Lezen

BSO-leerling en trots

Er is niets mis mee om ergens niet goed in te zijn. Wel is er iets mis mee om iemand te beoordelen omdat hij iets minder goed kan dan jijzelf, terwijl hij andere dingen hoogstwaarschijnlijk beter kan. Het mag dan een cliché zijn, maar iedereen heeft zijn of haar eigen talent. Een talent dat veel kan inhouden. Een talent dat broodnodig kan blijken te zijn in onze huidige maatschappij en in de onzekere toekomst die voor ons ligt.   Toen ik in mijn derde middelbaar moest overschakelen naar BSO omdat ik de vakken wiskunde en fysica maar niet wist onder de knie te krijgen, schaamde ik mij. Nu schaam ik mij omdat ik mij toen durfde te schamen. Dat ik dezelfde gedachten en vooroordelen koesterde die zovelen bewust of onbewust voor meer praktische opleidingen koesteren. ‘Afzakken’ noemt men het, een woord met een bijzonder negatieve ondertoon. Mijn ouders gingen steevast in tegen deze benaming. Je ‘verandert van richting’, je ‘daalt’ toch niet af?   Mijn jaren in het beroeps-onderwijs bleken achteraf de beste jaren uit mijn middelbare schoolcarrière te zijn geweest. Ik kon doen waar ik me goed bij voelde en me uitleven. Ik had een leuke, gemotiveerde klasgroep. Zo nu en dan kregen we vervelende opmerkingen zoals die ene keer toen een docent tijdens onze theorie-rijles zei dat BSO-studenten gemakkelijker buisden omdat zij ‘minder hard werkten’ of toen een leeftijdsgenoot mij op vakantie gebood de koffie te gaan zetten ‘want daar studeer jij toch voor?’. Leerlingen uit het ASO kregen dan weer de opmerking ‘seuten’ te zijn. Er was met andere woorden een wisselwerking aan straffe beledigingen waaraan docenten duchtig meededen.   Ik heb nooit spijt gehad dat ik van studierichting ben veranderd. De vervelende opmerkingen hebben mij gemotiveerd om verder te studeren, ik begin dit jaar aan mijn master. Weliswaar in de culturele sector, die momenteel jammer genoeg stevig onder vuur ligt. Maar niet iedereen kan grove, denigrerende uitspraken omzetten naar iets positiefs. Mijn hart brak toen een jongen nadat ik hem over mijn studierichting had verteld, antwoordde dat hij ‘gewoon werkte’. Iets als ‘gewoon werken’ bestaat in mijn ogen niet. Chapeau dat je werkt! Geweldig dat je elke morgen opstaat om ervoor te zorgen dat ons land draaiende blijft. In tijden van crisis, wie hebben we meer nodig dan bakkers, verpleegsters/verplegers, slagers en werkmannen/werkvrouwen die ons van beschutte woningen voorzien? Hoe zouden onze steden eruit zien zonder gemeentewerkers, smerig allicht.   We hebben iedereen nodig, niemand is minderwaardig. Poetsvrouw/poetsman, architect, schilder of ingenieur, tout! BUSO, TSO, ASO, BSO of starten met werken op je 16de, zolang je maar doet waar je je goed bij voelt. Onderwijs en werken horen geen competities te zijn, het gaat niet om ‘de beste’ zijn. Laten we voor een keer onze vooroordelen overboord gooien en trots zijn op de ander en (!) op onszelf.

Ruth Govaerts
48 1

Flamenco, por favor!

“Je grenzen opzoeken, dat raad ik je aan,” zei Serge, mijn loopbaanbegeleider uit het Oostvlaamse Lovendegem. “Stap uit je comfortzone.” Met zijn handen opengesperd op de armleuningen van de fauteuil, priemden zijn ogen recht de mijne in. Ondertussen borst en Bourgondische mansbuik vooruit. “Ga es naar de sauna,” (zot!) en “Neem es het vliegtuig naar Spanje en loop daar twee dagen alleen rond”.   Twee dagen? Twee landen verderop? In 2011 deed ik drie weken India voor een cursus. De laatste twee dagen in Mumbai heb ik met veel plezier in mijn eentje de weg gevraagd, logies gezocht, bedelaars afgewimpeld, afgedongen op Indische koopwaar en in het holst van de nacht een wilde taxirit beleefd. Hoezo grenzen verleggen?   Dus, de sauna. Maar dat is een ander verhaal, beste lezer. “Dat is een hans ander verhaal”, zou de Serge zeggen.   Whatsappt een vriendin mij eerder van't jaar: “Seg Esmé, hebt gij goesting om mee te gaan naar Barcelona ? Ah nee, dat interesseert u nie zeker, het Zuiden.” Nee inderdaad. Macho’s, droge sossissen, en siesta in de zon tot het reetzweet langs uw benen in uw sletsen drupt. No me gusta. In een ver verleden ging ik Engels-Spaans studeren. Algauw bleek ik geen klik te krijgen met de taal van de tapas en tortillas. Het volgend jaar koos ik voor een andere studie. De basis was gelegd. Spanje en ik, wij zouden nooit vriendjes worden.   Kanttekening: Mijn schoonmoeder-sinds-vijftien jaar is lichtelijk geobsedeerd door el sur. Haar zus is getrouwd met een Spanjaard en woont al meer dan 40 jaar in Barcelona. Mijn schoonzus danst al jaren Flamenco. Ze heeft haar lief, de broer van mijn man, leren kennen tijdens de Spaanse les. Die schoonbroer is van opleiding vertaler Engels en… SPAANS!   En dan, een citytrip naar Barcelona in mei. Met een vriendin op vakantie, een kamer delen. Vijf volle dagen met iemand anders dan mijn echtgenoot. In een land waar ik evenveel affiniteit mee had als een stier met een stierenvechter. Grensoverschrijdend genoeg voor een introverte hoogsensitieveling?   Bueno, ik kan vertellen over het mooie weer, de uitstekende locatie van onze B&B, de sympathieke gastvrouw, de liters sangría, heerlijke veggie paella, goddelijke churros con chocolate, etcetera etcetera. Maar ik wil het hebben over de ervaring die er met kop en schouders bovenuit stak. De ervaring die mijn weerstand tegen “alles Spaans” met de grond gelijk maakte.   Flamenco, por favor!   Dankzij een plaatselijke kennis van mijn reisbuddy kreeg ik de kans om zaterdagavond mee te gaan naar een flamenco-optreden. “Zoek maar es op”, zei Emmanuelle de avond voordien bij een sangría tussen de locals. “De show heet Fla.Co.Men. Ik heb nog een ticket op overschot.” Oorspronkelijk wilde ik op zaterdag de gratis museum night meepikken. Let wel, ook buiten mijn comfortzone! Maar als het lot mij onverwacht een ander plan voor de voeten gooit, wil het universum me iets duidelijk maken. Ikke mee, nada opgezocht, want flamenco, dat is toch hevig opgemaakte dames in zwierige rokken, met boze gezichten, stampvoetend en castagnettend in het rond, no?   No! Of toch niet uitsluitend. Het is ook Israel Galván, een vernieuwend flamencodanser, een man. Uit Sevilla, stad der Flamenco. En ik met een ticket voor op de eerste rij, pal in ‘t midden. Het begon vreemd. ‘t Is te zeggen, hij bracht kort enkele typetjes naar voor. Ondanks mijn weinige kennis Spaans, begreep ik dat hij zo de draak stak met de traditionele en behoudsgezinde flamencobeweging. Oh, een rebel? Mmmm…  Stap voor stap kwam de show op gang. Aye caramba, que espectáculo!   Ik begon te snappen waarom mijn compagnie vond dat je flamenco vanop de eerste rij moet beleven. Met momenten dreef het zweet voorbij in de lucht. Gestamp in mijn maag. Geklap in mijn hoofd. Opzwepende muziek met doordringende zang. Geen houden aan, in mijn hart ontvlamde la pasión. Israel Galván haalde me uit mijn hoofd en deed me VOELEN, met de tranen brandend achter mijn ogen. Niet van tristesse, maar van pure heerlijke emotie binnenin. Sta me ook wat drama toe, na al het drama op het podium: Als nadien een bus mij had overreden, was ik perfect gelukkig gestorven!   Awel Serge, wat zeght he daar van?

Esmé Lemmens
79 0

Het Roze-Bril-Defect

Mijn foto prijkt op plaatsen op het wereldwijde web waar ik het vroeger nooit verwacht had. Ik heb ze er zelf gezet. Inclusief leeftijd, lengte en de antwoord op de vraag of ik wel een kinderwens heb.   Ben ik een roker? Gelovig? Zo ja, welk merk? Van geloof?   En andere vragen, onbeantwoord.   Wat verwacht ik van een relatie?Vul dit veld in. Maak uw profiel compleet. U bent er bijna! – Ja ja, ok.   Ik ben het zoveelste vakje tussen een zoo van vakjes die maar al te graag ten prooi willen vallen voor liefde. We hebben er allemaal gewillig voor gekozen en gaan – zo blijkt – verleidelijk lachend een happy ending-leven tegemoet. Dat hopen we toch.   Ik daarentegen, kijk op mijn twintigersleeftijd terug op welgeteld 2 kapotgesprongen relaties, waarvan 0 met volle enthousiasme – of verliefdheid – zijn aangegaan. 0 is de hoeveelheid gelukzalige momenten die ik met deze mensen heb beleefd.Ontelbaar de keren dat ik op de rand van bevrijding van hen stond en het alsnog uitstelde.   3 jaar ertussen, voorwaardelijk vrij.   De “liefde”, al zou ik het niet zo mogen noemen, ervoer ik als een benauwend cachot.   Ik begon te denken dat de voorraad Roze Brillen, waarvan iedereen (of zo leek het toch) één bij de geboorte was toegestopt, tot op de bodem was uitgekamd op het moment dat ik naar buiten kwam.   Of de mijne heeft maar één keer gemarcheerd, maar door het teveel aan energie hadden mijn batterijen het al opgegeven na één flikkering. En ben ik hem daarna verloren.   Het is misschien niet toevallig dat ik me nu na alweer 3 jaar me op het spelersveld der liefde begeef.   Met enig verschil dat eenzaamheid me nu zo vertrouwd is geworden dat ik er misschien wel niet meer van wil scheiden.   Taboe zijn degenen die de woorden “Forever Alone” grappend in de mond nemen en er de tranen niet van inzien.   Ik kan me niet behelpen om het meer en meer ook zo te voelen.   En toch, daar sta ik dan. In mijn vakje tussen duizenden andere hoopvolle vakjes, wachtend op een andere soort vrijheid die me nog altijd vreemd is.   Op mijn Roze Bril die ze dan toch nog hebben teruggevonden.     Bron: https://inkognitoweb.wordpress.com    

Nachtpieker
0 0

Meisje vermoord lief met één van de vier kussens

Hey liefje, Gij denkt nu zeker: OEI EEN BRIEF Geen nood: ik ga hem ondertekenen met ‘uw lief’. Bij Ikea bleek ons bed er eentje voor twee Net geen king-size: dat leek ons wel oké Iedereen die erin slaapt, zal ondervinden: Dit is gemaakt voor de dikste man ter wereld Zijn vrouw en hun vijf obesitas-kinderen. Toch zit er iets scheef Terwijl gij op uw twee oren kunt slapen Blijf ik draaien, wiebelen en gapen. Een slaaponderzoek lijkt me dan weer Nutteloos tot de tweede macht Want ook al zegt ge elke keer"Tot morgen liefje, slaapzacht"Ik weet dat ge dat niet kunt beloven Even later komt namelijk De schizofreen in u, onherroepelijk naar boven Liefje: snachts doet gij iets wat Tegen alle waarden van een huwelijk indruist Gij slaat op mijn gezicht schat Vol met de vuist Of ik in uw dromen nu Het gedaante aanneem Van Mohammed Ali Of gewoon mezelf op een slechte dag Ik ben er vrij zeker dat een aanval in de rug In geen van de gevallen mag. Liefje: uw kracht is gelukkig beperkt Maar ik heb tot mijn spijt Nog iets anders opgemerkt Je rolt soms over me heen Alsof ik de zakdoek in het bed ben En je stampt tegen mijn been Blijkbaar is noch mijn gewicht, noch mijn gestalte Een hindernis voor jouw Volgende halte: De andere hoek van ons bed Daar wil jij slapen Daar heb je uw zinnen op gezet Nu is het zo dat ik daar eigenlijk hoor En mij daar de laatste tijd Toch wat aan stoor Het volgende moest ik vragen van mijn nekspieren De kussens op onze matras ZIjn ondertussen al met z’n vieren Ik wist niet dat dat niet voldoende was Nu hebben blijkbaar jou voeten, Hoofd, rug en buik Erg graag een kussen in gebruik Waardoor het bloed snachts lustig Stroomt tot het hoogste punt van mijn hoofd En geloof me er is niemand je die rustig Van je kussens beroofd Alsof het je lottowinst is, je grootste schat Je verdedigt die zak met veren  Alsof je nooit eerder een kussen hadLiefje, slaapmonster, nachtschizofreen Mijn koffer blijft voorlopig hier Ik ga nog nergens heen Maar – gewoon voor mijn slaapvertier Zou ik willen dat je even oplet Want ik wil – alstublieft – Een,fuckingSTAPELBED.Uw lief.

Lot
0 0

Wat een geluk - ik erger me weer dood aan alles en iedereen

Welk een genoeglijke uurtjes heb ik tot nu toe al beleefd aan de biografie van Geert van Oorschot. Er zit vaart in, er passeert een hele reeks dode schrijvers/dichters/redacteurs/recensenten de revue waarvan je denkt: allemaal aanzetten tot wederom waarschijnlijk wonderlijke biografieën - het is gespekt met zo mag ik verhopen waarheidskundige details (dat is welzeker, auteur/biograaf Arjen Fortuin tekent hier voor een titanenwerk) en vooral ook: er wordt - althans in deze fase van het boek, zo ongeveer middenin - kwistig rondgestrooid met citaten van de uitgever zelve uit brieven en telegrammen allerhande (het telegram! ik hing gisteren anderhalf uur aan de lijn van een ouderwetse telefoon - ik kan alleen maar hopen dat deze beeldcultuur-jeugd dat genoegen op een dag ook nog eens mag smaken). Het is een boek zonder maren die zich opwerpen, twijfels of ongerijmdheden die zich in het riet zouden verbergen. Het is bovenal een inspirerend boek.   Maar kom, voor zij die graag 'maren': de biograaf maakt door het belichten van bepaalde fasen en contacten (en soms expliciete terzijdes) natuurlijk een keuze: als hij daarbij patronen ontwaart (Van Oorschot als ruziemaker, als op de kleintjes lettende commerçant, als ... ) dan zou je weleens kunnen durven denken: echt? echt? Selecteren is ook propageren - maar zoals gezegd: ik neem aan dat deze keuzes niet uit de lucht komen vallen / al ontbreekt er dan ook wat vergelijkingsmateriaal (hoe zat dat bij andere uitgevers? hoe was die hun relatie met hun poulains, dichters, schrijvers?) Maar dat is maar een kleine maar, geen bezwaar om ongestoord te kunnen genieten van dit boek - mooi uitgegeven bovendien, al zou ik weleens willen weten op welk papier het nu is gedrukt.   Het fijne aan dit boek - althans, zoals ik het nu ervaar - is niet hoe Geert van Oorschot tot leven wordt geroepen - al zijn de citaten zoals gezegd wel een cadeautje van over het graf, ze geven inzage in temperament en strategie van een man die hoewel gedreven toch ook blijkbaar regelmatig redelijk 'stoemelings' succes oogstte. Het is eerder hoe er ook iets van zijn geest in de lezer lijkt te varen. Passie, gedrevenheid, voortvarendheid, durf. Maar ook: ergernis. En zodoende kan ik alleen maar met de grootste vreugde constateren dat ook ik opnieuw mijn ergernis terug heb. Ik erger me weer dood aan alles en iedereen, niet het minst aan mezelf. En welk een prachtcadeau is dat! Want door praktische modaliteiten en welwillende liefdesomstandigheden leek ik de laatste maanden wel meer dood dan levend. Maar dank god - of Fortuin of Van Oorschot - dus voor dit boek. Want is het niet bij een bijkanse regelmaat van ongeveer elke pagina dat ik denk: het verleden is springlevend, hoezeer toch zijn bedenkingen, oprispingen en kanttekeningen over macht en onmacht van literatuur van alle tijden.   Hoe Van Oorschot halsstarrig probeert een goed tijdschrift uit te geven (geniaal toch, zo'n satelliet rond een uitgeverij om te wegen op het publieke debat - vandaag reiken de ambities niet verder dan de omzet en het aankopen van wat kutkunst). Zo'n Hermans die verzucht dat het tijdschrift in kwestie geen aandacht heeft voor de actuele literaire ontwikkelingen (wat zouden die ontwikkelingen van vandaag dan wel mogen wezen, vraag ik me af). Hoe de uitgever zich ergert aan slappe literaire kost en lamlendige positioneringen ... Ik leef op bij zoveel voortvarendheid, bezieling, energie. Het is een misprijzen dat bij Van Oorschot altijd gepaard gaat met de hoop op beterschap.   En zo dwaal ik tijdens het lezen af in mijn eigen geestesbibliotheek van ongerijmdheden. Bekijk die dorheid die ons tegenwoordig overspoelt - zo van die gesubsidieerde 'wat nemen we onszelf toch ernstig' literaire magazines waar je met de beste wil van de wereld geen leven in kan schoppen. Zo van die in de publieke ruimte oprijzende figuren die je eigenlijk gewoon in een pennenzak kan steken: ze hebben dezelfde goede opleiding gehad, ze lezen dezelfde boeken, ze gaan naar dezelfde conferenties, en ze vertellen dezelfde lauwe prut - zelfs hun vertelstramienen zijn aan elkaar ontleend. Zo van die columnisten die zich druk maken over het kapitalisme in een kapitalistisch medium - op hun bananenschillen stormen ze de berg af - maar zeg hun niet dat het richting ravijn is. Het is een zichzelf repeterende draaikolk die me alleen nog maar doet kokhalzen. En terwijl ik bijna stik in mijn ergernis, voel ik me zo ook weer wat vrijuit ademen. Een politiek geworteld magazine met literaire bijdragen! Waarom zou het ook vandaag niet kunnen? Ik zie bijvoorbeeld vrucht in een communisme light (Van Oorschot draait zich om in zijn graf): kapitalistische uitwassen behoeven correcties, en daarmee val je heus niet het hele systeem aan. Armoede, overbevolking en hoge huurprijzen: het zijn serieuze onderwerpen die licht kunnen gebracht worden. Het zijn onderwerpen die door de schrijvers van vandaag vakkundig vermeden worden, omdat ze er gewoon geen weet van hebben, niet willen doorgaan voor een zeur (iedereen weet/kent het al) of zich vooral politiek neutraal willen positioneren. Kortom: het zijn onderwerpen die voor het rapen liggen, ze wachten alleen nog op de juiste schrijver(s).

Guy Bourgeois
25 0

LOSLATEN EN AANVAARDEN

DE DOOD IS EEN UITDAGING DIE ONS VERTELT GEEN TIJD TE VERSPILLEN DIE ONS VERTELT NU METEEN TE ZEGGEN DAT WE VAN ELKAAR HOUDEN Leo F Buscaglia     HET BIJZONDERE TESTAMENT VAN EEN MEER DAN BIJZONDERE ZUS   Ik had een jongere zus, onze ouders hadden haar, bij haar geboren worden, de naam Ingeborg meegegeven. Een mooie naam die je toen, in onze contreien, zelden tegenkwam. We noemden haar Inge. Inge werd 5 jaar na mij geboren. Tijdens de eerste 3 eerste maanden van de zwangerschap was ons mama constant misselijk en ziek. Uiteindelijk werd ze met uitdrogingsverschijnselen voor korte tijd in het ziekenhuis opgenomen. Na negen maanden kwam het reeds in de baarmoeder op de proef gestelde wezentje ter wereld. Het “door het leven” op de proef gesteld worden zou een belangrijk onderdeel van haar opdracht hier op aarde worden. Aanvankelijk ging alles zijn gewone dagelijkse gangetje. Inge groeide op, leerde lopen, leerde praten en ging, net als ik een paar jaar eerder, naar de kleuterklas op de school van ons mama. In het eerste leerjaar werd vastgesteld dat Inge, meer dan de andere kinderen, moeite had met lezen, schrijven en rekenen. Mijn ouders schakelden een kennis, Luc, die onderwijzer was, in. De man kwam gedurende een bepaalde periode op geregelde tijdstippen bij ons thuis langs om samen met Inge de opgelopen schoolachterstand in te halen. Toch bleek dat niet voldoende en werd er voor gekozen dat Inge naar het in Wetteren pas opgerichte “bijzonder onderwijs” zou gaan. In de volksmond sprak men een beetje denigrerend van “den BLO”. Zelf heb ik het me toen nooit gerealiseerd, maar achteraf is gebleken dat Inge die uit een gezin kwam waar men “beschaafd” met elkaar omging en waar men AN sprak, in een omgeving terecht kwam van voornamelijk kinderen uit kansarme en gebroken gezinnen waar de omgangsvormen, om het zacht uit te drukken, minder veiligheid bieden aan een kind, zeker als dat kind zeer gevoelig en kwetsbaar is zoals ook mijn zus was. Inge heeft daar onder geleden. Ze zag dat haar oudere broer en zus en later de benjamin van het gezin een “normale” ontwikkeling doormaakten en naar een “gewone” school gingen terwijl zij “anders” was en niet kon spelen met kinderen met een min of meer zelfde achtergrond als zijzelf. Gelukkig was er ons moeder bij wie ze troost en steun vond en thuis beleefde ze wel gelukkige momenten. Ze haalde zelfs graag kattenkwaad uit en werd, om wie ze was, ook wel eens extra verwend en er werd al eens meer iets met de mantel der liefde bedekt als ze wat had uitgevreten wat niet koosjer was. Ik herinner me dat ze op vrij jonge leeftijd, ze was niet ouder dan 12, sigaretten begon te roken hangend uit het dakvenster van haar zolderslaapkamer. Ze genoot zichtbaar, dat kon je merken aan haar guitige blik, van het verboden experiment en deed er alles aan om niet gesnapt te worden maar grote broer had het gezien en vond het wel gedurfd en vermakelijk. Samen met de buurjongen Marco deed ze liefst alles wat niet mocht en ze was gewiekst genoeg om uit het vizier van ons vader te blijven. Daarbij had ze een grote aaibaarheidsfactor met haar van ondeugd fonkelende oosters aandoende oogjes die toen nog onschuldige, aanstekelijke levensvreugde uitstraalden. Buitenhuis echter ging het minder als vanzelfsprekend. Na haar jaren in het BO ging ze, alweer, naar de school van ons moeder in de Wegvoeringstraat, het Sint-Jozef-instituut, waar ze onder andere leerde naaien. Opnieuw kwam ze in een veilige omgeving in de buurt van mama terecht. Na de schooltijd begonnen voor haar de problemen pas echt. Ze zou nu ook werk moeten zoeken en voor haar eigen inkomen leren zorgen. Dat was voornamelijk de wens van vader die “vooruit” dacht en Inge er op wilde wijzen dat ze ooit haar eigen boontjes zou moeten doppen. Daar kon je maar beter vroeg genoeg mee beginnen. Zo heeft ze onder andere, terug via ons moeder in een naaigeriefwinkel en een naaiatelier gewerkt. In de winkel was ze graag en ze was er ook graag gezien. De uitbaters waren bekenden en namen haar liefdevol onder hun hoede. In het naaiatelier moest ze steeds doorwerken en productiecijfers halen. Bovendien was het een monotone afstompende bezigheid waar Inge helemaal niet voor in de wieg gelegd was. Ze was uiterst stressgevoelig en hoog-sensitief. Ze werd geleefd en werd er ongelukkig. Op een dag, na maanden rond te hebben gelopen met een pijnlijke knie, waarvan de pijn werd onderschat en de oorzaak niet ernstig werd onderzocht, werd bij Inge botkanker vastgesteld. Dat was in het jaar 1992, ze was  toen 26 jaar oud. Het verdict kwam als een donderslag bij heldere hemel. Onze zus had ”kanker” . Zoiets gebeurde toch alleen bij anderen. Sinds die diagnose is haar leven langzaam maar zeker beginnen te veranderen. Ze kreeg verschillende keren chemo toegediend en verbleef regelmatig periodes in het ziekenhuis. Inge werd zich bewust van de draagwijdte van wat haar overkwam en ging op zoek naar zingeving voor zichzelf. Ze ontdekte dat de vreselijke ziekte, o wonder, ook positieve kanten voor haar had. Ze hoefde, voorlopig althans, niet meer te werken. Ze kon op zoek gaan naar wat haar echt “bestaansredenen” gaf. Ze ging boeken lezen en haalde zo onder andere kracht uit het boek “je kan je leven helen “ van “Louise Hay”. Ze geraakte ondermeer geboeid door de Aboriginal-cultuur uit Australië waar ze zich in verdiepte. Ze luisterde naar, voor haar, inspirerende muziek zoals die van Tracy Chapman en Doe Maar. Ze schreef gedichten, maakte etsen en tekeningen, leerde weven op een klein weefgetouw en deed nog veel dingen meer. Maar bovenal ontdekte ze de, voor haar, “therapeutische” klei. Ze ging naar de academie en volgde er keramiek bij Evert voor wie ze al vlug een boontje had. Evert kwam soms bij ons aan huis en als hij er was kon je er op vertrouwen dat je enkel hoefde te luisteren naar de vleesgeworden spraakwaterval die hij was. Sommige mensen zoals ik vinden dat best ok omdat je, in mijn geval, dan zelf niet veel hoeft te zeggen wat ik toch meestal vermoeiend vind. Als Inge of ons moeder zelf het initiatief namen om een onderwerp aan te snijden werd hun poging na hooguit een drietal uitgesproken zinnen in de kiem gesmoord door Evert die plots een ingeving kreeg die hij absoluut eerst en vooral moest meedelen. Inge treurde er niet om, ze hing meteen opnieuw aan ‘s mans lippen en droomde haar “impossible rêve”. Ik begreep wel waarom mijn zus voor hem viel. Hij had charme en zijn onmiskenbare “aanwezigheid” en sappige manier van vertellen brachten geregeld animo in huis. Hij was kunstzinnig en fijngevoelig. Er was echter 1 hindernis. Evert was homo. Toch had ik het gevoel dat dat haar er niet van weerhield er van te blijven dromen dat zij en Evert  samen “iets” konden hebben al weet ik niet hoe ze dat concreet voor zichzelf invulde. Telkens ze over hem sprak stroomde ze over van bewondering en een diep gekoesterd, tot dan toe onbevredigd verlangen naar een beetje aandacht van haar leraar voor haar diepere zielenroerselen. Mijn lieve zus, ze heeft nooit een lief, in de echte betekenis van het woord, gehad, tenminste toch niet voor zover ik weet. Ze heeft het troostende en helende van lichamelijke liefde, als was het maar een tedere kus of een zachte streling over de huid nooit gekend. Nochtans was dat ongetwijfeld één van haar stoutste dromen. Wat ze uiteindelijk wel heeft gevonden is wie ze in wezen “was” en dat heeft ze naar buiten gebracht in honderden werkjes in klei, langgerekte smalle, op het eerste zicht op elkaar lijkende maar in essentie totaal verschillende beeldjes van een soort menselijke wezens. Je kan er meerdere terracotta-legers mee op de been brengen. Elk beeldje is uniek aangekleed, heeft een eigen gelaatsuitdrukking, heeft andere kleuren maar bovenal lijkt het alsof elk figuurtje een “verstild leven” is. Alsof het “echt” leeft maar even, zij het voor altijd, on hold is gezet. Ik kan, misschien is het inbeelding, het stilstaande leven, je kan het ook de ziel van het beeldje noemen, erin waarnemen, voelen, er bijna contact mee maken. Vaak stralen ze een zekere, bijna voelbare tristesse uit maar evenzeer volledige overgave aan wat “is”. Inge blijft “aanwezig” in haar fragiele schepseltjes en soms als ik voorbij het beeldje in onze woonkamer passeer valt het me plots op en word ik even stil om het in me op te nemen, om er even contact mee te maken en me weer bewust te worden van mijn eigen sterfelijkheid. Mijn zus heeft nog een tentoonstelling van haar werk meegemaakt  in de “Cultuurschuur “in Overbeke. Veel mensen waren oprecht ontroerd. Ik gebruik de term niet graag omdat hij vaak te pas en te onpas opduikt maar in het geval van mijn zus voel ik hierover geen gêne. Zij was een “kunstenares” in de ware betekenis van het woord geworden of beter, de kunstenares die altijd al verscholen in haar aanwezig was geweest was eindelijk op de voorgrond getreden en had zich aan de wereld kenbaar gemaakt. Inge is na te zijn hervallen van botkanker op 28 mei 2004 om 5 voor twaalf overleden. Daar wil ik later, in een volgend stukje, nog even op terug komen. Ze had ondertussen ook nog een beenamputatie doorstaan en nooit had ze geklaagd over haar lot. Ze voelde zich soms terneergeslagen maar gaf iedereen, mij incluis, moed en goede raad. Zo drong ze er steeds op aan dat ik iets creatiefs zou gaan doen want ze wist dat het met mij ook niet altijd even goed ging, dat ook ik voornamelijk werd geleefd vanuit de angst niet te voldoen. De vraag is echter: “voldoen aan wat?” Laat dit schrijven dan ter ere van haar zijn. Als dankbaarheid omdat ik haar stimulerende woorden nog steeds kan horen en er op dit moment, beter laat dan nooit, gehoor aan kan geven. Dit alles stond altijd al in de sterren geschreven zoals alles in de sterren staat geschreven, zoals elk haar op ons hoofd is geteld. Niets gebeurt “zomaar”. Het was vaak prettig in haar “langzame, zachte” aanwezigheid te vertoeven. Het leven werd voor mensen in haar omgeving plots klaarder en vrolijker als ze blij was en ze kon vol overgave lachen met anekdotes uit ons gezamenlijk verleden. Zo is er die keer dat ik samen met haar naar het zuiden van Frankrijk, meer bepaald ergens in de Ardèche, ben gereden. We zouden er met ons tweetjes kamperen en er een familie bezoeken, want ik was weer eens hopeloos verliefd geworden op een meisje dat ik had leren kennen tijdens een VDAB-cursus voor polyvalent bediende, die er op een camping verbleef. Dat bezoekje liep uit op een sisser. Het meisje en haar familie lieten uitschijnen dat we welkom waren maar hun lichaamstaal verraadde het tegenovergestelde. Het meisje had, toen ik voordien in België zei dat ik haar zou bezoeken, hoogstwaarschijnlijk niet geloofd dat dat in werkelijkheid ook zou gebeuren en ik had beter kunnen weten maar wou mijn “kansje” wagen want had verder niets te verliezen. Met een smoes, ik weet niet meer welke, zijn we toen zo vlug als we konden weer vertrokken. We zouden het niet aan ons hart laten komen en de bloemetjes eens vrolijk buiten zetten. Inge en ik zijn toen gaan dineren in een table d’hôtes. We zaten er tussen enkele al wat rijpere koppels en het gezelschap bestond uit in totaal zo’n achttal mensen. Het was avond en het weer was broeierig waardoor je gemakkelijker ontspant en zonder gedronken te hebben reeds in een lichte roes verkeert. Het eten was heerlijk en bestond uit verschillende gangen. De sfeer onder de aanwezigen, allemaal Fransen, was opperbest en uitgelaten. Nog heerlijker dan de maaltijd was de wijn en tot mijn  meer dan stomme verbazing liet mijn zus zich lachend en genietend steeds opnieuw, aangemoedigd door een vrolijke Fransman, van het goedje bijschenken. Ze dronk Godallemachtig alcohol! Dat had ik nog nooit van haar gezien. Het was even verrassend als toen ze als 10-jarige sigaretten “hing” te roken uit het Velux-zolderraam. Bovendien werd ze er behoorlijk vrolijk van en ging ze met de paar woordjes frans die ze kende afgewisseld met wat, naar de inspiratie van het moment naar het frans vervormde Vlaamse woorden, in conversatie met de Fransman die haar op tijd en stond van wijn voorzag. De man genoot van haar grappige gestes die steeds komischer werden naarmate de alcohol nauwkeuriger zijn werk deed en hij daagde haar een beetje uit, meer nog, hij begon haar op een speelse manier zachtjes te verleiden. En mijn zus…die vond het allemaal geweldig! Na het eetfestijn liepen we, na een korte autorit, over de stille camping, licht beneveld naar ons kleine twee-persoonstentje en ik moest haar in bedwang houden of ze schaterde, ondertussen allerlei leuke onzin uitkramend, de andere kampeerders wakker. Zo had ik haar nog nooit gezien en ik heb in mijn leven niet dikwijls zoveel binnenpret gehad. Het duurde, toen we in onze slaapzakken gekropen waren, nog ruim een half uur voor ze uitgebrabbeld en in een heerlijke roes verkerend in slaap viel. Nog een ander kampeerverhaal dateert uit het jaar toen we met mijn zus Veder, haar vriend Carlos en nog een paar mensen, ik weet niet meer wie er allemaal bij waren, eveneens in Zuid-Frankrijk, in de Provence, op reis waren. Weer sliep ik met Inge in een klein tentje toen, midden in de nacht, een meer dan hevig onweer losbrak. Er was paniek en geroep in vele tenten. Ik, die niet vlug onder de indruk ben van een onwedertje meer of minder, bleef rustig liggen en zei tegen Inge dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Het zou zo weer voorbij zijn en dan hadden al die flauwe bangeriken voor niets de moeite gedaan om uit hun warme bedje op te staan om angstvallig naar de buienzwangere en om de haverklap apocalyptisch verlichte hemel te staan staren. Zo gezegd zo gedaan. Mijn zus vertrouwde haar door de wol geverfde, niet van een kleintje vervaarde, grote stoere broer, tot we op een gegeven moment nattigheid begonnen te voelen, zij het letterlijk. In geen tijd stond er 10 centimeter water in onze tent en waren we opeens klaarwakker. Inge begon vrolijk te gillen en vluchtte de tent uit. Ik riep haar na dat ze naar de auto moest lopen, ik zou onmiddellijk achterkomen. Dat deed ik maar dan wel poedelnaakt. Daar heeft ze mij in haar verdere leven nog vele malen aan herinnerd en telkens bestierf ze het, evenals op het moment van de feiten, van de pret. Ze vond het grandioos en hilarisch en ik geniet weer na als ik er aan terug denk. Ja dat waren onvergetelijke momenten en ik veronderstel dat ze het verhaal ook aan derden heeft doorverteld. Die lieve, soms dolkomische zus. Ik wil haar terug zien om samen te lachen en onnozel te doen. Om het verhaal af te ronden kan ik er nog bij vertellen dat we de rest van het onweer in mijn kleine auto, rechtopzittend hebben geslapen, of het tenminste hebben geprobeerd. Na Inge’s dood zijn er nog honderden beeldjes en andere creatieve scheppingen van haar hand in kasten, waarvan ze de sleutels had verborgen, en in dozen door ons moeder teruggevonden. Een bijzonder testament en een heel emotionele gebeurtenis voor de vrouw die altijd bij haar is gebleven (Inge is thuis blijven wonen) en die steeds voor haar heeft gezorgd. Samen hebben ze ontelbare innige momenten met elkaar beleefd, musea bezocht, concerten bijgewoond, reisjes gemaakt en hun hart bij elkaar uitgestort. Inge toverde met haar ontwapenende opmerkingen fijne lachjes en twinkelende oogjes op het gezicht van onze dementerende vader die precies een jaar voor haar stierf. Ze heeft hem samen met ons moeder warme gelukzalige ogenblikken bezorgd bij zijn aftakeling. Wat een geschenk gaf ze die oude hulpeloze man daar “zo maar“, volledig belangeloos! Haar vader was niet de gemakkelijkste hindernis op haar weg geweest maar Inge had alles vergeven, Inge had alles wat haar vroeger ongelukkig maakte getransformeerd in haar levenswerk en in de liefde voor haar familie, ze was het aardse gedoe en geploeter ontstegen. Ze was opgeklommen naar een hogere orde. Ze was een voorbeeld voor zij die willen zien.

wimpel
0 0

Wat kwam na wat voorafging...

BEGRIJP JIJ DIE MENSEN DIE OP FEESTEN DE OVERWINNING VIEREN VAN HET LEVEN OP DE DOOD EN DIE KANSEN GRIJPEN WAAR ZE LIGGEN EN DIE ALTIJD WETEN WAT ZE DOEN ? Gorki   WAT KWAM NA WAT VOORAFGING   Ik heb lang getwijfeld over wat ik nu ga vertellen. Het zou kunnen overkomen als het profiteren van een “bekend” iemand die er niet meer is en die mijn woorden dus niet meer kan bevestigen of ontkennen. Ik zou dit kunnen schrijven om mezelf wat belangrijker te maken, of ten minste de indruk te wekken dat ik dat ben, bij mensen die vatbaar zijn voor die manier van denken, waar ik mezelf ook nu en dan ook toe reken. Aangezien het verhaal dat ik ga neerschrijven echter evenzeer deel uitmaakt van mijn leven als alles wat vooraf ging ga ik het toch vertellen en vrij vlug zal blijken dat het in de toenmalige context simpelweg niets bijzonders voorstelde. Het verleden zou in dat opzicht voor mezelf pas meer gewicht krijgen naarmate de tijd “erna” verstreek.   Op een frisse maandagmorgen van het jaar 1990 parkeerde ik mijn witte, 2dehandse Citroën AX Diesel, waar ik weer eens aan bedrogen was geweest omwille van de verborgen gebreken die zich na korte tijd openbaarden en die ik er als gratis optie had bijgekregen, voor de gebouwen van het opleidingscentrum van de VDAB . De opleiding zou een paar maanden duren en ondertussen bleef ik tijdens de weekends als bobijnopzetter aan het werk bij “Van Neder Carpets” in Waregem. Er kwam dus geen druk aan te pas want ik “had” werk en mocht in de opleiding falen zonder dat het mij, buiten het verder ondermijnen van mijn al niet opzienbarende zelfvertrouwen, schade kon berokkenen. Voor het eerst hoefde ik niet te presteren bij iets wat ik ondernam en niemand zou het te weten komen als het mislukte want niemand wist dat ik er ooit aan was begonnen. Vrij ontspannen stapte ik de refter binnen waar al enkele mensen, bijna allemaal jonge vrouwen, lichtjes gespannen via eerste verkennende gesprekjes elkaar aftastten en kliekjes begonnen vormen. Tussen hen in, een beetje afwezig stond een nog vrij jonge man, eigenlijk meer een jongen, wat onwennig te wezen. Hij zag me op mijn eigen manier minstens even weinig op mijn gemak zijn en kwam naar me toe. We praatten wat, beiden opgelucht dat we niet de enige man in het gezelschap waren. We stelden ons aan elkaar voor en kwamen tot de conclusie, Luc en ik, dat we daar beiden waren omdat we zelf niet goed meer wisten van welk hout pijlen te maken, we waren nog net niet verloren voor het vaderland maar de tijd begon wel te dringen. Hij vertelde me dat hij met zijn groepje onlangs had deelgenomen aan Humo’s Rock Rally. Ik vond dat wel leuk alhoewel ik de wedstrijd al een aantal jaren niet meer volgde maar we hadden meteen een aanknopingspunt gevonden voor een gesprek want ook ik had jaren tevoren met mijn groep “M. B.” deelgenomen aan de wedstrijd. Niet dat we ver geraakt waren maar de commentaar in HUMO op onze vertoning was zeker niet vernietigend geweest. Ik dacht bij mezelf: “dit is weer één van de velen die het hebben gewaagd en zo succesrijk zal hun deelname waarschijnlijk ook wel niet geweest zijn” want voor mij stond geen flamboyante rockster maar een doodgewone brave, wat onzekere jongen. Hij vertelde me dat hij in het Nederlands zong en al zo lang bezig was met muziek in verschillende groepjes dat het deze keer alles of niets was. Als het na deze Rock rally deelname niets zou worden zou hij er mee ophouden en doen wat de maatschappij en zijn moeder van hem verwachtten, namelijk een baan zoeken zoals bijna iedereen dat deed en het leven leiden van de middelmatigheid. Wat hij me niet vertelde was dat ze derde geworden waren achter “Noordkaap” en “Kitchen of Insanity”. Naarmate ons verblijf tussen de meisjes van de cursus polyvalent bediende langer duurde leerden we elkaar beter kennen en kwam hij af en toe langs in mijn kleine huisje in de Sint-Machariusstraat rechtover de kerk waar om de hoek ook singer-songwriter “Tom Wolf” woonde. Het waren gezellige bijeenkomstjes en we genoten van een drankje en wat gemijmer en gefilosofeer over het leven en over muziek. Op een dag haalde ik er nog een man, Peter, bij die ik kende uit de muziekschool aan de Poel in Gent waar ik toen voor de tweede keer in mijn leven notenleer volgde. Ik had die lessen als kind reeds bijgewoond in de muziekschool in W. maar had er toen voornamelijk voor spek en bonen bijgezeten. Peter speelde piano en ik had nog een oude studiepiano van mijn zus in mijn woonkamertje staan. Met ons drieën begonnen we al improviserend wat te spelen en te zingen. Er was weinig overleg en iedereen deed zowat zijn ding waardoor we niet echt tot iets vruchtbaars kwamen maar dat deerde ons niet. Eindelijk maakte ik weer een beetje muziek hoewel wat ik deed op mijn gitaar bitter weinig voorstelde. Toen ik Peter had uitgenodigd om samen met mezelf en ene "Luc De Vos" wat te komen muziek maken bij mij thuis merkte ik aan zijn reactie dat er onmiddellijk een belletje ging rinkelen in zijn hoofd. Hij wist  duidelijk wel wie Luc De Vos was en leek al enigszins onder de indruk. Al vlug werd het me duidelijk dat “Gorki” niet zo maar een groepje was en toen Luc me uitnodigde om naar een optreden in de Vooruit te komen kijken ben ik op zijn uitnodiging ingegaan. Toen ik er aankwam en de deur opende was de zaal barstensvol met uitzinnige mensen. Ik kon er gewoonweg niet doorheekomen. Er steeg zichtbaar stoom op in de zaal van de verhitte lijven die uitgelaten dansten op de muziek en in de verte op het podium zag ik een onverschrokken podiumbeest te keer gaan. Het was die rustige, beleefde, wat onzekere jongen die ik kende. Ik was overdonderd maar kon er niet langer blijven omdat ik min of meer angstig word als ik me in een bewegende ondoordringbare massa bevind. We zijn elkaar na de cursus, waar we op een dag, voor het officiële einde van de opleiding ons attest zomaar kregen omdat ze waarschijnlijk niet goed wisten wat met ons aan te vangen hoewel we twee brave nette jongens waren, nog een tijdje blijven zien tot ik uiteindelijk de vrouw van mijn leven ontmoette waar ik zo lang had op gewacht. Het was een tumultueuze tijd in mijn leven en in mijn hoofd en ik sloot me af van de rest van de wereld om een nieuw gedeeld leven te beginnen met mijn huidige echtgenote. Ik heb toen mensen verwaarloosd omdat ik mijn vroegere leven, dat me niet zo bevallen was, volledig achter mij wou laten. Ondertussen werd Luc meer en meer  beroemd met zijn groep en zijn columns. Hij heeft me nog een kaartje gestuurd, een Gorki prentkaart, met de vraag om nog eens af te spreken. Ik was langzaam onder de indruk geraakt van wie hij ondertussen geworden was en durfde geen contact meer op te nemen. Bovendien had ik in de tussentijd een “gewoon” baantje gevonden en verwachtten wij een eerste kind. Wat zou ik hem nog te vertellen hebben nu hij beroemd was. Ik hield me liever afzijdig wat ook te maken had met een zekere schroom, een beetje schaamte ook omdat ik al lang niets meer van me had laten horen en hij toch nog het initiatief had genomen om contact met mij op te nemen. Kort daarna verhuisden we naar Brugge en telkens ik hem op de radio of op tv hoorde en zag voelde ik wat pijn in mijn hart omdat ik afstand van hem had genomen en anderzijds blijheid en trots om wat hij presteerde en om hoe hij zijn weg gevonden had en het had klaargespeeld om bij zo goed als iedereen in Vlaanderen “geliefd” te worden. Telkens mijn zus, die nog in Gent woonde hem tegenkam, vroeg hij hoe het met me ging. Het deed me telkens deugd om dat van haar te horen. Zonder dat hij het zelf wist bleven we op een bizarre manier via een paar mensen met elkaar verbonden. Hij zou dat ontdekken toen we elkaar na vele jaren in Brugge, na een optreden, terug tegen kwamen en, alsof het van gisteren geleden was, elkaar vertelden hoe het met ons ging. Daarna zouden we elkaar nog een keer ontmoeten en kort met elkaar praten, ondertussen 4 jaar geleden, ook in Brugge, bij de begrafenis van iemand die ons al die tijd met elkaar had verbonden maar over wie ik, om redenen van privacy, niet kan uitweiden. Toen ik het nieuws hoorde van zijn overlijden voelde het alsof ikzelf ook een beetje doodging, alsof ik een compagnon de route, die ik vrijwel nooit meer zag, verloor. Ik kon het niet geloven. Het kwam vrij heftig bij me binnen en toen ik het verhaal hoorde van het appartement en zijn eenzame heengaan moest ik onmiddellijk terugdenken aan Wim De Craene die eveneens alleen, in een appartement in Gent, aan zijn einde kwam. De dag dat Wim De Craene overleed kreeg mijn zus Lieve hevige pijn in haar knie en wou ze onmiddellijk naar de dokter. Het vervolg van haar verhaal heb ik reeds beschreven. Ze heeft lange tijd getreurd om de dood van Wim De Craene met wie ze zich ook op één of andere manier verwant voelde. Hoe het met Luc is gegaan en wat er in hem omging tijdens zijn laatste uren zal waarschijnlijk een raadsel blijven en toch zou ik het heel graag willen weten. Ik wil het weten om het te kunnen begrijpen en om het daarna eventueel te kunnen aanvaarden maar het zijn mijn zaken niet. Ik weet dat iedereen in Gent hem kende na zijn doorbraak en dat hij met iedereen sprak. Ik had het geluk hem te kennen, net ervoor. We liepen toen door Gent zonder dat iemand naar hem keek. We hadden het goed samen, die korte tijd dat we makkers waren en ik ben dankbaar om die bijzondere, getalenteerde, zij het zeer eenvoudige en warme mens, van dichtbij te hebben mogen meemaken. Bij zijn dood voelde ik me al niet zo goed meer in mijn vel en vanaf dat moment zou het steeds minder goed met me gaan tot ik in juni, een half jaar later instortte.   Tot zover mijn eerste boek.

wimpel
0 0
Tip

Het cadeau

De nacht dat mijn oma stierf wist ik niet dat het mooiste cadeau in een schoendoos op mij lag te wachten. Het was totaal onverwacht toen het ziekenhuis belde. Er waren complicaties. Een longembolie. Het had niet lang geduurd.  Ik kon het niet geloven. Hoe kon mijn oma nu doodgaan? De familie was kwaad en overlegde of ze een klacht zouden indienen. Wat ik mij vooral herinner was de machteloosheid en het immense gemis dat ons toen overviel.     De laatste groet was pijnlijk, maar ik wou er absoluut bij zijn. Ook al was ik nog maar een kind, ik moest met eigen ogen zien of het wel mijn oma was die daar lag. Op de begrafenis liet ik geen traan. Deed mij vooral stoerder voor dan ik was. Misschien ook wel onbewust, om de plaats van mijn mama in te nemen, voor haar was het emotioneel te zwaar.  Van de plechtigheid heb ik nog maar een paar vage beelden. De weg naar het kerkhof en wat er daarna gebeurde, het is allemaal weg. Alsof mijn geheugen het ergste gewist heeft.   Bij het leeghalen van het huis verdeelden mijn mama, haar zus en broer de inboedel. De kleinkinderen, waaronder ik mochten een aandenken uitkiezen. Mijn zus had vooral oog voor de porseleinen pop waar ze altijd mee gespeeld had telkens we op bezoek gingen en mijn neef koos de go-cart met houten blokken over de pedalen. Als ik had mogen kiezen, dan had ik mijn oma gekozen, maar dat ging niet zei mijn mama.    Toen dacht ik aan de brief van jaren geleden. Het was bijna Pasen. Ik had mijn oma geschreven dat ik graag bij haar paaseitjes kwam rapen, dat ik mijn best deed op school en of ze mijn brief voor altijd wilde bewaren. Of die brief er nog was, wist ik niet. Maar in haar nachtkastje stond een schoendoos. Tussen vergeelde krantenknipsels, oude bankbiljetten en enkele verkreukte doodsprentjes vond ik hem. Ik was veertien maar ik wist meteen, een mooier cadeau dan dit zou ik nooit meer krijgen.   Volgende week word ik eenenveertig. Zoals ieder jaar op mijn verjaardag lees ik dan luidop voor. Uit eerbetoon aan mijn oma, uit machteloosheid en immens gemis, maar vooral opdat mijn geheugen haar nooit zou wissen.   Diegem 18 maart 1983   Lieve oma,   Het is bijna Pasen en dan kom ik weer bij u. Dan kan ik in de tuin paaseitjes rapen maar ik mag er niet te veel eten anders word ik ziek en krijg ik misschien buikpijn. Ik doe mijn best op school en ik vraag een brief van mijn lieve oma terug. Nu sluit ik maar. Dag oma tot binnenkort. Nog vele lieve kusjes van mijn zus, mama, papa en je kapoen.   Sascha xxxxxx xxxxxx xxxxxx   Ps. Kun je mijn briefje altijd bewaren

Sascha Beernaert
34 0

COMMUNAUTAIRE STRUBBELINGEN OP EEN FRANSE CAMPING

We staan al een aantal dagen op de camping te Agde waar elke kampeerplaats voorzien is van een privé sanitair. Een negerhutje, met daarin een wc, een douche en lavabo. Langs de buitenkant een afwasplaats. Naast ons is de staanplaats lang leeg gebleven, nadat een paar Nederlandse caravanbezitters, op zoek naar stabieler zomerweer, richting Spanje waren getrokken. Gisteren in de late namiddag arriveerden een paar nieuwe kampeerders. Belgen. De man reed van vermoeidheid bijna de haag omver. Manlief riep heel hard: “Stop” en vroeg of hij misschien een handje moest toesteken. Het koppel keek hem aan, als twee koeien die naar saffraan staarden.  Beeld zonder geluid. Het waren Franstalige Belgen en het was meteen duidelijk dat de financieringsstroom die vanuit Vlaanderen de taalgrens overgestoken was, niet gediend had om Nederlands te leren. Manlief werd volledig genegeerd. Tien minuten later kwamen er twee bevriende Waalse seniorenkoppels, die al een tijdje op de camping stonden, Alain en Marie een handje helpen. Ze bekeken onze autonummerplaat en zeiden: “Haha aussi des Belges.” Marie duimde onze richting uit en ik hoorde nog juist: Sont des Flamands. Alain stond er een beetje op te kijken toen zijn caravan met vereende krachten op zijn plaats geduwd werd. De voortent werd door de rail gehesen en onder luid gekwetter, trokken ze, door de ongecoördineerde bedrijvigheid, bijna de tentstokken en de touwtje uit elkaars handen. Ik hield, over de oleanderhaag de werkzaamheden een beetje in het oog en kon het niet nalaten om manlief er eventjes bij te roepen en te zeggen: “Vlug kom kijken voor het te laat is, zes werkende Walen!” Manlief vond mijn opmerking heel hilarisch. Ik kon hem nog juist bij zijne schabbernak vast grabbelen, want hij stond al bijna met één been op Waals grondgebied, om hen op deze manier te begroeten. Wij moesten tenslotte misschien nog een paar dagen langs de taalgrens blijven kamperen niet? De volgende nacht begon het te onweren en te regenen en werd onze slaap dus herhaaldelijk door hevige rukwinden gestoord. Wij waren juist terug ingedommeld, toen onze Franskiljonbuurman om acht uur ’s morgens onder luide orders van madame Wallonie, zijn tentharingen in de grond begon te rammen. Van alle Waalse werkweigeraars, van alle stakende cipiers, spoorwegbeambten en vakbondsyndicale arbeiders, hadden wij naast ons juist die ene werkwillige Waal staan die bij het krieken van de kampeerdag, een ochtendlijke energie opstoot had. Respect voor medeburgers of kampeerders: “Mon oeil!”. Hij had dan ook nog een knalrode T-shirt aan, maar dit eventjes terzijde. Ach ik weet wel dat het beeld dat wij Nederlandstalige Belgen van de Waalse landgenoten hebben wel heel karikaturaal is. Het zijn niet allemaal rode stakende rakkers en luieriken die leven van de Vlaamse geldstromen, er zijn ook noeste werkers tussen. Niet veel, maar er zijn er. Later op de dag was de zon terug van de partij en besloten we om naar het zwembad te gaan. Na een paar baantjes in het verwarmde water, nestelden wij ons lekker in het zonnetje en probeerden op de zwembadligstoelen ons slaaptekort wat in te halen. Ik knikkebolde nog maar net een beetje toen vier van de zes Franstalige Belgen zich al kakelend juist naast ons op strandbedden lieten neervallen. Mijn oren draaiden als radars om zeker geen sappige, taalgrens gerelateerde, verhalen te missen. Ik wist ondertussen dat de mannen Louis, Alain en Jacques heetten en dat de vrouwen, alsof het lot ermee gemoeid was, Marie, Marie-Jeanne en Jeanne waren. Louis en Jeanne waren er niet bij. Uit het vrouwengebabbel kon ik opmaken dat Louis voor de caravan lag te snurken en dat Jeanne naar de kapper was. Ze stonden hier jaarlijks, al meer dan acht jaar op rij, op dezelfde camping, op dezelfde plaats en Jeanne ging hier al jaren naar één en dezelfde coiffeur. En voor de allereerste keer had Jeanne nu meer dan twee weken moeten wachten voor ze een kappers rendez-vous kreeg. Incroyable.  Dan kwebbelde de dames over de kapper die er nu gans alleen voor stond omdat zijn kappersassistente was bevallen. Zij kwam niet meer terug werken en de kapper had het uiterst moeilijk om een nieuwe assistente de vinden…en waarom Jeanne nu juist naar deze haarstylist moest gaan…en pattati en pattata…kwek kwek kwek. Ik had me al min of meer afgesloten van het Franse geratel, toen het gebabbel plots volledig stilviel. Gecoiffeerde Jeanne was op de catwalk van het zwembad verschenen en schreed over de rode loper richting Marie en Marie-Jeanne. Onder mijn zonneklep opende ik één oog en keek recht naar de lelijkste vogelverschrikker aller tijden. Moest je Jeanne tussen de kerselaars zetten dan was er, zonder twijfel, in de wijde omtrek geen kersenpikkende vogel meer te bespeuren. Ik vermoed dat Jeanne, als voorbeeld voor de haarsnit die ze wou, een foto van Hitler naar de haarstylist meegenomen had. Een grote zwarte bles kleefde over haar voorhoofd van de ene kant van haar hoofd tot het oor aan de andere kant. De zijkanten van haar hoofdhaar waren volledig weggeschoren en het haar boven op haar hoofd was als coupe bloempot rondgeknipt. Alleen het Dolf- snorretje ontbrak. Haar Francofone vriendinnen waren sprakeloos en zeiden een beetje aarzelend dat het wel een hele speciale coupe was. De mannen staarden haar vol ongeloof aan. Nederlanders die wat verder lagen te zonnen, kregen die akelige angstige blik van herkenning in de ogen toen ze die vrouwelijke reïncarnatie naast het zwembad zagen verschijnen. En terwijl Jeanne liefdevol over haar zwarte bles streek, vertelde ze dat ze eigenlijk nog wat highlights gewenst had, maar dat de Agde kapper er nu geen tijd voor had gehad, hij er helemaal alleen voorstond, want dat zijn kappersassistente…kwek kwek kwek, wel een kwartier lang over de interne keuken van het haaratelier. Er kwam geen eind aan het Franse getater. Toen de Walinnen, eindelijk de moed hadden om Jeanne de mond te snoeren, vroegen ze haar of ze nog mee ging zwemmen. Jeanne antwoordde, dat ze niet van plan was om haar duurbetaalde kapsel eventjes met chloorwater te laten ruïneren???Als ze Louis tenminste uit zijn coma kon wekken, zouden ze naar de supermarkt rijden om een voorraad wijn en pastis. Straks waren al de Belgische vrienden uitgenodigd op de borrel. Ik denk niet dat wij erbij hoorden, de taalbarrière en de communautaire zee waren veel te diep.   Sim, de Simone     Agde, 29/5/2016    

Sim
0 0

NOIR AVEC UN PARFUM DE PIPI

Het is het jaar van El Nino. Dit natuurverschijnsel gooit wereldwijd roet in alle normale weersverwachtingen. Het was reeds de tweede helft van mei en aan de Franse Middellandse zeekust was, op een paar dagen na, de zuidelijke blauwe wolkeloze hemel en de bijbehorende warmte nog ver te zoeken. Twee dagen Mediterraan klimaat, twee dagen Belgisch grijs. De enige constante warme plekken bevonden zich aan de stakingsposten van de Franse olieraffinaderijen. Om hun eisen kracht bij te zetten, stookten hier verhitte vakbondsheethoofden autobanden op. Ze trachtten het gehele autorijdende land plat te leggen door de leveringen van benzine aan de tankstations te boycotten. Stakers in Frankrijk, betogers en stakers in België, tweemaal gijzeling van de gewone bevolking.  De zondag was begonnen met een zachte motregen die al snel overging in hevige stortbuien. De plensregen tokkelde oorverdovend op de caravan. Er zat niets anders op dan een vakantiedag al lezend en internetend uit te zitten. Maandagochtend was de zon terug van de partij. Cap d’Agde lag nog in een diepe winterslaap . De rolluiken van de zomerresidenties waren meestal nog allemaal gesloten.  De felle rukwinden deden ons fietsscenario echter in duigen vallen en wij besloten dan maar te voet naar Agde  te wandelen. Agde, een stadje dat 26 eeuwen geleden door de Grieken gesticht werd, weerspiegelde, zijn uit donker vulkanische gesteente opgetrokken, kerk in de rivier de Herault. Voor ons een raadsel wie er nog in die oude verkommerde huizen in die smalle straatjes wou wonen. Uit de wind en onder een mager zonnetje beslisten wij om in een basserie op een pleintje een koffietje te gaan drinken. Er was duidelijk iets aan de hand op het pleintje. Er stonden wat jonge mannen rond te drentelen. Ze riepen wat schuttingtaal naar elkaar, mepten wat op elkaars schouders en na wat getrek en gesleur verdwenen een aantal jongelui op een brommertje naar de andere kant van het pleintje om dan vervolgens met veel lawaai terug te komen aanrijden. Er stond een grote vrachtwagen op het plein met daarnaast een tafel waar allerlei eten en drinken op uitgestald stonden. Om beurten schoven de jongeren aan, staken een stuk baguette in hun mond en openden een blikje fris. Een kleine dikke man die breder dan hoger was hield de wacht naast deze lunchtafel. Zijn T-shirt spande over zijn speklagen. Hij droeg een donkerblauwe, volledig door de zon verschenen trainingspak, waarvan de twee ritshelften van zijn trainingsvest al decennia lang elkaar nooit meer waren tegengekomen.  Was het misschien een vrije dag voor de gesloten jeugdinstellingen? De haantjes zagen er allemaal een beetje hetzelfde uit. Licht terroristisch gekleurd met een debiele criminele stupide glimlach en een groot bakkes. Elk moment verwachtten wij dat er een bendeoorlog zoals in de film “Black” zou losbarsten en dat de Belgisch-Marokkaanse filmregisseur Adil El Arbi met een ‘putain’ tussenbeide zou komen. Toen er ook nog een man van de security op het pleintje kwam staan ronddraaien, zat ik van nieuwsgierigheid in mijn één centimeter grote koffietas de bodem weg te roeren en op mijn caféstoeltjes op en neer te wippen. Wat was er aan de hand?  Uit de tegenoverliggende straat kwamen er twee hippe mensen elk met een hond aan de lijn, onze richting uitgewandeld. Hier werd onmiddellijk de uitdrukking, mooi van ver, maar ver van mooi overduidelijk. De vrouw droeg een rode baret op haar knaloranje haren. Aan haar vaselinekleurige, gerimpelde aangezicht met knalrode lippen en valse oogwimpers, was nadrukkelijk te zien dat ze de kaap van drie maal twintig al eventjes overschreden had. Ze droeg een jeansjasje met glitters en een uitgerafelde jeanshort, die net iets te kort afgesneden was. Vanuit de onderste bilronding staken twee melkwitte cellulitus-putjesbenen, die blijkbaar ook nog niet teveel zon gezien hadden. Vanaf de bobbels in de knieholtes liep een Google- stratenplan met blauwe aders door tot in de hooggehakte cowboybotten. Haar man droeg een blauw met witte strepen matrozentrui op een knalrode broek en onder zijn arm twee stokbroden. Hij was bijna helemaal kaal, maar had zijn beetje nog resterende haar, achteraan met een fluo elastiekje, in een pijpenkrulpaardenstaartje bijeen gebonden. Het zag eruit als een verschrompeld Wiener worstje. Hij had zulke grote flaporen, dat als het mijn partner zou geweest zijn, hij op dagen dat de mistral of de transmontana wind opstak, niet buiten de deur zou mogen komen. Het risico zat er dan immers in, dat je hem enkele dagen later in Marokko zou moeten gaan ophalen. Sommige mensen komen weg met zo’n outfit, maar dit seniorentweetal leek net van een gekostumeerd bal met als thema “De Moulin Rouge” te komen. Rond het terras van de brasserie waren overal grote betonnen plantenbakken gezet, gevuld met yucca’s en orleanders. Terwijl het bizarre koppel ook naar de bedrijvigheid op het pleintje keken, snuffelde de dobberman- hond van mevrouw aan de bakken, hief zijn poot op en plaste recht in het zand van de bloembak. Hij draaide zich nog eens om zijn as en pieste een tweede keer tegen de plantenwortels. Het kleinere foxhondje, van mijnheer, had te korte pootjes die hij niet hoog genoeg kon opheffen om de potgrond te besproeien. Hij kletterde zijn urinestraal dan maar tegen de onderkant van elke plantenbak. Zo kreeg elke bloembak een driedubbele ammoniakinfuus. Noch madame, noch monsieur, noch de café- uitbater reageerden. Alleen de klanten keken elkaar aan en trokken hun wenkbrauwen wat vragend op. Straks, als de zon weer in alle hevigheid op die hondenpissijnen zal schijnen, de urinegeur zich met het aroma van de pastis, de rosé en de koffie zal vermengen, de planten mistroostig en verwelkt hun koppen gaan laten hangen en de klanten hun neus gaan ophalen, dan misschien zal de brasserie- eigenaar zich de dagelijkse wandeling van de twee kaketoeachtige hondenbezitters herinneren en denken :”Merde alors” maar ’t zal zijn’ de geur van pis dehors’… Het tweetal hippe seniorenvogels vervolgden hun weg en werden iets verder door een politieagent tegengehouden. Wat gebeurde er toch allemaal?  Onze pleintjesaandacht was eventjes verslapt maar toen er ook nog twee jonge hoertjes op meters hoge hakken , met ontblote schouders op het pleintje kwamen aantrippelen en cola en Frans brood van de tafel snaaiden, moest en zou ik weten wat er daar toch aan de hand was. Nieuwsgierig aagje? Weetgraag Simmeke zeker! De security man, wees naar de straat achter ons, bootste een camera na en vertelde ons, dat daar inderdaad in de oude smalle straatjes van Agde een filmploeg aan het filmen was. De plaatselijke politieagent hield alle belangstellende tegen en de Franse Adil- regisseur  riep heel luid:”De nouveau et cut”. Dus gelukkig toch een bende figuranten en geen kleine criminelen… Hoe zal de film heten? Noir avec un parfum de pipi.   Sim, Agde 25 mei 2016                      

Sim
0 0

solitaire

De boer, de dame en de koning kijken me vragend aan. Zoals elke avond speel ik solitaire totdat ik mijn tijdrecord gebroken heb. Een bezigheid als een andere. Een uitdaging als een andere. Elke avond wanneer ik de overwinning op mezelf heb behaald voel ik echter geen voldoening. Ik wil dan eigenlijk het liefst weer opnieuw beginnen, om nog een betere tijd neer te zetten. Om nog beter de tijd voorbij te doen gaan. Maar deze avond stop ik middenin een spel, het digitale klokje rechtsonder op het scherm tikt onverbiddelijk door. Ik zit als versteend te kijken naar de kaarten, de drie paar ogen die links netjes onder elkaar gestapeld liggen. Wat? Ten langen leste draai ik me van het beeldscherm af en kijk verdoofd de kamer rond. Mooie kunstreproducties hangen aan de muur van mijn piekfijn ingericht éénkamerappartement. De beste plek op aarde, mijn huis, mijn thuis. De neplederen vintage bank staat eenzaam te lonken, de kast vol boeken en dvd’s lacht me uitnodigend toe. Toch slaag ik er niet in om mijn wezen in beweging te krijgen, het is alsof mijn geest gepauzeerd is door een onzichtbare hand. Die hand verlangt ernaar om terug te spoelen, op zoek naar de fout. Die hand is de mijne.   In mijn leven klopt alles: boeiende baan, uitgebreide vrienden- en kennissenkring, gerieflijk appartement, goede band met mijn familie. Met een ruk kijk ik terug naar het scherm waar de kaarten geduldig op me wachten. De ogen priemen zich in mijn ziel. Wat? De uren en uren en uren gedachteloze spelletjes patience van de laatste maanden komen me voor de geest. Ik ben al die tijd op zoek geweest naar het antwoord op een vraag die ik niet eens gesteld dacht te hebben. ‘Waar zit de fout?’   Zonder precies te begrijpen waarom begin ik te huilen. Het begint met droge hikkerige snikken die ongecontroleerd uit mijn middenrif naar boven worden gestuwd, maar al gauw gaat het over in een waterval met een soundtrack van hartverscheurende kreten. Ik huil de ziel uit mijn lijf, om wat ik niet begrijp, om wat ik desondanks toch begrijp. Mijn leven klopt niet, ondanks het feit dat het geweldig is. Meer dan. Maar het klopt niet. Het klopt niet. Even plots houdt het gesnik op en vormen mijn gedachten woorden die ik luidop voor mezelf herhaal en herhaal, als een mantra: ‘Het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, …’        Geheel in lijn met mijn georganiseerde zelfstandige zelf besef ik dat ik iets moet doen. Ik moet iets doén! Maar wat? Het is zondagavond, 23u. Wat valt er te doen? Geheel in strijd met mijn georganiseerde, zelfstandige zelf graai ik naar mijn mobiele telefoon, zoek impulsief tussen de contacten en bel dan Gert op. De telefoon gaat over.        ‘Hallo?’ Als de telefoon nog een keer was overgegaan had ik hem hoogstwaarschijnlijk weer ingegooid, de toon als een echo in mijn ziel schreeuwend: ‘Wat doe je? Stel je niet aan! Je bent Maud, get a grip!’        ‘Hallo, Maud? Ben je daar?’        Ik schraap mijn keel, wil me er van af maken met een excuus, misschien kan ik doen of ik dronken ben, … Maar ik hoor mezelf met een piepstemmetje in de telefoon snikken: ‘Gert… het gaat niet. Ik heb hulp nodig.’   Hoe dat gesprek precies gelopen is herinner ik me achteraf nauwelijks. Ik weet alleen dat ik niet in mijn stoere pose ben teruggekrabbeld, dat ik aan de telefoon nog een keer heb zitten huilen als een kind. Dat Gert naar me luisterde zonder te weten wat er precies aan de hand was. Dat hij me resoluut aanmaande om de dag erna niet te gaan werken. Dat ik tegenpruttelde, maar rond ongeveer drie uur ’s nachts met wijdopen ogen in bed lag en besefte dat hij gelijk had. Ik kon inderdaad niet gaan werken. Het ging niet meer. De sluizen waren open en ik kreeg het water er niet meer terug ingeduwd.        Ook de weken en maanden erna zijn slechts een vage herinnering. Beelden van mijn verduisterde appartement, van pizza na pizza, film na film, van huilen en wanhoopskreten. Van telefoons en gesprekken met dokters en psychologen. Van meewarige blikken vol schijnbaar begrip. Van totale hopeloosheid. Van met de wang op de planken vloer en met de vinger cirkels tekenen in de stoflaag op de grond.        Langzaam kwamen er ook andere beelden bij, korte lichtflitsen als een onderdrukte glimlach die noodgedwongen in de linker- (of de rechter-)mondhoek omhoog krult. Een vensterbank met bloempotten, zaadjes die scheutjes werden die plantjes werden die kerstomaten, wortelen, sla en radijsjes werden, de kleine vreugde bij het zien van het groeiende leven. Een kamer in een huis vol licht, een rieten stoel die gemoedelijk kraakte terwijl ik heen en weer schuifelde, sprak en huilde. Een gevoel van opluchting wanneer ik na zes lange dagen en nachten weer die kamer in mocht, waar ondanks de strijd en de onwil vaak toch ontwapening plaatsvond, na de schok en het besef werkelijk gehoord te worden door de ander, door mezelf.   En dan, langzaam, de eerste stappen. Weg van het leven dat zo volmaakt was, maar nu eenmaal niet klopte. Onderweg naar het leven dat op me wachtte.  

LL Rigby
0 0

WHY WHY WHY DELILAH

Vanmorgen liet ik op Kapaza, Marktplaats.be/nl en Tweedehands.be/nl volgende advertentie zetten: Te huur of te leen, voor minstens drie weken, chaotische (oude) grijze Tom Jones. Voor al diegenen die nu hun wenkbrauwen lichtjes optrekken, ik heb manlief echt niet ingeruild om met Tom Jones Frankrijk te doorkruisen hoor.  Ik zal jullie vlug eventjes het laatste deel van mijn advertentie , ‘Tom Jones’, verklaren. Toen we hier op 1 mei aan de camping te Strasbourg aankwamen, bleek het beheer van de kampeerplaats weer in handen te zijn van een troep stadsambtenaren. Deze hadden blijkbaar geen van allen ooit met een tent, caravan of een camper rondgereden, want dan zouden ze wel geweten hebben dat kamperende mensen, die uit alle uithoeken van Europa via allerlei filegevoelige snelwegen kwamen, nooit getimed op een bepaald uur op een camping konden aankomen. De receptie bleek gesloten van 12 tot 14 uur, de ambtenaar moest opgestoord zijn boterhammetje kunnen opeten. Wij stonden dus als eerste voor de gesloten slagboom met achter ons een Nederlandse caravan en een lange rij met een tiental Duitse, Zwitserse en Franse campers. Om beurten zag je de echtparen aan de gesloten deuren van de receptie duwen, op hun uurwerk kijken en mompelen dat dit niet meer van deze tijd was. Soit, wij hielden dan maar een parkinglunch in de caravan, drentelden wat op de camping rond tot het tijd was om ons aan te melden. Een breed glimlachend Nederlands echtpaar stapte op ons toe. Zei Mijnheer Noorderbuur: “Weet U, wat wij zojuist tegen elkaar zeiden?” Nee, dat wisten wij niet..maar wij hadden de indruk, aan Mevrouw’s  lachende ja- knikkende aangezicht te zien, dat we dit snel te weten zouden komen. “Mijnheer, U gelijkt als twee druppels water op Tom Jones!” Nu hadden ze manlief zijn stemgeluid als eens met de vibrato van Urbanus vergeleken, maar deze vergelijking was nog nooit eerder gemaakt. Ik bekeek manlief en vond dat hij net zo veel op Tom Jones geleek als mijn gat op een peperkoek en zingen kon hij ook al niet. Het echtpaar glunderde, het leken zo’n twee oprechte lieve vakantie- Hollanders te zijn.  U herkent ze wel, die rondreizende identieke tweelingen, allebei met hetzelfde lekker makkelijk kort grijs kapseltje, met identiek dezelfde regenjack, identiek dezelfde rugzakjes, identiek dezelfde wandelschoenen en blijkbaar een identiek ver gevorderde vorm van cataract. “Ach”, zei ik, “altijd die aandacht in Las Vegas gaat ook ons tegensteken, altijd die hordes vrouwen achter mijn man aan gaat vervelen, dus we dachten, laat ons maar eens lekker gewoon doen en met de caravan in Frankrijk gaan rondtoeren. Zingen kan altijd nog!” Nou, dat was nou hartstikke leuk gezegd. Ik wou onze lieve noorderburen echter niet laten gaan zonder nog een goede raad mee te geven. Zo snel mogelijk in Nederland eventjes beiden een bezoekje aan Hans Anders of  Pearl  inplannen.  Om twee uur stipt gingen de lichten in het receptiegebouw aan, de deuren werden ontgrendeld en twee bediendejuffrouwtjes kropen achter de computer. Wij waren als eerste aan de beurt. Toen de receptioniste ons inschreef, zei manlief ineens: “Wat prettig, dat U wat eender aan het werk ging, toen U zag dat er zoveel mensen voor de gesloten deur stonden.” “Hoezo?, antwoordde het onthaaldametje terwijl de mondhoeken van haar geforceerde klantvriendelijke glimlach al iets omlaag gingen: “Twee uur is twee uur, stipt,  pil!” Ik dacht eventjes: “wat staat mijn Tom Jones daar nu allemaal te bazelen?” Vermits ik gewoon ben aan zijn soms sarcastische opmerkingen, duwde ik de ‘It’s not unusual’ neuriënde Tiger de deur uit vooraleer de zaak kon escaleren. Ik begreep er niets meer van. De roem was hem nu al naar het hoofd gestegen? Toen onze rijdende villa wat later op de ‘green green grass of the camping stond,  leverde manlief plots een gevecht met het wc- blok van de caravan. Het sanitair onderdeel wou er plots niet meer in. De godverdommes en miljaardes begeleiden het in- en uitgeschuif van het pipi- opvangelement. Dit zijn nu juist de dingen die je uittest vooraleer je met je caravan vertrekt, niet? Mijn adrenaline stress piekte op een gegeven moment zo erg, dat ik Tom Jones met alle plezier een ‘sex bomb’ onder zijn gat wou verkopen! Manlief had gewoon constant een knop verkeerd gedraaid!! Nadat hij zelfs een dutje van een drie kwartier gedaan had, stelde hij tevreden vast, dat het amper kwart voor twee was en we wel heel snel met alles klaar waren. Het was dus helemaal geen schimpscheut naar het receptiejuffrouwtje geweest. Zijn uurwerk was gewoon stilgevallen en zijn herseninhoud die de tijd bijhield vermoedelijk ook, want ieder normaaldenkend mens zou zich afvragen… Tot daar het verhaal over Tom Jones. Om het verslag over het begin van de advertentie : Te huur of te leen ‘chaotisch (oude) grijze…te vertellen, moeten we eventjes een paar dagen terug in de tijd gaan, met name naar de donderdag, vrijdag en zaterdag voor 1 mei. We schrijven donderdagavond toen ik plots, zonder verdere aanwijsbare verwittigingsymptomen, 38 graden koorts bleek te hebben. Hete golven sloegen uit mijn oren en mijn neus en tenen leken om beurten hete worstjes om dan na een paar minuten rillend in ijsblokjes te veranderen. In mijn hersenpan ramden nu en dan, 100 kleine mannetjes gelijktijdig op een trommel. Mijn hoofd voelde aan als een voetbal die balanceerde op een luciferstokje. Volledig gedrogeerd kroop ik in bed, zweette een nachtje overdadig en vrijdagochtend leek het koortsduiveltje verslagen. Wat niet wou zeggen dat ik al helemaal normaal reageerde. Het was zo’n beetje een slow motion action movie. Zouden we dan toch de caravan maar uit de stalling halen? Eens met de caravan voor onze deur, duwde manlief de mover tegen de wielen om ons rijdend huis op onze oprit te plaatsen. Voor al diegenen die geen caravan met mover hebben zal het volgende verslag compleet idioot klinken, maar geloof me, diegene die wel met zo’n gemoverde sleurhut rondtrekken, zullen onmiddellijk met dit verhaal mee zijn. Voor ons huis bleek het kastje waarmee we de mover van de caravan telegeleid konden besturen niet te functioneren. Het rode lichtje brandde niet, dus geen contact. Nieuwe batterij werd in het kastje gestoken. Dan ging het lichtje in het mover- kastje plots aan, snok, manlief had de handrem van de caravan vergeten af te zetten. Mover terug af de wielen gehaald. Misschien de boel geblokkeerd. Mover terug op de wielen geplaatst. Contactlichtje terug uit. Opnieuw andere nieuwe batterij in het kastje, lichtje eventjes aan, lichtje uit. Lichtje aan, lichtje uit. Om gek van te worden maar het kon mij allemaal niet veel schelen want de koorts kroop letterlijk sneller bij mij binnen dan dat de caravan ooit op de oprit zou komen te staan. Na veel chaotisch geknoei stond de caravan dan toch na een uur eindelijk op zijn plaats. En toen is manlief eventjes in de handleiding van het mover- kastje gaan lezen. Bleek dat je, identiek zoals vorig jaar en alle  jaren daarvoor het geval geweest was, tweemaal kort op het moverkast-knopje diende te drukken om contact te maken. Poepsimpel, alleen had Vercauteren het eventjes vergeten…grrr. Als jullie nu denken dat dit het enige verwarde voorval was, waarom ik manlief nu eventjes op een tweedehands- site aanbood, heeft het volgende nog niet gelezen! Op zondag 1 mei reden wij dus richting Strasbourg. Wat denken jullie van een man die zelfs zijn GPS dame niet verstond. Als ze zei: “Opgepast versmalde rijstroken”, hoorde hij “opgepast maalderijspoken”, alsof dit de normale GPS- taal zou zijn.  Bij het betalen aan het benzinestation in Luxemburg vond hij plots bij het ingeven van onze creditcode aan de terminal, de nul niet meer op het pin- betaalkastje staan. “Ou est le zero?” De kassierster riep vanachter haar glazen stulpje waar de nul zich bevond, maar na driemaal wablief? en wat zegt U? (in het Frans natuurlijk) geroepen te hebben, kwam de kassadame uit haar hok gevlogen en duidde, met een zucht, de nul aan. De inktaanduiding was inderdaad weggeveegd, maar volgens mij staat die nul al jaren op zo’n pinautomaat nog steeds op dezelfde plaats. Na alle wabliefs, wattes en wat zeg je, is het leuk om weten dat je man hoorapparaten bij zich had, alleen staken ze niet in zijn oren maar lagen die in het kastje van de caravan. Ach dit is nog steeds niet de enige echte rede waarom ik manlief in de aanbieding zette, luister en huiver! Zoals steeds schoven wij bij de tolstations steeds aan de verkeerde rij aan. Alle auto’s bumperden door het tolstation, alleen onze rij draaide weer een hele tijd stationair. Reden te meer om manlief te horen sakkeren: “Verdomme, dat duurt nogal! Weer nen ouwe sassa daar van voor zeker, die niet weet hoe hij met een bankkaart moet betalen?” Dus toen wij voor de bareel van de péage kwamen,ging het zoals al duizend keer daarvoor, kaartje erin, bankkaart erin, betaald, poortje open en hop erdoor. Zo’n tien kilometer verder, juist na de affiche “Welkom in Strasbourg, het centrum van Europa, opnieuw een tolstation. Kaartje erin, bankkaart erin, bankkaart bleef erin, bankkaart kwam niet meer terug te voorschijn. Vervolgens, manlief uit de auto en met een schuldige blik begon hij op alle knoppen te duwen.. Mijn superchaoot had de creditkaart in het gleufje gestoken waar normaal de cash euro biljetten moesten ingestoken worden en het ‘tolbetalingsmechanisme’ had het lekker doorgeslikt. Inderdaad weer zo’n oude sassa, die niet wist hoe hij met een creditkaart moest betalen…Gelukkig is er bij al die onbemande tolgeld- inslikkers een hulpknop aanwezig. Aan het lief mevrouwtje dat ons ter hulp kwam, bekende manlief schaapachtig grinnikend dat hij een stommiteit gedaan had. De betaalunit werd geopend en de tol- hulpdame moest  bijna de ganse binnenkant afbreken om aan onze creditkaart te geraken. Na een minuut of tien was mijn stresslimiet volledig bereikt toen manlief smalend en lachend met zijn bankkaart in de hand  zei: “Voilà geen paniek,  alles was weeral opgelost.” Het was niet zijn stomme fout, maar gewoon omdat ik hem zenuwachtig maakte,  had hij de kaart in het verkeerde gaatje gestoken. Wat een onrecht! Why, why, why Delilah…Ik had nota bene, met mijn gedrogeerde koortskop, nog nooit zo stil geweest en zo weinig commentaar gegeven! En toen zei mijn verstrooide professor nog als glunderend hoogtepunt: “Wij beleven nogal avonturen hé!” Ik kon alleen maar reageren met: “Hoe noem je dit, een avontuur? Een aflevering van Falty towers zeker, met als titel : Onder mijn man zijn grijze haardos wordt het één verwarde chaos! Ik hoor jullie al denken, hou toch eens rekening met manlief zijn leeftijd! Wel manlief is als een chaoot geboren vermoed ik, het kan dus alleen maar erger worden.  En toen moest het verwarrende campinggebeuren er nog bovenop. Dus bij deze, al wie mijn Tom Jones wil huren of lenen en hem voor een tijdje uit mijn atmosfeer wil komen halen, tot mijn koorts en mijn adrenaline opnieuw tot nulpunt gezakt zijn,  be my guest! Ook moet ik jullie van manlief zeker laten weten dat ook ik wel eens volledig de mist in ga. Toen we eind september de caravan in de stalling achterlieten, vergat ik het knopje van onze ijskast uit te zetten. Om de mover- batterij op te laden blijft de elektriciteit van de caravan in de stalling aangesloten en deed ons ijskastje dus overuren.  Nog voor ik alles in onze rijdende villa kon inladen, mocht ik dus met mijn Neurofen- hoofd, mijn verschuivende mayonaisehersens en mijn verkrampte nek en schouders, met de haardroger op maximum warmte, eerst de iglo in onze ijskast ontdooien. Ach nobody is perfect en we zijn elkaar waard. Eventjes denken, welke man kleurt de haren van zijn echtgenote zoals een volleerde kapper? Wie raspt het eelt van haar voetjes? Wie kneedde met Voltaren het griepvirusje uit de verharde schouders? Ja zeker! Jullie zijn nu allemaal stikjaloers zeker? Hopelijk is het nog niet te laat? Onmiddellijk mijn advertentie op Kapaza, Marktplaats en Tweedehands annuleren. Niemand krijgt mijn blunderende grijze Las Vegas- ster! Toen we ’s anderdaags hand in hand door het zonovergoten gezellige Strasbourg wandelden, kwam er plots een mooie jongedame, met een papier en pen in de hand, onze kant op. De vrijwilligster van Artsen zonder grenzen  bekeek ons met een vragende glimlach. Ze begreep helemaal niet waarom wij beiden ineens als twee idioten begonnen te schaterden. Zij had natuurlijk niet verstaan wat ik juist tegen manlief gezegd had: “Kijk uit Tom Jones, watch out Pussycat, hou je foto gereed, ze komen om je handtekening!”   Sim,  Strasbourg, 4 mei 2016  

Sim
0 0

HEMELEN

Als ik ’s avonds niet onmiddellijk de slaap kan pakken, lig ik zo soms in mijn bed allerlei dingen te bedenken. Leven wij inderdaad boven onze stand, als we straks weer als twee zigeuners met onze caravan door Europa gaan trekken? Leven wij boven onze stand als we elke winter naar het warme Tenerife trekken, zodat wij tijdens deze periode geen gepeperde rekening voor Belgisch gas- en elektriciteitsverbruik moeten betalen. We minimaliseren tegelijkertijd onze Vlaamse waterconsumptie door te douchen op Spaanse bodem. Wij eten en drinken daar aan de helft van de Vlaamse café- en restaurantprijzen en komen lekker vol apothekersloze vitamientjes terug. Soms gaan mijn overpeinzingen verder dan dat. Ik las gisteren in de regionale krant dat twee Edegemenaars beweren dat Edegem tijdens Wereldoorlog I van bombardementen gespaard bleef, omdat wij hier toch een Onze-Lieve-Vrouw van Lourdesgrotje hebben. Alle randgemeentes hebben kerken en kapelletjes afgeladen vol met Jezus- en Mariabeelden, maar die werden wel gebombardeerd. Welke kronkel moet je bezitten om zulke theorieën heden ten dage nog in de krant te laten verschijnen.   Hoe zien de gelovigen het hiernamaals en is er daarboven voor alle biddende medemensen één hemel? Kan het dat er maar één moslimhemel zou zijn waar de zelfmoordterroristen samen met hun islamitische,uit elkaar geblazen en geslachte offers (woordspeling!), gelijktijdig aankomen? Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk dat de zielen van de ontplofte en vermoorde moslims in volledige harmonie met hun terreurzaaiers door één poort zouden kunnen. Heeft hun God dan misschien voor drie afzonderlijke halalhemels gezorgd? De eerste poort is vermoedelijk gereserveerd voor de martelaren die dan onbekommerd  ogenblikkelijk aan het ontmaagden kunnen slaan. De tweede poort is dan voorbehouden voor de echte brave mannelijke islamieten en ergens ver weg is er een achterpoortje voor de hoofddoekvrouwtjes. Ja alles lekker van elkaar gescheiden. Als je op aarde niet gezamenlijk mag bidden of zwemmen, dan veronderstel ik dat je er ook niet tezamen mag zweven, niet waar? En in de Joodse hemel, is daar nog plaats genoeg? Het zal na wereldoorlog II wel hevig drummen geweest zijn daarboven. Hun God zag al het onrecht dat hun aangedaan werd lijdzaam aan, zonder in te grijpen. Zou jij je doodadresje dan nog tot in der eeuwigheid in zijn residentie willen onderbrengen? Wapperen hun pijpenkrullen niet uit en vliegen hun plastiek zakken over hun hoeden, hun hoofddeksels en hun pruikjes niet af als ze ten hemel opstijgen? Zijn er een paar bevoorrechten die hun plaatsje daarboven al via briefjes in de Klaagmuur gereserveerd hebben? Dan vind ik persoonlijk de Boeddha hemel veel esthetischer, sorteren per soort, recycleren en terugsturen. Reincarneer nog maar een paar keer en als je ten langen leste van de allerlaagste kaste omhoog geklommen bent en eindelijk alles goed doet, dan misschien mag je er wel in. Zo kan die hemel nog onbezoedeld eeuwen meegaan. Nu nog die christelijke hemel, hoe zit dat daar? Mogen daar alle soorten christenen samen de dood vieren? Mogen zelfdoders, moordenaars en pedofiele pastoors en priesters samen met hun slachtoffers op dezelfde wolk rondscharrelen? Worden de protestanten en de evangelisten er angstvallig weggehouden van die andere geïndoctrineerde Lourdesgangers die Maria en al die andere heiligen er nog bijslepen? Is er een speciale verdieping voor gelovige homo’s, Scientology sekteleden of de getuigen van Jehova?  Is er ergens in een donker afgelegen steegje een restafval- hemeltje voor al diegenen die voor het Jezus- tijdperk  geleefd hebben. Wat gebeurde er met al die Neanderthalers, Egyptenaren, Hunnen, Grieken en Romeinen die dus niet in dit sprookje konden geloven? Ik vermoed dat de christelijke God er een eigen verborgen agenda op nahoudt. Heeft hij een afzonderlijk hoekje in de hemel waar alle creatieve zangers, ongeacht hun religie en soms liederlijk leven opgevangen worden? Het is tenslotte al van 1971 geleden dat hij de musical Jesus Christ Superstar op ons losliet. Misschien dat James Last een nieuw concept op poten aan het zetten is. Zou John Lennon daarboven nog welkom geweest zijn nadat hij, met zijn ‘Imagin’, het bestaan van religies en een hemel in vraag stelde? Mogen overdosis gedrogeerden zoals Michael Jackson en het zelfmoordnachtegaaltje Whitney Houston nog meezingen in zijn volgende hemelse compositieschepping? Heeft hij aan Demis Roussos, David Bowie en Thé Lau niet genoeg om als achtergrondkoor te zingen of laat hij nog snel wat halleluja- Afrikanen naar de eeuwige jachtvelden opstijgen?  Oefent La Esterella “Oh Lieve Vrouwetoren” als hoofdaria of wacht de vader nog op de komst van kabbala Madonna. Met zo’n naam verdien je minstens paradijselijke hitparaderoem in het nirwana.  Zitten de Voice of Europe, Eddy Wally en Zjef Van Uytsel nu op hun wolk te stampvoeten. Opeens zien ze de hoofdrol in de volgende goddelijke musical aan hun neus voorbij gaan, nu de Heer totaal onverwacht, de ‘Purple Rain’ Prince, voortijdig naar het walhalla riep als nieuwe zingende hoofdrolspeler .    Sim, zachtjes wegdoezelend                Edegem, 23 april 2016

Sim
0 0