Lezen

Oorlogshelden

Hij is er al enkele jaren niet meer. Gestorven aan kanker. Op zijn 65ste. Rookt u of heeft u gerookt? Dat vroeg de dokter toen we bij hem kwamen voor de uitslag van de testen. Ik heb gerookt, ja. Hij haalde zijn schouders op, zuchtte. Wat betekent dat? De dokter keek vreemd. Meneer, het spijt me, u hebt longkanker. In een vergevorderde fase. We willen u meteen behandelen. Hij begreep het niet. Ik zag het aan zijn blik die door de kamer zweefde om uiteindelijk een beetje hulpeloos bij mij te belanden. Wat moest ik zeggen? Je gaat dood? En wel heel snel? Dat was dan ons leven samen? - Het was niet slecht begonnen. Hij was lief toen ik hem leerde kennen. Speels, attentvol. Hij maakte me aan het lachen. Nam me mee op zijn krakkemikkige moto naar Duitsland. Daar brachten we de nacht door op een kamer met twee soldaten die sliepen met hun geweren onder de dekens. Ik was doodsbang, maar hij hield me in zijn armen en stelde me gerust. Steeds opnieuw. Door met hem samen te zijn, kreeg ik een ander leven. We gingen samen dansen. Hij speelde op de accordeon en de mondharmonica en zong grappige liedjes voor me. Ik voelde me vrij, voor het eerst sinds de oorlogsjaren mijn hele familie hadden verzwolgen. Eindelijk uit mijn isolement geplukt. De dagen en nachten zouden alleen maar lichter worden. Dat hij graag een pintje dronk, en meer dan één, kon me toen niet schelen. Piepjong en wereldvreemd was ik. - Het ging allemaal wel goed toen we pas getrouwd waren. Er kwam een dochter. Aanvankelijk verlichtte ze mijn eenzame momenten, maar ze dwong me om opener en spontaner te zijn dan ik wilde. En kon. Hij begon meer te drinken. Kwam nog minder thuis. Het weekloon dat hij ’s vrijdags kreeg, was zondagavond op. Ik leerde de lege melkflessen te verzamelen zodat ik met het statiegeld een brood kon kopen. De oorlog was voorbij, alleen niet voor mij. Lag het aan mij? Was het omdat ik niet begreep hoe je iets van je leven kunt maken? Ik twijfelde, niet in staat de mallemolen van gedachten stop te zetten. Niet in staat mijn gevoelens uit te puren en beslissingen te nemen. - Op een dag stond ik soep te maken met de restjes die ik bij elkaar had kunnen scharrelen en de tranen kwamen weer. Toen hij wankelend, stinkend naar de drank, thuiskwam en me zo zag staan, werd hij heel boos. Snap ’t nu toch eens, zei hij. Mannen hebben sterke vrouwen nodig. Gij, gij doet al jaren niets. Alsof ge niet wilt bestaan. Niet voor uzelf, mij of ons dochter. Ge verspilt de tijd! Ik kon niet stoppen met janken. Ik was geworden wat ik niet wilde. Ik was iemand geworden die hij niet wilde. Niet in staat om te reageren, zweeg ik. Hij gaf het op. Stapte zat op zijn brommer en vertrok. - Twee dagen daarna stond de politie voor de deur. Ze hadden hem gevonden in de gracht, zeiden ze, enkele kilometers verder. Verstopt onder een laagje sneeuw was zijn dronken lijf onzichtbaar gebleven. De alcohol had hem gered, maar niet helemaal. Drie vingers afgevroren. Twee tenen. In coma. Toen ik hem zag liggen in dat witte bed, werd ik voor het eerst in jaren kwaad. Razend. Op hem. Op iedereen. Vooral op mezelf. Ik streelde zijn ongeschonden hand en beloofde hem te vechten. Als er een kans was om deze oorlog te winnen, zou ik die kans de mogelijkheid geven echt te worden. - Het ging niet vanzelf. Integendeel, het was het moeilijkste dat ik in mijn leven al had gedaan. Elke ochtend moest ik mezelf ter orde roepen. Opstaan, aandacht geven, aandacht krijgen. Woordenflarden samenbrengen en communiceren. Vertrouwen. Kijken naar de dag van morgen, niet naar die van gisteren. Na enkele weken werd ik wakker met zijn armen om me heen. Hij snurkte een beetje, zijn hand lag op mijn borst en zijn warmte omhulde me. Heel erg bewust besefte ik dat ik me nog nooit zo gelukkig had gevoeld. Het was geen overweldigend geluk, eerder zachtaardig, stillend. Ik was dankbaar. - De weken werden maanden, de maanden jaren. We werden ouder samen. Onze dochter begon haar eigen leven en we misten haar. Toch, de tijd die daardoor vrijkwam, maakte het ons mogelijk opnieuw een nieuwe start te maken. We trokken erop uit. Met de fiets, niet meer op de moto. Ik voelde me jonger dan ooit. Tot hij kanker kreeg. En me verliet. Ongewild deze keer. - Nu ben ik oud. En alleen. Met de eenzaamheid kan ik wel om. De wetenschap dat we elkaars leven beter hebben gemaakt, dat hij voor mij koos en ik voor hem, sust me als ik ’s nachts wakker word met zijn kussen tegen mijn buik gedrukt. Wij, wij zijn oorlogshelden, zonder twijfel.

Kleine Keizerin
0 0

Vrijheid

'Houd mijn hand stevig vast, laat niet los.’ Mama greep me vast en trok me met zich mee. Met een bang hart liepen we verder. We baanden ons een weg door de omlaag vallende balken. De vlammen likten aan onze hielen. Heel ons huis, dat uit hout bestond, stond in lichterlaaie.Het was ons gelukt, we hadden de uitgang bereikt. Ik keek om me heen en zag dat heel de stad verwoest was, geen enkel huis stond nog recht.Men vocht, men vocht voor hun vrijheid. Wij als gewone burgers hadden bijna geen schijn van kans, we hadden niets om te vechten, het enige wat we hadden was onze haat die ons verder dreef.Met haar handen streek ze door mijn haren. Ze was opgelucht dat we zonder al te veel kleerscheuren waren ontsnapt, maar dan nog was ze bang. Mijn vader vocht mee. Vurig hoopte ik dat hij nog leefde. Dat moest wel, hij was mijn vader, in mijn ogen was hij onverslaanbaar. We gingen hem zoeken. Bij elke stap die ik zette, zag ik vechtende mannen, stervende mannen en mannen die hun ziel hadden losgelaten.Na een tijdje te hebben gezocht zagen we hem. Ik zag hem nog net iemand neerslaan en daardoor ik wist ik nu wel zeker dat hij onoverwinnelijk was. Vreugde bekroop mijn lichaam, ik werd overspoeld door ontzettend veel emoties. Niets was zo mooi dan hem daar zo te zien staan, hem daar zo levend te zien staan.Meteen kwam hij naar ons toegelopen. Zijn tranen van geluk biggelden over zijn wangen. Het was net of ze licht gaven. Die tranen waren de lichtbron in het duister, een lichtbron die er langer had moeten zijn.Zijn ogen schoten open en ik kon het amper geloven. Levenloos viel hij op de grond neer. Met een harde klap drong de waaarheid tot me door, maar ik wilde het niet geloven. Dit kon niet waar zijn, het mocht hier niet eindigen, niet zo. Ik zag hoe een zwaard zijn rug doorboord had. Langzaamaan drong het donkere, rode bloed in zijn hemd, de vlek werd steeds groter en groter, net zoals mijn verdriet.Ik stond aan de grond genageld, wist niet meer wat ik moest doen. Mama liet mijn hand los en rende op hem af. Ze riep, schreeuwde, krijste. Haar verdriet was immens net zoals het mijne. Er rolden tranen over mijn wangen. Ik wilde ook naar hen toe rennen, maar kon het niet. Mijn benen lieten het niet toe en zeker niet toen ik zag wat ze met mijn moeder deden.Aan haar haren grepen ze haar vast waarna ze haar met een grote kracht tegen de grond gooide.'Mama!’ krijste ik. Ik wilde haar stem horen, ze moest reageren. Ik kon niet op één nacht mijn beide ouders verliezen. Zij waren mijn alles. Ik hield van hen en zij van mij. Dit mocht niet zo aflopen.'Elisabeth, vlucht!’ Ik had haar nog nooit zo angstig gezien. ‘Vlucht!’ Haar woorden werden gestopt, haar keel werd overgesneden.Ik was stomverbaasd, ik kon gewoon niet vatten wat er zojuist gebeurd was.De man die haar had vermoord keek me aan. Het was de commandant. Was hij diegene die dit gedaan had? Waarom? Dat was de enige vraag die toen door mijn hoofd ging. Gedurende een lange tijd keek hij me aan, maar medelijde zag ik niet. Deze man toonde geen enkele emotie. Hij liet het voor wat het was, nam zijn paard en verdween toen in de donkere nacht.Ik begon te roepen en rende nu wel naar mijn ouders toe. Ik moest hen wakker zien te krijgen, er moest een manier zien. Ik liep, maar werd toen met een ruk tegengehouden. Iemand tilde me op en legde me over zijn schouder waarna we verdwenen in het bos.

Rode_roos
0 1

En ze leefden nog lang en gelukkig

Er zijn mensen die beweren dat ze nooit iets zullen doen dat tegen hun principes ingaat. Ze hebben het mis. Mensen die dat beweren hebben nog nooit voor die keuze gestaan.  Er zijn mensen waarvoor je al je principes opzijzet. Waar je onvoorwaardelijk alles voor doet.  Zij was zo iemand.  Ik leerde haar kennen in een park, het was lente, één van de eerste echte zachte dagen van dat jaar. Ik herinner me haar graag zoals toen. Gewoon een meisje, blij met de eerste lentedag. Ze droeg een bloemetjesrok -achteraf zou ik te weten komen dat het haar favoriete kledingstuk was - en liep op blote voeten tussen de bloemen. Ze was vrolijk, zoals alleen zij dat kon zijn.  We praatten. Ik herinner me niet meer waarover, dat is ook niet belangrijk. Het belangrijkste was zij.  Ik denk niet dat ze het ooit beseft heeft maar vanaf dat moment kon ik niet meer zonder haar.  Ze had me alles mogen vragen, ik had het gedaan zonder over de gevolgen of effecten na te denken, alleen om haar te helpen. Maar ze vroeg niks, dat deed ze nooit. Ze was een van die zeldzame mensen die je spontaan je hulp aanboodt. Nooit heeft ze iets moeten vragen, alles kwam vanzelf op haar af, als ijzer op een magneet.  Jammer genoeg trok ze ook mensen aan. Ik was slechts één van de vele die ze door zichzelf te zijn om zich heen had verzameld. Ze zag alleen de goede dingen in de mensen, het werd haar ondergang. En haar ondergang werd de mijne. Op korte tijd werden we goede vrienden. Niet meer. We deden dingen die vrienden samen doen en daar bleef het bij. Vaak heb ik me afgevraagd hoe alles zou gelopen zijn wanneer we meer waren geweest dan enkel vrienden.  Het is niet dat ik niet wou, of zij. We wisten het gewoon niet van elkaar. Dus gingen we maar verder, als vrienden, en elk onze weg. Zij leerde hém kennen en ze werden meer dan vrienden. Omdat hij het haar durfde zeggen.  Ik bleef alleen en zag haar veel minder. Ik heb geprobeerd hem af te schilderen als een duivel en haar als het onschuldige meisje, maar de waarheid was dat hij haar echt graag zag. Alleen jammer van die vrienden. Ze bleef bij hem, ondanks alles. Sommigen hebben haar verweten naïef te zijn, maar zelfs als ze dat niet was geweest was ze waarschijnlijk gebleven. Ze zag immer alleen de goede dingen. Of wilde alleen de goede dingen zien. Maakt dat haar schuldig? Ik oordeel er niet graag over. Uiteindelijk kwam ze in een situatie terecht waar ze nooit in terecht had mogen komen.  En ik verwijt mezelf nog steeds dat ik het niet eerder zag. Tegen de tijd dat ik haar er weghaalde was ze veranderd. Ze was niet langer naïef en vrolijk. Ze was in de war en alleen en ver voorbij het punt waarop  ik haar nog kon helpen. Dus bracht ik haar naar de dokters en hoopte dat zij konden verwezenlijken wat ik niet kon.  Ze wist wat ik deed en ze heeft me nooit iets verweten maar toch brak het mijn hart. Toen ik haar daar achterliet veranderde alles. Ik bezocht haar elke week en zag geen verbetering. De dokters beweerden het tegendeel maar ik begreep dat ze logen om mij te beschermen. Steeds vaker vertelden ze mij dat ik haar niet kon zien.  Ik trok mijn conclusies en vervolgens ten strijde.  Het had mooi geweest mocht het op een lentenacht gebeurd zijn, maar het was november en het regende.  Ik slaagde toch.  Haar adem stokt, bijna regelmatig en het houdt me uit mijn slaap. Daarom schrijf ik alles maar neer. Ik weet niet wat morgen brengt, een nieuwe dag is genoeg.  Want we hebben niet zo heel erg veel nodig, vooral elkaar en een wolkje hoop misschien.  Zodat ik later zal kunnen schrijven: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig...’

Juffrouw Vee
0 0

Avond

Nonchalant gooit ze de zapper op de zetel en loopt terug naar de keuken. Tegen de tijd dat ze de koelkast opentrekt flitst het nieuws van de dag achter haar voorbij. Zoals altijd weigert de wereld trager te draaien, alleen maar omdat zij even niet kan volgen - zoals altijd lijkt het alsof iemand daarboven zijn middelvinger naar haar opsteekt. 'Niet dat die ook maar iets anders doet dan het licht aan- en uit doen', denkt ze cynisch terwijl ze naar haar voedselvoorraad staart.  Terwijl op de achtergrond een dramatisch stukje muziek opklinkt, ongetwijfeld ter ondersteuning van een enkele hartverscheurende beelden, neemt ze een potje witte yoghurt vast en vraagt zich radeloos af of er niks decadenters verscholen ligt in deze ijzige grot.  Met een klap slaat ze de kast weer dicht, scharrelt een lepeltje uit een schuif en staart even uit het keukenraam. Er vliegt iets voorbij, ze ziet niet goed wat, maar hoopt dat het de weg naar huis vindt.  De dag is aangekomen op dat punt dat alles tussenin is: nauwelijks nog dag, nog lang geen nacht. Haar gedachten blijven even hangen bij de bijna afgelopen dag, die net als alle andere onvermijdelijk in een nacht zal overgaan.  Met enige moeite verlegt ze haar aandacht weer naar haar niet zo decadente dessert. De yoghurt lijkt minder zoet te smaken dan anders, maar misschien is dat alleen maar in haar hoofd. In elk geval moet ze morgen naar de winkel, en hopen chocolade inslaan.  Het potje is veel te snel leeg. Teleurgesteld laat ze het in de vuilbak verdwijnen, zoekt haar lievelingsplekje in de zetel dan maar op en trekt een deken over haar benen. Zonder echt na te denken, grijpt ze een boek dat in de buurt ligt en slaat het open op een willekeurige pagina.  Ze zit een beetje te bladeren en leest hier en daar wat gemarkeerde passages. Een halve herinnering komt bovendrijven, maar voor die echt vorm heeft kunnen krijgen schrikt ze op.  Haar blik schiet opnieuw naar het raam, de schaduw die ze net niet zag was niet van iets onschuldigs fladderend. Ze knijpt haar ogen een beetje samen en komt overeind.  Haar hart klopt in haar keel terwijl ze naar het raam trippelt, ook al vertelt ze zichzelf dat het niet kan zijn wat ze denkt dat het is.  Dat het niet kan zij wie ze denkt dat het is.  Een jaar is het ondertussen, exact een jaar.  Exact een jaar geleden dat hij het wél was aan het raam.  Exact een jaar geleden dat ze hier stond, zich afvragend waar dat naartoe ging. De realiteit haalt haar in als ze de deur hoort opengaan.  Bijna onbezorgd struint hij de kamer in, zijn mondhoeken heel lichtjes gebogen, de twinkeling nog niet helemaal uit zijn ooghoeken verdwenen. Onbewust struikelt ze een stap achteruit als hij haar een kus op haar wang geeft, en ze voelt hoe iets in haar begint te koken. ‘Ik was in de buurt’, glimlacht hij. Bewust stapt ze nu terug naar voor, ze haalt uit, stompt haar vuist in zijn buik, geeft hem geen tijd om te reageren en stompt hem nog eens. Het duurt tot de vijfde of zesde slag voor hij reageert, maar in plaats van haar weg te duwen sluit hij zijn armen om haar heen zodat haar vuisten hem niet meer kunnen raken. Ze mompelt wat onverstaanbare woorden in zijn borstkas, en wordt alleen maar kwader van zijn zachte lachje in haar oor.  Tegelijkertijd is hij warm, en zij koud, en wil ze niet dat hij haar loslaat. Uiteindelijk doet hij het toch, tergend traag, tot alleen haar polsen nog losjes in zijn handen liggen. Ze rukt haar rechtse arm los en draait zich van hem weg, maar de greep op haar linkerpols verstrakt weer en haar beweging stopt ergens halverwege. Met een ernstige blik in zijn ogen kijkt hij haar aan. Ze steekt haar kin een beetje naar voren en doet alsof ze het fotolijstje aan de muur véél interessanter vindt dan wat hij haar te vertellen heeft.  ‘Ik heb je gemist’, fluistert hij zo eerlijk dat ze het amper kan geloven. Ze zwijgt, maar dat is voor hem genoeg om te weten dat zij hem ook heeft het gemist, al verbiedt haar trots haar dat zo expliciet te zeggen.  Haar blik fladdert van het kadertje naar zijn wenkbrauw, terug naar de foto, naar zijn ogen. Hij aarzelt even, glimlacht dan flauwtjes en slaat zijn ogen neer.  ‘Waar was je?’ fluistert ze met schorre stem. Zachtjes schudt hij zijn hoofd, haar vraag negerend of iets moeilijkers wegvagend, ze laat het dan maar in het midden. Haar wenkbrauwen trekken samen, ze rukt haar pols uit zijn hand en laat hem in de keuken achter. Een tel blijft hij met zijn rug naar haar toe staan, alsof hij deze reactie niet had verwacht en met zichzelf overlegt wat hij nu moet doen. Ze stampt naar de woonkamer, ploft neer op de zetel en trekt haar deken om zich heen - hij bekijkt het maar. Na enkele seconden volgt hij haar dan toch en gaat wat onbeholpen op een veel te klein hoekje van de sofa zitten. Ze trekt haar deken zo ver mogelijk van hem vandaan maar negeert zijn blik niet langer. ‘Je kan niet....’ Er is een korte aarzeling in haar stem, ze maakt een korte armbeweging die vanalles kan betekenen en kijkt weer naar het televisiescherm.  ‘Ik kan niet wat?’ vraagt hij zacht, strekt zijn arm wat uit en raakt een tipje van haar deken aan. ‘Je kan niet zomaar terugkomen en en-’ Met enige moeite onderdrukt ze de neiging naar zijn uitgestrekte hand te trappen, in plaats daarvan probeert ze in haar blik te leggen wat ze zo moeilijk kan uitspreken.  Ze is er niet helemaal zeker van of het op hem overkomt zoals ze het bedoelt heeft maar deze keer geeft hij wel een duidelijk antwoord. ‘Ik ben weggegaan omdat dat moest, teruggekomen omdat ik van je houd. Je doet ermee wat je wil, maar je mag dat wel weten.’ Een brok rauw verdriet die ze te lang heeft weggemoffeld is plots weer duidelijk aanwezig. ‘Doe niet alsof het zo verschrikkelijk eenvoudig is, dat is het niet, dat is het nooit geweest en dat is het nu zeker niet meer.’  ‘Waarom niet?’ vraagt hij zacht, ‘jij bent hier, ik ben hier, we weten allebei dat degene waarmee we over twintig jaar op enorm saaie familiebezoeken willen zitten, recht tegenover ons zit.’  ‘Zo werkt het niet’, antwoordt ze, haar stem schril en een vuur in haar ogen, ‘hoe kan ik nu met jou oud worden als ik niet eens weet wie je bent - als ik niet zeker weet dat je niet morgen weer vertrekt, omdat dat zo werkt voor jou!’ Hij schuift dichter naar haar toe en laat zijn onderarm op haar knie rusten, buigt dan nog niet iets dichterbij en fluistert net naast haar oor: ‘Omdat ik weet dat jij ook van mij houdt en omdat dat soms gewoon voldoende is.’  Ze legt de tippen van haar vingers nog net op tijd op zijn mond. ‘Nee’, fluistert ze, kijkt hem aan met een trieste waas over haar ogen en leunt met haar voorhoofd tegen het zijne, ‘dat was genoeg, ooit. Ik kan je niet zomaar mijn hart op een gouden schoteltje aanbieden en hopen dat je het deze keer niet zal laten vallen.’ ‘Je hebt gelijk, ik verdien geen tweede kans, maar misschien heb jij nog wel recht op een onvoorwaardelijke liefde.’ Verward knippert ze met haar ogen, en laat zich gedwee afleiden door de televisie. ‘Hoezo onvoorwaardelijk?’ mompelt ze dan, ‘Ik dacht altijd dat onvoorwaardelijk betekende: wat er ook gebeurde. Niet dat je wegloopt zonder ook maar uit te leggen waarom. Ik dacht dat-’ Haar stem stokt, en ze veegt ruw met de rug van haar hand over haar wang. Voorzichtig neemt hij de hand in de zijne en wrijft met zijn duim cirkeltjes in de palm. Haar buik maakt een sprongetje, hij kent haar zwakke plek nog. ‘Jij denkt teveel, dat is het probleem’, glimlacht hij zachtjes. ‘Ík ben hier het probleem niet’, reageert ze scherp en probeert haar hand terug te trekken. Hij is niet van plan haar te laten gaan, niet voor hij alles heeft geprobeerd. ‘Het probleem was dat ik hier niet was… maar nu ben ik hier.’ ‘En morgen?’ vraagt ze. ‘En volgende week? En volgend jaar? Waar ben je dan?’ Hij schudt zijn hoofd -niet echt als reactie op haar vraag- en streelt met zijn duim over haar gezicht.  ‘Als je me niet meer wil, dan begrijp ik dat… maar zeg eens eerlijk, het is een jaar geleden en… je zit hier nog steeds alleen.’  Ze valt stil, staart naar haar knieën en doet een poging nonchalant haar schouders op te halen. Ze zou nu heel kwaad moeten worden, maar hij heeft gelijk: ze heeft al die tijd op hem gewacht. Alle rede lijkt uit haar weg te vloeien als ze opnieuw in zijn ogen kijkt. ‘Kan het leven echt zo eenvoudig zijn?’ Er trilt een glimlach rond zijn mondhoeken.  ‘Waarschijnlijk niet, maar wij kunnen de uitzondering zijn.’ Vermoeid trekt ze hem wat dichterbij en hij legt snel een arm om haar schouder. Na een ogenblik van laatste twijfel gooit ze hem een stuk van haar deken toe. Hij houdt haar stevig vast, duidelijk niet van plan haar snel weer los te laten. Voorzichtig, bang dat hij weer eens het verkeerde zal zeggen, buigt hij zich nog dichter naar haar toe en beantwoordt dan toch nog haar vragen: ‘Morgen ben ik hier’, mompelt hij stil, ‘net zoals daarna.’ Zijn woorden zijn eigenlijk overbodig, ze was overtuigd toen ze besefte dat ze niet zonder hem wou leven. Misschien was dat waar ze al die tijd op had zitten wachten, iemand die haar kon overtuigen en al haar rationaliteit eenvoudig wegvagen. In elk geval is dat’ op dit moment voldoende: hij, morgen en daarna.

Juffrouw Vee
0 0

Ochtendspits

Ochtendspits   De ochtendspits is het moeilijkst. Je bent nooit verder van huis. Tegelijk bezit je dan nog het meeste veerkracht. Schoorvoetend. Jos stapt binnen. Mompelt iets onverstaanbaars. Mevrouw Vangeneugden is er al. Hij hangt zijn jas en hoed zorgvuldig aan de haak. Opent het bovenste knoopje van zijn hemd en neemt plaats. De ochtenduren zijn het moeilijkst, denkt hij. Mevrouw Vangeneugden is druk in gesprek. Tegelijk pingpongt haar blik over de twee opengeklikte vensters op haar scherm. Ze schrollt wat op en neer. Kribbelt aantekeningen op haar onderlegger. Zucht. Rolt met haar ogen. Tikt met haar nagels. Bijt op haar tong. Haakt in. Wat volgt is wellicht het verslag van de zojuist beëindigde conversatie. Op den duur slaag je erin om te doen alsof je luistert. Alsof je geïnteresseerd luistert. Je houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt zo nu en dan. Mompelt iets onverstaanbaars. Je wacht tot iemand binnen komt. Om een blauwe bic te bestellen bijvoorbeeld. Dat gaat dan via de Provinciale Adviesraad voor Materiaalaankopen van de Binnendiensten. En neen, je kan er geen twee tegelijk bestellen. Dat is nu eenmaal zo beslist. Of wil je daarover discussiëren met de Gouverneur die dat persoonlijk zo ondertekend heeft? Nu kan je rustig afdwalen. Verdwijnen achter de twee hoopjes ‘te kopiëren’ documenten. De ochtendspits heeft zo zijn voordelen. Je kan dan rustig achter je muurtje de krant lezen. Mevrouw Vangeneugden schraapt haar keel als het diensthoofd in aantocht is. Ze heeft ogen gelijk een pad. Of was het gelijk een vlieg? Die dingen zijn zo inwisselbaar. Je bewaart het muurtje zo lang je kan. Je koestert het. Op strategische momenten neem je een blad van de stapel. Je legt het terug. Je verplaatst de muur wat naar achteren. Bekijkt het resultaat. Zo is het goed. Je neemt opnieuw een blad van de stapel. Telefoon. Je legt het blad terug op de stapel. Wacht tot het drie keer gerinkeld heeft. Immers: minder dan drie keer laten rinkelen = Je hebt niets te doen. Meer dan drie keer laten rinkelen = klantonvriendelijk. Voor je het weet zit je weer op een muffe cursus. Ze moesten maar eens mee luisteren. Meer dan vier keer laten rinkelen = Mevrouw Vangeneugden schakelt de oproep over naar haar toestel, werpt je een verwijtende blik toe en handelt het zaakje op professionele wijze af. Dat laatste vertellen ze je niet op de cursus. Dat ondervind je. De blikken verzamel je in de metalen kast. Voor als je gepensioneerd bent en confituur gaat maken. Goed. Terug naar de muur. Je wentelt je behaaglijk in het gras, aait de wolken met het grassprietje tussen je tanden, gomt de schaduw van de muur uit. De zon kust je gelaat. Je sluit je ogen. Mevrouw Vangeneugden haakt in. Je springt recht. Neemt opnieuw een blad van de stapel. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Je zou kunnen uitrekenen hoeveel bladen je per uur van de stapel neemt. Dat zouden er bijvoorbeeld, laat ons zeggen, twintig kunnen zijn. Om de drie minuten een blad. Drie minuten per blad. Dat zijn 180 seconden. Hoe geloofwaardig is het om 180 seconden naar een blad te kijken dat enkel gekopieerd moet worden? Wat zou je je kunnen afvragen in die eeuwigheid? Je hebt immers een reputatie hoog te houden. Voor je het weet stelt men zich de vraag of je hetzelfde werk niet in een deeltijdse betrekking zou kunnen uitvoeren. Dat wil je vermijden. Jos leunt naar achter. De voorste twee poten van zijn stoel verlaten de grond. Tonen hun zolen. Mevrouw Vangeneugden kijkt streng over haar bril uit. Schudt haar hoofd. Dat doen moeders. En een moeder, dat is ze. Ze heeft haar eigen kroost. Ze heeft haar problematische pleegkinderen. Ze heeft de groentjes van de dienst, die ze stiekem van twee blauwe bics voorziet. Dat heeft ze dan op haar duimpje. Maar dat besef je pas later. Ze heeft de oude zakken. Die voorziet ze van empathie. En een pil als het echt te veel wordt. Jos laat zich verder naar achter zakken. Leunt tegen de kreunende metalen kast. Denkt aan confituurpotten. Aardbeiengelei is lekker. En bovendien een…hoe zeg je dat? Goed voor de seks. Mevrouw Vangeneugden piept nog eens over haar bril uit. Het bloed stijgt Jos naar de kaken. Als je zo lang in dezelfde ruimte vertoeft. Dag in dag uit. Lees je elkaars gedachten, toch? Niet aan seks denken. Niet aan seks. Seks. Seks. Seks. Er komt een groentje binnen. Een groen blaadje. Niet aan seks denken, Jos. Jonge borstjes kijken je aan. Je zuigt op een klontje. Suiker in je bloed. Achter de muur trek je haar T-shirtje uit. Jonge borstjes kijken je aan. Je smeert confituur over de tepeltjes. Likt. Suiker in je bloed. De kast kraakt. Men bouwt een stuk muur bij. Prikkeldraad. Zon op je gelaat. Jonge borstjes kijken je aan. Confituur in de kast. Jos? Je mompelt iets onverstaanbaars. Houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt. Tikt. Tijd voor een blad. Je hebt vanaf nu 180 seconden om af te koelen. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Zie je nu wel? Waar was je? Rekenmachientje, juist ja. Immers: die 180 seconden, dat is brutotijd. Er gaat gelukkig nog wat af. Onoverkomelijke dingetjes. Zoals daar zijn: Je neus snuiten. Over je kin strijken. Naar buiten turen. Twee suikerklontjes in je koffie dopen,  twijfelen of je ze zou loslaten of integendeel, ze er terug zou uithalen en er stiekem achter je muur op zou zuigen. Met je ogen dicht, heel even maar. In je koffie roeren. Uitrekenen hoeveel slokken je minimaal nodig hebt om de bodem te zien. Doen alsof je koffie drinkt uit een lege kop. Email checken. Je hebt geen nieuwe berichten. Inschatten hoeveel minuten je níet naar de klok zou kunnen kijken. Je afvragen of je een beloning verdient als je dat twee minuten uithoudt. Lachen met jezelf. Mevrouw Vangeneugden kucht een kikker uit haar keel. Eentje zonder kroon. Kussen zit er niet in. Komaan, Jos. Aan het werk. Er liggen nog stapels op je te wachten. Belangrijke stapels. Te kopiëren stapels. Dan zijn ze tweemaal zo belangrijk. Dat is dan jóuw verdienste. Vergeet dat niet. Jíj bent een belangrijke radar in deze fabriek. Meer nog, een onmisbare radar. We slopen de muur, Jos. De ochtendspits is door. 

Evy
0 0

Iets zoets

Mijn hoofdhuid begon nu wel heel irritant te kriebelen onder die malle hoed. Hoewel mijn tenen als ijsklompjes in mijn laarzen lagen voelde ik gestage stroompjes zweet achter mijn oren naar beneden kringelen. Ieder keer opnieuw bedwong ik de neiging om mijn hals, met de mouw van de dikgeweven trui die ik hier geleend had, droog te deppen. Telkens realiseerde ik me net op tijd dat ik niet alleen mijn huid beurs zou schuren aan de harde stof, maar ook dat ik in diezelfde beweging de dikke laag make-up, waarvoor ik zo geduldig stilgezeten had, door elkaar zou vegen. ‘ Moet jij niet dringend nog een appeltje eten? ‘ hoorde ik mezelf met krassende stem vragen. ‘ Een stukje kruidkoek? ‘. Een vaststaand scenario was niet voorhanden, maar een heks die kindertjes tracht te lokken met als doel ze vet te mesten voor de kookpot, zou zich daadwerkelijk van zulke zinnen kunnen bedienen. Vanuit een gebogen houding, met spichtige bewegingen en priemende ogen, ging ik soms plotsklaps over het hek van het mij toegewezen tuinhuisje hangen en kneep eens goed in kaken of bovenarmen van de passerende jongeren. Ik waakte er wel om niet die kinderen te nemen die duidelijk al door collegae amateurs de stuipen op het lijf waren gejaagd. Na de derde keer als vrijwilliger in dit Halloweenevenement was ik trefzeker genoeg om ‘Hansjes’ en ‘Grietjes’ bewust uit te kiezen. ‘ Even voelen of je al genoeg van tantes koeken hebt gegeten…’. Terwijl ik het uitsprak zag ik mijn adem door dampwolkjes begeleid. Zo meteen maar eens even pauze houden. Tenen en vingers proberen ontdooien bij het grote kampvuur dat ter hoogte van de geïmproviseerde bar was geïnstalleerd. De jenever die door de begeleiding gul werd uitgedeeld had mijn borststreek verwarmd, maar het weldadige gevoel had zich niet kunnen uitstrekken naar de perifere kantjes van mijn lichaam. ‘ Inga, ik loop even naar voren. Zal ik iets voor je meebrengen wanneer ik terugkom? ‘Mijn nauwelijks herkenbare vriendin schudde haar hoofd van links naar rechts. ‘ Neem je tijd, ik heb net nog een beker pompoensoep achterover weten te drukken, ik kan er wel even tegen.’ Met haar knipoog als vrijgeleide vertrok ik op weg, langs de andere in scène gezette activiteiten. Wel even in m’n rol zien te blijven: het strompelende gangetje wat ik een boze oude toverkol zou toedichten, viel me niet moeilijk. De bittere kou had zich in dat opzicht handig van mijn voeten en heupen meester gemaakt. Handenwringend sloeg ik een zoveelste jenever af, maar toen Marleen me een flinke mok gemberthee in handen had geduwd ging ik op zoek naar een uitnodigend plekje bij het kampvuur. Ter hoogte van de schapenstal zat een bende locals die er duidelijk erezaak van gemaakt had de uitgebreide keuze aan geestrijke dranken te testen. Misschien niet vreemd, zij konden uiteindelijk te voet naar huis. Verschillende glazen lagen op de grond en het viel me op dat, buiten de andere bezoekers, ook de schapen hun achtersteven naar dit groepje hadden gewend. Een beetje verder, bij het speeltuintje, bevond zich duidelijk de make-out-zone. Tienerjongens verdrongen zich rond de mooist geachte meisjes uit het dorp, koppeltjes hadden zich krampachtig wriemelend bij het kampvuur neergezet. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar hier en daar meende ik beugels en scheefgezakte brilglazen te zien oplichten in het schijnsel van de maan. Het vorstgevoel had me ondertussen helemaal ingepalmd, en ik was echt wel dringend op zoek naar een plekje waar ik even zou kunnen bekomen. Uiterst rechts van me, had ik daarstraks al gezien, wilde ik niet zitten. De gigantische lantaarn die daar was neergezet diende als trekpleister voor motten, zo groot dat je ze voor vleermuizen kon aanzien. Geheel aansluitend bij het thema van deze avond, maar niet aan mij besteed… Een beetje meer centraal, tussen de lantaarnpaal en het speeltuintje in, meende ik nog een vrij zitplekje te ontdekken. Het zag er donker uit daar maar, voor zover ik het kon beoordelen van waar ik stond, wel vrij van motten of dronken feestvierders. Eigenlijk wel gek: sinds Halloween vanuit de Verenigde Staten was komen overwaaien werd het per jaar klaarblijkelijk uitbundiger gevierd. Grote en kleine handelaars voorzagen rond deze periode van de herfst meer en meer in een heuse massa aan heksenhoeden, bezemstelen en spinrag, en zelfs bloemenwinkels verkochten tijdelijk meer pompoenen dan chrysanten. De werkelijke intentie van het Allerzielenfeest: onze doden eren en een innerlijke beweging terug naar de Oorsprong maken, werd meer en meer in de vergeethoek gedrumd. Bij mij riep het gemengde gevoelens op. Sinds het overlijden van Ronny acht jaar geleden voelde ik rond deze tijd van het jaar een grotere behoefte om me op mezelf terug te plooien. Oh ja, ook hij en ik hadden Halloween gevierd. De meisjes waren nog klein geweest toen. In het Rivierenhof nipten wij tevreden van onze Oxo terwijl de kinderen genoten van op hun leeftijd toegespitste gruwelverhalen in het Sprookjeshuis. Zulke namiddagen verliepen traag. Of misschien is dat alleen in mijn herinnering zo. Wanneer de verhaaltjes verteld waren raapten we nog kastanjes en duwden we de twee kleinsten op de schommel tot ze weldadige buikpijn kregen. Thuis wachtte ons de Petit-Beurrekestaart die Ronny voor zulke gelegenheden maakte. De hete thee die over de rand van het kopje was gegaan bracht me terug naar het hier en nu, verplichtte me om toch maar even oplettend te zijn qua voeten neerzetten. Dit stuk van het terrein was echt wel nauwelijks verlicht. De gloed van het kampvuur strekte zich ver genoeg uit, maar de overhangende bomen kreunden zwaar en donker onder hun laatste bladeren. De vochtige geur van bos vermengde zich met iets wat ik niet meteen kon thuisbrengen, maar wat heel vertrouwd was. Meer op de tast dan op het zicht ploeterde ik richting omgevallen boomstam die ik van aan de overkant van het vuur had zien liggen. Daar moest ik echt vlakbij zijn. Ik schrok echt maar lichtelijk toen ik plots een zittend figuur onder een grote monnikskap ontwaarde. Zeker één van de acteurs uit het middeleeuwse kloosterspel dat hier vanavond ook was opgevoerd. Toen ik hem wilde vragen of hij een beetje plaats wilde maken schoof hij al naar links. Zijn stem leek van ver te komen toen hij zei: ‘ Ik vroeg me al af waar je bleef’. Het moet zijn dat hij mijn sprakeloze verbazing voelde want hij vervolgde: ‘ Ik had je zien aankomen ‘. Ik pakte mijn heksenrokken bijeen om over de stam te kunnen stappen en ging zitten. Voor de tas thee die ik nog steeds vasthield zocht ik een vlak plekje tussen het gebladerte op de grond. ‘Bedankt, ‘ stamelde ik, ‘ het was niet zo makkelijk om hier te raken ‘. Hij gniffelde. Iets weerhield me om mijn blik in zijn richting te draaien. Ik fixeerde me dan maar op het vuur, wat ook op hem een hypnotische werking moet hebben gehad, want toen een tijdje later mijn wangen begonnen gloeien viel het me op dat er verder tussen ons nog geen woord gewisseld was. Zijn bovenbeen leunde warm tegen het mijne, wat ik geen fout gevoel vond. ‘ Ben jij familie van Marleen? ‘ probeerde ik de stilte te verbreken, niet dat ik die als onaangenaam had ervaren. Hij strekte zijn lange benen voor zich uit. Grappig zicht van felblauwe sneakers onder een vaal kloosterkleed. ‘ Nee, ‘ weer die gniffel, ‘ ik heb hier wel banden, maar niet met Marleen ‘. Hij tastte met één hand naar iets wat zich ter hoogte van zijn voeten bevond en rechtte zich terug. ‘ Vind je het fout om een heiltoost uit te brengen met die tas thee van je? ‘ Mijn beurt om te giechelen. ‘ Nee ‘ zei ik, ‘ met het gehalte aan jenever dat al door mijn aderen stroomt denk ik dat dat wel gepermitteerd is… ‘. Ik voelde zijn ogen in mijn rug prikken toen ik vooroverboog richting drankje, maar toen ik mij zijn kant op wendde met een krachtig ‘Salud! ‘ versluierde zijn kap zijn gezicht alweer grotendeels, ik meende nog net een bepaald soort vochtigheid onder lang geloken wimpers op te merken. De wind speelde met een lok grijsbruin haar. We nuttigden onze drankjes in stilte. Een sfeer van sprookjes wervelde zachtjes rond ons heen. Was het de warmte, of was het die vertrouwde geur die zich meer en meer opdrong… was het echt, of heb ik me laten meevoeren op de sluiers van vuur en avondmist…? Ik weet niet hoe het die avond is verdergegaan. De volgende morgen werd ik wakker bij mijn vriendin thuis. Van de verwachtte stramheid, of het bonzende hoofd, viel niets te merken. In plaats daarvan voelde ik me merkwaardig licht, en dankbaar… De geur van verse koffie vulde het huis. Op de keukentafel beneden stonden twee dampende mokken klaar. Wat verder stonden de restanten van… een Petit-Beurrekestaart. ‘ Sandrine! ‘ riep ik uit, ‘ wat...? ‘. ‘ Alé ‘ antwoordde zij, ‘ daar kwam jij gisteren bij het sluiten van de boel nog mee af. Ik dacht dat je die thuis gemaakt had…’. Met gedachten versluierd als nevels verliet ik het dorp om naar de grote stad weer te keren. Twee weken later belde ik Marleen. Of zij enig idee had met welke monnik ik aan het vuur had gezeten. ‘ Lieve schat ‘ zei ze, ‘ ik weet niet waar je het over hebt. Ik krijg eerlijk gezegd een beetje de kriebels van je vraag… Sinds één van de meest bezielde spelers daarin gestopt is hebben wij het kloosterspel nooit meer opgevoerd. De laatste keer dat we het speelden moet zo een jaar of tien geleden zijn. Later hoorden we nog dat die man overleden is, en dat terwijl hij net met zijn nieuwe vriendin een huis gekocht had…‘. Mijn mobiele telefoontje heb ik laten vallen, ik had beide handen nodig om de consternatie die zich ter hoogte van mijn onderkaken verzamelde te omvatten. Vanuit de verte hoorde ik Marleen nog ‘ Hallo? ‘-en. Het deerde me niet, een geur van vochtige aarde passeerde en ik had plotseling een onbedwingbare trek in iets zoets.

alabonnefois
0 0
Tip

economy of love

Aan de manier waarop Kurt de voordeur behandelde bij het binnenkomen, kon Liesbeth al horen dat er iets mis was. Niet omdat hij hem extra hard dichtsloeg ofzo –dat zou hij nooit doen. Kurt was een man van nuances en Liesbeth had geleerd dat rimpelingen op het water zijn equivalent waren van een storm. Telkens hij thuiskwam, spitste ze haar oren en nam de opeenvolging, het ritme en de amplitude van de geluiden op die aangaven dat haar man de deur opende en sloot, zijn jas aan de kapstok hing en zijn schoenen verwisselde voor zijn pantoffels. Wanneer hij even later de keuken binnenkwam, wist ze al in welke stemming hij was en aan de toon waarop hij “hallo lieverd” zei, hoorde ze de bevestiging van haar vermoeden. “Hallo lieverd.” Er was inderdaad iets heel erg mis. “Dag schat, hoe was je dag?” Hij keek haar aan met een strakke blik en legde een opgevouwen krant op de keukentafel. “De cartoon op pagina twaalf,” zei hij, “daar moet je eens naar kijken.” Liesbeth veegde haar handen schoon aan een vaatdoek, nam de krant en vouwde hem open. Oh-oh... De spotprent was onmiskenbaar een afbeelding van haar man: zijn scherpe kin, hoge haardos, de aanzet van bakkebaarden. Die zware maar welgevormde wenkbrauwen. Een mooie karikatuur eigenlijk, alles welbeschouwd. Ware het niet dat hij er poedelnaakt op stond. Op een kroontje en een scepter na dan. Liesbeth keek op en zag dat haar man moeite had zijn kalmte te bewaren nu hij de tekening weer onder ogen kreeg. “Het is maar een parodie, lieverd,” zei ze sussend, “de nieuwe kleren van de keizer, iedereen kent dat verhaal. De mensen zullen wel begrijpen dat...” “O, met parodiëren heb ik geen problemen,” onderbrak Kurt zijn vrouw terwijl hij de krant uit haar handen nam. “Maar wie mij zomaar naakt te kijk zet, die kan een telefoontje verwachten.” Hij bladerde tot hij het colofon van de krant gevonden had en toetste een nummer in op zijn mobieltje. “Je ziet bijna niets, schat,” probeerde Liesbeth nog. “Je... je onderdelen zijn maar heel subtiel weergegeven.” Maar hij was de keuken al uitgelopen. “Goeiedag, ik zou uw hoofdredacteur willen spreken,” hoorde ze hem vanuit de woonkamer zeggen. Beleefd, bedaard en even zeker van zichzelf als een leeuw die op het punt staat een gewonde antilope te bespringen.   Jacqueline keek verwonderd op toen de bel ging. Ze verwachtte niemand; iedereen wist dat ze op dit uur van de avond meestal zat te werken en niet gestoord wilde worden. Met een zucht legde ze haar penseel neer en nam de trap naar beneden. De kat kwam haar op hoge pootjes tegemoet gelopen en streek langs haar benen. “Wie zou dat kunnen zijn, Poekie?” zei ze tegen de rosse kater. “Heb jij soms pizza besteld?” Bij de voordeur gekomen ging ze op haar tenen staan om door het spionnetje te kunnen kijken, en schrok zich een ongeluk toen ze zag wie er aan de andere kant stond. “Fuck!” fluisterde ze met ingehouden ontzetting. “Fuck, fuck, fuck, wat komt die hier doen!” Er werd weer aangebeld –kort, maar met aandrang- en Jacqueline besefte dat er niets anders opzat dan haar bezoeker onder ogen te komen. Ze trok snel haar schort uit, streek haar jurk glad en duwde haar bruine krullen naar achteren. Daarna opende ze voorzichtig de voordeur. “Goedenavond, juffrouw,” zei Kurt, “ik ben op zoek naar de tekenaar die voor De Standaard tekent onder de naam Jacky.” Jacqueline kuchte even. “Goedenavond, eh, mijnheer de minister. Die tekenaar, dat ben ik.” Ze stak haar hand uit. “Jacqueline Deprez. Aangenaam.” De minister leek heel even verwonderd, misschien zelfs een fractie van een seconde uit zijn lood geslagen. Maar aan zijn stevige handdruk kon Jacqueline voelen dat hij zich ogenblikkelijk herpakte. “Kurt De Volder. Maar dat wist u natuurlijk al. Mag ik even binnenkomen?” Hij stapte over de drempel, waarbij hij zich moest bukken om onder de deurstijl door te kunnen. De tekenares keek beschaamd naar hem op. Het was voor het eerst dat ze hem in werkelijkheid zag. Wat een aantrekkelijke man. Bedwelmd door de charme die hij uitstraalde, zag ze in een flits een nieuwe tekening voor zich: een elegante, grijze wolf in een zwart pak, die diep voorovergebogen een Efteling-huisje binnenstapt. “Ik ben hier omwille van de cartoon die vanmorgen in de krant stond. Maar ook dat is vermoedelijk geen nieuws voor u.” De jonge vrouw schudde verslagen het hoofd. “Het spijt me als ik u beledigd heb,” begon ze bedeesd. “Ziet u, ik...” De minister hief zijn hand op om haar het zwijgen op te leggen. “Waar is uw atelier?” Jacqueline wees in de richting van de trap. Samen klommen ze de smalle trap op, zich een weg banend tussen de stapels papier en kartonnen dozen die langs weerszijden de al zo beperkte oppervlakte van de treden innamen. Bovengekomen ging Jacqueline haar gast voor naar de kamer die ze als atelier gebruikte. In het midden stond de schildersezel met daarop de aquarel waar ze aan bezig geweest was toen de bel had gerinkeld. Ze duwde de ezel opzij om wat meer plaats te maken, maar de minister legde een hand op haar schouder om haar tegen te houden. “Nee, laat die maar staan. En neemt u maar een nieuw blad papier.” Met een brandende linkerschouder en een wild kloppend hart keek ze toe hoe de minister zich daarna tegenover haar posteerde en zijn broeksriem begon los te gespen. En haar in alle rust en kalmte van de wereld zei: “U hebt namelijk iets recht te zetten.”   Toen Liesbeth die avond haar man hoorde thuiskomen, liet ze het magazine dat ze aan het lezen was op haar schoot rusten en spitste ze haar oren, aandachtig speurend naar de signalen van het conflict dat ongetwijfeld had plaatsgevonden tussen hem en die vrijpostige tekenaar. Maar tot haar grote verwondering wees alles wat ze hoorde erop dat haar man weer zijn gelijkmoedige zelf was. Meer dan dat, hij leek zelfs vrolijk. Hij liep de woonkamer in en gaf haar een kus op haar voorhoofd. “Hallo lieverd.” Onder zijn arm droeg hij een kartonnen buis. “Dag schat, hoe was het?” “Alles in orde. Ik heb het geregeld.” Hij wandelde zijn werkkamer in en toen hij er weer uit liep, was de buis verdwenen. “Ik ga even een douche nemen,” zei hij. Een halve minuut later hoorde Liesbeth hem vanuit de badkamer fluiten. Kurt, fluiten? Ze zette grote ogen op. Kordaat liep ze naar zijn werkkamer, waar de kartonnen koker uitdagend diagonaal over de voor het overige zo ordelijke werktafel lag te wachten. Er zat een papier in, opgerold zoals je met een poster zou doen. Ze schudde de buis krachtig op en neer tot de inhoud eruit gleed. Voorzichtig rolde ze het zware papier open. Het was een tekening. Dezelfde cartoon waar haar man vanmiddag zo overstuur van was geweest, Kurt De Volder in zijn blootje, als de keizer uit het sprookje, met zijn zogezegde nieuwe kleren, compleet met scepter en kroontje, zij het ditmaal in groot formaat. Maar er was nog een verschil. Een groot verschil. Liesbeth´s mond zakte open. Waar op de cartoon in de krant haar man met een micro-penis bedeeld was geweest, bleek hij op deze tekening voorzien van een groot, zwaar lid. Zoals dat trouwens ook in werkelijkheid was. Vol consternatie keek Liesbeth naar het afgebeelde geslacht van haar echtgenoot. De proporties klopten. De vorm van de eikel klopte. Zelfs de moedervlek was naar waarheid weergegeven. Ze rolde de tekening langzaam weer op en schoof hem voorzichtig in de koker. Boven haar hoofd hoorde ze het water van de douche stromen. Godzijdank was het fluiten opgehouden.

Kathleen Verbiest
118 3

Mijn ogen bliksemden haat, en hij loodste me veilig verder.

Ooit in een ver verleden naar aanloop van die eerste november, Allerheiligen. De boosheid bliksemde uit mijn grote zwarte ogen. Niemand kon eromheen. De aarde wist dat ze wijken moest en liet gewillig mij “een voetspoor van vernieling” maken. Mijn voetstappen vol afgunst en koleire maakten een diepe indruk op de grond. elke stap dichter bij huis werd mijn woede afdruk dieper in het zompige herfstlandschap. Ik kwam stampvoetend thuis, ik zou het hem laten voelen, nooit meer met hem praten. Hij had me vernedert, hij was het niet waard mijn vader te zijn. Mijn haat zou hem vernietigen. Ze hadden gelijk mijn klasgenoten. Ik wou hem niet aankijken. Mijn negerende blik, mijn wegdraaiende houding, hij zou lijden. Ik zou geen medelijden hebben voor die papa van mij. Aan tafel verstoorde mijn woordenvloed van haat de rust, hem vertellend waarom ik hem nooit meer zou aanspreken en aankijken. (Na dit gezegd te hebben althans.)   Welke vader was hij wel, mijn ganse dag verknoeit. Ik had er nochtans zo’n zin in, en was goed voorbereid, mijn huistaak netjes gemaakt, alles gevraagd wat ik weten moest. Onze uitstap naar het gemeentelijk kerkhof, een voettocht naar de geliefden die we daar hadden moeten achterlaten. We kregen de kans om ze te doen heropleven, erover te verhalen wat we wisten, misten… Alle klasgenootjes zouden zien dat ik, ik die steeds zo sterk schreeuwde: Dat ik het niet erg vond.  Dat een moeder toch maar diegene is die je op de schoot neemt en ik had tantes die dit deden. Dat een moeder de persoon is die voor je kookt en mijn grootmoeder deed dit. Geen moeder hebben is een gemis, dat wou ik niet toegeven. Temeer omdat mijn moeder haar leven gaf om mij de dood te ontnemen. De weeën van mijn geboorte waren de voorweeën van haar sterven. Toegeven aan dit gemis was toegeven aan de moord die mijn geweten verzwaarde. Bij dit bezoek aan het kerkhof, zou ik in stilte een “sorry voor alles” en “vergeef het me aub” uitschreeuwen. Verbroken contacten herstellen, de navelstreng tussen ons van bloed voorzien. En zo mijn vonnis herschrijven, van schuldig over gans de lijn naar (onopzettelijke) doodslag zonder voorbedachte rade.   Daarom dat ik voor eenmaal mijn huistaak zo serieus nam. De avond voordien had ik mij geïnformeerd. Elk antwoord kende ik vanbuiten. Er kon niets misgaan. Mama ligt rechts van de ingang 4de a 5de zerk in de rij in een grijze gewone grafsteen uit arduin begraven. En die namiddag we kwamen aan het kerkhof, 3 grote ingangspoorten op een rij ze hadden me bijna uit mijn lood geslagen. Maar pienter als ik was wist ik rechts van de meest linkse poort dan sla ik niets over. Elk klasgenootje ging met doordachte pas naar één bepaalde plaats. Ik zocht twijfelend elke lange gang af. Tegen de tijd dat we aan elkaar het graf van onze persoon mochten tonen had ik nog steeds nergens “echtgenote van Cael Roger” gelezen. Ik die het graf van de baarmoeder, waarin ik spelend spartelend drijvend gevoed en geliefd ontpopte tot de wereldveroveraar die mijn moeder baren wou, in al zijn schoonheid zou laten zien aan mijn medeleerlingen. Als mislukkeling moest ik afdruipen. Harder roepend dat het me niets deed om mijn snikkend geneurie te overstemmen. Bovendien sneden de opmerkingen vlijmscherp in mijn vlees. Opmerkingen als: Welke vader, hij heeft je moeder niet graag gezien! Hij die niet meer naar het kerkhof gaat. Geen chrysanten plaatst, nooit gaat bidden voor haar! Zoveel liefdeloosheid voelen het was nooit bij mij opgekomen. Mijn vader was een monster, maar bovenal hij had het me niet mogelijk gemaakt om de rust (in) en vrede te vinden.   De stilte na mijn woordenstorm die aan tafel viel was ijzig koud, de blik van mijn vader ongezien vreemd voor mij. Met verlammende angst liet ik me optillen door die krachtige grote ruwe handen. Om zacht op het dubbelbed van zijn kamer te landen. Zijn ogen hadden een vreemde mengeling van gevoelens die ik nog oplijsten moest gedurende mijn leven. Hij opende de krakende deur van het tabernakel en haalde het heilige prinsessenkleed uit waarmee mijn moeder naast hem gefotografeerd aan onze muur prijkt. Ik mocht de stof eens aaien en met ongekende diepte in zijn stem vertelde hij: dat mijn moeder een communiekleedje ervan wou maken moest ik een meisje zijn. Hij vertelde dat hij hun kamer na haar dood had behangen met het papier dat ze omschreven had in het ziekenhuis en mooi vond. Plots veranderde het behang dat ik vroeger zo lelijk vond naar een mooie aaneenschakeling der patronen vol leven. En hij zei “iets” wat mijn hele leven zou bepalen. Iets wat een totaal ander daglicht wierp op het monster en het schoon liet worden. Hij zei: “ik moet niet aan haar graf staan, of het opblinken, ik heb goed voor haar gezorgd toen ze leefde.” Mijn boosheid werd verpulverd door deze zin. En ik zag de mist in de ogen van MIJN vuurtorenpapa toen hij zijn trouwfoto bekeek. Mijn vuurtoren papa die ondanks zijn mist altijd een lichtschijnsel afvuurde om veilig te kunnen aanmeren. Vol trots heb ik mijn klas nadien met deze wijsheid geconfronteerd. En de vertelronde eindigde met enorm respect voor de man die zijn vrouw liefhad ook al bezocht hij nooit haar graf. En ik, ik heb nog nooit genoeg mijn spijt kunnen uitdrukken over de vernielzucht waarmee ik hem die avond benaderde. Maar weet sindsdien dat ik niet zo vlug oordelen mag. Respect vuurtorenpapa van mij. Nu de mist soms je ogen komt bewolken als je over ma vertelt groeit het respect. En komt die avond, die blik, die angst van je handen weer tot leven om me te helpen te vergeten wat vergeten mag en nooit te vergeten “de gevoelsmengeling die ik nog niet ontraffelt heb”. Papa bedankt voor die inkijk in jouw kluis van momenten en gedachten. Het Mama-woord die zo taboe ons leven overheerste wordt steeds bespreekbaarder tussen ons. Ooit mag jij haar kussen in mijn naam.  

don Caëlia
25 0

Allerheiligen op de Filippijnen

  Bij ons is Allerheiligen een dag waarop we op een zeer serene en ingetogen manier onze overledenen herdenken. Maar elke cultuur heeft zijn eigen tradities. Niet overal wordt Allerheiligen op dezelfde manier gevierd. Neem nu de Filippijnen.   ETEN, SLAPEN EN … GOKKEN   De overgrote meerderheid van de Filippijnse bevolking is katholiek. Je zou dus verwachten dat de Allerheiligenviering min of meer dezelfde vorm aanneemt als bij ons. Niets is minder waar!   De voorbereidingen beginnen reeds enkele dagen voor 1 november. De mensen gaan naar het kerkhof om de grafsteen van hun overleden familielid op te poetsen, zodat die er proper bijligt voor de grote dag. Op dat ogenblik lopen er op de kerkhoven mensen rond die met verf en kwast een centje proberen bij te verdienen door de namen op de grafstenen te herschilderen. Bij ons blijven die namen er voor altijd opstaan, maar daar worden die geschilderd en zijn de letters jaarlijks vervaagd.   De dag zelf krioelt het er van het volk. Mensen brengen een picknick mee en blijven de hele dag bij het graf zitten, waar ze hun tijd verdrijven met – je gelooft het niet – gokken! Op het kerkhof lopen priesters rond en als je die een paar Peso’s toestopt komen ze bidden bij je overledene. Dan worden de speelkaarten terug bovengehaald of wordt er nog een hapje gegeten. Daarna gaat iedereen slapen. Nee, men gaat niet naar huis om te slapen! Men slaapt gewoon op het kerkhof! Nou ja, voor de temperatuur hoeven ze het niet te laten, want zelfs in november haalt men daar ’s nachts nog vlotjes meer dan 20°C.   OMGAAN MET DE DOOD   Als Belg met een Filippijnse echtgenote werd ik op de Filippijnen reeds twee keer geconfronteerd met de dood. De manier waarop men daarmee omgaat verschilt enorm met wat wij hier gewend zijn.   Tijdens onze vakantie in 2003 zouden we vanuit onze thuisbasis in Ormoc City een uitstap maken naar Padre Burgos, op het zuidelijkste puntje van het eiland Leyte. We zouden eerst mijn schoonbroer en schoonzus oppikken, maar toen we daar aankwamen vertelden zij ons dat ze forfait moesten geven, omdat de oom van mijn schoonbroer die nacht overleden was. Na de familie gecondoleerd te hebben, vertrokken wij dus zonder hen op uitstap.   Toen we in de late namiddag terugkeerden, reed ik eerst langs mijn schoonzus om te informeren of ze al wist wanneer de begrafenis zou plaatsgrijpen. “Die is al voorbij,” was het antwoord. Ik schrok mij een hoedje! Om negen uur ‘s ochtends was de man dood aangetroffen en om vier uur in de namiddag lag hij al onder de grond.   Er zijn in Ormoc City twee kerkhoven: één voor de rijken en één voor de armen. Op het kerkhof voor de rijken kan je grond kopen en die is dan voor altijd van jou. In België staat er een tijdslimiet op zo’n concessie. Daar niet. Maar je moet die dus wel kopen en daar hebben arme mensen het geld niet voor. Dus worden de meeste mensen begraven op het kerkhof voor de armen en dat gaat zo:   Nadat men had gemerkt dat zijn oom overleden was, was mijn schoonbroer naar een dokter gegaan, die de dood moest komen vaststellen. Gewapend met de door deze dokter getekende overlijdensakte ging hij vervolgens naar het stadhuis, waar hij de overledene op de dienst bevolking liet uitschrijven. Samen met zijn broer en enkele kozijns ging hij dan een goedkope kist kopen en zette die thuis af. Nog armere mensen maken hun kist zelf. Daar werd de oom in de kist gelegd. Let wel: hij was in de loop van de nacht overleden en eerst ’s morgens gevonden. Het lichaam was al stijf en hij lag met zijn benen opgetrokken. De knieën moesten dus gebroken worden om hem in de kist te leggen. Bij ons doet de begrafenisondernemer zo’n dingen buiten het zicht van de familie. Hier doet de familie dat zelf!   Intussen was mijn schoonbroer met zijn kozijns naar het kerkhof gegaan om te vragen waar ze hem mochten begraven. De verantwoordelijke van het kerkhof had de plaats aangewezen en voor de rest moesten zij hun plan trekken. Zij groeven zelf de put, met spaden die zij zelf hadden meegebracht, en keerden dan huiswaarts. Intussen was de priester verwittigd en trok de hele familie in processie, met de kist op de schouder, naar de kerk. Daar sprak de priester een paar gebeden uit en wijdde de kist, die dan terug op de schouder ging. Te voet trok het gezelschap naar het op een steile helling gelegen kerkhof. Daar werd de kist in de put gelaten, die dan door de familie zelf terug werd dichtgegooid. Precies zeven uur nadat men de man dood in zijn bed had aangetroffen was alles voorbij. Zo worden op de Filippijnen onbemiddelde burgers begraven.   EERST BETALEN, DAN BEGRAVEN   Als je geld hebt kan het ook anders. Dat hebben wij een jaar later ervaren toen de grootmoeder van mijn vrouw overleed. Dat gebeurde de maandag van de laatste week van ons verblijf in Ormoc. Vrijdag zouden wij terug naar België keren en natuurlijk wilden wij haar nog voor ons vertrek begraven. Maar dat voor elkaar krijgen bracht heel wat aarde aan de dijk!   Ik wou niet dat oma een instant begrafenis kreeg, zoals de oom van mijn schoonbroer het jaar voordien. Dus reed ik met mijn vrouw naar een begrafenisondernemer om de begrafenis te regelen. We kozen voor een beperkte balseming, die vijf dagen standhoudt, want oma zou in haar huisje opgebaard worden in een open kist.   Op de Filippijnen vraagt de traditie dat er na een overlijden negen avonden na elkaar gebeden wordt in het huis van de overledene. Daarna krijgen de deelnemers aan de gebedswake een maaltijd aangeboden. Eén keer moet de naaste familie ook een nacht bij de overledene doorbrengen. Mijn vrouw heeft dat gedaan, maar zij vond het niet nodig dat ik dat ook deed.   Wij wilden oma niet op het arme-mensen-kerkhof begraven, dus zouden we op het andere kerkhof grond kopen. Zoals alles is ook een begrafenis op de Filippijnen naar onze normen spotgoedkoop. Met de grond en alles erbij betaalden wij voor het hele gebeuren de prijs van een zerk bij ons in België. Dat was dus geen probleem! Het probleem was echter wel dat dit alles gebeurde enkele dagen voor onze terugkeer en dat bijgevolg ons geld bijna op was. Hier ga je dan naar een automaat en haalt er geld uit, maar in Ormoc kon ik met mijn Visa-kaart nergens terecht. American Express en Master werden wel aanvaard, maar ik had enkel Visa. Ik belde dus naar mijn moeder in België met de vraag om geld over te schrijven. Dat geld zou eerst donderdag arriveren en dat was de dag van de begrafenis.   We legden dus uit dat we eerst donderdag konden betalen. Dat was een probleem, want op de Filippijnen wil men niemand begraven alvorens alles volledig betaald is. Ergens kan ik dat begrijpen, want de meeste mensen kunnen zo’n begrafenis niet betalen en de firma zou vaak naar haar geld kunnen fluiten. “Ik heb alle begrip voor uw standpunt,” zei ik, “maar ik ben geen Filippijn. Ik kan dit heus wel betalen. Kwestie is alleen om het geld op tijd hier te krijgen.” “I’m sorry, sir,” zei de manager, “maar zolang wij het geld niet ontvangen hebben kan de begrafenis niet doorgaan.” Er ontspon zich een discussie en op een gegeven moment vroeg zij: “Kan u mij een referentie geven van iemand hier in Ormoc?” “Zeker,” zei ik onmiddellijk. “Bel maar naar uw vice-burgemeester.” Zij keek van mij naar mijn echtgenote. Die knikte instemmend. De manager nam de telefoon en belde naar het cabinet van de vice-burgemeester. “Paul en Roselle Carremans? Ja, die ken ik! Geen probleem, hoor! Die zullen u zeker betalen.” De dame was nu een beetje gerustgesteld en we mochten de begrafenisondernemer meedelen dat de begrafenis donderdag kon doorgaan. Maar we moesten dan wel donderdagmorgen, nog voor de ceremonie begon, komen betalen.   Donderdagmorgen ging mijn vrouw naar de bank en wat bleek? De transactie had een dag vertraging! Het geld zou eerst vrijdag toekomen, maar dan moesten wij vertrekken. Paniek! Wij terug met de manager van de begraafplaats gaan praten. Probleem! Indien het geld er niet was, kon oma niet ter aarde besteld worden. Nu begon ik mij kwaad te maken. “Mevrouw, zie ik eruit als iemand die zijn rekeningen niet kan betalen? Bovendien hebt u een referentie gekregen van uw vice-burgemeester!” “Sorry, sir, maar dat is niet voldoende.” Er werd nog een tijd heen en weer gediscussieerd en tenslotte - ben ik een Belg of ben ik het niet? - werd er een compromis bereikt. Ik zou ons minibusje in onderpand geven. Doorgedreven onderhandelingen hadden als resultaat dat ik het wagentje nog mocht gebruiken voor de begrafenis, maar dat ik het daarna bij hen moest achterlaten. Als mijn schoonfamilie dan vrijdag, na ons vertrek, de rekening ging betalen, zouden zij de auto terug mogen meenemen. Wat een heisa!   Enkele uren later kwam iedereen samen in het huisje waar oma lag opgebaard en kon de rit naar het kerkhof beginnen. Ik reed als eerste achter de lijkwagen, met mijn schoonfamilie. Achter mij reed nog een minibusje waarin de rest van de familie had plaatsgenomen. De stoet werd gesloten door een open vrachtwagen die een van mijn schoonbroers had geleend en waar de rest van het gezelschap als beesten in rechtstond. Het deed mij denken aan de televisiebeelden die ik gezien had van Jodentransport tijdens de tweede wereldoorlog. Voor mij was dit mensonterend en indien men mij op voorhand had verteld dat ze dit transportmiddel gingen gebruiken om onze gasten te vervoeren, waren ze ongetwijfeld op mijn veto gestoten. Maar onze gasten vonden dit heel normaal. Waarom zou ik mij er dan druk om maken?   De begrafenisstoet hield halt aan een grote, open kapel voor een gebedsdienst. Daarna werd oma naar haar laatste rustplaats gedragen. Die was niet moeilijk te vinden, want er stond een grote partytent over de put opgesteld. Over die put stond ook een metalen frame waarover de riemen gespannen waren om de kist mee neer te laten. Daar werd de kist opgezet en tot mijn grote verbazing terug geopend. Men was blijkbaar nog niet van plan ze te laten zakken. In België gaan we na de begrafenis naar een zaal, waar pistolets en koffiekoeken gegeten worden. Hier worden op het kerkhof broodjes uitgedeeld aan de gasten. Vandaar de tent! Nadat we allen gegeten hadden werd er nog een laatste keer rond de kist verzameld voor een gebed. Toen werd ze gesloten en in de put neergelaten. Een Filippijnse begrafenis is toch wel iets apart!  

Paul Carremans
63 0

Gelukkig Nieuwjaar Madelon!

Buiten wiegen berijmde spinnendraden in de wind. Zoals ze daar hangen, lijken ze op witte serpentines in een gebleekt decor. Alleen de hemel draagt alle lichtste tinten uit de kleurkaarten bij de schilders. De zachtste versies geel, oranje, blauw, groen hangen, door de avondzon aangemoedigd, als een pastelregenboog aan de horizon. De eerste zaterdag van het jaar maken de buren er een traditie van om tegen de middag in de scoutslokalen te klinken op het nieuwe jaar. Bij een voorraad broodjes blijft een hele groep plakken tot de avond. Vanuit het keukenraam ontdekt Madelon enkele feestvierende buren die schuifelend hun weg naar huis zoeken. Ze vindt er niks aan dat buren mekaar willen Nieuwjaarszoenen onder invloed van een overdosis alcohol en hapjes uit zakjes. Madelon kiest veel liever voor een frisse neus bij een wandeling . Ze propt haar handen in een dubbel stel wanten, schuift haar voeten in wollen laarzen, trekt een jas boven haar trui en werkt haar tenue af met een haarband, een muts en een meterslange sjaal. Ze is helemaal klaar voor een ontmoeting met de winterkou, zonder risico. Met haar voeten proeft ze de gladheid van het sneeuwijs. Alles om haar heen ziet er statig uit alsof een tovenaar de wereld even een pauze toeroept en minutieus de kleuren van de natuur heeft verstopt. Het is veel te koud om lang buiten te staan. Madelons wangen voelen pijnlijk ijzig en de druppel aan haar neus bevriest, maar toch kan ze haar blik niet van het sneeuwdecor losrukken. Met betraande ogen stapt ze de sneeuw in die onder haar voeten knispert. Ze ademt de vrieskou. Aan lange lissen langs de gracht groeien ijskristallen, unieker en natuurlijker dan het duurste juweel. Welk woord zouden de Eskimo’s hiervoor hebben? Het sneeuwtapijt verraadt hoeveel hazen en konijnen in de buurt wonen en op een of andere manier aan eten moeten zien te komen. Iets fels in de sneeuw trekt Madelons aandacht. Vlekken rood steken hard af tegen hun witte  achtergrond. Ze lopen als een lijn naar het einde van de straat. Rode kleine stippen, intens van kleur in het midden en vager aan de rand. De vlekken volgen mekaar regelmatig op als een spoor. Ernaast zitten afdrukken van grote, brede voeten. Een man liep hier. Wie weet heeft hij zich verwond? Dan moet ze minstens gaan kijken en helpen. Misschien loopt iemand met een bloedneus rond. Dat gebeurt wel vaker bij deze kou. Of misschien is er iets veel ernstiger aan de hand. Madelon hoorde wel eens een verhaal van iemand die zo dom was om zonder handschoenen met sneeuwballen te gaan gooien. Zijn vingers waren na een tijd zo bevroren dat een ijsbal die slecht terecht kwam een topje van zijn vinger wegsloeg. Kan een vinger in dat geval gaan bloeden? Vast niet. Wie weet, en dat zou vreselijk zijn, kwam er iemand met de fiets naar huis en is hij onderweg heel lelijk gevallen, liet hij zijn fiets achter om te voet en behoorlijk gekwetst verder te gaan. De arme ziel ligt misschien ergens uitgeput dood te vriezen. Het spoor van vlekken wordt steeds kleiner terwijl de voetafdrukken gewoon verder lopen. Madelon kijkt op. Bij de hoek van de straat staan twee buren te praten. Het mannenspoor loopt hun richting uit. Al van ver steekt buurman Bert zijn hand naar haar op. ‘Gelukkig Nieuwjaar Madelon, ook aan het genieten van een wandeling? Ga jij niet naar het buurtfeest? Het is ferm gezellig ginder en die glühwein is heerlijk. Ik nam nog om een bekertje mee  naar huis, maar die dingen waarin ze het spul doen, zijn niet meer wat ze geweest zijn. Een klein kraakje en de boel loopt leeg natuurlijk.’

Annemie Dufromont
0 0

Dieprood

De zon waait door de tuin. Zo’n heerlijke vrije middag ergens in september. De tuin lijkt verward. Twijfelt tussen bloei en schreeuw om winterhard. Volledig in dat wat deze week was, schakel ik voorzichtig om. Genieten of aan de slag? De gulden middenweg bevindt zich buiten. Daar waar ambitie en actie naadloos samengaan. Waar focus nooit een probleem lijkt, resultaat altijd bevredigend is  en oplossend vermogen geen talent. De vereiste tijd echter ontbreekt, hardlopen en doordraven lijkt gewenst. Toch doe ik niets en denk een beetje voor me uit. De gelakte nagels volgen de gedachten in mijn hoofd. Mijn lijf laadt op met ieder woord en vindt de ruimte die er eerst niet was, maar nu zichtbaar wordt. Doorzetten blijkt een farce als mijn proces wordt verstoord. De langzame bewegingen veranderen gestaag in haast en terwijl ik eigenlijk nog iets moest kondigen de logees  zich al aan. Het logeevrije huis  vult zich met herinneringen. Muziek dwars door alle commentaren over het volume heen. De nagels doen, hetzij gehavend, wederom  hun werk.  Met het uitzicht op een pretentieloze avond geniet ik vast vooruit. Een zee aan ruimte, een eeuwigheid aan rust. De zon zakt buiten voorzichtig in de tuin en brengt het leven langzaam weer naar binnen.  Het licht van kaarsen, de bloemen op tafel en de schakering van wijn die steeds meer neigt naar rood. Heerlijk knus en warm zacht. Het voelt goed, het samen, de wereld even buiten, behapbaar en met  belofte. De hete zon verwarmd, maar ik klim door en geniet vanuit mijn nieuwe perspectief. De zwemles achter mij, mijn lief op wacht. Dwalen door het bos of iets met zwerven komt in me op. De realiteit is anders, maar eigenlijk niet minder leuk. Met een plof land ik in het zachte zand. Op pad! De reflectie van de zon doet onnatuurlijk aan. Overtuigd in ambitie dat mijn nieuwe wildernis meer baat heeft bij onderhoud dan een creatieve invalshoek, dan toch de tuin. Alleen, gedachten vrij, en rust. Het resultaat is verbluffend, maar de weg er naar toe is wat telt. De nagels niet meer te redden,  rond ik af. Het huis omarmt en ik land zonder moeite in de warmte van mijn gezin. Met de gedachten voorzichtig gericht op morgen, onderuitgezakt in de vrijblijvendheid van het weekend die nu nog onverwoestbaar lijkt, drink ik mijn echt allerlaatste glas wijn, dieprood. Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Schone Lei

Het bericht brengt me terug in de tijd. De vermelding van het liefelijke stationnetje op mijn geboorte grond levert een korte impressie op van herinneringen die daar ergens zwerven op het perron. Het vertrekpunt voor mijn reizen richting kroeg, kamers en de schuchtere momenten in de directe omgeving van het destijds pittoreske fietsenhok. Zonder te verzanden in details gaan mijn gedachten moeiteloos terug naar toen en vullen de ruimte met een melancholie die zo kenmerkend is voor de herinneringen uit mijn jeugd. De eerste openbare beelden tonen het toen rustieke plattelandsstation, de gestutte overhellende muren wachtend op het noodstation op komst.  De beelden van een eeuw daarna tonen het station zoals ik het ken.  Mijn symbool voor vrijheid en zelfstandigheid en net zo hard voor geborgenheid, wanneer de wereld groter bleek dan gedacht en de ouderlijke keukentafel  uitkomst bood. Met de naïviteit van de jeugd en de wijsheid van de wereld op zak heb ik daar gestaan met de geur van vrijheid om me heen. Weg van de basis die de ander had gelegd, op weg naar het fundament voor m’n eigen bestaan. Kiezend voor kwetsbaarheid door te vertrekken in een richting waar de ander misschien niet zou volgen met het gevoel dat de wereld van mij was. Tabula Rasa……een schone lei.  Pas veel later met het besef dat die schone lei onvermijdelijk krijtsporen droeg van het verhaal ervoor. Het fundament van ervaring wat ervoor zorgde dat ik kon blijven staan. Voorzichtig kantelend dat wat wel merkbaar maar niet direct zichtbaar was, om het te vangen in het licht, richting m’n eigen perspectief. Ieder vertrek een stap vooruit in het proces naar de basis voor mijn eigen jeugd. Een strak gelakte keukentafel vast voorzichtig  bij de hand. Heel af en toe kom ik daar nog, bij datzelfde station. Het hedendaagse beeld past niet meer bij het dorp zoals ik het ken, maar het gevoel blijft. En terwijl ik daar sta, de oudere jeugd in een veranderde tijd, ruik ik, tegen beter weten in, nog steeds een vleugje vrijheid.   Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0