maar niet voor lang. 'Hey beest, waar is Belle?' riep een andere jongen van boven. 'Erg grappig Hannes.' Lieze probeerde het te negeren door naar de woonkamer te gaan. Ze kon Hannes niet uitstaan. Maar omdat Thomas wilde dat Hannes hier bleef wonen moest het maar. Zijn vader was tenslotte eigenaar van het pand. Lieze sprong in de zijdezachte zetel en begon wat te zappen terwijl ze genoot van een kom cornflakes met melk. Ze ging haar laatste minuten niet besteden aan het discussiëren met Hannes. Ze had geluk dat er weinig wind stond en dat de winter nog niet echt begonnen was. Lieze hoorde in de verte de schoolbel gaan. Weeral te laat voor school. Deze keer zal ze waarschijnlijk strafstudie krijgen. Ze spurtte met haar fiets richting de fietsenstalling in de hoop dat ze nog op tijd zou zijn maar ergens wist ze dat het toch al te laat was. Verderop stond Tina haar al trouw op te wachten. Ook al was Lieze te laat, Tessa zou nooit zonder haar verdergaan. Zelfs als de school in brand stond. 'Lieze! Heb je die nieuwe jongen al op school gezien? Een ene Thijs?' Glunderde ze. 'Nee, waarom?' 'Omdat ik denk dat hij jou type is.' 'Tina, daar heb ik nu echt geen tijd voor.' Lieze zette haar fiets op slot en wandelde het schoolgebouw in. In de muren van het gebouw waren Mariabeelden gehouwen. Op de rode bakstenen hing kauwgom. Soms zelfs graffiti. Lieze walgde telkens als ze het zag. 'Komaan, hoe lang ben je nu al weer single' probeerde Tina nog een keer. Plots stopte Lieze midden in de schoolgang en draaide zich om. 'Moet jij zeggen. Je bent zelf single' zei Lieze met een verontwaardigde toon. 'Ja, maar een maand geleden had ik nog een vriend.' Lieze negeerde haar en liep verder naar het lokaal. Ze vond Tine echt geweldig. Behalve het deel dat wilde dat Lieze een vriendje had. 'Even terzijde, hij zit in onze klas' voegde Tine eraan toe. 'Je hebt toch niet zitten slijmen over mij bij hem hé?' vroeg Lieze. 'Te laat.' 'Met jou kan ik toch ook nergens komen.' Lieze klopte op de deur van het lokaal en haalde de klink naar beneden. Alle leerlingen waren nog hun schoolboeken aan het uitpakken. In de hoek zag ze de zogezegde nieuweling zitten. Hij zat helemaal alleen in de hoek van de klas. Zijn lichte blonde haren waren met gel in vorm gebracht. Zijn gezicht zat vol sproeten met hier en daar een puistje. Ze deed hem denken aan een oude vriend die ze had. Tina had inderdaad gelijk. Maar dat gaf ze natuurlijk niet toe. Ze plaatste haar rugzak op de grond en ging zitten. 'Klas, mag ik jullie voorstellen aan een nieuwe leerling. Thijs, kom je even naar voor?' Vroeg de leerkracht van godsdienst. Thijs stond traag op. Ze kon aan zijn gezicht zien dat hij zenuwachtig was. Lieze luisterde niet naar zijn uitleg en probeerde te slapen op haar tafel die volgekrabbeld stond met tekeningen. Maar Thijs zijn blik hield haar in de greep. Zijn blauwe ogen doorgronden haar. Ze keek snel naar achter om te zien of hij naar iemand anders staarde maar er zat niemand achter haar. Alleen een lege stoel en een poster van wiskunde hing op. Ze raakte in de war. Wat gebeurde er? Ze kreeg het gevoel dat haar hersenen blokkeerden. Toen ze terug keek was zijn blik nog steeds op haar aan het rusten. Vreemd dacht ze. Ze probeerde zo snel mogelijk te vergeten wat er gebeurd was. Thijs wandelde een grote zaal binnen. Op de muren waren gouden draken geschilderd die leken te kronkelden door heel de kamer. In het midden stond een ovale tafel met wat stoelen er rond. Een oude kast vulde de leegte in de kamer. Hij nam plaats en tegenover hem zat een iet wat oudere man rond de vijftig jaar. Hij had een lichte baard en een snor die uitmondde op een krulletje langs beide kanten. Zijn amberkleurige ogen keken hem doordringend aan. 'Ik heb een opdracht voor je' zei de man. Thijs bleef roerloos zitten. 'Ik wil dat je de laatste agent zoekt. Ze zit op de Sint-Jonathan school. We hebben je ingeschreven voor deze school. Ze zal je toekomstige partner zijn voor de rest van je leven. Maar onthoud, ze mag voorlopig niets weten. Dus wees op je hoede.' Thijs knikte en stond recht. Zo stil mogelijk liep hij de kamer uit. Hij sloot de deur en vertrok. De bel ging en iedereen liep naar zijn of haar lokaal. Hoopjes mensen stroomden door de gangen. Lieze vloekte. Zo kwam ze zeker te laat in de volgende les. Ze moest een binnenweg zien te vinden. Ze keek vluchtig rond. Ze merkte een oude gang op die leidde precies naar haar lokaal. Ze zette het op een loopje. Niemand anders was in deze gang. Maar toch kreeg ze het gevoel dat ze gevolgd werd. Ze keek achterom. Maar er was niemand te bespeuren. Op de donkergroene muren zag ze toch een schaduw van een jongen. Haar pas versnelde. Ze sloeg af naar links. Opeens voelde ze een hand voor haar mond. 'Wie ben jij?' Probeerde ze te zeggen. 'Wees gewoon stil en volg mij!' fluisterde hij. Zonder te doen wat hij zei beet ze in zijn hand. De jongen zwaaide pijnlijk met zijn hand en blies er lichtjes tegen. Hij had een zwart masker op en droeg een soort van zweep in zijn andere hand. 'Wat heb jij sterke tanden zeg!' Haar hart klopte in haar keel. Maar zonder te twijfelen rende Lieze zo snel als ze kon. In haar ooghoeken zag ze nog net dat de jongen met zijn zweep zwaaide en een blauw licht kleurde de gang. Daarna werd alles zwart. 'Waarom volg je mij?' vroeg Lieze. Een jongen met heldere blauwe ogen stond voor haar. Hij leek een beetje op Thijs. Maar hij had geen sproeten. Hij streelde met de rug van zijn hand haar wang. Zonder iets te zeggen liet ze het gewoon toe. Het liefst van al wilde ze schreeuwen. Maar dat kon ze niet. Haar stem leek geblokkeerd door iets dat ze niet wist. Het leek alsof iemand haar longen dichtkneep. Ze keek achterom en zag een lege stoel. Ze wilde zo graag gaan zitten. Maar dat kon ze niet. Haar voeten leken aan de grond geplakt. Samengesmolten. Toen ze zich terug draaide was Thijs verdwenen en stond Thomas voor haar. 'Thomas? Ben jij dat?' vroeg ze. Maar de jongen antwoordde niet. Hij keek gewoon naar haar. Lieze sprong recht uit haar bed. Ze voelde dat ze plakte van het zweet. Maar toch ook weer niet. Alles voelde zo raar. Ze keek rond en zag dat ze in een spierwitte kamer lag. De muren waren betegeld met witte tegels. Overal stonden machines en knoppen. Sommigen gaven licht en flikkerden. In de hoek van de kamer zag ze een man gehuld in een witte jas. Hij had grijze haren en een enge blik. Plotseling verscheen een glimlach op zijn gelaat. Lieze wilde zo snel mogelijk weg. Ze probeerde met haar vingers de rand van het bed te vinden terwijl ze de man in het oog hield. Maar de man keek naar haar arm. Lieze volgde zijn blik en keek ook naar haar arm. Ze schrok. 'Ik heb overal haar!' Schreeuwde ze. Zwarte op oranje strepen liepen over haar hele lichaam. Ze had geen flauw idee wat er gebeurde. Stiekem hoopte ze dat het een droom was. Een droom waaruit ze ontwaakte zodat ze nooit meer moest terug komen. Maar alles leek te echt om een droom te zijn. Er klonk geklop op de deur. De klink ging naar beneden en vanachter de deur kwam een wel zeer bekende jongen vandaan. 'Thijs, wat doe jij hier?' Vroeg ze lichtjes geschokt maar hij leek het niet te horen. Duizenden vragen spookten door haar hoofd. Alsof ze langs haar oor naar binnen zweefden en daar bleven hangen. Thijs fluisterde iets van Felidi in het oor van de dokter die knikte. Felidi. Dat moest ze zeker onthouden. Hij overhandigde de dokter een ketting met een diamant. Door het licht dat door het raam scheen glinsterde hij heftig. De dokter liep naar haar toe en ze voelde hoe de ketting rond haar nek werd gehangen. Ze wilde weer iets vragen maar besefte dat ze haar toch niet konden horen. De halsketting begon nog erger te glimmen als hiervoor. De wereld draaide rond zijn eigen as. Wat gebeurde er? Stilletjes aan begon ze zich misselijk te voelen. Wonder boven wonder verdween het haar overal op haar huid onmiddellijk. Hoe kon dat? Ze wreef met haar handen over haar armen. Was dit echt? Ze begon het evenwicht van realiteit en dromen te verliezen. Ze keek naar de ketting die nog steeds rond haar nek hing. Haar hand bibberde terwijl ze de diamant vast nam. In het kristal kon ze de kleuren van een tijger herkennen.

Lentinaxxx
0 0

De lijkbleke intrede

Ik hou van mijn vader, al vergeef ik hem twee zaken nooit: Zijn beide doelpunten tegen Club Brugge en mijn sneeuwwit vel dat ik sinds mijn puberteit als een boetekleed draag. Als kleuter waande ik me nog een stoere witte ridder die met de nodige schreeuw om aandacht zandkastelen bouwt. Maar vanaf de eerste puistjes begroef ik me het liefst achter een anonieme duin. Zo ook het voorbije pinksterweekend in Knokke-Zoute, op de Siësta Beach Club. Een mondaine strandbar waar de sereniteit achteloos moet aanmeren. Maar ik voelde me op het drukste kruispunt van Bombay. Op het spitsuur. Ongenadige blikken, verborgen achter peperdure pilotenbrillen, bombardeerden mijn welbehagen. Ray-Banbliksems. Een stortvloed van napalm bij de rosé. De hele winter had ik me nochtans afgebeuld om de aandacht van m'n kleurenkwaal naar m'n torso te verleggen. Maar drie meiweken antibiotica leverden misschien wel een frisse neus op, het bijbehorende spierverlies bezorgde me een depressie op doktersvoorschrift. Ik arriveerde op het Knokse strand als een Lada op de Mercedes-stand van het Autosalon. Het bleekste model uit Siberië. Kunstmatige hulp vanuit zonnebankcentra weiger ik uit kankervrees. Nochtans worden deze gerund door pitspoezen die je olievoorraad eigenhandig op het juiste peil brengen. Botergeil, maar de wip niet waardig. Hun Braziliaanse tunnels vormen een no-go zone voor mijn universitair geladen zaad. Op hun druk bereden asfalt dat her en der al scheurtjes vertoont, dreigt immers een peperdure tol in de vorm van alimentatiegeld. Vreselijk elitair? Niet zo neerbuigend als hun oordeel over mijn huidskleur. Racisme uit de gepiercete onderbuik van de gebronzeerde samenleving. Met m'n Yacht Week-polo als beschermhoes kwam ik het eerste uur in Knokke-Zoute echter zonder kleerscheuren door. Tot ook deze Einzelgänger voor de groepsdruk en de temperatuur bezweek, overmoedig na de negende Magnum-fles. De collectieve blik op mijn kathedraal in heropbouw voelde aan als een groepsverkrachting. “Ogen dicht en doorbijten,”  fluisterde ik mezelf toe. Dat was buiten de live-verslaggeving op Facebook en deze rake opmerking van een ros Sneeuwwitje gerekend: "Ik ben blij dat ik eindelijk iemand heb ontmoet die bleker is dan mij.”  Mijn weelderig borsthaar fungeerde niet als het gewenste afleidingsmiddel, maar kreeg de status van schaamhaarstruik toegewezen.   Tot overmaat van ramp vuurde ook mijn schrijfpen er met losse flodders. De jetsetlectuur beperkt zich blijkbaar tot Cosmopolitan, echtscheidingscontracten en Viagra-voorschriften. Mijn instant proza verdween al snel in de vuilbak tussen kredietkaartticketjes. Kortom, ik maakte een lijkbleke intrede in de Graaf der Badsteden. Nu schrijf ik dit stuk in de tuin van omalief, waar ik in echte rust het pad der halve naaktheid bewandel. Op weg naar het gekleurde geluk. Benieuwd hoeveel zomers ik daarvoor nodig heb. Hier krijg ik alleszins geen veroordeling aan mijn zwembroek voor mijn gebrek aan een gebruinde sixpack, maar krijg ik onder mijn botten als ik mijn bord niet leeg eet. Het verstand komt met de jaren. Mijn kleurtje allerminst.

Magnus Sørenson
0 0
Tip

Dokschildpad

Een vrouw met heel veel boterhammen en spek en eieren.   Iemand nen boterham met kaas? Hesp? Spek en eieren? Dat was altijd ’t populairste bij de dokwerkers: spek en eieren. Sommigen hadden de chance dat hun vrouwke dat nog voor hun wilde bakken, en de rest kwam naar mij 80 jaar horeca ervaring in de haven heb ik! Wie van jullie kan dat zeggen? Ge moet wel rekenen dat één jaar toog telt voor tien.   ‘k Zou olle geire nen tekst voorlezen die ik samen met de Patrick heb geschreven. ‘k Heb pas laat ontdekt dat dieje Patrick heette. Wij noemde dieje ‘de schildpad’, omdat die zo voorzichtig was. Voorzichtig is nie het juist woord, hij kreeg altijd ’t lichste werk aan de dokken, en ik heb lang gedacht dat dat was omdat het zo’ne voorzichtige was. Later heeft mijn zuster mij verteld dat dat was omdat hij aan den drank zat. Ge ziet dat er nie aan eh. Iemand die dag in en dag uit zuipt, ge hebt nie door dat die constant zat zijn onder uw ogen. Die lijken normaal, nuchter. Alleen zijn goei vrienden wisten dat ge die man geen verantwoordelijkheid mocht geven, of een job waar ge goe bij de pinken voor moest zijn. Maar de rest van den dok dacht gewoon dat hij wat trager was, ne voorzichtige, dus de Patrick was de schildpad.   Wij waren goei maten. Ik vind dat iedere vrouw op een bepaald moment in haar leven achter nen toog moet hebben gestaan. Zoals de mannen vroeger naar ’t leger moesten, awel, zo zouden ze vrouwen verplichte ‘toogdienst’ moeten geven. Alleen zo kan een vrouw ‘de man’ leren kennen. En begrijpen. En leren mee omgaan, dat vooral. Neemt nu de vrouw van de Schildpad. Die kon echt het bloed van onder die zijn nagels halen. Dan ging ze staan dansen op de tafels in hare string! Kom zeg! Ik zou dat nooit doen. Natuurlijk stond ik de tafel daarnaast mee te dansen, maar ik hield mijn kleren aan. Ge moet ne man nie uitdagen. Zij was nie gelukkig bij de Schildpad. Uren kon ze zagen tegen mijne man over haar slecht huwelijk, totdat ik haar op den duur moest gaan vragen: “Wat is’t maske, komt ge mijne man opvrijen?” ’t Is toch waar? Als ’t nie gaat met uwe man, moet ge scheien.   Dezen tekst heb ik samen met de schilpad geschreven. Wij hadden met ons zatte botten ergens nen bik en een papier gevonden, en we waren wa gefrustreerd over de politiek. We vonden dat al die politiekers maar wat uit hunne nek lulden. En we vonden dat er nood was aan een tegenreactie. Dus wij hebben ne speech geschreven. Alé, diejen avond vonden we toch dat da ne speech was. We hebben efkes overwogen om het een “filosofisch betoog” te noemen, maar dat is hem niet geworden.   Ode aan de alcohol heet het:   ‘Dat moment, dat ge voelt dat uw gedachten trager gaan, Dat moment, dat de muziek die ge daarvoor nie echt had opgemerkt, u plots heroïsch in de oren klinkt, dat moment dat ge denkt: ik heb juist het woord “heroïsch” gedacht. dat moment dat iedere muzikant de waarheid verwoord, dat moment dat ge niet weet of ge nu wilt schreeuwen om al uw miserie die ge eindelijk onverbloemd en in zijn volle ondraaglijk grote omvang onder ogen ziet, of juist heel hard wilt lachen omdat ge eindelijk ten volle de relativiteit van uw kleine zorgskes ziet, dat moment dat ge wilt vrijen, omdat ge eindelijk beseft dat lichamelijke liefde het enige van waarde is, dat moment dat ge al uw problemen gaat oplossen, dat moment dat ge al uw emoties gaat tonen, dat moment dat ge eindelijk niet meer met uw kloten gaat laten spelen, dat moment dat ge hem eindelijk ga vertellen dat hij den enigste is, de ware, dat moment dat de wereld onstabiel wordt, dat moment dat ge voelt dat ge eindelijk uw hoofd op de vloer kunt leggen en uw voeten in de lucht, dat moment van bevlogenheid, van heldere inzichten, van gelukzaligheid, van diepe droefenis. dat moment dat ge enkel nog voor u uit kunt staren, naar dat klein stukske toog voor u dat moment dat ge beseft: da stukske hout, die tien vierkante centimeter, eik, het marmer van de bomen, dat stukske hout, met al die nerfkes, en die vlekskes en die druppels bier nog nat, dat is ware kunst.     Rondom u nog een paar nuchtere dwazen, verblind door de speed in hun leven. Gij voelt de echte snelheid: trage waardigheid. verzacht, verdoofd, wankel en scheef. Gij zijt bevrijd van die allesbepalende controle die de hele dag lang een rem is op uw daden. Waarom zoud ge constant freinend van den berg af rijden, als ‘t verdoemme wind tegen was en hard trappen om den berg op te geraken?   Wat zouden wij, arme mensen, zijn, zonder die momenten dat wij eindelijk onszelf eens kunnen overstijgen, dat onze ware gevoeligheid naar boven komt, dat onze ontkende genialiteit ter sprake komt, dat onze haarscherpe visies omtrent de wereldproblematiek, en onze eigen problematieken in het bijzonder, eens uit onze mond komen in plaats van heel den dag in onze kop toerekes te draaien.   Alcohol, gij god van de haven, gij god van Antwerpen, gij god van Vlaanderen, gij god van België. gij enige god die nog nie verboden is onze tempels. Ik aanbid u.   Helder Verstand, gij duivel van alledag, gij demon van de 52-uren week, gij gruwel van de paritaire commissies, van de CAO’s en van de vakbondsverdragen, gij draak van de VDAB, het OCMW en de zogezegde rechtvaardigheid, Laat mij met rust, slaagt me nie rond mijn oren met termen als verslaving en probleem, verveelt me nie met uw bedenkingen, uw nuchtere analyses, uw alwetendheid.   Ja, ge hebt gelijk, gij Helder Verstand. Natuurlijk hebt ge gelijk. Heelder dagen en heelder weken hebt gij gelijk.   Gij, goed brein, dat nooit de doffe troosteloze roes van echte ellende hebt gevoeld, dat nooit de giftige gespletenheid van tormenterende twijfel hebt gevoeld. dat nooit die witten bom van verbijstering, shock en ongeloof over onaanvaardbaar onrecht hebt voelen ontploffen in uzelf, Gij hebt gelijk, ik ben nog maar half mens, nu mijn benen nie meer doen wat ik vraag, nu mijn handen niet meer vastpakken wat ik wil, wie ik wil nu mijn schaamlippen niet meer stijf worden van verlangen, ik ben maar half wie ik zijn kan, maar hoe heerlijk is dat, onmachtig te zijn de plicht te vervullen mijzelf te moeten zijn, mijn slimme, op overleving gerichte zelf.   ’t Kan me  niet schelen dat ik zwak ben nu! ’t Kan me nie schelen dat morgen mijn neus zal bloeden van ’t slaag dat ik krijg omdat ik die trut naast mij eindelijk is zeg waar het op sta: ’t is een jaloerse teef , een arrogane slet, een trut van den bureau, ’t kan me nie schelen dat ik nu een sireen van nen bevriende polies voor mij nodig heb en een sireen van een andere maat bij de polies achter mij om mij veilig en wel in escorte naar ’t café te voeren waar ik de rest van den avond verder zal doorbrengen, om nog zatter te worden, ’t Kan me nie schelen dat ik morgen 25000 frank boete zal moeten betalen omdat ik dat wit autooke voor mij in de prak rijd, ’t Kan me nie schelen dat dat manneke, met zijn lichtblauw hemmeke en zijne roze mottige kop in da wit autooke, morgen een rijkswachterke zal blijken te zijn. Weet ge wat ik hem zal zeggen morgen, slim brein: dat het nie slim is om iemand die zo zat is als ‘k ik klem te rijden op een brug!   Ja, ge hoort dat goed, Helder Verstand: Ik ben trots! Trots op mijn zattigheid! Trots dat ik mij nog kan veranderen in een inefficiënt, latent, parasitair wezen. Trots dat ik mijneigen genoeg kan relativeren om mijn motorische capaciteiten af en toe te reduceren tot die van ne gehandicapte luiaard. Trots dat ik mij kan overgeven aan de complete afhankelijkheid. Trots dat ik kan zeggen: kust mijn klote gij Gezond Verstand! Kust mijn klote, regelneven, regelnichten, klote regelmaatschappij, verziekte regelneukerij, ik ben zat, en ik ben bereid ervoor te boeten! Dank god dat ik een zondig wezen ben.   Mijn psycholoog zegt dat ik problemen heb met intimiteit en vertrouwen, maar zie naar mij, psychozeikerd: ik geef mijn labiele lichaam in handen van al wie rond mij aan den toog hangt. Denk maar niet dat ik zelf nog thuis geraak in deze staat! Denk maar niet dat ik nog verantwoordelijk ben voor wat ik zeg. Ik hang volledig af van wie er rond mij zit, als da geen schoon staaltje van vertrouwen is! En wat is er intiemer dan de kots op te kuisen van uw beste maatje dat tussen uw benen heeft gespouwd.   Psychovrienden hier al bijeen: ik neem jullie in vertrouwen. Ja, mijn vader sloeg mij. Ja, mijn broer sloeg mij. Nee, die littekens op mijne rug zijn nie van mijne vorige ploegbaas, hahaha, nee, die kerf in mijn knie is nie van een ongeval in de dokken.   Psychobroeders, vrienden van den alcohol, nee, ik bedrieg mijne man nie, ja, ik slaag hem, en moest hij een vrouw zijn, hij had al lang bij mij weggeweest, maar hij is de man, en hij kan mij de baas, en hij verdraagt mijn slagen, hij noemt mij een hysterisch wijf, hij sluit mij op in de kelder, en de volgenden dag heb ik ne kater en zijn wij terug gelukkig met twee. Nee, soms kan ik het leven nie aan, maar wat moet ik doen? ’t Schijnt dat ‘zijn’ het enigste is dat er ‘is’.   Vrienden van den alchohol, da zijn geen tranen in mijn ogen, dat is verdampte mout, gegist gerst, gerijpt graan.   Vrienden van den alcool, ik zien olle gere. Ik krijg dat overdag nie gezegd Dan lachen wolle me mekaar, Dan zwanzen we ‘n pak, We draaien mekaar om ’t er iejerst ne kloejet af, maar ’t is gelak ‘k ik het zeg: olle gehavende handen, olle havenloze gezichten, ik zien da gere, ik hoor da gere: olle haperende woorden, olle hachelijke levens. Wolle zijn gelaaik, broeders van den alcool, wolle rede ons hachske, en liever dan gefrustreerd, zijn wolle frivool.   Wolle weten allemoal, vriende van den alcool, d’ er is maar iejen woord dat er écht toe doe in ’t leive, d’ er is maar iejene woare zin van ’t bestoan, Vriende van den alcohol:     Een jaar later is de Patrick gestorven. Hij heeft zijn eigen kapot gezopen. Ne normale mens die voelt dat aan zijn lever, dat het te veel is geweest. Maar de Patrick was zo bij elkaar geslagen door zijn vader en zijn broer vroeger, dat die zijn pijngrens ontzettend hoog laag. Hij heeft een begrafenis van ’t ocmw gekregen. Alleen zijn zus wist dat hij dood was. Maar hij zou dat niet erg gevonden hebben. Zo was de Patrick: “Ik ben content op mijneigen. Ze moeten mij gewoon met rust laten.”   ‘k Vond sunt dat ik het zelf nie wist. ‘K had er gestaan, op zijn koffietafel, met mijn boterhammen. ‘k Had spek met eieren gebakken voor iedereen. Ne mens moet toch afscheid kunnen nemen? Mijne man zei mij: ‘Spaart u spek met eieren maar voor op mijn begrafenis.’   Mensen, pakt weg eh, laat mij hier nie zitten met al die boterhammen. Merci voor ’t luisteren, en in naam van de Patrick: ‘Schol!’  

Leen De Graeve
20 0